vrijdag 28 april 2017

Een kouwelijke Koningsdag


'Die hoed moet ik beslist hebben! Kan ik die van u kopen? Het geeft niet wat hij kost!' De jongens waren tamelijk ver heen. Hun ogen schitterden net zo als het goudstof in de fles Gold Strike waarmee ze zwaaiden. Ik zei dat ik erg aan mijn hoed gehecht was en die niet van de hand wilde doen. Maar we waren nog niet van ze af.
'Ik heb nog nooit gepijpt, en ik heb nog nooit een pijp gerookt,' zei de andere jongen. 'Dat eerste wil graag zo houden, maar die tweede wens zag ik graag gehono...honoreerd.'
Nu, dat kon geregeld worden. Ik stak mijn pijp opnieuw aan en even later zogen de beide vrienden diep de rook van de baaitabak in.
'Lang niet zo zwaar als ik dacht,' was het oordeel. 'Wilt u in ruil een slokje?' Ik wilde eerst weigeren maar proefde toen sportief hun vuurwater terwijl zij mijn pijp rookten, er moest een selfie worden gemaakt. Uit Lisse kwamen ze. Mijn vriendin dreigde overspoeld te worden door hun oeverloze goede humeur, maar ik liep door, na een groet en een zwaai.
Op het terrasje van Sardegna waren mijn hoed en pijp ook al een attractie. 'Maigret!' stelde een zwaar bebaarde dertiger met een gouden oorring, mij ontwarend. Ik lachte, dat hoorde ik graag. Daar naderde mijn vriendin door de drukte, ze had zich weten los te rukken van de vrolijke jongens. We hadden moeie voeten en er was een tafeltje vrij. Waarom niet, al was het pas vier uur? Ik heb vroeger vaak in Sardegna gegeten, toen het nog een echt Sardijns restaurant was, en er lamsvlees met salsa verde van koriander en peterselie op het menu stond. Na de komst van de euro heeft de tent zich uit mijn portemonnee geprijsd, en tegenwoordig is het een gewone, te dure Italiaan in een te dure buurt, met verkeerde mensen, voornamelijk zeer blond en naar eigen mening zeer succesvol, en de godganse dag achter een wijnkoeler gezeten. Maar vandaag, op het carnaval dat Koningsdag is, vervielen vooroordelen samen met sociale grenzen, en zo zaten we even later, diep in onze winterjassen gedoken, buiten aan een tafeltje in de Cornelis Schuytstraat een knapperige pizza te eten. Naast ons streek een paar neer dat alleen wat wilde drinken. Dat kon niet, kregen ze te horen, dit was, ook op deze dag, uitsluitend een restaurant. Ze bestelden dan maar een tiramisu bij hun wijn, met twee vorkjes. Ik zou zoiets niet durven. En ook niet willen, trouwens. Ik ging naar binnen om af te rekenen, snoof met spijt de warme atmosfeer op, en zag mezelf daar weer zitten, zwaar bebaarde dertiger met een mooie vrouw en mooie kindertjes, naar eigen mening zeer succesvol, in een ander tijdperk.
Thuis stond ik lang onder een hete douche, wist niet wat te doen met de lege avond van deze rare dag, en kroop maar vroeg in bed met een laat negentiende-eeuwse uitgave van een roman van Dickens, die ik voor een euro op de vrijmarkt had gekocht. In de verte bonkte een elektronische beat. Later knalde er vuurwerk. Dat bracht me even terug naar mijn kindertijd, toen Koninginnedag werd besloten met een groot vuurwerk aan de Sloterplas. We waren niets gewend en vergaapten ons aan het spektakel. Andere tijden! Toen was het idee dat ik ooit een oudere meneer met hoed en pijp zou zijn ondenkbaar ver weg. 'Maigret...' gromde ik, terwijl ik het licht uitdeed en me genoeglijk in mijn warme dubbele dekbed draaide.


dinsdag 25 april 2017

OPKOMST


Dit was de bedoeling: de stagemanager zou zodra mijn naam werd omgeroepen de deur voor me openen, en ik zou de zaal inlopen, applaus in ontvangst nemen, en het startsein voor de ouverture geven.
Dit gebeurde er: een groepje laatkomers blokkeerde de toegang, er was enig geharrewar over hun reservering. De draadloze communicatie verliep blijkbaar niet vlekkeloos, want hoewel de stagemanager nog druk in zijn portofoon aan het praten was, hoorde ik daar over de speakers al: 'Onze dirigent, Jan-Paul van Spaendonck!'
Er klonk applaus. De deur ging feestelijk open en een oude heer strompelde de zaal in, gevolgd door zijn even bejaarde gezelschap. Het applaus ging over in de eerste gulle lach van de middag. Maar de weg was nu vrij en ik betrad de zaal alsnog, met gezwinde pas. Ik maakte een grappig gebaar naar het publiek, en het klappen zwol weer even aan. Daar stond ik, onder mijn spotlight. Zaallicht uit, doek dicht. Ik hief mijn stokje en daar ging het. Tatata!
Zo was mijn aantreden als dirigent bij de operette.
Drie uur later stond ik, hevig bezweet, intens moe van al dat zwaaien, aanjagen, opjutten en waar nodig afremmen maar even intens tevreden en opgelucht, op de bühne tussen de acteurs. De geheimzinnige Tweeling, assistenten van de Tovenaar, had me gewenkt naar boven te komen. Samen zongen we uit volle borst de toegift, het koor, de hele cast, hun regisseur en hun muzikale verkeersagent, terwijl daar beneden het orkestje speelde. Het viel me op dat ze dat zonder mijn leiding ook uitstekend deden.
Als u wilt weten wat er in de enerverende uren daartussen gebeurde, moet u vooral komen kijken bij de reprises, aanstaand weekend. Het is een prachtige voorstelling, die ik u van harte wil aanbevelen!

donderdag 20 april 2017

Naar het vuur


Toen ik eenentwintig was fietste ik met mijn vriendin over de Schellingwouderbrug. Midden op die stalen overspanning van land en water raakte ik in paniek. Mijn geest tolde door de weidse ruimte - nergens houvast, nergens grond, nergens veiligheid. Ik werd bang voor die angst, meed voortaan grote open ruimtes, en zo was een fobie geboren.
Die pleinvrees beheerst mijn leven allang niet meer, ik heb ermee leren omgaan, maar soms speelt hij op.
Zondagavond liepen we na het eten Hummelo uit om naar het paasvuur te gaan kijken. Ik had verwacht dat het aan de rand van het dorp zou zijn. Maar de stille landweggetjes rekten en strekten zich, diep het achterland in, en nog steeds was er geen vuur te bekennen. Het baken van 'ons' dorpje begon zich angstwekkend ver van ons te verwijderen, het baken van de vlammen was nog niet in zicht. Ik voelde me, ondanks de wijn die ik bij het eten had gedronken, ongemakkelijk. Mijn vriendin stelde voor de auto te gaan halen maar dat vond ik nou ook weer onzin: we waren al zover gekomen, we liepen al ruim een halfuur, zouden we niet liever doorzetten? Zo marcheerden we verder. Bij de enkele boerderij die we passeerden blafte een hond. Eindelijk zagen we een vlammenschijnsel. Schrikwekkend veraf nog. Het was alsof ik zoekend over een lege kaart keek en mijn vinger op een volgende plaatsnaam zette. De weg was met zijn bomen erlangs heus prettig genoeg; coulisselandschap, goed te doen voor wie aan agorafobie lijdt. Maar tussen die twee magneten in, Hummelo dat al buiten bereik lag, en de naamloze plaats van het vuur die nog zover weg was, was het krachtveld opgeheven dat me gewoonlijk op mijn plek houdt. Er zat niets anders op dan weer binnen de invloedssfeer van een van beide polen te geraken.
Voort ging het dus, in de richting van de tergend langzaam groter wordende lichtvlek aan de horizon.
Eenmaal daar aangekomen werd ik aangezogen door de warmte van mensenmassa en vlammen. Ik rende er bijna naartoe. Een behaaglijk uur lang wist ik weer precies waar ik me bevond op de verlaten aardbol. We vroegen de snelste weg ('zijn jullie echt door dat enge bos gekomen??') en terug volgden we een fietspad. Dat had richtingbordjes, en er reden ons nu en dan mensen achterop. Sneller dan gedacht bereikten we de dorpsgrens, en algauw strekte ik mijn moeë voeten uit onder de tafel van de gelagkamer van De Gouden Karper.
De volgende dag was gevuld met aangenaam toerisme. Na een groot ontbijt wandelden we rond molen en kasteel van Laag-Keppel. Daarna voerde onze weg ons via Montferland naar 's Heerenberg, waar we het statige waterslot bezochten, goed gevuld met middeleeuwse kunst en vergulde en verluchte handschriften. In Ulft bezochten we de oude DRU-fabrieken, waar de voormalige ijzerertsverwerking nu ruimte bood aan jonge ondernemers. We aten er uitstekend. Sfeer en menukaart deden denken aan randstedelijke hipsterhoreca, maar godzijdank kwam niemand ons aan tafel uitleggen dat het plaatselijke bier ondertonen van mos en ananas verried en een nahuivering van gefermenteerde wilde framboosjes op de tong zou achterlaten.
Op de terugrit waren we in een tevreden stemming; er waren mooie luchten te zien, met rafelige gordijnen van wolkenslierten die vertelden dat het verderop regende.
Maar 's avonds in bed vond ik niet de behaaglijkheid die ik er verwachtte. Ik probeerde me in Dickens te verdiepen maar beelden van de mars door het donkere achterland doemden steeds maar op, flitsten tussen de regels van de Pickwick-Papers door. Je moet erdoorheen, zeggen ze altijd, maar mijn ervaring is dat angst zich niet ongewroken laat wegdrukken.


(foto's: Paulien Kop)

dinsdag 18 april 2017

Gelagkamerveiligheid


Het hotel moest in de buurt van 's Heerenberg liggen, want we wilden het kasteel aldaar weleens bezoeken. Verder moest het voldoen aan een aantal specifieke eisen. Het moest een ouderwets hotel zijn, zonder herrie en lelijke moderne onzin. Geen kuipstoelen van antracietkleurig gevlochten kunststof, geen strakke, wit gestuukte muren met Ikea-kunst. Het mocht niet opgeleukt zijn om met de tijd mee te gaan, je mocht niet zien dat het eerste oogmerk van de nering was om geld te verdienen. Gastvrijheid moest het uitstralen, en tijdloosheid.
Vele hotels vielen af nadat we de bij de site gevoegde foto's kritisch hadden bekeken. Maar toen we De Gouden Karper in Hummelo op de kaart prikten sprong mijn hart op. De naam alleen al! Als Slot Bommelstein om een of andere reden (vuur- of waterschade, restauratie) niet beschikbaar was, hield Heer Ollie zijn eenvoudige doch voedzame maaltijden in De Gouden Karper te Rommeldam. De ligging leek bovendien gunstig, het had luiken voor de ramen, een karpervormig uithangbord, een houten portico met een colonnade langszij, omakleedjes op de tafels, en waren dat hertenkoppen aan de muur? Waarachtig! Een grote eetzaal in een serre met witgedekte tafels, kristal en tafelzilver en een leger zwartgejaste obers complementeerde het beeld. Ja, dit moest het zijn. We reserveerden.
We bereikten het aardige, ongerepte dorp Hummelo op zondagmiddag, checkten in, snoven de geur van een vroeg paasvuur op, en namen plaats in de gelagkamer. Onze indruk was juist geweest. En wat meer was, hier was inderdaad sprake van 'tijdloosheid', want de ouderwetse horecaparafernalia waren niet sjofel en stoffig, maar zagen er fris en goed onderhouden uit. Er leek bewust gekozen voor deze ouderwetse uitstraling, blijkbaar wisten ze te Hummelo nog een leverancier te vinden die dit soort vooroorlogse attributen kon leveren. Ik dronk mijn cappuccino van een neppersje zonder sleetse plekken en knipoogde vol verstandhouding naar het hert dat boven me aan de muur troonde. Er viel een last van me af. Voor vandaag was ik veilig, dat gevoel kwam over me. Wat er ook gebeurde, in De Gouden Karper zouden ze goed voor me zorgen. De wereld kon woeden wat zij wilde, tenminste tot morgenochtend had ik geen enkele zorg, behalve welk gerecht ik van de menukaart moest kiezen.
Dat we diezelfde avond, na een verkeerde inschatting van de verhoudingen op de kaart, uren zouden lopen door het zwarte achterland, aangeblaft door honden, om bij een paasvuur te geraken, dat ergens aan de horizon oplichtte, kon ik toen nog niet weten.



vrijdag 14 april 2017

Sir Arthur Sullivan en The Sorcerer



Bij ons is Sir Arthur Seymour Sullivan (1842-1900) vooral bekend als de helft van een duo. Samen met toneelschrijver, dichter en tekenaar Sir William Schwenck Gilbert (1836-1911) componeerde hij tussen 1871 en 1896 veertien komische opera’s: light opera’s, operetta’s. Dat zijn geen operettes zoals we die kennen van Strauss of Léhar, ze hebben meer gemeen met de wufte werken van Offenbach dan met de zwoele romantiek van de Weense wals. Maar wat ze van hun Franse voorbeeld onderscheidt is een onmiskenbare Britsheid. Alles is tongue in cheek in dit mengsel van Victoriaans pathos en uptempo Vaudeville-deuntjes. Satire heerst soeverein.
Veel van de grappen van Gilbert (His Foe was Folly, and his Weapon Wit, luidt de tekst op zijn Londense gedenksteen) zijn gedateerd en de situaties waarnaar ze verwijzen kennen we niet of nauwelijks meer.
Maar de muziek waarop zijn snelle en scherpe teksten zijn gezet leeft nog steeds voort. Niet alleen in de Engelssprekende wereld maar ook bij ons. En dat laatste niet in het minst dankzij de inspanningen van het Amsterdamse gezelschap Thalia, dat zich sinds de jaren zeventig bijna exclusief met Offenbach en Gilbert & Sullivan bezighoudt. Dat ik tegenwoordig hun dirigent ben is uiteraard puur toeval en heeft niets met de aanleiding tot dit stukje te maken.

Als je die foto van Sullivan zo bekijkt vraag je je af hoe uit zo’n sombere kop zulke vrolijke onzin kon komen. Helemaal vreemd wordt het als je leest dat hij gekweld werd door chronische gezondheidsproblemen: martelende pijnaanvallen, veroorzaakt door nierstenen, beletten hem niet om fonkelende stromen van snelle nootjes te noteren, bijna altijd in majeur. Maar dirigeren kon hij de laatste jaren van zijn leven alleen nog maar zittend.

Het ‘serieuze’ oeuvre van Sullivan is tamelijk pompeus. Sommige van zijn hymnen worden nog gezongen, maar zijn ambitieuze opera Ivanhoe ligt al jaren in de kast te wachten op de enorme cast van bassen, baritons en tenoren die het heldenepos tot klinken moeten brengen. Toch is het daar waar zijn Ierse hart naar uitging. Zijn half-Italiaanse moeder maakte dat het belcanto hem makkelijk afging. Maar de Ier in hem smachtte naar iets hogers, iets visionairs, iets met vervoering en heroïek.
Er is ooit een veelzeggende woordgrap gemaakt over Sullivan: ‘He wanted to be the English Bach, but couldn’t resist being the English Offenbach as well.’ Wie de auteur weet mag het zeggen, ik kon er op internet niets van terugvinden. Bernard Shaw? Victor Borge?
Natuurlijk zijn er momenten geweest dat de romantische Sullivan de samenwerking met de spitse Gilbert hartgrondig zat was. In 1882 besloot hij er een punt achter te zetten. Maar zijn belegger ging failliet en daarmee verdampte zijn kapitaal. Sullivan hield van luxe en was een fervent gokker. Hij tekende dus een nieuw samenwerkingscontract voor vijf jaar. Maar toen hij in 1883 Sir was geworden wegens zijn verdiensten voor het Britse muziekleven, gingen er stemmen op in de Engelse pers, dat een Ridder zich niet meer zou moeten inlaten met zoiets banaals als operettes. ‘A musical knight should not stoop below oratorio or grand opera.’ Sullivan zat in de val. De publieke opinie zei wat hij stiekem ook vond, maar een bindend contract verplichtte hem om nog een reeks van die ridderonwaardige niemendalletjes te maken. En gelukkig maar.

The Sorcerer, dat Thalia volgende week uitvoert, is een vroege ‘Gilbert en Sullivan’. Hun derde, om precies te zijn. Destijds in 1877 met 178 uitvoeringen een bescheiden succes, algauw overschaduwd door de bekendere werken, maar later weer opgefrist en sindsdien een vast repertoirestuk gebleven. Het verhaal is tamelijk kolderiek, maar draait om een liefdesdrank, die de samenleving van een vriendelijk Engels dorpje danig ontwricht. De muziek is sprankelend en rijk van kleur, en voor de liefhebbers van Britse humor valt er veel te genieten.

Koor van dorpelingen, spoken en geesten: Thalia Opera & Operette.
Solisten: Walther Deubel (Arthur), Ellen Hink (Aline), Peter Lusse (Sir Marmaduke), Joke Prak (Lady Sangazure), Stijn Hofstede (de Tovenaar in kwestie), Marrit Zeilstra (Constance), Robert Boer (de dominee), Hilde Wuijten (Mrs. Partlett).
Regie: Edwin van Gelder.
Directie: ondergetekende.
Begeleiding: een professioneel ensemble van fluit, hobo, fagot en strijkkwartet, met Brian Fieldhouse aan de piano.
De vloeiende en vindingrijke vertaling is van Gerard Knoppers.

Komt dat zien! Zie affiche boven voor alle gegevens. Reserveren alleen telefonisch: 0299-660254



dinsdag 11 april 2017

KAMELEON


De partituur waar ik in paniek om gevraagd had werd me net op tijd aangereikt. Maar het was een fotoalbum. Vakantiekiekjes met onderschrift. Geen noot te bekennen. Toen mijn dirigeerstokje ook nog eens gebroken bleek te zijn en meer op een afgekloven potloodstomp was gaan lijken dan op een baton werd ik wakker. De wind was opgestoken en er had een raam geklepperd. Het oog van de volle maan stond te schitteren aan de nachthemel. Ik probeerde mijn droom weg te lachen. Mijn onbewuste angsten moesten wel met iets subtielers komen, vond ik. Ik draaide me op mijn andere zij en zocht de slaap weer op, maar tevergeefs.
De uren verstreken. Ik lag niet te woelen, ik was rustig. Ik piekerde niet, ik dacht zelfs niet na. Toch was mijn geest te actief om te kunnen slapen: de beelden van de afgelopen dagen trokken voorbij, zonder chronologie, in willekeurige volgorde, misschien in een intuïtief verband.
Daar stond ik weer in de studio, vrijdagmiddag was dat geweest. Met twee bassende collega’s een mannenkoor van Purcell inzingen voor een reclamespotje. Mannenbier, ongefilterd, daar hoorde zware mannenzang bij, blijkbaar. Er was geen tekst. Hahahaha zongen we, keer op keer, overdub op overdub. Tussen het zingen door, als de producer aan het editen was, namen we als een stel oude wijven de hele ons bekende muziekwereld door - ‘ken jij die en die?’ - tot het weer tijd werd voor een nieuwe reeks hahaha’s.

Zaterdag kleedde ik me in het zwart en voerden we met het Linnaeuskoor de verstilde Via Crucis van Liszt uit, in de kapel van het OLVG Oost. De zaal stond vol met bedden, de sfeer was ernstig, bijna sacraal. Nu en dan draaide ik me naar het lijdende publiek om want ik had ook de rol van Christus op me genomen, een kleine maar lastige partij. Eli, Eli, lama sabbachtani….
Zondagmorgen speelde ik piano in de mis, popliedjes met religieuze teksten, en leidde als kapelmeester het koor. Palmpasen, lange dienst, veel groen, veel kinderen. Daarna snel naar Zaandam voor een repetitie van operettevereniging Thalia, de baton in de hand voor een hele middag driftig zwaaien en met luide stem aanwijzingen roepen. Prachtig, uitbundig weer, het staartje van de lentemiddag kon ik nog in de tuin van mijn vriendin doorbrengen.
Het was me het weekend wel geweest, stelde ik vast. Vroeger draaide ik mijn hand daar niet voor om, zoveel verschillende dingen vlak na elkaar, en dwars door elkaar heen, maar tegenwoordig heb ik er moeite mee. Niet eens zozeer op het moment van doen, dan laat ik me meedrijven op de stroom van gebeurtenissen, maar in de dagen ervoor, en tussen de klussen in. Dan weegt de chaotische nabije toekomst zwaar op me. Al die verschillende rollen, al die verschillende muziekwerelden! Je moet er een kameleon voor zijn, en mijn oude huid is niet zo flexibel meer. Die is behoorlijk kleurvast aan het worden.


vrijdag 7 april 2017

WOLKENMENSEN

Bij het wisselen van jas vind ik een notitieboekje in mijn binnenzak. Ik sla het open en lees: ´Ik beweeg me tussen het volkse en het verhevene.´ Geen idee wat me ertoe bracht dat op te schrijven, maar de observatie is even juist als overbodig - ze geldt voor bijna iedereen. Zelfs de meest aardse types kennen momenten dat ze even geroerd worden door iets hogers, en alle mensen die met hun hoofd in de wolken lopen worden dagelijks met hun stoelgang geconfronteerd.

Toch zijn de laatsten, de wolkenmensen, zeldzaam. Ik ken er maar een paar. De ene is een vrijgezel op leeftijd, vlinderdasje, schrandere oogjes achter stalen brilletje, eeuwig een wetend glimlachje om de mond, die in elke conversatie wel een gaatje vindt waardoor hij Euripides of Homerus kan binnensmokkelen. Zelfs het gewoonste gesprek geeft hem aanleiding tot hoogdravende culturele bespiegelingen.
De andere is het dametje uit Geuzenveld. Haar man zingt in mijn operettekoor. Hij is vierentachtig maar nog flink bij stem. Een grote grove man met een Amsterdams accent die zijn hele leven met zijn handen gewerkt heeft, en aan wiens zijde je zo'n vrouwtje niet zou verwachten. Zij is namelijk fijnbesnaard en hooggestemd. Ze heeft ook dat eeuwige glimlachje, maar dat is niet wetend, eerder verrukt. In alles vindt ze aanleiding om te dromen. Ze ziet wel wat er hier op aarde gebeurt, maar toetst dat aan haar ideale wereld. Alles staat in het zachte en weemoedige licht van haar herinneringen.
Met de voorstellingen doet ze niet mee, maar ze zingt wel op de repetities. Het spreekt vanzelf dat ze vroeger zangles heeft gehad. Als ik met haar in gesprek raak ziet ze altijd kans om dat te vertellen. Ze is oud, en oude mensen generen zich er niet voor om een goed verhaal eindeloos te herhalen, en geef ze eens ongelijk. Ze zingt iets voor, met een klein maar zuiver sopraantje. Ik spits mijn oren en herken het meteen: snippers uit het 'grote' repertoire, Berlioz' Les nuits d'été, of Strauss' Vier letzte Lieder. Een moment lang ontstaat er een vreemd soort verzwegen intimiteit tussen ons. Want die verheven, fijnbesnaarde en hooggestemde muziek, die ken ik natuurlijk ook, daar kom ik vandaan, en dat schept een band. Om ons heen woedt de operette. De walsen, de burleske humor, de marcherende mannenkoren. Even sta ik in tweestrijd. Ik wil dit dametje laten merken dat ook ik niet van de straat ben, maar voel me tegelijk betrokken bij mijn club, wil die niet afvallen. Bovendien verblijf ik tegenwoordig liever op aarde dan in de wolken. Ik knik dus maar en lach waarderend, en wijd niet uit over mijn eigen zware culturele bagage, die ik thuis heb gelaten.
Ze vertelt over een bekende operazangeres van vroeger die ik ook heb gekend. Van haar had ze wekelijks les. Toen de zangeres oud werd en ging dementeren, heeft ze haar jarenlang verpleegd, de verpleging was haar vak. Weer voel ik een tweestrijd in mijn binnenste. Moet ik bewonderend toeluisteren, ik boerse operettedirigent van het grote forte en de brede gebaren, of haar laten weten dat deze zelfde operazangers bij ons thuis, toevallig ook in Geuzenveld, over de vloer kwam? En dat ze mijn zusje ooit een gouden bedeltje voor haar armband heeft beloofd, een belofte die ze nooit is nagekomen? Ik besluit het voorval, dat mijn zusje nog jarenlang heeft achtervolgd (kinderen moet je geen loze beloftes doen) maar te verzwijgen; veel zin heeft het namelijk niet om welke reactie dan ook te geven op haar herinneringen, want ze luistert toch niet. Ze luistert alleen naar de echo's van de stemmen in haar eigen hoofd. Sirenen van lang geleden die hun verlokkende melodieën zingen.
Een paar keer per jaar leest ze een zelfgeschreven gedicht voor. Want dichten doet ze natuurlijk ook. Het koor luistert welwillend toe naar de goedbedoelde sinterklaasrijmen, alleen een paar bassen achterin lachen een beetje spottend. Nieuwkomers zijn verbaasd, maar begrijpen algauw dat ze met een erfenis uit het rijke koorverleden te maken hebben. De huisdichteres hoort daarbij, net als haar man met zijn heldere tenor, die ondanks zijn vierentachtig jaar iedere repetitie als eerste aanwezig is om de stoelen klaar te zetten. Ook het feit dat ze een kwartier eerder weggaan om de bus naar Geuzenveld te halen is deel van de traditie.

Ze zijn er nu al wekenlang niet. Hij heeft iets gebroken en kan de reis niet maken.
Ik mis het moment dat ze opstaan om weg te gaan en dat ik zeg: 'goede reis naar Geuzenveld'.