maandag 24 december 2012

FALLEN STAR




Rookzanger is met vakantie, maar zingt u goede feestdagen toe!

(Uit: 'Van Spaendonck & Friends - 10th Anniversary Christmas Album', tekst losjes gebaseerd op Lennaert Nijghs 'Onderweg'. Illustratie Caspar David Friedrich)

vrijdag 21 december 2012

TRAM

In de tram bleef ik vlakbij de ingang staan. Ik had geen kaartje. De ijzige regen had me er naar binnen gedreven, ik was eigenlijk van plan geweest te gaan lopen. Een meisje van een jaar of twintig keek op van haar telefoontje en vroeg: ‘Wilt u zitten?’
Ik was te verbaasd om iets uit te brengen. Ik schudde alleen even mijn hoofd, met een soort nonchalante vanzelfsprekendheid. Een klein glimlachje deed ik er wel bij.
Pas toen de tram weer op gang kwam drong het tot me door wat daar zojuist gebeurd was. Voor de eerste keer in mijn leven had iemand me zijn plaats aangeboden. Dat betekende dat ik nu toch echt oud was. Ik herinnerde me mijn eigen jonge jaren, opstaan deed je alleen voor bejaarden en zwangere vrouwen. En aangezien ik niet tot de laatste categorie behoorde moest ik wel tot de eerste gerekend worden. Ik keek in de spiegelende ruiten van de deur. Toen we de glimmende kerstlichtjes van de Hobbemastraat voorbij waren gereden en een donkere gevelwand passeerden zag ik mijn eigen spiegelbeeld. Een stoer jack, een oorringetje. Maar lijnen langs de mond, slapper wordende wangen, en ja, grauw haar.
Ik keek naar het meisje van twintig. Een aardig, beetje saai gezicht, licht opgemaakt. Een groen tasje van namaakslangenleer, neppareltjes in haar oren, sluik blond haar, achter haar oren weg gekamd. Onverschillige schoenen met iets van een hak, een beetje versleten. Niet een meisje dat in Oud-Zuid geboren was. Maar blijkbaar opgevoed met de onwrikbare normen en waarden van de snel verdwijnende kleine burgerij, waarin elementaire beleefdheid nog vanzelfsprekend is.
Ik zocht opnieuw mijn spiegelbeeld, dat door de regen werd vertekend. Ik had toch zeker niet de trekken van een oude heer? Een jongen op leeftijd was ik. Een grijze jongen.
Ik doorliep in mijn hoofd nog eens de kleine uitwisseling van zo-even. Onbeleefd was ik geweest, ik wel. Ik had haar niet bedankt voor haar aanbod, alleen nee geschud. Niet aardig. Zij kon niet weten dat haar vraag me sprakeloos had gemaakt, ik hoopte maar dat ze mijn glimlach had gezien.
Plotseling drong het tot me door dat het zo helemaal niet gegaan was. Dat ik mentaal het een en ander gecorrigeerd had naar het te verwachten patroon. Ze had niet gezegd: ‘Wilt u zitten?’ Ze had me even aangekeken, toen ik uit de natte kou naar binnen was gestapt, en alleen gezegd, met een knikje: ‘Zitten?’
Bijna familiair, joviaal.
Als leeftijdgenoten onder elkaar.
Bij de halte van het Concertgebouw stapte ik met rechte rug de regen weer in.

(Illustratie: Studio Koning)


Pas verschenen: 'Rookzanger', een bundeling van de 101 beste columns. U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op ING-banknummer 1912112 van Uitgeverij Flanor, onder vermelding van: nr. 73, Rookzanger.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk toegestuurd.
Voor bestellers vanuit het buitenland zie
: bestellen.

dinsdag 18 december 2012

ROOKZANGER

Hoe kun je reclame maken voor jezelf zonder onsympathiek over te komen?
Zie daar de vraag waar ik al een paar dagen mee rondloop.
Meestal heb ik er niet zo’n moeite mee. Ik geef een concert en bied de informatie erover ter kennisneming aan op de sociale media. Komt er iemand op af, dan is dat mooi meegenomen. Helpt het niet de zaal vol te krijgen, dan kan ik mezelf in elk geval niet verwijten dat ik niks heb gezegd. Want dat heb ik vroeger, in de niet-digitale prehistorie, vaak te horen gekregen als ik uit een mengsel van bescheidenheid en faalangst had gezwegen over het naderende optreden: ‘Waarom heb je me niet gewaarschuwd?’ De komst van Facebook is daarin zeer hulpvaardig geweest: je kunt daarop reclame maken zonder dat je het gevoel hebt mensen lastig te vallen. De dagelijkse muur hangt immers vol met affiches voor evenementen of publicaties. Niks bijzonders, niks om je voor te schamen.

Maar dit keer is het anders. Ik heb namelijk een boek gemaakt. En dat is er voor een deel gekomen juist door die digitale contacten. Want hoeveel van jullie (ik tutoyeer u voor de gelegenheid maar eens) hebben me de afgelopen jaren niet laten weten: ‘Bundelen, die verhalen!’, of: ‘Wanneer komt er een boek?’
Enfin, dat boek is er nu. Ik heb na veel puzzelen en schiften 101 stukjes uitgekozen die ikzelf de moeite van het herlezen op papier waard vind; die heb ik een beetje opgepoetst en waar nodig aangepast. Ik heb een sympathieke kleinschalige uitgeverij gevonden die het risico wel wilde nemen. Het is een fijne bundel geworden, een boek dat ik zelf wel zou willen lezen als ik het al niet geschreven had.

Maar nu moet het boek ook nog verkocht worden. Want anders laat de uitgeverij het bij een eerste bescheiden oplage, en is mijn gedroomde carrière als boekenschrijver in de kiem gesmoord. En dan kom ik als vanzelf weer bij de vraag waarmee ik dit stukje opende. Hoe kan ik mijzelf promoten zonder onsympathiek te zijn? Het antwoord erop probeerde ik op de tast te formuleren terwijl ik aan het tikken was, maar ik heb het nog steeds niet gevonden. Daarom houd ik het maar gewoon bij de onderstaande informatie, en spreek de hoop uit dat jullie mijn boekje willen kopen als kerstcadeau voor jezelf of voor iemand die je dierbaar is. Of voor mij, natuurlijk.

Rookzanger is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
Je kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op ING-banknummer 1912112 van Uitgeverij Flanor, onder vermelding van: nr. 73, Rookzanger.
Vergeet niet je naam en adres te vermelden.
Je krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.
Voor bestellers vanuit het buitenland zie: bestellen.

Van de website van Flanor:

In de herfst van 2010 belandde zanger en schrijver Jan-Paul van Spaendonck na een periode van depressie en drankzucht in een kliniek. De noodgedwongen retraite veranderde zijn levensvisie aanzienlijk. Op zijn weblog Rookzanger deed hij wekelijks verslag van zijn pogingen om, met vallen en opstaan, opnieuw voet aan de grond te krijgen in een voor hem nieuwe, want nuchtere wereld. Deze persoonlijke columns zijn nu gebundeld. De bundel Rookzanger bevat in een bestek van 170 pagina's 101 ‘miniatuurtjes’ - zoals de auteur ze pleegt te noemen. Hierin heeft de auteur een vorm gevonden die hij steeds geslepener beoefent. Zijn oude vriend Geerten Meijsing noemt ze in zijn begeleidende tekst ‘concies’ en ‘gebalanceerd geschreven’. Observaties tijdens stadswandelingen, herdenken van collega’s, algemene overwegingen in een licht-melancholische toon: van Maigret tot de Nederlandse televisie, van alcoholisme tot kunst. Op de achtergrond is Carmiggelt zichtbaar. De auteur waarschuwt de lezer in zijn ‘Voorwoord’: ‘Lees er niet te veel achter elkaar, want zo zijn ze niet bedoeld. Eén, twee, hoogstens drie per keer: dan blijven ze lekker.' Prijs: € 17,50.

(Illustratie: omslagontwerp van Rosanne van Spaendonck)

vrijdag 14 december 2012

STEDELIJK

Omdat F. nog het een en ander wil zien voor het niet meer kan gingen we samen naar het eindelijk heropende Stedelijk. Voor ons in de kunsttempel te begeven bezochten we het restaurant. Een gerant leidde ons naar onze plaats. Dat gaf hoop. Het broodje vitello tonnato dat we vervolgens bestelden sloeg die hoop meteen morsdood. Op een taai pistoletje lagen een paar plakjes kalfsfricandeau, het slablad eronder moest er massa aan geven. Een veegje naar tonijn smakende mayonaise met een paar te zoute kappertjes erop: negen euro en vijftig cent. Ik weet dat je zo niet mag rekenen, maar ik doe het toch: dat is negentien oude Hollandsche Florijnen! Als dat maar niet representatief is voor het hele museum, kon ik niet nalaten te denken.
We betraden de eerste zaal, met werken van rond de vorige eeuwwisseling. Ik zag een Ensor, een vroegere favoriet van mij, niet een van zijn beste trouwens.
‘Dat lijkt wel een kindertekening!’ flapte F. eruit.
De beschaafde kunstgenieters om ons heen keken even minzaam glimlachend op van hun brochures. Wij bleven enige tijd staan voor Breitners schilderij van de Dam. Een voorbij tijdperk doemde op uit het donkere doek. Veel mooier zou het niet worden, dacht ik stiekem. We genoten glimlachend van een paar oude favorieten. The Beanery van Kienholz, waar de glazen die voor de klokhoofden op de bar stonden nog hetzelfde niveau hadden, geen slokje was ervan genomen, hier had de tijd meer dan ooit stil gestaan. De vrolijke wandschilderingen van Appel. De warme doeken van De Kooning. We verbaasden ons over de sympathieke knulligheid van de Mondriaans, en mijmerden over de discrepantie tussen de huidige impact van die simpele lijntjes en vlakken en hun in geld omgezette historische betekenis.
F. had graag nog eens Who’s Afraid of Red Yellow and Blue III gezien, maar uitgerekend dat bleek in depot, terwijl er nu toch ruimte genoeg is. Als pleister op de wonde waren er andere reusachtige kleurvlakken van Newman’s navolgers, maar dat was niet hetzelfde, daar kleefde de Goldreyer-affaire niet aan.
Naarmate we onze eigen tijd naderden werd het ons steeds vreemder te moede. Zelfs F., die altijd al het hart op de tong heeft en zich zeker nu geen blad voor de mond neemt (‘Ik heb kanker, ik mag kankeren!’) zweeg verbouwereerd.
We zagen een lege zaal waarvan twee muren gedeeltelijk zwart waren geverfd; een monsterlijk groot luchtkussen met spikkeltjes; een opgeblazen kitschfoto van een toekan; een perspex kist die eruit zag of hij van binnen beslagen was; en, voor mij het hoogtepunt, de glazen tuindeuren van een doorzonwoning, waarachter een tuintje van plastic vegetatie was aangelegd. Waarom toch, waartoe? Allemaal dingen die je nooit in je huis zou willen neerzetten, gesteld dat je over de ruimte beschikte om het oppervlak van een gemiddelde gezinswoning te vullen met één enkel kunstwerkje. Dingen van een dergelijk meeslepend formaat dat ze niet eens in een galerie zouden passen. Het was duidelijk dat we hier te maken hadden met een decadent verschijnsel, iets wat ik bij gebrek aan beter metakunst of museumkunst noem. Installaties en monstruosa die de artiest in het museum mag realiseren. Daarmee is een museum geen collectioneur meer van bestaande kunst die zichzelf al bewezen heeft, en waaruit met zorg het beste gekozen wordt, maar verheft het zichzelf tot kunst. En op grond van welke verdiensten mogen de makers van deze zaalvullende nonsens aan de slag? Vermoedelijk omdat ze de juiste mensen kennen, de juiste brillen en pakken dragen, precies de goede babbel hebben en de door jaren lobbyen verkregen sleutelpositie hebben verworven om voor ons te bepalen wat belangrijke kunst is (namelijk de hunne). Naar geld smakende ijdeltuiterij, intellectueel divertissement voor een bevoorrechte bovenlaag, dat is het en meer niet, als u het mij vraagt, en dan graaft dat intellect nog niet eens al te diep. Het gedachtegoed dat veel goed zou moeten maken van wat het beeld ontbeert blijft meestal steken in platitudes over de perceptie van de werkelijkheid. Wat kunst ook moge zijn, iets wezenlijks moet het toch bezitten, zou je denken, iets dat raakt en roert. Het enige dat hier geraakt wordt is de hoofdstedelijke portemonnee, en geroerd wordt slechts de mond. Blabla. Blablabla.
Terwijl we het museum verlieten zei F.: ‘Van mij mogen ze die badkuip er weer afslopen en zichzelf opheffen. Ze geven die paar echt mooie dingen aan het Van Gogh, verzinnen een nieuwe bestemming voor het oude gebouw, schuren de latex van de Gamma eraf, en het geld dat de gemeente jaarlijks overhoudt steken ze in beter kunstonderwijs.’
Thuis was mijn dochter bezig de kerstboom op te tuigen. De rode en gouden ballen en slingers fonkelden in de elektrische lichtjes, het dennengroen glansde alsof het van kunststof was. Het was prachtig. Als ik de juiste mensen zou kennen, de juiste bril zou dragen en precies de goede babbel zou hebben, kon het zò in het Stedelijk.

dinsdag 11 december 2012

NATTE VOETEN

De eerste sneeuwval is me niet goed bekomen. En dat is mijn eigen schuld. Het was weer het oude liedje, ik had me er te veel van voorgesteld. Ik wil daar toch eens een paar gedachten aan wijden, want er is een patroon in te ontdekken dat misschien verhelderend is. Voor mijzelf in de eerste plaats, maar misschien bent u wel net zo onvolwassen als ik.
Ik verheug me niet zo vaak meer op evenementen. Niet uit cynisme, maar noodgedwongen. Als je niet meer drinkt zijn feesten en partijen lang niet meer zo leuk, moet u weten. Het vooruitzicht eens helemaal los te komen van je alledaagse werkelijkheid en misschien in een mooiere terecht te komen maakte ze vroeger onweerstaanbaar. Nu zie ik er eerder tegenop. Ik ben uit mijn doen op een feest, ik ben geen groepsmens. Een socialere alter ego nam altijd de honneurs voor me waar, eentje die zich moed indronk en daar erg van hield, en juist die afsplitsing van mijn persoon heb ik ergens in de bossen van Limburg ten grave gedragen.
Nee, dan het onderschatte ‘gewone doen’. Dagen zonder bijzonderheden, zonder grote vreugde en opwinding maar ook zonder ziekte, zonder speciale treurigheid, zonder twijfel of angst die aan je knagen, soepele dagen van werk en regelmaat waarop de omgang met je medemens vanzelfsprekend is, in het voorbijgaan als het ware: je loopt samen ergens naar toe, bent samen iets aan het doen, en het contact is als een werkoverleg in de wandelgangen: je gaat er niet voor zitten, hoeft het niet te forceren, het ontstaat gewoon, als een bijproduct van je bezigheden.
Aan het eind van zulke gewone dagen vul je de lauwe leegte van je hoofd nog even met andermans woorden en fantasieën voor je het leeslampje uitknipt en tevreden gaat slapen. Maar hoe gewoon zijn ze precies, die dagen? Hoe vaak komen ze eigenlijk voor? Het gaat er net zo mee als met het moeizame begrip ‘geluk’: je merkt pas dat je het gekend hebt als het voorbij is.
Maar ik dwaal af. Ik wilde zeggen dat ik het heb afgeleerd om me te verheugen. Het grootste plezier van alles is de voorpret, en die ken ik nauwelijks meer. Deels uit het groeiende besef dat ik beter af ben met de gewone dagen dan met de bijzondere, deels natuurlijk omdat ik een ouwe zak ben. Kleine dingetjes, ja (de eerste koffie en nicotine, elke dag), maar grote? Waar zou ik me op moeten verheugen? Zo leuk is het heus niet om ouder te worden, dat zult u toch met me eens zijn.

Zo was de situatie tot afgelopen donderdag. Maar toen kwamen de weersvoorspellingen. Er was een sneeuwstorm in de maak. We moesten ons voorbereiden op barre omstandigheden. En daar ging ik weer. Weerloos tegen een woest gevoel van verwachting. Het kind in me drong naar voren en duwde al mijn levenswijsheid en cynisme gretig opzij. In het verschiet lagen dagen van ontregeling, van vrijheid, van anarchie, waarop je plichten gerust mag verzaken en je met toestemming van de weergoden in je cocon mag terugtrekken om je tegen een sprookjesachtig decor aan je oudste dromen over te geven; of waarop je zorgeloos op straat loopt en met voorbijgangers (lotgenoten!) je verwondering deelt over de vreemde wereld waarin we nu weer terecht zijn gekomen: die gedachte was te verleidelijk.
Voor ik ging slapen trok ik al een paar keer het gordijn opzij om te kijken of het al begonnen was, maar nee, het was nog te vroeg. Ergens tijdens mijn slaap zou het wonder zich voltrekken.
De volgende morgen was ik licht teleurgesteld dat de straten al modderig belopen waren en dat de sneeuw natter was dan beloofd. Maar dit was nog maar het begin, het zou de hele dag blijven sneeuwen.
Ik had me voorgesteld in Wildschut te gaan zitten om zonder haast naar het winterse panorama te kijken, terwijl ik de kranten las en hete koffie dronk of misschien zelfs chocolademelk, en daarna een eind te gaan wandelen. Maar al terwijl ik naar mijn stamcafé toe liep merkte ik dat mijn bergschoenen het droge seizoen niet goed waren doorgekomen. Een barst in de zool. Ik zat aan de leestafel en wreef mijn koude tenen langs elkaar om ze droog te krijgen. Ik had geen geduld voor de krant. Al snel ging ik terug naar huis om van schoeisel te wisselen. Mijn goeie schoenen kon ik aan die witte blubber niet toevertrouwen, gympies dan maar. Ik ging voor de tweede keer de straat op. IJswater drong door de poreuze stof langs de naden. Halverwege gaf ik het op en keerde om.
Binnen deed ik opnieuw verse sokken aan. Mismoedig keek ik uit het raam. De vlokken waren al kleiner en schaarser aan het worden.

vrijdag 7 december 2012

LIJM

Ik had graag de eerste sneeuwval bewust meegemaakt, maar ik werd in beslag genomen door een aanval van scheppingsdrift. Op het net had ik een gedicht van een Italiaanse amateurpoëet gevonden dat me plotseling inspireerde tot een lied. Tot diep in de nacht putte ik dorstig uit de bron van mijn inspiratie. Wat daaruit tevoorschijn komt is lang niet altijd bruikbaar. Rare akkoorden en kromme wijsjes vormen de bijvangst van die ene mooie structuur. Het is aan de nuchtere artifex in me om te schiften, te knippen en te plakken en zo nodig mooie glinsterende dingetjes meedogenloos terug te gooien in de donkere poel van waaruit ze opgedoken zijn.
Ergens in mijn ooghoeken zag ik de dwarrelende vlokjes wel, maar ik was te stevig aan mijn pianokruk vastgelijmd om op te staan, eens goed naar buiten te kijken en van dat feestelijke schouwspel te genieten.
De volgende morgen werd ik vroeg wakker van mijn dochter die zich klaarmaakte om naar haar stage te gaan. Ik wisselde een paar woorden en zei haar gedag en besloot nog even terug te gaan naar bed. Toen ik opnieuw wakker werd was dat van een indringend gemiauw voor mijn slaapkamerdeur. Ik wilde wel opstaan om de bakjes met Felix Senior Sensations te gaan vullen maar merkte dat ik aan mijn matras was vastgeplakt zoals eerder aan de pianokruk. Het gemiauw verdween huilend naar de achtergrond en ik zonk terug in een wereld waar ik eigenlijk helemaal niet wilde zijn.
In een gezellige woonkeuken zat de man bij wie ik laatst een huisconcert heb gegeven met zijn vrienden aan tafel. Maar direct om de hoek van de keuken strekte zich een enorme langwerpige eetzaal uit waarin tientallen mensen rumoerig aanzaten. Nadat ik net op tijd en met veel moeite mijn te krappe optreedblouse had dichtgeknoopt zette ik me in postuur tussen beide ruimtes, de woonkeuken en de eetzaal, in, zodat iedereen me zou kunnen horen. Ik stemde mijn gitaar. Even verderop zat een flamencogitarist, zijn vingers ratelden over de snaren. Ik durfde mijn instrument nauwelijks te beroeren, struikelde over mijn intro, en begon onvast aan mijn eerste lied. Niemand luisterde, de flamencogitarist speelde er gewoon doorheen.
Toen ik me eindelijk had weten te ontrukken aan mijn bed en de droom zo goed als ik kon had afgeschud liep ik, op weg naar de douche, toch nog even mijn werkkamer in om te kijken wat ik de vorige nacht allemaal had genoteerd.
Het was al tegen de middag toen ik mijn bestand sloot, me aankleedde en mezelf dwong naar buiten te gaan. Daar stelde ik tot mijn verbazing vast dat het een heldere, blauwe winterdag was, en dat de sneeuw op de daken en op de auto’s was blijven liggen. Ik schraapte een beetje van een voorruit af en wreef het uit over mijn verhitte voorhoofd.

dinsdag 4 december 2012

KANKER


Ik zat slaperig achter de piano en probeerde de preek te volgen. De pastor sprak over de dagen van Koning David, over het mythische rijk van vrede. Plotseling vond ik dat een vreemd woord, vrede. Het wordt in de eerste plaats gebruikt om het tegendeel van oorlog aan te duiden. In die zin leven wij in vrede. Maar alleen heel oude mensen zullen dat nog zo ervaren, de meesten zullen zeggen dat wij in onvrede leven. Hetzelfde globalisme dat onze enige hoop is om nog iets te redden van onze planeet is daar deels schuld aan: we zijn ons sinds de komst van wat vroeger massacommunicatie heette voortdurend bewust van de ellende elders. Internet heeft dat bewustzijn tot de pijngrens opgejaagd.
Mijn gedachten volgden een kronkelig spoor van associaties, het was nog vroeg moet u maar denken. Berggorilla’s, zo zag ik in een programma van David Attenborough, leven in vrede. Ze brengen hun dagen al luierend en vlooiend door, zich slechts zo nu en dan loom verplaatsend om een nieuwe malse boom te vinden. Maar dat is dan ook een bedreigde diersoort. Neefje bonobo, de boschimpansee, ook al niet erg succesvol, kent wel onvrede maar heeft daar iets op gevonden: iedere dreigende sociale spanning wordt onmiddellijk met snelle seks onschuldig gemaakt. De gewone chimpansee lijkt meer op ons, die voert stammenoorlogen en doodt zijn soortgenoten puur om het bevredigen van een ingeboren lust naar macht. Ook de mens heeft die expansiedrift in zijn genen, een voorwaarde voor succes maar tevens de kiem voor zelfdestructie. Ik dacht aan het door de mens bedachte concept ‘economie’. Deze uit de hand gelopen ruilhandel tussen autonome leefgemeenschappen leidde uiteindelijk tot een abstracte geldstroom die zijn eigen wetten is gaan dicteren. Economie moet alsmaar groeien, zeggen de geleerden. Waarom begrijp ik niet, daar ben ik vermoedelijk te dom voor. Ik hoorde een tijdje geleden iemand uit de groene sector zeggen: groei om de groei noem je kanker. En dat kon ik begrijpen.

***

De dag erop bevond ik me op de zevende verdieping van een van de torens van de VU. Ik vergezelde mijn vriend F. We luisterden naar de oncoloog, die de mogelijkheden van een experimenteel behandeltraject uit de doeken deed. Ze deed dat heel rustig, heel persoonlijk, en heel reëel. De wildgroei die kanker heet, leerden we, is door het immuunsysteem niet van gewone groei te onderscheiden: de cellen lijken te veel op elkaar. Chemotherapie lijkt op oorlogvoering. Het chemisch bombardement doodt woekercellen maar ook gezonde. Kostbaar DNA gaat verloren in de strijd. In het geval van F. was de kanker sterker dan de napalm. Dat bracht haar op de enige eufemistische frase waarop ik haar kon betrappen: zijn vooruitzichten waren door het falen van de chemo ‘wat somber’. Zelf had ik meer aan rampzalig, zwaar kloten of kut gedacht, maar misschien pasten die woorden niet in het vocabularium van een christelijk ziekenhuis. Over de experimentele therapie, die iets met eiwitten te maken had en voorzichtig veelbelovend leek op de lange duur, was ze duidelijker. F. moest zich daar niet te veel van voorstellen, en het was helemaal aan hem of hij de belasting die de intensieve deelname aan het onderzoek met zich meebracht en de lichamelijke ongemakken die het veroorzaakte vond opwegen tegen de mogelijke voordelen. Slechts vijf, hooguit tien procent van de proefkonijnen zou er misschien baat bij hebben, en dan liet ze nog in het midden of het in dat geval om genezing ging of om het vertragen dan wel stationair maken van de ziekte.
Ik zag F. opleven. Hij zei dat hij de angst voor de medische stand die hem altijd had gekweld helemaal kwijt was sinds de fatale diagnose begin dit jaar. Een dagje ziekenhuis, grapte hij, was een uitje. Autoritje, van alles te doen, kopje koffie na. En die bijwerkingen, ach, een beetje koorts en grieperigheid, als het erger niet was, daar viel wel mee te leven.
In het restaurant waar we na afloop nog wat dronken zei hij dat hij opgelucht was en weer een straaltje hoop had. Ik begreep dat heel goed, maar was tegelijkertijd verwonderd over de variabele maatstaven waarmee wij mensen ons levensgeluk meten. Hooguit tien procent! Wat mij als gezond persoon een inktzwarte prognose leek was voor hem, de zieke, een hoopvol scenario. De menselijke geest is lenig en taai, als het erop aan komt.

vrijdag 30 november 2012

CD-PRESENTATIE

Als je de Jan Evertsenstraat helemaal uitrijdt, diep de jungle van de Westelijke Tuinsteden in, kom je uiteindelijk bij The Colour Kitchen. In dat gebouw was vroeger een ambachtsschool gevestigd; ik kwam er elke dag langs als ik via de Sloterplas naar school fietste. Nu parkeerde ik langs diezelfde route mijn auto. Het schemerde. Ik huiverde door de natte kou terwijl ik met enige moeite de zware deur openduwde.
Binnen hoorde ik mijn eigen stem, mijn eigen muziek. Dat geeft me altijd een tweeslachtig gevoel: warm en welkom, maar ook wat ongemakkelijk en onvrij, alsof mijn persoonlijkheid vastgelegd en gestold is, en ik daar niet meer van af kan wijken.
Achterin de grote ruimte zag ik rond een tafel van blank hout, onder een hoog plafond van stalen buizen die aan het technische verleden van de ruimte herinnerden, de gezichten van de acteurs met wie ik lief en leed had gedeeld op de bühne en in het repetitielokaal. We begroetten elkaar hartelijk. Een kleine, glanzend zwarte jongen bracht me een ijskoude Fanta in een mooi flesje. Op tafel stonden mandjes met vers gefrituurde papaya- of guavechips en reepjes brood die smaakten als hartige cake. Even later werden er kroketjes rondgedeeld die gevuld waren met een rijke, geurige groentemousse, en iets wat er uitzag als viscanapeétjes, maar verrassend naar kruidnagel bleek te smaken.
Joch, de vierentachtigjarige actrice die zo mooi met de bijna uitgestorven, onvervalste Jordanese snik mijn lied In de oude stad had gezongen, nipte aan een jonge jenever. Ze bekeek glunderend haar eigen beeltenis op het schijfje dat zojuist was uitgedeeld. Fred Martin, penningmeester van het Tuinstadtheater en voorzitter van Stichting de Driehoek die de cd heeft uitgegeven, hield een sympathiek speechje waarin hij refereerde aan onze lange samenwerking. Ik knikte appreciërend. We praatten wat heen en weer over mogelijke vervolgvoorstellingen. Toen de cd voor de derde keer van voor af aan begon besloot ik dat het tijd was om te gaan; er is een grens aan mijn eigenliefde.
Buiten keek ik nog eens om naar het logo van The Colour Kitchen dat straalde op het zakelijke, wat sombere gebouw waarin vroeger machines hadden gedreund. Ik moest aan Rotterdam denken. In die stad heb je veel van die hippe horeca die bloeit op voormalige industriële locaties.
Ik startte de motor en tuurde door mijn beslagen voorruit naar de tegemoet komende lichten, wachtend op een kans om te keren. Mijn gedachten waren de wereld en dit stukje ervan in het bijzonder welgezind. Ik kauwde op de steel van mijn pijp en bromde: ‘Het wordt nog wel eens wat, dat Nieuw-West.’

(De cd 'Ze vroegen arbeid, er kwamen mensen' is hier te bestellen)

woensdag 28 november 2012

Lennaert Nijgh, 1945-2002

Vandaag tien jaar geleden werd ik gebeld door Anja Bak. ‘Als je Lennaert nog wilt zien, moet je snel zijn.’
Ik sprong in de auto en reed naar Haarlem. In het Kennemer Gasthuis ving Anja me op. ‘Je bent net te laat, hij is een kwartier geleden overleden.’ Ik wilde naar zijn sterfkamer gaan. Ze hield me met zachte drang tegen maar kon niet verhinderen dat ik op de gang een brancard zag die werd weggereden. Daarop lag een uitgemergeld wassen beeld. Aan de gouden zeemansoorring herkende ik onmiddellijk mijn vriend.
Even later zat ik met de andere intimi in een kamer. Ze leefden al een dag of langer met zijn onafwendbare dood, dus waren een stap verder dan ik. Het gesprek had een gedempte opgewektheid. Boudewijn vroeg me iets over inzingen, hoe deden klassieke zangers dat? Lennaerts drie ex-vrouwen zaten zusterlijk bijeen en praatten over praktische zaken. Astrid zuchtte af en toe, pinkte een traantje weg en baste: ‘Die goeie Len. Arme jongen.’ Een verre neef zat er zwijgend bij. Hij wist zich niet goed een houding te geven. Hij was de erfgenaam maar kende zijn familielid volgens mij nauwelijks.

Mijn vriendschap met de Haarlemse dichter was een merkwaardige. Als we elkaar ontmoetten was het of daar twee afgezanten van onze werkelijke persoonlijkheden zaten, elkaar aftastend en verlegen met de situatie. Ik werd gehinderd door de bewondering voor mijn jeugdheld. Op mijn best maakte ik mezelf groter dan ik was en speelde met bravoure de man van de wereld. Op mijn slechtst voelde ik me volkomen misplaatst in de bruine cafés waarvan Lennaert zijn huiskamer had gemaakt, een kleine jongen tussen zware mannen.
Een enkele keer nam hij me mee naar een restaurant, om zonder het laconieke commentaar van zijn meeluisterende kroegmaten van gedachten te wisselen. Maar ook dan was het gesprek moeizaam. Nijgh kon zich slecht uiten en was bovendien moeilijk te verstaan: ‘Geheimzinnige Ziekte aan de stembanden’. Veelbetekenende korte opmerkingen en expressieve kreetjes, daar moest ik het veelal mee doen. Vaak was alles Zwaar Kut. Waarom precies, dat zou hij me in zijn volgende brief wel uitleggen. Ondertussen dwaalde zijn blik afwezig door de ruimte. Soms keek hij me even oplettend aan, maar ook dan was het of hij eigenlijk met een ander praatte en ik het toevallige onderwerp van gesprek was, dat hij eens goed moest observeren.
Die ander was hijzelf. Nijgh was een verlegen man, een eenzame wolf, die in zijn hart niets liever wilde dan liefde, warmte en wederzijds begrip, maar niet bij machte was die levensbehoeften te vervullen. Daarbij zat hij vooral zichzelf in de weg, want als ras-romanticus legde hij de lat hoog. De norm waaraan het leven moest voldoen was ergens in een ver verleden vastgelegd. Van zijn jeugddromen kon en wilde hij geen afstand doen. Dus vertoefde het meest wezenlijke deel van hem elders, in een binnenwereld, onbereikbaar voor zijn tijdgenoten.
Echte gesprekken met Lennaert had ik alleen op papier. In zijn brieven kon hij gevoelens die onder vier ogen onbespreekbaar waren makkelijker uiten en was hij soms pijnlijk openhartig. Vermomd met ironie en zelfspot, dat wel, of, als hij in een literaire bui was, zwaar aangezet met archaïsche frasen. Prachtige brieven waren dat, die me beurtelings tot tranen roerden en deden schaterlachen.
Toen die brieven in de laatste jaren steeds korter en droger werden wist ik dat hij zich uiteindelijk geen illusies meer maakte. Zijn dromen waren op, net als zijn lichaam.

Om deze bijzondere man te gedenken neem ik hieronder integraal een brief van 31 januari 1994 op. Lennaert was toen net 49 geworden. Hij meende in die tijd een Nieuwe Liefde gevonden te hebben en het oude vuur laaide nog één keer in alle hevigheid in hem op, voor het allengs zou doven. Namen hoef ik niet onherkenbaar te maken, want dat deed Lennaert zelf altijd al, met epische pseudoniemen. Ook daarin kleurde hij de banale wereld met zijn eigen romantische fantasie.



Haarlem,
maandag 31 januari 1994
a/b Jonge Jacob

Amice,

Chambolle-Musigny. Een rode bourgogne uit 1972 met dat vermoeden van een frambozengeur, dat na blijft ijlen op je tong. Daar had ik van te voren mijn zinnen op gezet. De rest van het menu kon daar zonder al te veel moeite omheen worden gebouwd.
Volgens De Groot ben ik gek. Wie neemt er nu een dame met wie het toch niets zal worden mede naar De Bokkedoorns, een twee sterren-Alliance restaurant dat alleen maar leuk is als een ander het betaalt? Ik voel althans dat hij zoiets denkt, maar hij zegt het niet hardop. Hij kijkt wel uit. Ik ben er toch in geslaagd om hem een klein beetje op te voeden.
Nee, het valt niet uit te leggen. Ik zou Die Schöne Müllerin niet voor zoiets uitnodigen als ik niet wist dat het aan haar besteed was. Ik zou het ook niet doen als ik wist dat ze achterover zou vallen van een dergelijke invitatie. Dat ware immers een ijdel gebaar geweest, de vergeefse bluf waarmee het zoontje van een rijk geworden automobielverkoper probeert een mooi meisje plat te krijgen. Ik doe het en vraag me niet af waarom. Waarom nam ze me mee, een jaar geleden? Ik ben niet de man die ze zoekt, maar ik ben haar heel dierbaar, zegt ze. Ze heeft prachtige ogen als ze ernstig kijkt. Ze zou mijn dochter kunnen zijn.
In onze fantasie dansen we op een nevelige lente-ochtend een traag en vergeefs ballet door de lege zalen van een Italiaans palazzo, de camera rijdt mee en volgt de twee silhouetten die zich tegen het witte licht aftekenen als ze de hoge ramen voorbij glijden, des doodgravers beeldschone dochter en de dichter.
Ga dat maar eens uitleggen aan het morrend landvolk dat in onbegrip bijeen schuilt, gatkrabbend en over geld pratend.

Thuis, weer alleen. Een gevaarlijk moment, voor je het weet slaan zelfmedelijden en eenzaamheid toe.
Een bleek gezicht kijkt mij in de spiegel aan, met een lichte zweem van spot: Ludovic Praetorius.

Waarlijk, het wordt tijd. Die Winterreise wacht.

Met schrijversgroeten,

Lennaert Nijgh




Noot: Ludovic Praetorius is een personage uit Nijghs satirische sleutelroman ‘Tobia, of de ontdekking van het masturbariaat’ (Swan & Partners, 1971). In 1991 werd het boek door Conserve opnieuw uitgegeven in een (te) rigoureus herziene versie. Beide edities belandden al gauw bij De Slegte. Ludovic Pretorius was de enige figuur in de roman die niet gebaseerd was op een bestaand persoon; deze ironische en flegmatieke telg uit een oud patriciërsgeslacht vertegenwoordigde de 'verstandige' kant van Nijghs karakter.


dinsdag 27 november 2012

VOETSTUK

Het doet pijn als je een jeugdheld van zijn voetstuk ziet vallen. Liever dan in gruzelementen om je heen op de vloer, had je hem je hele leven daarboven op die piëdestal willen houden, versteend in een heroïsche houding.
Min zuster overkwam het afgelopen weekend. Ze las een stuk in de Volkskrant over de pas verschenen biografie van Jean Dulieu en had meteen spijt. Die aardige pijprokende meneer met zijn montere vlinderdasje bleek in werkelijkheid een onsympathieke zwakkeling te zijn, een neurotische dweper en een verbitterde driftkop. De in prachtige pasteltinten geschilderde wereld van Paulus de Boskabouter was voor haar na het lezen van dat ene artikel voorgoed besmeurd. In je jeugd lees je zonder enige argwaan, dus zo’n vlek komt hard aan, die poets je nooit meer weg.
Mij deed het van zijn sokkel donderen van Jan van Oort, zoals hij in het echt heette, gek genoeg niet zo veel, hoewel zijn magnum opus Paulus en de eikelmannetjes toch zowat het summum van jeugdsentiment was, ik verdween in dat boek. Misschien komt dat doordat Dulieu’s boeken toch echt kinderboeken zijn; en illusies over mijn kindertijd heb ik allang niet meer.
Moeilijker had ik het met de menswording van Marten Toonder, maar die ging gelukkig geleidelijk. Stukje bij beetje leerde ik in de loop van mijn volwassen leven dat de bouwmeester van de Bommelwereld minder prettige kanten had, dat hij lang niet alles zelf tekende en schreef, en dat hij bepaald niet de milde en wijze oude meester was, de alwetende en alles kunnende opa, waarvoor ik hem gehouden had. Toch was ik nog behoorlijk ontdaan toen ik de briefwisseling tussen Toonder en Dick Matena las en meer dan een glimp kreeg in het maar al te menselijke, tekortschietende brein van de mijn voormalige held.
Nee, van jeugdhelden kun je maar beter niet te veel te weten komen.
Met idolen die je op latere leeftijd leert kennen gaat het heel anders. Waarom?Misschien omdat je als volwassene al een gezonde dosis scepsis hebt en iemands werk niet werktuigelijk met zijn persoon vereenzelvigt. Ik ben pas laat een Maigretlezer geworden. En toen ik zo verslingerd raakte aan die boekjes dat ik de auteur erachter wilde ontmoeten was ik eerder gefascineerd dan teleurgesteld toen ik een heel merkwaardige man leerde kennen, een erotomanische sfinx, een overkokend vat vol tegenstellingen, een door en door egocentrische man met een groot hart. Ik kon niet genoeg over hem lezen, en hoewel hij me niet sympathiek was werd hij me dierbaar: de wereld was rijker geworden doordat Simenon erop rond gelopen had.
Dat ook hij me teleur kon stellen had ik niet verwacht. En toch gebeurde het, bij het lezen van Maigret in New York. Dat boek viel zo uit de toon bij de rest dat ik iets moest wegslikken. Het was jolig, melig en breedsprakig. Niets van de korzelige, in zijn eenvoud suggestieve no nonsense-stijl die de Maigrets zo goed maakt. Bij de herlezing, een tijdje geleden, kreeg ik opeens argwaan. Zou soms de vertaler schuldig zijn aan deze leutigheid? Ik kon me eigenlijk niet voorstellen dat Simenon voor één boek de kneuterige toon van de jaren vijftig had overgenomen. Ik keek voorin. ‘Vertaling Dick Bruna’, stond er. Aha! De tekenaar van Nijntje had prachtige omslagen voor de reeks Maigrets ontworpen. Zou hij soms ook eens zijn hand op een vertaling hebben willen proberen, en door zijn vader, de uitgever van de serie, in staat zijn gesteld iets te doen waartoe hij eigenlijk niet capabel was? Zou hij het boek brutaalweg hebben herschreven in de stijl van de toen populaire Havank? Simenon hebben opgeleukt?
In een antiquariaat vond ik het Franse origineel, Maigret à New York. Ik kon niet wachten om mijn vermoeden te verifiëren. Thuis zocht ik een willekeurige passage die me had geërgerd op en vergeleek die met het oorspronkelijke Frans. Eerst laat ik u gruwen van de versie van Dick Bruna:

‘En toen begon hij weer te knipogen wat Maigret zo’n smeuiïge uitdrukking deed produceren, waarvan wij zouden zeggen dat er geen woord Frans bij is, maar dat zullen ze in Parijs wel anders noemen. Griesmeelpudding grijnsde zoet-zuur.’

En wat staat er in het Frans?
Welnu: helemaal niets. De hele passage is erbij verzonnen, inclusief dat jolige bijnaampje ‘griesmeelpudding’, dat tot kotsens toe verwijst naar een dikke New Yorkse inspecteur.
En als, op dezelfde bladzij, Bruna schrijft: ‘Op dat moment begon de griesmeelpudding weer te glunderen en blies Maigret een donderwolk’, noteert Simenon eenvoudig: ‘Maigret grommela en allumant sa pipe: Non.
‘Nee, bromde Maigret terwijl hij zijn pijp aanstak.'
Zo ken ik Simenon weer. Helden mogen wat mij betreft best van hun voetstuk vallen, maar vertalers mogen hen daar niet bij helpen.


(Morgen leest u, ter gelegenheid van zijn tienjarige sterfdag, iets over een andere jeugdheld van mij, Lennaert Nijgh)

vrijdag 23 november 2012

ENGELENBAK

Het zag eruit of het koud was, maar dat was het niet. Wel gloeide de hemel winters na boven de huizen waarachter de zonsondergang plaats moest vinden. In de winkelstraat verderop lonkte de eerste kerstverlichting. Terwijl ik de deur achter me dichttrok werd ik gewenkt door een man aan de overkant. Ik kende hem al vele jaren van gezicht, en we staken een hand op als we elkaar tegenkwamen: een lange magere man met een bril en een benig gezicht, onwillig donker haar, een jongen op leeftijd. Hij was koppig op zijn plek gebleven toen de huizen tegenover het mijne werden ontruimd en ook de uitzetting van de laatste krakers had hem niet verdreven. In die spookruïne behoedde hij nu een laatste restje huiselijkheid. Om bij zijn met hand en tand verdedigde nest op drie hoog te komen moest hij zich elke dag een weg banen door een donker trappenhuis vol bouwafval. Ik bewonderde die onverzettelijkheid.
‘Ik ga verhuizen,’ deelde hij me mee, alsof we elkaar pas nog hadden gesproken. ‘Maar ik zal me even voorstellen, ik ben Hildebrand.’
We schudden handen. Hij keek me aan met een brede lach die een kunstgebit vertoonde. Achter zijn bril knipperden kwetsbare maar vrolijke ogen.
‘Dus de sloop gaat nu echt beginnen?’ vroeg ik. Ik was blij eindelijk eens uit de eerste hand iets te leren over de geheimzinnige gang van zaken rond de mooie maar vervallen gevelhuisjes waarover gemeente en vastgoedmaffia al zo lang vochten.
‘Ja. Tenminste, in januari. Dan moet ik er uit zijn. Maar ik heb een nieuw huis gevonden, drie hoog op de Churchilllaan met prachtig uitzicht op het Victorieplein. Daar houd ik erg van, een vrij uitzicht. En een zolder erboven, waar ik ongestoord muziek kan maken. Jij bent toch ook muzikant? Ik heb je wel eens bij Han Reiziger gezien. Met een cellist, toch?’
Dat was lang geleden, en al die tijd hadden we elkaar nooit een hand gegeven, en nu pas, op de vooravond van zijn vertrek, wist ik zijn naam.
Hildebrand vertelde dat hij cameraman was geweest en in het onderwijs had gezeten. Maar nu, op zijn eenenzestigste, had hij besloten het eens in de muziek te proberen. Hij was begonnen met een paar covers, en was daarna ook eigen liedjes gaan schrijven. Om zijn Engels te verbeteren keek hij dagelijks naar de BBC. Een mooie stem had hij al, dat hadden ze hem vaak genoeg gezegd op de koren waarin hij jarenlang had gezongen. Maar het was moeilijk om aan de bak te komen.
‘Ja, vertel mij wat,’ dacht ik, maar ik hield het voor me.
Hij had wel een keer in de Engelenbak opgetreden, en dat was een onmiddellijk succes geweest. Het enthousiasme van de mensen was hartverwarmend. Een ska-versie van Poupée de cire, poupée de son had hij er gezongen. En een jonge jongen had gezegd: ‘Mooi meneer!’ Dat had hem blij gemaakt. Daarna had hij vol goede moed de weg van de beginnende singer-songwriter gevolgd, die voert langs jeugdhonken en folkcafés.
Maar het viel hem zwaar: in de cafés werd er doorheen gepraat, en in die honken zat hij vooral zonder aanspraak te wachten tot het zijn beurt was.
‘En het gaat me vooral om het delen van de muziek, dat geeft me enorme voldoening. In mijn eentje op zolder gitaarspelen is toch best eenzaam.’
Hij gaf me een kaartje en vertelde waar ik op YouTube het filmpje kon vinden van zijn optreden in de Engelenbak, daar moest ik maar eens naar kijken.
Er bleef een vraag onuitgesproken tijdens ons afscheid, die ik al die tijd had voelen aankomen, en daar was ik blij om. Want ik kan slecht nee zeggen, en, hoewel ik het enthousiasme en het optimisme van mijn overbuurman ontwapenend en ook leerzaam vond, ben ik huiverig om me in te laten met hemelbestormende jonge honden, ook als ze eenenzestig zijn. De tijd dat ik me puur uit goeiigheid in zo’n krakersbolwerk zou hebben begeven om tweestemmig Poupée de cire, poupée de son te zingen is voorbij.
En dat spijt me niet.

dinsdag 20 november 2012

OLOROON

Rond etenstijd ging de telefoon. Door de hoorn klonk de stem van een dierbare collega. Hij vroeg hoe het ging. Ik zei dat het wel eens beter was gegaan. Het donker van deze sombere herfst kreeg me er langzaam onder. Het was nu wachten op de eerste storm om die schaarse bladeren eraf te rukken. Misschien dat de winter, die tenminste compromisloos kaal is, en geen half vergane herinneringen aan de zomer met zich meedraagt, tegelijk met duidelijkheid ook soelaas zou brengen.
Mijn vriend bekende dat ook hij vocht tegen de kleverige herfstdraden van somberheid die hem in dreigden te spinnen. Terwijl hij vroeger, net als ik, van de herfst had gehouden. Als stemmingswisselaar voelde hij zich dan begrepen door het seizoen. De wisselvalligheid van de natuur paste bij zijn eigen veranderlijke humeur. Het donker deerde hem niet, toen hij jonger was.
‘Ik heb laatst iets heel vreemds meegemaakt,’ zei hij, plotseling oplevend. ‘Een kennis van me teelt zijn eigen wiet. In zijn badkamer. Daar heeft hij zo’n speciale lamp gemonteerd, want die hennepplanten hebben extreem veel licht en warmte nodig. Hij wou me zijn huiskwekerij laten zien. Dus ik doe de deur open, stap naar binnen… en in één klap voelde ik me helemaal gelukkig. Bizar! Het was alsof ik in een warm bad van onaards licht stapte, het deed me denken aan…’
Ik wist wat hij ging zeggen. We zijn allebei kenners van de Bommelsage en ik had aan een half woord genoeg.
‘...aan De kwade inblazingen,’ vulde ik aan.
‘Ja, precies!’
In dat Bommelverhaal hebben de dwergen Kwetal en Coreander Hop een oloroon (een soort ruimtehevelaar) achtergelaten bij het schuurtje van Slot Bommelstein, omdat ze laat zijn met ipsen die herfst, en het ding niet willen meezeulen op hun gehaaste trek naar het zuiden. U begrijpt natuurlijk de gevolgen: achter het schuurtje ontstaat een buitenaards landschap, een andere dimensie, die betreden kan worden door de achterdeur van het gebouwtje.
‘Hetzelfde warme, stille licht,’ vervolgde mijn vriend. ‘Ik ben nu op zoek naar net zo’n lamp. Het lijkt me geweldig om even in die gloed te gaan zitten lezen als het allemaal niet zo lekker gaat.’
Tijdens het afruimen van de eettafel peinsde ik na over wat hij daar zojuist verteld had, en mijn gedachten breidden zich uit naar lichttherapie. Plotseling herinnerde ik me dat ik nog ergens een hoogtezon moest hebben, zo’n rode, van mijn oma. Ik zocht in de linnenkast, maar waar ik het ding dacht te vinden vond ik onder een stapel handdoeken iets anders, een gezichtsbruiner van Philips. Geen idee hoe ik daar aan kwam, en hoe die op de plek terecht was gekomen van de ouderwetse lamp waarmee mijn oma haar neuralgische pijnen lenigde.
Ik veegde het stof van het apparaat, zette het op tafel en stak de stekker in het stopcontact. Ik draaide aan de tijdschakelaar. Twee buizen gloeiden violet op, na een beetje wrikken begonnen ook de andere twee eerst knipperend en dan rustig te stralen. Ik ging er vlak tegenover zitten, sloot mijn ogen en wachtte. Tien minuten. Een mechanisch tikken markeerde het voorbijgaan van de tijd. Omdat ik niets beters te doen had concentreerde ik me op mijn ademhaling. Net als bij de wekelijkse meditatiesessies vulde ik mijn hoofd met een soort mantra, een paar steeds herhaalde kernwoorden met een hopelijk hypnotiserende, positieve lading. Mijn gezicht begon te gloeien, mijn oogleden moest ik een beetje dichtknijpen tegen het langzaam kracht verzamelende ultraviolette licht. Toen de machine op nul sprong en de gloed zich terugtrok stond ik op om mijn bezigheden te vervolgen, maar ik merkte dat mijn handelingen allemaal iets trager en bedachtzamer verliepen dan een kwartier geleden. Mijn gejaagdheid leek verdwenen.
Ik heb me nu voorgenomen elke dag een kwartiertje niets te gaan zitten doen voor die lamp. Het is geen oloroon en zelfs geen wietlamp, maar toch een bron van welkom licht, en baat het niet dan schaadt het niet. Er is natuurlijk wel één risico, maar dat neem ik maar voor lief.
Als u me binnenkort met zo’n onnatuurlijk bruine kop ziet rondlopen dan komt dat niet van de zonnebank, maar is dat een bijwerking van mijn huisbakken lichttherapie.

vrijdag 16 november 2012

KOFFIEDIK

Over de tweede aflevering van Maestro, waar ik niet naar wilde kijken maar die ik natuurlijk toch heb gezien, ga ik het niet hebben. (Alleen dit: de dirigenten werden ditmaal gecoacht. Cabaretière Lenette van Dongen nam het bloedserieus, en bleek een waar natuurtalent! De met zijn rol van hufter vergroeide Michiel Romeyn verziekte de boel opzettelijk, en werd daarvoor beloond dan wel gestraft, net hoe je het wilt zien: de jury kon haar minachting nauwelijks maskeren maar de orkestleden stemden hem verrassend genoeg door naar de volgende ronde; ik zie hierin een cynische daad van verzet tegen het concept waarin ze gevangen zitten).
In plaats van over Maestro, dat ik niet wilde zien maar toch heb bekeken, wil ik het hebben over – schrikt u niet! – mijzelf, en iets recht zetten in mijn verhouding met dit blog.
Eergisteren was ik grieperig en gedeprimeerd. Dat is een slechte combinatie. Mijn verstand zegt dan dat ik eruit moet, flink moet bewegen, actief moet zijn. Maar mijn lichaam zei in dit geval dat ik lekker op de bank moest gaan liggen. Zo lag ik op de bank, maar lekker was dat allerminst. Mijn stemming werd steeds zwarter.
Toen brak de zon door, en voor ik het wist zat ik een stukje te tikken waarin ik die zwarte stemming van me af schreef. Hoewel het er de dag niet voor was zette ik het op dit blog. Maar ik kreeg meteen spijt. Niet alleen om het onregelmatige tijdstip van de publicatie. Vooral om de inhoud. Te somber. Ik verwijderde het stukje weer. En vervolgens zat die spijt me weer dwars: nam ik het niet allemaal veel te serieus? Ik wilde blijkbaar mijn lezers entertainen, en was bang om hen af te schrikken. ‘Daar ga je weer, pleaser!’ zei mijn grieperige helft boos tegen mijn sombere helft. ‘De bedoeling was toch, dat je op deze plaats eerlijk en open zou zijn? Dat je zou delen wat je dwars zat?’ Maar Sombermans luisterde niet. ‘Er komt een boek van deze stukjes,’ argumenteerde hij, ‘en dat moet natuurlijk wel verkocht worden. Op larmoyante litanieën zit niemand te wachten. Schrijf jij maar liever iets over Maestro!’
De volgende dag vroeg iemand me, waar dat stukje ‘Koffiedik’ toch gebleven was, waarnaar een paar loze links verwezen.
Op internet blijft niets verborgen. Het medium zelf strafte mijn weifelmoedigheid af. Daarom hieronder alsnog, met iets van opluchting mijnerzijds, de boodschap in de fles die op de eerste flinke golf weer naar me teruggeworpen werd.

Ik maak me zorgen om alles. Om concrete zaken, zoals de naderende dood van een goede vriend, en om minder concrete zaken, zoals dood en verval in het algemeen. Om de toekomst. Om de crisis die ons dag na dag wordt ingewreven, net zo lang tot we erin gaan geloven, tot onze laatste kinderlijk obstinate verdedigingsmuur van optimisme wordt afgebroken, steen voor steen. Om armoede en geldgebrek, een beetje voorbarig, want ik heb voorlopig nog genoeg om van te leven. Om de wereld waarin mijn kinderen moeten leven, om van hun kinderen nog maar te zwijgen.
Het zal het donker zijn. Ik ben niet bang voor het donker van de nacht.
’s Nachts valt alles van me af. Het donker van de nacht is stil, koel en heilzaam. Zodra ik in bed kruip slaak ik een zucht van verlichting. Ik hoef niet meer na te denken. En gek genoeg ga ik dan als een razende denken, maar een ander soort gedachten: fantasieën komen op en mogen hun gang gaan. Kleine dingetjes die overdag mijn aandacht hebben getrokken maar toen ondergesneeuwd werden door de grote levensvragen krijgen een spotje: ik heb de aanvechting om weer op te staan, de pc aan te knippen en op Google allerlei dwaze en onbelangrijke feitjes te gaan checken.
Nee, het donker van de nacht is troostrijk. Het is het donker van de dag dat me de keel dicht knijpt. Vroeger had ik geen last van dit seizoen. Ik vond het knus en romantisch. Behaaglijk weggekropen in een hoekje, met het zachte grijze gordijn van de herfstnevel gezellig dichtgetrokken en de kachelwarmte als een deken om me heen gedrapeerd, gaf ik me over aan mijmering. Met welbehagen luisterde ik naar de regen, naar de huilende wind. Hoe meer regen en wind hoe beter. Hoe duisterder het zwerk hoe lichter mijn gemoed. Maar het lijkt of er nu niets meer te mijmeren valt. Ik weet niet meer hoe ik die endorfine opwekkende toestand van omgekeerd piekeren kan bereiken. Het zal de leeftijd zijn. Want hoe je het ook wendt of keert, de ouderdom nadert, daar doe je niets aan; en steeds sneller ook nog, want de tijd haast zich vooruit, omdat ze in de jeugd te veel heeft gelummeld, er valt nogal wat in te halen. In deze maanden weet ik opeens zeker dat er niets meer te verwachten valt, dat er geen grote veranderingen ten goede meer zullen komen, dat alles alleen maar slechter kan worden. Dit is het, hier moet ik het mee doen. Maar is het genoeg? Nee natuurlijk. Door de zwarte bril die de herfst me op heeft gezet lijkt alles nietig, onbeduidend en mislukt. Ik had me zo veel meer voorgesteld van het leven, en nu is het te laat om dat nog te realiseren.
Zelf weet ik natuurlijk ook wel dat dit onzin is. Dat ik nog niet eens zestig ben. Dat er altijd kansen zijn die gegrepen kunnen worden. Dat mijn omstandigheden over tien jaar wel volledig anders kunnen zijn dan ik ze me nu kan voorstellen. En dat anders niet per se slechter betekent. Ik kijk te veel koffiedik, en dat is nu eenmaal zwart en drabbig.
Maar om het anders te zien is een straal zon nodig, tegenwoordig. Op dit moment schijnt die even onbekommerd, en dat is waarschijnlijk de reden dat ik dit allemaal zomaar ineens, zonder er veel bij na te denken opschrijf, in plaats van het op te potten. En dat lucht op.
Therapeutisch schrijven, ik kan het u aanbevelen!

dinsdag 13 november 2012

DE WEG VAN DE NAP


Dat ik aan alcohol verslaafd was werd genadeloos aangetoond toen ik, zoals ik al eerder had gedaan, een tijd droog wilde gaan staan, en dat niet meer lukte. Proefondervindelijk vastgesteld, heet dat. Ik kon me met de beste wil van de wereld niet meer losbreken uit de dagelijkse routine van het drinken.
Na een paar chaotische maanden van halfhartige en tot mislukken gedoemde pogingen zocht ik hulp. Zo brak een periode aan die achteraf gezien een zeker ritme en een zekere logica bezat. Ik werd een weekje drooggelegd en gehersenspoeld in de detox van de Jellinekkliniek, was dan een tijdje vol goede moed, bezweek weer en viel geleidelijk terug in mijn oude patroon. Als dat weer een alarmerende fase bereikte klopte ik opnieuw aan bij de hulpverleners.
Zo ging dat vier keer. Maar elke keer werden de terugvallen dieper: in de zekerheid dat er écht een einde moest komen aan dat drinken haalde ik ‘nog even’ het onderste uit de kan. Ik gaf me helemaal over aan mijn zwakte, verklaarde mezelf ziek, en werd schaamteloos in mijn omgang met mensen. Niet verwonderlijk dat die me gingen mijden: behalve dat een altijd aangeschoten en nogal manische man geen goed gezelschap is (communiceren is eenrichtingsverkeer met zo iemand) is de verloedering pijnlijk en verontrustend om aan te zien.
Op het laatst maakte die schaamteloosheid plaats voor een diepe wanhoop. Dit was uitzichtloos. Hardere maatregelen moesten worden getroffen. Ik liet me opnemen in een kliniek; enfin, dat verhaal kent u.
Omziend in spijt probeer ik soms lichtpuntjes te zien in die duistere periode. Helder straalt natuurlijk het baken van het U-Center, waar ik veel meer leerde dan stoppen met drinken, en waar ik anders nooit beland zou zijn. Verder is er niet veel. Ik hield me op de been met schrijven. Vanuit mijn kluizenaarshol stuurde ik, met een liter wijn naast het toetsenbord, lange mails de wereld in. En ja, soms leverde dat wel eens iets op dat de moeite waard was.
In de zomer van 2009, toen ik voor het eerst te maken kreeg met het circuit van de hulpverleners, gebeurde het (de aanleiding weet ik niet meer) dat ik met mijn vriend Robert Eksteen een correspondentie begon in de vorm van haiku’s. Een tijdje amuseerde dat ons, en onder het mom van literaire verstrooiing werden er wel degelijk rake dingen gezegd, die we in een normaal gesprek, van man tot man, blijkbaar niet dorsten zeggen.
Die correspondentie (en dat is de reden voor deze terugblik op een periode waarop ik niet graag terugkijk) is nu gebundeld en uitgegeven en te koop. Boris Rousseeuw maakte er voor zijn Carbolineum Pers onder de titel De weg van de nap een bibliofiel boekje van. Geheel in de geest van de haiku een zorgvuldig en elegant miniatuurtje: mooi papier, mooie letter, met de hand gezet, geïllustreerd met pentekeningen door mijn dochter Rosanne, verpakt in een schuifdoosje.
Dit exclusieve werkje, uitgebracht in kleine, genummerde en gesigneerde oplage, kunt u voor slechts 30 euro bestellen bij Boris Rousseeuw. Zolang de voorraad strekt.

ILLUSIE

Mijn therapeute:
korenbloemblauwe ogen
maken me weerloos.

Eén gesprek met haar
en ik zweer grif de drank af,
het uur veel te kort.

Hoe zou het zijn als
zij mijn vriendin was? Bleef ze
dan die toverfee?

(Jan-Paul)

OUR HOUSE

Je roert de pasta,
je geliefde komt eraan.
Lelies in een vaas.

Ze neemt een glas wijn.
“Nee,” zegt ze, “jij niet, Jan-Paul,
denk aan onze deal.”

Zij gaat in de tuin
haar rapporten doornemen.
Jij blijft maar roeren.

(Robert)

vrijdag 9 november 2012

MAESTRO

Toegegeven, mijn humeur was, laten we zeggen ‘herfstig’. Maar als ik had gehoopt dat ik op zou knappen van het nieuwe programma Maestro dat gisteren op de buis verscheen kwam ik bedrogen uit. Het publiek lachte zich rot, was vertederd of enthousiast, maar ik werd er alleen maar treuriger van.
In Maestro worden bekende tv-mensen geconfronteerd met een symfonieorkest. Een uurtje tevoren krijgen ze een partituur en een cd van het stuk dat ze live voor publiek moeten gaan ‘dirigeren’. Dit leidt tot machteloos gezwaai en grote hilariteit. En dat is natuurlijk precies de bedoeling van de show. Vervolgens worden ze door een vakjury afgekraakt. De BN’ers namen dat meestal sportief op; ze wisten waar ze aan begonnen. Maar sommigen van hen waren niettemin zichtbaar geprikkeld of teleurgesteld door hun ingecalculeerde afgang. Stiekem hadden ze misschien gehoopt er toch iets van te bakken. Hun flair redde hen niet uit deze netelige situatie, die ze zelf hadden opgezocht.
Mijn gevoelens waren aanvankelijk nog gemengd bij het gadeslaan van zoveel gestuntel. Want er zit ook een educatief tintje aan. Veel mensen geloven niet dat dirigeren een vak is. Een beetje zwaaien voor zo’n orkest, dat uit zichzelf ook wel speelt, dat kan toch iedereen? Niet dus.
Nou moet ik er wel bij zeggen dat de situatie in dit programma wel een beetje gechargeerd is. Het overkomt heel wat orkesten dat ze in de provincie, tijdens begeleidingen van de plaatselijke oratoriumvereniging, onder incapabele dirigenten moeten werken. Ondanks het afleidende gestuntel van de lokale maestro op de bok redden ze zich er dan toch wel uit: de orkestmeester (de eerste violist) kan met hoofdknikjes wonderen verrichten, en als de orkestleden het stuk een beetje kennen, op elkaar ingespeeld zijn én van goede wil zijn, komt er dan heus wel een samenhangend geheel uit.
Hier was van een samenhangend geheel geen sprake. Blijkbaar was de nadrukkelijke opdracht aan de muzikanten in Maestro om, ongeacht wat hun eigen kompas zei, op de aanwijzingen van de ‘beroemde’ roerganger te varen. En dan krijg je gekke dingen. Want dirigeren is, het werd vaak gezegd in het programma, moeilijk. Dat werd vooral duidelijk door het onvermogen van de proefkonijnen om het orkest gelijk te laten beginnen, of om het überhaupt te laten beginnen. En toch is juist dat, het geven van die opmaat die de boel in gang zet, voor iedereen die een beetje muzikaal gevoel heeft en tot drie of vier kan tellen leerbaar. Het feit dat de dirigenten gisteren zo helemaal in onwetendheid waren gelaten omtrent dit meest fundamentele aspect van het vak maakt duidelijk waar het in de eerste aflevering van Maestro om ging: plat vermaak onder het mom van educatie en popularisering van de klassieke muziek.
En denkt u dat zo’n orkest dat leuk vindt? Ik zag er verschillende musici onder die ik ken. Ernstige, hardwerkende mensen met veel talent. Nu moesten ze de pias uithangen. Sommigen van hen hadden daar misschien wel schik in, maar de meesten, verzeker ik u, lachten zuur, als ze al, op verzoek van de regisseur ongetwijfeld, lachten. Waren ze hiervoor de muziek ingegaan, om een paar overbekende klassieke hits en plein public de soep in te draaien? Dat stond hun vast niet voor ogen toen ze zich dagelijks vele uren lang zwetend over de hals van hun cello bogen of het weerbarstige hout van hun hobo soepel probeerden te blazen.
En het wrangste is nog dat uitgerekend dit orkest, het Holland Symfonia, onlangs wegbezuinigd is. Op de vooravond van hun ontslag mochten de onfortuinlijke leden ervan nog even vrolijk meedoen met dezelfde populistische cultuur die hen om zeep heeft geholpen.

dinsdag 6 november 2012

BEDLECTUUR


Ik schrijf te weinig over Simenon. Deze Luikse veelschrijver was een raadselachtige man die me aantrekt en afstoot. Ik kan soms avonden lang gefascineerd in zijn autobiografisch werk lezen om het dan opeens verzadigd en bijna walgend weg te leggen. Over zijn sympathieke held Maigret heb ik ook slechts hier en daar iets geschreven. Het onderwerp is te belangrijk voor me en te veelomvattend om zo maar af te doen met een aardig stukje. Als ik me er ooit aan waag moet het een heuse studie worden, vind ik; en daarvoor heb ik tot nu toe noch de inspiratie noch de werkkracht gevonden.
De laatste dagen verkeer ik in een zeldzame toestand van geluk dat me zomaar in de schoot is geworpen. Ik heb de Maigret-serie compleet: het laatste ontbrekende deeltje bestelde ik een tijd geleden via internet. Dat voelde een beetje als vals spelen, maar hoe ik ook zocht in antiquariaten en op vrijmarkten, De vriend van Maigret lag nooit tussen de oude pocketjes. Toen ik het in huis had en begon te lezen was dat in het weemoedige besef dat er hierna nooit meer een nieuwe episode van de sage zou komen. Maigrets zijn voor het merendeel goed herleesbaar omdat de plot eigenlijk niet zo belangrijk is, maar het is toch niet helemaal hetzelfde. Het leesplezier is lauwer. De eerste hoofdstukken zijn altijd fijn, maar gaandeweg komen eerst de grote lijn en dan de details van de afwikkeling in de herinnering terug, en dan moet zo’n boekje wel goed geschreven zijn, wil ik het uitlezen. En dat zijn ze lang niet altijd.
Met Maigret en de geschaduwde schoolmeester ging het anders. Ik was al in het derde of vierde hoofdstuk, had glimlachend vastgesteld dat er in dit deel wel uitzónderlijk veel gedronken werd en dat het dus wel uit Simenons alcoholische middenperiode moest stammen, maar nog steeds zei het verhaal me niets. Noch aan de locatie, noch aan de personen of de intrige had ik enige herinnering. Langzaam warmde mijn leesplezier op, en gisteravond ging ik naar bed in de handenwrijvende zekerheid, dat ik hier een nieuwe Maigret in handen had: blijkbaar had ik het boekje ooit aangeschaft in een periode dat Simenon me tegenstond en was het ongelezen tussen de chronologisch geordende deeltjes gezet.
U denkt nu misschien: een kinderhand is gauw gevuld. Maar ik kan u verzekeren dat er meer mensen zijn zoals ik, voor wie de lezing en herlezing van Simenons psychologische politieromans een gekoesterd ritueel is.
Zaterdag bezocht ik de expositie Mijn buurt in galerie Retort aan de Aalsmeerweg. Kunstenaar Wietze Dorsman heeft zeven maanden lang de Hoofddorppleinbuurt geportretteerd. Elke dag, weer of geen weer, trok hij erop uit, stelde zijn schildersezel op en legde vast wat hij zag. Winkels, verkeersborden, een straatmuzikant, een boom, een fiets, een bloemenstal. Ik bekeek de zeventig kleurige schilderijen met plezier. Maar één in het bijzonder beviel me. Een avondtafereel. Kunstlicht weerspiegelt zich in het water van de Schinkel. Een donkere tram doemt op, op weg naar de remise. Ik zei tegen de kunstenaar dat het doek me deed denken aan de boeken van Simenon. Daarin wordt veel in treinen gereden die door donkere regenachtige landschappen rijden: de commissaris staart dan soezerig pijp rokend naar de opdoemende lichtjes van eenzame huizen en vraagt zich af welk leven zich daar afspeelt.
Dorsman knikte glimlachend. Hij bleek ook een liefhebber. Hij leest de serie in het Frans en heeft ze nog niet compleet, maar ook bij hem geldt dat het verhaal er eigenlijk niet zoveel toe doet. Elke avond leest hij een paar bladzijden in een willekeurige Maigret totdat hij slaperig wordt. Slaapverwekkend saai dus, die Simenon, hoor ik u zeggen. Maar zo is het niet. De wereld van Maigret is een donkere maar veilige wereld; zondig maar tegelijk kinderlijk onschuldig, ondanks alle moorden, ondanks al het schuim der aarde dat er overvloedig in optreedt. Een voorgoed verdwenen wereld vol dagelijkse pekelzonden en onbeduidende rituelen. Een wereld waarin schurken een hart hebben en brave burgermensen rotte plekken. Waarin iedereen in wezen zwak en daarmee sympathiek is. Waarin mensen zonder er veel aan te kunnen doen hun lot vervullen in een omgeving die alcoholisme, hoererij en hypocrisie schouderophalend accepteert. In het warme en smoezelige Frankrijk van Simenon wordt veel, zo niet alles vergeven. En dat maakt geruststellende bedlectuur.


(Illustratie: 'Tramremise', Wietze Dorsman)

vrijdag 2 november 2012

ALLERZIELEN

Gisteravond zag ik een prachtige documentaire op Canvas. Ik vergeet u nooit van Kat Steppe. Centraal daarin staat het kerkhof van het West-Vlaamse Menen, dat eerstdaags geruimd zal worden. De film toont ons het leven op de dodenakker. Dat wil zeggen de vaste bezoekers. En daarmee ontstaat een indringend portret van een omgangsvorm met de dood die aan het verdwijnen is.
We zagen grijze mannen en vrouwen die bedachtzaam naar graven staarden en vertelden over hun dierbaren, kort of lang geleden gestorven, dat was om het even. We zagen een zee van leistenen gedenktekens onder een grauwe wolkenlucht. Een groepje lokale toeristen werd rondgeleid door een gids. Vooral oudere vrouwen, die giechelden en vrolijk babbelden in onverstaanbaar West-Vlaams maar niettemin gefascineerd waren door de gebruiken rond hun voorland. De gids bleek spoken te zien: zijn grootmoeder en zijn nonkel hielden hem thuis gezelschap. Een schizofreen? In de grote stad zouden we hem onder behandeling stellen, maar hier leefde hij in pais en vree met zijn wanen. Verontschuldigend en verlegen lachend vertelde hij aan de buiten beeld blijvende interviewster dat nonkel op dat moment pal naast haar zat.
We zagen ook een man die een ronde maakte langs alle graven in de omgeving waar familie en bekenden van hem lagen. Dat deed hij elk jaar op 1 november.
Die datum verbaasde me. De eerste november is het Allerheiligen. Vandaag, 2 november, wordt door alle katholieken het feest van Allerzielen gevierd. In zuidelijke landen verandert het kerkhof dan in een picknickplaats. En famille etend en drinkend tussen de chrysanten gedenkt men de gestorvenen.
Ik googelde de katholieke feestdag en belandde in een verwarrend web van tradities. De cultus van de doden die op Allerzielen wordt gevierd is net als Sinterklaas en Kerstmis een mooi voorbeeld van de kerstening van heidense hoogtijdagen. Samhain, het Keltische nieuwe jaar, begon ergens rond de overgang van oktober naar november, al naar gelang de volle maan. In die nacht vervaagden de grenzen tussen de mensenwereld en het elfenrijk. Men zette schoteltjes eten voor de deur om de fairies gunstig te stemmen en de doden waarden op aarde rond. Allerzielen speelde handig in op dat laatste aspect: op deze dag wordt er in het bijzonder gebeden voor de doden die de overgang naar het rijk Gods nog niet hebben gemaakt en knarsetandend in het vagevuur verblijven.
Maar heidense tradities zijn hardnekkig en laten zich niet zo gemakkelijk in een kerkelijk keurslijf dwingen. De Oudejaarsavond van de Kelten werd ondanks de instelling van Allerheiligen en Allerzielen nog steeds uitbundig gevierd. Omdat die op de vooravond viel van Allerheiligen heet hij All Hallows’ Eve, ofwel Halloween. Ierse immigranten brachten het feest naar Amerika en via Hollywood kwam het met een omweg weer thuis in het oude Europa. De populaire Halloweenfeestjes van nu en de oude mensen op het gedoemde kerkhof van Menen: ze stoelen op dezelfde voorchristelijke traditie. De zomer is voorbij, de oogst is binnen, de winter begint, en de doden zijn onder ons.


(Illustratie: William-Adolphe Bouguereau)

dinsdag 30 oktober 2012

BERNLEF

Gisteren stierf Henk Marsman, oftewel Bernlef.
Zijn werk ben ik eigenlijk pas de laatste jaren op waarde gaan schatten, maar de mens Bernlef was me al langer sympathiek. Dat kwam door zijn jas.
Diezelfde zandkleurige Hugo Boss heb ik ook. Ik kreeg hem ooit van een tante van mijn vrouw die in een luxe modezaak werkte; hij had een weeffout en werd afgeschreven. Dragen deed ik hem eigenlijk alleen bij gelegenheid, als ik op chic moest voor een concert bijvoorbeeld. Omdat ik niet bepaald een sharp dressed man ben misstond de opvallende, ruime jas met de brede schouders en de tot beneden de knieën vallende panden me, vond ik. Een vlag op een modderschuit. Hoewel hij in die tijd (de jaren negentig) een veel gezien kledingstuk was in Oud-Zuid, mijn buurt, voelde ik me er kwetsbaar in. Hij trok de aandacht, door zijn incongruentie, naar mijn slordige lange haar, mijn afgetrapte schoenen en mijn vale spijkerbroek van een goedkoop merk.
Bernlef had daar geen last van. Hoewel de jas bij hem nog scherper contrasteerde dan bij mij (want hij bedekte zijn hoofd ’s winters met een zwartwollen ijsmuts en in zijn verweerde gezicht stak steevast een peuk) wist hij hem te dragen. Op een vreemde manier accentueerde de dure jas zijn bescheidenheid en zijn gewoonheid. Hij had weliswaar kennis genomen van de snobistische uitstraling ervan, stel ik me zo voor, maar tegelijkertijd vastgesteld, met zijn praktische en opmerkzame geest, dat de jas uitstekend voor zijn doel ontworpen was. De pure wol valt soepel en licht om je heen en houdt je warm van boven tot beneden, mits je er een shawl onder draagt.
Zo droeg Bernlef zijn Hugo Boss zoals een ander een oude zelfgebreide trui. Hij woonde erin. Hij drapeerde hem losjes om zich heen of hij dook erin weg, al naar gelang het jaargetijde. Wie het niet wist zou nooit zeggen dat het een ding van zo’n duizend gulden was dat Bernlef daar droeg.

TAAL

En daar stonden ze dan, Samsom en Rutte, glunderend in postuur en in pak, klaar om het volk de uitkomst van hun wekenlange onderhandelingen te onthullen. Het eerste wat me opviel was dat Samsom een beetje op Rutte was gaan lijken: hij was qua houding en uitstraling wat naar zijn liberale mattie toegetrokken; de onbewuste aanpassing van de pleaser. Het tweede wat onmiddellijk mijn oor trof was zijn openingszin.
‘Ik besef me…’
Ik liet alle hoop varen.
Natuurlijk, besef ik me, is het nonsens om inhoudelijke consequenties te verbinden aan fout taalgebruik. Een gebrek aan filologisch talent hoeft niet per se op een gebrek aan politiek vakmanschap te duiden. Maar, als Samsom op een gebied waar ik toevallig kijk op heb zo opvallend te kort schiet, zou hij dat dan ook niet doen op andere, voor mij verborgen terreinen?
Vertrouwen wekt het bepaald niet, de op een na machtigste man van Nederland die zulke taalblunders maakt. En vertrouwen is het wat de heren proberen uit te stralen. Kosten noch moeite worden gespaard om ze in het juiste, vertrouwenwekkende pak te hijsen. Samsom, hoorden we in Pauw & Witteman, had een mannetje in Leiden, waarover hij erg tevreden was, Rutte een leverancier in Den Haag. Maar een mannetje dat de zo belangrijke statement over het zo belangrijke regeerakkoord in de juiste woorden moest hijsen (want Samsom las van een papiertje) was blijkbaar niet te vinden.
Er wordt veel gezondigd tegen spelling en grammatica. Nog onlangs zagen we bij het journaal de officiële verklaring van National Geographic naar aanleiding van hun faux pas inzake de dood verklaarde prins in beeld, in koeienletters: ‘National Geographic betuigd zijn spijt…’ Rob Trip zei er niks van. Hij sprak van een ‘technische fout’ bij de omroep, maar die gold het bericht dat de wereld was ingestuurd, niet de formulering van hun spijtbetuiging.
De schuld voor het tegenwoordige slechte spellen wordt meestal op het onderwijs geschoven. De partij van Samsom zou dat in de afgelopen decennia grondig hebben verziekt. Ik denk echter dat er meer aan de hand is. Er is een onverschilligheid ontstaan tegenover de ooit gekoesterde orthografie. Vroeger was immers het gesproken woord de voornaamste communicatievorm. Als je iets opschreef, wat niet zo vaak voorkwam, lette je toch een beetje op je woorden. Tegenwoordig hebben chatten, mailen en sms’sen het overgenomen van gesproken taal in de vluchtige, dagelijkse communicatie. En wie maalt om een misspelling in een snel neergetikte facebookreactie? Of om een ten onrechte wederkerig gebruikt werkwoord? Niemand kijkt toch meer op van een mededeling als ‘ik irriteer me’? En als niemand meer opkijkt houdt ook het rode potlood op te krassen. En als je dagelijks gewend bent slordig te schrijven zal je dat ook doen als je iets belangrijkers te schrijven hebt. Het statement van een partijvoorzitter bijvoorbeeld.
Heel ernstig was mijn ergernis in het geval Samsom dan ook niet; het was meer een lauwe schok, de bevestiging van iets wat ik al vreesde. Ik heb toch al niet zo’n hoge dunk van politici. Erger vond ik het volgende.
Ik kreeg een aankondiging van Huize Frankendael voor een boekpresentatie van Johannes van Dam. Zijn Koken op Bommelstein zou in stijl ten doop worden gehouden. Geïnteresseerden konden een 5-gangen diner reserveren in het voormalige landhuis aan de Middenweg. Het ‘Ollie B. Bommelwaardige’ menu werd geadverteerd met luxe drukwerk: een prachtige gekleurde tekening van Dick Matena waarop we de Amsterdamse eetpaus zien dineren met Bommel en Tom Poes sierde de voorkant.
En wat stond er in vette letters onder de uitnodiging?
‘Ontvangst zoals het een heer betaamd vanaf 19 uur.’
Marten Toonder zou zich omdraaien in zijn graf.

vrijdag 26 oktober 2012

STOKKERMANS

Ik ben een Hamelaar.
Voor de jongeren onder u: dat zijn mensen die ooit, in de jaren ’70, gegrepen zijn door de tv-serie ‘Kunt U mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?’ en uit die greep nooit meer helemaal zijn losgekomen.
Van de oer-Hamelaars, de vele acteurs die de serie met kleurrijke types bevolkten, staat alleen Rob de Nijs nog fier overeind. Ab Hofstee, Martin Brozius, Wil van Selst, Henk van Ulsen, Lex Goudsmit, Leen Jongewaard, Luc Lutz, Andrea Domburg, Paul Meijer en al die andere bewoners van het kneuterige plaatsje Hamelen en van de Andere Wereld die er vlakbij begon: allen stierven ze, werden oud of raakten in vergetelheid. Van de makers leeft nu alleen tekstschrijver Harry Geelen nog. Joop Stokkermans, de componist van de geniale liedjes die zo’n belangrijke rol in de serie speelden, stierf afgelopen woensdag.
Stokkermans behoorde tot een generatie van hoogopgeleide alleskunners. Handige en creatieve jongens die de toenmalige ‘lichte muziek’ met trefzekere hand voorzagen van een degelijke onderbouw en een zwierige finishing touch. Klaargestoomd tot concertpianist, leerling van de virtuoos Robert Casadesus, winnaar van de Prix d’Excellence, belandde hij in de wereld van de amusementsmuziek en merkte dat hij het er naar zijn zin had. In plaats van de zoveelste vertolker te worden van de overbekende pianoconcerten kon hij er een scheppende rol spelen. In de lichte muziek van die dagen bestond een enorme honger naar kwaliteit. De kloof tussen de nieuwe generatie die fris maar barbaars te werk ging en de oude garde die partituren kon schrijven maar niet bepaald swingde was groot: Stokkermans vulde die slim en vakkundig op. Net als zijn beroemde Britse collega George Martin (die de Beatles mogelijk maakte) en de Vlaming Bert Paige (eigenlijk: Albert Lepage, geen wikipediapagina: schande!) die Boudewijn de Groots beste platen van prachtige arrangementen voorzag, bracht Stokkermans zijn kennis van de klassieken in om de lichte muziek dat ietsje meer te geven wat we cachet noemen.
Ik heb des te meer begrip en waardering voor deze werkwijze omdat ikzelf op een veel bescheidener niveau ook zo’n overgekwalificeerde liedjessmid ben. Ik schep er een duivels genoegen in om in een op het eerste gehoor simpel liedje kleine verwijzingen aan te brengen naar de klassieken, hoe onwaarschijnlijker hoe beter. Een pianist met wie ik ooit werkte verwonderde zich over een bepaalde ongebruikelijke samenklank in een verder nogal gelikte ballad. ‘Dat is het Mystieke Akkoord van Skrjábin,’ zei ik veelbetekenend. Hij keek me aan of hij water zag branden. ‘Die is gek,’ moet hij gedacht hebben. Maar het akkoord vond hij ‘tof’.
Maar nu even niet over mezelf, en terug naar het onderwerp. De liedjes van Hamelen zijn prachtig! Vergeet nu eens even die overbekende leader, die natuurlijk ook weer in het journaal te horen was, en luister naar een verzamel-cd: dankzij de inspanningen van trouwe fans is de muziek van de serie grotendeels gered en op cd verkrijgbaar, als u enige moeite doet. Schitterend gecomponeerde liedjes, vol weemoed en speelse fantasie, vooral door Rob de Nijs en Loeki Knol bloedstollend mooi, melancholiek en zwoel gezongen.
Dat Stokkermans ook de muziek van Oebele, Q & Q en Barbapapa (andere iconische series uit die tijd) had gemaakt wist ik natuurlijk wel. Dat kon je horen, als Hamelenfan. Maar van het overzicht van zijn werk dat het journaal zo tussen neus en lippen door gaf schrok ik toch wel. Songfestival- en musicalliedjes, reclametunes die iedereen van mijn generatie kent, Ti-ta-tovenaar, Okkie Trooy, Citroentje met suiker, Peppi en Kokki, Rikkie en Slingertje: het Nederlandse muzikale tv-landschap van de vorige eeuw blijkt, overal waar geen 'Harry Bannink' bij staat, door Stokkermans te zijn ontworpen.
Liever Venz hagelslag dan gewone hagelslag!
Maar reclame is het laatste wat in mijn hoofd opkomt als ik op deze mooie herfstmorgen aan Joop Stokkermans denk. Ik luister naar de Hamelen-klassieker ‘Er is een lied dat komt en dat gaat’ en ben weer geroerd door de geacheveerde, orenschijnlijk simpele melodie, met dat onmiskenbare Franse tintje dat me aan Ravel doet denken. En ik zing zachtjes mee, als hommage aan een muzikale duizendpoot:
‘Ik ben de speelman dankbaar, dat ik het lied ken…’

(Een lezer attendeerde me erop dat Loeki Knol nog steeds zingt, net als Rob de Nijs. Dat klopt. In 2004 zag ik haar nog stralen in 'Hamelen, de musical' als de ouder geworden Lidwina Walg, die haar dochter de avonturen van de Hamelaars vertelt, en ook nu nog is ze actief. Maar al deze terzijdes pasten niet zo goed bij de dramatiek van de zin in kwestie, waarvoor excuus aan de vrouw met de mooiste omfloerste stem van Nederland.)

dinsdag 23 oktober 2012

MARATHON

De hele zaterdag zat ik in spanning. De marathon! Het jaarlijkse evenement bij het invallen van de herfst waarop de stad verandert in één groot parcours. Vele duizenden sportievelingen rennen of sjokken achter elkaar aan, op weg naar… ja wat? Naar de finish, een arbitrair lint dat zegt: je hebt een prestatie geleverd, door hier te komen. Er zijn echte sporters bij, boomlange Kenianen of tanige, afgetrainde Amerikanen. Er zal wel doping gebruikt worden, zoals het hoort in topsport. Maar de meesten zijn liefhebbers van hardlopen die hun hobby nu gezellig met zijn allen beoefenen. Ik moet dan denken aan lemmingen, maar die vergelijking gaat mank: lemmingen storten zich volgens de legende en masse in het verderf, deze renners vluchten voor de dreigende dood uit.
De ochtend kwam, ik had slecht geslapen. De vorige avond had ik koortsachtig de route bestudeerd. Uiteindelijk meende ik een weg te hebben gevonden die me zonder oponthoud naar mijn plaats van bestemming zou brengen. Toch was ik er nog niet gerust op. Oriëntatie is niet altijd voldoende. Vorig jaar had een website van de gemeente me vóór een bepaald tijdstip vrije doorgang beloofd op de kruising van de Stadionweg en de Apollolaan. Het bleek een loze belofte, want toen ik met mijn auto stapvoets de inmiddels opgestelde afbakening naderde zag ik voor me al een druk gesticulerende automobilist in discussie met de ordebewaarder. Wij konden praten als Brugman, mijn voorganger en ik, en met stemverheffing wijzen op officiële uitspraken van de gemeente, maar de trotse verkeersleider liet zich niet vermurwen. Aan zijn macht voor één dag viel niet te morrelen. Moeizaam manoeuvrerend moesten we op de trambaan omdraaien. Uiteindelijk bereikte ik na veel improviseren en via verre buitenwijken en stukjes snelweg nog net op tijd de plek in Oost waar ik moest zijn. Met verhoogde hartslag en trillende handen.
Ook dit jaar wilde het toeval dat ik uitgerekend op de morgen van de marathon moest werken. Maar op sites van de gemeente vertrouwde ik niet meer. Ik nam nu resoluut een grote omweg, de stad aan de westkant uit en via de A10 in het oosten weer in, die volgens mijn behulpzaam meedenkende vriendin geen problemen zou opleveren.
Het was nog vroeg, een beetje nevelig, een spatje regen. Het donker was nog maar net uit de lucht geweken. Opgelucht dat de dag waar ik zo onredelijk tegenop had gezien daar was koerste ik over de stille Overtoom. De stad uit op het Surinameplein. Richting Utrecht. Ook de ring was op dit uur nog nauwelijks bereden. Bij de afslag Duivendrecht (de S112, ik had me het nummer zorgvuldig ingeprent) ging ik de bebouwde kom weer in. Op de Gooiseweg lagen gele bladeren die nog niet tot modderige pulp verreden waren. Bij het tankstation dat ik me van vroeger herinnerde en dat daar nog steeds bleek te zijn kocht ik sigaretten, een flesje energiedrank en een reep chocola. Lui startte ik de motor weer. Ik had alle tijd.
De schrik sloeg me om het hart toen ik bij het naderen van de Middenweg geplastificeerde mannen in de weer zag met hekken. Er werd geschoven en gewrikt. Het zag er ontmoedigend uit, maar mijn doorgang werd alleen versmald, niet versperd: mijn geplande route bleef legaal en onbelemmerd.
Een half uur voordat de kerk open ging parkeerde ik op het plein. Ik stak een sigaret op en ging neuriënd in mijn bladmuziek zitten lezen. Ik had de finish gehaald.


(Illustratie uit Tom Poes en het Lemland, Marten Toonder, 1960)

vrijdag 19 oktober 2012

LISSABON

Volgens mijn vriendin ben ik een gewoontedier. Eerlijk gezegd geloof ik niet dat dat helemaal waar is. Gewoontedieren zijn wezens die elke dag volgens een vast patroon leven en daar tevreden mee zijn. Tevreden ben ik zelden, en dat vaste patroon vertoont nogal wat onregelmatigheden en sleetse plekken. Als ik al onwrikbare routines heb dan zijn die vooral ingesteld uit de behoefte om orde te scheppen. In mijn hoofd gaat het nogal chaotisch toe, dus dan is het prettig als de buitenwereld zich een beetje koest houdt en zo voorspelbaar mogelijk is. Ik ga zo mogelijk elke dag even koffie drinken en de krant lezen in hetzelfde café. Ik ben daar ooit mee begonnen om elke dag even onder de mensen te zijn en het beviel me, ik bleef er plakken.
Maar vaak denk ik: er zijn meer dan duizend cafés in Amsterdam, waarom altijd deze ene?
Als argument pro komt me een dichtregel van Kopland te hulp, die niet over cafés gaat overigens: “Er is gekozen voor deze ene, en deze is goed”. De waarheid is echter dat ik vaak denk aan overspel. Ik kom veel aantrekkelijke koffiehuizen of fijne verwarmde terrasjes tegen waar ik even wil gaan zitten. Maar iets houdt me tegen. Die mensen daar kennen me niet. Ze kijken naar me, ze letten op me. Ik ben daar niet anoniem en veilig, zoals in Wildschut, waar ze me wel kennen en me ongevraagd een koffie verkeerd brengen, als ik verdiept in de krant ben en vergeet te bestellen. Dat ik daar in grand café W. dus eigenlijk helemaal niet anoniem ben en dat ze achter mijn rug om waarschijnlijk van alles over me speculeren deert me dan vreemd genoeg weer niet.
Zoals met koffiehuizen gaat het ook met belangrijkere zaken. Ik zou wel willen, maar durf niet goed. Als ik dus al een gewoontedier ben dan is dat uit lafheid, niet uit vrije keuze.
Gewoontes kunnen een keurslijf en een kerker worden als je het gevoel hebt dat ze je zijn opgedrongen door je eigen laffe en lakse gebrek aan ondernemingszin. De veiligheid die je erin zoekt voelt dan als beveiliging. De zekerheid als verzekerde bewaring. Je zit vast in een sleur waar je liever uit zou breken.
In drukke, spannende en rommelige tijden kan ik intens naar mijn vaste gewoontes en mijn vertrouwde routineuze leventje verlangen. Werken, wandelingetje, Wildschut, het achtuurjournaal, een leeslampje en een boek: als ik eenmaal maar weer zover ben, dan… Ja, wat dan? In mijn verbeelding ben ik dan gelukkig, en tevreden. Maar helaas duurt de tijd waarin ik me behaaglijk overgeef aan de kleine rituele handelingen van de dag en met volle overtuiging een gewoontedier ben altijd maar kort. Al heel snel mis ik al die opwinding en drukte weer, en heb ik zin tegen de muren van mijn knusse kooi te schoppen.
Zo zit ik hier een volstrekt overbodig stukje te tikken alleen omdat de gewoonte me dat voorschrijft. Straks zal ik, tenzij ik onderweg door een meteoriet word getroffen, op mijn vaste plek aan de leestafel zitten. Maar liever nam ik de trein naar pakweg Lissabon.

dinsdag 16 oktober 2012

VOETNOTEN

Een concert van traditionele jazz. Eerst is er ergernis om de folklore en het maniërisme: het swingende aftellen, de over zijn schouder van zijn instrument wegkijkende drummer, de saxofonist die blaast met de ogen dicht, de bassist die in abstracte vervoering naar het plafond staart, meemummelt met zijn noten. Jazz isn’t dead, it just smells funny, denk ik dan altijd met Frank Zappa. Dan is er verveling. Je weet: wat je nu hoort, hoor je het komende uur – dezelfde ballads, dezelfde akkoordenschema’s, de verplichte solo’s, de verplichte applausjes. Dan leg ik me daar bij neer – ik ben hier nu eenmaal – en ga ik op details letten, op de techniek, op de ingenieuze manier waarop met ijzeren wetten en clichés wordt gespeeld, en is er waardering voor het ambacht. Dan, tenslotte, is er muzikaal plezier, als de mechanische vingers bezield raken en er optreedt wat in flamenco duende heet. Ik schat de verhouding van deze gewaarwordingen op 10/40/40/10.

Op bezoek bij F. Hij bekritiseerde mijn stelling dat hij ondanks zijn gebrek aan scholing bovengemiddeld intelligent is en zei dat hij te weinig kennis had om iets van filosofie te begrijpen. Hij vroeg zich af wat ‘de grot van Plato’ was. Die metafoor had ik even niet paraat, maar ik legde hem in het kort Plato’s ideeënleer uit. Ik vertelde dat ogenschijnlijk zeer uiteenlopende voorwerpen toch door ons als behorend tot één categorie worden herkend. Dat er volgens de Griek een ideale, abstracte, door pure getalsverhoudingen gekenmerkte werkelijkheid is, waarvan onze fysieke wereld slechts een minne afschaduwing is. Dat achter alle stoelen, welke vorm of grootte ze ook bezitten, de zuivere idee ‘stoel’ schuilgaat. F. schudde zijn hoofd. ‘Ik hoor wat je zegt, en ik begrijp het, maar ik snap het niet,’ zei hij. Volgens mij bevestigde dat zijn intelligentie.

In Brandpunt vernam ik dat de kerk 2012 heeft uitgeroepen tot het jaar van de strijd tegen de secularisatie. Nijmegen, het voormalige katholieke bolwerk aan de Waal, dat sinds de jaren zeventig juist een links bolwerk is geworden (van ‘Monnikendam aan de Waal’ zoals Bomans het noemde tot ‘Havana aan de Waal’) is speerpunt van de aanval. Afgevallen zieltjes moeten stormenderhand worden teruggewonnen. Er was sprake van ‘de comeback van God’. Dat deed me erg denken aan die Elvis-fans op leeftijd die weigeren te accepteren dat The King dood is.

Die nacht ratelde de regen op het dak van het eenzame huis op de dijk. Ik lag behaaglijk onder de elektrieke deken. Vlak voor mijn inslapen kreeg ik een heel vreemd idee voor een muziekstuk. Ik ging in gedachten mijn muziekbibliotheek door, maar kon niet één stuk vinden dat volgens een vergelijkbaar procedé gemaakt was. Ik sliep weer in, met het plan het idee later eens rustig van alle kanten te bekijken. De volgende morgen vroeg mijn vriendin hoe ik geslapen had. ‘Goed,’ zei ik, ‘maar ik had een vreemd idee voor een muziekstuk, dat me een tijdje wakker hield.’ Ze wilde weten wat dat idee dan was. ‘Dat ben ik vergeten,’ zei ik uit gemakzucht. Ze moest lachen.

Maandagmorgen. Yoga. Tijdens de meditatie kwam in mijn lege geest opeens het idee terug. Ik voelde ongeduld en wilde ermee aan de slag. Omdat ik me op dat moment van alles in mezelf en in mijn omgeving scherp bewust was merkte ik dat die creatieve aanvechting gepaard ging met het versnellen van mijn ademhaling, het aanspannen van mijn schouders en dijbeenspieren. Een simpele vaststelling, maar het empirische bewijs van de stelling dat scheppen ‘van au’ gaat, of althans alles te maken heeft met adrenaline en onrust.

***

Wegens de herfstvakantie zijn allebei mijn dochters thuis. Het is na het eten al snel donker. Ze halen in een vlaag van ouderwetse knusheid een bordspel uit de kast en vragen of ik meedoe. Maar ik moet de deur uit, werken. Ik voel me niet zo best: zwak en misselijk. Wel zie ik dat het door de lamp beschenen tafereel aan de eettafel me onder andere omstandigheden een geluksgevoel zou kunnen geven. Ik pak nog snel even mijn camera en leg het vast. Geluk voor later.

Ik verlaat de repetitieruimte, blij om naar huis te kunnen. Het is de hele dag droog geweest maar nu valt er een koude regen. Een scherpe geur van natte aarde en dorre bladeren komt in mijn neus. Op dat moment slaat de kerkklok negen uur. Een onverwacht gevoel van welbehagen doorstroomt me. Ik hoorde ooit van een afgekickte drinker dat hij pas na drie jaar weer echt kon genieten, van muziek bijvoorbeeld. Ik merk de laatste tijd vaker korte momenten van sterke gevoelens op, zowel positieve als negatieve. Hoewel die je even van je stuk kunnen brengen verwelkom ik ze als tekens van herstel.

vrijdag 12 oktober 2012

CLAUS

Als je te subtiel oordeelt, altijd maar relativeert en de nuance zoekt, vergeet je wel eens dat er ook gewoon nog zwart en wit bestaan. Ik werd daar gisteren weer eens aan herinnerd toen ik het nieuws zag. Zo’n type als Lance Armstrong, die er alles voor over had om Tourwinnaar te worden en niet zo’n beetje vals speelde, maar echt systematisch de boel belazerde, is dat niet gewoon een slecht mens? Vanuit het Darwinisme gezien moeten we zo’n man misschien bewonderen, want het overlevingsinstinct is sterk in hem. De wil om te winnen domineert zijn hele wezen. Maar omdat ik ondanks alles geloof in de potentiële meerwaarde van de mens ten opzichte van het dier durf ik te stellen: Lance Armstrong is een klootzak. Dat hij zich inzet voor een kankerfonds doet daar niks aan af.
Dit simpele oordeel werd later op de avond bevestigd door het evidente bestaan van het tegendeel van het type Armstrong. Er was een documentaire over prins Claus. Je hoeft maar even in die grijze ogen te kijken, die ook voor ze door Parkinson permanent op staren gingen staan wijd open en bijna argeloos waren, om te geloven in het goede in de mens. Een intelligente, ernstige, goedwillende en eerlijke man. Als er ooit een kwaadwillende journalist bij hem postuum een verborgen agenda kan aantonen eet ik mijn hoed op.
Ik heb hem een keer meegemaakt, prins Claus. We speelden met La Passione op Paleis Noordeinde. De Italiaanse president Scalfaro kwam er een vorkje meeprikken en om het wat gezelliger te maken was de halve Nederlandse regering uitgenodigd. Waarom wij daar waren en hoe dat toeging ten paleize is een ander verhaal – dat bewaar ik graag voor een ander moment, als mijn pen staat naar satire en pret. Waar het nu om gaat is dit: ik stond daar te zingen op een halve meter afstand van de rug van prins Claus. Al na de eerste tonen draaide hij zich in één massieve, starre beweging om, en het hele verdere optreden wist ik zijn ogen op me gericht. Achteraf is het vreemd dat je op zo’n moment nog kan functioneren. Je bevindt je plotseling midden in een koninklijk paleis en bent omringd door mensen die je normaal alleen op het achtuurjournaal ziet. Het staatshoofd zelve applaudisseert voor jouw kunsten. De minister-president wiegt neuriënd mee op jouw gitaarspel. De kroonprins onderdrukt een geeuw om jouw liedjes. Het zal hetzelfde overlevingsinstinct zijn dat Armstrong tot zijn fraude bracht. Ik blokkeerde al die intimiderende indrukken en bewaarde ze voor latere verwerking. Ik focuste me volledig op de muziek.
Na afloop zaten we net als in het uur vóór het optreden in de werkkamer van prins Claus. Een donkere, sobere maar gezellige kamer vol boeken en papieren. Foto’s van de kinderen op zijn bureau. Een plat Haags pratende man in een kostuum uit een slechte operette bracht ons een glas cognac. We bliezen stoom af. De hele autorit naar huis waren we giechelig.
Maar wat dit optreden vooral gedenkwaardig maakte was het moment dat we de eetzaal verlaten hadden en de witmarmeren trap afliepen. Een hofdame snelde ons achterna. Een vraagje van Claus: of hij misschien een cd van ons mocht hebben.
Als het in de jaren daarna wel eens moeilijk was en ik twijfelde aan mijn beroep, was het een troostrijke gedachte dat die goeie, depressieve Claus in onze muziek iets had herkend: een verwante melancholie misschien, een onder de wulpse Napolitaanse saus schuilgaande ernst. En dat hij in die intieme werkkamer, goed verborgen voor het achtuurjournaal en zonder lintjes om door te knippen, de knellende stropdas af, naar een cd van La Passione heeft geluisterd. Misschien maar één keer, maar misschien ook wel vaker. Dat neemt niemand me meer af. En als u een glas cognac en een tabletje Valdispert buiten beschouwing bereid bent te laten, heb ik er niet eens doping voor hoeven gebruiken.