vrijdag 17 februari 2017

Zen met zes mollen

Het was een dag tussen de seizoenen in, een nietszeggende dag. Het sprankje voorjaar van eerder in de week was vroegtijdig gedoofd. De hemel verveelde zich stierlijk, weigerde wrokkig kleur te bekennen en kon niet besluiten welk weer het moest worden. Dus werd het van alles wat: een beetje wind (niet te fel), een scheutje zon (niet te veel), een drupje regen, net genoeg om de stoep een vochtige aanblik te geven. Zo'n dag, kortom, waarvan niets te verwachten valt, en slechts valt te hopen dat hij snel en zonder noemenswaardige incidenten plaats zal maken voor een betere.
Mij deerde het niet. Ik had op Zen-les een fijne meditatie gehad en was kalm. Ik had daarna mijn werk gedaan en de rest van de middag uitgezeten. Ik begon me voorzichtig te verheugen op de avond. We hadden een solistenrepetitie voor The Sorcerer van Gilbert en Sullivan, en pianospelen en muziekmaken met al die enthousiaste, aardige zangers, dat zou mijn lauwe hart wel weer nieuw leven inblazen. Ik reed door het drukke koopavondverkeer naar West, parkeerde de auto en opende het buurthuis, dat 's avonds verlaten is en met een hek wordt afgeschermd van de boze buitenwereld van Bos en Lommer. In het lokaal knipte ik het licht aan, draaide de verwarming hoger, haalde het foedraal van de piano en arrangeerde mijn spullen er netjes bovenop. Daar ging de bel en de eerste zangers verschenen. 'Edwin komt niet,' hoorde ik. Edwin is de regisseur. De groeps-App waarvan ik buiten ben gesloten omdat ik halsstarrig weiger een smartphone te kopen, stond vol met 'beterschap' en 'tot volgende week'.
Nu was het aan mij om te zorgen dat de avond toch een goed verloop zou hebben. Van bescheiden begeleider was ik naar hoofdsinterklaas gepromoveerd. Het zorgvuldige schema, waarop ik voorbereid was, kon de prullenbak in. We besloten aan ensembles te werken die eigenlijk nog niet op het programma stonden.
Tot mijn onaangename verrassing zat ik al gauw te stuntelen. Ik kon de zes mollen niet zo snel lezen, en moest ik dat stuk nu in vieren of in tweeën slaan? Vroeger zou ik over zoiets niet hebben nagedacht, maar sinds ik me serieus met dirigeren bezighoud worden simpele dingen plotseling moeilijk. De zangers zongen vrolijk, maar ik zwaaide ongelukkig met mijn hand. Aarzelend, verlegen. Leidinggeven kan ik heel goed, maar ik moet erop voorbereid zijn. Er moet een knop om. Naarmate ik ouder word, draait die knop steeds stroever. Ik moet er flink aan wrikken. Vanavond bleef hij ergens hangen tussen de stand waarin mijn doortastende persona aan het werk gaat en de nulstand, waarin ik een introverte man ben, die niet gauw het voortouw zal nemen in een sociale situatie.
Thuisgekomen boog ik me met gespannen schouders en een opkomende hoofdpijn over de partituur, probeerde handgebaren uit, dacht na over mijn vergissingen en herstelde ze, voor mijn eigen gemoedsrust. Een lichte paniek had zich van me meester gemaakt.
Bitter dacht ik terug aan mijn gelijkmoedige stemming van die morgen. Men moet waakzaam zijn, en op alles voorbereid. Pas dan kun je veilig op de stroom van gebeurtenissen meedrijven.


(Illustratie: Gerard Hoffnung)

dinsdag 14 februari 2017

BUIENRADAR


Dierbare volgers van dit blog, lieve vrienden, beste mensen, ik leer het nooit.
- Wat leer je nooit, Rookzanger?
Dat je geluk niet moet najagen. Dat men zich niet zo moet verheugen. Dat het geluk niet in andere omstandigheden ligt. 'Nun fängt auch mein Glück wohl an' zingt de held van Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen. Terecht corrigeert hij zichzelf onmiddellijk: 'Nein, nein!'

Ik had de weersvoorspellingen op de voet gevolgd. Was het maar op de voet! Fanatiek gebogen over het scherm tikte ik keer op keer 'Buienradar' en 'Temperatuur Amsterdam' in, Google wist al wat ik wilde en had aan een enkele letter genoeg. Zouden we nu toch echt weer eens zo'n ouderwetse sneeuw krijgen? Het was te lang geleden, de kans op echte sneeuw had in mijn hoofd sprookjesachtige dimensies aangenomen. 'Nun fängt auch...'
Toen de wolk op Buienradar boven de stad zweefde keek ik gespannen uit het raam. En ja, daar begon waarachtig een fijn sneeuwtje neer te dalen. Motsneeuw, noemen de weermannen dat tegenwoordig. Poedersneeuw zeiden we vroeger als ik me goed herinner. Omdat het vroor werd de straat al gauw wit. Ik kleedde me warm aan, zocht een mooie pijp uit en ging naar buiten. Rondom de gele lantaarns dansten de vlokjes. Ik liep een paar straten om. Het was stil, een enkele eenzame gestalte liep gehaast voor me uit. Toen ik terug in huis was en ging slapen liet ik de gordijnen een beetje open.
De volgende morgen zette het door. Ik liep opgewekt naar Wildschut, waar ik minder oog had voor de krant dan voor wat er buiten gebeurde. De eerste sneeuwpoppen werd geboetseerd. Over dertig jaar zullen de kinderen van nu het over de legendarische winters van hun jeugd hebben. Thuisgekomen wekte ik mijn dochter, die al net zo dwaas is als ik, en ze haastte zich op pantoffels naar buiten. Ze vroeg of ik mee ging, maar mijn enthousiasme was al iets geluwd, ik bleef in de deuropening staan. Daar was hij dan, de sneeuw. En nu? Het begon alweer te wennen, het wonder was er al vanaf. Ik begon stiekem naar dat 'vleugje lente' te verlangen waarover de weerman had gesproken.
Zondagmiddag liep ik met mijn vriendin over de dijk. We kwamen van een concert. Acht saxofoons in een klein kerkje. Een ijskoude wind vond kieren in mijn dikke jas en spotte met mijn Noorse trui. Ik had mijn kraag hoog opgezet. Mijn hoed moest ik met beide handen vasthouden. Mijn vriendin wees me op iets moois in de velden, ik ben vergeten wat. Maar ik kon niet antwoorden, ik was te veel bezig met de kou te bevechten.
De volgende dag wilde mijn vriendin het VW-busje verplaatsen. Er moest ruimte worden gemaakt voor een andere auto. De wielen verloren hun grip op de bevroren grond en het busje gleed terug, de helling af, en drukte een forse deuk in haar Peugeot Partner. We keken naar de sneeuw die fonkelde in de zon.
'Nu mag het weer weg,' zei mijn vriendin.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Te koop:
Bestel HIER.

vrijdag 10 februari 2017

Zendtijd voor politieke partijen

Ik vulde de stemwijzer in en de uitkomst was dat mijn bevindingen voor tachtig procent overeenstemden met het gedachtegoed van de Partij voor de Dieren.
Het verbaasde me niets. Ik had die partij nooit serieus genomen (ondanks prominente lijstduwers en -trekkers als Harry Mulisch) tot ik een keer een speech van Marianne Thieme hoorde. Wat zij zei, over de catastrofe die onze planeet bedreigt en de noodzaak om tot een nieuwe omgang met onze leefomgeving te komen, was helemaal, pijnlijk, waar, en bovendien uitstekend verwoord. Toch zaten de vertegenwoordigers van de reguliere politieke partijen een beetje verveeld te kijken, of zelfs te gniffelen. 'Daar heb je die idealiste weer; mens, word wakker, dit is Nederland, anno nu, we hebben wel andere zaken aan onze kop.' Zoiets moeten ze hebben gedacht.
Wat me tegenstaat aan politiek is die per definitie kortzichtige attitude. Want wat is dat eigenlijk, politiek? 'De wijze waarop in een samenleving de belangentegenstellingen van groepen en individuen tot hun recht komen - meestal op basis van onderhandelingen - op de verschillende bestuurlijke en maatschappelijke niveaus', zegt Wikipedia. Met andere woorden: sjoemelen en sjacheren, standpunten bijkleuren en inruilen, alles om er iets gunstiger voorwaarden uit te slepen voor jezelf of de eigen achterban. Een beetje meer belastingen voor de ander, een beetje minder voor onszelf. Hebben we een oude moeder? Dan betere zorg. Hebben we een huis? Dan meer hypotheekaftrek. Klein, pragmatisch denken, en visie, ho maar. Een aardig spelletje zolang er ruimte en gelegenheid is om te spelen.
Zonder gevaar is dat spel niet. In een politiek bedrijf dat draait om wederzijdse belangen heeft in tijden van crisis het populisme vrij spel. We kampen met reusachtige mondiale problemen. Lost de leiding die niet op, dan zal het Volk het wel even doen. Met de botte bijl.
In informatieve programma's als Tegenlicht horen we regelmatig knappe koppen, professoren, economen, zeggen dat we verder moeten denken dan ons krampachtige pragmatisme, dat de wereld zoals we die kennen tegen beter weten in behouden wil. Een nieuwe economie, moet er komen, bij voorbeeld. We horen het instemmend aan. Natuurlijk hebben ze gelijk. Maar dat is iets voor morgen. Vandaag denken we aan ons comfort en onze centen.
Partij voor de Dieren is een geuzennaam, het gaat bij hen over zoveel meer dan zielige dieren. Over het dier dat mens heet en over de wereld waarin hij leeft, bijvoorbeeld. Thieme en consorten hebben dat visionaire standpunt, die bezorgde blik over onszelf heen, gericht op de ernstig vervuilde horizon, in de Tweede Kamer en in het politieke bedrijf geïntroduceerd. Dapper weerstand biedend aan gegniffel en gegeeuw. Dat lijkt idealisme, maar in feite is het zo praktisch als wat. Vraag het uw nageslacht maar, over dertig jaar.

dinsdag 7 februari 2017

HANDEN


We wilden eruit, een eind wandelen, en kozen voor de Wimmenummer Duinen. Dat moet je in de mond nemen en hardop lezen, het is verslavend.
We stapten flink door over een lange zandweg. Geen mens te zien. Als we even bleven staan was de stilte overweldigend, het suizen in mijn oren werd door geen geluid afgedekt. Eikenbomen klauwden met magere vingers naar de grijze lucht. Heksenhanden.
De dag ervoor had ik door het Vondelpark gelopen, waar de vogels zich massaal vrolijk maakten over de komende lente. De ooievaars klepperden preluderend, probeerden uit hoe het nest ook weer zat. De ijsvogel - het schijnt er maar één te zijn - toonde zich genadig lang, oranje borstrok en staalblauwe jas, alvorens als een vuurwerkflits weg te schieten. Hier was er hoogstens een heel klein zangvogeltje te horen, dat een schril piepje gaf.
Ik dirigeerde het afwezige vogelkoor. Ik heb altijd op intuïtie gedirigeerd maar onlangs besloten dat ik het maar eens écht moet leren. Binnenkort moet ik operettevoorstellingen leiden, en dan moet de dirigent een rots in de branding zijn. Ik heb zelfs een stokje aangeschaft, wat ik altijd onzin vond. Techniek is dat waarop je kunt terugvallen als je intuïtie het af laat weten. Ik wilde ook als ik niet in vorm was de juiste vloeiende en eenduidige bewegingen kunnen maken, geen recalcitrant orkestlid mocht me van de wijs kunnen brengen. Maar hoe meer je van iets weet hoe onoverzichtelijker de materie wordt. Ik had antwoorden gezocht in lesboeken en instructievideo's, met collega's gesproken, maar kreeg er steeds meer vragen bij, nu ik het allemaal volgens de regels wilde doen: vragen die vandaag obsessief aanwezig waren in mijn hoofd, dat een beetje koortsig was. Dus daar ging die hand weer, twee, drie, - de vogels zwegen. 'Niet doen,' zei mijn vriendin, die de beweging zag. Beschaamd liet ik mijn arm weer zakken.
's Avonds zagen we Via Genua op tv. Erg mooie en sympathieke serie, hoewel ik het literaire glazuur dat er met die voice-over op aangebracht is, dit keer iets te dik uitgesmeerd vond. In de vorige aflevering had Ilja Leonard Pfeijffer een Afrikaanse jongen een smartphone gegeven. Dat kon helemaal niet volgens de ethica van de objectieve journalistiek, maar 'fuck... ik doe het toch' had hij gedacht. Hij mocht die jongen en wilde hem helpen. Nu zag hij hem terug. Ze moesten ergens afspreken uit het zicht van zijn vrienden, want die wantrouwden de dichter. Die verdiende immers dik geld met het zielige verhaal van hun vriend. De jongen was zijn vrolijke onbevangenheid helemaal kwijt. Het was ontluisterend om te zien. Schichtig keek hij weg van zijn langharige witte weldoener, geen lachje kon er nog af. Wat was er gebeurd? Het werd niet duidelijk. 'Ik wil met je praten over wat je op Facebook zet,' bood Ilja aan. Maar het antwoord was ontwijkend. Had de journalistieke ethiek toch gelijk? Had Ilja zijn helpende hand moeten terugtrekken?
'Maar je vergist je, goede vriend,' baste de voice-over, 'dit is Afrika.'
Ontwikkelingshulp blijft ook in het klein een gevoelige zaak.


(Illustratie: 'Der Baum der Krähen', Caspar David Friedrich)



vrijdag 3 februari 2017

Skrjabin en Sullivan: een onverwachte ontmoeting


De pianist groette, deed zijn jas uit, ging achter de vleugel zitten en speelde een paar maten. Ik herkende ze meteen.
'Ach, Skrjabin!', riep ik verwonderd uit.
Hij glunderde. We raakten in gesprek. Kees bleek ooit in zijn studietijd een enorme liefde voor de muziek van de raadselachtige Russische componist te hebben opgevat. Hij was ongeveer van mijn leeftijd, dus dat moest in dezelfde periode zijn geweest waarin vriend Karl en ik ons hadden verdiept in het even rijke als mysterieuze oeuvre van Aleksandr Nikolajevitsj Skrjabin. Wij hadden toen gedacht dat wij uniek waren in onze waardering. Bijzondere mensen, met een bijzondere smaak. Maar op datzelfde moment, honderd kilometer verder, op het Brabants Conservatorium...
De Vijfde Sonate had op zijn eindexamenprogramma geprijkt. Hij speelde een stuk van die nerveuze, vreemd hortende, jazzy muziek. Ik heb wel vaker met mensen over mijn eertijdse held gesproken, maar nog nooit met een levende Skrjabin-jukebox. Van ieder favoriet stuk dat ik noemde speelde hij de openingsmaten, feilloos. Kijk, daar was Vers la flamme.... ja, de uitvoering van Vladimir Horovitz was zonder twijfel de beste... Na al die jaren kende hij het meeste nog uit zijn hoofd. Dat het ook nog in zijn vingers zat mag wel een wonder heten, gezien de extreme moeilijkheidsgraad van deze muziek. Hij moest onnoemelijk veel uren studie gestoken hebben in wat voor mij niet veel meer dan de soundtrack van een Romantisch-Decadente periode was geweest. Alleen op de zevende sonate had hij zich jarenlang stukgebeten, hij was hem nooit helemaal de baas kunnen worden: te weerbarstig. En dan Prometheus, het Poème du feu, met dat megalomane, extatische slotkoor! We gingen verder met de verkenning van onze gemeenschappelijke wereld. Ja, Nikolaj Medtner, daar had hij zich ook nog in verdiept. Net als Karl en ik, vanuit het verlangen om méér Skrjabins te ontdekken. Maar uiteindelijk had hij die toch van het tweede garnituur bevonden. Rommelig. Aantrekkelijk grillig, zwart-romantisch en vreemd, maar zonder de dwingende visie van Skrjabin, in wiens waanzin systeem school: het door antroposofie bijeengehouden wereldbeeld van een mysticus die zich in klank uitdrukte. Ondertussen speelde de jukebox verder. Duistere flarden trokken door de repetitieruimte, als vurige en tegelijk ijzige rukwinden van een andere planeet. De koorleden die zich aan het omkleden waren voor de voorstelling die we straks zouden geven keken bevreemd op. Waar hadden die twee, hun dirigent en hun pianist, het in godsnaam over?
Kees speelde een dromerige prelude om de gemoederen te sussen. Ik vertelde over Julian Skrjabin, het jonggestorven zoontje van Aleksandr, die de belofte in zich had gehad om nóg vreemder en genialer dan zijn vader te worden. Als die niet op zijn elfde in de Dnjepr verdronken was... Kees moest lachen, dat verhaal kende hij nog niet. Toen sloegen we de partituur van The Sorcerer open. Gilbert and Sullivan, gezonde, sterke, vrolijke muziek.
Kees had net als ik al lang geleden geleerd, dat je van Skrjabin de huur niet kan betalen, tenzij je Vladimir Horovitz of Severin von Eckardstein heet. En hij had ongetwijfeld ook ontdekt (al heb ik het hem niet gevraagd) dat er in geestelijke gezondheid op den duur meer bevrediging schuilt dan in excentriciteit. Zo gaat het: je zoekt als adolescent het buitenissige, zwemt met verwoede slagen weg van de grote stroom, maar naarmate je ouder wordt merk je dat die brede rivier ook veiligheid biedt. En gezelschap. En warmte. Skrjabin was geniaal, maar ook eenzaam en gek. Niet iets om te benijden, hoe mooi de muziek ook is die aan zijn wereldvreemdheid is ontsproten. Kees had eieren voor zijn geld gekozen en was een muzikale alleskunner geworden. Ik had nooit gedacht dat de pianist die ik als begeleider van het Ouderen Songfestival had meegemaakt Vers la flamme uit zijn mouw zou schudden. Deze ontdekking gaf me een gevoel van verbondenheid en troost: Aan de Amsterdamse Grachten en het Poème du feu... er is uiteindelijk geen verschil. We wandelen door de muzikale genres als door wisselende landschappen. De Dolomieten zijn prachtig, maar de Hollandse polders hebben hun eigen charme. Alles op zijn tijd. Er is een muziek voor elk moment. En er zit muziek in elk moment.

dinsdag 31 januari 2017

SCROOGE

Er zat een eenzelvige man in het café, aan een hoektafeltje. Tamelijk hoogbejaard, broodmager en vaal van kleur. Naast hem stond een rollator. Hij zat vermoeid voorovergebogen, leunend op een stok. Aan zijn benige neus hing geen druppel, maar zo'n soort neus was het wel. Hij staarde somber naar de tafel voor hem, waarop een glas wijn stond met nog een bodempje erin, de resten van een maaltijd, en een glas whisky, onaangeroerd. Nu en dan mompelde hij iets in zichzelf. Ik had met hem te doen. Mijn gedachten waren niet erg vrolijk, op deze grauwe dag, en ik zag in deze eenzame mompelaar bevestigd wat ik vreesde: dat het laatste stukje van ons leven weleens erg treurig kon zijn.
Twee vrouwen verschenen en gingen aan het tafeltje naast hem zitten. De oudste was klein en mollig, had een goed doorbloed gezicht en kortgeknipt, geblondeerd haar. Ze was doortastend en optimistisch, dat zag je aan haar motoriek en aan haar glinsterende ogen, en ook aan de enigszins onderdanige houding van haar jongere metgezellin: die zweeg en liet alles aan haar over, uit gewoonte.
Ze bestelden koffie. Het gesprek dat ze voerden ging bepaald niet fluisterend en was goed te volgen van waar ik zat. Opeens veranderde de toon ervan, en ik keek op. 'U zit daar lekker in uw hoekje?' Dat was tegen Ebenezer Scrooge gericht.
De oude man antwoordde prompt, en zijn stem klonk heel anders dan ik me had voorgesteld. 'Ja, dit is mijn vaste hoekje.' Verend van toon. Jongensachtig bijna. Zijn misantropische mimiek verdween op slag en maakte plaats voor een clowneske grijns. 'Van hieruit kan ik mijn huis goed in de gaten houden. Ik woon daar...' Hij wees naar de overkant van de Van Baerlestraat... 'Als er boeven komen, dan kan ik er meteen achteraan.'
'Dat is niet zo verstandig,' zei de kordate. 'Gevaarlijk. Dat kun je beter aan de politie overlaten.'
Scrooge tilde zijn stok op en hield hem als een wapen voor zich uit. 'Voor die komt heb ik hem allang uitgeschakeld. Pats!' Hij lachte. Hij pakte zijn glaasje whisky en dronk.
Tien minuten later wist ik alles over zijn leven. Wat zijn huis gekost had in de jaren zeventig, hoeveel het nu waard was, en dat hij soms wakker lag van de belasting die hij erover moest betalen. En dat het na zijn dood aan een stichting vermaakt zou worden, die jonge kunstenaars steunde.
Ik stond op, rekende af, en ging boodschappen doen. Toen ik op de terugweg langs het café kwam zat hij er nog. De vrouwen waren verdwenen. Hij zat weer over zijn stok gebogen en zijn ogen stonden weer zwart. Maar mij beduvelde hij niet meer.

vrijdag 27 januari 2017

Levensgevaarlijke dagboeken


Gewetensvraag: zou u de dagboeken van uw gestorven vader lezen, als die duidelijk niet voor andermans ogen bedoeld waren?
Nee? En wat dan, als u bij het doorbladeren uw eigen naam zou tegenkomen?
Mij overkwam het vorige week, toen we zijn studeerkamer aan het opruimen waren. Ik had maar een minuutje nodig om te lezen wat ik eigenlijk niet wilde lezen. Het dagboekje dateerde uit de late jaren tachtig. Ik had het conservatorium doorlopen en wilde, zo las ik, in Duitsland gaan voorzingen, als 'karakterbariton'. Ikzelf dacht dat ik dat wel kon, maar mijn vader meende van niet. Muzikaliteit was het probleem niet, maar aan de techniek ontbrak het nog. 'Hij wil maar niet inzien dat het lichamelijke aspect zo belangrijk is. Op dat gebied moet nog veel werk worden verzet. Van zijn vader neemt hij dat natuurlijk niet aan.'
Het was oud zeer dat hier even fel opleefde. Mijn vader vond dat ik te veel met intellectuele interpretatie bezig was, en niet fysiek genoeg zong. Lees: niet hard genoeg zong. Hij was tenslotte van de opera, ik was meer van het lied. We kibbelden eindeloos over deze materie. Naarmate er meer drank vloeide op steeds hoger toon. Mijn held Fischer-Dieskau vond hij maar een gemankeerde tenor. Ik vond zijn held, Del Monaco, een ongenuanceerde brulaap. Dat hij bij mijn zingen altijd kritische kanttekeningen heeft geplaatst bleef een gevoelig punt. 'Moet je niet weer eens les nemen?' was een regelmatig opduikend vraagje dat me razend kon maken.
Maar dit alles was van vroeger. De laatste jaren prees hij mijn stem warm, terwijl ik juist twijfelde of die het nog wel naar behoren deed. En had hij niet een beetje gelijk gehad? Ik was wel degelijk een verwaand baasje in die tijd.
Ik kwam dan ook gauw bij van mijn aanvankelijke schrik. Al was het niet leuk om het zwart op wit bevestigd te zien, er stond niets op die bladzijde wat ik niet al wist. Maar thuis heb ik het dagboekje verder toch maar ongelezen gelaten en het weggeborgen in een doos. Gewoon, voor de zekerheid.

Er is een anekdote die ik graag vertel. Klaus Mann had de dagboeken van zijn vader Thomas geredigeerd en daarin een passage aangetroffen over zichzelf. 'Ik kan van dit kind niet houden.' Kort daarop pleegde hij zelfmoord. Ik begon een speurtocht op internet om het verhaal te verifiëren, voor ik het hier zou vereeuwigen. Er bleek niets van te kloppen. Golo Mann was degene die als editor van zijn vaders dagboeken optrad, maar ofschoon hij een tobberig leefde leidde (alle mannelijke Manns, de vader incluis, worstelden met hun homoseksualiteit) stierf hij, vijfentachtig jaar oud, een natuurlijke dood. De zelfmoordenaar was inderdaad Klaus Mann, auteur van Mephisto, en de enige die wél openlijk voor zijn seksuele geaardheid durfde uitkomen. Maar zijn dood had meer met zijn heroïneverslaving te maken dan met zijn vader en diens dagboeken. In de schaduw van de tovenaar, luidt de Nederlandse vertaling van Golo Mann's autobiografie Erinnerungen und Gedanken. Die titel zegt alles. Ook al leidt het niet tot suïcide: wat moet het erg zijn als je je aan die monumentale slagschaduw probeert te ontworstelen, en dan bevestigd ziet, in je vaders dagboeken, wat je altijd al vreesde: dat je onbemind was!

Er kwam nog een ander dagboekje tevoorschijn uit mijn vaders spullen, gedateerd 1970. Dat had mijn vader me al eens laten zien, toen hij het teruggevonden had. Hierin kon ik dus bladeren zonder me een voyeur te voelen. Daar las ik tot mijn verrassing en vertedering hoe betrokken hij was bij mijn wazige puberbestaan. In mijn herinnering aan dat woelige jaar vind ik weinig van hem terug. Ik was te zeer met mezelf en mijn persoonlijke wereld bezig om me veel van de familie aan te trekken. Maar dat bleek niet wederzijds te zijn: hij bracht me weg en haalde me op, overhoorde me mijn Latijn en voerde gesprekken met me over sprookjes en mythen, zelfs een jas was hij wezen kopen met me. Dat moet mijn quasi Afghaanse, camelkleurige jack met de bonten kraag geweest zijn.
Misschien ben ik niet altijd zo op waarde geschat als ik wel had gewild, maar ik heb me altijd bemind geweten. Door mijn lieve moeder, maar ook door mijn lastige vader. Ik denk aan Golo Mann en prijs me gelukkig.