vrijdag 29 april 2011

TURFMAN


Ik word onwillig toch gewaar: een gast in huis,
een onbekende, onbewezen man, die vraag
kan stellen op gemene vraag.


Hij verscheen terloops. In een gedichtje dat Robert Eksteen op zijn blog zette. Acht regels, waarin opeens de naam Turfman opdook. In de weken daarna bleek hij een blijvertje. De geheimzinnige Turfman had intrek genomen, lazen we, in Roberts tuinhuisje en ging daar niet meer weg. Elke woensdag precies om twaalf uur ging Robert achter zijn pc zitten en deed verslag van Turfmans doen en laten. Poëzie als een jazzimprovisatie, noemde hij het. Inderdaad is de taal van de reeks vooral muzikaal. De zinnen denderen lekker ritmisch voort. Er is veel alliteratie, binnenrijm. De vorm is vrij en er lijken maar twee regels te zijn: een Turfman moet uit acht regels bestaan en zijn naam moet erin voorkomen. Toen Robert dat laatste een keer vergat mailde ik hem, en prompt maakte hij het verzuim goed.

Met Nico van Lieshout besprak ik elke woensdagavond na de koorrepetitie, bij de nazit in de kroeg, even de nieuwe Turfman. Glimlachend. Nico is de penningmeester van mijn koor en in het dagelijks leven neerlandicus en een gretig lezer. We waren inmiddels fan geworden van de avonturen van de gekke tuinhuisjesfilosoof en zagen naar de woensdagse editie uit, zoals we als kinderen naar de komst van de Donald Duck hadden uitgekeken.
Nico is erudiet. Hij vergeleek Turfman met Aawater van Martinus Nijhoff en met Elkerlick, of met Der Mann ohne Eigenschafte van de Oostenrijkse auteur Robert Musil. Die literaire verzinsels waren symbolen van de neutrale, waarnemende kern van de mens, of liever van zijn lege gestalte, zijn cartooneske omlijning, net als Jedermann, en Everyman. De verpersoonlijking van wat ons allen overkomt: geboorte, een tijdje met meer of minder succes hier op aarde rondkloten, en dan weer oprotten. Turfman was hun tegendeel. Hij was het dwarse, het niet alledaagse in de mens. Hij wroette in de aarde, in de geest, in betekenissen en conventies. Hij was ook wrokkig, een dwingeland, en grillig, ‘Turfman moet je altijd wantrouwen’.
Eigenlijk, vonden we, was hij daarmee niet minder dan een nieuw archetype. Dat van de moderne, moeilijke mens, vol complexen, neurotische aandoeningen en onvoldaanheid. Meer nog dan Harry Haller, de Steppenwolf uit het gelijknamige boek van Hermann Hesse gaf hij stem en vorm aan iets dat in ons allemaal zit, iets dat dwars is, kritisch onderzoekt en lastige vragen stelt. De Turfman in ons zijn we vaak liever kwijt dan rijk. Daarom lezen we in de episode Vrij, waarin Turfman met vakantie is:

We zitten om een schragentafel en de bitternootjes
rammelen kinderlijk gelukkig in een schaaltje. We
brengen een toast uit: lang leve onze eindige domheid.
Op het dressoir staat een verre ansichtkaart van Turfman.


Op het hoogtepunt van de reeks stopte Robert met zijn woensdagse jazzimprovisaties. Als typische dwarse man wordt hij ongemakkelijk en bespeurt hij onraad, als iets te lekker loopt. Wij betreurden de opname van Turfman in een psychiatrische kliniek, die overigens wonderlijk genoeg samenviel met mijn eigen retraite in een herstellingsoord in het Zuiden des lands, en zijn eervolle ontslag, ‘genezen, maar ongelukkig’. Gelukkig is de hele verzameling Turfmans nog na te lezen op het blog De dwarse man.
De gedichten staan in omgekeerde volgorde, dus ga voor een goed begrip wel even naar de laatste pagina. Klik hier.

woensdag 27 april 2011

HONDERD

Het was de tijd van de waaiende zaden. Van wat voor boom ze stammen weet ik niet, maar het moet een heel gewoon soort zijn - de straten van de oude buurt waarin ik woon staan er vol mee. Ergens in de eerste helft van mei, dit jaar eerder door het uitzonderlijk warme weer, laten ze los. Kleine blaadjes van bruingeel rijstpapier, met in het midden een zaadje. Ze dwarrelen neer, worden door de wind alle kanten op geblazen, vangen het zonlicht en glinsteren als vuurvliegjes bij klaarlichte dag. Ze liggen dicht opeengepakt tegen stoepranden aan, waar dezelfde wind ze heen heeft geblazen die ze ook weer oppakt en met handenvol tegelijk in de lucht gooit. Van dit betoverende voorjaarsspel kun je moe worden, vooral in de namiddag, als de zon warm is maar de lucht een beetje smoezelig. De capriolen die je fantasie maakt, aangestoken door die aanhoudende confettiregen van blaadjes, verzadigen je op den duur, en je geest wordt suffig van al dat licht en beweging.

Maar zover was het nog niet. De morgen was nog fris toen ik op het terras mijn koffie dronk en naar de waaiende zaden keek. Ik dacht aan vroegere lentes. Als je van een zekere leeftijd bent, zoals de Fransman zegt, stemt het voorjaar je niet langer hoopvol maar doet het je vooral aan zichzelf denken, en aan zijn talrijke vorige edities.
Een man liep het terras op. Hij leek op een roze biggetje. Op zijn kale schedel glinsterden zweetdruppels. Hij had een rond brilletje op en droeg een aktetas onder zijn arm. Hij liep kaarsrecht, zoals kleine mannen doen. Ik herkende een vroegere leerling van me. Herman, werkzaam in het bankwezen. Die was hier wel op zijn plaats, in Wildschut, maar ik had hem er nooit eerder gezien, in de kwart eeuw dat ik hier al kom. Ik glimlachte. Herman kwam uit een cultuurarm milieu en had weinig aanleg voor zingen. Maar hij wilde hogerop in de wereld, en vond dat een zekere basiskennis van de klassieken daarbij hoorde. Dat vond ik wel een sympathiek trekje van hem. Zijn ontroerende optimisme zorgde ervoor dat ik zijn uitvoeringen van An die Musik of Caro mio ben week na week kon uitzitten, en mijn geduld bewaarde bij de hardnekkige, zelfs onuitroeibare fouten in uitspraak en intonatie.

Terwijl ik in gedachten verkeerde bij mijn lespraktijk van vroeger, bij al die stemmen en gezichten die toen vertrouwd waren en die nu allang uit mijn leven verdwenen zijn, beende een vrouw met halflang, dik grijs haar en scherpe blauwe ogen voor me langs. Ik herkende haar meteen. Jane, een intellectuele psychologe die met grote toewijding alles zong wat te hoog gegrepen voor haar was: Mahler, Wolf, Debussy, noem maar op. Het best lagen haar de chansons van Kurt Weill, die ze ook wel, met veel pathos, tijdens huisconcerten in haar kapitale pand aan een van de grachten uitvoerde, begeleid door een tobberige beroepspianist die zijn beste jaren in het Groningse kroegleven had gesleten en zich door haar liet inhuren om wat bij te verdienen.
Jane en Herman hadden vaak de bühne gedeeld van het zaaltje waar ik mijn halfjaarlijkse leerlingenmiddagen hield. Ze hadden meelevend naar elkaars ernstige pogingen geluisterd. Ik had beiden vele jaren niet gezien. Zouden ze soms? Ik keek het café in, maar Herman was in conclaaf met een andere man met laptop en stropdas, en Jane was elders in druk gesprek met een veel jongere vrouw.
Het was allemaal wel erg toevallig. Ik had diezelfde ochtend nog iets geschreven over weer een andere oud-leerling van me, die nu een bekend acteur is. Ik keek in de rondwervelende blaadjes, waarvan de schittering vlekken op mijn netvlies toverde als ik mijn ogen sloot, en kreeg een vreemd idee. Straks zou er vast nog een discipel uit die tijd verschijnen, een derde. Dan zou ik een stukje kunnen schrijven over de bizarre werkelijkheid van het toeval. Want het stukje dat ik wilde schrijven, mijn honderdste alweer op dit blog, moest wel een beetje bijzonder zijn. Iets met diepte. Een beetje magisch, het liefst.
Ik zat lange tijd stil te wachten op het terras. Ik werd daas van de kakelende stemmen om me heen, en van de in het zonlicht schitterende zaden, die onvermoeibaar rondtolden.
Er gebeurde niets, natuurlijk.

Ps: in mijn dagboek vond ik (ook weer toevallig, ik zocht naar iets heel anders) deze zin, geschreven op 26 mei 1986: ‘Op de terugweg Ger en Mo + Puck op terras ontmoet, daar even gezeten in de winderige lentedag (met tornado’s zaadvruchtjes die alom schitterden in de zon).’

zondag 24 april 2011

ROEM

Sommige mensen hebben de roem aan hun kont hangen. Ik zeg dat niet zomaar. Een jaar of tien geleden bedachten Geerten Meijsing en ik een theorie. We verbaasden ons over de schijnbare willekeurigheid waarmee de een wel en de ander niet aan de bak kwam. Sommige enorm talentvolle mensen zaten hun kunsten eenzaam op hun zolderkamertje te vertonen, en anderen kwamen dagelijks met hun kop op tv, terwijl ze eigenlijk niks konden. Daar moest een wetmatigheid achter schuilen, want zo onrechtvaardig kon de schepping niet zijn. Ik opperde dat er misschien wel een speciaal talent voor roem bestond, maar mijn vriend wuifde dat weg.
We kwamen met een werkbaar model, dat we de Drie Pijlers van de Roem noemden. Ik zal het kort beschrijven. Als u meer wilt weten moet u Meijsings brochure Literaire roem maar lezen (Fagel, 2005).
Om beroemd te worden moet je op drie punten scoren: talent, ambitie en sociale vaardigheid. Ontbreekt één daarvan, dan kun je het schudden. Gebrek aan de één kan worden gecompenseerd door een overmaat aan een andere component. Ik moet daarbij twee dingen zeggen. Ten eerste: zoals bij elke regel zijn er uitzonderingen. De schrijver Voskuil had nul komma nul sociale vaardigheid, en werd toch tijdens zijn leven nog beroemd. Laten we zeggen dat hij de tijd mee had. Voor het overige treft zeer getalenteerden zonder sociale vaardigheid hoogstens het lot van Van Gogh: dat van postume roem. Ten tweede: onder sociale vaardigheid versta ik het hele scala aan eigenschappen dat iemand sociaal aantrekkelijk maakt, dus ook, niet onbelangrijk, charisma.

Ik zat op het terras van Wildschut en wilde mijn koffie verkeerd afrekenen. Ik zocht met mijn ogen het dienstertje, maar plotseling werd mijn blik gevangen door iets anders. Knipperend tegen de volle lentezon zag ik een vrouw het terras op slenteren. Ik moest blijven kijken. Ze zag eruit als een meisje, maar van dichtbij bleek ze kraaienpootjes te hebben om haar ogen. Ze leek wulps en voluptueus van bouw, maar van dichtbij bleek dat meer de clichématige invulling van het mannelijk libido te zijn dan werkelijkheid. Ze liep en lachte zelfbewust, maar zonder aanstellerij. Ze ging aan het tafeltje naast mij zitten. Ze bestelde een Ice Tea, heel kalm, met zachte stem, en begon een intiem gesprek met een vriendin die daar blijkbaar op haar had gewacht. Ze praatte niet met haar mobieltje. Toch zoog ze de aandacht op alsof ze een theatrale entree had gemaakt en nu een redevoering voor het betoverde terras hield. Ik stopte mijn portemonnee weer in mijn zak, want ik wilde nog even langer genieten van haar nabijheid. Haar donkerbruine haar viel krullend om een knap, licht gebruind gezicht, waarin intelligente ogen rustig om zich heen blikten. Ze had tijdloze kleren aan, gebloemd, vrouwelijk, die iets hippie-achtigs hadden en toch chic waren. Ze was klein. Ik voelde de drang om haar te beschermen. Toch, als er iets was dat haar deed opvallen, was het haar volledige onafhankelijkheid. Ze was zichzelf genoeg, dat zag je zo. Wie was deze wonderlijk mooie vrouw? Waar was ze toen ik nog jong en mooi was? Terwijl ik mijn profiel zo gunstig mogelijk deed uitkomen en over mijn leesbril heen niets ziend in een intellectuele krant tuurde, baadde ik nog een tijdje in haar warme uitstraling, voor ik spijtig, maar met rechte rug en vitale tred, naar huis liep.
Thuis begroette mijn dochter me: ‘Hé pap, ik zag je op het terras naast Katja Schuurman!’

woensdag 20 april 2011

TIJDMACHINE


Ze hield zich met een stok rechtop en keek voor zich uit als een schaapherder in een bergweide. Haar grote, lichte ogen stonden ver. Ver van dit moment en ver van deze plaats. Zelfs verder dan de grazige weilanden die achter de tuin zichtbaar waren, een ongeschonden stuk landschap onder de rook van Amsterdam. In de kamer waarin haar kleine, breekbare lichaam stond werd de nalatenschap van haar overleden man geveild, want het huis moest verkocht, zij moest naar een verzorgingstehuis. Vreemden scharrelden rond en bekeken de gedateerde schilderijen, allemaal netjes geprijsd. Honderden had haar man zaliger er gemaakt. Het gros zou wel bij het grof vuil eindigen.
Ook ik kon voor de modernistische doeken niet veel belangstelling opbrengen. Maar terwijl ik door de kamers van het oude huis in Abcoude liep, op een lentemiddag in het jaar 2011, viel mijn oog plotseling op iets waardoor de tijd wankelde en beefde. En met een schok was het vijftig jaar eerder. Een kleurig doosje met een prent erop. Hans en Grietje en de heks. Ik opende het en zag de vergeten, vertrouwde blokken van een puzzel. Helemaal intact. Elke zijde van de kubusjes bevatte een stukje van een afbeelding. De voorbeeldplaten volgend kon je zes sprookjestaferelen neerleggen. Scènes uit Doornroosje, Roodkapje, Vrouw Holle, Hans en Grietje, Tafeltje dek je, ezeltje strek je en knuppel uit de zak en Assepoester.
Terwijl ik opgezogen werd door de romantische taferelen vol vergezichten van sprookjeskastelen op heuveltoppen en donkere naaldwouden onder een onaards verlichte hemel, hoorde ik achter me weer de stemmen van lang geleden. Boven alles uit mijn oom Fons, al ruim dertig jaar dood: kortaf en op hoge toon, want hij was beroepsmilitair en had altijd gelijk. Dan die van mijn vader, gedreven maar weloverwogen formulerend, iets sceptisch, soms bulderend lachend. De hoge stem van mijn oom Lex laveerde er tussendoor, geamuseerd, geen partij kiezend, want hij was van de kouwe kant. Soms kwam er een commentaar van mijn opa, waarnaar iedereen met gepast respect luisterde, voor het gekrakeel weer losbarstte. Mijn oma mopperde goedmoedig. Iets verder weg klonken de zangerige stemmen van mijn moeder en mijn tantes.
Nu en dan kwam een van de stemmen dichterbij en naderde de tafel waaraan ik op het Perzische kleedje mijn blokken neerlegde: mijn oom die zijn bier moest lozen, mijn oma die de jenever uit de kelder ging halen, of de Nibbits, waarvan ik straks een handvol op een glazen schoteltje zou krijgen. Even schuurde de wereld van de volwassenen langs me heen. Dan dook ik weer in de mijne. Voor dat plaatje van Vrouw Holle was ik bang, die puzzel legde ik nooit. Ook de man met de wonderzak waaruit een gebraden kip en een fles roze wijn tevoorschijn kwamen was eng, met zijn manische ogen en zijn geverfde lippen, maar dat plaatje fascineerde me. Ik legde het vaak, de voorsmaak proevend van iets wat toen nog ver weg was. Assepoester vond ik saai, misschien omdat de prent binnenskamers was. Het mooist vond ik eigenlijk de landschappen. Ik kon me eindeloos in de details verdiepen, en vermoedde eindeloze puzzels achter de begrenzing van deze zes. De overweldigende grootsheid van de wereld had ik hier in handen, teruggebracht tot twintig blokken in een kistje.
Ik werd verbaasd wakker in het Abcoude van 2011, zocht naar een prijskaartje, en betaalde tien euro aan de ceremoniemeester. Dat is niet veel voor een tijdmachine.

zaterdag 16 april 2011

FERNWEH

De bootovertocht naar Texel is voorbij voor je het weet. Je hebt je koffie en je gevulde koek nog maar net op en besluit aan dek te gaan om naar het Wad te kijken, als de motor al trager begint te lopen. Aan boord mag je niet roken. Ook niet aan dek. Dat vond ik te gek voor woorden en ik besloot tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Ik had niet voor niets mijn pijp met windkapje meegenomen. Ik nam een paar trekjes en tuurde over het water. Kapitein Rob, al was het maar voor even. De boot begon aan te meren en we gingen naar het ruim waar de auto stond.
Op de eilanden lijkt de hemel hoger dan op het vasteland, en het land begrensder. Er zijn geen ijkpunten of mijlpalen zoals hoge gebouwen, fabrieksschoorstenen of snelwegen die de bereikbare nabijheid van een realiteit verderop suggereren. De wetenschap dat de zee je omringt, al is ze onzichtbaar, zorgt voor een denkbeeldig kader om wat je om je heen ziet. Eigenlijk heb ik op de eilanden altijd het gevoel in een oud schilderij te lopen. Ik voel me er veilig, vaag beklemd, en ook dromerig. Op de schapenboerderij waar mijn dochter zes weken lang stage had gelopen was het leven druk en alledaags genoeg. Er blaatten honderden schapen en lammetjes, de boer beklom zijn tractor, een goedkope sigaar in zijn hoofd, de kinderen waren thuis van school voor het middageten: suddervlees, aardappelen en groenten. De tv stond aan. Hetzelfde nieuws als thuis. Toch had alle bedrijvigheid iets onwerkelijks, hier in dit popperige polderlandschap uit de Gouden Eeuw. Hoe kort de afstand ook is, als je naar de eilanden gaat ben je op reis. Niet alleen door de ruimte, ook door de tijd.

Later op de dag waren we op het Amstelstation. Een Italiaanse vriend had hoog opgegeven van de pasta die ze serveerden bij Julia’s, een hippe Amerikaanse keten. Take away. Snel en goed. Zo stonden we op New Yorkse wijze verse penne uit een kartonnen bakje te eten met een plastic vork. Reizigers liepen af en aan, op weg of huiswaarts. De bolognesesaus smaakte voortreffelijk, dat kon ik goed proeven omdat ik de modieuze rucola die ze er als topping bij wilden geven had geweigerd. Plotseling doemde, breed lachend, de reusachtige gestalte van een collega op tussen de reizigers. Hij sleepte een koffer mee. Hij straalde de zorgeloze, onthechte vermoeidheid uit van mensen die net een lange vliegreis hebben gemaakt. In vergelijking met zijn diepe bas leek mijn eigen stem me jongensachtig onzeker.
‘Nog steeds van de drank af? Je ziet er goed uit. Ik kom net uit Napels. Tournee met Frans Brüggen. Daar heb jij toch ook wel eens gezongen? Heftige stad.’
Ja, Napels, daar heb ik ook wel eens gezongen, dat vertel ik u nog wel eens. Maar nu stond ik met mijn bakje pasta van Julia’s temidden van de reizigers op een station vlakbij huis, en leed plotseling hevig aan Fernweh.

dinsdag 12 april 2011

A SONG FOR TRISTAN

Het lijkt wel of ik een olifantshuid krijg voor rampspoed en ellende. Zo'n schietpartij in Alphen aan de Rijn, dat raakt me natuurlijk, ik ben niet van steen, maar het grijpt me niet echt aan. Na de eerste sensatie is het al gauw oud nieuws, dat de media minstens een paar dagen lang zullen uitmelken met niets toevoegende items. Kleine nieuwe feitjes, gezagsdragers die helemaal niets zeggen in troostende, rituele zinnen, buurtbewoners die hun onbegrip zenuwachtig glimlachend onder woorden brengen, experts die op tv expert mogen zijn om de tijd te vullen. Het is net als met natuurrampen. Onbeheersbaar geweld dat het beeld van de werkelijkheid abrupt en onvoorzien doormidden scheurt. Ik kan er niets aan veranderen, ik kan er niets mee doen. Na de eerste schrik zet ik het weg in de annalen als voldongen feit.
Weet u wat mij wel aangrijpt?
Een man is jong. Hij heeft hoge idealen en artistieke aspiraties. Hij is kunstschilder. Hij legt het wonder van de schepping vast in acrylverf op linnen. Het licht over het Hollandse landschap verbaast en ontroert hem. Zijn pogingen om dat in beelden te vangen zijn te naief voor de culturele echelons van de Randstad, maar halen in de provincie een goede pers. Hij wordt leraar beeldende vorming in een klein stadje. Hij wordt gewaardeerd. Hij heeft een zinvol bestaan. Als hij een zoon krijgt verplaatst zijn ontroering over het wonder van de schepping zich naar het persoonlijke vlak. Hij schildert een ontluikende sierlijke bloem, een gele lis, die baadt in een warm geel, bijna hemels licht. Hij noemt het A Song for Tristan.
Vierentwintig jaar later schiet zijn bloemenkind zes mensen overhoop om zijn zelfmoord kracht bij te zetten. Een veelvoud daarvan aan levens verminkt hij even gruwelijk als blijvend. Zou de kunstschilder ooit nog schilderen? En wat moet hij dan nog schilderen?

vrijdag 8 april 2011

HOMMEL

In de gang kroop een hommel. Hij zat onder het stof. Hij moet de winter in een hoekje hebben doorgebracht. Ik pakte hem met stoffer en blik op en zette hem op het balkon. Daar verstarde hij, terwijl hij zijn rechtervoorpoot ophief alsof hij het verkeer regelde, of de Hitlergroet bracht. Ik begreep het. Hij had last van de felle zon. Ik schoof hem in de schaduw, en hij begon weer te bewegen. Eerst waste hij zijn voorpoten. Dan maakte hij een enkel proefvluchtje, vijf centimeter rechtstandig omhoog, meer niet. Alles deed het nog. Hij leek moed te scheppen, en wierp zich vastberaden in de lucht. Hoog en snel ging het meteen, met duizelingwekkende zwenkingen. Maar de willekeurige patronen werden al gauw kleiner, en met grote precisie dook hij in een bloeiende perenboom.


(Laatste nieuws, voor wie mijn familiesoap volgt: uit recent onderzoek en nieuwe informatie blijkt dat Koos Grosman wel degelijk familie is. Zijn moeder, Jacoba van Doorne, had een zuster Heiltje. En dat is de moeder van mijn oma, Bartholomea Grabijn. Dat maakt Koos een volle neef van mijn oma, en dus inderdaad een (soort) oom van mijn moeder, zoals ik in mijn eerste stukje over deze zaak stelde. En passant bleek trouwens dat de Grabijns via Duitsland uit Polen komen, en dus helemaal niet van Franse Hugenoten afstammen, zoals het familieverhaal het wil; maar daarover wellicht ooit een andere keer.)

woensdag 6 april 2011

GERETOUCHEERD PORTRET

Het ging precies zo als ik had gevreesd. Ik kreeg een mail van Sigrid uit Amstelveen. Ze had opa gegoogeld en was op mijn blog terecht gekomen. Ze wees me erop dat er nogal wat foutjes stonden in mijn verhaal (zie 4 maart) over Koos Grosman, en gaf me haar telefoonnummer, voor als ik nog belangstelling had. Ik pakte meteen de telefoon.
Sigrid is de kleindochter uit het eerste huwelijk van Koos, de ‘schilderende oom’ van mijn moeder. Zelf heeft ze hem nooit gekend, want de familiegeschiedenis van de naoorlogse jaren is doortrokken van onmin en brouillage, iedereen in het gezin Grosman lag met elkaar overhoop, de familie lag in scherven. Dat is des te opmerkelijker, omdat de Grosmans vroeger juist zeer close waren, vertelde ze. De reden voor die dramatische omslag lag in de gebeurtenissen van de bezetting. Zowel Koos als zijn broers Dirk en John hadden in het kamp gezeten. Alleen niet in hetzelfde. Koos was gestraft voor zijn collaboratie en zat de eerste twee jaar na de oorlog vast. Zijn broers hadden in het verzet gezeten en waren daarvoor door de Duitsers met internering gestraft. Het feit dat ze politiek diametraal tegenover elkaar stonden belette de broers overigens niet om een hechte band te houden: je broer blijft je broer, je kunt nog zo van mening verschillen, voor de buitenwereld vorm je één front.
Koos kwam als een gebroken man uit het kamp. Zijn hele verdere leven bleef hij ziekelijk, kampend met chronische bronchitis, vaak koortsig. Zijn carrière als striptekenaar was voorbij, geblokkeerd door zijn keus voor de verkeerde partij en ingehaald door Disney. Hij moest aan de kost komen met illustraties voor tijdschriften. Om de kas te spekken schilderde hij in opdracht portretten.
Dat werpt een nieuw licht op het aantal schilderijen van hem dat in familiebezit is. Daaronder is ook een portret van mijn moeder op achttienjarige leeftijd. Stopte mijn opa zijn sukkelende vriend af en toe geld toe in ruil voor een werk van eigen hand? Mijn opa had een zacht hart, ik acht het heel goed mogelijk. En die dagelijkse bezoeken aan het huis van mijn grootouders in de Rijnstraat? Koos had een slecht huwelijk, en misschien ontvluchtte hij de zure sfeer thuis, opperde Sigrid lachend.
Dat bracht een ander punt naar voren waarin zij zich niet kon vinden. Volgens haar familie was Koos een ziekelijke, chagrijnige, zelfs humorloze man, terwijl hij in de mythen van onze familie de rol speelt van de goedlachse bon-vivant. We hielden het er maar op dat een mens buitenshuis vaak een andere kant van zichzelf toont dan in zijn eigen intieme kring. Het gaf me een prettig gevoel dat ik dáárin Sigrids beeld een beetje kon bijstellen: grootvader was niet alleen die zeurderige, zieke man geweest. Hij had ook een vrolijke kant, zelfs in die moeilijke latere jaren.
Er resten mij nog veel vragen, waarop ik niet verwacht ooit een antwoord te krijgen.

vrijdag 1 april 2011

HERINNERINGEN AAN HENK


Als modern mens doe ik aan sociale media, hoewel ik daar steeds meer kritische kanttekeningen bij plaats. Gisterochtend kreeg ik op Facebook een vriendschapsbevestiging van Ernst Daniël Smid. Ik ken Ernst Daniël alleen, zoals u waarschijnlijk ook, van de televisie, waar hij opvalt door een prettige combinatie van integriteit en rulle goedlachsheid, maar de zangwereld waaruit hij stamt ken ik heel goed. Door het verschijnen van zijn naam en portret op mijn scherm moest ik weer denken aan zijn collega en bijna naamgenoot, Henk Smit. Die stierf vorig jaar juli onverwachts. Ik schreef daar toen over, en mijn stukje kreeg vele reacties, die bevestigden dat Henk een man was die wijd en zijd warme gevoelens opriep.
Mijn oudste herinnering aan Henk is meteen een van indringendste. Ik was tien of elf jaar oud. We woonden in een kleine eengezinswoning in Geuzenveld, in de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. Het was avond en het was dorps stil. Ik had onlangs een gitaar voor mijn verjaardag gekregen, de herinnering moet zich dus afspelen in dezelfde tijd van het jaar waarin ik schrijf. Trots toonde ik het instrument, waarop ik nog geen noot kon spelen, aan ‘oom’ Henk. Die pakte het aan, zette het op zijn knie, sloeg een C-groot akkoord in arpeggio aan, en zong de spiritual Old Black Joe. Wat ik nog goed weet was de verbijstering over de aanwezigheid van zoveel volume in zo’n kleine man. Zijn stem vulde de huiskamer met een rijke, warme klank. Ik was echt wel wat gewend: mijn vader zong dagelijks Puccini en Verdi, en zijn hoge C was niet mis, - maar dit was toch iets anders, dat voelde ik heel goed. Ik denk dat Henk vanaf dat moment een held voor me werd. Iemand die zo aardig, zo geïnteresseerd en zo gewoon was (ik mocht hem Henk noemen, maar dat lukte me pas vele jaren later) en die tegelijk zoveel macht in zijn stem had, dat moest wel een heel bijzonder mens zijn.
Bijzonder was hij ook. Zijn losse levenswijze was met ijzeren wil bevochten op een streng gereformeerde jeugd, en soms speelde die hem parten. Dan had hij last van zijn maag. Ook een zenuwachtig wriemelen met zijn linkerhand tijdens concerten bewees dat er spanning school onder al die schijnbaar gemakkelijke bravura. Misschien had de zwarte kousen gemeente een schuldgevoel in hem geplant, dat moeilijk uit te roeien was, wie zal het zeggen. Want Henk deed alles wat God verboden had. Daarin was hij werkelijk heroïsch. Hij wilde intens van het leven genieten, en dat lukte hem ook, wie of wat hem ook tegenwerkte.

Na concerten waaide hij vaak bij ons binnen, samen met zijn vrouw Martine. Hij knoopte dan zijn rok los en hing onderuit op de bank. Mijn vader pakte de sherry, en al gauw ontstond er een verhitte discussie, meestal over zingen, of over de mogelijkheid en/of wenselijkheid van de vrije liefde. De jaren zestig, nietwaar? Libertijnse gesprekken waren dat, die tot diep in de nacht doorgingen en er soms op uitdraaiden dat mijn moeder stampvoetend de kamer verliet. Zij had met haar calvinistische jeugd niet afgerekend.
Toen mijn vader met vervroegd pensioen ging bij de Nederlandse Opera en de randstad verruilde voor provinciale rust verloren ze elkaar langzaam uit het oog. Maar toen mijn moeder vijfenzestig werd was hij van de partij. Net als vroeger met Martine, van wie hij inmiddels gescheiden was. Onderweg hadden ze een aanrijding gehad, en hij had zijn auto total loss moeten achterlaten. Dat hij toch kwam zegt veel over zijn doorzettingsvermogen en zijn loyaliteit. Mijn vader en hij zaten tegenover elkaar, hun neuzen raakten elkaar bijna, en terwijl ze zich om beurten bedienden van de jeneverfles tussen hen in spraken ze op de vertrouwde vurige toon. Over muziek, over godsdienst, over de moraal, over de liefde.
Het spijt me dat ik ze op de valreep niet nog samen heb kunnen brengen voor een laatste gesprek. Henk had dat graag gewild. En ik had graag gehoord hoe de hemelbestormende mannen die vroeger de Amsterdamse Bamboo Bar onveilig maakten nu, hoog bejaard, over de zaken dachten.