vrijdag 28 juni 2019

v.h. Rookzangers Notitieblog 25: Heinrich Heine



De laatste acht jaar van zijn leven sleet Heinrich Heine in zijn Parijse appartement, in of op bed. Zijn matrassengraf (Matratzengruft) noemde hij dat. Hoewel hij de naderende dood vaak indachtig was belette zijn toestand hem niet om flink door te werken. De laatste tijd met behulp van een secretaresse en Vorleserin, schrijfster en musicienne Elise Krinitz, die zijn laatste – noodgedwongen platonische – geliefde werd.

De precieze oorzaak  van Heines slepende doodsbed is onduidelijk. Destijds dacht men aan syfilis, later aan MS. Onderzoek van het resterende haar van Heine toonde in elk geval ook ernstige loodvergiftiging aan.

(Ook Beethovens dode haar vertoonde zware loodsporen. Beethoven was een groot wijndrinker, en in die tijd werd aan goedkope wijn nog lood toegevoegd als zoetmiddel. Ik mag er graag in verdwijnen door middel van boek en muziek, maar zo leuk was het allemaal niet in die ‘romantische’ negentiende eeuw.)

Gisteren had ik een minder bekend gedicht van Heine op muziek gezet, over een tamelijk koddige zeemeermin. Mijn gedachten gingen uit naar dat bekendste gedicht van hem. Dat zó bekend was, dat het niet mocht ontbreken in een schoolbloemlezing, ook al hadden de nazi's het werk van Joodse dichters in de ban gedaan. Die Loreley, Dichter unbekannt, kwam erbij te staan.

Heine had er met vooruitziende blik al een grap over gemaakt. Zijn naam was voor de Fransen niet uit te spreken, schrijft hij ergens. ‘De meesten noemden me Monsieur Enri Enn, velen trokken dat samen tot Enrienne en sommigen noemden me Monsieur Un Rien.’

’s Nachts kon ik de slaap niet vatten en sloeg ik aan het vertalen.

Het vertalen van gedichten is als het metselen van stapelmuurtjes. In Ierland dwalen de makers daarvan rond door het landschap en nemen elke steen goed in zich op. Bezig aan een nieuw muurtje proberen ze zich te herinneren op welke plek een passende steen voor hun dry stone dyke ligt.

Ik dwaal door mijn taallandschap en zoek de goede woorden. Ze passen nog niet perfect, ik moet er nog even van een afstandje naar kijken, maar het begint ergens op te lijken.

De Lorelei

Ik weet niet wat zij moet beduiden,
Die treurigheid van mij;
Een sprookje uit oude tijden,
Dat laat me geen ogenblik vrij.

De lucht is koel en het donkert
En rustig vliet de Rijn;
De top van de bergen flonkert
In avondzonneschijn.

Een juffrouw zit daarboven,
Zo schoon en wonderbaar.
Haar kleed is met goud doorwoven,
Ze kamt haar gouden haar.

Haar gouden kam blikkert vervaarlijk,
Ze zingt al kammend een lied;
Dat lied heeft een wonderbaarlijk
Meeslepende melodie.

De schipper in ’t scheepje beneden
Vervult het met smachtende pijn;
De klippen zijn voortaan vergeten,
Hij wil alleen bóven nog zijn.

Hij kon zich, meen ik, niet bedwingen,
En is in de golven vergaan;
En dat heeft met al haar zingen
De Lorelei gedaan.


(Illustratie: Charles Gleyre 1806-1874)


dinsdag 25 juni 2019

Beelden, follies en priëlen


We liepen door een wirwar van blauwe stroken plastic, mijn broer en ik, een jungle van kunststof lianen, een vliegengordijn dat zich naar alle kanten uitstrekte. Het was ploeteren, hoewel de weerstand van de stroken waarschijnlijk eerder psychisch dan reëel was, en onderwijl raakte je oriëntatie lichtjes in verwarring: een zeker niet onaangename sensatie die iets kinderlijks in ons boven bracht.  Op het bijbehorende bordje lazen we dat het hier een installatie betrof van Jesús Rafael Soto (1923-2005), een Venezolaanse beeldhouwer die zich graag met optische illusies bezighield. Ik ben de naam van deze jungle van blauw plastic vergeten maar wij doopten haar spontaan 'de wasstraat'.

Twee jaar geleden werd ArtZuid, onze eigen Amsterdamse beeldhouwbiënnale, samengesteld door Rudi Fuchs. Nu zijn Michiel Romeyn en Jhim Lamoree de verantwoordelijke curatoren. Bij de principiële keus van Fuchs voor hardcore abstractie had ik me vooral verveeld. Ik hoef mezelf niet te herhalen. Ik heb die verveling, of liever ergernis, destijds op deze plaats verwoord. Lees het gerust nog eens na, het was die dag net zo heet als vandaag.

De huidige editie is een lofzang op de figuratie, in alle mogelijke stijlen en vormen. Van de postmoderne reuzenpuppy van Yoshitomo Nara tot de neoclassicistische Minerva van Jan Havermans. Dat beeld, een bronzen godin met opgeheven vinger, gedaan in de beste Griekse stijl, valt stilistisch wel enigszins uit de toon. Maar op een positieve manier, als een stralende majeur-drieklank in een symfonie van complexe jazzakkoorden. Eerst dacht ik nog dat de opgeheven wijsvinger ons de spreekwoordelijke vinger gaf, en dat we hier te doen hadden met een ironische versie van de klassieken. Maar nee, toen ik beter keek bleek er geen ironie te bespeuren, slechts sierlijke ernst in een patina van groen uitgeslagen brons. Mijn telefoon legde me uit hoe deze stijlbreuk in elkaar stak. Havermans (1892-1964) had zijn Minerva al in 1929 gemaakt voor de kop van de Minervalaan, waar die op de Apollolaan uitkomt. In 1985 werd het beeld van zijn sokkel gehaald en geroofd. Het dook in onze eeuw op in een kunsthandel. De kunsthandelaar vertrouwde het zaakje niet, ontdekte de toedracht, streek met zijn hand over zijn hart en schonk het beeld in 2017 aan Stichting ArtZuid. Die zette het bijna op dezelfde plek terug. Niet helemaal: het staat nu op een perkje tegenover het Hilton. Het kreeg volgnummer 31. Een inkoppertje voor de curatoren.
Als je zoveel kunst kijkt ga je ook met andere ogen naar de omgeving kijken. De plantsoenen van de Apollolaan leken op deze prachtige zomermiddag steeds meer op een Engelse landschapstuin vol beelden, follies en priëlen. En de mooiste sculpturen waren de knoestige, wuivende woudreuzen.


(Foto boven: Paulien Kop)

vrijdag 21 juni 2019

DONNERWETTER


We zongen Schumann toen de bui losbarstte. Im wunderschönen Monat Mai. Ik vroeg de mannen om de dictie wat aan te scherpen en de klinkers wat meer voorin te plaatsen. Het was donker geworden. De regen sloeg tegen de ramen, we zagen de bomen zwiepen in windvlaag na windvlaag, het bliksemde en de donder... Grommend rolt de schorre donder en rommelt in 't verschiet, schoot me te binnen. Een citaat uit mijn verzameling handzame verzen voor alle gelegenheden. De penningmeester dacht dat het misschien van Tollens was.
Ondertussen was het ernst buiten. Van alle onweersbuien van de laatste roerige weken was dit zeker niet de minste. Ik houd van onweer, zoals ik ook van sneeuw of van storm hou, en ik voelde een lichte spijt dat ik er niet ten volle van kon genieten. Mijn arbeidsethos zei me dat er doorgewerkt moest worden aan Schumann maar eigenlijk had ik liever voor de open deur gestaan, ruikend, kijkend, luisterend. Omdat ik leiding gaf kon ik niet eens mijn gedachten laten wegdwalen van de les, zoals ik vroeger op school gedaan zou hebben. Wel viel ik nu en dan stil. Tussen mijn eigen zinnen door luisterde ik met gespitste oren. Mijn aandacht knipperde maar besloot toch elke keer bij Schumann te blijven.
It's lonely at the top, dacht ik berustend.

Al in de auto terug was er verzet tegen die vage gedachte, die mijn gedrag had bepaald en mijn vrijheid had ingeperkt. Ik ben met die koorzangers zo vertrouwd, ik had best uiting kunnen geven aan mijn kinderlijke verlangen om even bewust van het onweer te genieten. Even pauze mensen, had ik kunnen voorstellen, even buiten kijken. De leukste schoolmeesters zijn degenen die een beetje gek zijn en aan spontane invallen gehoor geven. Dus om mijn reputatie als docent had ik het niet hoeven laten. Nu was ik de slaaf geweest van mijn rol. Het beroepsmasker dat ik graag even had willen afzetten had muurvast op mijn smoel gezeten. Er was een kloof ontstaan tussen mijn ware zelf en mijn geacteerde zelf. Een gevaarlijke situatie, zoals lezers van Dans dans dans van Haruki Murakami weten. Daarin verdwijnt de populaire acteur Gotanda in een duistere tegenwereld, steeds als die kloof te diep wordt. En in die onwerkelijke duisternis komt hij tot vreselijke dingen. Zo heeft hij nadien de sterke indruk dat hij callgirl Kiki heeft gewurgd, maar hij kan zich niet herinneren dat hij werkelijk zoiets gedaan heeft.

Ik deed geen vreselijke dingen en mijn vriendin ontwaakte de volgende dag ongeschonden uit haar slaap, maar ik was wel vreemd gedeprimeerd toen ik die nacht wakker lag. Ik was met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik was lang niet zo mezelf in sociale situaties als ik wel dacht. De vraag was zelfs of ik niet veel meer een slaaf van een - deels door mijzelf ontworpen - rollenspel was dan ik had gehoopt. Mocht er ooit nog eens zo'n mooi onweer losbarsten tijdens een repetitie, dan zou ik het anders doen! Dan zou ik time out vragen en Schumann, Heine en de hele verdomde romantische ironie even laten voor wat ze waren.
Maar als voornemen was dat waardeloos. Want het gaat er natuurlijk juist om dat je ook onvoorbereid op het juiste moment zo'n besluit kan nemen.
Hüte dich, sei wach und munter!


[En] Grommend rolt, etc... is uit Het onweder van Hendrik Asz. Doyer (1791-1866).
Het laatste citaat ('Wees op je hoede, wees waakzaam en monter') is niet van Heine, maar uit Zwielicht van Joseph Freiherr von Eichendorff (1788-1857).
Afbeelding: Het onweer (1843) door Johannes Tavenraat (1809-1881).


dinsdag 18 juni 2019

v.h. Rookzangers notitieblog (24)


Mijn dochter heeft serieuze plannen om weer naar Engeland te gaan. Geen Londen dit keer maar Brighton. Aanstaand weekeinde gaat ze het terrein verkennen.
'Ik snap dat jij dat niet leuk vindt.'
Nee, dat vind ik niet leuk. Niet alleen waak ik graag als herdershond over mijn kleine kudde dierbaren, maar ook kan ik slecht tegen onrust en verandering. Rust en stabiliteit is wat ik wil. Het leven zou een rimpelloze zee moeten zijn met niets in het verschiet dat het silhouet van de horizon verstoort.
De ironie echter is, dat hoe rimpellozer en onveranderlijker het leven is, hoe sneller de tijd lijkt te gaan. Zonder alledaagse veranderingen om je heen wordt die ene grote en onafwendbare verandering des te beter zichtbaar. Het tikken van de klok en het voorwaarts sluipen van de wijzers. Met andere woorden: hoe meer ik mijn leven van obstakels heb weten te ontdoen, des te meer ga ik peinzen over 'de uiteindelijke dingen'.
Zo gebeurde het dat mijn panorama als het ware inkromp, toen mijn dochter me op de hoogte had gebracht van haar voorgenomen verhuizing. Vlak vooraan was er die dreigende verandering, daarachter de volgende hoopvolle verandering: want ze zou toch binnen afzienbare tijd wel weer eens terugkomen, om te settelen in Amsterdam?
En met dat al waren klok en wijzers even uit het zicht verdwenen.

vrijdag 14 juni 2019

Schoon schip

Ik was al op weg naar het park om te gaan zien hoe het met de ooievaars stond: hadden de twee resterende jongen de laatste storm wel overleefd? Broertje of zusje was uit het nest gewaaid bij de grote onweders van vorige week.
Ik passeerde het kastje met weggeefboeken. Zoals altijd wierp ik daar een blik in. De blik trof een kloek boek en bleef eraan kleven. Schoon schip, van Gerard Reve. Dat had ik nog niet. Ik nam het uit het kastje, ontdekte dat het te groot was voor mijn jaszak en besloot het eerst in het trappenhuis te leggen voor ik mijn wandeling naar de ooievaars zou vervolgen.

Thuisgekomen (de twee jongen maakten het goed) deed ik droge kleren aan, draaide de verwarming maar weer aan en installeerde me in mijn zetel van rood trijp. Vol voorpret begon ik te bladeren in Schoon schip.
Ik las een paar stukken. Een paar goeie stukken, uit de jaren vijftig. Een paar aardige brieffragmenten uit de jaren tachtig. Dit was typisch een boek waarvan je kon zeggen: 'er valt weer veel te genieten'.
Maar al snel zakte het peil van het plezier en kwamen alle bezwaren die ik in de loop der jaren ben gaan verzamelen tegen het verschijnsel Gerard Reve weer naar boven. Gerard beschouwde op latere leeftijd het geschreven woord toch vooral als klinkende munt, als koopwaar om uit te venten. Zijn uitgeverij drukte op zijn verzoek geen boeken maar geld in de vorm van taal. In dit boek, een verzameling van alle nog niet eerder in druk verschenen teksten uit de periode 1945-1984, staan veel te veel fragmenten die alleen maar van belang zouden kunnen zijn als je een intense interesse koestert voor de mens Reve. Contactadvertenties, flapteksten, losse eindjes, schetsjes en kladjes, onderschriftjes, opschriftjes en bijschriftjes, verslagjes van enkele regels uit Het Parool - het enige wat nog ontbreekt zijn facsimile's van zijn ingevulde en ingezonden kruiswoordpuzzels. Tot overmaat van ramp moet de uitgave (verzorgd door Joop Schafthuizen a.k.a. Matroos Vos) het geheel zonder voetnoten of ander verhelderend commentaar stellen. De losse stukjes worden zonder enige context gepresenteerd, alsof het Grote Literatuur betreft die op zichzelf moet kunnen staan. Maar wat moeten we bijvoorbeeld met een fragment als dat op pagina 234, onder de titel Over een jaar of tien... ?
'Over een jaar of tien zal dit land gebukt gaan onder een definitieve linkse terreur, het gepeupel gaat de macht overnemen en wie nu verstandig is neemt de benen zolang het nog kan.'
Het is ondertekend 'Gerard Reve' en als bron staat vermeld: De Nieuwe Limburger, 18 maart 1974. 
Een citaat uit een vraaggesprek, een ingezonden brief? Geen idee. Maar het is ook van geen belang. Zelfs de meest rabiate Reve-volger zal weinig belang stellen in een dergelijke overkill aan restjes, tenzij uit de manie om alles, maar dan ook alles volledig in de kast te hebben staan.

Gerard Reve was, alle poeha en flauwe gein terzijde, een groot schrijver. Er is een tijd geweest waarin die mening gestaafd werd door publicatie op publicatie te stapelen. Briefboeken, verzameld werk, uitgaven zoals Schoon schip en het verwante Archief Reve beweerden onvermoeibaar dit: Reve is zo groot, dat ieder krabbeltje dat hij schreef bijgezet moet worden in het papieren mausoleum dat zijn majesteit eer bewijst. Ja zelfs zijn afgekeurde en verfrommelde boodschappenbriefjes kun je verhandelen of desgewenst inlijsten.
Wordt het nu, zoveel jaren later, zo langzamerhand niet eens tijd om Reve postuum een veel grotere dienst te bewijzen? Laat er een commissie van kritische liefhebbers en kenners komen, die alleen het beste bewaart en de rest (voor zover nog in druk) in de papierversnipperaar werpt, of desnoods in kartonnen dozen naar het Letterkundig Museum verscheept waar het in de catacomben mag rusten ter inzage voor neerlandici en biografen.
Laten we schoon schip maken en van de Burgerschrijver alleen dat bewaren wat van belang is. Alleen het serieuze werk, de romans, de reisbrieven, de gedichten, en vooruit: een paar van de beste brievenboeken.
Opdat potentiële nieuwe lezers verrast kennis kunnen maken met de best stellende en best gestileerde stem van een verdwenen tijdperk. En opdat ze niet ten prooi vallen aan dezelfde melige treurnis die mij beving na te lang bladeren in Schoon schip.


woensdag 12 juni 2019

MANNETJE

Het feest was al in volle gang toen het mannetje binnenkwam. Sterker nog: de cadeaus waren uitgepakt, de bubbels ingeschonken, het welkomstwoord was breedvoerig uitgesproken en de lunch was verorberd. Ieder zat rustig op stoel of bank te luisteren naar beschaafde en toch leuke klassieke muziek voor sopraansaxofoon en accordeon.

Hij liep langs het tuinhek, een beetje verward en gehaast, alsof hij al uren naar het juiste adres zocht. Hij had een rond, kaal hoofd, een korte witte ringbaard, ronde, troebele ogen en een ronde buik. Het mannetje zou een toevallige voorbijganger hebben kunnen zijn, als hij niet een wat krap zondags pak had gedragen. Bovendien had hij een laptop en een groot boek onder zijn arm. Hij kwam hier iets doen, maar kon dat, wegens de muziek, die het publiek aan de tuinstoeltjes en het woonkamermeubilair gekluisterd hield, op dit moment niet doen. Dat frustreerde hem, hij liep in toenemende geagiteerde verwarring door huis en tuin. De manier waarop hij zijn plannen gedwarsboomd zag en dat niet kon verkroppen verried de onaangepaste, zonderlinge mens. Ik zag hem de obers aanspreken. Tevergeefs, wat hij ook wilde doen met die laptop en dat boek zou moeten wachten tot na de muziek.
Hij kwam de kamer binnen waar ik zat, zonk neer op de bank naast me, legde zijn handen op zijn bolle buikje en viel al gauw in een diepe slaap.

Toen de muziek afgelopen was en wij beschaafd hadden geklapt ontwaakte het mannetje en hervatte ijverig zijn missie. Hij sprak de gastheer aan. De inmiddels al afgesloten geluidsinstallatie moest weer worden aangezet. Toen dat gebeurd was begon het mannetje met Belgische tongval een speech af te steken. Een uitgebreide felicitatie. Ik kon niet alles verstaan maar begreep dat het boek het cadeau was voor de vijftigjarige bruiloft van de gastgevers. De laptop had hij meegezeuld omdat hij zijn geschenk vergezeld wilde doen gaan van een gedeclameerd gedicht en van muziek. Hij hield het ding in de richting van de gastheer, was een tijdje aan het hannesen om de goede instellingen te vinden en even later klonk Clair de lune van Debussy, via YouTube. De gastheer, een warmvoelende man die met de wereld en met zichzelf zeer in zijn nopjes was en bij zijn welkomstspeech zeer olijk had gekeken, stond er nu wat verlegen bij. Zijn guitige blik had plaatsgemaakt voor een ongemakkelijke ernst.

Even later trof ik het mannetje aan bij de huisbar, waar we beiden een glas rode wijn inschonken. Om dat cordon van eenzaamheid rondom hem te doorbreken sprak ik hem aan. Algauw waren we druk in gesprek. Nu ja, ik luisterde naar zijn monologen, die slechts kort onderbroken werden als ik iets inbracht. Hij bleek een gewezen hoogleraar Klassieke Wijsbegeerte te zijn. Een belangrijk man op zijn vakgebied zo te horen. Omdat ik zelf ook Latijn en Grieks heb gestudeerd, vijf jaar lang, vond hij in mij een betrokken gesprekspartner, of liever luisteraar. 

Ik zou dit verhaaltje graag hierbij gelaten hebben. Maar de eerlijkheid gebiedt me de afloop te vertellen.
Omdat hij zo'n slechte luisteraar was en ik toch ook mee wilde tellen zette ik, aangemoedigd door de wijn, steeds zwaarder geschut in. Op zeker moment hoorde ik mezelf de eerste verzen van de Odyssee en de Aeneis (boek IV) reciteren, en vooruit, ook nog maar een regel of wat Ovidius, met mijn beste toneelstem, waar als vanzelf een Vlaams accent in sloop. Daar was het mannetje wel even stil van. Het mompelde verontschuldigend dat zijn geheugen op zijn vierentachtigste niet zo goed meer was en ging verder met zijn monologen.

De volgende dag was ik doodmoe. 'Wat heb ik weer verschrikkelijk staan opscheppen,' zei ik tegen mijn vriendin.
Het mooie van jezelf onderuithalen is dat je de ander de kans geeft om je op te beuren.
'Je hebt toch een goede daad verricht,' vond mijn vriendin.
Ik trok het kussen over mijn hoofd en sloot mijn ogen.

vrijdag 7 juni 2019

JUNI

De stille junimaand is aangebroken, en daarmee de zomer.
Waarom 'stille' ? In mijn beleving is juni een tijd van consolidatie. Tegenstellingen verkruimelen, versmelten, de wereld komt tot rust. Het schooljaar loopt ten einde, de examens zijn voorbij. Het weer is vaak wat grijs in juni, het regent geregeld, de zon is nooit meer dan vriendelijk. De lente is uitgewoed en we gaan nog niet op reis. De festivals staan in de steigers maar de speakers zwijgen nog. De weilanden en gazons zijn geschoren met de schapen en al die brutale weelde van fluitenkruid en boterbloem is gesneuveld onder de zeis. Gelijkmatig groen is alles. Alleen de rozen, die geven kleur.
Mijn hoofd doet mee met de weilanden en de bermen. Ook ik kom tot rust, ben eindelijk kalm. Het werk luwt. De concerten zijn voorbij. Een voor een gaan de koren op zomerreces. Ik lees meer dan normaal, ook overdag, neem de tijd om te schrijven. Verkwist zomaar een paar uren met het bijwerken van mijn LinkedIn-profiel - een volledig zinloos maar aangenaam klusje, cosmetisch, als het trimmen van je baard of het poetsen van je schoenen. Het brengt me mentaal op onverwachte plekken. Als een kat die met knipperende ogen door de struiken sluipt, op zijn gemak zijn neus achterna, insecten, muizen, vogels - precies zo dwaal ik door het verleden, als ik op zoek ben naar foto's om bij de verschillende wapenfeiten en verworvenheden te plaatsen. Het een leidt tot het ander. Van foto tot lemma gaat het. Van torretje naar mus. Van filmpje naar mp3. Van feit naar droom, van idee naar herinnering. Er is geen dwang en geen plan en zo zonder dwang en plan vliegt de tijd.
's Avonds kijk ik tv. Normaal heb ik daar weinig geduld voor maar nu zit ik een hele Zweedse detective uit. Bossen, corruptie, moord, drankzucht en regen.
In bed lees ik met smaak nog twee geheel lege hoofdstukken Haruki Murakami voordat ik het lampje uitknip om eens diep na te kunnen denken over de structuur van het boek in wording dat ik onlangs weer heb opgepakt.
Voor de verveling onherroepelijk zal toeslaan is juni een fijne maand.

dinsdag 4 juni 2019

AARDBEI

Er was fancy fair in het dorp. In Noord-Holland grijpen ze elke gelegenheid aan om handel te drijven. Het gaat daarbij niet om het gewin, maar om de aardigheid. Een dingetje verkopen dat thuis ligt te verstoffen en daar een euro voor vangen is dikke pret. Mijn vriendin telde haar munten en rekende uit hoeveel ze verdiend had met de verkoop van haar zelfgemaakte appelsap en -stroop, chutney en vlierbessensiroop. Als je de aangeschafte suiker bereid was buiten beschouwing te laten was het bijna genoeg om de huur van het kraampje te dekken. Mijn vriendin was tevreden.
Ze vertelde dat ze tijdens het optreden van dorpsgenoot Hans Dulfer, dat de feestelijke fair afsloot, Piet Aardbei had ontmoet, een oude dorpeling die haar ooit met het schoonmaken van de sloot (het jaarlijkse 'sloten') had geholpen, toen ze er pas was komen wonen. Ik had weleens over hem horen praten.
'Weet je eigenlijk hoe hij aan zijn naam komt?' vroeg ze, terwijl ze de overgebleven potjes en flesjes op het aanrecht uitstalde.
'Vanwege zijn drankneus?' gokte ik.
Nee, dat was niet het geval. De overbuurman van deze Piet, vertelde mijn vriendin, had een tuin met een enorme hoeveelheid mooie rijpe aardbeien. Op zekere dag vroeg Piet of hij er wat van mocht plukken. Geen probleem, zei de buurman, ik heb er meer dan genoeg, en ze moeten op voor ze overrijp worden.
Piet Aardbei plukte er flink wat van, deed de vruchten in doosjes en zette die aan de straat voor zijn huis met een prijskaartje erbij. Daar stond die buurman toch wel van te kijken. Maar Piet verblikte of verbloosde niet. Hij vond zichzelf een slimme rakker.
'Sindsdien heet hij zo.'
Ik vond het een mooi verhaal. Piet schaamde zich niet voor zijn bijnaam, die een blijvende herinnering betekende aan een niet zo chic incident, maar voerde die voortaan als geuzennaam. Sommige mensen leven toch maar gemakkelijk.