vrijdag 30 maart 2012

WAKKER

Het is weer even wennen. Gisteren werd ik erdoor verrast en was ik er weerloos tegen. Vandaag ben ik voorbereid en gewapend. De lente heeft zich tot nader order teruggetrokken en een kille leegte achtergelaten.
Mijn vriend Lennaert had een standaardzin in zijn computer staan. Hij hield zijn dagboek bij op schijf, en hoefde alleen op een bepaalde toets te drukken en er verscheen, in koeienletters: ‘dit is Internationale Kutdag nr...’. Vervolgens vulde hij de datum in en de dag was geboekstaafd. Zo probeer ik ook met nare dagen om te gaan. Terugzien heeft geen zin, spijt hebben ook niet. Het leven is nu eenmaal niet altijd even leuk en dat hebben we maar te accepteren.
Dus vanmorgen bij het wakker worden besloot ik aan gisteren geen gedachte meer te wijden en er vandaag iets beters van te maken. Door een kier in het gordijn zag ik de bomen onheilspellend bewegen. De lucht was grijs. Daar was niets te verwachten. In bed daarentegen... Ik lag lekker en was nog roezig van de slaap. Mijn eerste afspraak was pas over een paar uur. Ik besloot me nog even om te draaien.
Maar nu moest ik goed uitkijken. Ik moest wel wakker blijven. Want uit ervaring weet ik dat zo’n tweede slaapje vaak eindigt in een ellendig tweede ontwaken. Duf en gedeprimeerd stel je geschrokken vast dat je er nu toch écht uit moet. Onmiddellijk heb je spijt dat je niet in eerste instantie de moed hebt gehad dat te doen, want nu betreed je het strijdperk van de dag in de slechtst mogelijke conditie.
Ik zoog de behaaglijke lauwe warmte van mijn bed in me op en bepeinsde een paar onschuldige dingen. Voskuils postume roman De buurman bijvoorbeeld, die ik vlak voor het inslapen had uitgelezen. Ik liet de laatste bladzijden en het abrupte einde nog eens aan me voorbijgaan en besloot dat ik het een vervelend en eigenlijk ronduit slecht boek had gevonden. Kon ik daar niet iets over schrijven? Over een uur zou toch echt de vrijdagmorgen aanbreken, en daarmee de zelfopgelegde plicht om iets op dit blog te zetten. Ik begon een recensie op te stellen. Maar midden in de volzinnen in wording dwaalden mijn gedachten af, dansten speels van me weg en namen groteske vormen aan. In mijn hoofd ging een wekker. Niet de echte die ik me in de kliniek had voorgenomen te kopen, ter meerdere eer en glorie van de Nieuwe Discipline, maar het innerlijke belletje dat me waarschuwde voor het dreigende gevaar van opnieuw inslapen. Ik sloeg het dekbed van me af en keek op de klok. Toch alweer laat. Voskuil houdt u te goed.

dinsdag 27 maart 2012

DOOD

1.

Mijn vriend F. is opgegeven.
Op de dag van de uitslag belde hij me op.
‘Ik ga dood,’ zei hij.
Ik bleef even stil, en hij voegde eraan toe: ‘Dood gaan we allemaal, maar ik al heel snel.’
Het werd een vreemd gesprek. Er vielen lange stiltes, want wat moet je zeggen? Hoop was er niet meer. Nu en dan hoorde ik hem een slok wijn nemen. Af en toe lachte hij. Onbekommerd, leek het.
‘Ik hoef me nu geen zorgen meer te maken,’ zei hij, ‘en ik hoef op niemand meer boos te zijn.’
Want wrokkig piekeren, dat deed hij veel. Hij leefde moeilijk. Hij torste veel ergernis mee. Nu niet meer. Van het ene moment op het andere was die van hem afgevallen. Hij zei dat hij genoot van de lente. En van de zorgzaamheid in het ziekenhuis. Ik vroeg of hij niet bang was. Nee, bang was hij niet, gek genoeg. Misschien omdat hij in de muziek al zoveel bezig was geweest met de dood. Met zijn sonore bariton zong hij door de telefoon een strofe uit Vier Letzte Lieder: ‘Ist dies etwa... der Tod?’
De dood was, zei hij, hoewel dichterbij gekomen, nog steeds iets abstracts. Wat moest hij dán? Depressief op bed gaan liggen? Nu was hij er nog. En nu was het mooi weer.
Ik bewonderde en benijdde dat. Ik denk nog steeds in termen als ‘later, als ik groot ben’. Over een jaar of tien, dan vertrek ik naar het Zuiden, met zo weinig mogelijk bagage. Ik wandel er langs de zee, lees en schrijf wat, werk in de moestuin, metsel een muurtje, zing als ik er zin in heb, en leg een kaartje met de andere ouwe mannen van het dorp, met een glas pastis of lokale wijn erbij, waarom niet.
Misschien moet ik er niet te lang mee wachten.

2.

Deze week wordt F. geopereerd. Daarna krijgt hij palliatieve zorg; ‘dweilen met de kraan open’, noemt hij het zelf.
Voor het morbide circus losbarst wilde hij nog een keer met ons eten in zijn favoriete restaurant.
Het was tegen achten, maar nog licht: de zomertijd was net ingegaan. Achter het raam zagen we de zon ondergaan boven de plas, die glansde als rimpelig zilver. Toen we proostten op - ja wat?, het nù dan maar - vertelde F. dat zijn vader de vorige dag was overleden, vijfennegentig jaar oud. Terwijl ik nog zocht naar een geschikte reactie zei hij met galgenhumor: ‘Ja, ze zullen daarboven hebben gedacht: nu gaan we die F. eens goed pakken. Even wachten nog, ja nu!’ Er kwam een boosaardig lichtje in zijn ogen. ‘Ik had de pest aan die vent, nou kan ik tenminste met goed fatsoen onder de begrafenis uitkomen.’
Herinneringen aan zijn moeilijke jeugd leidden hem naar een kritische nabeschouwing van zijn leven. ‘Eerlijk gezegd ben ik er wel klaar mee,’ zei hij. ‘Iets beters zou er toch niet meer komen. Wat had ik nou nog te verwachten? Ik zie mezelf als een kind op zijn verjaardag. Je krijgt een grote mand met cadeautjes. Gretig begin je uit te pakken. Maar op het end ben je moe en blijven er alleen nog een paar rottige pakjes over. Na die operatie ga ik nog wel een paar leuke dingen doen die ik heb laten liggen. Maar verder is het wel goed zo.’
Toen we buiten kwamen was de hemel glanzend zwart, overlopend naar gewassen blauw aan de horizon. Een nageldunne maansikkel lag op zijn kant, de rest van de bol was zichtbaar in een vaag oranje. De sterren waren ongewoon helder. Jupiter en vooral Venus straalden fel en leken groter dan ooit. Voor we in de auto stapten keek F. er een tijdje peinzend naar. ‘Ik weet eigenlijk veel te weinig van de sterren,’ zei hij. Hij haalde zijn schouders op. ‘Nou ja. Het is nu te laat.’

vrijdag 23 maart 2012

ZON

Een jong echtpaar wandelde het terras op. Zwarte kleren, zonnebrillen. Ik herkende ze. Twee Italianen, die me afgelopen dinsdag de weg hadden gevraagd naar hun hotel in de Bronckhorststraat. Ik zwaaide naar ze. Ze herkenden me.
‘Hebben jullie je hotel nog gevonden, dinsdagavond?’
Si, si! Bedankt! We waren verdwaald!’
Ze schoven hun stoelen in de zon. Even later kwam het dienstertje. Ze schoof de stoelen bestraffend terug, die stonden in haar looppad. Ze nam hun bestelling op. Er ontstond een minieme verwarring. Onmiddellijk riep de vrouw over twee, drie tafels heen een vraag naar mij toe. Hoe je cornetti noemde in het Nederlands.
‘Croissants,’ riep ik terug. De dienster stond er wat bevreemd bij, haar bestelcomputertje in aanslag. Dit waren ze op het beschaafde terras van Wildschut niet gewend. Roepen deed je alleen in telefoons.
Toen ik mijn koffie verkeerd op had en naar huis wilde gaan hielden ze me nog even staande.
De man spreidde zijn handen uit en keek verrukt naar de lucht. Het was een bellissima giornata. Sole, sole! Al twee dagen lang. Ze waren hier voor een korte vakantie en gingen morgen weer terug. Helaas, want Amsterdam was prachtig. En wat een zon!
Ik lachte instemmend en wenste ze nog veel plezier. Terwijl ik het terras verliet zag ik haar een stukje van haar croissant afsnijden en in haar caffè latte dopen.

dinsdag 20 maart 2012

LENTE

De lucht werd al donker en er was een heldere ster verschenen. Omdat ik te vroeg was voor de koorrepetitie ging ik in de tuin van de kerk nog even op een bankje zitten om rustig mijn pijp leeg te roken. Vanuit de top van een grote boom zong een merel. Een stille, heldere voorjaarsavond en een merel die zingt: vroeger waren dat de eenvoudige, maar precies goede ingrediënten voor een soms bijna pijnlijk scherp geluksgevoel. Nu voelde ik niks. Ik was me bewust van de schoonheid van het moment. Dat wel, maar meer ook niet.
Is het zorgwekkend, dat je niet ontvankelijk meer bent voor dat betoverende sentiment van verwachting, voor die roes van hoop en weemoed, die de lente kan veroorzaken? Word je dan oud? Als ik eerlijk ben moet ik ja antwoorden. Maar ik zeg er dan meteen bij, dat er ook schoonheid schuilt in ouder worden. Bij hoop hoort ontgoocheling, en die blijft je tenminste bespaard. Bovendien blijk ik voor een andere aandoening van het voorjaar wel degelijk nog vatbaar. Ik ben als een idioot aan het opruimen.
Toen de kamer van mijn dochter vorig jaar herfst vrij kwam, had ik grootste plannen. Het zou mijn bibliotheekje worden, een kleine, ordelijke kosmos van boeken, in het midden waarvan mijn bureau zou tronen. Ik begon de aftandse kinderkamer leeg te ruimen en te schilderen. Na anderhalve muur hield ik het voor gezien.
Af en toe liep ik, in de loop van de winter, de kamer wel eens binnen, keek dan met een wijs oog om me heen, en werd mismoedig van wat er allemaal nog moest gebeuren. In mijn hoofd maakte ik me zorgen over de gekste details. Alfabetiseren, hoe doe je dat? Zigzaggend van links naar rechts en van boven naar beneden per kast, en in de volgende opnieuw? En hoeveel centimeter tussenruimte moest er eigenlijk tussen de planken? Confuus van de complexiteit van de hele onderneming stelde ik haar steeds uit.
Maar een paar weken geleden kreeg ik de geest. Er waaide een nieuwe wind, en ik moest mee, of ik wilde of niet. Ik kocht nieuwe verf en sausde de resterende muren. Ik vond een meetlint en noteerde op een papiertje de maten van de kamer. In een magazijn met tweedehands Lundia-onderdelen besprak ik met de timmerman de beste aanpak. Een week later werden de schappen en stellingen bezorgd en ging ik aan de slag. Tegenslag: ik bleek een meetfout te hebben gemaakt. Een radiator zat in de weg, en het paste nèt niet. Kut! In de winter zou het werk nu weken stil hebben gelegen. Maar het was geen winter meer. Ik ging terug naar de winkel, ruilde de planken voor andere maten en bouwde verder. Samen met mijn dochter, die een speciaal talent bleek te hebben voor het op hun plek wrikken van onmogelijke hoekschappen.
En nu sjouw ik al dagen met boeken. In een soort scheppingsroes. De romans en de poëzie staan al in het gelid, zigzaggend van A tot Z. Vanmorgen waren de ordners aan de beurt. Ik blies het stof eraf en bladerde nieuwsgierig door mijn correspondentie. In de brieven van Lennaert Nijgh kwam ik de volgende passage tegen, gedateerd 10 maart 1998, commentaar overbodig:

‘Buiten begint een vogel te fluiten, met lange romantische trillers. De hemel is ineens strak blauw. En ondanks mijn middelbare leeftijd, ondanks dat ik al lang beter weet, ondanks het weerbericht, hijs ik me in mijn jas en op de brommer. Naar de stad, vol verwachting. Want wie weet!
’s Avonds kom ik terug. Kleddernat, met een ijspegel aan mijn neus en een humeur als een afgezakte broek.’

vrijdag 16 maart 2012

FLANEUR

In een bak met boeken voor een euro zag ik tussen de paperbacks een mooi linnen ruggetje staan. Ik viste het eruit. Peredrups en paprika heette het boek en het bleek columns te bevatten van Mr. E. Elias. Ik rekende af en vervolgde mijn wandeling door de blauwe morgen. Op een bankje op het Minervaplein vlak naast een bloemenstal ging ik zitten om de lentezon eens rustig op me in te laten werken. Ik sloeg het boekje open, las hier en daar wat, en voelde de aangename warmte naar mijn hoofd stijgen die hoort bij de onverwachte ontdekking van een verwante ziel.
De schrijver van deze stukjes voert ogenschijnlijk niet veel uit. Hij wandelt wat rond, beziet de wereld, zit op terrassen, mijmert een beetje over vroeger (toen was er ‘misschien meer grenadine’ dan in de magere jaren van de wederopbouw) en becommentarieert de tijdgeest met milde spot. Zijn toon houdt het midden tussen alledaags en lyrisch. Door het veelvuldige gebruik van korte zinnen doet de taal veel moderner aan dan het jaartal 1949 doet verwachten. Zijn observaties zijn sober en terzake:

‘Van de hotels wapperden de vlaggen in de wind.
De lucht was blauw.
En de zon was goud.
En over de zee lag die vreemde ijlte, die de stukjesschrijvers altijd parelmoer willen hebben.’

Thuis googelde ik de auteur. Eduard Elias leefde van 1900 tot 1967 en was een Haags journalist die onder verschillende schuilnamen een geweldige massa cursiefjes schreef. Hij was meester in de rechten, vandaar dat ‘Mr.’. Hij was Joods. De oorlogsjaren bracht hij door op Curaçao. Hij werd veel gelezen, was geliefd bij het publiek en werd bewonderd door collega’s. Godfried Bomans schreef in een necrologie: ‘In zeker tien bladen schreef hij wekelijks dat hij niets uitvoerde. Hij heeft zich een ongeluk gewerkt om dat vooral maar aan te tonen.’
Deze productieve broodschrijver met de pen van Nescio en de inkt van Carmiggelt noemt zich in zijn stukjes herhaaldelijk een ‘geboren terrassier’ en een van zijn pseudoniemen was Flaneur. Zo zie ik hem voor me: een ouderwetse heer die de hem omringende wereld met mededogen en betrokkenheid, maar toch met weemoedige afstandelijkheid beziet, en streeft naar onthechting. In een van de stukjes die ik op het bankje las vertelt Elias dat hij zomaar langs de Scheveningse zee was gaan lopen. Hij had behoefte aan eenzaamheid en vrijheid. Want, ik citeer: ‘Mijn vriend de kladschilder had mij jaloers gemaakt met zijn verhalen, dat hij niet eens een eigen kamer heeft. Eén koffertje kleren en boeken. En om de beurt bij vrienden slapen. Een stuk of twintig gastvrije zolderkamers en zowaar hier en daar nog een bad ook. Geen hinder van personele belasting en hier en ginder ligt dan altijd een stel schoon ondergoed, een overhemd en sokken te wachten. Soms worden de sokken nog gestopt bovendien – als de vrienden getrouwd zijn.’
Van deze eertijds beroemde voorloper van uw Rookzanger rest alleen nog een beeldje op het Lange Voorhout te Den Haag. Flaneur, heet het. Zelfs op Boekwinkeltjes.nl zijn de bundelingen van zijn columns niet te vinden. Zo had hij die onthechting toch niet bedoeld, denk ik.

dinsdag 13 maart 2012

ROTTERDAM

Je moet reizen om je huis terug te waarderen. Omdat ik een Amsterdammer ben van een vrij gewoon type is dat voor mij niet zo moeilijk. Zoals vele stadgenoten scheld ik veelvuldig op mijn geboortestad en erger ik me wezenloos aan haar doen en laten maar heb ik haar tezelfdertijd innig lief. Ik zou in geen andere stad kunnen of willen wonen. Een dagje Rotterdam was genoeg om me dat weer eens te doen beseffen.
Op het eerste gezicht heeft die stad een grootsteedse allure waarbij Amsterdam provinciaals afsteekt. Ik was dan ook blij in de oksel van de Erasmusbrug een tijdelijke hut te hebben in het huiselijke Hotel Maritime. Als de pleinvrees toesloeg was ik daar veilig. Want de schaal van Rotterdam is intimiderend voor een dorpeling. Het is eigenlijk geen echte stad, maar een urbane vlakte waarin lukraak stukjes stad verrijzen. Alles vind je er naast elkaar en kriskras door elkaar: werven en loodsen, sombere utiliteitsbouw, zelfverzekerde hoogbouw, monumentale panden, een huiselijk pleintje met een paar bomen; maar net als je ergens een soort samenhang denkt te ontdekken wordt de hele boel weer wreed afgesneden door een verkeersader, een rotonde of een waterweg, zodat je in het volgende stuk opnieuw kunt beginnen. De contrasten zijn soms bizar. Een kermisachtig verlicht zeemanscafé waarin achter de bar een rij opgesmukte vrouwen zat te roken en te lonken bracht me terug in de donkere jaren vijftig. Er vlak naast trok een kale, gebroken wit geverfde eetzaal voor de allerhipsten me met een ruk weer in het heden.
Rotterdammers zijn praktisch en wars van kneuterigheid. Nergens geveltuintjes, liever lamellen dan gordijnen, geen bakfiets met kindertjes te bekennen. Het was heel wat jaren geleden dat ik huiskamers met tl-buizen als enige verlichting had gezien. De romantiek bewaart de stad voor de avond, en dan pakt ze ook flink uit. De feestverlichting gaat aan en op elektra wordt niet gekeken. Gebouwen flikkeren groen aan en uit in geometrische patronen, blauwe en rode neonbuizen kronkelen wulps over de enorme façaden. De lampen van schepen, torens, bruggen en hijskranen concurreren met de volle maan. En dan wij Amsterdammers maar interessant doen met die paar blauwe lantaarns in het Vondelpark! Dat is kunst, zegt u, dit hier aan de Maas is kermis? Ik zie het verschil niet, behalve in de kwantiteit.
Soms werd ik, terwijl we de wijken aan de rechteroever verkenden, een beetje mies van de harde en rommelige realiteit van Rotjeknor. Mijn vriendin drukte me op het hart dat we de pareltjes moesten zoeken in het grauwe rivierslijk. En toegegeven, die zijn er. Een van de charmantste vonden we per ongeluk toen we op weg waren naar de Kunsthal. In een park pal aan een soort snelweg gingen we nieuwsgierig een hek door. Er bleek een arboretum achter te liggen, de tuin van het voormalige landgoed Schoonoord. Hier heerste volmaakte rust. We wandelden wat rond, ademden de frisse voorjaarslucht in en ontcijferden de Latijnse soortnamen op de bordjes. En opeens ontdekten we dat de stad toch een hart heeft. Er stond een oude holle boom. We keken door de spleet naar binnen en begonnen tegelijkertijd te lachen. Daar binnenin, in een klam en donker hol, zat een kabouter.

vrijdag 9 maart 2012

GARDENIA

Er stond een flinke wind en de volle maan reed hoog door de hemel. Ik lag in bed maar was klaarwakker. Mijn hoofd zat door de onderhandelingen met de beide Amsterdamse horti vol plantenkassen en botanische muziek. Ik herinnerde me opeens dat ik ooit liederen van Ernest Chausson gezongen had, uit een cyclus die Serres chaudes heet. Deze muzikale broeikas was onderdeel geweest van een recital met de naam Tegen de keer, geheel gewijd aan liederen van het Fin de siècle. De ene associatie riep de andere op, en zoals dat kan gaan als je ’s nachts wakker ligt had ik al gauw glashelder een heel verloren tijdperk gereconstrueerd.

In een brochure hadden Robert (toen nog Robert-Karl) Eksteen en ik het bestaan van een ‘romantisch-decadente’ muziek geponeerd. Tot onze verrassing werd ons elitaire spelletje serieus genomen door de media. In de NRC verscheen een gunstige bespreking. We werden uitgenodigd door de VPRO-radio. Nu was het nog zaak onze these muzikaal te onderbouwen. We stroopten bibliotheken af en speurden naarstig naar liederen die in ons straatje pasten. Daarmee wilden we een muzikale samenvatting geven van de roman Tegen de keer (À rebours) van Joris-Karl Huysmans, het sleutelboek van de romantisch-decadente beweging. Ambitieus plan! We slaagden erin naast een paar voor de hand liggende ook enkele totaal vergeten componisten te vinden. Dat hun werk eigenlijk nogal onbeduidend was deed er niet toe.
Ook de presentatie van het concert zelf moest vooral bijzonder zijn. Het statige Bethaniënklooster in de rosse buurt, die locatie stond al gauw vast: de kwijnende klanken van Debussy en consorten tussen hoeren en injectienaalden, dat voelde als een stijlzuivere combinatie voor dit licht morbide programma. De vleugel werd opgesierd met een enorme zevenarmige kandelaber vol brandende kaarsen. En in ons knoopsgat moesten mijn vader (die me begeleidde) en ik een gardenia dragen, net als D’Annunzio, Couperus, en al die andere dandy’s. Maar waar vind je op heden een gardenia? Na enig zoeken vond ik In de Beethovenstraat een dure bloemist die bereid bleek er enige te bestellen. Wegens hun frêle aard zou ik die de dag van het concert ophalen.
Zo geviel het dat ik mijn ironisch glimlachende vader die avond een rap verleppende Kaapse Jasmijn in het knoopsgat van zijn rokkostuum stond te wurmen, alvorens we ons stortten in een muzikaal avontuur vol hooggestemde, merkwaardige en geëxalteerde liederen, waar hij als solide man van de opera het zijne van dacht. Maar zijn goedmoedig uitgedragen scepsis gleed geheel van me af. Kunst was een ernstige, delicate en elitaire zaak in die dagen. Mijn vurige liefdesverhouding met het Napolitaanse lied moest nog beginnen. En dat ik ooit mijn stem zou herscholen om de zorgvuldig bevochten cultuurklank er weer uit te krijgen en huisbakken liedjes in mijn moerstaal te zingen had ik toen nooit of te nimmer kunnen bedenken. Alles was zo anders toen. Dat zou me weemoedig kunnen stemmen, maar als ik aan die gardenia denk schiet ik in de lach.

dinsdag 6 maart 2012

HORTUS

Ik dacht dat ik met de maartangst had afgerekend. Maar terwijl ik me omdraaide en wegliep kwam hij bij en gaf me een verraderlijke klap in de nek. De dagen erna waren koud, grijs en leeg. Maandagmorgen zei de yogajuf na de meditatie, dat we dit ‘fijne gevoel’ in ons binnenste op elk gewenst moment op konden roepen, het was er altijd. Ik vroeg me af waar ik het dan moest zoeken. Mediteren is moeilijk als wat het centrum van je rust moet zijn - je adem, je buik – juist het kolkende middelpunt is van een onderhuidse nervositeit.
’s Middags bezocht ik met mijn vriendin de hortus van de VU. Voor het twintigjarig bestaan van het Linnaeuskoor heb ik een ‘botanische cantate’ geschreven, en we willen die zoveel mogelijk op locatie uitvoeren. Location scouting is een fijne bezigheid, vol voorpret en verbeeldingskracht. De vrijdag ervoor had ik al overmoedig op het terrasje van de Hortus in de stad gezeten. De lente brak door met de krokussen, de vogels scharrelden fluitend rond, de maartangst was in geen velden of wegen meer te bekennen. Nu blies er een nare wind en omhulde ons een natte, koude nevel terwijl we het buitenhek openden. Huiverend traden we een dorre tuin binnen. Hier was heel wat verbeeldingskracht nodig. We zagen dat de hoveniers zaten te schaften, dus besloten we zelf maar de grote kas binnen te gaan. En daar kwamen we in een andere wereld terecht.
Gretig zogen mijn longen zich vol met de stille, dikke en warme lucht. Overal was het geruststellende geritsel van stroompjes en het lome getik van waterdruppels. Een oerwoud van palmen en tropische planten verrees uit potaarde. In een diepe vijver zwommen tientallen waterschildpadden. De lege kraaloogjes In hun glimmend leren koppen keken dwars door me heen. In een zijkas was een vrouw geconcentreerd aan het werk. Mijn vriendin sprak haar aan. Ze bleek violiste te zijn bij het Concertgebouworkest en werkte hier als vrijwilliger. Ze kwam uit een groene familie waarin het juist determineren van plantjes een dure plicht was. Haar vingers bespeelden een schaal vol minieme stekjes - een mooi overzichtelijk klusje, zoals ze zei. Ze had grote, warme bruine ogen. Ogen die gauw verschrikt konden staan, maar hier tot rust kwamen. Ze beloofde naar ons concert te komen. Wij maten de ruimte en probeerden ons voor te stellen hoe hier een koor en een publiek gehuisvest konden worden. Het zou krap zijn, maar knus.
Ik ken een muzikant, ook al zo’n gevoelige ziel, die een abonnement heeft op de Hortus. Telkens als hij zich niet helemaal senang voelt, of het nou griep is of psychisch, gaat hij met een Ollie B. Bommelboekje in de tropische kas zitten. Daar knapt hij altijd enorm van op, zegt hij. Ik begrijp hem nu een stuk beter.

vrijdag 2 maart 2012

MAARTANGST

Er zit verandering in de lucht. Die is weliswaar mistig en grijs, maar toch met een soort lichte glans, niet zo ondoorzichtig als de hemel van een winterdag. Het is de lente die eraan komt. De katten merken het ook, die zitten nerveus te mekkeren als er een blote merel op het balkon verschijnt. Ik mekker niet, maar heb wel last van nervositeit. Soms uit die zich in de euforie die lentekriebels wordt genoemd, soms in de negatieve pendant daarvan: dan ben ik plotseling bang. Waarvoor? Ik weet het niet. Iets vaags en onbenoembaars. Bang voor wat er nog kan komen misschien.
Omdat ik met de alcoholische zelfmedicatie en de tranquillizers ook mijn vluchtgedrag heb afgezworen toog ik gisteren naar Haarlem. Dipje of niet, afspraken moeten worden nagekomen, dat is een van de winstpunten die de kliniek me heeft opgeleverd. Het leven hoeft niet altijd leuk te zijn, en ook minder aangename uren gaan vanzelf voorbij. Beter dan me terug te trekken uit de boze wereld en mijn stemmingen te gaan analyseren kan ik gewoon doen wat er te doen is. Dan is de kans op stemmingsverbetering toch het grootst.
Bovendien verheugde ik me op het gesprek met mijn vriend Karl. Ik had zijn boek gelezen, en dat had veel gespreksstof losgemaakt. Ik had vragen, lof, kritiek, opmerkingen, inzichten. Ik popelde om ze te delen.
Karl had blikjes Fanta koud staan, en nadat we ter inleiding uitvoerig van gedachten hadden gewisseld over boekenkasten en systemen om boeken te ordenen vertelde ik hem, voor we het over het boek in wording gingen hebben, over mijn plotselinge aanval van onbestemde vrees.
Karl knikte bedachtzaam.
‘Maartangst,’ zei hij instemmend.
Karl is goed in het munten van woordcombinaties. Daarmee maakt hij gecompliceerde begrippen middels zijn taalvaardigheid hanteerbaar. Over dit neologisme hoefde ik niet lang na te denken. Lentekriebels, voorjaarsmoeheid, waarom dan geen maartangst? Het leek een beetje op faalangst, en daar had het natuurlijk ook alles mee te maken. Karl zei dat hij die morgen, de eerste maart, ritueel zijn winterjas had verwisseld voor een lichtere jas. Met het verplaatsen van zijn sleutels van de ene naar de andere jas was wat hem betreft de jaarlijkse rite de passage voltrokken en de lente een feit.
Ik vond het een simpele maar inspirerende gedachte. In de auto terug naar Amsterdam besloot ik de sombere, donker verkleurde en afgekloven pijpen die ik steevast rookte vanaf nu in het rek te laten, en die paar elegante, nieuwe designpijpen nu eens een kans te geven, die sierlijk maar nutteloos lagen te glimmen in hun gewatteerde en met zijde beklede doos. Met een lichte lentepijp in de mond zou het leven er toch iets anders uitzien.