dinsdag 12 december 2017

Kerstboom kopen


De kerstbomenverkoper lijkt op A. L. Snijders. Alleen zijn wenkbrauwen zijn iets minder borstelig. Hij keek ons eens goed aan, herkende ons ondanks mutsen en kragen, en groette vriendelijk. We waren laat, er waren nog maar een paar bomen. Om ons heen duizelde de sneeuwjacht. Onze boom ging de worstmachine in en werd in een net gegoten. Ik telde mijn geld: net geen veertig euro. 'Vijfendertig is ook goed,' zei Snijders. 'Ik heb het pinautomaatje al ingepakt.' We bedankten en zwaaiden. 'Tot volgend jaar maar weer!'
Toen we met onze aankoop door onze straat zeulden sprak een voorbijganger ons aan: 'Wat zien jullie er kerstig uit!'
Mijn dochter zong Weet u ook de weg naar Osdorp, een liedje dat ik bijna vergeten was, over een andere legendarische sneeuwstorm, die van precies zeven jaar geleden. Even later draaiden we het plaatje, terwijl de boom stond uit te druipen. De tekst van het liedje kan ik nergens meer vinden, het blogverhaaltje waarop het is gebaseerd wel. Zie HIER.


(Foto: Maria van Spaendonck)

vrijdag 8 december 2017

De wonderen der moderne telephonie

Groter contrast dan dat tussen de meisjes van de telefoonwinkel kon moeilijk bestaan. De een vlasblond en wasbleek, flegmatisch, de ander levendig en zwart als de in opspraak geraakte knecht van een katholiek weldoener. Maar allebei waren ze klein, slim, behulpzaam en goedlachs. Ze keken met grote ogen naar het antieke telefoontje dat ik hun voorhield en lachten verrukt  toen ik vertelde op de smartphone over te willen stappen. Ik was overstag gegaan, het mobiele celibaat was niet meer vol te houden geweest.
'Waar komt u vandaan?' vroeg de een. Ik zei dat ik vlakbij woonde, maar zag op hetzelfde moment mezelf door hun ogen: een oudere heer in een stemmige winterjas met een gleufhoed en een witte sinterklaasbaard. Waarschijnlijk had ze bedoeld te vragen of ik wel van deze planeet afkomstig was.
Thuisgekomen liet ik me door mijn dochters onderwijzen in de noodzakelijke vaardigheden die een smartphonegebruiker moet hebben. Ik merkte al gauw dat het internet dat je op deze dingen ontvangt van een gevaarlijker en agressiever soort is dan het internet dat mijn computer bezielt. Een eindeloze vloed reclame en andere nonsens spoelde over de Facebook-wall en door mijn mailbox. Ik zat daar met een geldig toegangsbewijs voor de Chaos in mijn hand.
Toen ik even later op bed ging liggen voor een middagdutje, als de bedaagde zestiger die ik ben, keek ik niet zoals gewoonlijk naar de wolken, maar scrolde ik langs YouTube-filmpjes. Met het excuus, voor mezelf, dat ik toch eens moest zien hoe mijn eigen video's het deden op een telefoontje: een gewoonte zou ik daar natuurlijk niet van maken - nee, ik niet!
Na het avondeten werd het onderwijs vervolgd. Gezellig op de bank naast mijn dochter leerde ik WhatsAppen, of eppen, zoals de volksmond zegt. Algauw werd mijn zoon op afstand in het complot betrokken. Lacherig (dat konden we zien aan de emoticons) en enthousiast uitte hij zijn bewondering voor zijn flexibele vader. Had ik een speciaal groot lettertype voor 44-plussers ingesteld? Nee natuurlijk, antwoordde ik, met een paars duiveltje erbij. Er klonk een fluittoon (mijn smartphone fluit schalks, zoals bouwvakkers heel vroeger deden naar een passerende vrouw) en - floep! - daar was een nieuwe groeps-chat geboren, de Gulden WhatApp Groep. Een familieberaad, al snel ging het over het aanstaande kerstdiner. Na een half uurtje kreeg ik er genoeg van en kondigde ik aan dat ik me terugtrok. Vanuit mijn bed hoorde ik in de verte het kokette fluittoontje nog lange tijd klinken, terwijl ik me in mijn boek probeerde te verdiepen. Ik had nu al heimwee naar mijn oude rode telefoontje, dat alleen maar simpele tekstberichtjes kon weergeven, en dat ik rustig op mijn nachtkastje durfde te leggen.
Vanmorgen verliet ik, tamelijk laat, in badjas en sloffen mijn slaapkamer. Ik trok de gordijnen open, gaf de katten te eten en knipte mijn pc aan. Maar lang voordat de vooroorlogse technologie van die machine op stoom was gekomen had ik op mijn wakkere telefoontje al gezien hoeveel mails en berichten ik had. Bovendien was er terwijl ik sliep een nieuwe groep aangemaakt, voor de opa's en oma's, met foto's van mijn kleindochter. En een vriend 'zwaaide' naar me, via Messenger, ik zag zijn fotootje rechts bovenin, hij lachte me toe. Toen het scherm van mijn pc eindelijk zover was dat ik ermee aan de slag kon gaan leek het allemaal oud nieuws wat dat apparaat te bieden had. Mijn blik dwaalde verveeld af, naar buiten. Daar begon het te sneeuwen. Voorwaar, de wereld is vol wonderen voor wie een Samsung Galaxy Grand Prime bezit.

donderdag 7 december 2017

Een winterboek


De feestdagen naderen. Met een beetje geluk betekent dat: een luie stoel bij de haard, en een glas binnen handbereik dat fonkelt in het kaarslicht. Omstandigheden die vragen om een fijn boek. Maar Het meisje met de zwavelstokjes, A Christmas Carol en Bezorgde Ouders hebt u al gelezen. Op zoek naar een ander winterboek, een echte seizoensroman, waarin de dagen korten en de sneeuw dwarrelt en knispert? Probeer De sigarenwinkel. Maak € 19,50 over op NL85 INGB 0680 2522 15 ten name van W.S. Huberts te Nijmegen, onder vermelding van 'Sigaar’ en met opgave van uw naam en adres. Let op, dit bedrag is inclusief verzendkosten.

‘Halverwege die maand begon het te sneeuwen. Het was daarmee het tweede opeenvolgende jaar met een ouderwetse winter, van het soort dat hij zich herinnerde uit zijn kindertijd. Dat zulke winters toen even zeldzaam waren geweest als ze nu waren besefte hij wel -  het geheugen is een zeef waarin alleen achterblijft wat substantie genoeg bezit. De mening van de man in de straat was evenwel dat klimaatpessimisten en andere globale doemdenkers voor niks paniek gezaaid hadden, en de omstandigheden leken de stem des volks grootmoedig gelijk te geven. Een gure wind blies sneeuwstorm na sneeuwstorm over het land, de wegen waren dichtgeslibd met files en de treinen reden volgens een krakkemikkige nooddienstregeling. Er heerste een mengsel van anarchie en saamhorigheid dat het ontregelde openbare leven in de stad bijna dorps gemoedelijk maakte.’

(De sigarenwinkel, hoofdstuk XI: De verbouwing)


dinsdag 5 december 2017

Heerlijk avondje


"We stonden in een rij te bibberen op de trap. De kolenkachel was nog niet aan en het was donker. Mijn vader ging voorop om te kijken of er niet nog een Zwarte Piet was achtergebleven. Als hij het plotseling niet meer vertrouwde huis voor veilig verklaarde haastten we ons naar beneden. Het komende half uur waren we elkaar en alles om ons heen vergeten en gingen we helemaal op in de cadeaus die op tafel stonden. Nooit zijn cadeaus mooier geweest dan toen: zonder pakpapier, strikken of linten in het halfdonker van de decembermorgen open en bloot en tastbaar uitgestald op een tafel waar gisteren nog niets had gestaan - een wonder."

(Uit: Sint, 6 december 2013)

vrijdag 1 december 2017

Geen kannetjes


Een kort, schor getinkel gaf aan dat de sessie afgelopen was. Hier in ons tot zendo omgetoverd buurthuis klinkt niet de zuivere, nazinderende toon van een klankschaal; de Zenmeesteres stelt weinig eisen, een bronzen belletje van beperkte capaciteit voldoet. Ik deed mijn ogen open en ving met mijn blik een meesje, dat druk zat te doen op een boomtak. Gefascineerd bleef ik kijken, al het andere vergeten. Om me heen klonken de geluiden van rekken en strekken. 'Maak bewegingen waar je behoefte aan hebt,' zei de Zenmeesteres. Ik bleef koppig zitten. 'En als ik nou toevallig behoefte heb om naar dit meesje te kijken?' dacht ik. Meteen daarna dacht ik dat ik een moment van onthechting had gekend, zo'n kostbaar moment waarnaar wie mediteert op zoek is; maar het eeuwige commentaar in mijn hoofd had er korte metten mee gemaakt.

Aan het eind van die sombere, druilerige en stille dag sms'te mijn vriendin. Of ik zin had ergens te gaan eten, ze was voor haar werk bij mij in de buurt.
Even later stonden we voor het raam van het restaurant van Yannis de Neus. Aarzelend: zouden we dat nou wel doen? Dit was een geliefd adres van vroeger, van mijn natte tijd. Sinds mijn 'bekering' waren we er nooit meer geweest. Een regenvlaag sloeg ons in het gezicht. 'Kom,' besloot mijn vriendin, 'als je belooft niet tot het gaatje te gaan. Geen kannetjes.' Ik beloofde het lachend. Ze doelde op de gewoonte van Yannis om als de zaken uit de hand liepen en er woest werd gedanst, met een kannetje rond te gaan waarmee hij de raki rechtstreeks in je mond goot. 'Die man drinkt zelf ook allang niet meer,' opperde ik.
We hadden gedacht dat de alcoholische Kretenzer ons na al die tijd niet meer zou kennen, maar hij omhelsde ons en begroef zijn enorme gok, die hem op een stripfiguur doet lijken, met een zoen in het rode haar van mijn vriendin. We kregen om te beginnen een salade, brood en wijn. Yannis warmde zich achter de bar op met een bel Metaxa, zong, zachtjes nog, mee met de rebetica.
Ik voelde me een beetje schuldig, bekende ik. Het was een gewone doordeweekse dag. Ik bedierf de standaard soberheid met dit uitstapje. Ik moest nog twaalf repetities en drie uitvoeringen leiden tot kerstmis, had ik uitgerekend, dan was ik vrij. Het meesje van die morgen nam de gedaante aan van mijn vriendin en sprak: 'Als je die adventskalender van jou netjes afgaat, al je werk doet en alles op alles zet tot je eindelijk een weekje vakantie hebt met kerst, dan rust daar al bij voorbaat veel te veel druk op. Dan kan dat alleen maar tegenvallen. Je moet toch ook van dit moment kunnen genieten? Beschouw het als een onverwacht cadeautje.'
Yannis kwam met borden konijn en kip. Op zijn T-shirt stond: 'Δεν ελπίζω τίποτα, δεν φοβούμαι τίποταείμαι λέφτερος.' 
Ik hoop niets, ik vrees niets, ik ben vrij.
Vrij is wie noch aan verslaving, noch aan verlangen, noch aan beperking gehoorzaamt. 

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Nog op zoek naar een Sinterklaascadeau? Een prachtig prentenboek voor jong en oud? Bestel: De meermin, het monster en de maan !



dinsdag 28 november 2017

Rochelend heen, gatkrabbend en krom


Vandaag precies vijftien jaar dood: Lennaert Nijgh. Ik blader in zijn brieven, denk aan hem zoals ik me hem had voorgesteld, denk aan hem zoals ik hem heb leren kennen, denk aan hem zoals ik hem nadien ben gaan begrijpen. Vergeten is hij allerminst, de mottige nachtuil Nijgh: zijn nagedachtenis is zelfs levendiger dan vijf, dan tien jaar geleden. Het boek Tobia, zijn enige roman, is voor de derde keer uitgebracht, er zijn een theatervoorstelling en een hoorspel naar gemaakt. 'Moet dat nou?' verzuchtte mijn vriend Karl, met wie ik ooit het boek deelde. Het voelt niet altijd prettig om het erfgoed van je jeugdhelden, dat ooit jouw persoonlijk bezit leek, zo uitgemolken te zien. Ofwel, in Karls woorden: 'Waar wij ooit, voetje voor voetje onze weg vonden, rijden nu de bussen toeristen af en aan, alles plettend.'
Overmorgen wordt een nieuw boek gepresenteerd van biograaf Peter Voskuil dat tot nog toe onbekend materiaal bevat. Er staan onder meer een paar brieven in die Lennaert aan mij schreef. Brieven die als volgt konden eindigen:

"Niettemin, laat er hoop zijn. Is het niet werkelijke hoop, dan maar uit de macht der gewoonte.
Ik doe van mij horen. Drink, heb lief en leef in vrede.

w.g. Oud & Ziek, & alle dagen Zat.

(rochelend heen, gatkrabbend en krom)"

of:

"Met sombere groet en mompelend in het duister weg strompelend, verdwijnt hij, de wonderlijke oude. Barrevoets en aangeblaft door de honden.
Mompelt: 'Kut!' Mompelt: 'Klote!'
En gaat, de winter tegemoet."

Ik kan deze vijftiende sterfdag, een dag waarop de hagel met knekelvingers op de ramen roffelt (vrij naar L.N.), niet laten passeren zonder iets over Lennaert te schrijven. Maar ik voel me machteloos; wat ik ook verzin, het wil maar niets worden, het blijft armoedig en overbodig. 'Gemompel van bedelaars', meer niet. Beter over Lennaert schrijven als de lente weer regeert en alles groen is, ook de herinnering.
Ik volsta met het citeren van het stukje dat ik hier vijf jaar geleden plaatste.
"Vandaag tien jaar geleden werd ik gebeld door Anja Bak. ‘Als je Lennaert nog wilt zien, moet je snel zijn.’
Ik sprong in de auto en reed naar Haarlem. In het Kennemer Gasthuis ving Anja me op. ‘Je bent net te laat, hij is een kwartier geleden overleden.’ Ik wilde naar zijn sterfkamer gaan. Ze hield me met zachte drang tegen maar kon niet verhinderen dat ik op de gang een brancard zag die werd weggereden. Daarop lag een uitgemergeld wassen beeld. Aan de gouden zeemansoorring herkende ik onmiddellijk mijn vriend.
Even later zat ik met de andere intimi in een kamer. Ze leefden al een dag of langer met zijn onafwendbare dood, dus waren een stap verder dan ik. Het gesprek had een gedempte opgewektheid. Boudewijn vroeg me iets over inzingen, hoe deden klassieke zangers dat? Lennaerts drie ex-vrouwen zaten zusterlijk bijeen en praatten over praktische zaken. Astrid zuchtte af en toe, pinkte een traantje weg en baste: ‘Die goeie Len. Arme jongen.’ Een verre neef zat er zwijgend bij. Hij wist zich niet goed een houding te geven. Hij was de erfgenaam maar kende zijn familielid volgens mij nauwelijks.

Mijn vriendschap met de Haarlemse dichter was een merkwaardige. Als we elkaar ontmoetten was het of daar twee afgezanten van onze werkelijke persoonlijkheden zaten, elkaar aftastend en verlegen met de situatie. Ik werd gehinderd door de bewondering voor mijn jeugdheld. Op mijn best maakte ik mezelf groter dan ik was en speelde met bravoure de man van de wereld. Op mijn slechtst voelde ik me volkomen misplaatst in de bruine cafés waarvan Lennaert zijn huiskamer had gemaakt, een kleine jongen tussen zware mannen.
Een enkele keer nam hij me mee naar een restaurant, om zonder het laconieke commentaar van zijn meeluisterende kroegmaten van gedachten te wisselen. Maar ook dan was het gesprek moeizaam. Nijgh kon zich slecht uiten en was bovendien moeilijk te verstaan: ‘Geheimzinnige Ziekte aan de stembanden’. Veelbetekenende korte opmerkingen en expressieve kreetjes, daar moest ik het veelal mee doen. Vaak was alles Zwaar Kut. Waarom precies, dat zou hij me in zijn volgende brief wel uitleggen. Ondertussen dwaalde zijn blik afwezig door de ruimte. Soms keek hij me even oplettend aan, maar ook dan was het of hij eigenlijk met een ander praatte en ik het toevallige onderwerp van gesprek was, dat hij eens goed moest observeren.
Die ander was hijzelf. Nijgh was een verlegen man, een eenzame wolf, die in zijn hart niets liever wilde dan liefde, warmte en wederzijds begrip, maar niet bij machte was die levensbehoeften te vervullen. Daarbij zat hij vooral zichzelf in de weg, want als ras-romanticus legde hij de lat hoog. De norm waaraan het leven moest voldoen was ergens in een ver verleden vastgelegd. Van zijn jeugddromen kon en wilde hij geen afstand doen. Dus vertoefde het meest wezenlijke deel van hem elders, in een binnenwereld, onbereikbaar voor zijn tijdgenoten.
Echte gesprekken met Lennaert had ik alleen op papier. In zijn brieven kon hij gevoelens die onder vier ogen onbespreekbaar waren makkelijker uiten en was hij soms pijnlijk openhartig. Vermomd met ironie en zelfspot, dat wel, of, als hij in een literaire bui was, zwaar aangezet met archaïsche frasen. Prachtige brieven waren dat, die me beurtelings tot tranen roerden en deden schaterlachen.
Toen die brieven in de laatste jaren steeds korter en droger werden wist ik dat hij zich uiteindelijk geen illusies meer maakte. Zijn dromen waren op, net als zijn lichaam."

vrijdag 24 november 2017

DE SIGARENWINKEL

Eindelijk is het zover. Het boek lag lang te sluimeren, eerst op mijn harde schijf, toen op die van de uitgever, maar nu mag het naar buiten. Het wordt losgelaten en is vanaf nu vogelvrij, iedereen mag erop schieten. En daarmee op mij - op de pijn die dat misschien gaat doen hoop ik voorbereid te zijn.

Waarom schrijft een mens een roman, als hij geen romanschrijver is? Omdat het een soort meesterproef is?
Liefhebbers van mijn manier van schrijven hebben vaak gezegd: 'Wanneer komt je boek?'
Er kwam een boek, maar dat bedoelden ze niet; een boek, dat is een roman, geen verzameling stukjes. Ik antwoordde dat ik geen roman in me had, geen roman ambieerde te schrijven. Sommige mensen zijn geboren voor de heldhaftige verfstreek op een paar vierkante meter linnen, andere voor het arceren met een tekenpennetje. Ik behoorde tot de laatste categorie.
Maar het kriebelde, het jeukte. En op een dag deden aanleiding en onderwerp zich voor. Ik liep langs de sigarenwinkel waar ik in slechte dagen had gewerkt en zag een advertentie. Zo'n zelfde advertentie had me er destijds doen solliciteren. De beginscène van het boek was er, samen met het euforische maar ook onzekere gevoel, dat ik op het punt stond een nieuw en spannend traject te beginnen.
De start bleek verrassend gemakkelijk. Jarenlang kalenders schrijven hadden me de juiste omgang met een omvangrijk werk bijgebracht: gewoon maar beginnen, niet te veel vooruitkijken en elke dag trouw een portie doen - op zeker moment is het dan klaar; vooropgesteld dat je structuur en grote lijn van meet af aan duidelijk voor je ziet.
Welnu, die zag ik. De geschiedenis die ik ging vertellen was immers waar gebeurd? Een afgeronde periode in mijn leven, een vertelling met kop en staart, die niet echt prettig was om aan terug te denken maar als boek, als roman, tenminste nog ergens voor zou deugen.

Maar na een paar hoofdstukken ontdekte ik dat ik vast zat. Hoezeer de werkelijkheid ook de richting aanwees, ik kwam niet verder in mijn verhaal. En toen nam ik een dapper besluit. Ik zou gaan verzinnen. Ik zou gaan liegen. Dat was toch waarin de fictie zich onderscheidde van de werkelijkheid, nietwaar? Een nieuwe hoofdpersoon deed haar intrede. Ik leende het uiterlijk van iemand die ik van gezicht kende en vulde dat in met een mengsel van vrouwen die ik beter gekend had. Toen ik mijn eerste regels van deze nieuwe verhaallijn intikte gaf me die handeling een duizelig gevoel. Dit was macht, dit was doodenge verantwoordelijkheid. Alles was mogelijk! Dus zo voelde de romancier zich...
Daarna schreef het boek zichzelf weer, het was vrij; het kon, binnen de beperkingen die de grote dramatische lijn stelde, alle kanten op. Aan het eind gekomen herschreef ik de eerste hoofdstukken, om ze meer te laten rijmen met de latere.

Het schrijven van De sigarenwinkel was pijnlijk. Ik heb weinig reden om trots te zijn op de beschreven periode en die werd genadeloos opgerakeld. Maar vanaf het moment dat ik nadrukkelijk (autobiografische) fictie schreef was het toch minder pijnlijk dan in het begin, toen het verhaal gelijk op ging met de werkelijkheid. Ik kon de toon lichter houden, humor een plaats blijven geven en de complexe situatie waarin ik toen verkeerde wat simpeler maken door een paar belangrijke personages weg te houden uit de vertelling. Uiteindelijk heeft het boek de herinnering voor een deel verdrongen: ik weet soms niet meer hoe het 'écht' ging; en heb meer vrede met die troep van toen. Je moet iets - met dank aan Ingrid Hoogervorst - eerst 'naar je toe schrijven' om het uiteindelijk toch 'van je af' te kunnen schrijven.

Hieronder citeer ik de reclametekst van de uitgever. Ik hoop natuurlijk dat u allemaal dit boek bestelt, al zou ik tegelijkertijd willen, dat niemand het las, echt waar. Tegen alle meewarige blikken bescherm ik me op voorhand door hard te roepen: 'Het is allemaal verzonnen hoor, het is maar een roman! Zo erg was het heus allemaal niet!'

"De sigarenwinkel is een psychologische roman vol zwarte humor. De neergang van de drankzuchtige hoofdpersoon wordt beschreven tegen het decor van het tabaksbedrijf met al zijn eigenaardigheden. Daarmee is het boek ook een zedenschets van een specifiek milieu, die in zijn satire hier en daar herinnert aan Voskuils Het Bureau. De hoofdpersoon, operazanger Pascal van Raemsdonck, besluit zijn vastgelopen leven een nieuwe wending te geven. Hij wordt verkoper in een chique sigarenwinkel. Maar anders dan hij verwacht zijn daarmee zijn zorgen zeker niet voorbij. Integendeel: zijn laatste beetje zelfrespect sneuvelt in de dagelijkse strijd met grotere ego’s dan hijzelf. De sigarenwinkel is na Rookzanger (2012) en Bankjeszomer (2014) het derde boek van Jan-Paul van Spaendonck (1956) dat bij Flanor verschijnt. Het is het romandebuut van de Amsterdamse musicus en auteur, die verder o.a. columns, verhalen, vertaalde poëzie en een kinderboek publiceerde."

Ik zou hier zelf nog aan willen toevoegen, dat het boek een klein monument heeft opgericht voor een verdwijnend tijdperk: dat van de roker. Het speelt in de tijd dat het rookverbod in de horeca er zou komen. Ik vond dat toen bizar en schandalig; en moet je nu zien: ik rook zélf niet meer!

De prijs van De sigarenwinkel (ingenaaid, 16 x 23 cm en 180 pagina’s) bedraagt EUR 19,50. Het boek is te verkrijgen door overmaking van EUR 19,50 op bankrekening NL85 INGB 0680 2522 15 ten name van W.S. Huberts te Nijmegen, onder vermelding van 'Sigaar’. Als u betaalt via elektronisch bankieren, vergeet dan niet uw adresgegevens toe te voegen. Na ontvangst van de betaling wordt uw bestelling zonder verdere kosten bij u thuis afgeleverd. Bij afleveradressen in het buitenland zullen de extra verzendkosten in rekening worden gebracht.


(Omslagontwerp: Rosanne van Spaendonck)