dinsdag 25 februari 2020

NARCIS


Het wereldnieuws brengt niet veel goeds. Rampspoed en ellende. Pandemieën, aanslagen, natuurgeweld, ongelukken. Ondertussen brengt het weer ook weinig goeds. Natuurlijk zijn er sporen van lente, optimisten kunnen genoeg voedsel vinden voor hun positieve wereldbeeld, van nestelende eenden tot bloeiende blauwe druifjes, maar zo langzamerhand worden de meeste mensen het beu, hoe de lauwe lange winter met zijn natte staart blijft zwiepen.
We zaten aan de keukentafel en dronken koffie, deelden een pecanbroodje dat overgebleven was van de vorige dag. Mijn vriendin kwam net van yoga, ik had bij haar thuis met wat ademoefeningen en wat meditatie een stoere poging gedaan om de maandagse tegenzin te overwinnen. Het was die morgen tamelijk windstil geweest maar de wind trok weer aan. De regen verdichtte zich tot de lucht zelf vloeibaar leek. Je hebt natte en minder natte regens, heb ik van Simenon geleerd. Dit was een uiterst natte. Kleine druppels, maar dicht opeen en in een snel ritme neervallend , als de tikkende naald van een naaimachine. We overwogen wat we met deze dag aan moesten. Ik wist het wel: huiswaarts, misschien samen met de katten een uurtje slaap inhalen na een slechte nacht, voor mijn vaste klussen op me wachtten. Mijn vriendin was minder zeker. Er was te weinig te doen in haar atelier in de stad. Misschien bleef ze maar thuis om zich in haar belastingaangifte te verdiepen. Het is bar met de wereld gesteld als je liever thuisblijft om je belastingaangifte te doen dan eropuit te gaan.
Ik knoopte mijn jas dicht en trok mijn hoed goed strak aan tegen wegwaaien. Mijn vriendin schoot een paar klompen aan en liep met me mee de regen in. We namen afscheid, ik startte de motor en draaide achterwaarts de dijk op.
Mijn vriendin wenkte me. Ik trapte op de rem en wachtte. Ze ging de voortuin in, bukte zich en plukte iets. Ze liep om mijn auto heen, ik draaide mijn raampje open. De regen woei naar binnen. 'Hier,' zei ze, 'een voorproefje van de lente.' Ze gaf me een nog niet ontloken narcis. Steel en knop vormden een vloeiende, gebogen lijn. Ik legde de bloem naast me op de stoel, bedankte, en reed weg. We zwaaiden. Ze verdween in haar huis.
Onderweg trok de wind aan de auto en de ruitenwissers werkten hard.
Ik keek naar de bloem naast me en probeerde hoop en geduld te hebben.


(Illustratie: Nisaburo Ito)


vrijdag 21 februari 2020

Roken en dromen


Op de plaats in mijn straat waar zich het kastje met gratis boeken bevindt stond een grote tafel. Het blad was bedekt door een enorme collectie pijpen. Vele van een zeldzaam soort, zeer donker van hout, kunstig bewerkt en besneden met siermotieven en miniatuurvoorstellingen. Ook lagen er een of twee grote pijpen met een mooie zilveren band, die door het gebruik een beetje dof en gebutst was geworden. De verkoper zat te roken achter de tafel. Ik boog me over de uitgestalde pijpen, leverde wat commentaar waaruit blijken moest dat ik verstand van zaken had, vertelde ook nog maar dat ik eveneens een grote verzameling bezat, hoewel ik het roken had opgegeven. Er was één ding, zei ik, dat me bezighield en dat ik niet begreep: hoe kon de man zelf pijproken en toch zijn eigen pijpen verhandelen? Hij moest wel een reusachtige collectie bezitten, als hij al dit moois zomaar te koop kon aanbieden. De man keek geheimzinnig maar voordat hij een bevredigend antwoord had kunnen geven sprong mijn droom-ik alweer een halve stad vooruit en belandde bij een kiosk op de Munt. Daar ging ik naar binnen en vroeg om sigaretten. Een beetje heimelijk. De sigaretten lagen niet in het zicht en ik was even bang dat er geen te krijgen zouden zijn. Maar de man, een Turk uit stripverhalen met een fez met een kwastje en een snor zoals de Armeense mysticus Gurdjieff die droeg, haalde een kleurig doosje tevoorschijn. Het was te groot voor het aantal sigaretten dat erin zat, stelde ik bevreemd vast, die hielden elkaar niet overeind zoals het hoort maar lagen er los en kriskras door elkaar in. Maar ik kocht er een aansteker bij en stak er een op, 's ochtends vroeg al. Ik inhaleerde. De beloofde kick bleef uit.

Het is een veeg teken dat ik over roken droom. Ik ben niet tevreden, verlang naar iets. Lente, verandering, vrijheid, jeugd? In werkelijkheid heb ik mijn laatste nicotine op de avond van tweede kerstdag binnengekregen. Een, twee trekjes van een sigaret, die een eveneens gestopte vriend uit een verborgen pakje had gehaald. Halverwege werd de sigaret zorgvuldig gedoofd en teruggestopt in het clandestiene pakje. Wat niet gezien wordt bestaat niet echt. Wat je stiekem doet blijft beheersbaar. Maar in je dromen kan het grote vormen aannemen.


PS: Dromen zijn, hoewel op het moment zelf indringend helder, de volgende dag zelden precies na te vertellen. Je moet ze dan vertalen naar ‘gewone’ omstandigheden, om tenminste de essentie duidelijk te kunnen maken. De kiosk was niet op de Munt en de man droeg geen fez. Maar die indruk maakte de scène wel.


woensdag 19 februari 2020

HERKENNING



De wind was koud maar het licht was het licht van de winter niet meer.
De katten hadden ze het eerst gezien. Ik dacht dat ze keken naar de hijskraan aan de overkant, die onduidelijke zaken tilde uit het monumentale pand in wording, maar hun blik zocht hoger. Ik keek met hen mee en zag drie grote silhouetten. Ze wiekten, zo noem je dat. Traag gingen hun vleugels, die eerder bijstuurden dan voortdreven. Tegen de zon in waren ze donker. Maar toen er een wolk kwam zag ik het wit en wist ik: ooievaars.

Een jaar geleden was het rond deze datum volop lente, veel te vroeg. De ooievaars stonden op hun wiel in het park en waren druk met paringsrituelen en nestbouw. Nu was alles wat later, wat normaler moet ik zeggen, door die stormen en die regens. Was dit een verkenningsvlucht? Een door instinct gedreven trip down Memory Lane - hé, onze oude buurt! Hier hebben we ook nog gewoond, ooit. Zullen we weer eens...?

Ik liep naar het park, sneller dan anders. Ik voelde me ook fitter dan de laatste tijd: dat nét andere licht! Een aalscholver dook onder in het rimpelende, ijskoud ogende water. Het duurde een tijd voor hij weer boven kwam. Even verderop zwom een zeevogel die ik niet thuis kon brengen. En opeens zag ik hem in mijn ooghoek, vlak bij de oever, onder het voormalige Blauwe Theehuis, dat tegenwoordig een dependance van Brouwerij 't IJ is: schitterend metalliek blauw, warm oranje: een ijsvogel.

Een aantal jaar geleden waren ze (ik ga gemakshalve van een meervoud uit) hier ook al waargenomen, door mijzelf én officieel, maar het bleef toen bij twee seizoenen. Dat ze terug waren was feestelijk nieuws. Ik volgde het beestje met alerte ogen tot hij als een vuurpijl wegschichtte. Ik bleef nog even staan treuzelen, hongerig naar meer, maar ging toen ook verder, op weg naar het ooievaarsnest. Het zou natuurlijk het mooist zijn als Manke Nelis en zijn Afrikaanse partner daar inderdaad waren neergestreken voor een nieuw broedseizoen. Maar zo niet, dan was dit weer een prachtig voorbeeld van de bijvangst waarover ik, in verband met ijsvogels, ooit heb geblogd.

In feite had ik dit stukje kunnen vervangen door een aantal titels met bijbehorende hyperlinks. Dat is bijna onvermijdelijk als je al bijna tien jaar blogt. Ooievaars, ijsvogel, bijvangst. Aan een feest der herkenning hoef je niet zoveel woorden te verspillen. Maar het alternatieve onderwerp was een optreden van The Nits gisteren op de bejaardenomroep. Vormeloos en hopeloos overbodig arty farty gedoe in tenenkrommend Engels dat bewees dat je voor popmuziek beslist te oud kan worden. En daar had ik geen zin in.

Een stel gedetineerden is zo vertrouwd met elkaars grappen, dat ze de moeite niet meer doen om ze te vertellen. In plaats daarvan hebben ze iedere mop een nummer gegeven. Een nieuwkomer hoort hen op die manier bezig op de binnenplaats.
‘Nummer twaalf!’ roept een van de gevangenen. Iedereen begint te grinniken.
‘Negen!’ roept een ander. Een lachsalvo volgt.
‘Achtentwintig,’ doet een derde, en andermaal wordt er gegierd van het lachen.
Ten slotte schraapt een kleine, verlegen man achteraan in de groep zijn keel: ‘Tweeëndertig.’
Een doodse stilte volgt. De nieuwkomer stoot zijn celgenoot aan: ‘Waarom lacht niemand? Was dat dan geen goeie mop?’
‘O jawel, hoor,’ antwoordt de ander. ‘Maar hij vertelt ’m niet goed.’


Illustratie: Ohara Koson (1877-1945)


vrijdag 14 februari 2020

PITCH

Mijn compagnon moest een vliegtuig halen, dus of ik het gesprekje met de subsidiecommissie kon doen? Geen probleem, tien minuutjes van mijn tijd op een dooie donderdagavond.
Ik reed Osdorp in, over de Pieter Calandlaan. Een geweldige stroom koplampen ging me voor. Wat hadden die mensen daar te zoeken? Pas na een kwartier had ik een parkeerplaats gevonden, en dan nog alleen maar omdat er net iemand vertrok. Ik moest een flink eind teruglopen. Van de kolossale gebouwen herkende ik niets, in mijn tijd stonden daar bakstenen portiekwoningen. Wel herkende ik de galerijflats aan de overkant van de Baden Powellweg, aan Langswater, daar had ik vroeger nog, zonder hoogtevrees, gevreeën met mijn eerste liefde, maar toen waren het betonnen eilanden geweest in een landelijk gebied, aan de groene grens van de bewoonde wereld.
In het gebouw van Eigenwijks nam ik plaats in de riante hal. Op een salontafeltje lag een glossy over yoga. Even verderop ging een glazen deur open. Ik zag mensen op matjes zitten. Twee jonge vrouwen kwamen naar buiten. 'Vorige keer was het vier euro, en nu moest ik vijf betalen,' zei een van de twee.
Ook in deze onherbergzame massa van steen, glas, asfalt en koplampen gingen mensen naar een buurthuis, dat stelde me gerust.
Ik werd opgehaald. Met tasje en hoed in mijn hand volgde ik een jongeman met een zachtaardig baardje. Hij ging me voor een helverlichte zaal in. En daar zat, aan een vierkant van tafels, zeker een dozijn mensen, papieren voor hun neus. Verrast hield ik even in. Ik gaf de voorzitter een hand (haar kende ik nog van vroeger) en keek onzeker om me heen. Ik werd uitgenodigd om aan het hoofdeind van de vierhoek te gaan staan. Zitten mocht eventueel ook. En dan moest ik mijn zaak beknopt bepleiten. Ik kreeg precies tien minuten. Dan zou er een belletje gaan, en waren er misschien nog wat vragen.
Ik keek langs de onbekende gezichten, op zoek naar een dat me welgezind was, hapte naar adem en begon. Gelukkig ben ik ervaren in het spreken voor groepen, en de adrenaline liet me op de juiste woorden komen. Die twintig jaar van liedjes en verhalen over Nieuw-West lieten zich ook zonder voorbereiding soepel samenvatten.
Toen ik klaar was waren er nog een paar minuten over. Een enkele praktische vraag, en dat was het. Binnen een week kon ik de beslissing tegemoetzien. Ik groette en zocht mijn auto weer op.

De kranten ruimden deze week hele pagina's in voor het naderende afscheid van Matthijs van Nieuwkerk. De media smullen het liefst van zichzelf, dat is bekend. Ik wil de verdiensten van dat programma heus niet kleineren, maar een paar kanttekeningen heb ik toch wel te plaatsen. Er was aandacht voor kunst, cultuur en wetenschap, zeker. Maar de geleerden leken toch vooral op stripfiguren. 'Er is groot nieuws. We hebben hier aan tafel een primeur,' kondigde Matthijs dan handenwrijvend aan. Professor Prlwytzkofski vertelde vervolgens dat kanker binnen tien jaar verdwenen zou zijn. Of Professor Zonnebloem legde in eenvoudige mensentaal uit hoe het heelal in elkaar stak. De heren professoren wisten heus wel dat ze de zaken enigszins chargeerden, maar konden het warme bad van spotlights en enthousiasme niet weerstaan. Kunst? Iedere dag muziek tussen het gebabbel, muzikanten stonden te trappelen om act de présence te geven. Maar dankzij DWDD zijn we het normaal gaan vinden om een popliedje (van zichzelf toch al een beknopte vorm) te reduceren tot een minuut; we mochten ons eens gaan vervelen. En nooit kwam het vercommercialiseerde karakter van de literaire wereld genadelozer aan het licht dan tijdens de zogenaamde boekenpitch: veertien auteurs moesten in ieder 30 seconden een sneakpreview geven van hun nieuwste roman. Het was alsof je op de Albert Cuyp stond. Mooie verse aardbeien! Pioenen! Koop mij, lees mij!
Terwijl ik de oude stad weer inreed overwoog ik hoe de dagelijkse tv-praktijk ons doen en laten beïnvloedt. Vroeger werd je door een commissie ondervraagd. Het initiatief lag bij de ander. Nu wordt er een pitch van je verwacht. Vermaak ons maar, overtuig ons maar. Dankjewel Matthijs. Chapeau.


woensdag 12 februari 2020

STORM

Ciara werd voorafgegaan door een andere storm, een van beeld en geluid. In de vroegere Star Wars-films was nog tijd voor dialoog, soms zó veel dialoog, dat ik de draad van de intrige kwijtraakte - ik kon zo snel de notulen van de raadsvergaderingen der Jedi niet bijhouden en begreep van de geopolitiek van het Keizerrijk niet veel; er was zelfs tijd voor verveling: vele meters beeld spoelden door met niet veel meer inhoud dan de voorbijtrekkende buitenaardse landschappen, en het wachten was op een ruimtegevecht om weer het puntje van je stoel te kunnen voelen.
Tegenwoordig heeft geen regisseur of producent nog het lef om het publiek een ogenblik rust te gunnen. We zijn dat niet meer gewend, rust, en zouden het al te gemakkelijk met saaiheid kunnen verwarren. Vandaar dat van het begin tot het einde een stroom van tumultueuze beelden over de kijker heen wordt gejaagd. Vergezeld van een stroom vooral uit ontploffingen bestaande herrie. Het voordeel van deze reductie van de saga tot één lange sensationele videoclip is, dat ik voor het eerst sinds het epos in de jaren 70 begon het verhaal kan volgen. Goed en slecht vechten, en goed wint, onder aanvoering van een messiaans meisje (Rey, gespeeld door Daisy Ridley). Die jonge Britse actrice is gelukkig zo charismatisch dat alleen al het kijken naar haar intense mimiek en haar katachtige bewegingen de tijd doet vliegen.
Maar de onderdompeling in visueel en auditief geweld bekwam me niet zo goed, hoe onderhoudend de film op het moment zelf ook was. Ik voelde me behoorlijk overprikkeld. Gejaagd liep ik naar huis, te schielijk dronk ik mijn trappist. Vooral de volgende morgen deed het effect zich merken: een beurs hoofd - een soort kater. Ik bezocht de film met mijn dochter en een vriendin van mijn leeftijd. De eerste at onverstoorbaar haar popcorn (hoewel ze toegaf ook last te hebben van de sterke prikkels, reden waarom ze altijd een tweede keer moest gaan naar dit soort fantasyfilms: dan viel alles op zijn plaats) maar onze vriendin liet af en toe (bij heel spannende en dus bovenmatig bliksemende en donderende scènes) haar ogen rusten op de vloer voor zich; ook bekende ze na afloop oordopjes in te hebben.

En toen moest de storm, de echte bedoel ik, nog komen!
Ook die was in staat om voor flink veel onrust in mijn hoofd te zorgen. Maar als ik heel eerlijk mag zijn werd ik nog onrustiger van de media-trammelant eromheen. Stormen krijgen een naam, opeens - net als hun serieuze grotere broers en zussen, de orkanen. Etiketten met kleurcodes worden geplakt op het bij voorbaat ontwrichte openbare leven. Er zijn stormvlogs te volgen. Zelfs in deze tijd van klimatologisch drama wordt van extreem weer amusement gemaakt. Ik ben tegen deze prikkels net zo weerloos als tegen die van Star Wars. Ik kijk om de haverklap op mijn telefoon, nog vaker dan ik uit het raam kijk.
Afgelopen zondag, in de woeste schoot van Ciara, overwoog ik serieus om Instagram van mijn telefoon te gooien. Maar het lukte me niet.  Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen, hoe ik me ook erger aan mijn eigen verslaving aan die zinloze stroom plaatjes die ik moet bekijken, moet bijhouden. Gisteren keek ik naar Nieuwsuur. Het ging over studenten met een burn-out. De term FOMO viel: the fear of missing out.
God (of liever: Force!), geef ons een beetje saaiheid terug!


vrijdag 7 februari 2020

AFSCHEID


Boudewijn de Groot rondde gisteren in DWDD met de van hem bekende onderkoelde terloopsheid zijn imposante, ruim een halve eeuw omspannende carrière af. 'Dit is de laatste keer dat ik zingend op tv kom,' zei hij. Matthijs van Nieuwkerk, gewend aan tamtam en heisa als hij is, was verrast en ook teleurgesteld, geloof ik: hij is dol op primeurs en had er graag meer sensatie uit gepeurd. Maar dat is niks voor Boudewijn, Bo voor intimi. De reden waarom de iconische vaderlandse zanger, die ooit als Baldwin the Great vergeefs in Engeland trachtte door te breken, na al die jaren stopt, is, in één woord: faalangst. De komende tournee met Vreemde Kostgangers (zijn trio met Henny Vrienten en George Kooymans) wordt zijn laatste. Eerder stopte hij al met het rondreizen met zijn eigen hits. Het kost hem tegenwoordig slapeloze nachten, dat optreden, en hij is voor het eerst in vijftig jaar nerveus, bekende hij eerlijk. Aan de tafel, waar iedereen doorgaans ronkend en blakend van eigendunk in de Openbaarheid vertoeft, werd vreemd opgekeken. Zijn kwetsbaarheid nam me zeer voor hem in.

Nu weten we allemaal, dat zo'n aankondiging niet letterlijk genomen hoeft te worden. Het is een intentieverklaring, soms niet meer dan een momentopname. Er is geen sprake van contractbreuk als de gepensioneerde artiest na een jaartje geraniums alsnog besluit weer de boer op te gaan met zijn liedjes. Hoorden we onlangs niet Rob de Nijs binnen korte tijd twee tegengestelde aankondigingen doen? In de eerste zei hij te stoppen, wegens de Parkinson die hem helaas heeft getroffen. Vervolgens gaf hij te kennen dat het de eerste schrik was geweest die tot die aankondiging had geleid, en dat hij uiteraard zo lang mogelijk door zou gaan. Er was natuurlijk een grens, zei hij: voorbij een zeker stadium was het mensonterend en pijnlijk voor alle partijen om nog op te treden. Maar wie zal zeggen of hij die grens ook werkelijk zal respecteren? Ik zie hem ooit nog wel, als hij gewend is aan de onttakeling van zijn schijnbaar eeuwige jeugd, en als zijn stem het nog doet, Malle Babbe zingen vanuit een rolstoel. En ik zal dat droevig vinden, maar ook mooi.

In de herfst van 1992 kondigde mijn vader, toen zevenenzestig jaar oud, met grote stelligheid aan dat hij het welletjes vond. Dit ene optreden in het Duitse Großkrotzenburg zou hij nog doen, maar daarna hield hij het voor gezien. Hij had geen zin meer in de spanning vooraf, en de steeds hogere eisen die hij aan zichzelf stelde werden niet meer gehonoreerd; of liever gezegd, zijn vermeende tekortkomingen werden niet meer gecompenseerd door speelplezier. Hij was, kortom, ontevreden over zijn eigen prestaties en de lol was eraf. Hij wilde nog wel piano studeren, maar niet meer in de openbaarheid treden met de resultaten van die studie.
Die avond regende het hard, de straatjes van het oude stadje glommen in het lantaarnlicht. We speelden en zongen Schubert, Schumann en Liszt, een romantisch programma. Nadat we de nazit met de plaatselijke notabelen hadden doorstaan, wilde mijn vader naar bed. Maar ho ho, dat ging zomaar niet! Ik kende mijn vaders voorliefde voor de catalogus (hij sprak dat uit met de klemtoon op de voorlaatste lettergreep) en had een lijst gemaakt van alle liederen en aria's die we ooit samen hadden uitgevoerd, alfabetisch geordend, datum, locatie en gelegenheid erbij.
Die lijst overhandigde ik hem ceremonieel op de hotelkamer. Terwijl hij hem plichtmatig doorlas schonk ik twee waterglazen vol schnapps. Van dat vroege bed kwam niks terecht.
En hield mijn vader woord? Hij stopte met koorconcerten dirigeren, dat is waar. Maar onze recitaltjes gingen gewoon door. Het idee dat hij officieel gestopt was en dat die optredens alleen maar toegiften waren moet hem voldoende hebben opgelucht. Rond de millenniumwisseling organiseerde hij zelfs zijn eerste solorecital, in zijn toenmalige woonplaats Grave. En tot niet ver voor zijn dood bleven we fantaseren over "misschien nog één Winterreise".

Weten wanneer het genoeg is geweest - het getuigt van wijsheid; maar het impliceert ook dat je je eigen eindigheid accepteert, en dat is toch iets, die eigen eindigheid, waartegen we ons allemaal innerlijk sterk verzetten. Daarom is de aankondiging van een stop zelden definitief. Meestal is het een manier om de drukkende verantwoordelijkheid wat minder drukkend te maken. Om afstand te nemen. Om ruimte te scheppen. Of om strepen te trekken, een mooi overzichtelijk plaatje te maken van je eigen leven en werk. Is de ontspanning die dat moet opleveren eenmaal een feit, dan gaat het artiestenbloed meestal weer bruisen. Wie als kind tussen de schuifdeuren om aandacht vroeg wil ook als hoogbejaarde nog weleens in de schijnwerpers staan.


(Foto: Frank Ruiter)


woensdag 5 februari 2020

BEST

'Moet dat nou zo?' vroeg Tors klagend. 'Is dat nou leven?'
   Uit: 'Heer Bommel en het vergeetboekje'

Als mensen me vragen hoe het gaat zeg ik 'best'. Dat geloof ik ook echt. Ik heb in mijn leven een paar keer last gehad van echte depressies. Momenteel sta ik zonder veel aarzelen op en doe ik mijn werk zonder dat ik me beperkt voel door neerwaartse krachten. Maar als ik achter mijn bureau zit en iets opbeurends wil schrijven schiet me niets te binnen. Als ik geen waargebeurde, luchtige anekdote om te delen heb en de quasi-filosofische diepte in wil gaan begeeft de moed me, want wat ik daar zie is niet echt vrolijk. Misschien moet ik dat 'best' toch bijstellen. Ik ben niet ziek, ik sudder gewoon maar door, zoals mijn vriendin dat noemt, sjok van lichtpunt naar lichtpunt met zevenendertig-drie, maar verder? Er wordt veel getobd in mijn hoofd, op een zeurend laag pitje. Anders dan J. C. Bloem slaap ik overigens uitstekend. Tussen monter en depressief, tussen somber en opgewekt zijn zoveel grijstinten.

Soms denk ik, ik mediteer te veel. Ik verdraag en verduur het grauwe denken van deze wintermaanden (dat in het ouder worden helaas genoeg voedsel vindt) tamelijk probleemloos, omdat ik na veel oefening geleerd heb om gelijkmoedig te zijn. Maar zou het niet fijn zijn, en zou het niet mogelijk zijn, om het leven wat lichter op te vatten, om wat vrolijker te zijn, wat darteler en luchthartiger, om niet altijd bang te hoeven zijn voor alles wat van de veilige routine afwijkt, om niet al het potentieel bedreigende uit de weg te gaan (een open landschap, een lange boomloze straat), om niet altijd overal tegenop te zien?

De goeroes bij wie ik steun heb gezocht zeggen me dat alles goed is precies zoals het is (de asblonde yogajuf verschijnt voor mijn geestesoog terwijl ik die woorden tik, ze glimlacht er kalm bij - ik geloofde haar zolang als het duurde). Jarenlang heeft die mantra me troost gegeven. Niet altijd verlangen naar iets anders, content zijn met wat je hebt. Niet streven, aanvaarden. Maar vandaag treft me de opstandige gedachte, dat deze aanvaarding ook een belemmering kan zijn. Dat het soms beter is om ambitieus te zijn en te vechten, als de buit die je daarmee kunt behalen tenminste de moeite waard is, en de kans op overwinning reëel.

Hier treedt het gevaar van zelfhulpmotto's aan het daglicht. Een maxime kan, uit zijn context gelicht, je het zicht benemen op andere kanten van de zaak, en ook op noodzakelijke nuances. Want wat is de ware betekenis van de boeddhistische aansporing om niet te streven en alles maar op zijn beloop te laten? Niet dat je je dagen in grauwheid slijt. Dat kan toch niet waar zijn? Waarom lachen al die Boeddha'tjes dan zo? Het niet-streven en laten gaan, waarvan iedereen zijn mond zo vol heeft tegenwoordig, is geen doel op zich. Dan zou het niets anders dan doffe berusting, dan defaitisme zijn. Het is de eerste stap tot iets anders. Door ballast los te laten zou je lichter moeten worden. Een ballon die zijn zandzakken overboord zet stijgt op. Zo kan het aanvaarden van de omstandigheden paradoxaal genoeg een opstapje zijn naar betere omstandigheden.

Ik heb het al eerder geschreven: ik ben een mislukte Boeddhist. Het aanvaarden heb ik wel geleerd maar de luciditeit laat zich nog niet zien - ik ben in een soort lauwe dadeloosheid blijven steken.
Het is een verlaat nieuwjaarsvoornemen: er gaat hier meer gelachen worden voortaan.