zaterdag 31 december 2011

ANTWERPEN

Vroeger brachten we de laatste week van het jaar altijd met vrienden in de Ardennen door. Drie families waarvan de ouders elkaar sinds mensenheugenis kenden en de kinderen samen opgegroeid waren. Weken met een intense nestgeur waren dat, samengesteld uit slecht trekkend houtvuur, vers en verschaald Trappistenbier en het muffe aroma van oude hardstenen huizen. Een jaar of wat geleden bloedde die traditie dood. Alles gaat nu eenmaal voorbij.
Maar dit jaar is de oudste zoon van een van ons in Antwerpen gaan studeren. Hij had de mazzel een verwaarloosd maar groot appartement te vinden in de Hoogstraat, pal in het historisch centrum. Met het grote gebaar dat ik zo goed ken van zijn vader nodigde hij ons allen uit eens te komen kijken. Slaapplaats genoeg voor de jeugd, de oude garde moest maar een hotel nemen.
De Drie Families lieten hun bezigheden in Brabant, Parijs en Amsterdam in de steek en trokken per trein en per auto naar Antwerpen. En daar zaten we bij het vallen van de avond bij kaarslicht aan een lange tafel. De top 2000 klonk, achter het raam was het reuzenrad zichtbaar, dat vrolijk verlicht ronddraaide in de regen. De hoeveelheid drank was ouderwets imposant, maar er was ook zorg besteed aan de sapjes. Grote brokken wildpaté en Franse kaas stonden klaar. Er was goed vers brood. In de keuken werd driftig gesneden en gewokt. De conversatie van mensen die elkaar al heel lang kennen heeft een bijzondere klank: luidruchtig, maar zonder schrille stemmen die iets willen bewijzen.
Toen later op de avond onze hoek van de tafel even stil viel keken we peinzend naar ons nageslacht. Ongelooflijk dat we nog niet zo heel lang geleden eindeloos bij schommeltjes in de sneeuw hadden gestaan, en onze bespiegelingen over het leven en de wereld alleen nu en dan moesten onderbreken om een van de meisjes een zetje te geven. Meiden die nu mooie jonge vrouwen waren en geen zetje meer nodig hadden.
Om één uur werd het erg rumoerig en werden wij moe. Rustig en tevreden liepen we met zijn zessen door de stille winkelstraten naar ons hotel. Die kids moesten het verder zelf maar uitzoeken. Wij zouden morgen nog wel even helpen de rotzooi op te ruimen, daar waren we niet te beroerd voor.

dinsdag 27 december 2011

HEESTERS


Er wordt me gevraagd wat ik als zanger van Johan Heesters denk. ‘Ik denk helemaal niets,’ wil ik Maigret nazeggen, maar dat is niet waar. Mijn gedachten zijn niet helder, dat is alles. Voor wie het niet weet: Heesters was een operettezanger, beroemd omdat hij op zeer hoge leeftijd nog optrad, berucht omdat hij goed fout was in de oorlog. Hij stierf vorige week, 108 jaar oud.
Het geval Heesters is complex. Toen hij furore maakte in het vooroorlogse Duitsland was iedereen hier apetrots. Onze Jopie! Na de oorlog haatte hetzelfde publiek hem omdat hij voor de Nazi-top had opgetreden. Een bakker die doorbakt in oorlogstijd is oké. Mensen moeten eten. Maar als zijn croissantjes nu zo befaamd zijn dat ze ook in de smaak vallen van de vijand, moet hij dan met bakken stoppen? Of pas als hij tot hofleverancier wordt benoemd?
De kwestie Dachau werd hem altijd nagedragen: had hij daar wel of niet gezongen? In feite is dat irrelevant. Wie voor machthebbers wil zingen, moet mee met hun uitstapjes. Zeker als die machthebbers dictators zijn. De prijs van roem is collaboratie. Om in die positie dwars te liggen en de hand op de knip te houden vereist grote moed. Je leven staat op het spel, niet alleen je carrière: Hitler heeft om minder mensen laten liquideren. Kun je een dergelijke moed van mensen eisen?
Veel succesvolle Joodse zangers wisten wat hun boven het hoofd hing, maar hadden niet de moed om zoals Richard Tauber alle schepen tijdig achter zich te verbranden: een eigen huis, een carrière, tal van obstakels scheidden hen van Amerika of Engeland. Ze lieten zich met de levensstroom meedrijven. Ook Heesters deed dat. De tegengestelde uitkomst doet er in deze wrange vergelijking niet echt toe, het gaat erom dat er in beide gevallen sprake is van dezelfde karaktereigenschap, of liever, van het ontbreken van een karaktereigenschap. In het eerste geval kan dat rekenen op begrip, in het tweede is datzelfde begrip onmiddellijk verdacht.
Ik heb weinig sympathie voor die man die zo ijdel was dat hij op de leeftijd van 108 nog op een podium wilde staan. De man die met aanvankelijke gretigheid de bühne beklom van een land waar de vlaggen met het hakenkruis al wapperden. Maar misschien nog minder sympathie heb ik voor de schreeuwers die hem een paar jaar geleden een optreden in zijn geboortestad Amersfoort wilden beletten. Het is gemakkelijk schreeuwen als je nooit zelfs maar in de buurt van een positie bent geweest, waarin de druk om te collaboreren zich voordoet. Een geweten dat nooit op de proef wordt gesteld is gemakkelijk rein te houden.
Als iemand me nog eens naar mijn mening vraagt over onze voormalige nationale trots, laat ik Mephisto van Klaus Mann erbuiten en houd ik het simpel: ook hoge heesters vangen veel wind.

zondag 25 december 2011

MUSEUMPLEIN


De lucht was van grijs vilt. Af en toe voelde ik een speldenprikje regen. Het was koud noch warm. Hollands decemberweer. Na twee jaar winter leek het vanzelfsprekend dat er nu sneeuw zou liggen, een mens went gauw aan dingen, te gauw. We passeerden de oliebollenkraam op het Museumplein. Daar tekende zich aan de overzijde van de armoedige grasmat de pas onthulde nieuwe aanbouw van het Stedelijk af. Karl, die allang niet in Amsterdam was geweest, verbaasde zich erover. Maar tot míjn verbazing werd hij niet boos. Vroeger zou hij messcherp hebben gefulmineerd tegen zoveel vloekend modernisme, nu zei hij slechts: ‘Ach, je weet het toch? Nieuwbouw moet volgens de architecten in discussie gaan met zijn omgeving. Ik kijk er niet meer van op.’
We liepen aandachtig langs de façade van deze nieuwe parel van hoofdstedelijke architectuur. Karl vond het, net als de dependance van het Van Gogh die hij ook voor het eerst zag, op dingetjes uit de badkamer lijken, die monsterlijk waren uitvergroot. Zeepdoosjes, dat soort nuttige objecten van kunststof, op onmenselijke schaal. De Van Baerlestraat met zijn ongelijke geveltjes leek er klein, rommelig en onaf door. Een vergeelde, beduimelde ansicht van Breitner. Het Concertgebouw en het Rijksmuseum werden gereduceerd tot goed bedoeld geknutsel door deze kloeke lijnen van de tekentafel. Hier was niet improviserend op de omgeving ingespeeld, hier was duidelijk sprake van een Visie.
We staken het water van de Hobbemakade over, ontdekten een borstbeeld van Carel Willink in een naar hem genoemd perkje, dat onaanzienlijk aarzelde tussen straat en plantsoen en godzijdank geen visie had, en sloegen de Frans Halsstraat in. In de bakken voor antiquariaat Feniks zochten we net als heel vroeger naar iets van onze gading. Karl, die al een boek heeft, duizend of meer misschien wel, liet zich niet tot een aanschaf verleiden, maar ik viste er een uitgaafje uit van A Christmas Carol van Dickens, vertaald door Antoon Coolen en geïllustreerd door Anton Pieck. Ik had geen kleingeld en wilde pinnen. Karl vond dat onzin en wierp een twee eurostuk op de toonbank. ‘Merry Christmas,’ baste hij. Buiten bladerde ik even in het boekje, Karl keek over mijn schouder mee. Prentjes van een zwaar geromantiseerde negentiende eeuw. Mannen met bakkebaarden die pijp rookten, net als ik.
‘Als je moest kiezen tussen de kitsch van Pieck of de kunst op het Museumplein, wat zou je doen?’
Ik liet de vraag maar liever onbeantwoord. Maar in gedachten zag ik het getergde plein voor me, ontworpen en ingericht door Anton Pieck: een ellipsvormige lusthof vol zoete ornamenten, loze tierelantijntjes, boogbruggetjes, paviljoentjes, fonteintjes, scheve siergeveltjes, krullerig gietijzer en glas-in-lood, een bakstenen suikertaart, een kruising tussen een pretpark en Madurodam. Ik schoot in de lach. ‘Een ding is zeker,’ zei ik. ‘De Japanners zouden gek worden van geluk.’

vrijdag 23 december 2011

MARUGG

De Roode Bioscoop is een miniatuurtheater aan het Haarlemmerplein. Het wordt gerund door acteur/zanger/muzikant Felix Strategier, die het ook bespeelt. In zijn even sympathieke als mooie voorstellingen staat vaak een schrijver of dichter centraal. De recentste bezocht ik afgelopen dinsdag: De morgen loeit weer aan, naar het boek van Tip Marugg. Begeleid door gitarist Joeri de Graaf, die ook de rol van Maruggs hond op zich neemt, vertolkt Strategier de drankzuchtige Antilliaanse schrijver. Felix is een kleine man met een grote uitstraling, en wat hij speelt wordt als vanzelf de moeite waard, dus ik heb me geen seconde verveeld. Maar wel werden me gaandeweg een paar dingen duidelijk.

Ooit had ik de pest aan Marugg zonder hem gelezen te hebben. Dat kwam zo: Geerten Meijsing en hij waren tezelfdertijd genomineerd voor de AKO-prijs, editie 1988. In het Literair Supplement van de NRC schreef de toenmalige literatuurpaus K.L. Poll, die net zo weinig verstand van zaken had als zijn muzikale collega Kasper Jansen, een tendentieus stuk tégen Meijsing en vóór Marugg. Ik had Geerten toen net leren kennen, was trots op mijn ontluikende vriendschap met mijn jeugdheld, en schreef een hartstochtelijke brief aan de krant. Omdat die erg goed geformuleerd was en gehakt maakte van Poll werd hij niet geplaatst. Overigens waren de kuiperijen en lobby’s van Poll en de zijnen vruchteloos en zegevierde het recht: Veranderlijk en wisselvallig, Meijsings boek, won.
Ik was deze kwestie glad vergeten, maar nu had ik de kans om mijn vooroordeel van destijds te toetsen aan de feiten. En die pleitten niet bepaald voor Marugg. Nu had de arme Tip het ook wel moeilijk: ik was met een Mulisch-inhaalslag bezig, en had net die dag De ontdekking van de hemel uitgelezen. En, tja, het magnum opus van Mulisch, dat is toch andere koek. Hoe iemand een boek kan maken met zo’n krankzinnige plot, zo’n barokke overdaad aan onderwerpen, zoveel lelijke zinnen vol taalfouten en germanismen, en toch door een kritisch en verwend lezer als ikzelf bijna duizend bladzijden lang ademloos kan, nee moet worden gevolgd, is me een raadsel. Is dat het genie waarover je zoveel hoort spreken?
Marugg heeft daar geen last van. Van genie, bedoel ik. Van een overdadige inhoud trouwens ook niet. Hij zit in een stoel te drinken en denkt van alles, of herinnert zich het een en ander. Zijn taal kabbelt en babbelt. Soms raakt hij op dreef en gutsen de zinnen in stroomversnellinkjes naar buiten. Wat hij zegt hoor je dan niet meer. Hij roept beelden op, maar welke precies? Een dronken mens ziet niet helder. En wàt hij ziet komt hem vreemd voor. En daarin vooral schuilt wat me niet bevalt aan dit soort drinkersproza. De schrijver, die schrijft om de ledigheid van zijn bestaan te vullen, moet zich bij gebrek aan beter bepalen tot het beschrijven van de enkele kleine voorvallen die hij nog meemaakt, in het kleine kringetje, dat zijn krimpende wereld geworden is. Dat gaat dan op een manier, alsof iets van een andere planeet wordt beschreven. Zo voelt het ook voor de drinker: de wereld van alledag is voor hem een buitenaardse beschaving geworden. De lezer treft deze surreële distantie, als hij welwillend is, als ‘kunst’, als bijzonder, authentiek en zelfs diepzinnig.
Maar niets gaat hier diep, behalve het peil van de fles. Volgens Reve (die overigens met vergelijkbare alcoholische monologue interieur wél weg kwam) moeten in een goed verhaal de beschreven voorwerpen en voorvallen symbolen zijn van iets groters, vehikels zijn van een metafysische werkelijkheid. De naturalisten hielden het bij de voorwerpen en voorvallen op en om zichzelf: de werkelijkheid precies beschrijven, dat was genoeg. Marugg komt daar niet eens aan toe. Hij staat op een afstand tot de hem omringende werkelijkheid en beschrijft eigenlijk vooral zijn eigen nevelachtige onmacht. Vroeger was dat misschien reuze interessant en romantisch, zo’n schrijvende zuipschuit, maar ik vind er niks meer aan.
Ik luisterde naar Maruggs proza, mooi gedeclameerd door Strategier, dat wel, en besefte dat ik deze artistieke fase ontgroeid was. Deze ontdekking had weliswaar als consequentie dat ik mijn eigen ongepubliceerde novelle Bankjeszomer wel in de prullebak kon gooien, maar deed me toch goed. Niet alleen drink ik niet meer, ook de sfeer van de drinkers heeft blijkbaar geen aantrekkingskracht meer voor me. Ik werd er zelfs kriegel van. Word toch helder en vertel een echt verhaal! Ik zag Felix zijn glazen legen en was blij voor hem dat er, zoals de toneelwetten voorschrijven, koude thee in zat.

(foto: Krijn van Noordwijk)

dinsdag 20 december 2011

LICHT

Sinds ik begin deze maand op zoek ben gegaan naar de positieve kant van het leven doe ik vreemde ontdekkingen. Zoals: weemoed is vaak niets anders dan ijdele gemakzucht. Ik zal dat uitleggen. Ik voel me veilig en op mijn gemak onder een donkere, onheilszwangere lucht. En ik zag die lucht voor prachtig, stemmig en betekenisvol aan, heel wat anders dan de schrale, platte blauwe hemel waar gewone mensen mee weglopen. ‘Als het maar niet regent,’ hoor je vaak zeggen. Als het maar niet regent? Als het regent heb je tenminste iets, dacht ik. Sfeer, karakter, niet die laffe niksigheid van een neutrale, droge dag. Mijn schrikbeeld: beetje zon, beetje wind, niet te koud, niet te warm, in elk geval droog: het weer van alle mensen, waar Gerard Reve het zovaak met afkeer over had.
Maar was mijn voorliefde voor slecht weer niet vooral zelfingenomen en lui? Iedereen heeft er de pest aan; ik niet, dus ik ben bijzonder. Een sombere instelling en een voorliefde voor een somber zwerk duiden op individualiteit en diepgang. Houen zo dus maar! Ik mag dan een hoop dingen missen, dàt heb ik tenminste, diepgang!
Zo was ik artistiek en ongelukkig; beter dan de rest, maar slechter af.
Op zoek naar de zonzijde en naar de gouden randjes om de regenwolken krijg ik soms heel andere invallen. Als een andere inval van het licht, een plotselinge zonnestraal die het beschenen object een fris en ongezien aanzien verleent. Zoals: je kunt iemand met een aanleg voor Weltschmerz zien als een geboren pessimist, maar je kunt het ook omdraaien. Wie weemoedig en teleurgesteld in het leven is, heeft er zich blijkbaar ooit meer van voorgesteld. Hij heeft er wel degelijk grote verwachtingen van gehad, die niet zijn uitgekomen. Wie geen weemoed kent en het leven neemt zoals het is, heeft die verwachtingen nooit gehad. In feite is dus de somberaar een afvallige gelovige in het goede, een gefrustreerde optimist. Vanuit deze optiek is het volgende idee maar een kleine stap: melancholici hebben een groter potentieel aan geluk in zich dan ‘gewone’ mensen. Het moet daar nog ergens liggen, onder het stof en allang vergeten, in de kelders van ons gemoed. Kunnen we de krakende trap afdalen en uit die muffe krochten de restjes van ons vroegere hoopvolle wereldbeeld naar boven brengen? Met andere woorden, is geluk maakbaar?
Op dit moment, in de allerdonkerste dagen van het jaar, vlak voor het omineuze kerstfeest (omineus, alleen omdat het ooit zo stralend was!) neig ik er heel voorzichtig toe, om op die vraag met een schuchter ‘ja’ te antwoorden. Onder voorbehoud, natuurlijk. Helemaal goed komt het nooit meer, maar zo ellendig als ik het in mijn romantische zwartgalligheid voorstelde is het leven toch zeker niet. Er gloort licht. En niet alleen aan de kerstboom, die ik overigens nog moet optuigen.

vrijdag 16 december 2011

GOUD


Ik was verkouden maar moest er vandaag toch echt uit om bankzaken te regelen. Ik had mijn wachtwoord drie keer verkeerd ingetoetst en moest een nieuwe ophalen. Leuk hoor, internetbankieren, maar het moet het wel doen. Anders kun je opeens je rekeningen niet meer betalen.
Het meisje van de ING hielp me vriendelijk. Toen ik mijn nieuwe toverspreuk had ontvangen vroeg ze of ik soms spaarde. Schoorvoetend bekende ik. We bekeken mijn bescheiden status en een vaag plan nam vaste vorm aan. Die halfdode rekening die ik ook nog had uit betere dagen moest maar eens worden geliquideerd. En de bijbehorende spaarrekening kon dan naar mijn reguliere rekening worden overgeheveld. Allemaal gedoe, dat ik steeds uitgesteld had. Nu, met de kordate hulp van het meisje, was het in tien minuten voor elkaar.
‘Nou,’ zei ik tot besluit, ‘soms is het toch wel eens goed om achter je scherm vandaan te komen en met een mens van vlees en bloed te spreken.’
Het meisje lachte. ‘Ja toch? Het was gezellig met u.’
Ik knikte. ‘Dat vond ik ook. Wederzijds, bedoel ik.’

Op straat woei een snijdende wind die dwars door mijn nog tere jukbeenderen leek te gaan. Een vlaag hagel sloeg me fel in het gezicht. Toch hief ik mijn hoofd op om naar de hemel te kijken. Daar was een mooie regenboog verschenen. Naast me liep met gehaaste en slingerende pas een man met lang, zwart geverfd haar. Hij had een bleek gezicht en een onduidelijk gebit. Aan zijn zijde liep een schurftige herdershond mee. De man betrok me met een armzwaai in zijn gedachten: ‘Ze weten niet wat ze willen daarboven.’
Op dat moment verscheen er een tweede regenboog boven de eerste. De onderste verscherpte en verdiepte zich in kleur. Glorieus stond de dubbele regenboog te stralen boven de armoedige geveltjes van de Albert Cuyp.
De man stond stil. ‘Godkolere! Zo heb ik het nog nooit gezien! Dat komt door die luchtvervuiling, weet je dat?’
Ook ik was blijven staan. ‘Dat is dan tenminste één positief ding daarvan,’ antwoordde ik.
‘Nee, maar zonder gekheid. Normaal hangt het van je gezichtspunt af. Als je loopt beweegt ie mee. Maar deze blijft gewoon staan. Dit is die echte, die van die pot met goud!’
Ik dacht aan het aardige meisje van de bank en zei: ‘Wie weet.’


(Illustratie: Arthur Rackham, aquarel bij Das Rheingold van Richard Wagner.)

dinsdag 13 december 2011

DROOM

Vannacht heb ik iets uitzonderlijks meegemaakt. We mogen gerust van een mirakel spreken. Ik heb fijn gedroomd.
Het ging over liefde. Ik was verliefd en zij was verliefd op mij. Natuurlijk waren er wel wat haken en ogen: zij was dertig jaar jonger, een beeldschoon zangeresje, druk bezig met furore maken. Ze werd gestalkt en achtervolgd, maar dat liep goed af, want we vluchtten op de fiets naar een nieuwbouwwijk aan de rand van de stad, en de boeven bleken goedbedoelende multiculturele buren te zijn; het dreigende gezaag onder de vloer van het huis bleek afkomstig van vrienden die een verrassingsentree wilden maken.
Er gebeurden wel meer gekke dingen. Alle vertrouwde archetypische elementen waren aanwezig. Ik was verdwaald en ontheemd, bijvoorbeeld. Maar het verdwalen was op een wandelweg rond Breda die door een weids herfstbos ging, en ik kon de weg terug vinden door een lang lint te volgen dat ik gaandeweg uit de bosvloer had geknipt, vraag me niet hoe. De slotscène speelde in een enorme burcht met talloze zalen. Mijn vrienden hadden veertig duizend euro vergooid in een soort casino, onder meer door geld in een jukebox te gooien die onbekende liedjes van Frank Zappa speelde à honderdtien euro per keer. Ik dronk een glas van iets sterks. Dat mocht eigenlijk niet, maar ik kwam er mee weg. Ik zeulde met een reusachtige antieken eiken deur, op zoek naar het vertrek waarop die paste.
Het was dus zeker niet allemaal koek en ei in deze droom. Ik zou willen zeggen: natuurlijk niet, want ik droom eigenlijk altijd, onveranderlijk, naar en ellendig. Ook deze editie van Rookzangers Nachtelijke Avonturen had zijn elementen van angst en verdrukking. Maar die waren minpuntjes in een verder vlekkeloze vertolking van een mooi lied, vlekjes van schaduw in een arcadisch panorama van gelukzaligheid. Ik was verliefd en zij op mij! Niets van de gebruikelijke therapeutische en traumatische troep dit keer. Ook mijn ex kwam er niet in voor. De liefde was puur en onbezoedeld. Ik voelde me weer twaalf jaar.
Voordat de droom kon bederven en om kon slaan in een macabere parodie werd de deur van mijn slaapkamer geforceerd en kwamen de katten binnen, een voor een. De regen sloeg gezellig tegen het raam. Het stormde. Ik wentelde me nog even in het gevoel van alles overspoelend geluk. Ik wist niet dat ik het nog in me had. Voor dromen ben je blijkbaar nooit te oud.

zaterdag 10 december 2011

ALI


Ik ben het met Paul Scheffer eens, dat het zinloos is de multiculturele samenleving ter discussie te stellen, omdat die er gewoon al is. Terwijl het debat in alle hevigheid woedde, met volksmenners aan de ene kant en linkse theedrinkers aan de andere, nam het leven zijn loop, en ontstond vanzelf wat in geen statuten was vast te leggen: integratie. Dat niet iedereen blij is met zijn buren is een andere kwestie, daar moet natuurlijk nog flink aan gesleuteld worden.
Dit inzicht trof me als een bliksemflits toen ik een tijdje geleden naar de tv keek. Ik zag Wie van de drie, een licht ironische of laten we zeggen nostalgische remake van het meest oubollige, meest oer-Hollandse spelletjesprogramma dat de tv ooit gekend heeft. En wie zat daar op de stoel waar eens Albert Mol, Guus Oster en Kees Brusse hadden gezeten? Ali B.
Ik schiet altijd in de lach als ik die aaibare rapper met zijn meisjeshaar hoor praten. Hij is brutaal, grappig, slim en ontwapenend charmant. Hij heeft de straatcultuur salonfähig gemaakt. Hij heeft de rap Omroep MAX binnengeluld. En in dat proces heeft hij al zijn vrienden meegenomen: Ali en zijn kornuiten uit de music scene (in zijn eigen woorden: ‘een stel hangnegers en Marokkanen’) spelen een glansrol in een reclame over poepluiers, en op tal van andere manieren ontkrachten ze het kwalijke en gevaarlijke imago dat de straatcultuur aankleeft, terwijl ze er toch in slagen – en dat is knap – om geloofwaardig te blijven.
Maar het gaat verder: voor het programma Ali B. op volle toeren neemt Ali een bevriende rapper mee naar een bekende Nederlandse artiest van vroeger. Na een eerste ontmoeting maken de rapper en de veelal semi-bejaarde artiest een nieuw liedje van een van elkaars successen. Dat concept lijkt ironisch, zelfs neerbuigend, je ziet in gedachten die hippe jongens zich rot lachen om die oubollige nederpop van vroeger, maar toen ik zag hoe het uitpakte was ik verrast. De jonge honden lijken werkelijk geïnteresseerd in de ouwe lullen, en vice versa, en de taal van de muziek, u moet me het verschrikkelijke cliché maar vergeven, blijkt alles, generaties, culturen, smaak en status, moeiteloos te overbruggen. Ali en zijn bende kunnen het uitstekend vinden met Imca Marina en al die BN’rs van toen, en ze hebben de grootste lol met elkaars muziek, al snappen ze die niet meteen. In hoeverre dat spel is, voor het oog van de camera, weet ik natuurlijk niet; maar ik heb me voorgenomen deze maand alles van de zonzijde te zien.
Om een nieuwe reeks aan te kondigen zat Ali B. gisteren met George Baker in DWDD. Rapper Dio rapte zijn bars met hamerende precisie terwijl George Baker Little Green Bag speelde op een meegebrachte gitaar. Het resultaat? De Zaanse schlagerzanger werd weer de stoere jongen die hij ooit was. Volkszanger zijn was opeens sociaaldemocratisch en streetwise. Hij deed een ingewikkelde handdruk met de glimmende en glunderende Dio en was in zijn nopjes, maar te cool om dat nadrukkelijk te tonen.
De beste bruggenbouwer is Ali B.

vrijdag 9 december 2011

BEZEMWEER


Wat beestenweer is wist ik natuurlijk al heel lang, maar het woord bezemweer hoorde ik pas geleden voor het eerst. Op het achtuurjournaal vermoedelijk, of misschien las ik het in de krant. Als het al niet bestond, buiten mijn medeweten om, is het een perfect neologisme, zo’n slim gemunt woord dat je even een plezierig gevoel van bijna-herkenning geeft: ach, natuurlijk, daar is het! Hoe heb ik al die jaren zonder gekund? Heel anders dus dan met al die suffe en melige samenstellingen die het dagelijks debat moeten terugbrengen tot hapklare taalbrokken, zoals ‘weigerambtenaar’: verbale pasmunt die het veel te snel tot de Van Dale weet te brengen, omdat politiek nu eenmaal overschat wordt. Ze lullen maar door, de hele dag, al dan niet in neologismen, en je kunt net zo goed niet luisteren, want morgen is alles weer anders.
Met het weer is dat ook zo, dat het morgen weer anders is, maar om de een of andere reden vind ik dat toch boeiender. Misschien omdat ik een meteofoob ben. Ook zo’n mooi nieuw woord, dat ik leerde van de Siciliaanse schrijver Andrea Camilleri. De hoofdpersoon van diens boeken, commissaris Salvo Montalbano, kan totaal uit zijn humeur en van slag af raken als de lucht troebel is en de zee onrustig. Ik heb dat ook. Het weer kan mijn stemming wezenlijk beïnvloeden, een plotseling andere lichtval kan me waakzaam en gespannen maken, of juist rustig en vrolijk, al naar gelang het karakter van dat licht – schel en priemend, of mild en koesterend.
Maar dan dat bezemweer. Eergisteren was het zover. De bezem moest door het najaar, al die ouwe troep moest van de bomen, de koude schone lei van de winter moest worden geprepareerd. Het stormde ook in mijn hoofd, want ik ben immers solidair met de elementen. Een groot onrustig herfstsentiment vervulde me: met grote passen door de stad marcheren, hard roepen, woest zuipen, wild neuken, ontembaar leven! Helaas had ik een explosieve verkoudheid te pakken, die me heel andere suggesties deed (je bed in, met een boekje en een glas kiwisap!), en bovendien heb ik mijn libido ergens in de koelkast van de kliniek achtergelaten, mag ik van de dokter niet meer drinken, en voor hard roepen ben ik te beschaafd, dat doe ik alleen beroepshalve. Van enige congruentie met het bezemweer kon dus geen sprake zijn. Ik moest het lijdzaam uitzitten en wachten tot de rust was weergekeerd in de wereld.
‘Ik vind het altijd wel fijn,’ zei mijn vriendin. ‘Dan is de appelboom weer lekker kaal. Hebben we dat tenminste gehad.’

dinsdag 6 december 2011

GELOOF


Midden in een pranayama-oefening werd er hard op de deur gebonsd. Sinterklaas trad binnen en gaf met brutale Noord-Hollandse tongval commentaar op wat hij in het lokaal aantrof: ‘Hup, dames, de beentjes omhoog, één twee drie!’ Twee pieten tastten in de zak en even later kletterden er pepernoten op onze geopende kruinen, in plaats van kosmische energie. De plaatselijke jazzsaxofonist blies Dag Sinterklaasje en het gezelschap verdween weer. De yogajuf ruimde gedwee het snoepgoed van onze matjes op, wij glimlachten vertederd.
Waarom waren we niet geërgerd om deze verstoring van onze maandagse yogales? Omdat Sinterklaas, hoe vals zijn baard ook is, ook bij volwassenen een potje kan breken. Diep in ons hart geloven we nog in hem. Dat geloof is sterk en moeilijk uit te roeien. Ooit was ik Sinterklaas op de peuterspeelzaal van mijn dochter. Ze zat met open mond op mijn schoot. Toen ik haar later, afgeschminkt, ophaalde, zei ze opgewonden: ‘Papa, Sinterklaas heeft precies zo’n stem als jij!’
Over geloof wordt vaak cynisch gedaan. Het zou iets zijn voor domme mensen. Als dat zo is, dan benijd ik domme mensen. Zelf ben ik gelukkig ondanks mijn immense geestelijke kapitaal ook niet al te slim. Ik zal u dat illustreren met een voorbeeld.

Ik leerde Eppo kennen via de vriend van mijn zusje. Eppo was in onze kring een buitenbeentje. Hij kwam uit een intellectueel en welgesteld milieu, maar zelf was hij geen licht. Echt dom was hij niet, maar wel erg traag van begrip. Hij had een openhangende mond die in een permanente grijns stond en een leep oog, zodat je nooit wist of hij je aankeek. Hij compenseerde zijn schijnbaar geringe verstandelijke vermogens met tweedjasjes, dure sigaren, exquise whisky en klassieke muziek. In dat laatste was hij goed. Hij kende de symfonieën van Beethoven uit zijn hoofd en dirigeerde ze met gepassioneerde gebaren mee, noot voor noot. Bijna als een idiot savant. Toen ik terugverhuisde naar Amsterdam verloren we elkaar uit het oog, maar eens in de zoveel tijd belde hij me. Ik huiverde voor die telefoontjes. De vaste opening was ‘Ha Dieskau!’ En dan moest ik maar raden wie het was die belde. Vervolgens vroeg hij me het hemd van het lijf over mijn muzikale status. Een lijst beroemde namen passeerde de revue. Kende ik die? Hoe waren ze in het echt? Doodvermoeiend.
De jaren verstreken. We kregen kinderen. De telefoontjes namen in regelmaat af en stopten uiteindelijk. Het laatste wat ik van hem hoorde was dat hij een schildersbedrijf had.
Tot ik hem op een zomeravond tegenkwam in de van Baerlestraat. Hij zat op een terrasje achter een bord oesters, trekkend aan een Heeren van Ruysdael, in gezelschap van een veel jongere vrouw. Hij vertelde dat hij tegenwoordig musicologie studeerde. Dat bevreemdde me, maar ik nam het voor kennisgeving aan. Ergens klopte het ook wel. Muziek was altijd zijn passie gebleven, in het Concertgebouw was hij kind aan huis.
Er ging weer een tijd voorbij, waarin ik wel andere dingen aan mijn hoofd had dan Eppo en dat verre verleden. Maar vorige week ging de telefoon. Eppo. Per ongeluk, hij had een naamgenoot moeten hebben. We praatten. Hoe het met hem ging? ‘Je weet dat ik nu musicoloog ben? Ik kom net van een lezing van Leo Samama en moet straks zelf een lezing geven.’
‘O ja?’ vroeg ik blank, ‘waar?’
Een lichte aarzeling.
‘In... Aalsmeer. Over de Tweede Weense School.’
Eppo. Het bloembollendorp Aalsmeer. Arnold Schönberg en Anton Webern. In mijn hoofd kon ik die dingen niet rijmen, en voor het eerst kwam er een scheurtje in mijn goedgelovigheid. Ik kan me voorstellen dat mensen opscheppen, dat heb ik zelf ook vaak gedaan, maar ik kan me niet voorstellen dat mensen zonder reden tegen me liegen, daarin ben ik misschien naïef. Ik googelde zijn naam. Op lijsten van de universiteit kwam hij niet voor, maar er was één hit: ‘Eppo B. is musicoloog’. Ik klikte aan en kwam op een klungelige website terecht met als titel iets als ‘Tonen en noten’. Daarop was behalve de mededeling dat de auteur musicoloog was alleen een merkwaardig kromme zin over Mozart te lezen. Eén zinnetje. Verder was de site leeg. Ik zocht nog wat verder en vond een advertentie voor zijn schildersbedrijf in een parochieblaadje, vrij recent. Ik was gerustgesteld. ‘Zie je nou wel, zo werkt de wereld niet, jongens die niet kunnen leren worden geen musicoloog.’ Maar ik was ook een beetje teleurgesteld. Had hij dus echt tegen me gelogen?
Stiekem hoop ik dat hij dit leest, in zijn dure auto naar Amsterdam racet om aan mijn deur te bonzen en me woedend (‘Dieskau! Wat maak je me nou!?’) zijn bul te tonen.

Ik ben goed bij mijn verstand, ik weet dat de wereld uitsluitend om geld en macht en aanzien draait; ik weet dat politici beroepshalve opportunisten zijn en derhalve een verborgen agenda bezitten; ik weet dat de Nederlandse Energie Maatschappij me wil naaien, wat Johan Derksen ook roept. Maar desondanks koester ik mijn sukkelige geloof. Het hardnekkige geloof dat de mens in wezen goed is, tot het tegendeel is bewezen.

vrijdag 2 december 2011

EXPERIMENT

Ik wil een experiment aangaan. De hele maand december wil ik alleen maar stukjes schrijven met een vrolijke inslag. Misschien geen dijenkletsers, zelfs geen humor of satire, maar toch in elk geval lichtvoetige, positieve stukjes.
Ik doe dat niet voor u: u hoeft immers dit blog helemaal niet te lezen. Nee, ik doe het voor mezelf. Altijd maar schrijven over weemoed maakt weemoedig, en ik heb me er te vaak aan bezondigd. Nou is die Weltschmerz natuurlijk alleen maar een dichterlijke pose: in werkelijkheid breng ik mijn dagen zingend en dansend door, de tamboerijn altijd binnen handbereik, dat begrijpt u. Maar het is ontegenzeggelijk zo, dat er een verband bestaat tussen wat je schrijft en wie je bent, en je kunt het laatste beïnvloeden door het eerste.
Vroeger, toen ik veel brieven schreef aan literair geneigde vrienden, merkte ik dat ik bepaalde dingen dacht omdat ze zo mooi op te schrijven zouden zijn, dat ik als het ware ging leven naar het papier. Er zat een verteller in mijn hoofd, een soort writer in residence, die mijn handelingen becommentarieerde en niet zelden stuurde.
En tegenwoordig, zuchtend onder het zelfopgelegde juk van twee pagina’s Rookzanger per week, kijk ik vaak om me heen met een speurende blik: zit er een stukje in? Dat gaat vanzelf, is een tweede natuur geworden.
Zou het misschien ook zo zijn dat ik de zon meer in het water zou zien schijnen, als ik mezelf de bijkomende opdracht gaf, over iets positiefs te schrijven, in plaats van over weemoed, vergankelijkheid en betrekkelijkheid en meer van dat soort fijne onderwerpen, die zich als vanzelf aan mij, somberaar, opdringen?
Ik ga het proberen. Als mijn stukjes de komende tijd akelig kort worden weet u in elk geval hoe het komt.

maandag 28 november 2011

BLOEMEN


Vandaag precies negen jaar geleden stierf Lennaert Nijgh. Toen hij een jaar dood was, vandaag acht jaar geleden dus, was er een herdenkingsconcert. Het vond plaats in zijn oude middelbare school. Ik deed er ook aan mee. Ik was de minst beroemde van de optredende zangers, maar had als vriend van Nijgh toch een streepje voor op bijvoorbeeld Jan Rot, die hem nauwelijks had gekend. Ik zong twee liedjes: de Ballade voor de gestorven jeugd, een hommage aan Lennaert die Robert Eksteen voor me had geschreven, en Onderweg. Dat laatste was een van Lennaerts favoriete nummers, en ik zong het in duet met mijn dochter Maria, die toen elf jaar oud was. Ik zat op een stoel, en zij stond naast me, twee turven hoog. Haar zuivere sopraan gaf het winterliedje een extra dimensie. Een kinderlijke verwondering die prachtig paste bij de sprookjesachtige beelden en de bijna naïeve melodie.
Het concert verstreek en we eindigden met de samenzang van Malle Babbe. In jolig doen ben ik nooit zo goed geweest. Mijn collega’s zwierden met hun armen, klapten in hun handen en lachten breed, ik deed hen schutterig na. Na het slotapplaus liep ik met mijn bloemen naar achter in de zaal, waar Maria naast mijn vriendin stond. Meteen besefte ik mijn faux pas.
‘Jezus, Maria! Ik ben helemaal vergeten je naar voren te halen voor het applaus!’
‘Ach pap, geeft niets hoor,’ zei ze grootmoedig. Ik gaf haar mijn bloemen en putte me uit in excuses.
Maar zoiets valt nooit meer goed te maken. Als de herinnering aan die avond me vlak voor het slapen gaan soms bezoekt, lig ik gegarandeerd een uur wakker, verteerd door spijt.

vrijdag 25 november 2011

BLUES

In de verte klonk een droevige muziek, in g mineur, zo te horen. Terwijl ik verder wandelde werd het geluid steeds luider, en daar zag ik ze zitten, in het stille park: twee kleine mannen op een bankje, een met een saxofoon en een met een accordeon. Ik hield mijn pas in en bleef staan luisteren, want ze speelden prachtig.
Een langzame melodie verhief zich, bleef hangen in de hoogte, kwinkeleerde met oosterse ornamenten, haalde bijna pijnlijk vibrerend uit, en daalde naar zijn diepe noot van oorsprong, om van daaruit weer van vooraf aan te beginnen, in tijdloze, klagelijke herhaling.
Het park was mooi op deze heldere middag, roestige bomen lichtten goud op in de zon die eindelijk de nevels had verdreven, de lucht was teer blauw. In romantische komedies zouden ze bij zulke beelden een muziekje van Vivaldi zetten. Maar met deze soundtrack, geïmproviseerd vanuit de diepten van de Slavische ziel, werd de schoonheid verdacht, en kreeg ze een diepere betekenis: verval en sterven, de naderende winter.
Op school hadden we vroeger een bejaarde muzieklerares, die zei dat ze ooit net als wij van Tsjaikofski en Mahler had gehouden, maar dat ze, nu ze oud was, liever Mozart hoorde. Ik begrijp dat heel goed. Blues is voor de jeugd, als het nog geen kwaad kan.

dinsdag 22 november 2011

SHEHERAZADE


De laatste tijd laat ik me bij het vullen van mijn culturele agenda nogal eens leiden door wat Facebook onder mijn aandacht brengt. Dat zijn vaak optredens op plekken waar ik normaal niet zo gauw zou komen, door mensen die ik ken, gekend heb, of via via zou kunnen kennen. Die betrokkenheid geeft een meerwaarde. Dus toen de keus ging, afgelopen vrijdag, tussen Focus in een theaterboerderij in Noord-Holland en een recital van mezzosopraan Maria de Moel in een kerkje in Oud-West, was het pleit gauw beslecht. Te meer daar een Focus zonder Jan Akkerman en Pierre van der Linden eigenlijk geen bestaansrecht heeft, niet bestaan kán: alleen Thijs van Leer is bij lange na niet genoeg, hoe mooi hij ook kan jodelen.

Ik had het recital uitgekozen om het programma, de zangeres kende ik alleen van naam. Dat is natuurlijk riskant. Geliefde liederen bestaan in mijn hoofd in een ideale uitvoering, die is samengesteld uit de vervlogen tonen van vele nu gestorven of bejaarde coryfeeën, al of niet bewaard gebleven op gekoesterde platen, en tot volmaaktheid gebracht onder de strenge redactie van mijn eigen artistiek leiderschap. Ga daar maar eens aan staan, als zanger van vlees en bloed, om dat Platonische ideaalbeeld te benaderen!
Al na enkele frases van Maria de Moel leunde ik ontspannen terug. Ze heeft een rijke stem, een warm gemoed en een artistieke geest. Precies die zeldzame combinatie van kwaliteiten die nodig is om Shéhérazade van Ravel, waarvoor ik vooral gekomen was, te kunnen vertolken. Ik had er alle vertrouwen in dat ze deze schitterende liederen die ik al zo lang geleden diep in mijn hart heb gesloten recht zou doen.
Het moment was daar. Lodewijk Crommelin speelde de eerste tonen, in mijn hoofd vervingen hij en ik de piano door een weelderig orkest, Maria zong de aanhef ‘Asie, Asie, Asie!’ en Régine Crespin, de legendarische vertolkster van deze liederencyclus, kreeg definitief een avondje vrij. Ze hoefde niet mee te zingen in mijn hoofd. Ravels muziek klonk en ontstond hier en nu. De golven van de grote climax van het eerste en mooiste lied grepen me beet, gooiden me hoog op en spoelden me mee alsof ik ze niet had horen aankomen, alsof ik de partituur niet uit mijn hoofd kende en Ravel niet al bijna vijfenzeventig jaar dood en begraven was.
Thuisgekomen herinnerde ik me dat ik ooit in het periodiek Faun een stukje had gewijd aan Shéhérazade. Ik zocht het op.

“De tekst van Shéhérazade is afkomstig van de dichter Tristan Klingsor, een Wagneriaans pseudoniem waarachter zich Léon Leclaire verborg. Ravel was in de tijd waarin Leclaire zijn verzen publiceerde (1903) gefascineerd door de studie van het gesproken vers; hij wilde de accenten en stembuigingen daarvan omzetten in, en versterken door de melodiebouw. Om die reden moest Klingsor hem de verzen van Shéhérazade hardop voorlezen.
Het resultaat is een sprookjesachtige schildering, niet zozeer van het Azië waarover de gedichten gaan, als wel van het oude verlangen ernaar, van de magie die van het Oosten uitgaat. Na de inleidende bezwering: Asie! Asie! Asie!, met klimmende uitdrukking en toonhoogte gedeclameerd, wordt ons een reeks beelden voorgehouden die nu misschien cliché zijn, maar destijds waarschijnlijk nog onverlept exotisch. Een fragment. Ik heb niet geprobeerd om het onnadrukkelijke maar ingenieuze rijmschema te imiteren.

Azië, Azië, Azië,
Oud en wonderbaarlijk land
Uit kindersprookjes,
Waar als een keizerin de fantasie
Te slapen ligt,
In haar woud dat met geheimen is gevuld.

Azië,
Ik wil er heen gaan, varend op de schoener
Die deze avond in de haven wiegt,
Eenzaam en mysterieus,
En die uiteindelijk zijn violette zeil ontvouwen zal,
Als een reusachtige vogel van de nacht
In de gouden hemel.

Ik zou willen reizen naar de eilanden van bloemen
Om er de onvoorspelbare zee te horen zingen
Op een oud, bedwelmend ritme.

Ik zou Damascus willen zien en de steden van Perzië,
Hun ijle minaretten zwevend in de lucht,
Ik zou de sierlijke tulbanden willen zien van zijde,
Op zwarte gezichten met stralend gebit.

En dan terug te keren
En mijn avontuur vertellen
Aan wie nieuwsgierig zijn naar dromen,
Terwijl ik net als Sinbad mijn oud Arabisch glas
Van tijd tot tijd tot aan mijn lippen hef,
Om kunstig mijn verhaal te onderbreken... “

Maria de Moel had in haar inleiding verteld dat dat ‘Arabische glas’ een aanpassing van Ravel was, een knieval voor de sopraan die de verzen moest zingen. In Klingsors origineel wordt er een pijp gerookt. Dat deed me genoegen. Ik stak er zelf een op en mijmerde over een ‘Azië’ van ver voor de Arabische Lente.

vrijdag 18 november 2011

SPINAZIE

Omdat mijn zoon en mijn jongste dochter hun grootvader al lang niet hadden gezien, en er die middag een gemeenschappelijk blanco in de agenda was, reisden we af naar het zuiden. Het was stil herfstweer. Bij een tankstation haalde mijn zoon een arm vol flesjes en sandwiches: zijn ontbijt. Mijn dochter lustte nog wel een tweede. Ik hield het bij een pijp.
In Mierlo werden we hartelijk ontvangen. Na koffie en cake was er eerst een spontane photoshoot. Iedereen fotografeerde elkaar in allerlei combinaties. Sommige foto’s werden, ben ik bang, rechtstreeks gedeeld met de buitenwacht via WhatsApp en Facebook: we leven in een ongeduldige wereld. Dat gedaan zijnde konden we rustig praten.
Het gesprek golfde heen en weer van mijn dochters stage in Spanje en mijn zoons liefdesleven naar muziek en filosofie. Af en toe nam mijn vader een duik in het verleden, soms had het heden de overhand en spitste hij zijn oren om de Newspeak van mijn kinderen te begrijpen. De meeste menselijke communicatie was oppervlakkig, daar waren we het allemaal over eens.
‘Weet je hoe we dat in Brabant noemen?’ vroeg mijn vaders vrouw. ‘Spinaziegesprekken. Gesprekken over...’ ‘Koetjes en kalfjes!’, vulde mijn dochter aan. Mijn vader zei dat hij soms hevig kon verlangen naar een goed gesprek. Onlangs was hij in het dorpscafé aangesproken door een man, die al in zijn tweede zin Schopenhauer citeerde. ‘Ha! Een intellectueel! Eindelijk!’ had mijn vader gedacht. Handenwrijvend had hij zich ertoe gezet dat onderwerp eens fijn uit te gaan diepen. ‘Maar die man schrok zich dood en was al na twee minuten weg! Een gewone bluffer!’ Mijn vader keek ons uitdagend aan en nam een voorzichtige teug van zijn wijn. ‘Laatst op een verjaardag ben ik midden in de spinaziegesprekken opgestaan. “We zijn hier allemaal bejaard”, zei ik, “en we hoeven ons geen blad voor de mond te nemen. Laten we ons leven een punt geven. Ik zal het spits afbijten. Een zes. Een máger zesje. Maar als ik weer onbekommerd kon drinken, deed ik er zo twee punten bij.”’ Mijn vader keek naar mij. Ik knikte appreciërend en nam een slok van mijn dubbelfris. ‘Toen was er een man,’ vervolgde hij, ‘die zei: “een negen”. Een negen! Stel je voor! Maar zijn vrouw zat erbij, snap je?’ Mijn vader lachte. Dat zijn eigen vrouw er ook bij zat scheen hem niet te deren. Die lachte hoe dan ook hartelijk mee.
Mijn zoon bracht het gesprek weer terug bij het hoofdthema. ‘Voor andere mensen zijn onze gesprekken trouwens ook behoorlijk saai, opa. Als jij zegt dat je de ‘verminderde drieklank’ het mooiste akkoord vindt, snapt niemand daar iets van. Je kunt net zo goed Chinees praten.’
Mijn vader keek mijn zoon getroffen aan. ‘Daar heb je gelijk in, jongen. Dat is natuurlijk helemaal waar. Overigens, ik vind het hálf verminderde akkoord nog veel mooier!’
In de vallende duisternis reden we terug. Mijn zoon schoot iets te behendig door het drukke verkeer. Mijn dochter viel in slaap. Ik zette een oude cd van Jethro Tull op. Het was een mooie middag geweest. Weinig spinazie. Rucola eerder, of wilde venkel.

dinsdag 15 november 2011

WAT GEWEEST IS...


Bij het tv-kijken word je er vaak aan herinnerd dat je ouder wordt. Muziek en modes die je niet meer kunt begrijpen, dialogen die je nauwelijks kunt volgen, beroemde mensen waar jij, als enige schijnbaar, nog nooit van gehoord hebt. Maar soms gebeurt dat op een onverwachte manier.
Laatst kwam ik bij het zappen in een item over Lennaert Nijgh terecht. Die uitzending trof me als merkwaardig. Eerst dacht ik dat het aan de kwaliteit ervan lag. Het was een locaal product, van RTV-NH. Maar dat was het niet, het was iets anders, iets verontrustends: er werd uitgelegd wie Lennaert was geweest. De presentatrice, blond en voor in de twintig, trapte de ene na de andere open deur in, alsof ze voor een kleuterklasje stond, of een groepje asielzoekers iets moest uitleggen over die goeie ouwe Nederlandse cultuur.
Voor mij is Nijgh een vanzelfsprekend begrip, een household name. Hoewel hij al negen jaar dood is leef ik nog dagelijks met hem. Ik lees en zing zijn teksten, zijn stem klinkt nog na in mijn hoofd, als ik in Haarlem kom verwacht ik elk moment zijn wasbleke uilenkop te zien tussen de menigte, het gesputter van zijn solexje te horen op de Grote Markt.
Een jaar of wat geleden was er ter gelegenheid van het eerste lustrum van zijn sterfdag en het verschijnen van de biografie Testament ook een programma op tv. Afgezien van het onzalige idee van de makers om het prachtige lied Eva mompelend te laten verpesten door Spinvis was dat een programma voor gevorderden: leven en werk van Nijgh werden bekend verondersteld. We konden meteen doorstoten naar belangrijke zaken. Voor Lennaert gold immers de vraag niet, die ik Cobi Schreijer eens had horen stellen, zich pijnlijk onbewust van de microfoon: ‘Is er dan niemand meer die dit lied kent?’ De grand dame van de nederfolk had het zich vertwijfeld, bijna huilend afgevraagd, toen ze het publiek had gemaand gezellig mee te zingen met een van haar bekendste liedjes: de zaal bleef akelig stil, en Coby, toen tachtig jaar of ouder, was op dat moment akelig alleen. Nee, bij Lennaert hoefde je die vraag niet te stellen, bij Lennaert niet. En nog steeds niet. Iedereen kent zijn liedjes, nationale hymnen bijna. En iedereen kent dus Lennaert.
Althans, dat dacht ik. Maar daar stond ineens dat meisje van RTV-NH over hem te praten als over iemand van heel vroeger. Lennaert was een naam uit een lesboekje geworden. Een historische persoon, ‘die we,’ zei het meisje, ‘niet mogen vergeten.’ En met die uitdrukking geven we meestal onbedoeld aan dat het vergeten al in gang gezet is.


Naschrift.
Ik ben inmiddels op mijn vingers getikt. Eerlijk is eerlijk: als ik had geweten dat het een project betrof van studenten vóór studenten, dan had ik de azijnfles (‘kleuterklas’, ‘open deuren’) dicht gelaten en zelfs een schepje suiker toegevoegd (‘sympathiek’, ‘loffelijk streven’, etc.). Misschien had ik zelfs wel een heel ander stukje geschreven, met een blij verraste toon: ‘kijk, ze weten het nog, zelfs de huidige studenten zijn hem niet vergeten!’ Maar ik wist niet beter dan dat het hier een regulier tv-item betrof. En bovendien: het ging me niet zozeer om de kwaliteiten van die documentaire, als wel om de manier waarop die mij op dat moment verontrustte; om het gevoel oud te worden, omdat de huidige wereld het nodig vindt dingen uit te leggen die voor mij zo gewoon zijn. En dat zegt meer iets over mij dan over de documentairemakers.

zondag 13 november 2011

JACHT


De katten dringen zich met hoog geheven staarten krijsend om me heen. Het voer is op. Als ik naar de wc wil gaan schieten ze tussen mijn benen door en laten me bijna struikelen. Ik sluit de deur niet helemaal en al gauw wringt er zich een oranje kop doorheen. Even later staan ze allemaal met starre ogen naar me te kijken. Als ik doorgetrokken heb en naar de keuken loop om koffie te maken zet de kleine kudde zich nerveus weer in beweging. Af en toe wordt er een tik uitgedeeld. Oren worden teruggetrokken langs de schedel, ogen tot spleetjes samengeknepen, snorharen trillen. Niet begrijpend kijken ze beurtelings naar hun lege bakjes en naar mij. Het miauwen is oorverdovend. Terwijl ik mijn koffie drink en een pijp opsteek zeg ik geruststellend: ‘Nog heel even, jongens. Ik ga zo op jacht. Beloofd.’
Als ik een kwartier later terugkom klimmen ze in mijn benen terwijl ik de zak Whiskas Senior openknip. Ik doe een flinke handvol in elk bakje. In hun gretigheid duwen ze met een kopstoot mijn uitdelende hand weg zodat ik brokjes mors. Alleen de oudste, die intelligent is en het verband tussen dingen begrijpt, wacht tot haar bakje vol is. Luttele minuten later hebben ze met lege blik hun diverse posities op stoelen en kussens alweer ingenomen.

vrijdag 11 november 2011

ROBOT

Hoewel de klok anders beweert ben ik onuitgeslapen. Buiten huiveren magere blaadjes in een ongetwijfeld kille wind. Het is elf-elf-elf vandaag, een soort mystieke datum, het hart van de herfst. Sint Maarten maakt zijn entree, de bescheiden neef van Sinterklaas, door een stoet van kinderen met lampionnen gevolgd, Prins Carnaval wordt vandaag gekozen. Elf-elf-elf, het drievoudig gekkengetal. Voor mij de langverbeide datum van een andere intocht: mijn dochter komt vanavond terug uit Spanje, na een tienweekse stage. Een mooier cadeau kon Sinterklaas niet brengen.
Mijn haar piekt alle kanten op. Ik krab me op mijn hoofd. Ik drink koffie, rook sigaret na sigaret en staar naar het scherm. Ik moet op stoom komen, ik draai eromheen. Ik had verschillende onderwerpen in mijn hoofd, maar kan niet kiezen. De grammaticale constructie die 'tantebetje' wordt genoemd, daar had ik het over willen hebben. Van Harry Mulisch noteerde ik deze zin, commentaar overbodig denk ik:
‘De zaakwaarnemer, die verschrikt weer binnenkwam, wierp hij een chinese vaas uit de Ming-periode naar het hoofd, strekte wijd zijn armen uit en brulde voort, als een gek.’
Ook had ik een vlammend vertoog willen schrijven, een soort hedendaags j’accuse, tegen de zingende kleuter Spinvis, wiens derde album aanleiding geeft tot krantenkoppen als: ‘Een nieuw meesterwerk’, maar dat onderwerp is nog niet rijp en behoeft nog grondige studie. Hoe negatiever de kritiek, des te steviger moet ze onderbouwd worden, vind ik.
En dan was er nog het dramatische verhaal dat ik deze week hoorde van een lotgenoot uit de kliniek, die ik ontmoette bij de Albert Heijn. Bij de Coffee Company en later op een bankje in de zon deed hij me verslag van zijn huiveringwekkende ervaringen van het afgelopen jaar: u houdt het te goed.
In de grond is het medium waarmee ik deze stukjes publiceer zelf schuldig aan mijn besluiteloosheid. Naast dit stukje ziet u een teller. Die houdt het aantal hits bij. Met bescheiden trots volg ik die getallen. Maar deze week stegen ze exponentieel, zoals een vriend me in een complimenterend mailtje liet weten. Op het dashboard van mijn blog zocht ik de oorsprong van deze plotselinge lezersaanwas. Rookzanger bleek bijna duizend keer bezocht te zijn door drie Amerikaanse internetbronnen. Random hits? Nee, een robot aan het werk, legde een andere vriend, die weet heeft van zulke zaken, me uit. Onbeduidend, zult u schouderophalend zeggen, maar mij verging op de een of andere manier de lust tot schrijven.
Mijn verstandige ik begrijpt dat dilemma niet. Hij zegt: ‘Maar beste jongen, je hoeft toch niet? Niemand die je dwingt, je hebt geen deadline. Geen baas die je achter je broek zit.’ En inderdaad, er is natuurlijk geen dwingende reden waarom ik iets zou moeten schrijven. Maar in mijn wereld van huiskamerfilosoof staat het belang dat je hecht aan iets gelijk aan het belang dat iets hééft, net zoals de zin van het leven de zin in het leven is. En ik heb mij aangewend om twee keer in de week, op dinsdag en op vrijdag, iets te schrijven. Als mijn agenda niet met andere zaken gevuld is heb ik zo tenminste iets van een structuur, en structuur is belangrijk als je geen nine to fiver bent, neemt u dat van mij aan.
Zo. Daar mag die Amerikaanse robot even op kauwen.

dinsdag 8 november 2011

GNOCCHI


De Witte de Witstraat was de meest deprimerende straat van Amsterdam. Wie het ongeluk had er doorheen te moeten lopen kon alle hoop laten varen. Ergens halverwege maakte deze boomloze en treurige straat een flauwe bocht, en daar gekomen zag je het begin en het einde ervan niet meer, alleen grauwe woonkazernes onder een stuk onveranderlijk grijze lucht. Van achter de kleine raampjes staarden oude mensen dof naar buiten, waar nooit een fuck gebeurde en helemaal niets te zien was.
Zo was het vroeger. Dus toen ik hoorde dat we een expositie gingen bezoeken in deze looproute naar de hel moest ik even slikken. We parkeerden de auto in een zijstraat. Opgebroken wegdek, zanderige plankieren, zwarte kinderen die speelden op de stoep - alsof er hier iets te spelen viel! Mijn vriendin bewonderde de Amsterdamse Schoolornamenten van de huizen, ik durfde nauwelijks op te kijken. We liepen stevig door, we waren laat. En waarachtig, aan het einde van de straat zagen we lichtjes. Een rij winkels en galerietjes, wat kleur en levendigheid, hoe bescheiden ook.
Binnen in Galerie De Stoker was het gezellig. De kunstenares zat, hoewel het bijna sluitingstijd was, op haar gemak iemand te portretteren. Ik bekeek de expositie. Het gezicht van mijn vriendin hing tussen een aantal andere vrouwsportretten. Wat alle afgebeelde dames gemeen hadden was een onafhankelijke onverzettelijkheid, die zich uitte in krachtige kaak- en nekpartijen. Het was ontegenzeggelijk Paulien, daar aan de muur, maar er was iets aan toegevoegd, de interpretatie of liever de wens van de schilderes. ‘Het lijkt niet, maar je bent het wel,’ citeerde ik Paul Citroen. ‘Maar eigenlijk is het precies andersom. Het lijkt wel degelijk, maar je bent het niet. Althans niet helemaal. Dit is één kant van jezelf die uitvergoot is.’ Paulien keek weifelend naar de kunstenares, maar die lachte vrolijk. Ze fixeerde haar schets, veegde haar penselen schoon, en stelde voor om nog iets te gaan drinken. Waar of dat het best zou kunnen, vroeg ze aan de galeriehoudster. Die zette grote ogen op. ‘Hier in de buurt?’
Even later liepen we richting Mercatorplein. We passeerden café Het Stoplicht. Binnen zaten aan tafeltjes met omakleedjes doorgroefde mannen zware shag te roken en jenever en bier te drinken. Zelfs buiten hoorde je Hazes nog. Ik vertelde dat ik hier altijd met tram 13 langskwam op weg naar de stad. ‘Het verzamelpunt van alle uitzichtloosheid van de buurt. Ik zou hier niet dood gevonden willen worden.’ ‘Maar dit is nou tenminste nog echt,’ zei mijn vriendin, die een zwak voor verloedering heeft. ‘Dit is nog niet weggepoetst, gladgestreken, platgewalst en doodgeverfd.’ Ik trok haar zachtjes mee. ‘Ach wat, jij bent een slumtoeriste. Jij komt uit een keurige buurt. Als je net als ik uit Amsterdam-West kwam, zou je er wel anders over denken. Dit is al dood, je kunt er niks aan verpesten.’ ‘En jij bent een norse brombeer. Je moet eens een andere bril opzetten.’ De avond was merkwaardig zacht voor november, we kibbelden goedmoedig verder.
Op de hoek van een troebele gracht zagen we vrolijke jonge mensen aan grenen tafeltjes zitten. Radijs, gelukkig niet met een z, heette het trendy eetcafé, een naam die ik wel eens in een rubriek van Het Parool had gelezen. Ik kreeg mijn Fanta in een mooi wijd glas, met veel ijs en schijfjes citroen, zoals het moet. We bestelden iets te eten. Mijn vriendin zeebaars, op de huid gebakken, en de schilderes en ik gnocchi. Zij omdat ze geen dode dieren eet, ik omdat ik van gnocchi houd. De gnocchi werden opgediend met wilde spinazie, zwammen en noten en oude pecorino. De purist in mij bevreemdde het dat ze gebakken waren als aardappeltjes, maar ze smaakten uitstekend. Ik keek naar buiten, naar het jonge mooie volk op het terrasje en verderop, naar de gerestaureerde klokkentoren van Berlage. ‘Als je me vroeger had verteld dat ik ooit gnocchi met wilde spinazie zou eten in de Mercatorbuurt, had ik je voor gek versleten,’ zei ik in een poging heden en verleden met elkaar te verzoenen.
Soms is een verandering wel degelijk ten goede.

(Afbeelding: Ingeborg Seelemann)

vrijdag 4 november 2011

CITROEN

In mijn vorige stukje vertelde ik dat ik een boekje van straat had meegenomen. Daarmee deed ik omwille van de beknoptheid de waarheid geweld aan. In feite raapte ik twee boekjes op. Het verzwegen boekje is een beduimelde Meulenhoff-pocket en heet De diamant. In deze slordig maar aanstekelijk geschreven roman van de jonge Mulisch, verschenen in 1954, volgen we de geschiedenis van een reusachtige diamant, met al zijn wisselingen van eigenaars en omstandigheden. Een mooie aanleiding voor de schrijver om fijn veel te verzinnen en te vertellen. In de proloog excuseert Mulisch zich in bedekte termen juist voor dat vertellende karakter van zijn boek. Begrijpelijk. Een lekker lezend verhaal met kop en staart maken was in die dagen op zijn minst verdacht. Wie dat deed, zoals de bestsellerauteur Jan de Hartog, was geen literator, maar een ‘verteller’. Later zou dat allemaal weer veranderen, en sinds Eco geschiedenis schreef met Il nome della rosa moet een boek niet alleen een verhaal vertellen, maar liefst ook een spannend verhaal. De wetten van de pulp en de tirannie van de verkoopcijfers zijn moeiteloos overgebracht naar de literatuur. Wie zich er niet aan houdt en enige inspanning van de lezer verwacht is een wereldvreemd auteur, een cultschrijver. Wat voor boeken zou de statusgevoelige Mulisch geschreven hebben, als hij vijftig jaar later zou zijn geboren? Thrillers, denk ik. Cultuurhistorische puzzels à la Dan Brown, maar dan slimmer.


Deze week was er een documentaire over Paul Citroen op tv. Citroen (1896-1983) was een Nederlands schilder, fotograaf, ontwerper en vooral tekenaar. Lange tijd wist de Nederlandse kunstwereld niet goed wat ze met deze man aan moest. Een ambachtsman die zuiver figuratief werkte en naar eigen zeggen meer van mensen hield dan van kunst. De kunsthistoricus van dienst legde uit dat Citroen in zijn jeugd in potentie belangrijk was geweest. Geen Picasso, maar tóch. Het avantgardistische Metropolis uit 1923, ja, dat was echt wat. En, zei hij toegeeflijk, er waren onder zijn latere werk best goeie portretten; maar dat hij als oude man bij Willem Duys had zitten tekenen, live voor de tv met zijn clichématige baret op het zilvergrijze hoofd, dat had hij beter niet kunnen doen.
In feite is Citroen te vroeg geboren, of misschien is hij niet oud genoeg geworden. De tijd waarin Corneille balpens en stropdassen ontwierp en een Amsterdamse tram beschilderde mocht hij niet meer meemaken. Tegenwoordig is het juist chic om je te encanailleren met de massacultuur: het bewijst dat je succesvol bent en veel geld verdient. Als Citroen nu zijn kunsten in DWDD zou vertonen zou niemand daar van opkijken.
Alles verkeert en elke waarde wordt op den duur omgedraaid. Je kunt net zo goed niet proberen de tijd te volgen, want zij draait je als beloning de nek om. Het beste kun je maar gewoon je hart volgen, denk ik, zoals Paul Citroen. Met een beetje geluk krijg je dan alsnog de tijd mee. Voor zo lang als het duurt, natuurlijk.

dinsdag 1 november 2011

MULISCH


Zoals iedere Amsterdammer ben ik Harry Mulisch wel eens tegengekomen. De eerste keer op een koude natte winteravond. Ik sloot aan bij een rij wachtenden voor een taxi op het Leidsebosje. Daar beende de beroemde schrijver de rij voorbij en stapte zonder een spoor van aarzeling in de zich openende auto. De laatste jaren zag ik hem vaak op maandag. Hij stapte uit tram 5 en liep kwiek naar Le Garage, waar zijn eetclub zich verzamelde. De grote markante kop bovenop een iel lichaampje, in spijkerbroek en tweed jasje. Een wandelende buste eigenlijk.
In mijn vriendenkring was Mulisch lezen not done. Wij waren meer van Reve (“Mulles, niets als vulles, Reve, da’s pas leven.”). Mulisch was te gelauwerd, te onaantastbaar, te succesvol. De dwarskonten die wij waren werden wantrouwig. Wat iedereen zo prijst, daar moet wel een luchtje aanzitten. Ik las nu en dan tòch wat van hem, iets kleins en behapbaars, en velde het oordeel: intellectuele charlatanerie. Inhoudloos geschitter.
Omdat ik tegenwoordig veel oordelen van vroeger moet herzien, hapte ik toe toen ik op mijn wandeling een kartonnen doos in een portiek zag staan. Er zaten boeken in, en een briefje: ‘gratis meenemen voor de geïnteresseerde’. Ik stak een boekje van Mulisch in mijn zak. Omdat de Nachttrein naar Lissabon abrupt tot stilstand was gekomen begon ik meteen te lezen. Het boekje heet De elementen. Op bladzijde één ergerde ik me al lichtjes aan de toon. ‘Neem het volgende’, begint het. Gevolgd door: ‘Stel...’. Aan het woord is de verteller, die zich richt tot zijn hoofdpersoon. Hij presenteert zijn verhaal als een hypothese: dit alles zou hem, de hoofdpersoon, kunnen overkomen. Wij, de lezers, mogen met dit onderonsje meelezen. Graag zelfs, want voor de duur van 154 pagina’s zijn we, door inleving, de hoofdpersoon. Volgt een verhaal dat heel kort samenvat als volgt luidt: een succesvolle reclamejongen is met zijn gezin op vakantie op Kreta. Bij het duiken wordt hij opgeschept door een blusvliegtuig dat een lading water gaat lossen op een bosbrand. Hij sterft.
Tot zover het raamwerk, ontdaan van symbolische krullen. Het eigenlijke onderwerp is de midlifecrisis van de carrièremaker, zijn slechte huwelijk, zijn ontluikende besef van de sterfelijkheid en de betrekkelijkheid van alle dingen. Omdat de verteller almachtig is in dit verhaal krijgen we en passant heel wat van zijn eruditie en zijn levensfilosofie mee, vaak vervat in kittige oneliners.
Maar nu: ergens halverwege het boek wordt het reclamegezin toevallig op een luxe jacht uitgenodigd. Het is een feestje van de zeer rijken, en aanwezig zijn onder meer Herbert von Karajan, Frank Sinatra, Henry Kissinger, Jackie Kennedy. U lacht nu, terwijl u dit leest, ongelovig. En terecht. Maar nu komt het gekke: door die verteltruc die Mulisch op bladzijde één al toepaste, is de passage niet ridicuul. Integendeel, ik las hem gefascineerd, bijna met rode oortjes, en liet me betoveren door de fonkelende woorden en de onaardse sfeer. Deemoedig moest ik vaststellen dat die Mulisch toch wel wat kon.
Maar toen ik het hoofdstuk de volgende dag herlas vond ik de betovering niet terug. En na het wegleggen van het boek verstomde de stem van de verteller definitief en viel alles uiteen tot de losse elementen die hij had gebruikt: mythe, filosofie, een vleugje exacte wetenschap, paradox, symbool, een fabel ter grootte van een krantenberichtje, nogal behaagzieke bellettrie. Tot losse woorden en beelden, kortom. Er restte mij alleen de herinnering aan een leeservaring. En een vraag. Want wat had Mulisch me nu eigenlijk willen zeggen? Ik had geen flauw idee.
Vroeger voelde ik me gesterkt als ik bevestigd werd in een vooroordeel, maar tegenwoordig ben ik eerder teleurgesteld.

vrijdag 28 oktober 2011

INDIAANTJE


Aan de leestafel van mijn stamcafé bladerde ik de kranten door. Het werd hoog tijd om weer eens een lijstje van ergernissen op te stellen. De domheid en wreedheid van de mens leken me deze dagen ongemeen groot. Wat te denken van de Libische ‘bevrijders’ die hun eens geliefde leider anaal verkrachten met een stok alvorens hem te executeren? Of, dichter bij huis, onze eigen politie, die een aflevering van Dukes of Hazzard naspeelt op de A2 en met een filefuik honderden mensen in tijdelijke hechtenis neemt om één overtreder te vangen? En dan had je ook nog het deprimerende gesteggel en gekissebis rond het redden van de euro, en de dreigende uitzetting van ‘onze’ Mauro.
Bah. Ik voelde een vette misantropie opkomen. Het schrale herfstweer hielp daarbij ook niet echt. Op straat passeerde ik een winkel die We Are Beauty heette. In de verder lege etalage stonden porseleinen schalen, gevuld met aardappels. Geen idee wat die winkel verkocht, lucht waarschijnlijk. Een groentezaak zou het wel niet zijn. De koppen van mijn langslopende stadgenoten zagen er bleek en onnozel uit. Hun gebabbel in mobieltjes klonk als voos gekwaak. De haast waarmee ze zich over straat bewogen leek me lachwekkend zinloos.
En toch geloof ik in het goede in de mens, echt waar. Tijdens mijn verblijf in de kliniek, nu een jaar geleden, heb ik ondervonden dat je met de meest onwaarschijnlijke types geweldige gesprekken kunt voeren. Zelfs ’s ochtends vroeg al, bij de eerste koffie, na een te korte nachtrust. Buiten de apenkooi van de samenleving blijkt in ieder mens iets bijzonders te schuilen. Iets hartelijks, kwetsbaars en allemachtig interessants. Op de keper beschouwd blijft er van elk vooroordeel of cynisme in zo’n situatie godzijdank weinig over. Aan de mens zelf ligt het dus niet, daarvan ben ik overtuigd. Iedereen is een kind van zijn moeder. Het is de maatschappij met haar codes en conventies die de mens corrumpeert. Iedere leraar weet het: een klas als geheel kan een vernietigend nihilisme ontwikkelen waartegen geen kruid gewassen is, pik je één leerling eruit dan blijkt die wel degelijk voor rede vatbaar. Onder de spijkerharde branie blijkt een mens te schuilen. En wat aberraties van de collectieve norm betreft: wat je onderdrukt komt als een springveer met verdubbelde kracht tevoorschijn. Een wereld waarin natuurlijke behoeften niet voldoende aan bod komen kweekt monsters. Het instinct doorbreekt met verschrikkelijke kracht de codes en conventies die het te lang onder de duim hebben gehouden. Onze grote, complexe, zieke Westerse maatschappij verschilt daarin alleen gradueel van andere, waarin elke tegenstelling feller uitgelicht is, de druk van bovenaf groter, en de daaruit resulterende wreedheid onmenselijker.
Is het überhaupt mogelijk, een maatschappij op menselijke schaal en naar menselijke maat? Of is dat, na alle illusies en utopieën met hoofdletters, na alle dramatisch gestrande pogingen, voorgoed een contradictio in terminis gebleken? Aan mij moet u het niet vragen. Ze zeggen dat ik een romanticus ben, en die weten niet veel van zulke dingen. Maar eerlijk is eerlijk, ik zou best stadsnomade voor de goede zaak willen worden, en me in de kneuterige wereld van zo’n tentenkampje van Occupy willen neervlijen. Lekker Indiaantje spelen op het Beursplein. Aan luxe hecht ik niet, met een kilootje bintjes van We Are Beauty ben ik dik tevreden. Een stukje chocola nu en dan, desnoods van Fairtrade. Wat me tegenhoudt? De koude, harde blauwe stoep misschien. Het is tenslotte nog lang geen lente.

dinsdag 25 oktober 2011

KNA


Vroeger tekende ik stripverhalen. Mijn eerste serieuze strip heette Pa Knekelbeen. Eerst waren de plaatjes liefdevol ingekleurd met waterverf, maar de klare lijn van Kuifje raakte steeds verder zoek. In de derde aflevering, Pa Knekelbeen en de superwoekerplanten, bedekten de spinnige krasjes van mijn tekenpen bijna het hele papier, zodat er voor kleur geen plaats meer was in de macabere wereld van mijn held. Oostindische inkt paste beter bij mijn ziel.
De opbouw van de verhalen was traditioneel, zoals het iemand van dertien betaamt. Op plaatje één de locatie en de weersomstandigheden: een spookslot op een kale puntberg onder een duister zwerk waardoor de bliksem flitste. Dan een schets van de thuissituatie: de excentrieke heren Pa Knekelbeen en zijn huisgenoot Thorralba, beiden alchimist, vredig verdiept in oude folianten bij de namiddagthee of een avondlijk glas port. Vervolgens diende zich een bezoeker aan, er gebeurde van alles, in razend tempo, en drie bladzijden verder zaten ze alweer aan een eenvoudige doch voedzame maaltijd om de goede afloop te vieren. Dat ik een fanatiek Bommellezer was moge duidelijk zijn.
De naam was gekozen, zie ik nu, om alle botsende kanten van mijn kinderziel te verzoenen. Dat ‘pa’ duidde op huiselijkheid, en dat ‘Knekelbeen’... nou ja, u begrijpt het. Ik was vol van zwarte magie en gothic novels in die dagen. Mijn held had iets zwart-romantisch, iets demonisch, met zijn monocle en zijn steile zwarte haar, zijn getailleerde lange jas die hij ook binnenshuis droeg, zijn puntbaardje en zijn schoenen met gouden gespen. Maar hij was ook een huismus, rookte pijp, en liep gezellig onder een paraplu door het donkere woud dat zijn voorvaderlijk kasteel omgaf.
In zijn opvolger, Kna de Alweter, was het demonische ver te zoeken. Ik was inmiddels veertien, en de simpele horror ontgroeid. Ik had ook ingezien dat ik niet zo’n goede verhalenverteller was, en het script uitbesteed aan mijn vriend Robert ‘Ekkie’ Eksteen. Samen waanden we ons de opvolgers van Marten Toonder. Deze Kna was een grijze, bebaarde, pijprokende man die als een kluizenaar woonde in een klein huisje op de ‘grote grauwe vlakte’, omringd door zijn boeken. Zijn enige omgang bestond uit de dieren van bos en veld. Die babbelden echter dat het een aard had, en verstoorden zijn aangename, nogal zelfvoldane gepeins. Het gevoel van betrokkenheid en verantwoordelijkheid dat deze menselijke nazaat van Paulus de Boskabouter bezat maakte dan dat hij de deur uitging om zich in het avontuur te storten. Nu ik eens goed naar hem kijk, valt me op dat ik in Kna een geïdealiseerd portret heb getekend van mezelf in een verre toekomst: de leeftijd die ik nu heb. En ik lijk op hem! Heb ik dan toch uit het leven gehaald wat ik wilde? Die gedachte geeft me plezier, al is dat gemengd met weemoed: want een vijftienjarige vindt een heleboel dingen in het leven vanzelfsprekend, die dat voor een vijfenvijftigjarige niet meer zijn. En andersom, als u begrijpt wat ik bedoel.
Het tweede verhaal van wat een machtig epos rondom de op voorhand legendarische Kna de Alweter had moeten worden, Ko’s reddertocht, bleef onvoltooid. Er kwam iets tussen. Het leven, denk ik. Interesses zijn als koortsige seizoenen op die leeftijd, en kunnen niet naast elkaar bestaan. Ik was nu gitarist, en maakte me op het gehoor de Spaanse romantische gitaarliteratuur eigen, en en passant het notenschrift en de muziektheorie. Die stripjes leken iets van heel lang geleden. Iets uit mijn jeugd.

vrijdag 21 oktober 2011

LAATSTE LOODJES

Een van mijn therapeuten in de kliniek, een man van mijn leeftijd, hamerde erop, keer op keer, dat het tijd was om mijn rol in de wereld te herzien. Ik moest me vanaf nu gaan concentreren op het doorgeven van kennis en ervaring. Anderen inspireren, niet langer naar zelfverwerkelijking streven in egocentrische zin. Een andere therapeut, zelf een voormalig drinkebroer, had één onwrikbare leefregel, die hem droog hield: vermijd elk obstakel op je weg, maak het met de grond gelijk voordat het een berg wordt die niet meer te nemen valt, en waartegen alleen de fles nog helpt.
Aan beide deskundigen moest ik deze dagen herhaaldelijk denken. Het concert, waarover ik vorige keer schreef, kwam met de dag dichterbij. Goed beschouwd was er niks aan de hand, vroeger had ik voor zo’n optreden in een klein theatertje mijn hand niet omgedraaid. Ik had wel andere, grote concerten in beroemde zalen om me druk om te maken! Maar om redenen die te ver voeren om hier allemaal op te sommen was dit optreden precies die berg aan het worden waar de therapeut voor gewaarschuwd had. Ik greep weliswaar niet naar de fles, maar voelde me goed beroerd.
De avond kwam. De avond ging goed. ‘Zie je wel?’ zeiden mijn dierbaren, ‘je kunt het nog, waar maak je je zo druk om?’ En of ik dan niet opgelucht was? Ja, natuurlijk, opgelucht wel. Maar niet de opluchting van een klare hemel na noodweer. Troebele wolken bleven voor de zon trekken, en van sereniteit was geen sprake. De berg bleef achter mijn rug voelbaar, ik bevond me nog in zijn slagschaduw.
De dag erna wandelde ik door de regen en probeerde mijn hoofd leeg te maken. Ik liep een cd-winkel binnen. Mijn blik viel op een bekend gezicht. Lachend met een gitaar in haar handen: Leonie. Ik sloeg het cd-boekje open en las, bij de dankbetuigingen, de naam van mijn zoon. Een warm gevoel doorstroomde me, en opgeluchte tranen prikten even in mijn ogen. Misschien had mijn therapeut toch gelijk: laten anderen de fakkel maar overnemen! Er is een tijd voor alles. Ik wil die spanning en die spotlights niet meer. Ze hebben me veel gebracht, maar in deze fase van mijn leven ontnemen ze me meer dan ze me geven. Ze slaan me uit het lood, en dan is het lood van de wijnfles niet ver weg.

dinsdag 18 oktober 2011

BOEK


In de sciencefiction lees je vaak over parallelle universa. Er is er niet één, er zijn er talloze. Elke gebeurtenis heeft een aantal mogelijke andere uitkomsten, en elk van die uitkomsten leidt tot een andere toekomst. Al die toekomsten bestaan, ergens. Naast de deur, maar onbereikbaar, tenzij je over een dimensiepoortje beschikt, een toverdeurtje, of een van de andere magische dan wel technologische manieren om onze werkelijkheid te verruilen voor een andere.
Een heel simpel en goedkoop apparaat om van universum naar universum te springen hebben wij allemaal tot onze beschikking. Voorwaarde is slechts dat we de lagere school met succes hebben doorlopen. Het heet boek.
Op het ogenblik leef ik in twee werelden. In de ene, de gewone, voel ik me niet helemaal senang. Als een dreigende berg rijst er een concert op aan de steeds dichterbij komende horizon. Ik ben er nerveus voor. Dus als het even kan neem ik een retour naar die andere wereld. In dat universum, dat zich opent als ik het boek heb opengeslagen op de plek waar de bladwijzer zich bevindt, bestaat dat enge concert niet. In die wereld leef ik door de ogen en oren van een Zwitserse classicus in Lissabon, en ben ik op zoek naar de sporen van een geheimzinnige schrijver. Samen met de in zijn leven vastgeroeste leraar Oude Talen, een vijftiger net als ik, heb ik in een bizarre impuls de nachttrein naar de Portugese hoofdstad genomen, enkele reis, en mijn oude bestaan verruild voor een ander, met nog ongewisse afloop. Niet werkelijk ongewis natuurlijk: de schrijver, de uitgever en talloze andere lezers kennen de afloop al. En ik hoef maar de laatste bladzij op te slaan of ik ben ook van de spanning verlost, als ik mijn nieuwsgierigheid niet meer kan bedwingen. Dat leven in de parallelle wereld van het boek is dus eigenlijk Spielerei, hoe meeslepend het ook kan zijn. Want anders dan in de echte wereld ligt de afloop vast. Het is tenslotte ‘maar een boek’. Maar groots en meeslepend leven, zonder bang te hoeven zijn voor de toekomst, is dat niet wat we allemaal in ons hart willen?
Daarom zeg ik: leve de romanschrijvers, die hun dagen eenzaam peinzend, plottend en ploeterend doorbrengen met als enige doel ons, lezers, bij de hand te nemen en rond te leiden door een wereld waarvoor wij geen enkele verantwoordelijkheid bezitten. Waarin we werkelijk vrij zijn. Waarin we er elk moment dat we dat willen de brui aan kunnen geven, om de volgende dag gewoon weer verder te gaan waar we gebleven waren. Dat deze altruïstische weldoeners, deze priesters van een godloos tijdperk vaak moeten sappelen en bedelen om de boodschappen en de huur te kunnen betalen vind ik een schande. Zij creëren levensruimte voor wie benard zijn, en vrijheid voor wie geketend zijn; een uitweg uit de dagelijkse sores, waar die eerder niet bestond. Eert de schrijvers, en onderschat ze niet! Scheppen is geen linkse hobby.

donderdag 13 oktober 2011

Erlkönig


Vandaag op de kop af zesendertig jaar geleden stond ik ’s morgens voor het raam van de collegezaal. Het college Euripides stond op het punt te beginnen. Ik keek onuitgeslapen naar het spitse, zwarte silhouet van de Krijtberg, aan de overkant van het Singel. Uit de dikke grijze lucht daarboven begon langzaam sneeuw te vallen. Ik weet dit nog zo precies omdat mijn vader die dag vijftig werd.
Vandaag, op zijn zesentachtigste verjaardag, zag alles er heel anders uit. Ik wandelde door het glinsterende park onder een blauwe hemel. Een zwaan zeilde door de vijver, sereen maar waakzaam. Tegen een bemoste boom stond een meisje geleund, quasi ontspannen, haar handen achter haar rug en één knie een beetje opgetrokken. Ze babbelde full speed over Belangrijke Dingen. Twee mannen stonden vlak tegenover haar. De een hield een microfoon in de lucht, de ander richtte een grote camera op het meisje. De boom zweeg.

Dit zit mij dwars en wil ik even aan u kwijt: ik werk op het ogenblik met twintigers. Het botert niet zo. Zij willen allerlei kanten op die ik niet wil. Ben ik een norse ouwe man of zijn zij kwispelende jonge honden? Voor mijn gemoedsrust besluit ik maar tot het laatste. Vijftien, twintig jaar geleden had ik een ensemble met theatermaker Carel Alphenaar. Hij was een generatie ouder, ouder dan ik nu ben, maar liet zich willig meeslepen naar fotosessies die hij voor zijn p.r. allang niet meer nodig had. Toen we eens op een natte, stormachtige herfstavond van de schouwburg in Leiden naar de auto terugliepen, begon hij luidkeels Schuberts Erlkönig te zingen. Zijn stem kraaide boven de wind uit. Studenten keken verschrikt op. Wij zongen vrolijk mee en vonden het heel gewoon dat een in onze ogen oude man zo baldadig kon zijn. Maar zo gewoon is dat niet. Het is moeilijk lenig te blijven. Met alleen leeftijdsgenoten om je heen word je stram. Puppies houden je jong, zeggen ze.
Mijn oma is achtennegentig jaar geworden. In het bejaardentehuis waar ze stokdoof haar laatste dagen sleet konden de medebewoners haar kinderen zijn. Wat moet ze eenzaam zijn geweest, als laatste van haar soort, heb ik vaak gedacht. Toch wekte ze niet die indruk. Haar belangstelling voor alles om haar heen hield haar geest soepel. Of, zo u wilt: haar lenige geest voorkwam dat haar belangstelling uitdoofde. Hoe je die faculteit kunt trainen kan ik haar helaas niet meer vragen. Ergens in mijn genen moet de mogelijkheid toch sluimerend aanwezig zijn. Goed zoeken maar.

(De afbeelding is een illustratie bij een oud album met Schubertliederen, en is gemaakt door Anton Pieck)

dinsdag 11 oktober 2011

KUIFJE


De maandag was zo’n dag zonder sap, zonder zin. De mir was eruit, om met Marten Toonder te spreken. Ik wil niet zeggen dat ik depressief was, dat woord gebruik ik niet ijdel en reserveer ik voor ernstigere dips, maar ik blaakte niet bepaald van levenslust. In zo’n bui ga ik me zorgen maken. Om het even om wat. Maar zorg één is, dat deze laaggestemdheid aan zal houden. Dat zulk gepieker vaak een zichzelf bevestigende voorspelling wordt, en dus teweegbrengt waar het bang voor is, door een soort negatieve zelfhypnose als het ware, weet ik natuurlijk wel; en ik probeerde me ertegen te verzetten. Positief denken!
Zo besloot ik, toen ik het nachtlampje uitknipte, eens fijn te gaan overwegen waar ik vanmorgen een stukje over zou schrijven.
Uren later lag ik nog wakker. Het onderwerp dat ik gekozen had uit de lijst van mogelijkheden dijde uit tot enorme proporties. Toch was het aanvankelijk simpel geweest.
De Congolese student Bienvenu Mbutu Montondo begon onlangs een rechtzaak, waarin hij eiste dat het stripalbum Kuifje in Afrika uit de handel wordt genomen, wegens de racistische teksten en tekeningen die het bevat. Hergé had het boek, oorspronkelijk Kuifje in Congo geheten, al eens een jeugdzonde genoemd, en het in 1946, zestien jaar na verschijnen, hertekend en gekuist. De zwarten waren nog steeds dom en kinderlijk en hadden nog even dikke en rode lippen, maar de scherpste kantjes van superieure witte vrolijkheid waren eraf. Deze censuur ging voor Montondo niet ver genoeg. Uit de handel met die handel, of dan tenminste een strook bijleveren waarop de historische context wordt geschetst van al deze naïeve rassenwaan. Dat laatste wordt overigens in Amerika, waar men verder gevorderd is in het politiek correcte denken, al gedaan. Ook is het album daar van de jeugdafdeling naar de schappen voor volwassenen verhuisd.
Ik ergerde me aan deze kwestie, zoals ik me ook ergerde toen ik een paar maanden geleden las dat het woord nigger (the N-word, zeggen de Amerikanen) bij een heruitgave verwijderd moest worden uit het werk van Mark Twain. Waar is het einde? Het 'nikkertje' Flop uit de Pa Pinkelman-verhalen van Godfried Bomans moest dan zeker ook verdwijnen, en de uitgever moest zich op zijn knieën verontschuldigen voor het feit dat de Sjors en Sjimmie-strips ooit zomaar wekelijks onder de jeugd konden worden verspreid, als erfenis van koloniaal denken, als zaad voor haat. En gisteren nog las ik in Tom Poes en de Atlantiër van de eerder genoemde Marten Toonder keer op keer het woord Berber, als synoniem voor stomkop en primitieveling. Moet Bommel niet ook eens kritisch geredigeerd worden?
In tijden waarin men nog heilig geloofde in materiële vooruitgang en industriële ontwikkeling en de Westerse maatschappij als verder gevorderd in beide zaken beschouwde dan pak weg Afrika, was het vanzelfsprekend om het over primitieve volkeren te hebben. Alleen romantici benijdden die hun vermeende naïveteit. Tegenwoordig zijn we de schaduwzijden en onvolkomenheden gaan inzien van onze ‘vooruitgang’ en verlangen we en masse terug naar een zuivere cultuur op menselijke schaal, die zo mooi strookt met alle idealen van duurzaamheid en geofilie. In zo’n tijd past het wereldbeeld van de jonge Hergé niet meer. Maar moeten we het daarom ook achteraf gaan corrigeren? Moeten we onze cultuur met terugwerkende kracht censureren? Opnieuw tekenen, met rood potlood?
Toen mijn gedachten zich uitbreidden naar het Van Heutsz-monument (tegenwoordig: Monument Indië-Nederland) en de metamorfose van onze vaderlandse helden tot oorlogsmisdadigers, en dat je eigenlijk de hele kunst van de Gouden Eeuw als verdacht moest beschouwen, net zoals de door koloniale uitbuiting verworven rijkdom van de Oranjes, begon de kwestie me boven het hoofd te groeien. Ik poseer graag als amateurfilosoof, maar dit soort complexe zaken ressorteert onder het vakgebied van de ethici. Die hebben ervoor gestudeerd, laten die het maar uitzoeken, was mijn laatste gedachte voor ik eindelijk in slaap viel.

zaterdag 8 oktober 2011

BRONST


We vertrekken uit Castellar de la Frontera in het uur van de crepúsculo, het schemerige uur van onze afspraak met de herten. We verlaten de slingerende asfaltweg en rijden een pad van steen en stof in dat over een stompe bergtop voert. Bij een bosje kurkeiken parkeren we de auto. In de verte kunnen we de burcht van Castellar nog zien, hoog boven de wereld, met aan zijn voeten een bebost dal waarin een diep meer ligt, het bassin van Guadarranque. Daar, in de smalle straatjes, woont een handjevol mensen, honkvaste autochtonen en oude hippies die hier in de jaren ‘60 op weg naar Marokko zijn blijven plakken; ze scharrelen hun kostje bij elkaar met het verkopen van de gebruikelijke schelpen, armbanden en andere snuisterijen aan de enkele toerist die zich zover het binnenland in waagt.
Om ons heen, hier op de glooiende hoogvlakte, is het ongelooflijk stil. Alleen de suizende wind. En nu en dan de stem van Luïs, die een anekdote vertelt over de hertogin van Castellar. Als hij zwijgt, en er weer alleen de wind is, en het knisperen van het gele gras onder onze voeten, horen we plotseling waarvoor we gekomen zijn. We spitsen onze oren, wijzen verderop, Maria richt de verrekijker. Daar, aan de bosrand, spurten twee herten weg, gehoorzamend aan een luide roep. Al gauw horen we het loeien van de burlende mannetjesherten overal vandaan komen. Een kruising tussen hondengeblaf en een midwinterhoorn. Luïs vertelt dat hij ook wel eens het gekletter van botsende geweien heeft gehoord. Maar zoveel geluk hebben we vandaag niet.

vrijdag 7 oktober 2011

SPAANS


We zaten op een bankje in een wit stadje, Maria en ik. De lucht was blauw, warm en droog. We dronken dorstig uit een fles water die ik in een winkeltje had gekocht. Ik was opgetogen. Ik had zojuist mijn eerste geslaagde Spaanse conversatie gevoerd. In een zwierig brabbeltaaltje van de enkele woorden die ik ken, scheutig aangelengd met Italiaans, had ik gevraagd waar men hier ergens sigaretten kon bekomen. De vrouw greep onder de toonbank en bracht haar wijsvinger naar haar lippen in een gebaar dat overal hetzelfde betekent: ‘Ssst!’
Toen ik het pakje opende snapte ik waarom. In plaats van Fumar puede matar stond er Smoking can cause a slow and painfull death op de sticker. Smokkelwaar uit Gibraltar. Taxfree ingekocht, in een bootje op het strand van La Linea aan land, en hier aan de man gebracht, voor een eurootje meer. Je moet wat in tijden van crisis.

Een week later merk ik dat ik een beetje verliefd ben geworden op Andalusië. Ik eet vissiger dan normaal, kruid mijn eten Arabisch, met rozijnen, olijven, kappertjes en amandelen, luister naar Radio Tarifa (de groep, niet het radiostation), en leer Spaans uit een boekje dat ik ooit bij de vuilnisbak heb opgeraapt.
En daar zie ik al de contouren opdoemen van een al te bekend scenario.
Vanmorgen op straat vroeg een Spaans echtpaar me de weg naar het Rijksmuseum. Ik kwam niet verder dan stamelen en wijzen. In mijn hoofd zocht ik ondertussen koortsachtig naar het woord voor ‘links’ en naar de vervoeging van het werkwoord ir. Ik was nog niet ver genoeg in Kramers Kleine Kursus voor zelfonderricht om een fatsoenlijke volzin te kunnen maken, en ik was mijn onbevangen bravoure, die me in San Roque moeiteloos aan sigaretten had geholpen, voorgoed kwijt.

dinsdag 4 oktober 2011

CASA MARTINA


Ik wist niet wat ik ervan moest verwachten, en ik ging er ellendig naar toe. De medicijnen hadden me hondsberoerd gemaakt en om de vlucht naar het onbekende niet nog moeilijker te maken was ik er acuut mee gestopt. Later. Eerst maar eens naar Spanje. Een paar tranquillizers, een bus, een krap vliegtuig van de Spaanse maatschappij Vueling en een huurauto brachten me na een lange dag veilig naar de plek waar ik mijn vorige stukje tikte, op een computer met een vreemd toetsenbord, met omgekeerde uitroep- en vraagtekens: het huis van Martine.
En nu ik, wakker geworden na een lange diepe slaap, terugdenk aan de afgelopen dagen, is het die plek die me het eerst voor de geest komt. Alle andere indrukken zijn een wirwar van kleuren en klanken, waar ik kop noch staart aan zie. Terwijl ik daar rondliep, in Andalusië, buitelden de onderwerpen om over te schrijven vrolijk om me heen, ik hoefde ze maar uit de lucht te plukken en ik had wat, zo stelde ik me voor, een ‘Klein Andalusisch Dagboek’ zou gaan heten. Maar nu fladderen alle indrukken even vrolijk weer weg, ongrijpbaar, en wat blijft is het beeld van aankomst, dat tevens het laatste is dat ik zag voor de huurauto ons in alle vroegte weer naar het vliegtuig van Malaga voerde.
Estepona is het laatste van een reeks door toerisme gevoede en leeggezogen stadjes die de Costa del Sol hebben bedorven. De Hollandse kermisgasten komen zover niet, dus de torenflats vol badgasten ontbreken hier. De appartementencomplexen lijken meer op Moorse paleizen: stenen suikertaarten vol krullen, kantelen en torentjes, geschilderd in gebrande omber of ossenbloedrood. Het is er mooi en lelijk tegelijk. Tussen de zee en de bergen is het land vogelvrij, en vooral bedoeld om geld aan te verdienen. Als je even niet kijkt is er een flatgebouw opgetrokken, of staat een ander weer te koop. Je wandelt idyllisch langs een stoffige, droge rivierbedding tussen de eucalyptusbomen en ziet plotseling, op hoge betonnen poten, een oogloos spookhuis: het clubgebouw van een ter ziele gegane tennisvereniging. Se vende. Te koop. Al jaren lang. En als je de drukke kustweg volgt zie je waarom er hier zoveel tuincentra en beeldenfabriekjes zijn: midden op elke rotonde staat een beeldengroep, praalfonteinen, marmeren paarden, Griekse goden, of zomaar fantasiefiguren, nog nèt geen Disney: die komen niet uit China, maar gewoon van om de hoek.
Om het historische centrum van Estepona zit een dikke schil van chaotische nieuwbouw. Soms waande ik me, afgezien van de palmen en de affiches voor stierengevechten, in een Amsterdamse probleembuurt, maar meestal is er een bravoureuze gooi naar schoonheid gedaan. Ergens in het achterhoofd van de Andalusier leeft het idee dat elk huis een kasteel moet zijn, en de tierelantijntjes, nonchalant rondgestrooid, zijn nooit ver weg. Voorbij de echte stad beginnen de urbanizaciones. De urbanisatie van het platteland. Geen vinex-locaties, maar prachtige villawijken tussen de oleanders, elk huis ommuurd en met zijn eigen toegangspoort. Waar die ophouden, houdt ook de wet en de stadsplanning op, en begint het interessantste deel. De campo. In dit vrije veld staan de villa’s verder uit elkaar. Hoe het met bouwvergunningen zit weet niemand. Stroom en water worden er afgetapt van de gemeentelijke leidingen. Spanjaarden hebben er een tweede huis, Engelsen uit Gib (Gibraltar) slijten er hun pensioen, expats en gelukszoekers van allerlei nationaliteit hebben er hun vaderland ontvlucht. Hier woont Martine, de zuster van mijn vriendin.
Een steil, bochtig weggetje vol scherpe stenen bracht ons bij een hek met een bordje Casa Martina. Dat knarste open, en daarachter lag een paradijsje. Een vrolijk betegeld huis van één verdieping, waarvan de belangrijkste kamer buiten lag: de portico. Hier, op een behaaglijke sofa, begon en eindigde ik de dag, met een koffie of een Fanta limón, een pijp of een Ducados: felle, zuidelijke sigaretten. Hier luisterde ik naar de geurige, lauwe wind, naar de krekels, of naar het geroezemoes van vele stemmen, Spaanse met een Engels, of Engelse met een Spaans accent. Als de drukte van de gasten, die voor Martines verjaardag kwamen me te veel werd, kon ik me terugtrekken in het caravannetje, was me gezegd. Dat staat halverwege de uitgestrekte moestuin, beschaduwd door een avocadoboom, een endje op weg naar het fonkelblauwe zwembad, en is bedoeld voor logés. In Amsterdam had ik me voorgesteld dat ik daar vaak mijn heil zou zoeken. Een veilig plekje in de turbulentie van het onbekende. Maar in de praktijk van dit balsemende, heilzame zuiderse leven bleek dat niet nodig. ’s Nachts controleerde ik even of er geen slangen, bidsprinkhanen of gekko’s, salamanquesas, naar binnen waren gekropen, strekte me moe uit, las hoogstens één bladzij Maigret, en knipte het lichtje uit. De nacht was zwart en stil en het was ongelooflijk te bedenken dat nauwelijks een kilometer verderop al die herrie begon. Die ene mug nam ik maar voor lief.

(Errata: het bergstadje uit het vorige stukje heet San Roque. En dat je 'hola' met een stomme h schrijft wist ik toen nog niet)