vrijdag 29 mei 2020

HIEPERDEPIEP!


Het is feest! Een Beroemd Blog verjaart! Laat kurken knallen, snijd de taart aan, hang slingers en ballonnen op! Omdat niemand anders het doet, zing ik mezelf maar hulde toe, net als de hoofdpersoon van het verhaal De zilveren tenor, u allen welbekend. 
Vandaag precies tien jaar geleden plaatste ik mijn eerste blogje onder de naam Rookzanger. Roken en zingen? heette het. Mijn vriend Robert Eksteen alias De dwarse man was me kortelings voorgegaan in het medium en vond dat bloggen 'net iets voor mij' was. Hij kreeg gelijk. Tien jaar later telt dit blog 976 bijdragen. Sommige bestaan uit een enkel gedichtje of een losse notitie, maar verreweg de meeste zijn column-achtige stukjes proza van minstens 500 en maximaal 1000 woorden. De teller van het voor u onzichtbare dashboard staat op moment van schrijven op 332.059 hits.

Ooit waren die 'kijkcijfers' belangrijk, en ik plaatste die teller prominent in het zicht. Ik was trots op de eerste 100.000. Tot er een robotaanval kwam. Ik had een stukje genoemd naar een Algerijnse drinkebroer met wie ik in de Jellinek had gezeten. Waarschijnlijk was het de islamitisch klinkende naam die zorgde voor een felle regen van Amerikaanse hits, honderden per dag. Daarna werd ik een tijdje in de gaten gehouden, als je het zo wilt noemen: regelmatig kwam de meteorietenzwerm geselend mijn kant op. Dat waren loze cijfers, oneerlijk verworven. En daarmee was de lol eraf, de trots op de teller verleden tijd; ik verwijderde het klokje van de startpagina. Tegenwoordig kijk ik er wel weer eens op. Het aantal hits schommelt rond de 2000 per maand. Hoeveel daarvan staan voor echte leesbeurten weet ik natuurlijk niet.

Rookzanger was belangrijk voor me, en is dat nog steeds. Het was een uitlaatklep voor alles wat me bezighield en het gaf structuur aan mijn dagen in die eerste stille jaren nadat ik in een kliniek in het Zuiden des lands 'in retraite' was geweest: dinsdag en vrijdag had ik een taak in de wereld te volbrengen. Nog in pyjama, onderbroek of kamerjas en gewapend met morgenpijp en espresso begon ik te tikken, om een paar uur, drie koppen koffie en evenveel pijpen later uit een schrijfroesje te ontwaken. Ik zocht een bijpassende illustratie, zond het blogje met kloppend hart de ether in, kopieerde alles naar een Word-bestand, plaatste een link op Facebook. Dan pas ging ik douchen en ontbijten. De rest van de dag was ik in blijde verwachting van reacties. Dat werd algauw net zo verslavend als de wijn die ik had afgezworen.

Het was die verslaving aan aandacht, aan likejes en commentaar, die me regelmatig opbrak. Al die eerzuchtige moeite voor die rottige paar opgestoken duimpjes, en altijd dezelfde vrienden die reageerden - nooit eens kreeg ik een telefoontje van Trouw of Parool, of van een grote uitgever. En wat had het eigenlijk voor zin om over mijn persoonlijke stemmingen en sentimenten te bloggen, wie zat daarop te wachten? Ik piekerde daarover en luchtte mijn hart dan door te bloggen óver het teleurstellende bloggen. Van die 'metablogs' had ik vaak meteen spijt, en de meeste ervan haalden de openbaarheid niet.

De tijd ging voorbij. Katten stierven, er kwamen nieuwe katten. Mijn vader ging dood. Ik werd opa. Ik stopte met roken of begon weer. Drank was niet langer taboe. Ik componeerde muziek, schreef boeken. Ik werd operettedirigent. Mijn jongste dochter was dierenverzorger en werd boekverkoper, mijn oudste dochter verhuisde naar Engeland, kwam weer terug, emigreerde opnieuw. Er gebeurde zoveel, maar toch altijd te weinig. Het is in die jaren wel degelijk een aantal keer gebeurd dat mijn column werd opgepikt en elders werd verspreid. Ik heb weleens voor de radio of in de bieb voorgelezen. Ik heb fijne reacties gehad op sommige stukken. En ook een paar nare en agressieve. Maar aandacht is nooit genoeg voor wie ernaar haakt en taalt, dus soms kondigde ik vertwijfeld aan dat ik overwoog om ermee te stoppen. Het uitblijven van schrik ('Nee, Rookzanger, niet doen! Toe, alsjeblieft, blijf schrijven!') staalde me in dat voornemen -  tot de volgende dinsdag of vrijdag aanbrak. Alleen in de eerste maanden van 2018 heb ik een tijd lang alleen sporadisch geblogd omdat mijn echte werk al mijn aandacht opeiste. Ik vind de regelmaat fijn, heb baat bij de discipline en heb me inmiddels met het feit verzoend dat ik toch vooral voor mezelf schrijf. Over mezelf, vaak (té vaak, zeggen critici), en voor mezelf. Dat is niet erg. 'Iedere zanger moet een spiegel hebben,' zei operazanger John Bröcheler ooit, met vette bariton. Ik ben blij met wat die tien jaar hebben opgeleverd, en ik ben blij met het bescheiden succes dat ik hier en daar heb behaald. Ik blader soms met plezier in mijn stukjes en raadpleeg ze vaak als dagboek. Trots ben ik op de bundeling van de eerste jaargangen in twee boeken, al was dat dan bij een kleine uitgever.

Tegenwoordig kleed ik me netjes aan en douche eerst, voor ik begin te schrijven. Soms poets ik zelfs mijn tanden. Ik heb voor dat schrijven doorgaans minder tijd nodig dan vroeger. Ik draai nogal eens op routine, maar ook dat vind ik niet erg - wat wil je, na tien jaar? Wie mij heeft gevolgd zal op zeker moment, bij de zoveelste variatie op een van mijn geliefde thema's, wel afhaken. Om misschien nog eens af en toe naar mijn pagina terug te keren. Als naar een vertrouwd baken. En zo is het goed. Lezers, dank voor al jullie aandacht en blijken van waardering - ik ben er voor u, en blijf, al dan niet voorheen:

Uw Rookzanger


dinsdag 26 mei 2020

INDUCTIEKOKEN

De middag kon niet stralender. We hadden besloten deze eerste dag van ons Veluwse uitje nog helemaal niks te ondernemen. Boodschappen hadden we meegenomen. Voor het eerst van het jaar ging mijn T-shirt uit. Ik installeerde me onder een witte regen die heerlijk geurde - alsof je in een parfumerie zat, maar dan een die zo goed geventileerd was dat je niet dreigde te stikken in de rijke aroma's. De witte regen parfumeerde de zoele wind, en zo was het precies goed.
Ik wilde deze dagen niet aan de Toestand denken en het gespreksonderwerp zoveel mogelijk mijden, we hadden vakantie! - maar dat bleek een hopeloze illusie. Wat je zo lang en zo intens heeft beziggehouden, dat moet eruit. Algauw waren we in verhit gesprek. Alle botsende informatie werd tegenover elkaar gesteld, voors en tegens werden gewogen, en na een paar glazen koude witte wijn in de zon kwam daar een hoogst bevredigende synthese uit voort. We wijdden ons aan het bereiden van een goede ragout en voor zo lang als het duurde was de wereld in de veilige harmonie die bij vakantiehuisjes hoort.
De volgende dag gingen we wandelen met mijn beide broers en familie. Een langeafstandswandeling in twee betekenissen. Middelste broer had behoedzaam op ganzenpas aangedrongen, maar de ganzen liepen algauw in wisselende formaties paarsgewijs naast elkaar, want er was veel om over te snateren. Het weer was drukkend maar in de loop van de wandeling stak er een wind op die de bomen van het landgoed kamde en een einde maakte aan de zomerse zoelte.
In de tuin van mijn jongste broer zaten we aan een lange tafel, helemaal ingericht op de anderhalvemetersamenleving. Ik had uit de auto een fleecetrui gehaald. Grote parasols beschermden ons tegen de buien. Toen we afscheid namen stelde mijn jongste broer verbaasd vast dat we alleen maar over corona hadden gesproken. Nietes, zei ik, we hebben het ook over inductiekoken gehad. Dat was waar, ik had verteld over mijn worstelingen met de kookplaat in ons huisje. Mijn broer en schoonzus hadden de zegeningen van de methode geprezen, maar ik had gepleit voor ouderwetse vlammetjes, romanticus die ik ben.
'Zeker,' grinnikte mijn broer, 'inductiekoken. Maar verder?'
Hij had natuurlijk gelijk. Maar waar moet je in deze tijden anders over praten, als je elkaar een tijd niet gezien hebt? De pandemie houdt ons allemaal dag in dag uit bezig, ieder maakt zijn eigen afwegingen en je wisselt ervaringen uit. Reiservaringen, opgedaan in deze gedwongen excursie door ongewone en moeilijke maanden. Gelukkig hadden we er ook om gelachen, zei ik. Mijn nichtje had met haar nieuwe naaimachine kleurige mondkapjes gemaakt. Daarmee uitgedost hadden we een toast uitgebracht - een fotomoment. Niet roekeloos, niet baldadig, maar toch met de nodige komieke opluchting.
Ik stuurde de foto door aan een goede vriend. 'Zo wordt drinken eindelijk veilig,' appte hij terug.


dinsdag 19 mei 2020

DOURO


Zondag verloor ik even de moed. Ik had de tekst waaraan ik hard had gewerkt ingeleverd en in de leegte die zoiets altijd achterlaat, keek ik naar de toekomst. Ik zag het gehavende maatschappelijke landschap voor me, dat zich snel aan het aftekenen is: de culturele en economische malaise, de verlaten concertzalen en kerken, de zieltogende theaters, de angstig afgevinkte feesten en festivals, de ingeperkte vrijheid om je te verplaatsen, om te reizen. De ruïnes en de kaalslag van wat ons lief en vertrouwd was vormden een deprimerend uitzicht. Waar stevenden we op af, en hoe was deze negatieve tendens nog terug te draaien? Want een vaccin tegen massale angst, gebrek aan maatschappelijk zelfvertrouwen en mondiale moedeloosheid is nog niet gevonden, wat je verder ook allemaal weet te vaccineren.
Ik keek naar Maurice de Hond, die de moed erin probeert te houden met koele cijfers en data, en strijdvaardig zijn missie tegen de angstcultuur van de anderhalvemetersamenleving doorzet, nauwelijks gehoord door virologen en beleidsmakers. Maar hij kon me bepaald niet geruststellen op het punt waar mijn zorgen zich deze mooie lentemiddag vooral op richtten: want het werkelijke gevaar schuilt volgens de statisticus in grote groepen mensen die gedurende langere tijd dicht bij elkaar verblijven in slecht geventileerde ruimtes. En dat betekent dat ik en al mijn dierbare collega's ons werk voorlopig niet zullen kunnen uitoefenen op de manier waarop we dat gewend waren. En dat betekent dat ruim de helft van mijn inkomen wegvalt. 
'En niet alleen dat,' zei ik tegen mijn vriendin, 'ik voel me ook knap nutteloos worden. Ik had natuurlijk lang niet altijd zin om avond aan avond het huis uit te gaan om groepen mensen in hun samenzang aan te sturen, maar nu dat wegvalt merk ik hoe ik de interactie met mensen mis. Het samen muziek maken. En ook het zelfvertrouwen en de voldoening die het geeft, om een vak te beheersen en dat uit te kunnen oefenen.'
Ik schonk ons een goede Portugese wijn in, die ik nu nog kon betalen. Portugal wordt booming de komende tijd, als wijnland, had de jongen van de Gall & Gall gezegd, en ik was blij voor de Portugezen. Ik had die jongen trouwens niet meteen herkend, want hij was naar de kapper geweest en had een fantasievolle hipstercoupe in plaats van de gewone mannenbeharing die hij tijdens de volgens De Hond niet zo heel intelligente lockdown had gehad. We aten een pizza volgens een merkwaardig recept, met groene asperges, aardappelschijfjes, uiringen en Munsterkaas, op een bodem die van bieten was gemaakt. Ik vergat even al mijn zorgen terwijl we in de paarse pizza hapten en onze groengele Douro dronken. Er was een leuk programma over Japan op tv en nog voor het opiniekoor van de talkshows en de ellende van de 'frontberichten' begon trok terug ik me terug in bed.
De volgende morgen verdween mijn vriendin naar de voorzichtig weer opgestarte yoga. Ik monsterde het weer en besloot in de tuin te gaan mediteren. Het is een goed vogeljaar en de vele kleine zangvogels waarvan ik de namen meestal niet weet deden erg hun best. De zon werd gefilterd door de liguster. Het rook lekker naar vlier en meidoorn. Ik zat daar goed en terwijl ik langzaam en ritmisch in en uit ademde daagde het besef, dat ik een heel belangrijke les aan het vergeten was. Onder indruk van de omstandigheden was ik me uitsluitend gaan focussen op alles wat wegviel. Wat er overbleef, aan muzikale activiteiten, aan uitjes en pleziertjes, leek zo weinig, vergeleken daarbij. Maar als ik die restjes nu eens afzonderlijk beschouwde, zonder ze tegen dat grote donkere decor te zien? Spanje zat er dit jaar niet in, maar we gingen al snel een paar dagen naar de Veluwe. En concerten heb ik niet, maar ik was toch met mijn zoon een aantal mooie liedjes aan het opnemen. En zo waren er meer lichtpunten. Die kwetterden algauw als vogeltjes in mijn hoofd.


vrijdag 15 mei 2020

BELSAZAR


Het kralenspel van Herman Hesse (Das Glasperlenspiel, 1943) is een 'utopische bildungsroman'. Het verhaal speelt in de 23e eeuw, in een afgescheiden republiek waar vergeestelijkte intellectuelen zich bezighouden met het spel uit de titel. Wat dat kralenspel precies is, en wat de regels zijn (behalve dat die te ingewikkeld zijn om uit te leggen of zelfs maar te begrijpen) komen we niet te weten. De spelers troeven elkaar af in het leggen van zo origineel mogelijke, liefst abstracte dwarsverbanden tussen de data uit hun kennisgebied, dat vooral muziek, wiskunde en cultuurgeschiedenis behelst.

Ik had, voor een boekje waar u hopelijk te zijner tijd meer over zult horen, de romantische ballade Belsazar van Heinrich Heine vertaald. Het gedicht inspireerde me, en toen de vertaling af was, wilde ik er nog geen afscheid van nemen. Ik zocht de Bijbelse passage op waarop het gebaseerd is, staarde bewonderend en geamuseerd naar Rembrandts Belsazars feest, luisterde naar de meesterlijke toonzetting van het gedicht door Robert Schumann, vergeleek die met sfeer en ritme van Heine's origineel. Ik vergeleek ook verschillende interpretaties met elkaar, Quasthoff, Dieskau, Kruysen. Enthousiast geworden poetste ik mijn operastem op en zette me achter de vleugel om daar mijn eigen visie aan toe te voegen, een toontje lager dan vroeger. Zo speelde ik heel genoeglijk mijn eigen kralenspel. In een versie voor beginners, zonder regels, en vooral zonder wiskunde.

Belsazar

Het was op slag van middernacht;
En Babylon sliep diep en zacht.

Maar in het koninklijk paleis,
Daar flakkert licht, daar klinkt gekrijs.

Daarboven in de koningszaal,
Hield Belsazar zijn koningsmaal.

De menigte dronk in de vlammenschijn
De glanzende bekers met bloedrode wijn.

Ze dronken zich juichend een stuk in hun kraag;
Zo zag de weerbarstige koning het graag.

Zijn wangen kleurde een diepe gloed;
De wijn verhitte zijn trots gemoed.

Zijn moed gaat met hem aan de haal;
En hij lastert de godheid met zondige taal.

En hij snoeft brutaal, en lastert wild!
De meute juicht hem toe en brult.

De koning riep, met rechte rug;
Een dienaar snelt weg en komt terug.

Hij droeg veel gouden gerei op zijn hoofd;
Dat was uit Jehova’s tempel geroofd.

En de koning greep met misdadige hand
Een heilige beker, gevuld tot de rand.

En hij leegt hem haastig, kijkt in het rond,
En roept dan luid met schuimende mond:

‘Jehova! Ik spuug op jou zonder pardon, -
Ik ben de koning van Babylon!’

Maar nog terwijl die vloek verklonk,
Bespeurde de vorst hoe de moed hem ontzonk.

Het gillende lachen verstomde meteen;
Het werd angstwekkend stil om hem heen.

En zie! En zie! Aan de witte wand
Verscheen iets als een mensenhand;

En schreef, en schreef op ‘t witte steen
Letters van vuur, en schreef en verdween.

De koning zat daar, versteend naar het leek,
Met knikkende knieën en dodelijk bleek.

De meute was verlamd van schrik,
Men zat doodstil en gaf geen kik.

De magiërs kwamen en hebben gegist,
Maar geen die het schrift te ontcijferen wist.

Belsazar werd echter diezelfde nacht
Door zijn bedienden omgebracht.


https://www.youtube.com/watch?v=HiKarHAPtBc


dinsdag 12 mei 2020

GRIJS

We zijn in een grijze zone beland. Alles gaat langzaam, en tot nader order, weer open. Er zijn dagen dat ik helemaal niet aan Covid-19 denk - al blijft de pandemie me als een fluïdum omringen: als de tijdgeest, waarmee we maar moeten zien te leven.
Een grijze zone is per definitie onduidelijk. Het koor van opinies, onderlegd of het tegendeel, is chaotisch. Economische en medische belangen lopen door elkaar heen. De pandemie wordt politiek. De ene viroloog zegt dit, de andere dat. Ben je net blij dat het voorzichtig voorspoedig gaat met het ontwikkelen van een vaccin, en dan komt er weer een gerespecteerde longarts die in een veel gedeelde video zijn zorgen uit over de mogelijke waarheid achter allerlei complottheorieën. Bill Gates, Big Pharma, money en macht. Gelukkig zegt hij erbij uit 'onderbuikgevoelens' tot zijn boodschap te zijn gekomen, dus ik kan hém tenminste negeren. De onderbuik is er voor de vertering van voedsel en voor de voortplanting en nergens anders voor, opinies dienen uit het koele hoofd te komen, hoogstens mag het hart een beetje meespreken.
Grijs is ook de situatie in mijn werk. Nu groepen mensen weer toegestaan zijn, nadert het moment waarop de koren weer van start zullen gaan. Maar hoe dat moet is nog erg onduidelijk. Met mondkapjes zingen gaat niet, plexiglas is ook geen optie. En zingen is net als hoesten, schreeuwen en hard lachen een goede manier om virussen de lucht in te jagen. We zullen creatief en praktisch moeten zijn, en er maar vrede mee moeten sluiten dat juist de onschuld die zo typerend is voor samen zingen er een tijd lang vanaf zal zijn; alles wat de mensen dicht bij elkaar brengt is nu eenmaal verdacht in deze tijd, en virtueel bij elkaar komen is net zo'n goed alternatief voor de warmte van een koorrepetitie als porno dat is voor vrijen.
Soms verlang ik bijna terug naar het begin van de lockdown. Vadertje staat greep in, we werden kort gehouden en moesten allemaal aan een noodgedwongen sabbatical. Dat was in elk geval duidelijk. De bijbehorende angst en ongerustheid vergeet ik gemakshalve maar even. Alles was anders en we moesten ons overgeven aan de omstandigheden, die we zelf niet langer in de hand hadden. Dat gaf naast al het andere toch ook een vakantiegevoel, zeker toen de eerste schrik geweken was. Nietsdoen was niet erg, het kon nu eenmaal niet anders. Ik vertaalde negentiende-eeuwse poëzie, componeerde liedjes, en voelde me een gezegend hobbyist. Nu begint, in deze grijze zone, een licht schuldgevoel alweer aan me te knagen. En, met de hervatting van de koorrepetities in het mogelijke verschiet, begin ik ook te verlangen naar werk - echt, fysiek werk, met mensen, dat vermoeit en voldoening geeft.


vrijdag 8 mei 2020

SPEELDOOSJE

Ik zat op een bankje in het Beatrixpark, waar de doodsbeenderenboom en de metasequoia groeien, met uitzicht op een groene weide waarop jong en oud heel rustig, paarsgewijs, van de zon zat te genieten. Af en toe liep er een zakenman langs, een van de laatste die de Zuidas nog bemannen. Gesport werd hier niet, het hijgerige rennen van het Vondelpark ging aan me voorbij, of juist niet, liever gezegd. Ik kreeg een appje van mijn broer. Op mijn verzoek had hij het speeldoosje van mijn vader gefotografeerd, dat De Lorelei klingelt, traag en roestig inmiddels. Ik was verbaasd over het plaatje op het deksel. Een bekend schilderij, maar waarom ontbrak de bovenste helft van het gezicht? Een iets andere uitsnede zou dat makkelijk hebben verholpen. Ik opperde dat mijn onhandige vader de afbeelding er zelf op had geplakt, maar nee, zei mijn broer, daar zag het niet naar uit. Ik googelde de maker, de Zwitserse firma Reuge. Hoogwaardig spul allemaal, vaak exorbitant geprijsd. Zou het mechaniekje door een lokale ondernemer in dit klunzige kistje zijn gezet? Was het in opdracht in Taiwan gemaakt? Op internet vond ik alleen dergelijke Loreley-speeldoosjes annex juwelenkistjes met versierd houtsnijwerk, zonder plaatje. Het was een raadsel waarvan ik de oplossing nooit meer zal kunnen achterhalen, vrees ik.

Die nacht was het volle maan en ik lag wakker. Nu mijn Heine-vertalingen op het punt staan mijn huis te verlaten om gedrukt te gaan worden houd ik een laatste kritische inspectie. En vooral dat iconische gedicht, Die Lorelei, hield me uit mijn slaap. Een zo bekend gedicht verdraagt eigenlijk geen compromissen. Het moet exact zo iconisch zijn als het origineel. Dat is natuurlijk een hopeloze opgave voor een vertaler. Normaal zou ik met het gedicht niet zoveel moeite hebben gehad, maar ik was bezig Malle Babbe te vertalen, iedereen kent dat lied, parafraseren was uitgesloten, er moest staan wat er bij Heine staat en niks anders. Het gaat vooral om het laatste couplet:

Ich glaube, die Wellen verschlingen
Am Ende Schiffer und Kahn;
Und das hat mit ihrem Singen
Die Lore-Lei getan.

Er moesten twee dingen per se in: het typerende laconieke voorbehoud Ich glaube, en natuurlijk het zingen. Dat was een heel gepruts, over mijn eerdere versie was ik niet langer tevreden.
Tot diep in de nacht duurde mijn gepuzzel. Me van de ene op de andere zijde werpend scandeerde ik dwangmatig in mijn hoofd. Als ik meende gevonden te hebben wat ik zocht knipte ik het bedlampje aan, pakte een notitieboekje en hoopte na mijn verlossende krabbel eindelijk te kunnen gaan slapen. Dat herhaalde zich. De volgende morgen las ik onder meer: Ik meen dat zijn wilde verlangen/de boot op de rotsen doet slaan/hem kopje onder doet gaan/aan 't eind hem te pletter laat slaan/ hem reddeloos onder doet gaan, etc.
Onuitgeslapen begon ik nog voor de koffie opnieuw te malen. Ik besloot aanvankelijk mijn oude versie ('Hij kon zich aan 't eind niet bedwingen/en is in de golven vergaan') te behouden. Maar ik had niet voor niets slapeloos gepiekerd - dat voorbehoud, ich glaube, dat moest er toch echt in. Dat werd immers in allerlei analyses van het gedicht aangehaald als een typisch staaltje van Heine's ironie. En het moest in de tegenwoordige tijd, net als de rest van het gedicht.
Onder de douche kwam ik tot:

Ik meen, dat de golven hem dwingen
Met schip en al onder te gaan;
En dat heeft met haar zingen
De Lorelei gedaan.

Daarover was ik wel tevreden, zo lang als het duurt. Nou nog het ritme van de voorlaatste regel goed zien te krijgen, zonder de eenvoud van het origineel aan te tasten. (Dat heeft met haar lieflijk zingen? En dat heeft met al haar zingen?)
Wordt vervolgd, als ik ondertussen niet te pletter sla op klippen van woorden en verdrink in een stroom van taal.


dinsdag 5 mei 2020

v.h. Rookzangers notitieblog (27)

Ik kwam een hoogbejaarde maar nog zeer vitale actrice tegen, met wie ik een paar jaar geleden gewerkt had. Bij de vraag 'hoe gaat het' is tegenwoordig impliciet, dat we die op onszelf betrekken in relatie tot de omstandigheden, lees: de pandemie. 'Ik word er flauw van,' zei ze. Dat moet ik niet meteen hebben begrepen, want ze verduidelijkte toeschietelijk: 'Het is zo saai.' We praatten nog even over de theater- en museumsluiting, waar ze op doelde, maar ik dacht: Wat stoer, om het alleen maar saai te vinden.

De mussen waren allang onduidelijk bezig rond het nestkastje dat onder de klimop hangt. Waren ze echt aan het nestelen, of gebruikten ze het kastje als 'pretkastje' zoals mijn vriendin zei? Ik opperde dat het misschien een illegaal café of een bordeel was. Maar gisteren was er opeens verhoogde activiteit waar te nemen. Een iets kleinere mus, lichter van tint ook, was tevoorschijn gekomen uit de opening. Zij vloog meteen naar de rand van het dak en sperde haar bek open. Het mannetje voerde haar iets. We bleven nog lang in opperste concentratie staan turen vanuit het keukenraam, maar er gebeurde niets meer. Ofwel de mussen hadden een bescheiden gezin, ofwel we hadden het uitvliegen van de rest gemist. Maar we waren blij dat we dit hadden meegemaakt. Om de gebeurtenis zelf, maar ook om de duidelijkheid die geschapen was over de status van het kastje.

In het straatkastje voor verweesde literatuur lag een oud, hardgekaft boek. Die bekijk ik altijd even. Het bleek een uitgave van Oscar Wilde's Het portret van Dorian Gray te zijn, in de serie 'Bibliotheek voor ontspanning en ontwikkeling'. Bruinig, dik papier, zeer verbleekte kaft, stoffen rug. Geen jaartal, ik schatte jaren 20 à 30. Ik besloot het te laten liggen. Mijn boekenkasten puilen uit en ik heb dat boek al, in het oorspronkelijke Engels.
Maar de volgende dag lag het er nog, en sloeg ik het opnieuw open. Ik las de eerste bladzijde en werd getroffen door het uiterst negentiende-eeuwse taalgebruik - stond daar echt trachteden? Ik bladerde terug naar de Franse pagina maar vond geen vertaler vermeld. In deze goedkope volksuitgaven werden vaker oude vertalingen zonder naamsvermelding hergebruikt, wist ik. Ik nam het boek mee naar huis, het was me al iets dierbaarder geworden. Thuis googelde ik op vertalingen van Dorian Gray en vond algauw wat ik wilde weten. Dit was de eerste Nederlandse versie, van de hand van Elisabeth Couperus-Baud, de echtgenote ván. Ze had de vertaling in 1893 (ze was zesentwintig toen) uitgegeven onder de bescheiden auteursnaam 'Mevrouw Louis Couperus'. Dat zat zo: Wilde had Footsteps of Fate gelezen, de Engelse vertaling van Couperus' Noodlot, en was daar zo van onder de indruk dat hij de auteur een exemplaar van A Picture of Dorian Gray toestuurde, 'gebonden in een hoogst artistieke grijs-blanken band, versierd met vergulde granaatappels'. Betty las mee, vond het prachtig en probeerde enthousiast haar hand op de omzetting naar het Nederlands; haar man wist die onder te brengen bij zijn uitgeverij, L.J. Veen.
Ik las een stukje en was geamuseerd door de fraaie maar gedateerde stijl. Het had Wilde in die tijd vast modieus gemaakt, deze weergave in het jargon van de Tachtigers, maar nu werd hij er taai en ouderwets door - terwijl zijn Engels nog altijd springlevend en vlot leesbaar is. Dat heeft natuurlijk ook iets te maken met de spelling: in het Engels is die onveranderd gebleven, wij zitten met een moeilijk te overbruggen kloof, veroorzaakt door al die spellingherzieningen - tussen trachtten en trachteden bijvoorbeeld.
Elizabeth Couperus stierf in 1960 in een Haags pension. Berooid en vergeten, want het werk van haar man was in die tijd niet populair meer. Ze werd tweeënnegentig