vrijdag 3 juli 2020

DISCRIMINATIE

Ik wou iets schrijven over de loodgieter. Veel maak ik niet mee op het moment, dus zo'n huisbezoek van de man die de afvoer komt ontstoppen is al heel wat. Hij zou tussen acht en twaalf komen, en verdomd, hij was er om kwart over acht. In mijn hoofd begon ik zinnen te maken, maar al heel snel floot ik mezelf terug. In mijn beschrijving van de man noemde ik hem een Marokkaanse jongeman.
Ik dacht aan mijn dochters, die me vroeger streng berispten als ik iemands kleur of ras noemde: moet je dat er nou bij zeggen? Wat doet dat er nou toe?

In het Latijn betekent discriminare scheiden, onderscheid maken. Een mens maakt onwillekeurig onderscheid. Om de wereld om zich heen te benoemen en te beschrijven. Als ik ooit in een Italiaans vissersdorpje ga wonen zal de bevolking me ongetwijfeld 'de Hollander' noemen, achter mijn rug. Dat is gemakkelijk, dan weten ze in één woord over wie het gaat. Als alle katten zwart zouden zijn, zoals de mijne, dan zou je de kleur er alleen bij vermelden, als de kat die je wilt beschrijven niet zwart is. Een rode kater, bijvoorbeeld. Als je spreekt, of schrijft, benoem je meestal alleen datgene wat afwijkt van de norm, de rest wordt bekend verondersteld.

Het is een kwestie van context. In het Nederland van vroeger was de overgrote meerderheid wit. Als Carmiggelt in een van zijn Kronkels schrijft: 'Een gezette man kwam het café binnen', dan zien we een dikke witte Amsterdammer voor ons. Zou de man een Surinaamse achtergrond hebben gehad, dan had Carmiggelt die benoemd. Speelde het cursiefje daarentegen in Suriname, dan zouden we ons een zwarte man met overgewicht hebben voorgesteld, of anders had de overzeese Carmiggelt het wel over een 'gezette witte man' gehad.
Ook nu nog is het merendeel van onze landgenoten van Europese achtergrond. Dat maakt het, uit zuiver descriptief oogpunt, zinvol om kleur en achtergrond te benoemen als die anders dan wit en Europees zijn. Voor het plaatje, dat we graag zo levendig mogelijk voor ons zien. Als je niet op lange tenen wilt trappen kun je ook op safe spelen en de kleur er altijd bij zeggen - maar dat is me, behalve omslachtig, ook net iets te politiek correct.

Tot slot: in een wereld waarin de rassen uiteindelijk allemaal zijn versmolten tot één mengkleur valt de noodzaak om onderscheid te maken op grond van tint weg. Ooit komt het hopelijk zo ver. Maar dan blijven er nog genoeg andere criteria over waarmee we de een van de ander kunnen scheiden. Onderscheid maken is inherent aan de menselijke geest, die analytisch is, en talig; die ontleedt, benoemt, en kenmerkende details zoekt om te benoemen. Discriminatie in die oorspronkelijke betekenis is ook niet het probleem. Onderscheid maken wordt pas een probleem als we consequenties verbinden aan dat onderscheid, en op grond daarvan in stigmatiserende stereotypen gaan denken, of iemand die 'anders' is minder goed gaan behandelen. Als we, kortom, gaan discrimineren.

Ik had een heel plezierig gesprekje met de ... loodgieter.


dinsdag 30 juni 2020

RATSMODEE

Het weer sloeg drastisch om. Slechte dagen voor de meteosentitieve mens. De warme cocon van een vroege zomer werd uiteengereten door een felle wind. Weg was de lome sfeer, verwaaid; de verwarrende onrust sloeg genadeloos toe. Vrijdagavond laat had ik nog, na een barbecue in de beschutte tuin van mijn vriendin, bloot door de warme regen gelopen om de roetvlekken van me af te spoelen, nu leek dat een herinnering aan een andere tijd, aan een onschuldig, idyllisch verleden.
Zondag had ik afgesproken om een liedje op te nemen met mijn zoon. Maar die moest eerst een auto ophalen in Assen. Mijn vriendin en ik pasten ondertussen op onze kleindochter, haar mama was de babykamer aan het schilderen. Toen hij thuiskwam, later dan beloofd natuurlijk, konden we toch niet meteen naar boven, dat voelde ik wel. Hij was vol van zijn aanschaf en die moest eerst bewonderd worden. Ik probeerde mijn ongeduld te verbijten. Toen het zeer sierlijke logoschildje voor de tweede keer was geprezen, schraapte ik mijn keel en stelde voor om nu toch maar eens wat te gaan doen. Om vier uur een biertje samen, we hadden nog een uur.
Boven ging alles niet zo lekker. Mijn zoon was er niet helemaal bij, al sprak hij op de automatische piloot allerlei aardige aanmoedigingen, en ik werd steeds onzekerder, voelde de tijdsdruk, struikelde steeds vaker over mijn vingerzetting. Hoe kon dat nou toch, de vorige keren ging het allemaal zo makkelijk, zo lekker? Toen het liedje er om half vijf op stond, was ik ongelukkig - ik kon dit zoveel beter. Ook mijn zoon weifelde. We keken elkaar eens aan en hakten de knoop door. 'We doen het een andere keer over.'
In de open keuken beneden praatten we over het weer, over de onrust die de wind kan geven. Ook mijn zoon bleek steeds meer last te hebben van weersgevoeligheid, terwijl hij die vroeger maar aanstellerij vond, typisch iets voor zijn overgevoelige en artistiek geneigde vader. Mijn vriendin speelde met kleindochter, die in een uitgelaten goed humeur was, mijn zoon en ik ouwehoerden full speed, we aten wat hapjes. Toen het bedtijd werd voor het meisje gingen we naar huis, waar we nog een haastig maal bereidden terwijl we op nerveuze toon de gesprekken van die middag evalueerden, de tv bleef uit.
De volgende morgen versliepen we ons. Te laat voor yoga. Na het ontbijt gingen we dan maar meteen naar Amsterdam, waar mijn vriendin achterstallig werk te doen had. Ze zou me in Zaandam afzetten. Mijn auto had daar een nachtje gelogeerd, omdat het niet bij dat ene biertje was gebleven.
'Deze wind is serieus,' zei ik toen we samen naar buiten liepen. 'Ik had mijn balkonplantjes naar beneden moeten halen, die zullen wel allemaal omgewaaid zijn.'
Even later reden we langs het Alkmaarder Meer. Mijn vriendin wees met haar vrije hand naar de bruisende witte golven. 'Kopjes op zee,' zei ze. Ik dacht even na en declameerde met grafstem: 'Kopjes op zee, balkonplantjes naar de ratsmodee. Dat zei mijn moeder altijd.' Mijn vriendin zag een Delfts-blauw tegeltje voor zich en schoot in de lach. Het lachen hield niet meer op. Ook dat was de wind, denk ik.


vrijdag 26 juni 2020

EVALUATIE


'Hoe bent u de tijd doorgekomen? Hopelijk niks naars gebeurd?' De barman van Wildschut zette een koffie voor me neer waarbij ik tegen mijn gewoonte in een glas water had gevraagd. Het was nog vroeg maar al erg warm. Maar de lucht was zuiver blauw en er woei een verkoelend briesje.
Door zijn vraag leek het of alles plotseling voorbij was. Of we samen terugkeken op een nare tijd vanuit een opnieuw zorgeloos heden. Had Mark Rutte niet de avond ervoor, in wat met zijn studentikoze grapjes bijna een Covid-conference was, een hoopvol scenario geschetst? Natuurlijk met de nodige mitsen en maren en opgeheven vingers, daar is hij minister-president voor, maar toch - hij had zijn handtekening gezet onder een vrijgeleide naar een mooie zomer. Ik schepte een lepeltje melkschuim op en had opeens behoefte aan een evaluatie. Wat vond ik eigenlijk, ik die niets wilde denken, van al die kwesties waarover zoveel onenigheid bestaat?
Punt één. Een Corona-ontkenner ben ik niet. Die goeroe Engel met zijn dreadlocks vind ik een halfzachte dwaas. Viruswaanzin.nl een gevaarlijke sekte. Het "bloemenmeisje" met de mondkapjes over haar borsten een hysterica. Ik hoor eerder bij het kamp der angsthazen dan bij de waaghalzen.
Punt twee. De Maatregelen vond ik desondanks buitenproportioneel. Paniek regeerde, onzekerheid stond aan het roer, er zijn fouten gemaakt. Maar: ik geloof toch dat ze noodzakelijk waren. Alles stilleggen en langzaam weer opbouwen werkt beter dan een volop draaiende samenleving proberen af te remmen. Ik vraag me daarbij wel af waarom het niet mogelijk is datzelfde stoere beleid te hanteren bij ander gevaarlijk kwaad: waarom niet per overheidsdecreet de vleesindustrie in één keer platleggen, en dan langzaam, verantwoord, weer opbouwen naar de gewenste milieu- en diervriendelijke kleinschaligheid? Waarom altijd en eeuwig dat politieke geschipper? Waarom is er een pandemie nodig om daadkrachtig op te treden en verandering te realiseren?
Het antwoord gaf ik zelf, terwijl ik een teug water nam. Omdat we nu eenmaal niet in een dictatuur leven, links of rechts, en we met het besluiteloze geharrewar van de democratie opgescheept zitten, for better or for worse. Dat we van deze tijd iets opgestoken zouden hebben is, ben ik bang, een illusie.
Mijn gedachten gingen naar kwesties die mij persoonlijk raken. Ik had de afgelopen dagen alle beschikbare artikelen gelezen over het besmettingsgevaar dat kleeft aan zingen. Mijn eigen ideeën werden bevestigd door wat ik las. Zingen is hoogstwaarschijnlijk niet gevaarlijker dan praten, sommigen zeggen zelfs minder gevaarlijk. En dan heb ik het over beschaafd zingen - brullen en schreeuwen zorgt voor meer luchtverplaatsing dan wenselijk is. En als groepen al pratend bijeen mogen komen, dan zou zingen in groepsverband, op gepaste afstand en met zo goed mogelijke ventilatie, zeker weer moeten kunnen. Gelukkig had Rutte ons ook daarin gerustgesteld.
Ik rekende af en zag tot mijn vreugde dat er weer kranten op de leestafel lagen. De 3 euro 10 die Trouw me had gekost kon ik voortaan weer in mijn zak houden.
Thuis begon ik voor het eerst weer serieus te denken over de toekomst van mijn koren. In de hoopvolle stemming van deze morgen zag ik pas hoe moedeloos ik de laatste tijd was geweest. Ik legde muziekpapier klaar om eindelijk eens aan dat arrangement van Schuberts Greisengesang te beginnen dat ik in mijn hoofd had. Ik pakte een dirigeerstokje, blies het stof eraf, en liep ermee naar de spiegel. Ik stelde me een koor voor dat wijd uitgewaaierd voor me zat en gaf een opmaat - een, twee drie - ik kon het nog.
Maar, stelde ik vast toen ik mijn spiegelbeeld kritisch bekeek, ik zou heel wat moeten zwaaien om dat overtollige vet er weer af te krijgen.


dinsdag 23 juni 2020

TWENTE

Onze vrienden Stephan en Greta hadden een vouwcaravan gekocht en om de aanwinst uit te proberen gingen ze naar het Twentse Beuningen. Mijn vriendin, die in het nabije De Lutte geboren is, stelde voor het weekend op een camping vlak bij haar geboortehuis door te brengen; we konden dan een dagje samen optrekken.
Nadat we vrijdag de tent opgezet hadden en ons verkwikt hadden op het terras van de Twentse Taveerne reden we in de schemering door het licht glooiende, grazige en stille achterland, op zoek naar het kasteeltje waar ik in de zesde klas lagere school drie dagen had doorgebracht. Buurtschap Breklenkamp vonden we, maar de gelijknamige voormalige jeugdherberg, thans privébezit, wilde zich niet aan ons vertonen.
Ik vertelde mijn vriendin hoe ik destijds een schatkaart had gemaakt, met Oost-Indische inkt. Het papier had ik in thee gedrenkt om het oud te doen lijken en aan de randen met een lucifer zwart geblakerd en gekarteld. Tijdens het driedaagse schoolreisje had ik de moed niet gehad om mijn plannetje uit te voeren, en pas op het allerlaatste moment, toen we al in de bus zaten voor de terugreis, kwam ik, gestimuleerd door onze onderwijzer, kindervriend P., die ik in vertrouwen had genomen, met de kaart aanzetten, die ik zogenaamd gevonden had in een ruïneus muurtje. Er werd nog even vergeefs gezocht naar de vermeende schat, er was enige opwinding, maar de buschauffeur werd ongeduldig en we reden al snel terug naar Amsterdam.

De volgende dag maakten we met onze vrienden een lange wandeling door bossen, velden en landerijen. We staken de Dinkel over, die schemerig bruin en groen lag te glimmen in de zon. Met Stephan, die Zwitser is, had ik een gesprek over Hermann Hesse, over diens wandeltochten met zijn vriend Othmar Schoeck, over Steppenwolf en Glasperlenspiel. Met moe gelopen voeten bereikten we een terras in Beuningen, waar Stephan me een sigaar presenteerde die ik niet durfde en wilde weigeren. 's Avonds trotseerden we de beruchte eikenprocessierupsen en aten buiten op een lommerrijk pleintje in De Lutte. Terug op de camping probeerde ik, in de geheimzinnige warme avondstilte een laatste glas drinkend, mijn indruk van het landschap in woorden te vangen. Ik kwam niet ver.

De bomen zijn hier groter. Staan in een wijdere, groenere, grotere, lege ruimte. De vogels fluiten hier harder en zorgelozer, de wereld is van hen. Mensen zijn hier minder belangrijk. Wij mensen zijn hier te gast in het landschap.

Zondag bleken we wel érg veel last van muggenbulten te hebben, meer dan die ene mug in de binnentent kon hebben veroorzaakt. Op een website zie ik dat het terrasje waar we onze kogelbiefstuk en varkenshaasjes aten naast een van hotspots van de terreurrups ligt. Ik schrijf dit stukje in vreemde haast, voor iemand die niets omhanden heeft vandaag, terwijl ik probeer niet aan mijn jeukende armen en benen te krabben.

(Foto: Andreas Strubin)


vrijdag 19 juni 2020

STAMINEE

Het was een klein, dun maar stevig boekje; op het vergeelde schutblad een illustratie in duotoon zoals bij oude Suske en Wiske-albums. Café in Antwerpen heette het. Auteur: Johan Winkler. Ik sloeg het open en las: 'En toch denkt Jan Willem van den Berg aan zijn wegstervend leven...' Dat is wat je in de letterkunde in medias res noemt, met de deur in huis vallen. Er gaat iets aan vooraf, dat is duidelijk te zien aan dat 'en toch', maar dat wordt verzwegen. We vallen zijn leven binnen, dat van Jan Willem, en gaan hem een tijdje volgen. 'De laatste rozen geuren in den avond' is de tweede zin. Vooruit, ik was verkocht, ook in mijn straat geurden de rijpe rozen. Ik nam het boekje mee naar het park.

Op een bankje begon ik te lezen. Ik was niet van plan daar echt serieus werk van te maken, maar het verhaal boeide me. Misschien ook door de simpele verteltrant met veel vaste formules en retorische herhalingen las het vlot weg. Ondertussen had ik met enige moeite de auteur getraceerd. Niet te verwarren met een naamgenoot die een vermaard dialectoloog was. Mijn Johan Winkler (1898-1986) was een politiek geëngageerd journalist - Arbeiderspers, Vrij Nederland, SDAP. Dit boekje was een van zijn zeldzame uitstapjes naar verhalend proza.
Terug naar Jan Willem van den Berg. Die leidt een keurig, uiterst regelmatig leven. Werkt hard op kantoor, keert elke dag op hetzelfde uur per spoor terug naar zijn villa in een forenzendorp. Alles volgens vaste, veilige patronen. Maar dan, uit het niets, komt er een herinnering in hem boven aan een smoezelig café in de Antwerpse havenbuurt. Hij kan die herinnering niet thuisbrengen. Het café wordt een manie, hij moet en zal weten waarom het in zijn hoofd opdook. In een impuls pakt hij, na een paar matineuze borrels, de trein naar Antwerpen. Onderweg ontmoet hij een dikke, goedlachse man. Deze man, in wie de lezer vrij gemakkelijk een diabolische leidsman herkent (voor de zekerheid legt Winkler het ook maar even uit: de dikke man is de duivel in vermomming) neemt Jan Willem op sleeptouw. Naar de haven, om in een echt Antwerps estaminetje een pint te drinken. En wat blijkt? Het cafeetje is dat uit zijn herinnering. Er komt een vrouw naar hem toe, een dame van lichte zeden, die hem als oude bekende begroet. Ze blijkt de dikke man opdracht te hebben gegeven Jan Willem naar Antwerpen terug te halen.
De zaken lopen uit de hand daar in de Antwerpse havenbuurt. Het proza wordt hallucinant. Die brave Jan Willem gaat helemaal los en stevent in nachtmerrieachtige taferelen op zijn verlossing óf ondergang af. Ik moet denken aan Steppenwolf van Hermann Hesse. Maar dat is een kloeke roman. Nog een paar bladzijden te gaan, zie ik. Ik zit nog steeds op hetzelfde bankje, de zon is warm. Hoe gaat Winkler dit voor elkaar krijgen? Hoe kan dit suggestieve, symbolische verhaal tot een bevredigend einde komen? Als Winkler een vent is laat hij ons gissen naar de afloop. Als hij daar de literaire guts niet voor heeft zal het ofwel op een sprong uit het raam uitdraaien, ofwel op het ontwaken uit een boze droom.
Laatste bladzij. 'Dan valt hij... Gesprongen? Gestooten? Hij valt... hij duizelt... eindeloos, eindeloos duurt zijn val... Tot een slag dien val breekt...'
Voorlaatste optie dus.
Maar nee! Er volgt nog een miniatuur hoofdstukje. Ik citeer in zijn geheel:

XI

En is dit dan waarlijk het einde van Jan Willem van den Berg?
Of ontwaakt hij thans uit zijn droom... dien nacht na zijn gesprek, dien nacht na de Boers explicatie, dien nacht na zijn peinzenden gang naar huis, door de laan waarlangs de laatste rozen geurden?
Zéér is het voor Jan Willem van de Berg te hopen, dat...
Maar och, wat doet het er ook toe!

Zwaar teleurgesteld, verbaasd en ook een beetje boos sloeg ik het boekje, dat me een aangenaam uurtje had bezorgd, dicht. Ik vind dat de schrijver een verantwoordelijkheid heeft tegenover zijn lezer; hij neemt hem bij de hand en levert hem na een gemeenschappelijk avontuur ergens af - heelhuids of gehavend, dat doet er niet toe. Winkler heeft me in die slotzin in de steek gelaten; hij heeft zichzelf en zijn lezer niet serieus genomen.
Vergeten boekjes zijn zelden zonder reden vergeten.


dinsdag 16 juni 2020

STICKER

'En, Voorheen Rookzanger,' vroeg mijn geweten me op dwingende toon, 'wat is eigenlijk jouw standpunt inzake racisme? Je bent toch wel tégen, huh?!'
Ik liep, lijdend aan verveling, weltschmerz en algehele tegenzin door het regenachtige park, en was nogal verrast door de directheid van de vraag. Meestal hebben we aan een half woord genoeg, mijn geweten en ik. Ik nam plaats op een bankje, dacht na en pakte mijn aantekenboekje.
'Liever het goede dan het kwade natuurlijk, goed is immers beter dan slecht. En racisme is slecht, daar is iedereen het wel over eens.'
Zo, daar kon Geweten het mee doen. Een echte dooddoener. Maar veel verder kwam ik eigenlijk niet. De beelden van de recente beeldenstorm waren een hinderlijke stoorzender in mijn zelfonderzoek. Toch eisen de sociale media van ons dat we ons uitspreken, want wie zwijgt over een zo belangrijke kwestie in deze cruciale tijd, 'is niet solidair met de goede zaak en daardoor medeschuldig'.
In het Belgische Mechelen zijn fysieke demonstraties, wegens de Corona-crisis, verboden. In plaats daarvan kunnen de Mechelaars hun ongenoegen over rassenhaat uiten door middel van een sticker die hun door de gemeente wordt verstrekt. Die kunnen ze op hun deur plakken. Ik vind dat een bizar en gevaarlijk idee. Want wie het vertikt zo'n plakkertje op zijn deur te kleven behoort automatisch tot een verdachte groep. Die daar deugt niet, kan de wantrouwende voorbijganger al snel denken, als hij naar een huisdeur gluurt en het stickertje mist.
Ik wil geen gemakkelijke sticker-kreten over racisme het internet op slingeren, en ik vind eigenlijk niks, afgezien van de tautologische stelling over goed en kwaad die ik in mijn zakboekje noteerde op het bankje tegenover de ooievaars. Om de doodeenvoudige reden dat ik de materie veel te ingewikkeld vind. Ik weet er niet genoeg van en snap er lang niet alles van. En wat voegt mijn mening dan toe aan het debat? De geschiedenis is complex, het heden is complex. De vermenging van die twee is dat nog veel meer. Linke soep! Menselijke verhoudingen zijn gecompliceerd, menselijke drijfveren zijn moeilijk te traceren en vaak duister, ik wantrouw die van mezelf net zo goed als die van een ander. Op gevaar af in het verkeerde kamp geplaatst te worden is dat gebrek aan inzicht voor mij reden genoeg om er het zwijgen toe te doen.
Bovendien: je kunt tegen racisme zijn en ook tegen de manier waarop racisme aan de kaak wordt gesteld. Die nuance zou een plaats moeten krijgen in de discussie. Maar volgens activisten leidt een dergelijke nuancering te veel af van waar het werkelijk om gaat.
En waar de nuance ontbreekt haakt v.h. Rookzanger af.


vrijdag 12 juni 2020

LEESTAFEL

Kermisgasten trekken net als de boeren voor hen op naar het Malieveld. Ze willen snellere versoepeling van de beperkende maatregelen, ze willen dezelfde rechten als de culturele sector. Want kermis is ook cultuur.
Beelden mag je omvertrekken zonder represailles of zelfs zonder politie-ingrijpen. Blijkbaar zijn beelden geen cultuur. Het doen zinken, onthoofden, besmeuren of anderszins ontluisteren ervan valt blijkbaar onder het onvervreemdbare recht op demonstratie.
Ik had deze gedachten voor me uit willen mompelen boven de krant, aan de leestafel van mijn stamcafé. Korzelig roerend in mijn koffie, een oudere man met een links hart dat zwaar onder druk komt te staan dezer dagen. Maar dat mocht niet zo zijn.

Gisteren overwon ik mijn verlegenheid en ging ik voor het eerst sinds maanden weer naar Grand Café W., waar ik in betere tijden gewend was een paar keer per week te komen. Om het terras was een afzetting van paaltjes gemaakt waartussen koorden waren gespannen. Zoals in musea, of in attractieparken - nog net geen dranghek. Dat het café tot een bijzondere attractie was geworden bleek ook uit het toegangspoortje. Hier hoefde je weliswaar geen kaartje te kopen, maar wel werd om je reservering gevraagd. Die had ik niet, maar het was rustig, dus vooruit. Eerst handen ontsmetten, dan pas mocht ik het pleintje op. Binnen kon ik de tafel achterin bij het raam wel nemen, zei het meisje dat poortdienst had, die was voorlopig nog vrij. Ik ging de vertrouwde ruimte binnen, herkende hier en daar vertrouwde gezichten. Ik liep naar de leestafel. En schrok. De altijd overvolle tafel, uitpuilend van tijdschriften, achtergelaten boeken, de kranten van vandaag en gisteren, met half ingevulde puzzels en missende katernen, was akelig leeg. Steriel glimmend en akelig leeg. Ontdaan liep ik het pleintje weer op. 'Geen kranten meer?' vroeg ik aan de hoofdverpleegster van Militair Veldhospitaal W. 'Nee, dat mag niet,' zei ze. 'Suf hè? Dan zouden we ze telkens moeten ontsmetten, of plastificeren, en dat kan natuurlijk niet.'
Ik dacht aan de boekwinkels, waar de klanten vóór je de literatuur hadden bepoteld die jij overwoog aan te schaffen. Aan het boekenkastje aan de straat waar ik bijna dagelijks wel een boekje uit oppakte om het in te zien. 'Ja, suf,' zei ik. 'Best een beetje overdreven.' Ik had toch niet voor niets mijn handen ontsmet voor ik naar binnen was gegaan? En dan, wat zei Oom Jaap ook weer over de kans op besmetting via gemeenschappelijk aangeraakte voorwerpen? Maar goed, een instituut als W. moest de regels voorbeeldig opvolgen, dat begreep ik ook wel.
'Ik ga toch maar buiten zitten,' zei ik. Het meisje knikte en streepte iets weg in de bloknoot die op het tafeltje naast de entree lag.
Even later kwam mijn latte. Gehandschoend aangereikt. Hij smaakte uitstekend, en even meende ik dat die schuimende, geurige koffie alles goed maakte. Maar de regen lekte van de zwarte parasol op de zwarte plastic stroken die de voorgeschreven looprichting markeerden. Ik was de enige op het terras. Nu en dan kwam iemand zijn reservering aankondigen. Het meisje wees onvermoeibaar op het ontsmettingsmiddel en liep mee om de nieuwkomer te placeren. Op mijn telefoon was niets te beleven, het nieuws had ik al gelezen, mijn Wordfeud-partners waren aan zet.
Toen mijn koffie op was liep ik naar binnen om af te rekenen, vervuld van de vage vrees dat zoiets niet mocht volgens het protocol van Militaire Operatie Koffie Verkeerd. Maar het ging net als altijd. En de prijs was nog hetzelfde als in het precovidium. 
Ik moest het café verlaten via de zijingang. Op straat keek ik om naar het afgezette pleintje. Met mooi weer een borrel met mijn dierbaren, dat zou nog wel gaan, vond ik. Maar die morgenkoffie nam ik voortaan maar thuis, net zoals in de afgelopen maanden. Totdat alles weer écht normaal zou zijn.


dinsdag 9 juni 2020

BEELDENSTORM



We zaten met een bord op schoot naar het nieuws te kijken. Een joelende menigte rolde een bronzen beeld naar de oever van de Avon. 'Hoe kan een menigte mensen allemaal tegelijk woedend zijn, terwijl normaal gesproken ieder zijn of haar eigen aanleiding en moment voor woede heeft?' vroeg ik me hardop af. Ik gaf meteen maar het antwoord: 'Dat kan alleen maar als ze elkaar aansteken en ophitsen. Daarom houd ik niet van menigtes.' Mijn vriendin legde haar vinger tegen haar lippen als teken dat ik niet te veel door de tv heen moest lullen, iets wat me weleens wil overkomen op zondagavond.
'Het lijkt verdomme de beeldenstorm wel,' zei ik daarom beknopt. 'Kun je me de peper even aangeven?' Het molentje kwam mijn kant op. Ik draaide. Een pepersneeuw viel over mijn tagliatelle. Het beeld ging kopje onder. Men juichte.
Toen ik weer mocht praten opperde ik: 'Ik denk toch dat deze uitbarsting van volkswoede iets te maken heeft met de pandemie. De mensen zijn machteloos tegenover een onzichtbare vijand. En al die maanden van angst, spanning, beperking, quarantaine... dat vraagt om een uitlaatklep. Eén vonkje en hup! de vlam in de pan. Nu is het de moord op Floyd. Maar het had evengoed een klimaatschandaal of een MeToo-kwestie kunnen zijn. De maat is blijkbaar vol.'
Ik hield even mijn mond om de weersvoorspelling te horen.
'Het is te hopen dat dit de vaderlandse activisten niet op een idee brengt,' ging ik verder tijdens het reclameblokje. 'Iedereen is zo heetgebakerd. Ik bedoel, die aardige rapper Akwasi, die in DWDD altijd een voorbeeldig tafelheer was, zei laatst op de Dam dat hij Zwarte Piet hoogstpersoonlijk op zijn bek zou slaan, als hij er een tegenkwam. Stoere taal natuurlijk, zeker van iemand die van sinterklaasrijmpjes leeft, maar het tekent wel het klimaat. Wat gebeurt er als de beweging erachter komt, dat bijna alles waar wij hier in Nederland wereldwijd beroemd om zijn, gegrondvest is op bloedgeld? In Bristol hebben ze een moreel probleem, want die Colston van dat beeld was blijkbaar ook filantroop. De halve stad is naar hem vernoemd. Scholen, ziekenhuizen, concertzalen, charity, noem maar op.'
'Gelukkig is dat beeld geen topkunst, zo te zien.'
'Nee, misschien niet; maar daar gaat het niet om. Stel je eens voor dat deze symboolvernietiging naar ons land zou overslaan? Dan hebben we meer dan een moreel dilemma. Het hele zeventiende-eeuwse erfgoed is gefinancierd uit de opbrengsten van de slavenhandel.' Ik tikte tegen het pepermolentje. 'En de specerijenhandel, natuurlijk. Er zijn heel wat meesterwerken te vinden uit de Gouden Eeuw die dat verleden verheerlijken. De hele grachtengordel is een stenen ode aan rijkdom die op verdachte manier werd verworven. Ik weet zo al een paar gevelstenen en schilderijen die daar geen enkele twijfel over laten bestaan. Moet dat soms allemaal weg? De Amstel in worden gemieterd?'
Op dat moment wist ik nog niet dat Achraf El Johari, de jongerenburgemeester van Amsterdam, ook op de verdrinking van het beeld van slavenhandelaar Colston had gereageerd. Niet bij een bord tagliatelle tegen zijn vriendin, maar met een tweet: 'Nu de gevels nog van de grachtenpanden.' Later had hij gezegd dat die tweet humor was. Zoals Baudet onlangs een hele App-chat waaruit zijn betrokkenheid bij een Russische geldschieter bleek, als ironie had weggewuifd. Dat is het verraderlijk vrijblijvende van dit soort uitlatingen op de sociale media: je ziet er iemands uitdrukking niet bij, hoort de toon van hun stem niet, leest geen context. Akwasi's oproep tot geweld is in elk geval dapperder: die kan je met geen mogelijkheid als ironie interpreteren.
We brachten onze borden naar de keuken. Na het nieuws was het tijd voor helaas alweer de laatste aflevering van Paulien Cornelisse's programma over Japan. Mijn aandacht was er niet helemaal bij. Want al die tijd moest ik denken aan de beroemde uitspraak van Heinrich Heine: 'Waar men boeken verbrandt, verbrandt men uiteindelijk ook mensen.'

Afbeelding: Statue of Edward Colston, door John Cassidy (1860-1939)


vrijdag 5 juni 2020

ZOMERBOEK


Daisy Ashford schreef The Young Visiters in 1890, toen ze negen jaar oud was. Ze deed in die tijd niets liever dan lezen én schrijven. Hele schriften vulde ze met alinealoze, nauwelijks van leestekens voorziene pagina's in potlood; ademloos genoteerd alsof ze bang was de draad van haar fantasie te verliezen.
In 1917, Daisy was inmiddels 36, vond ze het schriftje terug in een la. Schrijven deed ze allang niet meer, al niet meer sinds haar tienerjaren. Ze leende haar jeugdige novelle aan een vriendin die herstellende was van de griep. Het schriftje ging door verschillende handen en belandde uiteindelijk in die van Frank Swinnerton, redacteur bij uitgeverij Chatto and Windus. Die was zo enthousiast dat hij besloot het boekje uit te geven - precies zoals het was; dus zonder interpunctie, en met de talloze spellingfouten van het negenjarige meisje. 
J. M. Barrie, auteur van Peter Pan, schreef desgevraagd het voorwoord. Het was een onmiddellijk en doorslaand succes. Alleen al in 1919, het jaar van verschijnen, werd het boekje 18 keer herdrukt. Omdat de auteur verder onbekend was, werd Barrie lange tijd aangezien voor de echte schrijver ervan - het zou om een literaire hoax gaan.

Ik heb The Young Visiters, or Mister Salteena's Plan gevonden in een bak van antiquariaat Feniks in de Pijp. Zevende druk. De rood-gemarmerde kaft en de rug van bruin linnen onderscheiden het van de omliggende paperbacks. Ik sla het open. Achter een bruin geworden blad vloeipapier zie ik het portret van een mollig meisje, ze kijkt nogal koket en eigenwijs weg van de lens. De bladzijden zijn ongelijk van grootte, ze zijn ooit opengesneden. Ik verwonder me over de rare spelling (rarther flabergasted?), lees een paar aanbevelingen van Barrie en besluit tot aanschaf. Voor een euro mag het mee.

Mr Salteena was an elderly man of 42 and was fond of asking peaple to stay with him. He had quite a young girl staying with him of 17 named Ethel Monticue.

Zo. De oude viespeuk. Tweeënveertig nota bene! Jonge meisjes te logeren, eh? Ik zit op een bankje aan de Jozef Israëlskade, aanvankelijk een beetje verveeld maar algauw geboeid door wat ik lees. Het is warm. Een eerste vermoeden begint te dagen over het waarom van dit literaire succes. De Victoriaanse wereld, high society, gezien door de ogen van een kind. Een vrolijke boel, lang niet zo vormelijk als we dachten. Wij volwassenen begrijpen de werkelijke drijfveren van de personages, die Ashford als in een sprookje beschrijft, en gniffelen vertederd om wat we lezen. Die maatschappelijk omhoogstrevende Salteena, die les krijgt in het heer-zijn (wat vooral neerkomt op het bezitten van de juiste zwart-satijnen knickerbockers), en die hitsige Bernard Clark, die niet kan wachten om het mooie meisje Ethel te, eh... huwen. Next morning while imbibing his morning tea beneath his pink silken quilt Bernard decided he must marry Ethel with no more delay. Ik leg het boek die middag een paar keer weg, op de verschillende bankjes van mijn lange wandeling, omdat ik er een beetje melig van begin te worden, maar uiteindelijk lees ik het toch uit, op mijn balkon. Een geslaagd zomerboek. Menig Suske en Wiske-album brengt het zover niet.

Of Daisy een wonderkind mag heten weet ik niet. Ze schreef leuk, kleurig, had een levendige verbeelding, gevoel voor humor en een goed oog voor detail. En het is natuurlijk een wonder dat een meisje van negen een novelle niet alleen begint, maar ook voltooit. Barrie: '[...] for when children turn author they usually stop in the middle, like the kitten when it jumps.'
Maar vooral had het boekje de tijd mee. Het was 1919. De Great War was net voorbij. De Spaanse griep woedde over de wereld, snel verspreid door de massale feesten waarmee de terugkerende troepen werden verwelkomd, en zou alleen al in Engeland 400.000 slachtoffers eisen. Een beetje kinderlijke onschuld, een beetje simpele nostalgie naar die goeie ouwe hoge-hoeden-tijd, dat kwam wel van pas. 

Daisy Ashford overleed in 1972. Als oude dame pakte ze nog een keer de pen op om haar autobiografie te schrijven. Maar anders dan bij haar grootste succes stopte die sprong in het midden.


dinsdag 2 juni 2020

KNOP

Zo. Het roken zit er weer op. Gisterenmiddag kondigde ik aan, tijdens een tuinbezoek aan vrienden, dat ik de volgende morgen zou stoppen met de troostrijke zonde die ik me in de eerste maand van onze slimme sluiting was begonnen te permitteren. Ik dronk van mijn koude Nieuw-Zeelandse sauvignon blanc, keek liefdevol en toegeeflijk naar het blikje waarin nog een geruststellend rijtje mini cigarillos lag, en maakte me geen zorgen. Ook in het dorpsrestaurant waar we die avond de horecaheropening vierden stak ik nog sans soucis een sprietje op bij mijn grappa toe. Pas toen we thuis nog even naar de kikkers zaten te luisteren die levensdronken kwaakten in de boerensloot en naar de vleermuizen keken die op muggenjacht waren, kwam het voornemen opeens akelig dichtbij. Dit was mijn laatste, schrok ik, het blikje was leeg.
Vanochtend heb ik, man die ik ben, "gewoon de knop omgezet", zoals ik stoer tegen mijn vrienden had gezegd.
Maar de persoon die door het indrukken van die knop tevoorschijn kwam is nog niet bijster aanwezig. Hij is sloom. Woorden, gisteren nog zo vloeiend en vanzelfsprekend, willen niet zo goed komen. Rookzanger is wederom Voorheen Rookzanger geworden. Ik weet best dat er van alles speelt op deze Blackout Tuesday waar ik als betrokken wereldburger iets van zou moeten vinden, maar ik ben er te suf voor. U houdt een intelligenter stukje van me te goed.


vrijdag 29 mei 2020

HIEPERDEPIEP!


Het is feest! Een Beroemd Blog verjaart! Laat kurken knallen, snijd de taart aan, hang slingers en ballonnen op! Omdat niemand anders het doet, zing ik mezelf maar hulde toe, net als de hoofdpersoon van het verhaal De zilveren tenor, u allen welbekend. 
Vandaag precies tien jaar geleden plaatste ik mijn eerste blogje onder de naam Rookzanger. Roken en zingen? heette het. Mijn vriend Robert Eksteen alias De dwarse man was me kortelings voorgegaan in het medium en vond dat bloggen 'net iets voor mij' was. Hij kreeg gelijk. Tien jaar later telt dit blog 976 bijdragen. Sommige bestaan uit een enkel gedichtje of een losse notitie, maar verreweg de meeste zijn column-achtige stukjes proza van minstens 500 en maximaal 1000 woorden. De teller van het voor u onzichtbare dashboard staat op moment van schrijven op 332.059 hits.

Ooit waren die 'kijkcijfers' belangrijk, en ik plaatste die teller prominent in het zicht. Ik was trots op de eerste 100.000. Tot er een robotaanval kwam. Ik had een stukje genoemd naar een Algerijnse drinkebroer met wie ik in de Jellinek had gezeten. Waarschijnlijk was het de islamitisch klinkende naam die zorgde voor een felle regen van Amerikaanse hits, honderden per dag. Daarna werd ik een tijdje in de gaten gehouden, als je het zo wilt noemen: regelmatig kwam de meteorietenzwerm geselend mijn kant op. Dat waren loze cijfers, oneerlijk verworven. En daarmee was de lol eraf, de trots op de teller verleden tijd; ik verwijderde het klokje van de startpagina. Tegenwoordig kijk ik er wel weer eens op. Het aantal hits schommelt rond de 2000 per maand. Hoeveel daarvan staan voor echte leesbeurten weet ik natuurlijk niet.

Rookzanger was belangrijk voor me, en is dat nog steeds. Het was een uitlaatklep voor alles wat me bezighield en het gaf structuur aan mijn dagen in die eerste stille jaren nadat ik in een kliniek in het Zuiden des lands 'in retraite' was geweest: dinsdag en vrijdag had ik een taak in de wereld te volbrengen. Nog in pyjama, onderbroek of kamerjas en gewapend met morgenpijp en espresso begon ik te tikken, om een paar uur, drie koppen koffie en evenveel pijpen later uit een schrijfroesje te ontwaken. Ik zocht een bijpassende illustratie, zond het blogje met kloppend hart de ether in, kopieerde alles naar een Word-bestand, plaatste een link op Facebook. Dan pas ging ik douchen en ontbijten. De rest van de dag was ik in blijde verwachting van reacties. Dat werd algauw net zo verslavend als de wijn die ik had afgezworen.

Het was die verslaving aan aandacht, aan likejes en commentaar, die me regelmatig opbrak. Al die eerzuchtige moeite voor die rottige paar opgestoken duimpjes, en altijd dezelfde vrienden die reageerden - nooit eens kreeg ik een telefoontje van Trouw of Parool, of van een grote uitgever. En wat had het eigenlijk voor zin om over mijn persoonlijke stemmingen en sentimenten te bloggen, wie zat daarop te wachten? Ik piekerde daarover en luchtte mijn hart dan door te bloggen óver het teleurstellende bloggen. Van die 'metablogs' had ik vaak meteen spijt, en de meeste ervan haalden de openbaarheid niet.

De tijd ging voorbij. Katten stierven, er kwamen nieuwe katten. Mijn vader ging dood. Ik werd opa. Ik stopte met roken of begon weer. Drank was niet langer taboe. Ik componeerde muziek, schreef boeken. Ik werd operettedirigent. Mijn jongste dochter was dierenverzorger en werd boekverkoper, mijn oudste dochter verhuisde naar Engeland, kwam weer terug, emigreerde opnieuw. Er gebeurde zoveel, maar toch altijd te weinig. Het is in die jaren wel degelijk een aantal keer gebeurd dat mijn column werd opgepikt en elders werd verspreid. Ik heb weleens voor de radio of in de bieb voorgelezen. Ik heb fijne reacties gehad op sommige stukken. En ook een paar nare en agressieve. Maar aandacht is nooit genoeg voor wie ernaar haakt en taalt, dus soms kondigde ik vertwijfeld aan dat ik overwoog om ermee te stoppen. Het uitblijven van schrik ('Nee, Rookzanger, niet doen! Toe, alsjeblieft, blijf schrijven!') staalde me in dat voornemen -  tot de volgende dinsdag of vrijdag aanbrak. Alleen in de eerste maanden van 2018 heb ik een tijd lang alleen sporadisch geblogd omdat mijn echte werk al mijn aandacht opeiste. Ik vind de regelmaat fijn, heb baat bij de discipline en heb me inmiddels met het feit verzoend dat ik toch vooral voor mezelf schrijf. Over mezelf, vaak (té vaak, zeggen critici), en voor mezelf. Dat is niet erg. 'Iedere zanger moet een spiegel hebben,' zei operazanger John Bröcheler ooit, met vette bariton. Ik ben blij met wat die tien jaar hebben opgeleverd, en ik ben blij met het bescheiden succes dat ik hier en daar heb behaald. Ik blader soms met plezier in mijn stukjes en raadpleeg ze vaak als dagboek. Trots ben ik op de bundeling van de eerste jaargangen in twee boeken, al was dat dan bij een kleine uitgever.

Tegenwoordig kleed ik me netjes aan en douche eerst, voor ik begin te schrijven. Soms poets ik zelfs mijn tanden. Ik heb voor dat schrijven doorgaans minder tijd nodig dan vroeger. Ik draai nogal eens op routine, maar ook dat vind ik niet erg - wat wil je, na tien jaar? Wie mij heeft gevolgd zal op zeker moment, bij de zoveelste variatie op een van mijn geliefde thema's, wel afhaken. Om misschien nog eens af en toe naar mijn pagina terug te keren. Als naar een vertrouwd baken. En zo is het goed. Lezers, dank voor al jullie aandacht en blijken van waardering - ik ben er voor u, en blijf, al dan niet voorheen:

Uw Rookzanger


dinsdag 26 mei 2020

INDUCTIEKOKEN

De middag kon niet stralender. We hadden besloten deze eerste dag van ons Veluwse uitje nog helemaal niks te ondernemen. Boodschappen hadden we meegenomen. Voor het eerst van het jaar ging mijn T-shirt uit. Ik installeerde me onder een witte regen die heerlijk geurde - alsof je in een parfumerie zat, maar dan een die zo goed geventileerd was dat je niet dreigde te stikken in de rijke aroma's. De witte regen parfumeerde de zoele wind, en zo was het precies goed.
Ik wilde deze dagen niet aan de Toestand denken en het gespreksonderwerp zoveel mogelijk mijden, we hadden vakantie! - maar dat bleek een hopeloze illusie. Wat je zo lang en zo intens heeft beziggehouden, dat moet eruit. Algauw waren we in verhit gesprek. Alle botsende informatie werd tegenover elkaar gesteld, voors en tegens werden gewogen, en na een paar glazen koude witte wijn in de zon kwam daar een hoogst bevredigende synthese uit voort. We wijdden ons aan het bereiden van een goede ragout en voor zo lang als het duurde was de wereld in de veilige harmonie die bij vakantiehuisjes hoort.
De volgende dag gingen we wandelen met mijn beide broers en familie. Een langeafstandswandeling in twee betekenissen. Middelste broer had behoedzaam op ganzenpas aangedrongen, maar de ganzen liepen algauw in wisselende formaties paarsgewijs naast elkaar, want er was veel om over te snateren. Het weer was drukkend maar in de loop van de wandeling stak er een wind op die de bomen van het landgoed kamde en een einde maakte aan de zomerse zoelte.
In de tuin van mijn jongste broer zaten we aan een lange tafel, helemaal ingericht op de anderhalvemetersamenleving. Ik had uit de auto een fleecetrui gehaald. Grote parasols beschermden ons tegen de buien. Toen we afscheid namen stelde mijn jongste broer verbaasd vast dat we alleen maar over corona hadden gesproken. Nietes, zei ik, we hebben het ook over inductiekoken gehad. Dat was waar, ik had verteld over mijn worstelingen met de kookplaat in ons huisje. Mijn broer en schoonzus hadden de zegeningen van de methode geprezen, maar ik had gepleit voor ouderwetse vlammetjes, romanticus die ik ben.
'Zeker,' grinnikte mijn broer, 'inductiekoken. Maar verder?'
Hij had natuurlijk gelijk. Maar waar moet je in deze tijden anders over praten, als je elkaar een tijd niet gezien hebt? De pandemie houdt ons allemaal dag in dag uit bezig, ieder maakt zijn eigen afwegingen en je wisselt ervaringen uit. Reiservaringen, opgedaan in deze gedwongen excursie door ongewone en moeilijke maanden. Gelukkig hadden we er ook om gelachen, zei ik. Mijn nichtje had met haar nieuwe naaimachine kleurige mondkapjes gemaakt. Daarmee uitgedost hadden we een toast uitgebracht - een fotomoment. Niet roekeloos, niet baldadig, maar toch met de nodige komieke opluchting.
Ik stuurde de foto door aan een goede vriend. 'Zo wordt drinken eindelijk veilig,' appte hij terug.


dinsdag 19 mei 2020

DOURO


Zondag verloor ik even de moed. Ik had de tekst waaraan ik hard had gewerkt ingeleverd en in de leegte die zoiets altijd achterlaat, keek ik naar de toekomst. Ik zag het gehavende maatschappelijke landschap voor me, dat zich snel aan het aftekenen is: de culturele en economische malaise, de verlaten concertzalen en kerken, de zieltogende theaters, de angstig afgevinkte feesten en festivals, de ingeperkte vrijheid om je te verplaatsen, om te reizen. De ruïnes en de kaalslag van wat ons lief en vertrouwd was vormden een deprimerend uitzicht. Waar stevenden we op af, en hoe was deze negatieve tendens nog terug te draaien? Want een vaccin tegen massale angst, gebrek aan maatschappelijk zelfvertrouwen en mondiale moedeloosheid is nog niet gevonden, wat je verder ook allemaal weet te vaccineren.
Ik keek naar Maurice de Hond, die de moed erin probeert te houden met koele cijfers en data, en strijdvaardig zijn missie tegen de angstcultuur van de anderhalvemetersamenleving doorzet, nauwelijks gehoord door virologen en beleidsmakers. Maar hij kon me bepaald niet geruststellen op het punt waar mijn zorgen zich deze mooie lentemiddag vooral op richtten: want het werkelijke gevaar schuilt volgens de statisticus in grote groepen mensen die gedurende langere tijd dicht bij elkaar verblijven in slecht geventileerde ruimtes. En dat betekent dat ik en al mijn dierbare collega's ons werk voorlopig niet zullen kunnen uitoefenen op de manier waarop we dat gewend waren. En dat betekent dat ruim de helft van mijn inkomen wegvalt. 
'En niet alleen dat,' zei ik tegen mijn vriendin, 'ik voel me ook knap nutteloos worden. Ik had natuurlijk lang niet altijd zin om avond aan avond het huis uit te gaan om groepen mensen in hun samenzang aan te sturen, maar nu dat wegvalt merk ik hoe ik de interactie met mensen mis. Het samen muziek maken. En ook het zelfvertrouwen en de voldoening die het geeft, om een vak te beheersen en dat uit te kunnen oefenen.'
Ik schonk ons een goede Portugese wijn in, die ik nu nog kon betalen. Portugal wordt booming de komende tijd, als wijnland, had de jongen van de Gall & Gall gezegd, en ik was blij voor de Portugezen. Ik had die jongen trouwens niet meteen herkend, want hij was naar de kapper geweest en had een fantasievolle hipstercoupe in plaats van de gewone mannenbeharing die hij tijdens de volgens De Hond niet zo heel intelligente lockdown had gehad. We aten een pizza volgens een merkwaardig recept, met groene asperges, aardappelschijfjes, uiringen en Munsterkaas, op een bodem die van bieten was gemaakt. Ik vergat even al mijn zorgen terwijl we in de paarse pizza hapten en onze groengele Douro dronken. Er was een leuk programma over Japan op tv en nog voor het opiniekoor van de talkshows en de ellende van de 'frontberichten' begon trok terug ik me terug in bed.
De volgende morgen verdween mijn vriendin naar de voorzichtig weer opgestarte yoga. Ik monsterde het weer en besloot in de tuin te gaan mediteren. Het is een goed vogeljaar en de vele kleine zangvogels waarvan ik de namen meestal niet weet deden erg hun best. De zon werd gefilterd door de liguster. Het rook lekker naar vlier en meidoorn. Ik zat daar goed en terwijl ik langzaam en ritmisch in en uit ademde daagde het besef, dat ik een heel belangrijke les aan het vergeten was. Onder indruk van de omstandigheden was ik me uitsluitend gaan focussen op alles wat wegviel. Wat er overbleef, aan muzikale activiteiten, aan uitjes en pleziertjes, leek zo weinig, vergeleken daarbij. Maar als ik die restjes nu eens afzonderlijk beschouwde, zonder ze tegen dat grote donkere decor te zien? Spanje zat er dit jaar niet in, maar we gingen al snel een paar dagen naar de Veluwe. En concerten heb ik niet, maar ik was toch met mijn zoon een aantal mooie liedjes aan het opnemen. En zo waren er meer lichtpunten. Die kwetterden algauw als vogeltjes in mijn hoofd.


vrijdag 15 mei 2020

BELSAZAR


Het kralenspel van Herman Hesse (Das Glasperlenspiel, 1943) is een 'utopische bildungsroman'. Het verhaal speelt in de 23e eeuw, in een afgescheiden republiek waar vergeestelijkte intellectuelen zich bezighouden met het spel uit de titel. Wat dat kralenspel precies is, en wat de regels zijn (behalve dat die te ingewikkeld zijn om uit te leggen of zelfs maar te begrijpen) komen we niet te weten. De spelers troeven elkaar af in het leggen van zo origineel mogelijke, liefst abstracte dwarsverbanden tussen de data uit hun kennisgebied, dat vooral muziek, wiskunde en cultuurgeschiedenis behelst.

Ik had, voor een boekje waar u hopelijk te zijner tijd meer over zult horen, de romantische ballade Belsazar van Heinrich Heine vertaald. Het gedicht inspireerde me, en toen de vertaling af was, wilde ik er nog geen afscheid van nemen. Ik zocht de Bijbelse passage op waarop het gebaseerd is, staarde bewonderend en geamuseerd naar Rembrandts Belsazars feest, luisterde naar de meesterlijke toonzetting van het gedicht door Robert Schumann, vergeleek die met sfeer en ritme van Heine's origineel. Ik vergeleek ook verschillende interpretaties met elkaar, Quasthoff, Dieskau, Kruysen. Enthousiast geworden poetste ik mijn operastem op en zette me achter de vleugel om daar mijn eigen visie aan toe te voegen, een toontje lager dan vroeger. Zo speelde ik heel genoeglijk mijn eigen kralenspel. In een versie voor beginners, zonder regels, en vooral zonder wiskunde.

Belsazar

Het was op slag van middernacht;
En Babylon sliep diep en zacht.

Maar in het koninklijk paleis,
Daar flakkert licht, daar klinkt gekrijs.

Daarboven in de koningszaal,
Hield Belsazar zijn koningsmaal.

De menigte dronk in de vlammenschijn
De glanzende bekers met bloedrode wijn.

Ze dronken zich juichend een stuk in hun kraag;
Zo zag de weerbarstige koning het graag.

Zijn wangen kleurde een diepe gloed;
De wijn verhitte zijn trots gemoed.

Zijn moed gaat met hem aan de haal;
En hij lastert de godheid met zondige taal.

En hij snoeft brutaal, en lastert wild!
De meute juicht hem toe en brult.

De koning riep, met rechte rug;
Een dienaar snelt weg en komt terug.

Hij droeg veel gouden gerei op zijn hoofd;
Dat was uit Jehova’s tempel geroofd.

En de koning greep met misdadige hand
Een heilige beker, gevuld tot de rand.

En hij leegt hem haastig, kijkt in het rond,
En roept dan luid met schuimende mond:

‘Jehova! Ik spuug op jou zonder pardon, -
Ik ben de koning van Babylon!’

Maar nog terwijl die vloek verklonk,
Bespeurde de vorst hoe de moed hem ontzonk.

Het gillende lachen verstomde meteen;
Het werd angstwekkend stil om hem heen.

En zie! En zie! Aan de witte wand
Verscheen iets als een mensenhand;

En schreef, en schreef op ‘t witte steen
Letters van vuur, en schreef en verdween.

De koning zat daar, versteend naar het leek,
Met knikkende knieën en dodelijk bleek.

De meute was verlamd van schrik,
Men zat doodstil en gaf geen kik.

De magiërs kwamen en hebben gegist,
Maar geen die het schrift te ontcijferen wist.

Belsazar werd echter diezelfde nacht
Door zijn bedienden omgebracht.


https://www.youtube.com/watch?v=HiKarHAPtBc


dinsdag 12 mei 2020

GRIJS

We zijn in een grijze zone beland. Alles gaat langzaam, en tot nader order, weer open. Er zijn dagen dat ik helemaal niet aan Covid-19 denk - al blijft de pandemie me als een fluïdum omringen: als de tijdgeest, waarmee we maar moeten zien te leven.
Een grijze zone is per definitie onduidelijk. Het koor van opinies, onderlegd of het tegendeel, is chaotisch. Economische en medische belangen lopen door elkaar heen. De pandemie wordt politiek. De ene viroloog zegt dit, de andere dat. Ben je net blij dat het voorzichtig voorspoedig gaat met het ontwikkelen van een vaccin, en dan komt er weer een gerespecteerde longarts die in een veel gedeelde video zijn zorgen uit over de mogelijke waarheid achter allerlei complottheorieën. Bill Gates, Big Pharma, money en macht. Gelukkig zegt hij erbij uit 'onderbuikgevoelens' tot zijn boodschap te zijn gekomen, dus ik kan hém tenminste negeren. De onderbuik is er voor de vertering van voedsel en voor de voortplanting en nergens anders voor, opinies dienen uit het koele hoofd te komen, hoogstens mag het hart een beetje meespreken.
Grijs is ook de situatie in mijn werk. Nu groepen mensen weer toegestaan zijn, nadert het moment waarop de koren weer van start zullen gaan. Maar hoe dat moet is nog erg onduidelijk. Met mondkapjes zingen gaat niet, plexiglas is ook geen optie. En zingen is net als hoesten, schreeuwen en hard lachen een goede manier om virussen de lucht in te jagen. We zullen creatief en praktisch moeten zijn, en er maar vrede mee moeten sluiten dat juist de onschuld die zo typerend is voor samen zingen er een tijd lang vanaf zal zijn; alles wat de mensen dicht bij elkaar brengt is nu eenmaal verdacht in deze tijd, en virtueel bij elkaar komen is net zo'n goed alternatief voor de warmte van een koorrepetitie als porno dat is voor vrijen.
Soms verlang ik bijna terug naar het begin van de lockdown. Vadertje staat greep in, we werden kort gehouden en moesten allemaal aan een noodgedwongen sabbatical. Dat was in elk geval duidelijk. De bijbehorende angst en ongerustheid vergeet ik gemakshalve maar even. Alles was anders en we moesten ons overgeven aan de omstandigheden, die we zelf niet langer in de hand hadden. Dat gaf naast al het andere toch ook een vakantiegevoel, zeker toen de eerste schrik geweken was. Nietsdoen was niet erg, het kon nu eenmaal niet anders. Ik vertaalde negentiende-eeuwse poëzie, componeerde liedjes, en voelde me een gezegend hobbyist. Nu begint, in deze grijze zone, een licht schuldgevoel alweer aan me te knagen. En, met de hervatting van de koorrepetities in het mogelijke verschiet, begin ik ook te verlangen naar werk - echt, fysiek werk, met mensen, dat vermoeit en voldoening geeft.


vrijdag 8 mei 2020

SPEELDOOSJE

Ik zat op een bankje in het Beatrixpark, waar de doodsbeenderenboom en de metasequoia groeien, met uitzicht op een groene weide waarop jong en oud heel rustig, paarsgewijs, van de zon zat te genieten. Af en toe liep er een zakenman langs, een van de laatste die de Zuidas nog bemannen. Gesport werd hier niet, het hijgerige rennen van het Vondelpark ging aan me voorbij, of juist niet, liever gezegd. Ik kreeg een appje van mijn broer. Op mijn verzoek had hij het speeldoosje van mijn vader gefotografeerd, dat De Lorelei klingelt, traag en roestig inmiddels. Ik was verbaasd over het plaatje op het deksel. Een bekend schilderij, maar waarom ontbrak de bovenste helft van het gezicht? Een iets andere uitsnede zou dat makkelijk hebben verholpen. Ik opperde dat mijn onhandige vader de afbeelding er zelf op had geplakt, maar nee, zei mijn broer, daar zag het niet naar uit. Ik googelde de maker, de Zwitserse firma Reuge. Hoogwaardig spul allemaal, vaak exorbitant geprijsd. Zou het mechaniekje door een lokale ondernemer in dit klunzige kistje zijn gezet? Was het in opdracht in Taiwan gemaakt? Op internet vond ik alleen dergelijke Loreley-speeldoosjes annex juwelenkistjes met versierd houtsnijwerk, zonder plaatje. Het was een raadsel waarvan ik de oplossing nooit meer zal kunnen achterhalen, vrees ik.

Die nacht was het volle maan en ik lag wakker. Nu mijn Heine-vertalingen op het punt staan mijn huis te verlaten om gedrukt te gaan worden houd ik een laatste kritische inspectie. En vooral dat iconische gedicht, Die Lorelei, hield me uit mijn slaap. Een zo bekend gedicht verdraagt eigenlijk geen compromissen. Het moet exact zo iconisch zijn als het origineel. Dat is natuurlijk een hopeloze opgave voor een vertaler. Normaal zou ik met het gedicht niet zoveel moeite hebben gehad, maar ik was bezig Malle Babbe te vertalen, iedereen kent dat lied, parafraseren was uitgesloten, er moest staan wat er bij Heine staat en niks anders. Het gaat vooral om het laatste couplet:

Ich glaube, die Wellen verschlingen
Am Ende Schiffer und Kahn;
Und das hat mit ihrem Singen
Die Lore-Lei getan.

Er moesten twee dingen per se in: het typerende laconieke voorbehoud Ich glaube, en natuurlijk het zingen. Dat was een heel gepruts, over mijn eerdere versie was ik niet langer tevreden.
Tot diep in de nacht duurde mijn gepuzzel. Me van de ene op de andere zijde werpend scandeerde ik dwangmatig in mijn hoofd. Als ik meende gevonden te hebben wat ik zocht knipte ik het bedlampje aan, pakte een notitieboekje en hoopte na mijn verlossende krabbel eindelijk te kunnen gaan slapen. Dat herhaalde zich. De volgende morgen las ik onder meer: Ik meen dat zijn wilde verlangen/de boot op de rotsen doet slaan/hem kopje onder doet gaan/aan 't eind hem te pletter laat slaan/ hem reddeloos onder doet gaan, etc.
Onuitgeslapen begon ik nog voor de koffie opnieuw te malen. Ik besloot aanvankelijk mijn oude versie ('Hij kon zich aan 't eind niet bedwingen/en is in de golven vergaan') te behouden. Maar ik had niet voor niets slapeloos gepiekerd - dat voorbehoud, ich glaube, dat moest er toch echt in. Dat werd immers in allerlei analyses van het gedicht aangehaald als een typisch staaltje van Heine's ironie. En het moest in de tegenwoordige tijd, net als de rest van het gedicht.
Onder de douche kwam ik tot:

Ik meen, dat de golven hem dwingen
Met schip en al onder te gaan;
En dat heeft met haar zingen
De Lorelei gedaan.

Daarover was ik wel tevreden, zo lang als het duurt. Nou nog het ritme van de voorlaatste regel goed zien te krijgen, zonder de eenvoud van het origineel aan te tasten. (Dat heeft met haar lieflijk zingen? En dat heeft met al haar zingen?)
Wordt vervolgd, als ik ondertussen niet te pletter sla op klippen van woorden en verdrink in een stroom van taal.


dinsdag 5 mei 2020

v.h. Rookzangers notitieblog (27)

Ik kwam een hoogbejaarde maar nog zeer vitale actrice tegen, met wie ik een paar jaar geleden gewerkt had. Bij de vraag 'hoe gaat het' is tegenwoordig impliciet, dat we die op onszelf betrekken in relatie tot de omstandigheden, lees: de pandemie. 'Ik word er flauw van,' zei ze. Dat moet ik niet meteen hebben begrepen, want ze verduidelijkte toeschietelijk: 'Het is zo saai.' We praatten nog even over de theater- en museumsluiting, waar ze op doelde, maar ik dacht: Wat stoer, om het alleen maar saai te vinden.

De mussen waren allang onduidelijk bezig rond het nestkastje dat onder de klimop hangt. Waren ze echt aan het nestelen, of gebruikten ze het kastje als 'pretkastje' zoals mijn vriendin zei? Ik opperde dat het misschien een illegaal café of een bordeel was. Maar gisteren was er opeens verhoogde activiteit waar te nemen. Een iets kleinere mus, lichter van tint ook, was tevoorschijn gekomen uit de opening. Zij vloog meteen naar de rand van het dak en sperde haar bek open. Het mannetje voerde haar iets. We bleven nog lang in opperste concentratie staan turen vanuit het keukenraam, maar er gebeurde niets meer. Ofwel de mussen hadden een bescheiden gezin, ofwel we hadden het uitvliegen van de rest gemist. Maar we waren blij dat we dit hadden meegemaakt. Om de gebeurtenis zelf, maar ook om de duidelijkheid die geschapen was over de status van het kastje.

In het straatkastje voor verweesde literatuur lag een oud, hardgekaft boek. Die bekijk ik altijd even. Het bleek een uitgave van Oscar Wilde's Het portret van Dorian Gray te zijn, in de serie 'Bibliotheek voor ontspanning en ontwikkeling'. Bruinig, dik papier, zeer verbleekte kaft, stoffen rug. Geen jaartal, ik schatte jaren 20 à 30. Ik besloot het te laten liggen. Mijn boekenkasten puilen uit en ik heb dat boek al, in het oorspronkelijke Engels.
Maar de volgende dag lag het er nog, en sloeg ik het opnieuw open. Ik las de eerste bladzijde en werd getroffen door het uiterst negentiende-eeuwse taalgebruik - stond daar echt trachteden? Ik bladerde terug naar de Franse pagina maar vond geen vertaler vermeld. In deze goedkope volksuitgaven werden vaker oude vertalingen zonder naamsvermelding hergebruikt, wist ik. Ik nam het boek mee naar huis, het was me al iets dierbaarder geworden. Thuis googelde ik op vertalingen van Dorian Gray en vond algauw wat ik wilde weten. Dit was de eerste Nederlandse versie, van de hand van Elisabeth Couperus-Baud, de echtgenote ván. Ze had de vertaling in 1893 (ze was zesentwintig toen) uitgegeven onder de bescheiden auteursnaam 'Mevrouw Louis Couperus'. Dat zat zo: Wilde had Footsteps of Fate gelezen, de Engelse vertaling van Couperus' Noodlot, en was daar zo van onder de indruk dat hij de auteur een exemplaar van A Picture of Dorian Gray toestuurde, 'gebonden in een hoogst artistieke grijs-blanken band, versierd met vergulde granaatappels'. Betty las mee, vond het prachtig en probeerde enthousiast haar hand op de omzetting naar het Nederlands; haar man wist die onder te brengen bij zijn uitgeverij, L.J. Veen.
Ik las een stukje en was geamuseerd door de fraaie maar gedateerde stijl. Het had Wilde in die tijd vast modieus gemaakt, deze weergave in het jargon van de Tachtigers, maar nu werd hij er taai en ouderwets door - terwijl zijn Engels nog altijd springlevend en vlot leesbaar is. Dat heeft natuurlijk ook iets te maken met de spelling: in het Engels is die onveranderd gebleven, wij zitten met een moeilijk te overbruggen kloof, veroorzaakt door al die spellingherzieningen - tussen trachtten en trachteden bijvoorbeeld.
Elizabeth Couperus stierf in 1960 in een Haags pension. Berooid en vergeten, want het werk van haar man was in die tijd niet populair meer. Ze werd tweeënnegentig


vrijdag 1 mei 2020

SCHATPLICHTIG

Ik zag een macaber nieuwsbericht over New York en vroeg me af (misschien omdat ik zijn portret net in de VPRO-Gids had zien staan) of Arnon Grunberg daar nog altijd woonde. Ik googelde hem en het eerste wat ik tegenkwam was een tweet met daarin de volgende woordengroep: "manuscript in een kliniek gevonden".

Ik schrok. Eerst nog met de woeste, plezierige schrik om de onwaarschijnlijkheid, dat het over mijn novelle Bankjeszomer ging. Daarvan is manuscript in een kliniek gevonden de ondertitel. Heel kort maar was die schrik, want in dezelfde zin al werd auteur W. F. Hermans genoemd. Toen volgde een grotere en blijvender schrik. Er blijkt een verhaal van die naam in zijn bundel Paranoia te staan. Een gewetensonderzoek was het gevolg. Kende ik dat verhaal, of althans de titel ervan, toen ik voor die ondertitel bij mijn novelle koos? Had ik bewust of onbewust plagiaat gepleegd?

Bij mijn beste weten had ik Poe geparafraseerd, MS. Found in a Bottle was mijn voorbeeld geweest. Eerst had ik mijn novelle Typoscript in een kliniek gevonden genoemd. Maar omdat de tekst in kwestie blijkens het verhaal genoteerd was in diverse schriftjes en aantekenboekjes had ik typoscript bij nader inzien vervangen door manuscript.
Ik weet nog dat ik geaarzeld heb. Was dat eigenlijk wel Nederlands, die rare woordvolgorde? Maar het deed me desondanks heel vertrouwd aan. Natuurlijk, dacht ik toen: mijn eerste kennismaking met Poe was de populaire vertaling van Simon Vestdijk geweest: Fantastische vertellingen, in die harde kartonnen kaft met de kleur van in thee gedrenkt papier, met steenrood als steunkleur, die bij ons thuis in de boekenkast stond, zoals hij in zovele ouderlijke boekenkasten stond in die tijd. En Vestdijk noemde het verhaal Manuscript, in een fles gevonden. Met komma, dat wel.

Natuurlijk, dacht ik nu, tobbend in bed, De merel in de tuin van Simenon geopend maar ongelezen op mijn borst: ik moet, op school of anderszins, de titel van Hermans ooit onder ogen hebben gehad, dat kan haast niet anders. Ik suste mijn geweten op drie manieren:
1. Hermans parafraseerde Poe, net als ik. Dus van plagiaat is niet echt sprake, we putten beiden uit dezelfde bron.
2. Je kunt de titel als generiek opvatten: er zijn meer manuscripten in een kliniek gevonden, blijkbaar. Een heel genre kan er nog uit groeien!
3. Als ik ooit nog beroemd word, en er een herdruk komt van het in kleine oplage verschenen en inmiddels uitverkochte boekje, voeg ik die komma toe, om mijn schatplichtigheid aan Poe te benadrukken, en die aan Hermans af te zwakken.

Ik heb zelf nog een stuk of wat exemplaren van Bankjeszomer in huis. In deze moeilijke tijden is elk beetje extra geld welkom, dus ik bied ze te koop aan - voor 20 euro, inclusief verzendkosten. Wie geïnteresseerd is kan me een berichtje sturen.






dinsdag 28 april 2020

TUINCENTRUM

Mijn vriendin stelde voor naar een tuincentrum te gaan. Ze had wat fleurige plantjes en geurende kruiden nodig. Best, zei ik, waarom niet. Maar ik had me weleens beter gevoeld. De dag ervoor had ik met mijn zoon een liedje opgenomen. Het was de eerste activiteit buitenshuis sinds de liberale lockdown begon en ik was er moe van. Moe van de kick die het me gaf, om weer te werken met anderen, om weer echt muziek te maken. Kick is kater achteraf. Bovendien had ik lichte verhoging en een subtiel ontstoken bijholte aan de rechterkant, niet bepaald alarmerend, maar in deze tijd is elk symptoompje van lichamelijk ongemak een mogelijk signaal van iets ergers, zeker als je geneigd bent tot hypochondrie - en welke man is dat niet? Mijn zus schreef laatst in haar blog over haar ex, die terminaal op bed ging liggen bij elk hoestje of streepje te veel op de thermometer. Zelf heb ik ooit eens een heel ernstige ziekte doorleefd toen ik negenendertig graden koorts bleef hebben, dag na dag. Het was tijdens een meivakantie in Callandsoog. Geestelijk was ik er beroerd aan toe, maar mijn vrouw verwonderde zich over mijn koel aanvoelende voorhoofd en besloot de proef op de som te nemen. Ook zij bleek 39 te scoren. We gooiden de kapotte thermometer weg en gingen vrolijk verder met ons strandvertier.
We vonden het tuincentrum aan de zonnige rand van Purmerend en vulden een laatste gaatje in de parkeerplaats. Een jongen zat winkelwagens te desinfecteren. Ik wilde achter mijn vriendin aan lopen, maar hij riep me aan. Ieder een eigen karretje. Ik gehoorzaamde braaf en, vastbesloten het ding alleen te gebruiken als buffer tussen mij en de gevaarlijke anderen, sjokte ik de kassen in.
Al gauw dwaalden we tussen de geurige overdaad aan fris uitziende heesters, planten en bloemen. Ergens bij de pelargoniums moet het gebeurd zijn. In een impuls laadde ik wat balkonplantjes in mijn wagentje, een fuchsia, een wuivende, lichtgroene varen, een paar potjes 'Million Bells', heel aandoenlijke minipetunia's met gele klokjes. Buitengekomen stelde ik verwonderd vast, dat de vermoeidheid weg was. En die holtes? Ach, beetje hooikoorts, anders niet.
Thuis legde ik een Westmalle in het vriesvak. Mijn vriendin ging wat in de tuin werken. Terwijl ik wachtte tot mijn tripel koud zou zijn las ik haar de vrolijke circusgedichten voor van Don Vitalski, die de vorige dag per post waren aangekomen. De zon scheen hartverwarmend en de vogeltjes tjilpten als in een lied van Robert Schumann. Het was bijna mei.


vrijdag 24 april 2020

Droompaarden en nachtmerries


Vanaf midden maart tot gisteren heb ik alleen mijn dochter en mijn vriendin in het echt gezien, afgezien van wat langeafstandspraatjes met mensen op straat. De rest van mijn contact met de mensheid ging via app, chat of telefoon. Dat was mijn invulling van de oproep om afstand te houden en thuis te blijven.
Gisteren was het omslagpunt. Onder invloed van het mooie weer, de voorzichtige versoepelingen en mijn eigen geleidelijk afgenomen schrik ging ik bij mijn zoon langs. Ik had de verjaardag van mijn kleindochter moeten laten schieten en ook die van hem. Een voorzichtig bezoekje aan zijn tuin om cadeautjes uit te delen moest nu wel kunnen, ik was lang genoeg kuis geweest en het was tenslotte naaste familie, mijn eigen vlees en bloed.
We begroetten elkaar zonder de traditionele omhelzing en nadat we onze handen gewassen hadden laveerden mijn vriendin en ik wat ongemakkelijk door het huis, in ruime cirkeltjes om mijn ontspannen zoon heen. Hij maakte tuinstoelen schoon en we gingen zitten in de zon. Ik had een boek voor mijn kleindochter meegebracht, vol droompaarden, nachtmerries en eenhoorns, feeën, elfen en prinsessen, oogverblindend uitgevoerd in glinsterende kleuren met opvallend veel roze en paars. Mijn kleindochter vond het mooi, zei ze stellig. 'Joze is mijn lievelingskleuj.' Ze worstelt nog wat met de r.
Terwijl we koffiedronken en ik met mijn zoon praatte over de stand van zaken in muzikantenland zag ik hoe ze ernstig naar mijn baard tuurde. De laatste keer dat we elkaar hadden gezien was die nog van Sinterklaas-lengte geweest, nu was de schaar erin gezet. Nadat ze zich verzoend had met deze verandering in het beeld van haar opa zei ze: 'Ik vind het een mooi boek. Zullen we het lezen?'
Ik aarzelde. Maar zij niet. Hup, daar zat ze op mijn schoot. Ik wisselde een hulpeloze blik met mijn vriendin. Wat moest ik nu? Haar van mijn schoot afduwen? Ik gaf me over en probeerde met afgewend gezicht voor te lezen. Maar juist die halfslachtigheid was ongemakkelijk. In mijn oren hoorde ik de sussende stem van Jaap van Dissel: 'kinderen spelen slechts een zeer ondergeschikte rol in de overbrenging van het virus'. Maar ook zag ik de rode affiches voor me: 'Houd je oma uit de IC.' Maar ik behoorde toch zeker niet tot een risicogroep? Niet echt toch? En de schooltjes mochten toch ook weer open binnenkort? Met iets luider stem las ik voor wat windpaarden het liefst eten en hoe je een schuwe eenhoorn moet lokken.
In de auto terug voelde ik me voor het eerst in al die weken weer gewoon. Of nee, meer dan dat: vrolijk en hoopvol. Mijn zoon en ik hadden afgesproken een liedje te gaan opnemen. Ik zou voorzichtig blijven, natuurlijk, maar het krappe kringetje waarin ik had geleefd zou zich iets mogen uitbreiden.
In de namiddag kwam de terugslag. Plotseling kwam er een sombere vermoeidheid over me.
Het machteloze en verwarrende gevoel dat ik mijn kleine, persoonlijke grip op die grote ongrijpbare problemen had verloren.


dinsdag 21 april 2020

KIEVIET

Terwijl ik stapvoets van de dijk af draaide en op het flauw hellende talud parkeerde fladderde er een vogel om mijn auto heen. Hij kwam dicht bij mijn raam en ik zag dat het een kievit was. Die had ik nog nooit van dichtbij gezien. De veren hadden een kopergroene glans en het kuifje wapperde in de wind. Ik stapte uit en wilde naar het huis van mijn vriendin toelopen, maar het druk klapwiekende dier hield mijn aandacht vast. Wat deed hij zo dicht bij een mens, en waarom maakte hij van die buitelende duikvluchten over de weg? Ik liep terug naar de rand van de dijk en keek om me heen.
En daar zag ik, aan de overkant, een klein bruin diertje. Het stapte op hoge pootjes dapper langs het asfalt, een stukje heen, een stukje terug. De kievit dook er in de luwte tussen passerende auto's op af en ging er machteloos naast zitten, vloog weer op als er nieuw gevaar dreigde.
Twee wandelaars naderden. Ook zij zagen het kuiken. Ik sprak ze aan: dit is niet goed, dat beestje hoort daar niet. Nee, zeiden ze, dat hoort daar niet. Maar ze liepen opgewekt verder, blijkbaar niet zo geplaagd door visioenen van platgereden kievitskuikens als ik.
Wat kon ik doen? Ik stak de weg over en probeerde het diertje er met mijn nadering toe te bewegen de veilige begroeiing in te gaan. Weg van dat asfalt! Maar het durfde slechts één koers aan te houden: langs de weg heen en weer, met kwieke, parmantige pasjes. Het iewie iewie boven mijn hoofd klonk op het hysterische af paniekerig. Ik moest het maar overgeven, vond ik. Ik had weleens gelezen dat je jonge dieren niet zomaar op kunt pakken en terugzetten, de moeder wil dan niets meer van ze weten. Maar terwijl ik terugliep en me nog even omdraaide zag ik dat het kuiken nu midden op de weg stond. Een verloren miniatuurdiertje in een grote gevaarlijke wereld. In de verte naderde een motor. Snel ging ik de tuin in. Ik had ergens een doos zien staan. Zoeffff, de motor was voorbij. Ik speurde angstig de weg af, maar die was schoon, het kuiken was nergens te bekennen, de moeder cirkelde een eindje verder. Zou het dan toch verstandig zijn geworden en veiligheid hebben gezocht?
Ik ging op een tuinstoel zitten, uit de wind, in de zon. Mijn vriendin was nog niet thuis en ik was de sleutel vergeten. Ik pakte mijn boek maar kon de rust niet vinden om me in Heine te verdiepen.
Toen ik na een tijdje weer eens ging kijken zag ik dat de kievit boven de schapenweide vloog, aan onze kant van de dijk, en waarachtig, daar zag ik het bruine kopje uitsteken boven het gras. Blijkbaar had het kuiken de weg overgestoken, tussen alle zondagsritjes door, en was het snel de dichtbegroeide helling afgedaald. Ik kon dat niet goed rijmen met het besluiteloze heen en weer getrippel van zo-even -  waren er soms twéé kuikens? Die gedachte wilde ik liever niet toelaten.
Ik ging terug naar mijn tuinstoel en verheugde me op de komst van mijn vriendin. Ik zie geen mensen en maak nooit wat mee. Onze gesprekken gaan vooral over de toestand in de wereld. Maar nu had ik een polderavontuur om te vertellen.

vrijdag 17 april 2020

ZEUS

Hij komt kalm aanfietsen, stapt af, en posteert zich midden op het veldje aan het water waarachter de ooievaars nestelen. Hij heeft lang wit haar dat achterover golft en een indrukwekkende witte baard. Zijn gezicht is diep gebruind. Hij draagt ruimvallende, fleurige kleren die aan geen enkele mode te koppelen zijn. Een brede borstkas welft zich onder zijn openstaande blouse.
'Kijk, daar heb je Zeus,' denk ik. 'Die komt even orde op zaken stellen - en het werd tijd ook.'
Een hond loopt blaffend op een paar ganzen af. Zeus verheft zijn stem, een stem die klinkt alsof in die gewelfde borstkas een megafoon verstopt zit. 'AAN DE LIJN! HONDEN MOETEN AAN DE LIJN! DIE HOND JAAGT DE GANZEN WEG!!!'
De hond blaft betrapt, en er komen een paar soortgenoten aangerend, die ook beginnen te blaffen. De man begint terug te blaffen. 'WAF, WAF! Dat is alles wat jullie kunnen! Honden, honden! Aan de lijn met die honden!'
De baasjes, inmiddels ter plekke, staan er lacherig bij. 'Dit park is ontworpen voor honden,' zegt er een met beschaafd stemmetje.
Dat lijkt me historisch gezien een verkeerde voorstelling van zaken, ik heb altijd begrepen dat het Vondelpark ooit een rijtuigenpark was voor de betere standen.
'VOOR DE HONDEN???' brult Zeus verontwaardigd. 'En de mensen dan? Dit park is voor mensen. MENSEN!'
Het hondenkoor blaft nog wat nog harder. 'Honden?' herhaalt Zeus met nadruk. 'Waar blijven de mensen dan? MENSEN!'
Hij roept een aantal keer wafwaf en steekt zijn hoofd dreigend uit naar de beesten. Die deinzen terug. Maar als de eigenaars geen aanstalten maken om hun huisdieren aan te lijnen of terug te roepen, haalt hij een houten staaf uit een koker. Hij slaat er verend mee in zijn handpalm. Dreigend. Een man op een bankje verderop die net als ik geamuseerd naar het schouwspel heeft zitten kijken, staat op en loopt weg. Ook ik voel me een beetje gealarmeerd. Er patrouilleert de hele dag politie door het park om onze anderhalve meter te waarborgen. Waar is die te vinden, nu deze gek een wapenstok gaat inzetten? Dit loopt uit de hand.

Maar Zeus brengt de stok naar zijn mond en begint een zoet wijsje te fluiten. Hij houdt zijn instrument vast zoals fluitspelers op kindertekeningen doen: met alle vingers aan dezelfde kant, in plaats van om en om. Het is een soort indianenmelodietje, hees maar zuiver, verfraaid met trillers.
Het hondenpeloton is inmiddels verdwenen, maar deze plek ligt op de uitlaatroute en is nooit lang stil, er komt een nieuwe wandelaar aan met haar huisdier. Zeus neemt de fluit uit zijn mond en buldert: 'Eenzame hond! Jullie kunnen alleen maar pissen, kakken en blaffen. En waar zijn de mensen? Dit is een hondenparadijs! Eenzame hond! Hoor je? Een hondenparadijs!' Hij spreidt zijn armen en zingt met rauwe bas: 'HONDENPARADIJS! LUST JE NOG IJS?' Hij rondt zijn korte aria af met een laatste triller op zijn bamboefluit.
Dan heeft hij er opeens genoeg van. Hij stapt op zijn fiets en rijdt weg. Zijn sneeuwwitte haartooi wappert achter hem aan. Als hij langs me rijdt knikt hij me heel beleefd toe, met een schichtige blik. Ik zie dat hij een mopsneusje heeft.


dinsdag 14 april 2020

GOLF

We hadden eigenlijk een tweede balkonstoel nodig, vonden mijn dochter en ik, zodat we niet meer met eetkamerstoelen hoefden te slepen. Ik had er een zien staan bij het grofvuil. Een rieten zetel, zonder kussens. Als die er nog stond zou ik hem meenemen.
De dag was prachtig en ik wandelde ver. Toen ik terugkwam dacht ik aan de stoel. Hij stond er nog, wel wat wiebeliger dan ik had gehoopt, maar hij zou dienst kunnen doen. Ik nam hem mee naar huis.
Toen ik voor de deur stond kwam er een Appje. Een vriendin van mijn dochter was op weg om speciaalbiertjes langs te brengen die ze bij een kleine ambachtelijke brouwerij had gekocht, 's avonds zouden ze een virtuele paasborrel houden met de vrienden. Of ik even open wilde doen als ze aanbelde, ze zou het doosje in de gang zetten. Ik besloot niet naar boven te gaan maar voor de deur op haar te wachten. Daar zat ik, in die rieten stoel, in de stille straat, in de zon.
Er wandelde een man langs, een fitte zeventiger in een turquoise poloshirt, gebruind, zilverig haar. Het type man dat zijn pensioen met golf doorbrengt. Hij hield zijn pas in om naar de nieuwbouw aan de overkant te kijken. Hij draaide zich om, keek me recht aan en vroeg wat ik ervan vond. Ik zag mezelf zitten met zijn ogen, een baardige man met te lang grijs haar onder een baseballpetje, een sigaartje rokend in een rotte tuinstoel. Een ouwe hippie in Oud-Zuid. Ik zei dat ik het een nogal smakeloze en sombere kolos vond. Hij vond het juist prachtig, zei hij, totaal niet van zijn stuk gebracht. En hij had zijn hele leven in de makelaardij gezeten. Hij stelde vragen over de prijs van de appartementen, het aantal vierkante meters. Maakte snelle berekeningen. We hadden het al gauw over de toestand in de wereld, de crisis, de razendsnel kelderende economie. Een vriend van hem had net zijn restaurant verbouwd voor een groot bedrag, vertelde hij, die zou het niet redden.
'U kijkt natuurlijk net zo goed nieuws als ik,' stelde hij vast. 'Dan weet u dat het virus voorlopig onder ons is. We moeten er op de een of andere manier mee om leren gaan. In het Concertgebouw hebben ze plannen om, als alles weer een beetje soepeler wordt, de zaalcapaciteit te verkleinen. Lege rijen en lege stoelen tussendoor, om afstand te scheppen. Ja, da's leuk en aardig. Verdienen ze nog wat. Maar hoe moet dat dan met sport? En met evenementen? Die anderhalvemetersamenleving, daar zitten we voorlopig nog wel aan vast. Tot er een vaccin is, maar dat kan nog even duren. En wordt daarna alles weer normaal? Hoe dan ook zal de wereld niet meer dezelfde zijn.'
De man ging verder met zijn samenvatting van de vloed aan opinies die elke dag over ons uitstroomt. Ik kon het alleen maar met hem eens zijn. Maar toen zwenkte zijn verhaal een andere kant op.
'Bent u toevallig katholiek?' vroeg hij. 'Nee? Maakt ook niet uit, want als u het bent zeg ik het toch. Het grootste probleem is dat we met veel te veel mensen op deze planeet zitten. Dat ligt ten grondslag aan alle ellende, pandemieën, klimaat, oorlogen, honger, noem maar op. We zitten veel te dicht op elkaar. En die paus blijft maar weigeren om voorbehoedmiddelen toe te staan. Onbegrijpelijk toch? Een schande, als u het mij vraagt. Wist u dat een Afrikaans gezin gemiddeld zeven kinderen heeft? In China hebben ze dat één-kind-beleid gehad. Maar die zitten nu juist weer met een enorm overschot aan bejaarden. Nou ja,' besloot hij schouderophalend, 'het zal mijn tijd wel uit duren.'
'Laten we het hopen,' zei ik, hoewel ik niet wist of dat de juiste opmerking was, want het zou natuurlijk fijn zijn als er nog in zijn tijd een oplossing voor onze problemen zou komen.
Hij groette en liep fluitend verder, alsof hij op het gazon ging kijken waar zijn balletje was neergekomen.