vrijdag 1 mei 2026

Blogje, op een telefoon getikt

Ondanks het halfgesloten gordijn stooft het zonlicht de kamer tot zomerse zoelte. De schuifdeuren van de suite zijn dicht. Het is stil in mijn cel. Het nieuwe dubbele glas dempt de geluiden van buiten, auto's, stemmen en vogels. 
De timmerlieden zorgden in hun tijd voor flink wat herrie, renden veel te vaak de trap op en af, driehoog, alsof het hier een betalende sportschool was, en bonkten bij alles wat hun goed getrainde en meterslange leden deden. De schilders die hen opvolgden praten wat, soms zelfs veel (vooral in hun telefoon, zodat ik denk stop met lullen man, ga verven!) - lachen soms, maar zijn toch vooral geruisloos. Stil zijn ze verf, waterbasis & lak, afhankelijk van of het houtwerk zich binnen of buiten bevindt, aan het opstrijken. 
Deze mannen hoorden en begrepen me meteen toen ik over de katten begon. Jonge Amsterdammers van vele kleuren maar eerst en vooral stadgenoten. De hoogblonde Emmeloorders van de timmerfabriek verstond ik slecht en hoewel ze reuzeaardig waren keken ze me glazig aan toen ik mijn zorgen over mijn katten met hen deelde. Huh? Katten? Stadse overgevoeligheid. 
Die katten inmiddels, zijn wel wat gewend. Ze vertrouwen dit wel. Snuf ligt op de rug van de bank te slapen, Snuitje heeft een plek op het kleed gezocht in een strook zonlicht en rekt zich behaaglijk uit. 
Ik lees wat, werk wat, dood de tijd. Iets eerder dan anders trek ik een bier open. Feitelijk zou ik de wacht niet hoeven houden, vandaag, maar je weet maar nooit. Ook een schilder kan een concentratieslip hebben. Met verf resulteert dat in een zakker maar met het openen en sluiten van de deuren van mijn volgens de timmerlieden labyrintische flatje misschien in een weggevluchte huisgenoot. En dat zou ik mezelf nóóit vergeven.