dinsdag 17 oktober 2017

De meermin, het monster en de maan - trailer



Deze video werd door Rosanne gemaakt ter promotie van ons boek. Muziek: Martijn van Spaendonck, met medewerking van Voorheen Rookzanger en Jenny van de Wateringen.

Het boek is te bestellen via de site van Stichting de Driehoek: HIER! €13,90 plus verzendkosten. Even naar beneden scrollen en op de bestelknop drukken...



vrijdag 13 oktober 2017

Adellijke bloemstukken

Als geboren Amsterdammer ervaar ik nog altijd een plezierig schokje als ik mijn naam aantref buiten de familiekring. In mijn jeugd stonden er twee of hooguit drie Van Spaendoncks in het telefoonboek. Meer niet. Wij waren alleen, wij waren bijzonder. Het eerste wat ik deed toen ik als puber op doorreis in Tilburg belandde (waar onze naam vandaan komt), was een telefooncel binnenstappen en de gids openslaan bij de s: bladzijde na bladzijde, in alle mogelijke spellingen! Het was dus waar, er waren er meer, veel meer!
Voor een geboren Tilburgenaar van die naam (en er wonen er tegenwoordig aardig wat in Amsterdam) moet het dan ook heel wat minder bijzonder zijn dan het voor mij is, om die grote affiches van het Van Gogh Museum te zien, die nu overal in de stad hangen:

Nederlanders in Parijs 1789-1914. Van Spaendonck, Jongkind, Van Gogh, Van Dongen, Mondriaan. Vanaf 13 oktober 2017.

Ach, Gérard en Corneille, de bloemenschilders. Mijn ooit zo beroemde naamgenoten. Vooral Gérard, de oudste (1746-1822), spreekt tot mijn verbeelding: hij was miniaturist aan het hof van Lodewijk XVI, mocht zijn hoofd op zijn nek laten staan tijdens de Revolutie, werd hoogleraar bloemschilderen aan de Jardin des Plantes, en mocht zich, dankzij Napoleon, uiteindelijk Comte, 'Graaf', noemen. Graaf van Spaendonck! De biografie van zijn jongere broer Cornelis (1756-1840), precies 200 jaar voor mij geboren, is iets minder indrukwekkend, vind ik. Zijn werk is ook wat zoetiger; het telt veel roze bloemen, pioenrozen en dergelijke. Hij studeerde net als zijn broer in Antwerpen voor hij naar Parijs vertrok, en bracht het tot directeur van de porseleinfabrieken in Sèvres, waarvoor hij de bloemmotieven ontwierp.

Het is geen familie. Nou ja, niet echt. Ik mag graag zeggen dat de beide ongetrouwde en kinderloos gebleven heren tot mijn voorgeslacht behoren. Dat mijn tak ontstaan is uit de lendenen van een van hun broers. Maar in werkelijkheid was mijn stamvader eerder een neef of zelfs achterneef, ik moet het weer eens nazoeken.
Mijn opa kon dat niks schelen - je spelde het met 'ae' en 'ck', dus was het familie. Een Van Spaendonck was een Van Spaendonck.

In 1980 was er een grote overzichtstentoonstelling in het Noord-Brabants Museum. In de familie herinneren we ons hoe mijn opa zich direct na binnenkomst pontificaal in postuur zette voor het eerste het beste schilderij. Het was de tijd voordat we dwangmatig elk moment begonnen te vatten in foto’s (om het evengoed te vergeten), dus we moeten het met onze herinnering doen. Daar stond hij, met zijn buik vooruit, trots alsof hij al die prachtige bloemstukken zelf bij elkaar had geschilderd.

Het is een mooi toeval dat deze nieuwe expositie vandaag opent, op de tweeënnegentigste geboortedag van mijn vader. Mijn vader was buitengewoon a-visueel - hij heeft het als tekenaar nooit verder dan koppoters gebracht. Maar de bloemstukken van de bewierookte naamgenoten kon hij nog net aan, al hield hij meer van Anton Pieck.
Ik neem me voor om met mijn broers en zuster en alle kinderen naar de tentoonstelling te gaan. En dan bij een van de schilderijen te gaan poseren, gezicht in een fiere plooi, buik schaamteloos vooruit, net als mijn opa. Tenslotte ben ik nu een soort clanhoofd, als oudste nog levende man van onze eigen kleine tak van die grote Tilburgse familie.

dinsdag 10 oktober 2017

Een langzaam en prettig ontwaken



Toen ik vanmorgen beetje bij beetje uit een donzige slaap ontwaakte waren ze buiten bezig een motor warm te laten draaien. Maar in de wereld binnen in mijn hoofd, op dat moment nog oneindig veel groter en werkelijker dan het storende geroezemoes buiten, stond ik op het punt een camper binnen te gaan. Een witte camper, een beetje vuil, die stond in de sneeuw. Ik was hiernaartoe gevlucht uit weidse onherbergzame berglandschappen, uit ontzaglijke canyons met gruwelijke vergezichten. Die auto, geparkeerd in het straatje in Geuzenveld waar ik kind was, beloofde veiligheid. De deur was van het slot. Daarbinnen, in de lauwe schemer, wachtte mijn moeder op me, ik hoefde mijn hand maar uit te steken.
Eenmaal wakker en vaststellend dat het nog heel vroeg was, draaide ik me nog eens om. Algauw overmande de slaap me weer en droomde ik dat ik een boekwinkel dreef op de zolder van mijn huis in datzelfde Geuzenveld. Uiteindelijk kwam er een klant, die niets wilde kopen, maar een selfie wilde maken, met als decor de boeken van Conan Doyle.
De motor buiten loeide weer aan.
In de halfslaap die volgde op de boekwinkeldroom kreeg ik de geruststellende gedachte, dat ik me 'winterklaar' moest of liever mocht maken. Vergeet al je zenuwen en je zorgen, maak het thuis gezellig, trek de gordijnen dicht, steek de kaarsen aan, leg de boeken klaar, laat de winter maar komen. Ik dacht aan winters van vroeger en verbond dat beeld met ziek in bed liggen. Te ziek voor school, maar niet te ziek om te genieten van thee, beschuit, koffie en koek die mijn moeder me kwam brengen op geregelde intervallen die de stille, slaperige uren markeerden. De buitenwereld had zich teruggetrokken. Zij bestond nog wel, ging gewoon door, maar ging mij niet meer aan: een ver gerucht aan mijn horizon, veel verder dan die motor aan de overkant.
Nog jonger, nog langer geleden, en ik werd voorgelezen - daar hoefde je niet eens ziek voor te zijn. Dat kwam je gewoon toe, als kind. Ik lees deze dagen een paar keer voor uit mijn boek, en dat vind ik fijn om te doen. Als iets niet meer voor jou gedaan wordt, moet jij het maar voor anderen doen. Dat is bijna net zo leuk.

Voorlezen of voorgelezen worden? Bestel: DE MEERMIN, HET MONSTER EN DE MAAN. Klik HIER.

(Foto: Fred Martin)


vrijdag 6 oktober 2017

HERFST

We zaten een beetje ongemakkelijk tegenover elkaar, Saphier en ik. Of misschien gold dat alleen voor mij: Saphier was stil maar leek daar vrede mee te hebben. Hij speelde met een bierviltje en glimlachte een beetje weemoedig. Moet een mens per se praten?
We hadden overigens alle redenen om bedachtzaam te zijn. Want wij tweeën zaten hier aan een tripel terwijl onze beste vriend, al sinds de schooldagen onafscheidelijk met Saphier en later ook met mij verbonden, zijn eten en drinken niet kon binnenhouden. Gelukkig ging het nu weer ietsje beter, vertelde Saphier, nu de chemo's achter de rug waren; maar gezellig een tripeltje drinken zat er voorlopig nog niet in voor onze onfortuinlijke vriend.
Een tijdperk was voorbij, zei ik, om uiting te geven aan mijn bedrukte stemming. Saphier is niet bepaald een melancholicus maar hierin kon hij meegaan. Hij knikte. Zoals vroeger zou het niet meer worden, nee. We moesten maar proberen om de fase die we waren ingegaan te accepteren en er met humor iets van te maken. We praatten nog wat over onze kinderen, besloten geen derde glas meer te nemen. Saphier moest vroeg weer op de volgende dag.

Buiten overwoog ik wat hij had gezegd. Met humor er iets van zien te maken, accepteren. Theoretisch was ik het daar helemaal mee eens. Ik zag alleen niet zo gauw hoe dat moest.
Ik liep door het park naar huis. De storm was gaan liggen maar de bomen zwaaiden nog flink. De wolken joegen langs de oktoberhemel, waarin een bijna volle maan scheen.
Ik herinnerde me hoe het vroeger was, in dat andere, voorbije tijdperk. Hoe sterk we waren geweest en hoe zorgeloos en Bourgondisch we hadden geleefd. Ik dacht aan onze gezamenlijke vakanties in de winterse Ardennen. Drie oude schoolvrienden met vrouwen en kinderen, eerst klein, later pubers. Ik zag onze vriend in de keuken staan, roerend in dampende pannen, een Gauloise in zijn mondhoek, een glas binnen handbereik. Ik hoorde zijn zware lach.
Ik moest even blijven staan om het beeld te laten inzinken, want de roerige wereld om me heen wilde me met alle geweld vooruit hebben.



dinsdag 3 oktober 2017

Een vliegende kraai


Het werd de Varkensbaai genoemd en het was een modderig stadsstrandje aan de Sloterplas, waar vooral veel werd gebarbecued en nauwelijks werd gezwommen. Twee jaar geleden kreeg het een make-over: met opgespoten zand werd het vijf keer zo groot gemaakt. Bij een nieuw uiterlijk hoort een nieuwe naam, en sinds afgelopen zomer heet het officieel het Sloterstrand. Quaggamosselen zijn ingezet tegen blauwalg en zorgen voor schoner zwemwater.

Aan de rand van het zandstrand ligt Hotel Buiten, dat vanaf 8 oktober officieel open is. Hotel Buiten (slogan: 'Het is hier geen hotel!') mikt op een jong en hip publiek, zeg maar gerust hipsters, dat hier op 'het mooiste stukje urban nature van Amsterdam' vooral slow moet komen chillen. 'Hotel Buiten is een creatieve en inspirerende plek,' lees ik op hun mooie website, 'voornamelijk opgebouwd uit hergebruikte materialen. Aan drie kanten omringd door water, misschien dat we daarom zo graag een vuurtje stoken. In de houtkachel, vuurkorf of de barbecue. Vuur verbindt en verwarmt.'

Afgelopen zaterdag laaide dat vuur hoog op om afscheid van de zomer te nemen en de herfst in te luiden. Vrijwilligers van het hotel dat geen hotel is hadden de hele zomer het strand gerund. Vanuit een winkeltje (de Share Your Beach Shop) hadden ze gratis opblaaskrokodillen, parasols en strandstoelen rondgedeeld, en ze hadden er de omgang van de zeer diverse badgasten in goede banen geleid - niet altijd even gemakkelijk daar in Nieuw-West. Zaterdag werd het strandseizoen afgesloten met een borrel: marshmallows, appels en wijn.

Waarom was ik daar? Natuurlijk heb ik een meer dan gewone belangstelling voor alles wat in die contreien gebeurt, u weet het, ik kom uit Nieuw-West en schrijf en zing erover. Maar in dit geval was er meer aan de hand. Ik had een mail gekregen van de organisatie. Bij het feestje zouden twee mannen hun visie geven op de legende van het Monster van de Sloterplas. Verhalenverteller Godfrey Lado en dichter Chihad Ozcan. Daarna zou Joep Pelt wat liedjes zingen.
Ik lees dat en moet slikken. 'Waarom ik niet?' is mijn eerste jaloerse reactie. 'Ik, die dat monster zowat heb uitgevonden! Het zou allang niet meer bestaan als ik het niet met mijn liedjes en teksten had gesommeerd om uit de diepten te komen!'
'Nou ja,' is mijn tweede, mildere reactie, 'begrijpelijk dat ze eens wat anders willen. "Altijd maar die witte baardmans met zijn gitaar en zijn jeugdsentiment," zullen ze denken. "Laten we eens kijken wat mensen met een heel andere achtergrond te reflecteren hebben op deze urban myth."'

Maar het was de derde reactie die me uiteindelijk deed besluiten door de regen naar de Plas te gaan.
'Ho! Maar wat nou, als ze daarginds helemaal niet weten, dat ik besta? IJdeltuit, heb je dáár weleens aan gedacht?' Ik kreeg dat mailtje niet voor niets op de valreep doorgestuurd.
Het Monster, bedacht ik, is blijkbaar weer een eigen leven gaan leiden, zijn naam spreekt opnieuw tot de verbeelding. Ik heb een steentje opgeraapt en het in het water gegooid en de kringen komen uiteindelijk bij me terug.
En dat vond ik wel een mooi idee. Net zoals het een mooi moment was toen Godfrey Lado, voormalig kindsoldaat, vluchteling uit Zuid-Soedan, mijn boek erbij pakte om uit voor te lezen. Geamuseerd, een beetje gegeneerd en een beetje ontroerd hoorde ik mijn woorden naar me terugkomen, getint met zo'n exotisch accent dat ze niet altijd begrijpelijk waren. Een snelle research had Godfrey naar dat boek geleid, en de organisatie had toen haar best gedaan de makers op te speuren, zo was het gegaan. Misschien was dat eigenlijk nog wel bevredigender dan zélf gevraagd te worden om voor te lezen. Mijn kindje kon op eigen benen staan en was de wijde wereld ingetrokken.
En het was hartverwarmend om zo gul ontvangen te worden als 'de schrijver van het boek'. Mijn coauteurs Holslag en Martin waren er niet, dus ik mocht alle eer in mijn eentje opstrijken. Ik kreeg een glas Kroatische wijn aangereikt en werd uitgenodigd om iets vertellen over mijn nieuwe boek, waarin de wáre geschiedenis van het monster voor het eerst onthuld wordt. Ik vertelde wat, zong a capella een strofe, maakte wat rommelige reclame; men bewonderde de tekeningen, ik verkocht het exemplaar dat ik bij me had. 'Een vliegende kraai vangt altijd wat,' zei mijn vriendin. 'Je moet onder de mensen komen, je gezicht laten zien. Ze kunnen niet ruiken wat je allemaal maakt, als je er geen ruchtbaarheid aan geeft.' Ik knikte braaf en nam me voor daar beter in te worden.

Ondertussen zit ik een paar dagen later wel met een gemengde gevoelens. Ik gun de wijk een beetje aantrekkingskracht, een beetje bloei. Ik juich het theoretisch zelfs toe dat Slotermeer een hotspot zou worden, hoe onwaarschijnlijk dat ook lijkt. Maar het mooiste van de Sloterplas vond ik nou juist, dat het er zo stil en zo wild was. Waar picknicktafels staan en gebeachvolleybald wordt, waar hipsters verbinding voelen door vuurkorven terwijl ze genieten van Amsterdams biologisch schepijs, natuurdesembrood en local craft beer, daar laten geen monsters zich nog zien.



Pas verschenen: 'De meermin, het monster en de maan'. Rijk geïllustreerd, gebonden. € 13,90. HIER te bestellen.

vrijdag 29 september 2017

Een zonnige kijk

'Hoe was je zomer?' vroeg M. bij de Zen-les.
M. is een zonnig type. Ze keek er stralend bij.
Ik was overrompeld door de vraag. Een hele zomer in één zinnetje samenvatten, vlak voor we het matje opgingen, dat was nogal wat. Ze zag mijn aarzeling en vulde zelf maar aan: 'Ach ja, dat is alweer zolang geleden, nietwaar?' Ik knikte dankbaar.
Hoe was je zomer? Een vraag die andere tijden oproept. In een boek van Couperus had het antwoord kunnen luiden: 'In juni waren we in Italië - Florence, Rome en Napels. De maand juli hadden we in Nice zullen doorbrengen bij onze vrienden de markies en de markiezin, maar halverwege zijn we wegens de hitte toch maar naar Sint-Petersburg gegaan. Vandaar naar Berlijn, en augustus hebben we grotendeels op ons landgoed in de Achterhoek doorgebracht.'
Mijn zomer leek daar niet bepaald op. Een weekje of twee weg, een ommetje door het nabije Duitsland, dat was alles. En het was hard nodig, want de zomer was - dat had ik moeten antwoorden als ik eerlijk was geweest en de tijd zou hebben gehad - niet best. Narigheid en drama in mijn nabije omgeving; discretie verbiedt me in details te treden, maar leuk was het allemaal niet.
Hoe was je zomer? vroeg M. 'Hoe was je week' vind ik al een hele kluif, als vraag. M. gaat iedere zomerdag lachen in het Vondelpark, een vorm van dynamische meditatie volgens de richtlijnen van Osho. M. heeft patent op de roze bril, je ziet aan haar tegelijk alerte en zwemmerige blik dat ze de wereld met de grootst mogelijke welwillendheid beziet. Zij zou er geen moeite mee hebben, maar ik zit danig in mijn maag met zo'n simpel vraagje. Voor zover ik de dagen van deze week nog precies kan reconstrueren kom ik tot een resumé dat me in eerste instantie somber maakt. De herfst is begonnen. Ik was dermate verzonken in de correctie van mijn binnenkort te verschijnen roman De sigarenwinkel dat ik de atmosfeer van ondergang en verloedering die uit dat boek straalt (als je dat zo mag zeggen) slechts met moeite van me af kon schudden. Ik mis mijn tabakspijp enorm. Ik ben kilo's aangekomen en mijn buik zit me in de weg. Ik moest iedere avond de deur uit om te werken, had iedere middag slaap en was iedere namiddag nerveus. Als ik M. haar bril opzet en probeer door de mist heen te turen, moet ik vaststellen dat er ook positieve dingen te melden zijn. Het niet-roken begint zijn vruchten af te werpen: mijn conditie, en dan vooral die van mijn stem, wordt beter. Eergisteren sloeg ik Schuberts Schöne Müllerin open, een werk dat ik al jaren mijd - te hoog en te lenig voor een oudere, zware en doorrookte stem. Nu kwam ik vrijwel moeiteloos door de liederen heen. 'Dein ist mein Herz, und soll es ewig, éwig bleiben!' jubelde ik verbaasd. Ik weet nog niet goed wat ik met dat gegeven moet, nu de wereld dagelijks donkerder en kouder wordt, maar kwaad kan het zeker niet. Een lichtpuntje, vrij willekeurig ('random' zou mijn dochter zeggen), maar ieder lichtpuntje is welkom en moet met aandacht worden waargenomen.

dinsdag 26 september 2017

De Vis à Vis-traditie


Achter de nevel had de zon nog de kracht van de zomer. Ik keek naar het silhouet van de bomen en moest mijn ogen beschutten tegen de platina gloed, waarin steeds meer koper kwam naarmate het later werd. We aten op een strandterras, ik een vegetarische pasta, mijn tafeldames zalm in een kruidenkorstje. Dat was de reden dat ik steeds naar die bomen moest kijken, tegen de zon in: bomen op het strand, dat is vreemd. Het strand zelf was trouwens ook vreemd: een waas van groen gras lag over het zwartige zand.

We waren hier terechtgekomen, in strandpaviljoen Poort Dok op het Almeerderzand, na een voorstelling van Vis à Vis. Al een aantal jaar gaan we bijna iedere zomer naar hun theaterstukken, die opgevoerd worden op hun eigen terrein dicht bij de rand van het IJmeer. Spectaculaire voorstellingen zijn dat, met industrieel ogende decors, door hijskranen getakelde stunts, explosies, vuurwerk en verbluffende staaltjes van techniek. We waren het erover eens dat Silo 8 uit 2010 moeilijk overtroffen kon worden, maar deze Mare was zeker niet hun slechtste. Slapstick en absurdisme met een boodschap, hoewel die laatste nogal dunnetjes was. Terwijl ik me vergaapte aan een onderwater rijdende taxi waarvan alleen het dak zichtbaar was vroeg ik me af hoe de makers met de werkelijkheid zijn omgegaan, toen hun apocalyptische toekomstvisioen nog geen maand geleden in Houston werkelijkheid werd: de journaalbeelden kwamen hier tot leven. Is er van tevoren iets gezegd, een excuus of een ernstig, vermanend woord, of hebben ze de coïncidentie maar laten passeren? Maar vooral dacht ik: wat moeten die acteurs bekaf zijn na elke voorstelling; alles speelt zich op, in en onderwater af. Net als bij het ballet wordt enorm veel kracht, discipline en energie gestoken in een moeiteloos ogende illusie.
We besloten de voorstelling volgend jaar, als hij in reprise gaat, nog eens te bezoeken, maar dan 's avonds. Mooi uitgelicht zou alles er nog veel fraaier uitzien dan op deze nazomermiddag.
Na afloop dronken we wat. De vuren brandden nog niet. We verwonderden ons erover dat iets wat je eens bij toeval doet door herhaling uit kan groeien tot een ijkpunt in het jaar. Iedere zomer Vis à Vis, vaste prik, met uitzondering van één seizoen, toen ze een reprise speelden van een stuk dat ons niet zo was bevallen. We maakten een lijstje en bespraken de verdiensten van de verschillende shows.
Maar thuisgekomen twijfelde ik daaraan. Ik telde de voorstellingen die we hadden bijgewoond en kwam uit op zeven keer, in tien jaar. De eerste, Bij Nacht en Ontij, moeten we al in 2007 hebben gezien. Het geheugen heeft de hardnekkige neiging om de zaken compacter en simpeler te maken. Is dat erg? Nee hoor. Ik zeg het graag en blijf het gewoon zeggen: elke zomer gaan we met mijn jongste dochter naar Vis à Vis. Het is een lange en inmiddels ook eerbiedwaardige traditie, want die eerste keer was ze nog een meisje en nu is ze een vrouw van vijfentwintig, die gelukkig op zijn tijd nog net zo hard kan lachen, joelen, fluiten en klappen als dat meisje van toen.



(Foto's: Maria van Spaendonck)