woensdag 18 april 2018

Pang! pang! - Offenbachs satirische champagne

Nooit was Parijs vrolijker, mooier of schitterender  geweest dan in de zomer van 1867, toen elf miljoen mensen samenstroomden om de Wereldtentoonstelling te zien die de luisterrijke zwanenzang zou worden van het Tweede Keizerrijk.

(Uit: Tafelen bij Magny, Robert Baldick)

De satire van Jacques Offenbach en zijn vaste librettisten Henri Meilhac en Ludovic Halévy was ooit bijtend en berucht maar gaat nu goeddeels aan ons voorbij. Voor een tijdgenoot moet de handeling in La Vie Parisienne hilarisch zijn geweest. En ondeugend. En op de grens van wat je in het openbaar kon zeggen.
Het stuk speelt zich af tijdens de Wereldtentoonstelling van 1867, toen iedereen die het kon betalen naar de lichtstad kwam om zich te vergapen en vooral om zich te vermaken. Een van de officieuze hoofdattracties was Offenbachs eigen opéra bouffe: De Groothertogin van Gerolstein, met superster Hortense Schneider in de hoofdrol. Van de vijfenzeventig monarchen en prinsen die de tentoonstelling bezochten was er slechts één (de Oostenrijkse keizer) die deze voorstelling niet had bijgewoond. Edward, Prince of Wales, vervoegde zich persoonlijk bij soubrette Schneider om een plaatsje in de koninklijke loge te bespreken, en de Russische tsaar liet dat zelfs via zijn ambassadeur op voorhand regelen. Het leverde de door Offenbach ontdekte en groot gemaakte zangeres de bijnaam 'de passage der prinsen' op. Uiteraard gemunt door haar concurrenten.

Ook in La Vie Parisienne wordt de opera bezocht om een beroemde sopraan te horen zingen, maar de hooggeplaatsten die we hier aantreffen zijn een opgetrommeld zootje ongeregeld (plaatselijke kleine middenstand, kamermeisjes en huisknechten) in mottige verkleedkleren van oma's rommelzolder, die een toneelstukje opvoeren om een sullige Zweedse baron erin te luizen. Er is een tafelmajoor die jubelend bezingt hoe kundig hij de rosbief voorsnijdt, en een admiraal wiens krakkemikkige outfit het mikpunt van spot wordt: een zevenstemmig ensemble in grandioze operastijl heeft als voornaamste tekst: 'Admiraal, u heeft een grote scheur in uw jas'. Zoals in veel van Offenbachs werk krijgt het uniform het zwaar te verduren. Al wat pompeus is wordt neergesabeld. De immens populaire componist die als Jacob Offenbach uit Keulen was gekomen kwam ermee weg, terwijl tijdgenoten als Flaubert en Baudelaire voor het gerecht werden gedaagd toen ze zich te kritisch hadden uitgelaten over het regime van Keizer Napoleon de Derde.

Een van de attracties van de wereldtentoonstelling bestond uit de nagebouwde traditionele behuizingen van diverse landen. Er waren onder meer een Tirools boerenhuisje en een Zweedse blokhut. Zou dat de reden zijn dat er in La Vie uitgebreid gejodeld wordt door de Duitse handschoenenmaakster Gabriëlle en haar boertige gezelschap, en dat een naïeve Zweedse baron  het slachtoffer wordt van de samenspannende dandy's Gardefeu en Bobinet? Voor de tijdgenoot moet dat allemaal duidelijk geweest zijn, wij hebben nog slechts te maken met een klucht van het soort dat we kennen van John Lanting en zijn Theater van de Lach. De tijd heeft de klucht ontdaan van zijn scherpe satirische kantjes. Wat blijft is een ooit onschuldige pikanterie ('o la la, de vrouwtjes!') die heel snel verdacht aan het worden is in onze tijd van overspannen respect voor elkaar. En natuurlijk de vintage champagne van Offenbachs nog altijd bruisende muziek. Pang! pang! knallen de kurken. Belletjes zijn niet plat te krijgen door veranderende standpunten.



La Vie Parisienne wordt op de zondag 22 en 29 april en 6 mei uitgevoerd in het Theater Zuider Amstel Kanaal (F. Roeskestraat 84), door de Amsterdamse opera- en operettevereniging Thalia. Met medewerking van diverse solisten, pianist Kees van Zantwijk en ensemble Strijklicht. Regie: Evert de Vries, directie: Jan-Paul van Spaendonck. Aanvang 14.00 uur. Entree: 23/16,50/11,50.

Kaarten verkrijgbaar 0299 660254 en thaliakaartverkoop&kpnmail.nl. En aan de kassa (geen pin). 



vrijdag 6 april 2018

De behaaglijkheidsfabriek

Ik kende het alleen als eigennaam. Toen onze voortreffelijke impresario Peter Paul Tobi ermee stopte, beloofde hij ons in goede handen te geven. Vriend en collega Frans van Bronkhorst was de juiste man, verzekerde hij ons, en we maakten kennis: zwierig, bourgondisch type, met fluwelen hoed. Tobi was zuinig geweest, vrekkig op zijn talenten: zijn portefeuille bestond uit enkele artiesten, die hij bewaakte als een jaloerse schoonmoeder. Hij was berucht bij de theaters: kwam hij binnen, dan kreeg je hem niet zo gauw weer weg. Hij deed niets per telefoon af, hij was de persoonlijke brenger van aanbiedingen die moeilijk geweigerd konden worden. En zijn praktijken waren geslepen: ze mochten die populaire Jos Brink-show best boeken, graag zelfs, maar dan moesten ze wel het aanstormende duo La Passione op de koop toe nemen. Zo kwamen wij aan een lekker volle agenda. Bij Frans ging het anders. Hij beloofde veel, maar de telefoon bleef stil; optredens druppelden aanvankelijk nog wel binnen, maar na enkele drupjes viel de kraan droog. Toen we op de Uitmarkt zijn stand bezochten, bleek zijn brochure uit te puilen van de artiesten - half Nederland kon je bij hem boeken - , maar wij stonden er niet bij.

Vorig jaar Pasen hadden we doorgebracht in De Gouden Karper te Hummelo. De streek, de Achterhoek, was ons uitstekend bevallen, en dit jaar boekten we er wederom een hotel met een aanlokkelijke naam: Herberg de Gouden Leeuw, in ja: Bronkhorst. Het kleinste stadje van Nederland, amper een paar straatjes, en met een jaloers bewaakt stadsgezicht: het merendeel van de huizen is rijksmonument.
We hoopten maar dat het hotel het huiselijk comfort dat van de foto's uitstraalde waar zou maken, want mijn vriendin had haar enkel verstuikt en kon weinig anders dan strompelen, dus van lange wandelingen door het coulisselandschap zou niets komen, en die Paasvuren konden we ook wel vergeten. Nee, we moesten het hebben van de herberg. Hooguit konden we een autotochtje maken: een oud deeltje Van Egeraat ging mee in de bagage.
We hobbelden het miniatuurstadje binnen over kinderhoofdjes, passeerden geknotte bomen, lantaarns, wegwijzers in de vorm van wijzende vingers (fingerposts zegt de Brit zo mooi) en eerbiedwaardige bakstenen woningen; geen nieuwbouw te zien. Het was een kille dag met nog nauwelijks een zweempje voorjaar in de lucht, maar ik kon me voorstellen dat het hier in de zomer wel erg toeristisch zou zijn, als de druipende rieten kuipstoelen allemaal bezet zouden zijn door grijze reizigers die op de elektrische fiets een dagtocht maakten en hier zouden verpozen met koffie en gebak. De twee bloeiende restaurants pal tegenover elkaar spraken boekdelen, in de zomer was dit een soort openluchtmuseum.
We schelden aan en werden naar onze kamer geleid.
De Dickens Suite! Ik wist dat er in Bronkhorst een Dickens Museum was geweest, tot vorig jaar: toen had het zijn deuren gesloten. Deze kamer 1, met uitzicht op het nu onttakelde pand, was daar een residu van. De koperen beeltenis van de schrijver sierde de deur, een stapel van zijn romans in bijzondere edities lag op een tafeltje. Ik keek uit het raam en betreurde het dat we hier niet een jaar eerder waren gekomen. Maar mijn vriendin strekte zich met een zucht van verlichting op het weelderige bed uit, stak de bezeerde poot omhoog en vleide die neer op een kussen, en keek goedkeurend om zich heen. Beneden hadden we de haard zien branden in de Gelagkamer. Overal stonden, ter decoratie of als uitnodiging, rijen flesjes lokaal bier, met op de fleurige etiketten nét iets te leuke namen - Hop into Winter, Hoptimist. Obers en diensters draafden af en aan om iedere wens te honoreren.
Even later warmden we ons aan de knetterende vlammen. Ik dronk een Brok in de Keel, een zwaar en donker bier met tonen van laurier en rozijnen. De Gelagkamer was aardig vol, ook de eetzaal ernaast begon al vol te raken. Dat er nog een ruime lounge met een tweede vuurplaats was wisten we toen nog niet. Mijn vriendin raakte in gesprek met een vrouw die een hondenkapsalon dreef en vertelde dat je hier nog gewoon met de auto over zangweggetjes door het bos mocht rijden.
Ik voelde hoe een lauwe wolk van veiligheid en welbehagen op me neerdaalde en me omhulde. Alles was er hier in de herberg op gericht om me te behagen en me behaaglijk te doen voelen. Het was hier een behaaglijkheidsfabriek. Kom jij maar hier met je stadsstress, zeiden de vuren, de meubels, de schemerlampen, de balken van glanzend gewreven donker hout, de fonkelende glazen, we zullen jou weleens even verwennen. Ik liet ze begaan. Ik dacht: het zou altijd vijf uur moeten zijn in de gelagkamer van een herberg, op de eerste dag van je vakantieverblijf.


vrijdag 30 maart 2018

Gekakel en gekraai


Het was een kippenhok geweest, iedereen kakelde en kakelde maar. Ik had me voorgenomen stoïcijns te blijven en vredig glimlachend mijn werk te doen, alle strubbelingen aan me voorbij te laten gaan. Lekker te zwaaien met mijn stokje en verder niets. Maar onverschilligheid werd onbehagen en onbehagen ergernis, en toen die een zeker verzadigingspunt had bereikt zette ik mijn operastem op. Een beetje verbaasd en licht verontrust hoorde ik mezelf het koor de les lezen. Respectloos en onbeschoft, noemde ik hun gedrag: een sopraan deed vreselijk haar best om mooi te zingen en zij kakelden er dwars doorheen. Daarna was het even stil. Ik ging weer zitten. Ik hoorde hoe de regisseur zich verplicht voelde ook een duit in het zakje te doen. Mijn uitvallen van boosheid zijn hoogst zeldzaam, mijn sluimerend temperament moet grondig worden opgewarmd wil het zijn eigen gang gaan. En dan maakt het ook - eventjes - indruk.

De volgende dag schreef ik een mail aan het bestuur, dat het zo niet langer ging. Misschien had ik dat beter niet kunnen doen. Ik ging naar Zen en probeerde te mediteren maar daar kwam weinig van terecht. Pas tegen het einde van de sessie merkte ik waar ik was: niet in de repetitieruimte maar in het zendo. De hele verdere dag was ik moe, die vreemde moeheid die met spanning te maken heeft. Een dutje doen helpt niet, een eind wandelen helpt niet. Ik voelde me als een logge ballon waarin te veel lauwe lucht is geblazen.
Had ik de zaken maar op hun beloop moeten laten? Onthechting; ja, daar streef ik naar. Maar ook wil ik betrokken zijn. Wat ik doe wil ik met aandacht doen. Hier leken twee spirituele principes hevig te botsen. Hoe kon ik onthecht betrokken zijn?
Ik reed naar de Staatsliedenbuurt. Ik had de sleutel van het zaaltje waarin de donderdagse solistenrepetities plaatsvinden vergeten aan de regisseur te geven. Zelf kon ik niet opendoen, want ik moest eerst de kerkdienst van Witte Donderdag leiden en zou er pas later op de avond zijn. Ik dwaalde door de lange straten van die mij slecht bekende buurt, waarvan er opvallend veel met ‘van’ beginnen. Boven de woonkazernes van het voormalige krakersbolwerk bolden de wolken wit op in een fletsblauwe lucht; het was, na een verregende woensdag, opeens lente geworden. De muffe perslucht in mijn ballon zette door de warmte nog een beetje meer uit. In de Van B.-straat kon ik halverwege niet verder. Een speelplaatsje blokkeerde de weg. Ik draaide een zijstraat in en reed op richtingsgevoel door de buurt tot ik in het vervolg van de straat kwam, dat bleek te grenzen aan de Haarlemmerweg. Hier was het stil, een beetje dorps. Vogels kwetterden kalm. Ik dacht vol verlangen aan ons naderende uitje met Pasen.  Een hotel met gelagkamer in de Achterhoek, net als vorig jaar. Paasvuren. Wandelingen. Weg van de stad en het hoenderhok. 
Ik deed de envelop waarin ik de sleutel had gestoken in de brievenbus.  Op de terugweg stond ik een tijdje vast in de altijd-drukke Van Baerlestraat. Toen ik thuiskwam dacht ik: je hebt nu ruim anderhalf uur verspild met het doen van iets dat niet gedaan had hoeven worden, als je je kop erbij had gehouden. Als je je niet gek had laten maken door al het gekakel.  Als je die haan in jezelf niet had laten kraaien. En daarmee had ik het antwoord op mijn eerdere vraag. Het is allemaal een kwestie van timen en doseren. Betrokkenheid is goed. Maar te veel betrokkenheid, zonder onthechting op zijn tijd, is contraproductief.  

dinsdag 20 maart 2018

De rode Bommel van Matena

We aten oesters in Hotel Buiten aan de Sloterplas, Karl en Renate, mijn vriendin en ik. Het was praktisch de vooravond van mijn verjaardag, en Karl had een fors pakket bij zich. 
'Ik weet niet of je het leuk vindt, anders mag je het gerust wegdoen,' zei hij, 'ik heb dit het afgelopen jaar in diverse boekwinkeltjes verzameld.' 
Ik pakte het uit en er kwam een hele verzameling Bommeliania tevoorschijn: de Bommel Glossy, de Bommel Reisgids, en andere dergelijke publicaties voor liefhebbers. Ik zei dat ik dat wel degelijk nog steeds leuk vond. We legden de boekjes terzijde, verdiepten ons in de menukaart en vroegen plagerig aan de piepjonge ober of er wel genoeg hagel in de fazant zat.

'Nog steeds leuk' is verre van adequaat uitgedrukt. De besmetting met het Toondervirus die ik in jonge jaren heb opgelopen gaat nooit over. Ik slaag er nog maar zelden in om een heel verhaal uit te lezen maar blijf gefascineerd door alles wat met Toonder te maken heeft. Ik ben lid van Facebookpagina´s en geniet van de plaatjes die daarop worden gezet, die me meer zeggen dan de verhalen tegenwoordig: ze zijn een wereld op zichzelf, ingekaderd als schilderijtjes, ze rakelen de oude magie op, door de suggestie die er nog steeds vanuit gaat, los van de toch wat pedante, soms stroeve of juist rammelende verhalen.
Die fascinatie leidde een aantal jaar geleden tot een grote teleurstelling. Ik las de briefwisseling tussen Toonder en Dick Matena en de eerste donderde van zijn voetstuk. Een charmante dwingeland, een geslepen regisseur die zijn medewerkers voor hem liet dansen en zelf met de eer ging strijken.
Goed, wijzer geworden - anonieme tekenaars zoals de geniale Piet Wijn maakten de potloodtekeningen van de Bommelstrip, Toonder inktte ze 'slechts' - pakte ik de draad weer op, las af en toe wat in de Bommelsaga en genoot van de plaatjes en de herinnering. Alles was in wezen in orde. Tot vorige week.

Bij het verjaardagspakket was een ballonstrip: Tom Poes en de Pas-kaart. In 2014 gemaakt door dezelfde Dick Matena. De ochtend na het etentje monsterde ik de toestand van de wereld en besloot dat het wijs was om me nog wat in bed terug te trekken. Een stripboekje kon ik nog wel aan, dacht ik.
Ik begon achterin. In een interview over de ontstaansgeschiedenis van de strip vertelt Matena (destijds zeventig) dat hij twee ballonstrips had gemaakt samen met Toonder, na diens pensioen. Toonder gaf de aanwijzingen, Matena tekende. Dit had de derde moeten worden, maar aan de samenwerking kwam een vroegtijdig einde. Toonder werd gek van zijn eigen onmacht - hij kon niet langer uitvlakken, voordoen en corrigeren - en Matena werd gek van Toonder: de vriendschap tussen beide stijfkoppen dreigde te bezwijken onder de samenwerking.
Toen het verhaal jaren later alsnog werd voltooid - of liever: opnieuw werd gemaakt - wilde Matena meer dan een Tom Poes-avontuur zoals die in de Donald Duck stonden, hij wilde een klassieke Bommel maken. 

Hier begint de ellende, denk ik. Want de in 2005 overleden Toonder had per testament beschikt dat 'zijn' Bommel uitsluitend nog in ballonstrips mocht voortleven; de beroemde tekststrip nam hij mee het graf in. Als resultaat van die restrictie heeft de 'enige wettige opvolger' van Toonder een ballonstrip gemaakt die bomvol staat met overladen tekstballonnetjes. Dat maakt een rommelige indruk. Maar misschien nog rommeliger zijn de tekeningen zelf: Matena heeft een eigen, snel ogende stijl en experimenteert nog steeds graag. Maar na lezing van het verhaal moest ik steeds, bijna dwangmatig, de tekeningen opnieuw bekijken: was dit nou 'snel', 'eigen stijl', of gewoon slordig? Die bomen, die niets van de romantische Toonderbomen hadden met hun gestileerde kronkels en knoesten, maar uit enkele penseelstreken of pennenveegjes bestonden... was dat opzet? En het feit dat Slot Bommelstein er op strook zes geheel anders uitziet dan op strook 16... opzettelijke vrijheid, of verstrooidheid, willekeur? Strookje 10 lijkt wel onaf en half-ingekleurd... En dan Bommel zelf! Die heeft een bij vlagen barse hondenkop, die een geheel nieuwe interpretatie laat zien van de vertrouwde heer zoals we hem uit de dagstrip kennen.

In de uitleiding staat een fax van Toonder afgedrukt. Daarin geeft hij kritiek op Matena's Bommel: die is veel te rood (hij moet teddybeer-gelig zijn), de oortjes zijn te groot, en het voorhoofd is te hoog waardoor hij een te intelligente indruk maakt (sic!); de oude reumatische hand levert er een tekening bij van hoe het wél moet. Een verrassend staaltje van trefzekerheid, dat de van zijn voetstuk getrokken Toonder weer een beetje op de sokkel hijst. 'Slechts inktte...' Dat bittere oordeel kan bij het grofvuil.
In Tom Poes en de Pas-kaart heeft Matena deze instructies van zijn voormalige leermeester aan zijn laars gelapt. Ik kwam er al terugbladerend maar niet uit: was dit opzet of onmacht? Stijl of zwakte? Laat hierover geen misverstand bestaan: Matena kan het als geen ander. Zie achterin het album het prachtige ontwerp voor de nooit voltooide eerste versie van het verhaal, helemaal in de beste Toonderstijl gedaan. Waarom is hij dan zo eigenzinnig aan de haal gegaan met zijn legaat?
De boeddhist in mij zegt dat Matena mag doen wat hij wil met Bommel... Toonders zegen heeft hij gekregen, en wie ben ik om de verandering tegen te willen houden? 
Maar iets anders in mij - iets dat zoekt naar houvast en bestendigheid - verzet zich hevig tegen deze chaos. Bommel was - met de dood van zijn bedenker - af. Dat was fijn overzichtelijk. Nu rommelt hij maar door in Rommeldam in zijn rode pels, en hoe ik dat in mijn wereldbeeld moet inpassen weet ik niet zo gauw.

En het aller-, allerergste heb ik voor het laatst bewaard: Bommel rookt geen pijp!


Naschrift: Ik las het verhaal in de albumversie uit 2015, waarin vier stroken per bladzijde staan afgedrukt. Waarschijnlijk draagt deze gecomprimeerde druk wel bij aan de rommelige indruk. De oorspronkelijke oblong-uitgave met één (grote) strook per bladzijde zal ongetwijfeld in Matena 's voordeel uitpakken.

dinsdag 13 maart 2018

Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, derde jaargang!


Marijke. Pluiziger truitje droeg geen meisje. Zachtroze was het, in mijn herinnering. We waren verlegen verliefd op elkaar. Op de schrikkeldans van donderdag 29 februari 1968 vroeg ze me ten dans, tot mijn lichte, plezierige schrik. Ik zal hevig gebloosd hebben maar heb verder aan die gelegenheid geen herinnering; het meeste van die tijd heeft zich in een mist teruggetrokken, ook deze schrikkeldans.
Vijftig jaar later zit ze vooraan in het Van Eesteren Museum  als ik zing over Geuzenveld, het dorp-in-de-stad waar we allebei vandaan komen. De tekst is van Peter B., onze klasgenoot van toen. Die dook een jaar of vijf geleden uit diezelfde mist op en bemoeide zich op aangename wijze met mijn leven tot hij weer ruggelings verdween, eerst langzaam, allengs sneller, onderweg naar een zelfgekozen kluizenaarschap; al zijn sporen wiste hij al doende uit: zelfs op Internet (waar ooit twee blogs van hem floreerden) is niets meer van hem te vinden. 

Uit de straten duiken nevels op.
Spelend met de stilte keer ik terug,
en voed mijn sluimerend verlangen 
met geluiden van een vergeten dag.

Dag Peter... Ik respecteer je keuze en verberg je voortaan weer achter een initiaal.
Robert Eksteen, onze wederzijdse vriend, de Dwarse Man, is er ook: schuin achter Marijke zit hij, een beetje achteraan zoals zijn gewoonte is. Twee vreemde namen schieten me te binnen, als ik die bedaagde heer zie en mijzelf in zijn ogen zie -  een andere bedaagde heer: Lorrik en Sorrik. Lorrik en Sorrik waren onze kinderlijke alter ego's, onder die naam bevolkten we onze eigen planeten, waarvan we gedetailleerde kaarten mee naar school namen. Er was ook een Jorrik: de naam van Peters avatar. Ik zie me nog staan bij de ingang van de Pieter Jelles Troelstraschool met zo'n landkaart in handen. Het was de rechter zijingang van de school, aan de Savornin Lohmanstraat. (Dat is wel vreemd, want aan die kant gingen we binnen tot en met de derde klas; de vierde klas hadden we les in het houten noodgebouw, de vijfde en zesde brachten we door op de bovenverdieping van de linkervleugel van de school. Het ontwerpen van hele planeten en hun bewoners lijkt me meer iets voor de hogere klassen, maar ik kan me vergissen; helaas is dit nooit meer te verifiëren: al wat ik heb is dat plaatje, dat zich niet laat ontkennen, dat er ontegenzeggelijk is, van ons bij de linkerpoort van de school, met die kaart van een fictieve wereld in onze handen. Ik geloof dat het een herfstdag was.) 

Het boekje wordt gepresenteerd. Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, deel drie alweer, ditmaal met bijdragen van twintig schrijvers die ofwel in Nieuw-West hebben gewoond of dat nog steeds doen. Eerste exemplaren gaan naar boekenblogger Leo Willemse en sportjournalist David Endt, beiden uit de buurt afkomstig. David is hier vanwege het motto van het boekje, een gedicht van zijn vader Enno Endt. Ik heb die verzen ooit op muziek gezet en ze zojuist ten gehore gebracht. We maken een praatje. Hij blijkt een charmante man en bedankt me gracieus voor de uitvoering. Slotervaart, 1958 heet het gedicht. Het stamt uit 1994 en staat in facsimile op pagina vijf:

Geboren, en daarvan uitgerust -
met jong-en-domzijn toegerust,
de buitenwijk van een winterstad:
huizen in de vriesklucht strak,
een boom, nog klein, en zonder blad
dat roert, dat het gemoed verwart..
Glashelder ruim is naast de stad
een buitenwijk onbewust.

Een strakke, geometrische buurt, een tekentafelbuurt. Ontworpen door Cornelis van Eesteren, aan wie nu een museum is gewijd. Wel geen nieuwe planeet, zoals wij ze in Geuzenveld ontwierpen, maar toch... een nieuwe stad, gedrapeerd rondom een kunstmatig meer.
Ik bekijk het omslag van het boek. Een sfeervol aquarel van Hans Duyvendak, emeritus architect en vader van 'mijn' Marijke. Een rijtjeshuis in de sneeuw, in Geuzenveld - in precies zo een huis woonden wij. Ik had nooit kunnen bedenken dat er ter ere van onze prozaïsche nieuwbouw ooit zulke romantische kunst gemaakt zou worden; beetje Turner, beetje Haagse School... Alleen al het feit dat dit en soortgelijke aquarellen uit de mist van het verleden zijn opgedoken rechtvaardigt het verschijnen van dit fijne boek.

Tussen Andreasplein en Zwarte Pad is te bestellen via www.stichtingdriehoek.nl


vrijdag 2 maart 2018

Brabantsche brieven

Te vondeling gelegde boeken, je ziet ze steeds meer, al of niet met een bordje 'gratis meenemen' erbij. 
Vroeger was er in mijn buurt één kastje aan de straat, op de Stadionweg, tegenover het Beatrixpark. Nu tel ik er vijf in een straal van een paar honderd meter rondom mijn huis. En je hoeft niks terug te leggen in ruil voor het meenemen, men is allang blij dat ze niet in de papierversnipperaar terechtkomen, de wegens ruimtegebrek uit huis geplaatste publicaties.

Het zijn trouwens niet alleen kastjes aan de straat die de verweesde boekjes uitstallen; ook in openbare ruimten (cafés, buurthuizen, hotels, campings) zie je ze steeds meer, op planken langs de muur of gewoon ordeloos opeengestapeld; aandoenlijk, maar ik word er zo langzamerhand wel een beetje mies van. Zwerfkatten in zuidelijke landen, schurftig, broodmager en vuil. Ze afschieten is een daad van erbarmen.

Ik neem er soms eentje mee naar huis. Uit hebzucht, uit medelijden ('dat is toch zonde om weg te doen') of uit oprecht verlangen het werkje te lezen. Dat laatste komt weleens voor, gelukkig. Zo las ik Kurt Vonnegut, Evelyn Waugh, Arthur van Schendel, Bertus Aafjes, Graham Swift, T.S. Eliot en Janwillem van de Wetering in edities die in andere gevallen bij de Kringloop terecht waren gekomen.

Mijn laatste exemplaar komt uit het Sarphatihuis. We repeteren daar met de operette. Gewezen dronkaards schuifelen er spookachtig door de gangen; Ramses Shaffy was niet de enige lijder aan het Syndroom van Korsakoff die in dat statige negentiende-eeuwse gebouw zijn laatste dagen sleet.
In een onduidelijke tussenruimte op de eerste verdieping staan rijen boeken uitgestald, rug aan rug op een loos muurtje. Delen van de Winkler Prins, vergeelde romans; mooie en moeilijke boeken vaak, die schrijnend laten zien dat de rondwarende schimmen met hun holle blik ooit een actief geestelijk leven hebben gekend.
Het in grijs linnen gebonden boek met de titel Brabantsche brieven van Dré had ik al een paar maal in handen genomen, als ik in de pauze even mijn piano ontvluchtte en door de gangen dwaalde. Maar ach, wat moest ik ermee? Het zag er wel mooi uit, verlucht met kleine vignet-achtige houtsneden. Maar zou ik zoiets ooit lezen? Toch nam ik het afgelopen dinsdag in een impuls mee en stopte het in de tas bij de partituur van La vie Parisienne.

In bed bladerde ik het door, hier en daar las ik wat. Mijn vader had dat beter gedaan, in dialect schrijven, vond ik. Die schreef in zijn verhalen alleen de van het standaard Nederlands afwijkende woorden fonetisch op. Deze schrijver, zich verschuilende achter zijn alter ego Dré - woonachtig in Ulvenhout en van beroep varkensfokker (vèrkensfokker) -, imiteerde onvermoeibaar de spreektaal, zodat het woordbeeld bepaald onrustig werd. 'Want as ge wa-d-ouwer wordt, dan gerokte weer olleen.' Wa-d-ouwer... Dat is nog een stapje verder dan Nescio met zijn paste-n-i wel op.... Als je daaraan begint zou ook 'gewoon' Nederlands een exotische bladspiegel opleveren. 
Wat ik las vond ik op het eerste gezicht nogal melig. De poëzie van 'een' Felix Timmermans (aan wie ik moest denken door de streektaal en door die houtsneden) was hier ver te zoeken. Het humoristisch bedoelde boekje uit de late jaren twintig mikte vermoedelijk op een stads lezerspubliek dat zich liet vertederen door de benijdenswaardige onbevangenheid en vermeende natuurlijkheid van die Brabantse boeren, leek me zo; de uitgever (L.J. Goddard) zetelde niet voor niets in Den Haag.

De volgende dag googelde ik. De schrijver kwam uit Breda, heette A.A.L. Graumans (1894-1955), was tekenaar en journalist, auteur van een veelgeprezen socialistische roman, populair door zijn radiopraatjes en cursiefjes in 'sappig Brabants', hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander, lid van de NSB; na de oorlog tot vijf jaar ontzegging van beroepsuitoefening veroordeeld, niet lang daarna gestorven. Een fotootje liet een man zien met een forse kuif en een pijp. Een foute, pijprokende dialectschrijver - onze eigen Felix Timmermans, jawel.

Het boekje had me de vorige avond in bed eerlijk gezegd nogal treurig gemaakt. Wat ik ermee wilde was namelijk onmogelijk: het met mijn vader bespreken; kende hij de auteur, wat vond hij ervan? 
Besluiteloos bladerde ik het nog eens door, streek met mijn vingers over het ruwe linnen. Het was een mooi verzorgd boek maar het moest maar weer terug naar het Sarphatihuis.
Ik had, besefte ik, Brabantsche brieven eigenlijk voor mijn vader opgeraapt.

zaterdag 17 februari 2018

Requiem voor een VW-busje




















In 't volst vertrouwen ging 'k van huis,
ver weg van katten, bed en buis -
want wat kon mij daarginds gebeuren?
Het busje was een rijdend thuis.


Voorsmaak van de lente, 17 februari 2018

Ik keek naar oude foto's en ze leefden weer -
alleen van dat glas witte wijn kon dat niet komen;
ik opende de deur naar het balkon en hoorde
de eerste merel van het jaar.