vrijdag 15 november 2019

GAMBA'S

Een kleine tien jaar geleden ben ik gestopt met het geven van etentjes. Na een tijd werd ik ook niet meer aan andermans dis uitgenodigd. Men haalde zijn schouders op -  zelf weten! Ik heb in de jaren daarna heus weleens gasten aan tafel gehad, maar een uitzondering daargelaten was dat meer 'mee-eten' dan iets anders - niet de tot diep in de nacht uitlopende vijfgangendiners van vroeger.
Het gebeurde niet van de ene op de andere dag en er waren meerdere redenen voor mijn asociale gedrag, maar de aanleiding was zonder meer mijn abstinentie. Ik kwam net uit de kliniek na jaren van zorgwekkend drankgebruik. Mijn vrienden boden heel lief aan om het ook bij Spa te houden maar dat wilde ik niet hebben. Aan tafel prees men mijn moed en doorzettingsvermogen. Maar halverwege de maaltijd zag ik de drank toeslaan bij mijn tafelgenoten. Het algemene gesprek verwasemde tot een soort continuüm van gebabbel en herhalingen, hier en daar gemarkeerd door harde lachbuien. Zelf bleef ik in de alerte toestand van het eerste voorgerechtje steken. Langzaam dreven mijn vrienden weg, ik zag ze ontspannen wegzakken in een zachte nevel die ze zelf geschapen hadden. En ik zat daar op die harde stoel, als op een rots in een zee. In die spirituele eenzaamheid en spiritualiënloze verveling had ik geen zin meer.
De jaren gingen voorbij. Deze zomer zat ik met mijn oude vriend Gaston in het café. Het was gezellig. Bij het afscheid zei ik spontaan: 'Waarom komen jullie binnenkort niet weer eens bij me eten?'
Dat kon weer wat mij betrof, ik dronk weer gezellig mee, babbelde en herhaalde weer gezellig mee. Het móest ook weer, vond ik, want ik was hard op weg een kluizenaar te worden. Bovendien was alles anders dan toen. Gaston had een ziekte en zware operatie overleefd. Alle beladenheid waarmee ik die vroegere etentjes was gaan associëren: de verplichte uitnodigingen om en om, de overvolle boodschappenlijstjes, de zorgvuldig samengestelde menu's, de torenhoge drankrekening, de middagen achter het fornuis, de katers de volgende dag - dat was voorbij. In deze nieuwe tijd, de 'verlenging', zouden we het allemaal heel relaxt doen. Simpel voer. Kleine porties. Geen gedoe, gewoon met goede vrienden een beetje eten en praten.
Dat voornemen hield stand tot de dag dichtbij kwam. Ik begon er alsnog tegenop te zien, legde de lat in gedachten steeds hoger tot die het vroegere niveau bereikt had. U voelt hem al aankomen: eergisteren droomde ik van een totaal mislukt diner - ik kreeg mijn vette pannen niet schoon en iemand moest thuis een fles witte wijn gaan halen - en sinds gisteren blader ik besluiteloos in kookboeken, kijk naar Jamy Oliver en de Hairy Bikers, noteer steeds nieuwe ingrediënten op een velletje papier.
Om niet machteloos te staan tegen oude gewoonten heb ik vanmorgen rigoureus het tweede voorgerecht geschrapt. Dat luchtte op, en sinds dat dappere besluit heb ik er weer zin in. Wat nou gamba's? Ik houd helemaal niet van gamba's. Zelfs niet op zijn Baskisch.


dinsdag 12 november 2019

SUBTEKST

Het was gezellig tijdens het etentje dat volgde op de laatste voorstelling. Een tripel had me over mijn vermoeidheid heen getild en ik deed van harte mee aan de kakofonie om me heen. Nadat ik met de oude tenor tegenover me de verdiensten van een aantal zangers van nu had besproken en wat anekdotes had uitgewisseld over de helden van toen raakte ik in gesprek met de jonge tenor naast me. Het register wisselde. Over Heine ging het. Over zijn voorganger Wilhelm Müller. En over de subtekst onder de verzen, die we als interpreten moeten zien aan te boren. Hoe zorg je ervoor dat Schubert nog krachtig spreekt tot onze tijd? Ik hoorde mezelf op zeker moment lebensbejahend zeggen. Zelf was hij bezig, de jonge tenor, met een theatrale vormgeving van Die schöne Müllerin. Ik fronste mijn grijzende wenkbrauwen. Zijn muziek en tekst soms niet genoeg? Maar ach, de jeugd wil altijd meer. Zelf wil ik steeds minder. Minder indrukken, minder drukte in mijn hoofd. De liederen van Schubert hoef ik eigenlijk niet eens meer te zingen of te horen: in mijn hoofd bestaan er ideale versies van, samengesteld uit alle uitvoeringen die ik ooit hoorde, alle subteksten die er ooit bij heb bedacht.
De volgende morgen was datzelfde hoofd waarin op goede dagen zo prachtig wordt gezongen behoorlijk getergd. Het was dan ook een lange dag geweest, met een vroege repetitie in de kerk, een mis, een operettevoorstelling, en die opgewonden nazit. Ik had moeite met slapen gehad: te veel adrenaline, alcohol en nicotine - en ook nog eens volle maan. Ik ging naar buiten om de auto op te halen, die ik om logistieke redenen bij het theater had achtergelaten. De lucht was vuil grijs en er viel een confettiregen van dorre blaadjes. Flink voortstappen maar door de kou, dat hielp. Er schoten beelden en stemmen door me heen, onuitgenodigd, bliksemschichten in het doffe zwart, maar de suizende wind overstemde ze langzamerhand en uiteindelijk gaven ze het op.
Toch brachten zelfs een meditatiesessie en een middagdutje de harmonie nog niet terug. Ik kon me niet concentreren en werd al moe als ik aan lezen, schrijven en formuleren dacht. Het zou een kwestie van tijd worden, vermoedde ik, voor het geplaagde innerlijk geheeld was.
's Avonds had ik weer een repetitie. Buiten was het druk, zo druk als het in mijn hoofd was geweest, overal auto's, schitterend licht, beweging, lawaai. Een laat spitsuur. Sint Maarten, bovendien. Liedjes verwaaiden, de regen sabelde wreed op lampionnetjes neer, ouders probeerden de vlammetjes met hun paraplu's te beschermen.
Net toen ik in de auto stapte kwam er een appje binnen van mijn vriendin.
Succes en doe je das om!
Ja mevrouw Maigret, appte ik terug. Ik dacht aan een vergeeld pocketboekje en een leeslampje. Nog een paar uurtjes maar! Ik gaf gas, stuurde iets naar rechts en scheurde lebensbejahend door hoog opspattende plassen.

vrijdag 8 november 2019

ZINGEN

Om allerlei redenen, sommige tijdelijk, andere meer structureel, voelde ik me niet al te goed. Nerveus en bedrukt. En dan: het regende en het was november, leest u er Bloem maar op na. In zo'n toestand is het altijd prettig als je door de werkelijkheid wordt meegesleurd - als je iets moet. Voor het blok gezet blijk je best te kunnen werken en knap je daar zelfs van op. Werk is houvast, een droog pad dat uit het moeras leidt waarin je dreigde weg te zakken.
Ik moest die middag lesgeven en zat achter de vleugel. Ik hoorde mijn stem, bedachtzaam, quasi alwetend, oreren over de balans tussen spanning en ontspanning, die wezenlijk is voor goed zingen.
Mijn leerling knikte waarderend. Ze begon opnieuw, nu met minder geforceerde toon. Toen gebeurde er iets. Ik hoorde haar vastlopen in een hoge passage, het geluid klonk gesmoord en hees. Ik dacht eerst nog aan de resten van een koutje, maar algauw barstte ze in snikken uit en stroomden de tranen over haar wangen.
Ze had veel voor haar kiezen gehad, vertelde ze, de laatste tijd, en die weggedrukte spanning kwam er nu uit. Ik voelde me een beetje verlegen en probeerde vaderlijk en bemoedigend te kijken. En ik stelde haar gerust: 'Ach, je moest eens weten hoeveel huilende leerlingen ik hier aan de piano heb gehad in al die jaren. Dat is wat zingen met je doet. Het maakt emoties los. Niks om je voor te schamen, het is juist gezond, een uitlaatklep.'
Ze nipte dankbaar van het glaasje water dat ik haar had aangereikt.
'Kun je nog verder?' vroeg ik. 'Jawel hoor,' zei ze, 'ik voel me nu stukken beter.'
En daar ging ze, zonder probleem nam ze de hoge noten.
Toen ze weg was pakte ik mijn favoriete albums, de liederen van Schubert en Schumann. Ik sloeg ze open bij mijn lievelingsliederen en zong wat. Maar er gebeurde niks. Ik ergerde me lichtjes aan mijn matige stemconditie, dat was alles, van een catharsis was geen sprake.
Ik heb het vaak horen zeggen: wat is het toch fijn als je van je hobby je beroep kunt maken. De waarheid is helaas eerder, dat je een hobby verliest zodra die je professie wordt.


dinsdag 5 november 2019

LA PAZ

In de supermarkt in Oker kocht ik na enig wikken en wegen een klein doosje cigarillo's. Vijf stuks. Het lag in een rekje bij de kassa en het wachten daar duurde net lang genoeg om de drieste stap te nemen. Voor in de vakantie, iedere avond eentje. Daarna onverbiddelijk schluss. Mijn vriendin keek bedenkelijk maar gunde me het voordeel van de twijfel.
Teruggekomen in Nederland dook ik meteen in de drukke, spannende voorbereidingen voor De klokken van Corneville. Doorlopen, orkestrepetities. Ik was nerveus. In een tankstation kocht ik een tweede doosje. Het kleinste model. Dat moest de week uitdienen, en na de première zou alles weer gewoon worden, ik beloofde het mezelf en suste daarmee mijn schuldgevoel.
Zondag had ik nog één sprietje over. Ondanks mijn planning (ná de voorstelling, als beloning) sneuvelde dat voortijdig. Het applaus was verklonken, en ik voelde me onvoldaan, hoewel alles heel goed was verlopen. De adrenaline joeg nog door mijn bloed. Ik was niet lekker moe, zoals de vorige avond na de generale, maar tamelijk opgefokt. Ik voelde me ook een beetje eenzaam. Als dirigent sta je te zweten om alles onder controle te houden, maar je staat niet in de schijnwerpers en deelt nauwelijks in de complimenten -  die geef je, aan de zangers en muzikanten. Waar was de tijd van de opgewonden, lacherige verbroedering na een voorstelling? Vroeger was dat altijd zo feestelijk geweest... Ik stond nog op scherp en reed iets te hard door de regen naar huis. Ik had met mijn vriendin in Wildschut afgesproken - ik zou haar weleens een aantal complimenten ontfutselen! Een duiveltje sprong op mijn schouder en dwong me te stoppen bij de Albert Heijn. Een blikje was zo gekocht, en ik was slechts iets later dan mijn vriendin bij het café.
Ze mopperde wat toen ze mijn nieuwe doosje La Paz zag. Ze was ook wel wat teleurgesteld. En ik ook.
Na volgend weekend is het weer afgelopen. Heus! Beloofd! Want echt lekker vind ik het niet en het huis begint alweer te stinken, terwijl het de afgelopen tien maanden zo fris rook, als ik er tenminste aan dacht de kattenbak tijdig te verschonen. Ik beschouw het maar als een terugval, of liever, een iets geprolongeerde uitglijder. Dat 'voorheen' in de titel van dit blog, dat laat ik daarom gewoon staan.


donderdag 31 oktober 2019

HALLOWEEN

De zanger strompelde de trappen op. Bovengekomen toonde hij me zijn bebloede polsen en handpalmen en zijn open knie. Hij was met de vouwfiets vanaf het station gekomen en had een lelijke smak gemaakt. Dat was hem in jaren niet overkomen, zei hij verontschuldigend. Ik zei dat we allemaal een dagje ouder werden. Zou het zingen wel gaan? Jawel, hij had nergens last van. Hij moest alleen de wonden even schoonmaken. Ik ging op zoek naar de juiste hulpmiddelen. Ik rommelde in laden en kasten, een beetje ontdaan. W.c.-papier was ook goed, bood hij luchtig aan. Ik zei dat dat nou juist het probleem was. Het stond met uitroepteken op mijn boodschappenlijstje maar ik was nog niet naar de winkel geweest. Tissues dan? Nergens te vinden. En die rol gaas waarmee niet lang geleden nog een enkel was gespalkt was ook weg. Ik wees hem de kraan en gaf hem wat kerstservetjes van vorig jaar. Daarmee ging hij in de weer terwijl ik de medicijndoos inspecteerde en een tube betadine-zalf tevoorschijn toverde. Al gauw waren de papieren sneeuwmannetjes bloedrood en verfrommeld.
Even later stond hij zingend naast de vleugel met een knie dik in de bruine zalf. Het zag eruit alsof gangreen reeds had ingetreden. We praatten over 'het vak' alsof er niks aan de hand was.
Nadat hij zich met krachtige bas-bariton door de aria uit De klokken van Corneville had heen gezongen namen we hartelijk afscheid. Ik drukte hem op het hart om langs een drogist te gaan voor het wondgaas dat ik niet had kunnen vinden.

Buiten op straat heerste een knisperige sfeer. De schemering viel koud en donkerblauw. Pompoenen met grijnzende tronies en kinderen met heksenhoeden en geschminkte open wonden herinnerden me aan de datum. In de trein zouden ze in elk geval van zijn oranje polsen niet erg opkijken.



zaterdag 26 oktober 2019

WALDSTERBEN



Een kevertje had bijna mijn romantische herfstreis bedorven.
En hij begon zo goed! De eerste dag gingen we pas laat op weg en we hadden geen zin om veel te rijden. We besloten om ons einddoel uit te stellen en in Bad Bentheim een tussenstop te maken. Volkomen onverwacht kwam ik, op een steenworp afstand van het mij zo vertrouwde Twente, in een gedroomd Buitenland terecht. Een opgeblazen versie van Slot Bommelstein hurkte op donker glimmende rots, straten klommen en daalden er omheen, gele bladeren dwarrelden neer in de avondnevel, uit lantaarns straalde een warm licht, het motregende, overal gorgelde en ruiste het in de goten. Ik kan er nooit meer naar terug want dat kan alleen maar tegenvallen.
De volgende dag reden we rustig naar het Oosten en halverwege de middag bereikten we de Harz. We deden boodschappen in het stadje Oker en reden naar het bijbehorende stuwmeer. Daaraan ligt Schulenberg. De oorspronkelijke bosarbeidersnederzetting ligt te rotten op de bodem van het kunstmatige meer, maar erboven is een gelijknamig vakantieoord gebouwd dat er in dit seizoen verlaten bij ligt. We maakten het ons gemakkelijk in ons degelijke en gerieflijke appartement, dat vanaf het balkon een glimp gunde op de glinsterende Stausee, en ik opende mijn reisgids. 


De Harzreis van Heinrich Heine, gevolgd door In het voetspoor van de dichter door Martin van Amerongen. Een alleen nog antiquarisch te bekomen deeltje uit de serie Privé-domein van de Arbeiders Pers. De voortreffelijke vertaling van Heine's klassieker is van de hand van A. van Amerongen-Woudstra. Zij was het ook die haar man Martin in 1975 chauffeerde door de Harz toen hij de wandeltocht van Heine wilde navolgen. Indertijd was dat een lastige onderneming, omdat de Harz zich over de grens van de beide Duitslanden uitstrekte en lang niet overal toegankelijk was. De beroemde Brockenberg, waarop Goethe's meer dan levensgrote antiheld Faust tijdens de Walpurgisnacht met de duivel danste en waarop Heine zich onledig hield met eten, drinken, ouwehoeren en het verleiden van een mooie jonge toeriste, was verboden terrein. Nu is het opnieuw de grootste toeristisch attractie van de streek. Een stoomtreintje voert naar de top voor wie de moeilijke klim niet wil wagen. En overal, overal zie je plaatjes en poppetjes van lachende dames met bezemstelen, die de beroemdste heksensabbat uit de literatuur een schalks folkloristisch tintje geven.


Ik had me voorgenomen om niet als de dwangneurotische perfectionist die ik kan zijn alles precies uit te zoeken en na te doen. Net als Van Amerongen, die erudiet badinerend door de Harz reed, filosoferend over Heine en het jodendom, de DDR en de historische waardering voor de dichter - slechts op het eind een stukje lopend - wilde ik mijn reis vooral impressionistisch aanpakken.
Gelukkig is Heine niet al te precies in zijn beschrijvingen. Naar een route moeten we gissen. Slechts een handvol plaatsen noemt hij met name. Goslar, Osterode, Clausthal, Ilsenburg - ik heb ze gezien, en ze lagen er prachtig bij in het milde licht van oktober. Hij was niet systematisch, Heine, en vond in zijn boek een bewonderenswaardig losse toon. Badinerend, net als Van Amerongen, fantaserend, geestig, soms studentikoos melig, en vooral lyrisch, want hij was (zeker als jongeman) een romanticus, al zijn spot ten spijt.
'Het is niet te beschrijven met welk een vrolijkheid, naïviteit en lieftalligheid de Ilse zich naar beneden stort over de grillig gevormde rotsblokken, die ze op haar weg vindt, zodat het water hier wild bruist en schuimt, daar uit allerlei rotsspleten als uit geweldige schenkkannen in prachtige bogen wordt uitgegoten en beneden weer over kleine stenen heen trippelt als een opgewekt meisje. Ja, de sage is waar, de Ilse is een prinses, die lachend en bloeiend de berg af huppelt. Hoe schittert haar witte schuimende gewaad in de zonneschijn!'
Dit alles en meer kan ik beamen, het geldt in 2019 nog steeds. Maar waar Heine schrijft hoe de eindeloze sparrenwouden over de bergen golven (en hier kom ik terug op mijn openingszin) is hij helaas minder actueel.


We hadden het al gehoord van vrienden, die, toen ze van onze vakantieplannen hoorden, geschrokken hadden verteld dat de naaldbomen ginds aangetast zijn en dat hele stukken bos erbij staan alsof er een ramp heeft plaatsgevonden en we in apocalyptische tijden leven. Eerst hadden we het niet zo gemerkt. Rond Altenau, Oker en Goslar zagen de wouden er welgedaan uit. Wat vergeeld was bleek een verdwaalde loofboom te zijn. Ik wuifde de verontrusting van onze vrienden weg. Maar toen we naar de Brocken reden zagen we hun gelijk. Een spooklandschap is in plaats van de wijde blauwe sparrenmantel gekomen. Dode bomen zijn op grote schaal omgezaagd. De overgebleven bomen staan te grijnzen op de bergkammen als de schamele resten van een ooit sterk gebit. Het was een schokkend gezicht en ik las er het een en ander over op mijn telefoon. De boosdoener is de schorskever. Die heeft gebruik gemaakt van temperatuurstijging en uitdroging en een ware epidemie veroorzaakt. Het ministerie van landbouw broedt op een masterplan. Er is om te beginnen 800 miljoen uitgetrokken voor herbebossing. 'De schorskever sloopt de geliefde Duitse wouden,' kopt NRC dramatisch maar naar waarheid.
Ik was er beduusd van, en bedrukt.


We hadden in Zu der rothen Forelle willen eten. Maar in dat vijfsterrenhotel herinnert men zich liever dat George Clooney er verbleef tijden de opnamen voor The Monuments Men dan dat de dichter van de Loreley er ooit at.
Het werd een heerlijk ouderwetse herberg in Altenau, waar de vloer knus met een enorme namaakpers bedekt was. We aten er wild. Zwijn en hert. Het was uitstekend, net als de koele Frankenwijn die we erbij dronken. Ik bestelde een obstler bij de koffie en proostte met mijn vriendin. 'Nou die bomen nog in orde maken, en dat is alles weer zoals het hoort,' zei ik.




(Foto's: Paulien Kop)


vrijdag 18 oktober 2019

SHAWL

In mijn haast om na de repetitie op tijd te zijn voor een afspraak was ik mijn shawl vergeten. Dat nam ik tenminste aan, want ik kon hem nergens vinden en die morgen had ik hem nog om mijn keel gewikkeld, vlak voor of nadat ik mijn hoed had opgezet.
Ik belde het buurthuis waar we hadden geoefend. Een donkere stem begreep me slecht maar bood aan een collega te roepen.
Een vrouw kwam aan de lijn. Ik legde nogmaals uit waarvoor ik belde. Ik hoorde flarden van gesprekken, gekraak, gerommel - blijkbaar liep ze naar de garderobe. Hoe ziet-ie eruit, wilde ze weten. Dat overrompelde me. Ik kwam niet verder dan 'wol' en 'grijs'. 'Grijsachtig', als ik erg mijn best deed. Ze fronste hoorbaar en zei aarzelend: 'Er hangt hier wel een wollen shawl, maar die is meer bruinig.'
'Bruinig, dat kan ook,' gaf ik toe.
'Heeft hij blokjes?' Ik begreep dat ze ruiten bedoelde. 'Een rode streep?'
'Kan best,' zei ik. 'Er zit wel een patroontje in geloof ik - ik weet het niet precies.' Ik geneerde me dat ik mijn eigen shawl zo slecht kende.
'Hij hangt hier bij de jassen. Maar misschien is hij van iemand anders. Ik kan hem zomaar niet weghalen.'
'Zijn jullie open? Dan kan ik even komen kijken.'
'Ja, we zijn nu open. Ik ben er tot één uur. Vraag maar naar Shirley.'

De zaal in Bos en Lommer die zondagmorgen onderdak had geboden aan de operettevereniging was nu gevuld met etende en drinkende senioren. Er hing een geur van soep, koffie en frituur. Achter de bar stond een sikh met een reusachtige grijze baard. Hij wees met zijn duim naar een tafel. Een Hindoestaanse vrouw stond op, ik stelde me voor en gaf haar een hand. 'Shirley,' zei ze, 'loopt u maar mee.'
Ik had weinig hoop gehad maar al op een paar meter afstand herkende ik mijn das. Hoe had ik dat kunnen vergeten? Een aantal jaar geleden liep wie het kon betalen met een Burberry shawl. Ik was toen modieus geweest, want deze das had een soortgelijk ruitje, en grofweg dezelfde kleuren.
'Dat is hem!' riep ik verheugd. 'Hij is van mijn schoonvader geweest,' legde ik uit.
'Een aandenken,' begreep Shirley. Ze glimlachte.
Ik sloeg hem om en liep de regen van gele bladeren in, met blije tred.
Ik had mijn ouwe das terug waarvan ik tot vijf minuten geleden niet eens de kleur had geweten, maar het was alsof ik een cadeautje had gekregen.