dinsdag 31 mei 2016

FLAMENCO


Via een laan vol purperen jacarandabomen kwamen we aan een ommuurd pleintje net buiten het centrum, waar de Peña Flamenca was gevestigd. We kochten kaartjes en kwamen door een gang in een grote zaal vol tafels waaraan fiks gegeten werd. Mijn gezelschap zocht een plaatsje op een bank tegen de muur terwijl ik naar de bar liep om verversingen te bestellen. Hoewel er maar een paar mensen stonden te wachten zag ik meteen dat dit een kwestie van geduld zou worden. Het personeel riep met 'veldstemmen' (zoals mijn schoonfamilie dat noemt) instructies naar elkaar, een ober wiste zich het zweet van zijn bleke voorhoofd, aan de blik in zijn ogen te zien was hij op de grens van paniek. Toch was het grootste werk gedaan - de laatste schalen patatas bravas waren de zaal in gebracht - het was waarschijnlijk hun gewone manier van doen. Voor me zuchtte een lange Brit in bloemenshirt en vakantiebroek 'I give up', waarna hij met zijn lege glas Bacardi-Cola de bar verliet. Ik zette moedig door en werd uiteindelijk beloond. Een vrouw schonk een half glas in, snerpte een bevel naar achteren en verdween half rennend in de keuken. Iemand anders kwam na enige verwarring de bestelling afmaken. Balancerend met mijn glaswerk ging ik terug naar de zaal, waar de muziek inmiddels was begonnen. GITAAANAAA!! klonk het, boven een rinkelende, flink versterkte gitaar. De dansers klapten er vanaf hun stoelen ritmisch bij in hun handen.
Ik had in Nederland wel vaker flamenco gehoord, in diverse concertzalen, van Carré tot RASA. Maar het hier in Andalusië mee te maken in een locale club was toch wat anders. Zelfs de dansers ontroerden en imponeerden me, terwijl ik helemaal niet van dans houd. De zanger, Bonela Hijo (junior), in het dagelijks leven Francisco Javier Sánchiez Bandera, warmde snel op en kwam aan het eind van zijn eerste lange lied, een cante jondo y profundo, al tot geïnspireerde vocale hoogstandjes, die de aanwezige Spanjaarden en toeristen tot flink wat 'olé' bewogen. Ook een enkel 'olé guapo' werd gehoord, want met een beetje goede wil was de zanger een mooie jongen te noemen - in elk geval had hij een krachtige, heldere stem, niet het hese hanengekraai dat vaak voor 'echt' flamenco doorgaat. Het voordeel van die transparantie was dat ik nu eens precies kon horen welke nootjes die virtuoze loopjes allemaal bevatten; heel wat Oosterse kwarttonen die ik tot nog toe aan slordige intonatie had toegeschreven passeerden de revue, en ik luisterde bewonderend toe.
Het is grappig hoe machismo kan verschillen in verschijningsvorm. In Italië is het toppunt van mannelijkheid een hoge toon zo lang en zo hard mogelijk aanhouden. In de flamenco is het een lang uitgesponnen, woeste coloratuur die die hoge noten maar even aanstipt: ze zijn er wel, maar worden binnengehouden, afgebeten. Aan het eind van de excursie naar de toppen van zijn kunnen daalt de zanger naar de grondtoon en dan pas barst het 'olé' los. De moedige klim wordt beloond, er wordt niet gejuicht bij het bereiken van de top. Neem bijvoorbeeld de beroemde aria Nessun dorma. U weet wel, met dat einde 'Vincééééérò'. Hoe zou dat klinken uit de mond van een flamencozanger? Iets als: 'Vin-ceh-eh-eh-eh-eh-eh-eh-eh-eh-eh-eh-rò,' waarbij ik gemakshalve een paar tientallen 'ehtjes' weglaat.
In de pauze aten we wat. Hapjes in stenen schaaltjes, buiten in de zoele avond naar binnen gevorkt. Bonela Hijo zat ontspannen met een biertje aan de bar. Ik had in Tarifa uitstekende verse tonijn gegeten, zo uit zee, een enorme lap vis die voldoende voor een jaar was geweest. Deze kleine hapjes bevielen me beter. Zoals ook de kleine nootjes me beter bevielen, in dit klimaat, dan de lange uithalen.


dinsdag 24 mei 2016

HONDENLAND


Pitufo lijkt op een biggetje, van achteren: bleek-roze met een krulstaartje. Van voren is het een slank hondje met een bruine vlek op de plaats waar baby's hun fontanelletje hebben. Hij is zoals alle zwerfhonden bang voor mannen en kijkt me angstig achterdochtig aan als ik van de caravan in de citroenboomgaard naar het huis loop, maar de opgetrokken bovenlip blijft achterwege. Dat niet alle mannen met stokken slaan zal hij misschien nog wel leren.

Ik ben tweeduizend kilometer van huis, waar de zon eerder ondergaat en de schemering korter is, maar wil mijn vaste gewoontes nog niet opgeven. Je kunt dat verslaving noemen, verslaving aan routine. Ik weet niet of dat erg is.
Op dinsdagen ga ik, na koffie gemaakt te hebben, rechtstreeks naar mijn werkkamer, waar ik in ochtendjas, voorover gebogen rokend, een stukje tik dat ik vervolgens de wereld in stuur.
Hier heb ik het zitje onder de amandelboom opgezocht om deze regels te schrijven, in Hawaï-shirt en in afwachting van het ontbijt; misschien zend ik ze straks naar het noorden op een geleende computer.

De nacht is zacht en geleidelijk overgegaan in de dag. De nachtzwaluwen en brulkikkers zijn nu stil maar overal in de verte rondom blaffen nog honden. Een koor van onraad en onrust dat dag en nacht zingt. Vannacht was het misschien de volle maan waaraan het een wolfachtige serenade bracht, nu slaat het aan omdat er altijd wel ergens een andere hond blaft.

Er wordt een glas vers sinaasappelsap voor me neergezet. De boom waaruit de vruchten geplukt zijn zie ik naast me.
Adios, lezer, het is tijd mijn routine even te onderbreken.

vrijdag 20 mei 2016

Een raadsel ontsluierd

Het was vreemd weer, had de weerman gezegd. Bedekt, maar toch warm. Regendreiging. Hij bedoelde het waarschijnlijk als waarschuwing, maar ik hoorde er een aanbeveling in. Omdat de gevreesde napijn van mijn pas getrokken kies was uitgebleven besloot ik tot een flinke wandeling. Buiten merkte ik dat de wereld inderdaad vreemd aanvoelde; misschien had ik toch wat koorts - mijn benen waren slap en af en toe was ik duizelig. Maar ik kon mijn kaken weer ferm op elkaar zetten, met een kletterend geluid, en was vol goede moed.
Mijn route voerde me langs Feniks, een van mijn favoriete antiquariaten. In de bakken buiten vond ik een titel die me trof. Voor 1 euro was The Loch Ness Mystery Solved van mij. Op een bankje vlak bij de buste van Carel Willink begon ik te lezen.

Wat had me ertoe gebracht het boek aan te schaffen? Mijn eerste impuls was geweest om het meteen terug te leggen - Loch Ness, ouwe koek, wat moest ik nog met zulke raadsels? Leuk als je heel jong bent. Bovendien was er veel gebeurd sinds Ronald Binns het in 1983 schreef, up to date was het bepaald niet. Maar, redeneerde ik tegen mijn impuls in, ik was bezig met een nieuw project rond het neefje van Nessie, het monster van de Sloterplas, en kon elk beetje inspiratie gebruiken. Riesurtsj! Dat was voldoende reden voor de transactie geweest.
Al lezend merkte ik, tot mijn verbazing, dat ik licht teleurgesteld was. Al na één hoofdstuk was het glashelder waar Binns me heen wilde hebben. Reeds de eerste fraaie volzinnen leken me naar de conclusie te leiden dat er geen monster was, natuurlijk. Ergens diep in me had ik misschien gehoopt dat de auteur een soort Erich von Däniken was en dat ik als grote kerel door een nieuw gezichtspunt aan het twijfelen zou worden gebracht, dat ik weer in sprookjes zou kunnen geloven.
Een nieuw gezichtspunt had Binns wel degelijk, dat stond ook op de flap. Maar dat was iets anders dan ik had gehoopt. Binns is naar de bronnen van het mysterie teruggegaan, namelijk naar de eerste waarnemingen, hun omstandigheden en hun gevolgen. Scrupuleus registreert hij, stap voor stap, geheel volgens de wetten van de onderzoeksjournalistiek, het ontstaan van de hype in 1933. En wat blijkt? Alles rammelt, alles is dubieus. Als je zijn reconstructie van de feiten leest kun je je niet voorstellen dat er nog iemand serieus onderzoek zou gaan doen naar het monster. Dat dat toch gebeurd is, keer op keer, komt doordat niemand de moeite heeft genomen die eerste berichten goed te lezen. Het een leidde tot het ander, en op een gegeven moment was het een voldongen feit dat er een sterk gewortelde legende bestond, die toch wel een grond van waarheid moest bevatten. Die legende bestond eigenlijk helemaal niet, die wortelde in die paar flutberichtjes, maar dat wist niemand meer. Binns boek is niet zozeer een zoektocht naar het monster, als wel de ontrafeling van een urban legend.
In mijn eigen verhaal Monster, mythe en muziek had ik de vraag gesteld of de mythe van het Sloterplasmonster eigenlijk wel echt bestaan had, voordat ik er een liedje over geschreven had. Was het niet alleen een 1 aprilgrap van de Telegraaf geweest, en wat melige bangmakerij van kinderen onder elkaar, waaromheen ik de levende legende had gefantaseerd? Door erover te schrijven en te zingen gaf ik vlees en bloed aan het twijfelachtige sprookje en deed aan 'mythopoësis': ik boetseerde een mythe uit het bijna-niets; uit een handvol grappen en kinderverhaaltjes. En waarom? Omdat het zo gelopen was, omdat ik van pen en lier moet leven, en het liedje een eigen leven was gaan leiden.
In het geval van Loch Ness lijkt zoiets in het groot te zijn gebeurd. De een praatte de ander na, er verschenen (quasi)wetenschappelijke studies, er werd veel geld in wetenschappelijk onderzoek gestoken. Wat als een lokaal komkommertijdbericht begon werd zucht voor zucht opgeblazen tot een wereldwijd fenomeen. Diep in ons hart willen we allemaal in monsters geloven, ook al weten we dat ze niet bestaan. Als er geen mythe is, dan maken we die wel.
De laatste woorden van Binns, waarnaar ik al even vooruit heb gespiekt: 'Na vijftig jaar valt er één conclusie redelijkerwijs te trekken. Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs voor monsters in Loch Ness, en een handvol mensen zullen ze daar blijven zien.'




dinsdag 17 mei 2016

Kimono


Ik liep met mijn zuster door Amsterdam. Ik ben gewend dat mijn familie redelijk sceptisch is als het gaat om onze gemeenschappelijke geboortestad, dus ik was verrast dat mijn zus deze middag zo positief, zelfs enthousiast was. Gaandeweg voelde ik het vacuüm dat afwachtende houding heet zich opvullen met trots. Eerst aarzelend nog, maar toen ik plezier begon te krijgen in mijn rol als oudere, grootsteedse broer steeds nadrukkelijker. Trots die gevoed wordt door de appreciatie van een ander kan lekker gaan gloeien, en dat deed de mijne. Ik was zoiets helemaal niet van plan geweest, maar onder invloed van deze nieuwe verhouding begon ik voor wandelende toeristengids te spelen. Nadat we in het Rijks de kimono's van Breitner hadden bewonderd en we in het museumrestaurant iets hadden gedronken was het nog te vroeg om te gaan eten.
'Ben je wel eens in Welling geweest?' vroeg ik. Nee, wat was dat, Welling? Ik vertelde wat Welling was. Vertelde over de oude heer Welling, die ik nog had gekend, en die op zijn pantoffels door zijn zaak slenterde en de fles jenever voor je op tafel zetten, met een vers potloodstreepje om het niveau aan te geven op het moment waarop hij de fles verstrekte. Over de beroemde mensen die er kwamen, de legendarische nazitten na concerten die ik er had meegemaakt, lang geleden. We duwden de deur open, Welling was net open, het was vier uur. We namen plaats aan een tafeltje vlak onder de bar. Nog geen tien minuten later werden we omstuwd door een druk pratende en drinkende massa.
'Jee,' zei mijn zus oprecht verbaasd, 'ik heb nog nooit zoveel oude mensen gezien in een café.' Inderdaad was de gemiddelde leeftijd van al die druk pratende en drinkende mensen - concertgangers, goed gekleed en gekapt - eerder rond de zeventig dan rond de veertig. We wrongen ons het nauwe huiskamercafé uit. Via een omweg langs de Zuidermarkt met zijn ambachtelijke producten voor de ruime beurs en een winderige strook Vondelpark leidde ik mijn gast naar Trattoria Totò in de Constantijn Huygensstraat. Het was nog vroeg dus er was plaats genoeg, een bordje 'gereserveerd' werd achteloos weggehaald. We bestelden eerst wat antipasto. Er kwam een schotel met diverse hapjes en een mandje opvallend lekker brood. Johannes van Dam, vertelde de stadsgids, zou er blij mee zijn geweest - die had zo een paar ijkpunten om zijn restaurants op te beoordelen: het brood onder andere, en de crème brûlée. Voorzichtig kraakte ik de verse korst van het zelfgebakken brood met mijn rechter gebitshelft. De linker die op dit moment angstig de tandarts tegemoet ziet ontzag ik zo veel mogelijk. Ik complimenteerde de ober, een wat pafferige mooie jongen die over tien jaar een mollige fat zou zijn, en hij stelde voor dat we de volgende dag kwamen kijken hoe de chef het brood bakte. We waren welkom. Vreemde gratuite gastvriendschap! Zou er echt iemand zijn die de dag erna om twaalf uur (alle dodici had hij gezegd) op de stoep zou staan om toegang tot de keuken te verlangen om de chef bij zijn werk op de vingers te kijken?
Na de lasagne zaten we tevreden aan koffie en digestief. Ik verwelkomde mijn Vecchia Romagna als een dure variant van lysterine en spoelde er behaaglijk mijn pijnlijke kies mee.
'Ben je hier vaak geweest?' vroeg mijn zus.
Ik flapte er eerst de waarheid uit: 'Nog nooit!'
Maar de stadsgids schrok van dat antwoord en nam het over van de broer en ik improviseerde een vaag verhaal, dat ik er vast wel eens geweest moest zijn, lang geleden, maar dat ik dat niet precies meer wist.
De waarheid was dat Totò in de jaren dat de zaak opkwam niks was voor een gezin met jonge kinderen. Tenminste dat dacht ik toen. Het had de uitstraling van een trendy tent voor yuppen. Wit, karig, rustiek, discreet verstopt in een souterrain. Ik had wel eens een interview gelezen met de oprichter, een Toscaanse beeldhouwer, herinnerde ik me, die authentiek en puur (lees duur) kookte. Ik was er vaak langs gelopen, maar had er nooit binnen durven gaan. Onlangs had ik de zaak nog aanbevolen aan gasten, en die hadden er uitstekend en verrassend betaalbaar gegeten. Maar zelf....
Maar waarom, waarom zei ik dat niet gewoon, waarom dat verhaal opgedist over mijn mogelijke vroegere bezoeken, verloren geraakt in de alcoholische mist van die tijd, waarom hield ik me groter dan ik was en kon ik de rol van gids niet opgeven? Tegenover mijn bloedeigen zusje nota bene! Dat was een raadsel dat me de rest van de avond bleef achtervolgen en pas naar de achtergrond verdween toen ik mijn huis binnenging en tevreden vaststelde, dat daarin dezelfde kleurige tapijten lagen als in het atelier van Breitner, waar het naaistertje Geesje Kwak de rol van Japanse had gespeeld.

vrijdag 13 mei 2016

EEUWIGHEID


‘Eeuwigheid. Iedereen kent dat gevoel. Dat iets eeuwig is en nooit voorbijgaat. Zo dragen wij allemaal een stukje eeuwigheid in ons mee.’
Ik keek de juf verbaasd aan. Meestal gaan de kleine leringen tussen de meditatie door over dat befaamde hier en nu. Maar niet daarom was het dat ik verbaasd was. Dat uitgewrongen en schijnbaar alledaagse begrip ‘hier en nu’ blijft me altijd maar ontglippen, het is me, in al zijn banaliteit, te abstract. Maar dit net zo ogenschijnlijk onalledaagse begrip was als een zaadje dat zonder al te veel dwarrelingen neerviel en prompt wortel schoot. Was eeuwigheid soms hetzelfde als hier en nu? In metafysische zin dan? Moest ik toch hoger reiken in mijn zoektocht naar het spirituele, in plaats van dieper bukken?
Ik wilde daar op het terras waar ik mijn koffie ging drinken eens rustig over nadenken. Maar toen ik daar eenmaal zat kwamen er weinig gedachten op en merkte ik dat ik heel tevreden was met gewoon daar te zitten en om me heen kijken. Het weer was ideaal. De door een zachte wind veraangenaamde morgen van een zomerse dag. Er waaiden glinsterende zaadjes door de lucht. Alles wat van mijn rêverie overbleef was dat woord, eeuwigheid. Het slot van Mahlers Lied von der Erde kwam even langs, met de woorden van Wang Wei: ‘De aarde is dezelfde overal, en eeuwig, eeuwig zijn de witte wolken.’ Ik hoorde de harp, het plukken van een mandoline, een altstem.

Een herinnering kwam boven aan een ander terras, in Castagneto Carducci, aan de Toscaanse kust. We brachten daar de ochtenden van een zomer van lang geleden door, met de familie. Alleen mijn vader bleef koppig voor de caravan zitten lezen in zijn boek van Jung, die had besloten dat het te warm was buiten de schaduw van de olijfboomgaard en wilde onze verzekering, dat het bij het zwembad, op het hoge, marmeren terras, in de ochtendbries, zo aangenaam was, niet aannemen. We namen af en toe een duik. Dronken cappuccino, toen nog een exotische traktatie, en later op de morgen Campari. Ik las een paar bladzijden in Hesse's Italiën en schreef wat in een dagboekje. Maar de meeste tijd keek ik uit over de zeepsteengroene zee naar de vage horizon en voelde ik me op een tijdloze, lauwe en behaaglijke manier leeg.
Meer scherven van voorbije jaren lieten zich zien, ze vormden samen een mozaïek. Bijna allemaal Italiaanse taferelen. Allemaal deelden ze die glanzende leegte. Of liever: die glanzende volheid (van kleuren, vormen en indrukken), ervaren door een lege geest, waaruit (tijdelijk en tijdloos) herinneringen aan gisteren en gedachten over morgen weggefilterd waren. Het resultaat van die zuivering was een gevoel van compleetheid; een liefdevol, lui en zacht weemoedig, woordeloos en kalm euforisch opgaan in dit ene moment, dat eeuwig was.
Dit moment op het terras van Wildschut was een verre nazaat van die andere momenten en samen boden ze een glimp op de eeuwigheid, die wij allen in ons hebben volgens mijn zenmeesteres. Weg was de tandarts met wie ik zojuist een afspraak had gemaakt voor de extractie van een ontstoken kies. Weg was die zorgelijke mail over licentieproblemen voor een opdracht. Al die zaken van gisteren en morgen hadden hun betekenis verloren in dit ene moment van geluk, dat altijd binnen handbereik lag, als je wist waar je moest reiken. Niet te hoog misschien, maar ook zeker niet te laag.


-------------------------------------------------------------------------------------------------


Te bestellen: De Chinese fluit, vertaalde gedichten van Hans Bethge; bibliofiele uitgave. Nu 15 euro. Als u die som op mijn rekening NL68 INGB 0004 1228 48 overmaakt en uw naam en adres vermeldt, krijgt u de 21 gedichten gesigneerd toegestuurd.

dinsdag 10 mei 2016

BUSJE

Het slotakkoord van de 4 Mei-viering was nog maar net verklonken of het was zomer en ik zat in een bos. Een ander bos dan vorig jaar maar het kamp dat we er inrichtten was bijna hetzelfde. Misschien had mijn broer sinds de laatste keer een professionelere partytent aangeschaft, en die fietsen met die dikke banden, waren dat die van vorig jaar, of toch andere exemplaren? Maar al gauw waren de meisjes aan het badmintonnen en had mijn oudste broer zijn schildersspullen tevoorschijn gehaald om een boom te gaan vereeuwigen in acryl en was alles heel vertrouwd. De decorwisselingen waren als jaarringen, geruststellend vloeiende patronen die het verstrijken van de tijd markeerden.
Bij de tradities van deze korte Hemelvaartvakanties hoort zo langzamerhand ook dat ik last heb van mijn gebit. Twee jaar geleden leed ik onder de naweeën van een onlangs getrokken kies, nu herinnerde een licht bonken me eraan dat een andere kies op de nominatie stond om hetzelfde lot te ondergaan. Met paracetamol smoorde ik dat vermanende geklop, want het weder was veel te fraai, het nog jonge groen te fris en te teer, en de kampplek te rustiek om te laten bederven door gezeur, of dat nou wortelde in mijn kaak of niet.
Ander gezeur had ik al eerder in de kiem gesmoord. Ik had me op ons tentje verheugd, maar mijn vriendin bleek dat, in de haast van het inpakken, te zijn vergeten. Ik had het haar nog half voor de grap gevraagd: heb je de tent? Nee, had ze geantwoord, maar we konden toch ook in het busje? Ja, dat kon. Maar slapen in een busje bewaarde ik liever voor geval van nood, zei ik toen ik van de schrik bekomen was. Dat wist ze toch? voegde ik er querulant aan toe, terwijl we over de A1 reden en de Veluwe al te dichtbij was om rechtsomkeert te maken. Mijn vriendin ging niet op mijn twistzieke voorzetje in maar verontschuldigde zich grootmoedig, ze had het ook zo druk gehad. Ik kon niet anders dan berusten. Niks aan te doen. Een plaagduiveltje venijniger dan mijn kies siste dat alles nu bedorven was, maar ik had geen paracetamol nodig om dat zuigende stemmetje dood te drukken. Wie zoveel mediteert als ik moet toch tenminste met dit soort futiele tegenslagen om kunnen gaan, waar is het anders allemaal goed voor? Ademhalen doe ik toch wel, daar heb ik geen kussentje voor nodig.
Zo slikte ik mijn kinderlijke teleurstelling manmoedig weg, ademde diep de harsige boslucht in en probeerde het leuk te vinden om achterin een oud VW-busje te gaan slapen.
Niet al te lang na de avondmacaroni installeerde ik me met David Copperfield achterin de laadbak. Op een echte matras, die mijn vriendin niet vergeten was. Ik moest toegeven, het vrije uitzicht naar boven, op die ruisende hoge bomen tegen de langzaam donker wordende hemel, was geweldig. Het werd alleen even belemmerd door de gestalte van mijn broer, die nieuwsgierig kwam kijken hoe ik erbij lag.
Goed hoor, zei ik. Maar het was vreemd, in feite is zo'n tentje hoogst onveilig. Iedere voorbijganger kan je dwars door het flinterdunne doek heen een rotschop verkopen. Toch voelde er niets zo veilig als juist een tentje, zei ik tegen het hoofd boven me. Imaginaire geborgenheid. Een heerlijke, luchtige illusie. Terwijl in een auto slapen, hoewel dat eigenlijk veel veiliger is, maar gewoon in een auto slapen is. Grmp. Nu ja.
's Ochtends werd ik gewekt door de zoete koren van de vogels. Met mijn kies ging het een stuk beter.

dinsdag 3 mei 2016

NIEUWS


Het nieuws over mijn vader was beter dan verwacht. De dokter kwam terug van zijn vakantie, nam zijn tijd om de uitslagen van de onderzoeken te evalueren en toetste die aan de man die hij daar voor zich zag. Met zijn conclusies haalde hij de angel uit onze ergste zorgen. Ik herinner me een versje dat mijn vader vroeger voordroeg, hij had het weer van zijn vader denk ik:
"En papa, wat heeft de dokter gezeid?"
"De dokter zei: ge zijt een zoete meid."
De vader keert zich om en schreit.'
Zover was het nog niet, nog lang niet hopen we.

Ondertussen waren mijn gedachten meer bij mijn vader dan anders, en ik merkte dat ik als vanzelf mijn lezing van David Copperfield onderbrak om in Anna-Marie van Felix Timmermans te lezen. Ik had dat boekje op Koningsdag gekocht en had ontdekt dat het een lievelingsboek van hem was. Hij had het vaak gehad over de notaris Pirroen, die bij motregen naar buiten trok om een eindje te gaan wandelen. En kijk, daar vond ik de passage:

'Donderde het dat het daverde, dan stond hij smorend aan zijn lange pijp, in de deur naar den hemel te zien.
Hij hield veel van blaaskensregen en mistlucht, om er kunnen door te wandelen liet hij de dringendste akten liggen.
Hij smoorde veel pijpen van den morgend tot den avond; hij werkte er met twee, terwijl hij de eene smoorde stopte hij de andere.
Als hij op reis ging nam hij altijd twee pijpen mee, die hij om niet te breken in de mouw van zijn frak stak.'

Gelukkig was er in de dagen dat we wachtten op het verdict van den doktoor veel werk te doen om de zorgen mee te vergeten. Mijn copywriterswerk dwingt me momenteel diep het Star Wars-universum in: ik maak er een scheurkalender over. Met mijn dochter bekijk ik de films, en ik speur het internet af naar leuke weetjes, feitjes, trivia en meningen. Die laatste zijn interessant: het lijkt of de echte fans alleen maar verontwaardigd zijn over de tekortkomingen van de films. Was sich liebt das neckt sich, we weten het, maar de Star Wars-afficionado's houden het niet bij plagen, ze zeiken en schelden en nemen het de bedenker en maker, George Lucas, persoonlijk kwalijk dat hij met hun helden aan de haal is gegaan en die een andere kant op heeft gemanoeuvreerd dan zij in hun hoogstpersoonlijke fantasie hadden bedacht. Zelden zo'n ontevreden stel mensen gezien als Star Wars-fans, en toch houden ze zielsveel van de films, dat blijkt zonneklaar uit hun betrokkenheid.

Het internet is een beerput, maar ook een goudmijn. Ik tikte zojuist de paar dichtregels die in de orale familietraditie waren overgeleverd op Google in, en vond op een site een bijdrage van ene Gouddelver (sic), uit Eindhoven. In zijn column citeert hij het gedicht volledig. Het blijkt te zijn geschreven door de Nijmeegse priester-dichter Bernard van Meurs (1835-1915). Zijn portret staat hierboven. Hij dichtte niet in het Brabants, maar in het Betuws. Het vers stamt uit een bundel uit 1895, met de Suske en Wiske-titel Kriekende Kriekske.

't Is met haor gedaon

De dokter vuult 'et pulske slaon
En duut de vaoder stil verstaon
Dâ 't met zien dochtertje is gedaon.

- "Wá hêt de dokter oe gezeid?"
"Hie zei: "ge bint 'en zuute meid!"
De vaoder keert zich um en schreit.


Vrijdag ben ik er niet - een kleine vakantie sleurt me los van laptop, van scheurkalender en blog. May the Force be with you!