woensdag 28 juli 2010

DE WILDE JAGER

Het ging na een moeilijk jaar niet zo goed. Problemen van allerlei aard stapelden zich op, die ik u verder zal besparen.
Toen kwam de Wilde Jager aanrijden op zijn spookpaard, waarde spiedend rond, en maaide met zijn zeis om zich heen.
Eerst stierf Henk Smit, waarover ik u eerder vertelde; ik was er kapot van. Toen volgden binnen een paar dagen de dierbare moeders van twee goede vrienden. Weliswaar op eerbiedwaardige leeftijd, maar toch.
Ik was aan het eind van mijn Latijn (dat toch al flink sleets was), en greep naar de enige zelfmedicatie die me vertrouwd is: drank. Binnen een week kon ik me alleen nog op de been houden en de dag onder ogen zien met de steun van de fles.

De meelevende maar kritische Bewaarengel die me op het rechte spoor houdt stelde me voor het blok: of nu meteen, voor het weer uit de hand loopt, de kliniek in, en NIET pas na je reis naar Sicilia, of anders ben je bij ons uitbehandeld.
Weinig keus, tenzij ik achterop het paard van de Wilde Jager wilde springen voor een dodenrit.
Vandaar dat u de komende week waarschijnlijk niets van me zult horen: na een dag detox ben je suf geluld.

Het ga u goed, en 'tot later'

Rookzanger

zondag 18 juli 2010

HENK SMIT

Dit wordt een moeilijk verhaal, want ik weet niet waar te beginnen en hoe te eindigen, en wil veel te veel zeggen.
Laat ik het maar zo simpel mogelijk houden.

Henk Smit is dood.

Henk Smit, de grootste Nederlandse operazanger van onze tijd, Henk Smit, de beste vriend, ooit, van mijn vader, Henk Smit, die ik 'Oom Henk' noemde vanaf mijn derde jaar en als puber 'Henk' mocht gaan noemen (het waren de jaren '70), wat me altijd moeite kostte, - Henk Smit, die ik het laatste jaar opnieuw heb leren kennen, bij toeval, nu als vriend, als maatje en mentor. Hij geloofde in mijn talent en wilde me
coachen, me uit mijn muzikale dip helpen.
Henk, die op zijn 78e nog met onverminderde interesse naar de vrouwen keek en na een aantal wijntjes of whiskeys op een Amsterdams terras op de racefiets sprong als een jonge god, en huiswaarts reed, kaarsrecht.

Zijn laatste concert was de 'Winterraize', een Groningse versie van Schuberts 'magnum opus'. Ik was erbij, en was verbijsterd over de fysieke kracht en de warme liefde voor het zingen en de muziek die iemand op die leeftijd nog kon hebben. Ik was erbij, gelukkig. Ik had die middag voor geen goud willen missen.

Gisteren belde zijn dochter: 'Ik heb een naar bericht voor je'. Ik voelde meteen al wat eraan de hand was en even later zat ik te huilen als een kind.
Het kind dat ik voor Henk nog steeds geweest moet zijn.
Hij had tijdens een vakantie in Parijs een hersenbloeding gekregen. Henk, de Hermann Scheij van onze tijd, die wel honderd had kunnen worden, nog steeds vitaal en goed bij stem.

Nog geen dag tevoren hadden we, Henk en ik, ge-smst over het plan, samen naar mijn oude vader te gaan. Mogelijke data genoteerd. Want Henk wilde zijn oude boezemvriend nog een keer zien, voor het te laat was.
Het was te laat.
Maar niet zoals Henk het bedoeld had.

Ik treur om een groot zanger, een levenskunstenaar, een mooie, moeilijke maar lieve man, en ook om een van de ijkpunten van mijn eigen leven.

Henk, dwarse, kranige, sterke kerel, adieu!


Ik wil nog een keer voor je zingen, natuurlijk uit 'Die Winterreise', 'Winterraize', zo je wilt:

'Einen Weiser seh ich stehen, unverrückt vor meinem Blick; eine Strasse muss ich gehen, die noch keiner ging zurück, die noch KEINER ging zurück...'

zondag 11 juli 2010

COMIC RELIEF

Beschouwt u mijn vorige bijdrage maar als een grap. Ik had een goed, zelfs tintelend goed humeur, en zat te lachen achter de Mac. Dat gebeurt me niet zo vaak.
Het Sinterklaasrijm waarop deze 'hymne' gebaseerd is, het gedicht 'Oefening van berouw' van de onsterfelijke humorist en onovertroffen stilist Gerard Reve, heb ik altijd een buitenissig vreemde eend in de bijt van zijn oeuvre gevonden. Een oeuvre dat bol staat van de tegenstrijdigheden, dat wel, maar toch zelden tot zulke bizarre excessen verviel. 'Hallelujah, nix aan de handa!'

Ooit, nog niet zo heel lang geleden, het was een mooie zomer, weet ik nog, heb ik zijn gedicht 'Droom' op het jaarlijkse poeziefestival van het West-Vlaamse Watou voorgedragen, voor een klein, maar ontroerd publiek, en nooit heb ik de Roomsche meligheid van 'Oefening van berouw' kunnen rijmen met dat even sublieme als beknopte meesterwerk.
U kent het natuurlijk, net als ik, uit het hoofd, maar ik help u een handje op weg, en citeer het hier, in de hoop dat de auteursrechtenpolitie me genadig is:

DROOM

Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,
eindelijk eens goed gekleed:
boven het woud waarin zij met de Dood wandelde
verhief zich een sprakeloze stilte.
Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was
en uitgerust.
Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.

(1962)

Stilte.

Niets te lachen hier. Slechts te huilen. Ik had alleen dat 'goed' weggelaten, maar wie ben ik?

Goed; om mijn betoog te vervolgen, - gisterenmiddag werd er een geest over me vaardig van lichtzinnigheid, van zomerse luchtigheid. Het Olympische lachen van Mozart waarover Hesse in 'Der Steppenwolf' schrijft. (Ook nooit begrepen, vroeger!)
Waarom altijd zo zwaar op de hand? Is dat niet een vorm van zelfoverschatting? Van jezelf te serieus nemen?
Met dat bliksemende inzicht in het 'hoopht' (bliksemen zou het pas later gaan, vannacht, tijdens het meest spectaculaire onweer dat ik ooit heb meegemaakt) schreef ik, ver voor de vijfde december, dat koddige kreupelrijm.

Excuus voor wie zich eraan stoorde, een knipoog voor wie zich ermee amuseerde.

Ik beloof beterschap. Ik doe er vanaf nu een paar dagen het zwijgen toe, dat lijkt me wel zo goed.


Rookzanger

zaterdag 10 juli 2010

HYMNE

KOKEN VOOR EINDIGERS

Wie te veel zuipt moet blijven eten
en vooral de beta-vitamientjes niet vergeten,
want van al dat drinken ga je dood,
of raak je wauwelend in de goot.

Maar koken, voor jezelf, alleen?
Een uitgebalanceerd dieet voor een?
Het is veel moeite, veel meer dan voorheen,
zelfs het simpele pellen van een knoflookteen.

refrein:

Halleluja, nix aan de handa, etc, - zie Reve: 'Oefening van berouw'.

Ik knielde neer voor de schoorsteenschouw,
en toonde mijn oprecht berouw
voor een verkleurd Madonnabeeld
dat zich daar tijdeloos in gips verveelt.

Toen geschiedde er een wonder,
zachtjes, niet met hemelse bliksem en donder,
maar bijna ongemerkt,
zoals een werkelijk wonder werkt.

refrein:

Halleluja, nix aan de handa, etc...


Moeder Maria pakte liefdevol mijn hand
en trok me behoedzaam weg van de laatste rand.
Ze keek met mij in de ijskast mee, ze glimlachte fijn,
en wees me op een bak aardappelsla van Appie Heijn.

'Kijk', zei Zij, 'beleg een boterham met flink wat van dat spul,
en neem een handje pillen uit je B-ampul;
voeg wat zeezout en limoensap toe
(citroen en keukenzout mag ook, de kookpolitie kijkt niet toe)
en vul daarmee je maag, zonder gedoe.

Daarna mag je desnoods weer drinken,
als dat dan per se moet, en je in coma weg wilt zinken.
Mijn zegen heb je. Maar jongen, doe dit ene, luister goed:
Je bent nog niet verloren, nog niet, zolang je je maar voedt!'

Halleluja, nix... etc

DUBBELGANGER

Wel eens gehoord van het ‘dubbelgangersmotief’ in de literatuur?
Beroemde voorbeelden zijn natuurlijk te vinden in het werk van Edgar Allan Poe (ik meen in ‘William Willson’), Harry Mulisch ('archibald strohalm') en in het meesterlijke gedicht van Heinrich Heine ('Der Doppelgänger').
Het is nogal een schimmig begrip, dat ‘dubbelgangersmotief’, maar waarop het volgens mij neerkomt, kort door de bocht, is een soort, meestal duistere, maar soms heilzame dissociatie van het ‘zelf’. Je ziet iemand anders, al of niet in werkelijkheid, waarin jij jezelf genadeloos herkent. In het geval van Heine is het de jonge minnaar die smachtend staat voor het raam van het oude huis van zijn eigen, allang gestorven geliefde, waarvoor hij, Heine, zélf zo vaak, net zo smachtend, heeft gestaan, ‘So manche Nacht, in alter Zeit.’ Ik kan die regel, zoals door Schubert getoonzet, nooit met droge ogen aanhoren. Wie hem ook zingt. Zelfs als ik het zelf doe.
Heine ziet zijn spiegelbeeld, een zwijgende maar veelzeggende schim van zichzelf, een essentieel maar voorgoed verloren aspect van zichzelf, uitgetekend in een levend, ander mens.
Over ‘look-alikes’ hebben we het hier niet, dat is een ander verhaal, het gaat om iets veel subtielers.

Vanmorgen werd ik om half zes wakker. Ik kon niet meer slapen. Ik had een intense behoefte aan een downer, in de vorm van een glas alcohol, de vriend/vijand waartegen ik vecht, one up one down, op en af, met kans op overwinning, maar net als Nederland-Spanje blijft de uitkomst ongewis.
Ik rekte de tijd. Douchte me, schoor me, deed wat klusjes, maar toen het moment aanbrak dat de Albert Heijn open zou gaan, ging ik de straat op. De zomermorgen was stil en prachtig. Ik voelde me licht opgewonden en eigenlijk uitstekend. Zaterdag. Geen werk, de zomerdag lag wijd open.
Toch nog te vroeg voor de Appie, shit, maar ik herinnerde me een koffiehuisje aan de Albert Cuyp dat al heel vroeg open gaat, voor marktkooplui en alcoholisten. Dus dan maar marktwaarts.
Ik bestelde een biertje (Heineken, waarvan ik niet houd, zo uit de fles, aan glazen doen ze daar niet), en ging buiten op het miniatuurterrasje zitten. De markt kwam tot leven. Ik ook weer.
Naast me zat een man, die opvallend veel op mij leek. Ik keek in een licht vervormende spiegel. Dezelfde grijze, kortgeschoren baard, dezelfde donkere ogen, dezelfde Sean Connery wenkbrauwen, nog donker onder het verder grijze haar. Maar anders dan ik zat hij aan de koffie. Hij stond net drie weken droog, na een spoedopname in de kliniek.
Aangemoedigd door mijn uitstekende, naar buiten gerichte stemming, sprak ik hem aan. Iets wat ik normaal nooit doe, mensen zomaar aanspreken, bedoel ik. Het was kwart voor acht. ’s Morgens! Jezus!
Drie uur later zaten we er nog, in diep gesprek.

Alles, letterlijk alles, nou ja... ‘bijna’ alles (hij is ingenieur en schrijver, ik ben muzikant en schrijver, zoals u weet, en hij is acht jaar ouder dan ik, hoewel hij dat niet toont) bleken we gemeen te hebben, - behalve misschien dat zijn mediterrane uiterlijk van zijn Joodse komaf komt en het mijne vooral van de Spaanse rondneukers die half Brabant hebben bevrucht, tijdens het beleg van Den Bosch.
Het was gewoon eng. Ik meende even te hallucineren, en in een levend voorbeeld van het literaire ‘Doppelgänger-motief’ terecht te zijn gekomen.
Maar nee. Het was hier en nu. Het was Amsterdam, 10 juli 2010, de Cuyp. Mijn buurt.
In plaats van dat het vroege bier me naar het hoofd steeg, ontnuchterde het me. Ik sprak met een mens. Een echt mens, die ik begreep, en bovendien een medemens die mij begreep. Ik had geen drank meer nodig. Ik was opgetogen door het contact.
Hij bleek ook nog eens een blog te schrijven. Ik moet het hem nog vragen, ik heb zijn e-mail, op een stukje krant gekrabbeld met een geleende pen, maar misschien geef ik u het adres wel door.

vrijdag 9 juli 2010

BLOKKER

Wij lazen thuis twee kranten: De Volkskrant en Het Parool.
Dat kwam zo: mijn ene, socialistische opa had in de oorlog het toen nog illegale Parool rondgebracht, mijn andere, oer-katholieke grootvader was personeelschef van De Volkskrant.
Toen De Volkskrant het boegbeeld werd van de linkse journalistiek, zou het in de lijn der dingen hebben gelegen dat mijn uiterst behoudende vader haar het huis uit had gemieterd. Dat dat niet gebeurde kwam door de zaterdag-editie.

Zaterdagmorgen zette mijn vader zich op de bank, aan de koffie, nog niet aan de drank op dat uur, zette de leesbril op, en sloeg de verse krant open. Hij bladerde ongeduldig. Zijn ogen hechtten zich vast aan wat hij zocht. Steevast klapte even later zijn hoofd achterover en ontsteeg een bulderend, jazelfs Homerisch gelach zijn opengevallen mond. 'Mea, moet je dit horen!' riep hij mijn moeder erbij, die braaf glimlachend luisterde naar wat pa, nogmaals schaterend, voorlas.

Wat mijn vader iedere zaterdag zo in extase bracht, was de column van Jan Blokker. De luis in de pels van de traditionele journalistiek, die zijn hele leven heeft geweigerd lid van de vereniging van journalisten te worden, omdat hij vond dat een journalist onafhankelijk diende te zijn.
Toen het abonnement stopte (de krant werd te rood, mijn vader kon het niet meer aan), bleef hij de zaterdag-editie lezen: mijn oma had immers een gratis abonnement voor het leven, als weduwe van een van de oprichters. Het lachen werd in de loop der jaren wat minder Laurel en Hardy-achtig, soms zelfs vervangen door bedenkelijk hoofdschudden en een wrange glimlach tegen wil en dank, maar 'Blokker', dat bleef een begrip. Vergeet ook dit niet, lezer van deze tijd: in die dagen schreef een columnist niet iedere dag een stukkie over zijn hondje of zijn 'geslachte' grote vriend (u ziet, ik lees Het Parool, met volle overtuiging trouwens, de geest van mijn opa van moederskant waart er nog steeds in rond), maar kwam hij, De columnist, de enige (tegenwoordig hebben kranten er wel twintig) elke week met een grondig, weldoordacht en vaak briljant mini-essay voor de dag.

Zelf heb ik nooit zoveel met Blokker gehad, zoals ik ook niet zoveel met de in geest met hem verbonden VPRO heb, al hun goede bedoelingen ten spijt. Maar als ik zijn naam hoor, 'Jan Blokker', herinner ik me mijn vaders zaterdagse schaterlach, en schiet acuut in een goed humeur.

Uit de obituaria begrijp ik dat Jan Blokker, hoewel als scribent vaak vilein en peperig scherp, als persoon een aimabele, zelfs lieve man was. Dat deed me onmiddellijk denken aan een andere schrijver, die ik de eer heb goed te kennen: Meijsing (Geerten, niet Doeshka). Beroemd om zijn diepgang, stijl en lyriek maar berucht om zijn bittere, soms zure, alles afbrandende kritiek, vooral waar die het Nederlandse literaire leven betreft, - maar... in de omgang? Ik ken geen galanter, hoffelijker en meelevender mens dan deze Gesel van de Grachtengordel.

Blokker en Meijsing, een rare combinatie, wellicht, 'bien etonnes de se trouver ensemble', zo op het oog.
Moraal, derhalve: verwar de schrijver niet met de mens! Jan Blokker is dood, 'Blokker' leeft voort.

(Beroerde punchline, deze, de rascolumnist Blokker zou zich ervoor schamen. Misschien bedenk ik later een betere.)

zaterdag 3 juli 2010

EENZAAM EILAND

Er valt een zware, geurige zomerregen, de merels zingen hun regenlied, het dondert in de verte, en nu en dan licht er een schicht op. Te zuinig nog, maar er is hoop op een echt onweer.
Zulk weer (ik zou het prefix ‘on’ liever niet gebruiken) stemt me altijd lekker weemoedig en ook, dat vooral,‘veilig’. Ik voel me geborgen en op mijn plaats in de anders zo open en blote wereld, die vaker op een kale steppe lijkt dan op het knusse bos van Paulus de boskabouter. Of op het minder knusse, maar minstens zo tot de droomwereld behorende Donkere Bomen Bos van Ollie B. Bommel.
De beide pijprokers, Paulus en Ollie, waren, naast Biggles natuurlijk, mijn jeugdhelden. De tweede, Ollie, meer dan de eerste, Paulus.
Kapitein Rob, toch ook een man met pijp, sprak me minder aan: te stoer, te een-dimensionaal. Dat ze in de verfilming de rechte ‘billiard’ uit zijn mond hebben weggelaten is onvergeeflijk, dat wel.

Maigret was de grote opvolger van de smorende stripfiguren van mijn jeugd.
‘Je kunt het leven ook heel simpel beschouwen’, schreef ik ooit ’s nachts in een lucide bui in een notitieboekje, zo'n mooi 'moleskine' schrift: ‘van de ene pijproker naar de andere. Van Bommel naar Maigret.’
Ik ga op deze plaats geen uitgebreid essay schrijven over het wezen van het pijproken, dat hoop ik ooit nog eens te doen, maar nu ontbreekt me de tijd, en de uwe ongetwijfeld ook. En mocht u al tijd genoeg hebben, dan heeft u vast niet het geduld of de interesse om de gekte van een verder redelijk mentaal gezond man te volgen.
Een ding ga ik echter wel vertellen.

Iedereen kent die fijne rubrieken in de dagbladen, waarin een bekende Nederlander mag vertellen welke muziek of welk boek hij mee zou nemen naar een Eenzaam Eiland. Ik heb daar heel wat over gefantaseerd, ook daadwerkelijk lijstjes opgesteld, en zelfs, o schaamte, in een bui van overmoed ‘Het Parool’ benaderd met een verzoek of ik ook ‘mocht’. Dat was in de tijd dat ze nog regelmatig over me schreven, dus ik dacht: ‘waarom niet?’ Helaas. Geen reactie. En ik had toch zo’n prachtig, bijzonder lijstje!

Maar ter zake.
Vier jaar geleden zei mijn oudste dochter in een romantische opwelling: ‘Pap, je zou eigenlijk weer pijp moeten gaan roken’.
We zaten in de tuin, het was zomer, de avond viel vredig. Het beeld van mijn jeugdfoto’s met de filosofische pijp in de ombaarde mond sprak haar blijkbaar meer aan dan mijn huidige, nerveus cigarillo’s rokende, full speed ouwehoerende tronie.
Ik vond het een uitstekend idee. Ik had alles een uitstekend idee gevonden op dat moment.

Mijn dochter ging de dag daarop met haar zus en moeder op vakantie, en in Belgie, op een vlooienmarkt, kochten ze een pijp voor me.
Weer in de tuin, een paar weken later, kreeg ik haar (een pijp is vrouwelijk). Ik was lauw in mijn reactie, misschien, het eerste enthousiasme was gezakt, maar ik beloofde de volgende dag tabak te zullen kopen, en het pijproken weer een kans te geven.

Ze hebben het geweten, die dochters van me!
We zijn nu vier jaar en bijna honderd pijpen verder.
Het is uit de hand gelopen. Hobby's lijken soms gevaarlijk op obsessies.

Maar als er ooit in de krant een rubriek zou verschijnen, waarvan de strekking luidde: ‘welke pijp zou jij, Jan-Paul van Spaendonck, meenemen naar een Eenzaam Eiland?’, dan wist ik het wel. Die eerste, merkloze, fijne, vlooienmarktpijp die met liefde is gekocht en met liefde werd en wordt gerookt.

Vergeleken daarmee kunnen al mijn peperdure Petersons, Davidoffs, Dunhills, Deense ‘freehands’ en andere exoten me gestolen worden.

Het is mijn eigen Ollie B. Bommel-pijp, niet meer en vooral niet minder.

(Voor Rosanne en Maria)

vrijdag 2 juli 2010

VOETBAL

Mijn beide opa's waren dol op voetbal, zoals de meeste Nederlanders. Maar ze keken nooit. De een, omdat hij een hartkwaal had, de ander, omdat hij een zenuwpees was en te opgewonden werd van de spanning. En dan te bedenken dat voetbal in de jaren '70 een kinderspelletje was vergeleken met de adrenaline-doordrenkte mondiale waanzin die het tegenwoordig is. Kijk naar die oude wedstrijden met de Grote Cruyff, en verbaast u over het saaie, trage 'tempo adagio', en u begrijpt wat ik bedoel.
Zelf ben ik bepaald geen sportman. Ik wandel graag, dat wel, en probeer te rennen. Ik heb ooit gezwommen. Veertig baantjes op zaterdag, maar dat is alweer meer dan tien jaar geleden. Mijn dochter wilde niet meer mee en het zwembad werd gerenoveerd. Toen kwam de klad erin. Maar verder? Nou, eh, nee. Neen! De enige wedstrijdsport die ik
boeiend vind is basketball. Mijn kinderen deden eraan, - ik heb de 'Amsterdam Astronauts' vaak zien spelen, en Michael Jordan bewonderd. De flitsende actie, het enorme aantal punten, de beperkte en overzichtelijke schaal van het speelveld, de voortdurend lukkende, spectaculaire, gymnastische manoeuvres, het volledig ontbreken van eindeloos en onzinnig heen en weer rennen, - ik vond het spel (want dat is het) een verademing na die saaie massahysterie die voetbal heet.

Maar vanmiddag ging ik voor de bijl.
Ik kwam van mijn parttime-werk als pijpen-expert in Davidoff, in de Van Baerlestraat. Ik moest boodschappen doen. Ik besloot de Albert Heijn daar maar te mijden. Ongetwijfeld waren alle schappen met water, bier en frisdrank leeg. Het Museumplein stroomde angstaanjagend vol met oranje gekken met rare hoedjes. Het was dertig graden in de schaduw, en het Museumplein heeft misschien tien bomen, 'give or take a few'. Maar dat deerde ze niet. Zonnesteek? Kratten bier zeulden ze mee. En dan met zijn allen naar een mega-scherm kijken. Onbegrijpelijk.

Ik wilde nog niet naar huis, passeerde onverrichterzake mijn volgepakte stamcafe 'Lusthof', waar werd geschreeuwd en gezopen, vluchtte naar het terras van Wildschut, waar precies vier mensen zaten. In de welkome schaduw van de reuze-parasols: ikzelf, een oud, in zichzelf mompelend dametje, twee druk converserende zakenmensen (de een vreemd genoeg wel in oranje shirt), een introverte NRC-lezer die onverstoorbaar zijn tonic dronk, en, ... goed, u telt mee, vijf mensen dus. Maar toch. Normaal is dat terras op vrijdagmiddag bomvol.
Ik ging naar binnen om mijn dubbele espresso af te rekenen. Daar bleef mijn oog kleven aan het scherm. Binnen vijf minuten hoorde ik mezelf een koud biertje bestellen, terwijl ik, zoals u misschien begrepen hebt, niet of nauwelijks meer drink, of althans, dat probeer vol te houden. Brazilie was duidelijk beter. Ik brak me manmoedig los van de beelden en ging naar huis. Daar stond, o pech!, de tv aan, omdat mijn zoon, ook geen voetballiefhebber, maar integendeel muzikant, net als ik, toch een stuk van de wedstrijd had gekeken.
Ik stak me in gemakkelijke kleren (d.w.z, ik ontkleedde me grotendeels), zonk neer op de bank, en bleef mijns ondanks, 'willy nilly' zoals de Engelsen dat zo mooi zeggen, of, 'nolens volens', voor de gymnasiasten onder u, kijken.
Een uur later had Nederland gewonnen, had ik drie pijpen (geen idee welke, en ik zou het mijn medepijprokers graag willen kunnen melden) en vijf of zes sigaretten gerookt en een fles witte wijn leeggedronken. Helemaal opgewonden. Zo niet opgefokt. En ik had me voortdurend verbaasd over de tomeloze energie en vechtlust van deze oerdomme jongens. Dat laatste vooral: je kunt cynisch doen zoveel je wilt, als intellectueel, over deze over het paard getilde volkshelden, maar ga er maar aanstaan! De hele wereld kijkt mee. Iedereen weet het beter. En toch 'presteer' je, en laat de faalangst het niet van je winnen.
Had ik als zanger maar een schilfertje van deze vechtlust, dan was ik allang beroemd (zij het minder goed betaald).

De nabeschouwingen laat ik voor gezien. Uitmelkend gelul. Het getoeter op de nieuwste tak van het blaasinstrument, de 'vuvuzela', als ik het goed spel, zou ik liever nooit meer willen horen. Niet bepaald de beste bijdrage uit Afrika aan de muziekgeschiedenis.

Maar mijn opa's begrijp ik nu een stuk beter.