woensdag 31 december 2014

Post Zuid (13)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.



Dag 15.

Ik vecht al een paar dagen met iets, een virus, een ziektekiem, zeker weet ik het niet. Het zal wel weer psychosomatisch zijn. Vandaag, de laatste dag van een moeizaam jaar, dreig ik het onderspit te delven. Ik voel me grieperig, somber en nerveus op de koop toe.
Terwijl ik mijn ronde begin drenst er een deuntje door mijn koortsige hoofd dat me de hele nacht uit mijn slaap heeft gehouden. Mijn eerste bestelling: de cijfers op de envelop en die op de brievenbus lijken net als ik de brief los wil laten niet te corresponderen en één angstig moment lang trek ik mijn hand terug; dan valt alles weer op zijn plek, en de brief in de bus.
Maar het weer is mooi en op onvoorspelbare momenten trekt de wolk in mijn hoofd op en zie ik met een plotseling geluksgevoel hoe scherp en strak de Amsterdamse School gebouwen tegen de blauwe lucht staan getekend waarin vrolijke wolkjes voorbij vlieten. Dan schrik ik op van een harde knal en de harmonie is net zo snel weer verdwenen als zij was opgekomen.
Ik loop snel vandaag, op de vlucht voor iets, op weg naar iets, ik zou het niet kunnen zeggen.
Maar eenmaal op de fiets brom ik zorgeloos een liedje, een ander dan dat in mijn hoofd, dat nu stil is.

dinsdag 30 december 2014

Post Zuid (12)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.


Dag 14.

De geest van het oude jaar is ten dode gedoemd maar geeft het nog niet op, lijkt zich integendeel breed te maken en de stad te overspannen met een lage loden hemel.

Op het depot ontmoet ik Rob. Hij houdt met glunderend enthousiasme een lezing over de beste methode om post te sorteren. Je moet het in je vingers hebben, zegt hij, sommige mensen leren het nooit. Ik probeer hem te volgen maar mijn geestdrift schiet vandaag tekort.

Op straat word ik vaak aangesproken. De saamhorigheid van december: wij tegen die loden hemel.

Tijdens mijn rookpauze zit ik op een bankje aan de Pieter Lastmankade. Een stel met een kinderwagen passeert, ik trek mijn karretje terug om hun vrije doorgang te verlenen. Ze glimlachen en groeten me respectvol. Ik zit veel op bankjes en zou dan net zo goed tot het stadsmeubilair kunnen behoren – niemand ziet me, of men veinst me niet te zien. Die anonimiteit geef je op als postbode.

De vrouw van nummer zes huis opent haar raam net als ik haar reclame in de bus heb geschoven. Ze beklaagt zich een beetje over de feestdagen. Een beetje ironisch, een beetje stoer. Maar gelukkig ligt er geen sneeuw, ze kan er tenminste met de Canta op uit. En verder heeft ze schatten van buren, ‘iedereen is goed voor oma’. Van haar vaste post heeft ze een kaartje gehad. ‘Nou lieverd, goed uiteinde!’

In de Bernard Kochstraat kijkt een gesoigneerde vrouw zorgelijk naar binnen bij nr. … Het ziet er raar uit in huis, zegt ze, en de vaste bewoner heeft ze al een paar dagen niet gezien. Ik zeg met postbode-expertise dat de bus keurig geleegd is. Dat lucht haar een beetje op.

Als ik terug ben is de postbode met het anarchistische gebit net bezig zijn fietstassen vol te proppen voor zijn tweede wijk van die dag. Of het een beetje bevalt, wil hij weten. Ik zeg ja, het is een mooie overzichtelijke klus: je hebt een volle kar en die moet aan het eind van een vast omschreven traject leeg zijn. Hij grinnikt en zegt dat het vooral in de zomer mooi werk is, al verdient het dan ook weinig. Ik moet de teamleider maar eens bellen, er is vast wel plaats voor me als zaterdaghulp, als mijn decemberbaantje erop zit. Ik knik en zeg dat ik erover zal denken.

Maar dan schiet me te binnen dat ik binnenkort op zaterdag weer aan de slag moet met mijn zingende acteurs in Nieuw-West, mijn échte werk. Ik vind het bijna jammer.

zaterdag 27 december 2014

Post Zuid (11)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.


Dag 13.

Omdat ik ’s nachts om half twee nog in diepe gesprekken over onderwijs, neurologisch onderzoek en wetenschapsfilosofie was verwikkeld met mijn levenslange vrienden Saphier en Gaston (we waren het hartstochtelijk maar goedmoedig met elkaar oneens) en omdat de kat die gisteren met een huis vol indringers niet durfde te eten me al om zeven uur indringend wakker gemiauwd heeft - ben ik niet erg uitgeslapen.
Het sneeuwt. Nou ja, de regen gaat over in iets dat met enige fantasie sneeuw genoemd kan worden. Een fantasie waar ik op deze derde kerstdag graag aan toegeef.
Ik gun me de luxe om met de auto naar het depot te gaan. De deur staat open, een collega gaat huiverend op weg met een zwaar beladen kar, maar mijn postzakken zijn gelukkig niet zo vol. Een tas briefpost, een paar pakjes, een tas reclame. Ik loop mijn sufheid eruit en krijg ondanks mijn handschoenen (waarvan de rechterduim en -wijsvinger zijn weggeknipt) tintelende vingers en bovendien een zeurend pijntje op de plek waar mijn recent getrokken kies heeft gezeten. Maar ik word op straat meelevend gegroet en kom in een uitstekend humeur thuis. Daar zak ik met een kop koffie weg in een stoel die wegens de tijdelijke reorganisatie van het huis op een ongewone plaats staat, kijk naar de horizontaal langs suizende sneeuwvlokjes, prijs me gelukkig dat ik er niet meer uit hoef (er zijn restjes genoeg om te eten) en ben al snel vergeten dat ik zojuist een paar uur door de kou heb gelopen. Wel voelt het hernieuwde binnen zitten als een beloning.
De postbezorging was vandaag niet meer dan een tussendoortje om reliëf te geven aan de hervonden huiselijkheid. Ik was zelfs mijn oranje jasje vergeten.

woensdag 24 december 2014

Post Zuid (10)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.



Dag 12.

Donker zijn ze zeker, deze dagen voor kerstmis; de ochtenden en de avonden in elk geval – ‘s middags heerst er een bleek licht dat alles lelijk maakt: een ander soort duisternis.
Ik hang rond op het depot en dood de tijd omdat niemand me heeft verteld dat er vandaag een afwijkend schema geldt en mijn post nog niet gearriveerd is.
Een postbode met vooruitstekende, los in hun pockets staande tanden spreekt me aan. ‘Ik heb een fles wijn gekregen,’ lacht hij, ‘maar ik drink niet meer.’
Ik toon belangstelling.
‘Op mijn veertigste merkte ik plotseling dat ik niet meer kon slapen als ik gedronken had,’ legt hij uit. ‘En ik dronk graag en veel. Bovendien ben ik vegetariër, en dan komt het als een mokerslag binnen, die drank.’
Ik zeg dat ik ook al vier jaar van de fles af ben maar hij luistert niet.
‘Ik mis het geen moment,’ zegt hij beslist.
‘Ook niet met de feestdagen?’
‘Ook niet met de feestdagen.’
Zoals altijd benijd ik de bekeerling zijn rotsvaste overtuiging, zelf zou ik deze dagen best eens lekker in een roes willen wegzakken en ik verheug me op de wijn die ik bij het kerstdiner mag drinken, een versoepeling van het regime die vorig jaar van kracht is gegaan.
Als ik terugkom van een stille, vreugdeloze ronde waarin de fleurige kerstkaarten nog enigszins kleur aanbrachten, is de abstinente postbode er ook weer.
‘En, was je wijk goed gezet?’
‘Gezet’ is jargon voor ‘gesorteerd’, ‘op volgorde gelegd’.
‘Uitstekend,’ zeg ik. ‘Fijne feestdagen!’
En ik fiets voor de duur van het kerstfeest de wereld van de posterijen uit.

dinsdag 23 december 2014

Post Zuid (9)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.



Dag 11.

Om op gang te komen zoek ik op internet naar de postbode in de literatuur. Maar als ik besef dat de bedoeling van dit baantje juist was met beide benen op straat te staan en niet steeds met mijn hoofd in hogere sferen te vertoeven breek ik mijn speurtocht af. Wel leer ik nog dat Il postino gebaseerd is op de roman Ardiente paciencia die in latere edities, na het succes van de film, El cartero de Neruda (‘De postbode van Neruda’) werd hertiteld. Schrijver is de Chileen Antonio Skármeta en oorspronkelijk speelt het verhaal helemaal niet op de Eolische Eilanden boven Sicilië maar aan de Stille Oceaan. Van die film herinner ik me vooral het kostelijke gesprek over metaforen tijdens een strandwandeling. Metafori! Wat moet je in het gewone leven met dichterlijke beeldspraak? Vrouwen versieren natuurlijk!

Als ik op het punt sta te vertrekken belt de teamleider. Waarom was ik er gisteren niet? Er wacht nog een tas post op me. Ik vertel dat ik me ’s maandags niet beschikbaar had gemeld, tenzij in overleg. Een misverstand, zegt hij. Kan ik die tas dan vandaag alsnog bezorgen? Dan moet ik wel twee keer de ronde maken, want de volgorde van beide partijen is natuurlijk niet op elkaar afgestemd. Ik beloof dat ik een rondje na zal doen op de fiets. Maar onderweg zie ik tegen die dubbele actie op en ik besluit zo mogelijk alles in één keer te doen, maandag en dinsdag.

Terwijl ik al lopend steeds twee bundels post, een kleine van de maandag en een dikkere van de dinsdag, combineer, vergelijk en bezorg voel ik me als een jongleur. Het derde balletje is een stapel loterijreclame die ik er netjes tussendoor werp. Mijn meesterproef, deze dubbelloop, en hij slaagt wonderwel. Het is ordelijk in mijn hoofd en mijn handen zijn trefzeker.

Maar bij terugkomst in het depot blijkt er toch een kaartje achter te zijn gebleven onder in een van de tassen.

In het gouden namiddaglicht neem ik een andere route naar huis en fiets via het Bertelmanplein. Zwaaiend met één enkel rood envelopje voor Sylvia S. in mijn hand voel ik me toch een beetje als de postbode die hunkert naar liefde en metaforen.

zondag 21 december 2014

Post Zuid (8)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.


Dag 10.

Meestal als ik op het depot aankom is er alleen een stille, humeurige Aziatische jongen die toezicht houdt op de aanvoer van de post en de inname van de lege tassen. Vandaag is het druk. Er liggen miniatuurkerstbroodjes op een tafel waarvan ik er, als tijdelijke kracht, geen durf te nemen. De teamleider geeft me een oranje jasje, om ‘herkenbaar’ te zijn. Ik vraag me af waarom dat pas na twee weken gebeurt. Ik trek het aan met een mengsel van ijdelheid en nederigheid. Tijd voor een selfie.

Mijn tassen zijn overvol en ik weet niet goed hoe ik de bundels reclame het handigst moet wegbergen. Eerst maar eens lopen en wat massa kwijtraken. Het stormt, de foldertjes dreigen weg te fladderen iedere keer als ik een nieuw pak post van onderop moet opgraven. Rob zou er wel iets op weten. Ik werk flink door, in hagel- en regenbuien, en na ruim drie uur is de kar leeg. Sommige mensen hebben misschien een Gall & Gall-flyer te veel gekregen of een folder van Deen gemist, maar alle kerstpost is keurig bezorgd. Ik weet nu in elk geval waarom ze in december extra mensen nodig hebben bij PostNL.

’s Avonds op een familiefeestje suggereert mijn jongste broer dat ik in deze stukjes van een mug een olifant maak. ‘Leuke verhaaltjes hoor, maar dát is nou werk – zo werken de meeste mensen.’ Ik ga de discussie niet aan over de aard van het kunstenaarschap (wij werken dag en nacht, of nooit, hoe je het maar wilt zien) want ik ben veel te blij vandaag een gewoon mens te zijn, die uitrust van zijn gewone werk, en zich verpoost te midden van dierbare, gewone medemensen.

vrijdag 19 december 2014

Post Zuid (7)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.


Dag 8.

Regen en wind vandaag, lauwe, natte wind. Mijn muts houdt het hemelwater tegen maar eronder broeit mijn haar: het is met 12 graden te warm voor wol.
Het is spijtig dat de laatste brievenbussen van mijn ronde de treurigste zijn. De laatste post die ik bezorg voor ik de rotonde op de Amstelveenseweg oversteek (die in de volksmond nog steeds het Haarlemmermeerplein heet) gaat in naamloze of exotisch gelabelde en zelden geleegde gleuven van korrelig grijs steen. Er steken reclamefolders en huis-aan-huisbladen uit die door het herfstweer tot papier-maché zijn verworden. Daar moet je de post dan netjes tussen zien te wurmen: een hopeloze onderneming.
Gelukkig is de terugkomst op het depot vrolijker. Ik snap niet dat er collega’s zijn die alles zomaar neersmijten. Geen groter klein genoegen dan de overgebleven elastiekjes liefdevol op de daartoe bestemde plaats te leggen en de zorgvuldig geleegde tassen in het juiste rek te plaatsen (‘oranje tassen,’ ‘grijze tassen’ - het wordt ons voorgekauwd). Het lege karretje is het bewijs van een geslaagd corvee. Daarna talm ik nog even voor ik de deur achter me dichttrek om het moment van voldaanheid te rekken.

Dag 9.

Het regent aanhoudend maar als ik wegga klaart het op. De lucht wordt flets blauw en zelfs een zwartkijker als ik moet zien hoe de waterige zon het baksteen doet glanzen en probeert iets te maken van de schurftige platanen.
Vannacht had ik een inval. Ik heb al een paar dagen pijn achter mijn ogen, als ik ze ronddraai. Ik weet dat aan een virusje dat niet genoeg kracht heeft om me ziek te maken maar misschien kwam het wel, zo bedacht ik me, van het ingespannen turen op etiketten, dagelijks drie uur lang. Vandaag zet ik mijn leesbril erbij op. Dat voelt raar, een leesbril op straat; een beetje indecent, alsof je in pyjama loopt.
De ronde gaat fijn en snel. Geen rugpijn, geen reclame-ellende, alleen maar tijdschriften, belangrijke kennisgevingen, pakjes en mooi versierde envelopjes. Te veel voorspoed maakt me altijd wantrouwig, het voelt alsof ik het niet verdien en een beetje vals speel. Even doemt de gedachte in me op dat er in het depot wel een tweede portie op me zal liggen te wachten, dit kan het toch niet zijn? Maar ik ontmasker dat idee onmiddellijk als een manifestatie van een vaag schuldgevoel en laat het fluitend verdampen. Ook een postbode mag het wel eens meezitten.


(Illustratie: Jan Wiegers, 'Landschap met postbode')

*************************************************************************************************


Nu bestellen, nog net voor de kerst in huis: 'Bankjeszomer', verhalen en columns. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.

woensdag 17 december 2014

Post Zuid (6)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.



Dag 7.

Kun je als hulppostbode ook een identiteitscrisis hebben?
Ik antwoord maar meteen: ja hoor.
Ik zit om half tien aan de vergadertafel, in mijn hoedanigheid als componist. We spreken over een productie die volgend jaar herfst in première moet gaan. Maar ik denk aan de regen en aan mijn ronde straks, en hoe ik de tijd tussen de vergadering en mijn postloop moet doorbrengen, want naar huis gaan heeft geen zin, daar is het te kort voor. De penningmeester begint over mijn boek, dat hij heeft gelezen, maar die pet kan ik even niet vinden in mijn assortiment hoofddeksels en ik kom niet verder dan wat schutterige dankbetuigingen voor zijn complimenten en nee, je wordt er niet steeds vrolijk van, dat is waar.
In de auto gaat mijn telefoon. Het is Rob, vanuit het sorteercentrum, die me meldt dat hij mijn post met een eerdere zending kon meegeven, zodat ik al om elf uur kan starten. Ik ben hem innig dankbaar. Rob en ik zijn een geweldig team! Ik parkeer vlakbij het depot (het is mijn zone, dat had ik al gecheckt), koop een croissantje bij de bakker en haal mijn post op. Ik probeer mijn rug recht te houden terwijl ik het karretje met één hand door de dichte regen duw. Want wat is er nou precies misgegaan?

Gisteren, na mijn eerste echte postloop zonder toezicht, wachtte me niet de huiselijke en tevreden avond waarop ik me had verheugd. Hoe de kerstboom ook flonkerde, ik voelde me onbehaaglijk, bedreigd. Koortsig ook, mijn oren suisden en ik had behoorlijk veel last van mijn rug. Mijn dochter was naar een kerstborrel, dus ik warmde een rest pasta op, keek naar het journaal en ging vroeg slapen. In bed viel het me in dat ik van de ronde van die dag niets zou kunnen navertellen, behalve de ontmoeting met de eenzame mevrouw die ik gisteren optekende. Ik had als een bezetene mijn aandacht laten opzuigen door enveloppen, adressen en huisnummers. Als een idiot savant in spe was ik door de wijk geraasd. Dat was wel heel ver verwijderd van het beeld dat ik had gehad van het werk: een beetje meditatief wandelen en ondertussen lichtpuntjes verspreiden in de digitale deemstering van onze tijd.

Als ik merk dat ik weer zo gespannen en fanatiek begin te bestellen fluit ik mezelf terug. Mijn leven hangt er toch niet vanaf? Ik vertraag mijn pas en haal diep adem, zoom uit naar het grotere verband van bakstenen huizen. Het werkt. In het antiquariaat halverwege dwing ik mezelf rustig in de bakken te kijken om me eraan te herinneren dat ik nog niet zo heel lang geleden een kamergeleerde en Kammersänger was. Ik koop een paar boeken en maak een praatje met de eigenaar, een man met een ziekenfondsbril en een walrussnor. Even later spreekt een verregende vrouw me aan, het type warrige, weldenkende oudere dame dat ik van mijn eigen buurt zo goed ken. Oud-Zuid van voor de overname door yuppen en rijke provincialen. Ik heb u al een paar keer zien lopen, mijn neef heeft het ook gedaan, zegt ze. Het loopt zo lekker hè? Ik beaam dat, en neem het ter harte.
Op twee derde van mijn ronde, op de hoek van de Hendrik Jacobszstraat en de Pieter Lastmankade, stop ik voor een rookpauze. Dat wordt inmiddels al een gewoonte en dat is goed, ik houd van vaste gewoonten en vaar er wel bij.
Daarna is het zo gepiept. Ik loop kalm verder terwijl ik grote rookwolken blaas uit mijn natte pijp, een postbode zoals ik het bedoeld had. Identiteitscrisisje voorbij. Voorlopig.


(Illustratie: Vincent van Gogh, 'Portret van de postbode Joseph Roulin', 1888)

dinsdag 16 december 2014

Post Zuid (5)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.


Dag 6.

Ik had een vette tegenzin. In het gedoe, in de kou. Te diep, te lekker geslapen - de dag leek me in contrast vijandig toe, leeg en bleek. Maar veel kouder dan het nu was kon het toch niet worden. Ik dacht aan mijn vriend Karl die me onlangs verteld had dat hij de rest van het jaar het liefst een dekentje over zich heen zou trekken. Een diep verlangen kwam in het kielzog van die herinnering mee. Een verlangen naar cocoonen, de kerstboom stond immers al.
Ik miste mijn vaste dinsdagmorgenblogroutine en deed ordeloos en nerveus klusjes tot het moment was aangebroken dat ik op de fiets kon stappen. Verloren uren, uren van wachten. Moest het dan echt, nog zo’n week? Ik had bewezen dat ik zoiets kon doen, nou was het wel weer genoeg.

Maar vanaf dat ik voet op de trappers zet klaart mijn stemming op. Een fijn regentje valt dat onmiddellijk lijkt op te lossen in het zonlicht.
Ik doe mijn ronde en bereid me mentaal voor op B.- straat 6 huis.

De vorige keer heeft ze me nog een standje gegeven. Ze sprak me aan terwijl ze vertrouwelijk uit het raam van haar erker leunde. ‘Die andere meneer geeft me de post altijd zo in handen. Nou moet ik helemaal naar de voordeur om het vak open te maken.’ Ik had juist de magere bestelling in haar bus gedaan en er was geen weg terug. Ik beloofde beterschap, ik zou het nog wel leren.
Vandaag manoeuvreer ik mijn karretje langs de Canta die haar stoep blokkeert en zwaai met het bundeltje voor haar raam, precies zoals mijn collega me heeft geleerd. Het gaat open en haar gezicht verschijnt. Ik geef haar de post.
‘Zo, een kerstkaart!’ Een brede lach, ze mist een paar tanden. ‘Lukt het een beetje?’ vraagt ze meelevend.
‘Ja hoor,’ zeg ik, terwijl ik aanstalten maak een reclamekrantje van de Blokker in haar brievenbus te duwen.
‘Waarom doe je dat nou, die heb je me net gegeven!’
O ja. Stom.
‘Ik wil ze wel, die blaadjes,’ zegt ze. ‘Ik pluis ze altijd na. Ik zit vierentwintig uur per dag thuis moet je weten. De buren hoeven ze niet, die zijn rijk. Nou lieverd, tot morgen maar weer!’ Het raam gaat dicht.

Ik ben er inmiddels aan gewend dat je als postbode vaak gegroet wordt op straat, vaker dan toen ik nog wel eens op tv kwam en mensen mijn kop ergens van dachten te kennen. Maar het is een tijd geleden dat ik ‘lieverd’ ben genoemd.

zaterdag 13 december 2014

Post Zuid (4)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.


Dag 5.

Er is nog een andere reden waarom ik dit doe.
Een tijdje geleden ging ik met een reeks opgespaarde, vage klachten naar de dokter. Mijn huisarts is een rulle man, op het grove af, die tegen zijn pensioen aan zit en alles al een keer of wat te veel heeft gezien. Ik vind die rouwdouwerigheid wel prettig, het is of hij het lichaam en zijn kwalen niet helemaal serieus neemt en dat haalt de angel van dramatiek uit een doktersbezoek.
De meeste van mijn zorgen wuifde hij geruststellend boers weg.
‘Nou ik hier toch ben, vindt u die moedervlek op mijn rug ook niet….’
‘Nee! Dat is niks. Dat krijg je als je ouder wordt, heel gewoon.’
Mijn prostaat had ik tot een andere keer willen bewaren maar toen hij hoorde dat ik daar ook wat hypochondrische zorgen over had stelde hij monter voor er maar meteen even naar te kijken. Zo werd me een hoop gepieker bespaard want nu overviel het onderzoek me volledig. Voor ik het wist stond ik in mijn blote kont voorover gebukt. Het stelde niks voor - ik kan het alle angstige twijfelaars van mijn leeftijd aanbevelen. Geen pijn, zo gebeurd. En, belangrijker: ‘Een keurige prostaat!’ zei dokter terwijl hij zijn handen waste.

Het enige waar hij een moeilijk gezicht bij trok was mijn rechterknie. Toch maar een foto maken, besloot hij. Ik ging naar het laboratorium en een paar dagen later belde hij me met de uitslag: ‘Een heel klein beetje slijtage, niet noemenswaardig. Daar vond ik je ook nog wat jong voor. Eigenlijk niks aan de hand. Je moet het er maar mee doen.’

Ik moest het er maar mee doen, met dat lichaam. Maar erg goed ging ik er niet mee om, was mijn conclusie. Eigenlijk bracht ik mijn dagen toch vooral zittend door, achter beeldscherm en piano. Vaak in een slechte houding. Eén keer per week yoga was niet genoeg, blijkbaar, en mijn wandelingen waren ook te bezadigd. Sporten moest ik, maar ik heb de pest aan sport.
Dus toen het idee op mijn pad kwam om in december voor postbode te spelen speelde die overweging een rol: ik zou gedwongen worden elke dag een paar uur te lopen, te klimmen, te fietsen, te sjouwen en te slepen. Dat zou me goed doen.

Vandaag was er een hoop post, veel dom reclamedrukwerk, en ik deed er lang over. Na afloop had ik pijn in mijn rug en de bank lokte. Maar ik trok fluks de schoenen weer aan toen mijn dochter me eraan herinnerde dat we een kerstboom zouden gaan kopen. Die droeg ik zonder te klagen drie trappen op naar boven.
Dit was de vijfde dag, de eerste week, en ik geloof inderdaad dat het lichamelijke werk me goed doet. Het lijkt zelfs of mijn knie me minder last geeft. Maar misschien is dat omgekeerde hypochondrie.

vrijdag 12 december 2014

Post Zuid (3)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.


Dag 4.

Die Post bringt keinen Brief für dich, was drängst du denn so wunderlich, mein Herz?

Er gaat veel Schubert door me heen deze dagen. Vandaag vooral: ‘Dem Schnee, dem Regen, dem Wind entgegen, immer zu, immer zu! Ohne Rast und Ruh!’
Als ik van huis ga, goed ingepakt, mept de wind woest om zich heen. Mijn broek is al gauw doorweekt. Dit zat er natuurlijk in, tot nu toe heb ik mazzel gehad. Wat zou erger zijn, deze kletsnatte wind, of sneeuw, ijs en kou? Ik denk het laatste. Als het een beetje ‘meezit’ krijg ik nog de kans beide weertypes te vergelijken op postonvriendelijkheid.
Tijdens mijn loop blijft het gelukkig droog. Ik start alleen en neem de tijd om het straatbeeld in me op te nemen, me rekenschap te geven van waar ik me bevind en waar ik nu eigenlijk mee bezig ben. Het is prettig zo in stilte te lopen, in mijn eigen tempo, en brief voor brief dichter bij mijn einddoel te komen.
Maar halverwege het traject voegt Rob zich toch nog bij me. Ik moet een opwelling van chagrijn bedwingen en de schakelaar in mijn hoofd omzetten. Maar de sociale stand doet het nog goed en we besluiten de ronde in een uitstekend humeur. Met een sierlijk gebaar werp ik de laatste brief in de laatste brievenbus. Zo.
Rob geeft me een hand. ‘Gefeliciteerd, je bent nu officieel postbode.’
Thuis kleed ik me om. Ik was vergeten hoe lekker warme en droge kleren kunnen zijn.

(PS: Osenga (de hr./mevr.), als u dit toevallig leest, – uw kerstkaarten liggen bij 50 hs.)

Post Zuid (2)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.



Dag 3.

In de B.-straat komt een man geïrriteerd zijn huis uit, zwaaiend met een zojuist door mij bestelde brief. Een lange man, scherpe donkere ogen, ascetisch gezicht. In het raampje van zijn voordeur had ik een bronzen Ierse harp en een foto van de Dalai Lama gezien.
‘Daar heb ik nou zo’n pesthekel aan, als er post voor 1 hoog bij mij bezorgd wordt!’ vaart hij uit.
Ik verontschuldig me en zeg dat ik hem volledig begrijp. Maar we praten niet gelijkvloers, hoewel de attributen bij zijn voordeur suggereren dat we het een en ander gemeen hebben. Ik ben hier een ‘mannetje’, anoniem vertegenwoordiger van een log apparaat. Ik mag geschoffeerd worden. Ik vertel dat ik nog in de leer ben, een beginnende hulpsinterklaas, en hij bindt een beetje in. Maar een lachje kan er niet af.
‘Voor een aanhanger van de Dalai Lama moet hij nog veel leren,’ zegt Rob.
Ik waardeer zijn steun maar besluit naam, huisnummer én etage van de gestreste boeddhist nooit meer te vergeten.

Het weer houdt zich goed vandaag, afgaande op buienradar had ik erger verwacht. Winderig, ja, maar geen regen; een hemel van blauw email met grote wolkenpartijen, vuil grijs en gelig wit als op oude landschappen. Rob waarschuwt me voor de scherpe brievenbussen in de Hendrik Jacobszstraat en raadt handschoenen aan. Hij blaast op zijn vingers, hij heeft het kouder dan ik. Als ik daar iets van zeg neemt hij dat hoog op. Hij is gekleed op magazijnwerk vandaag, ik zal behalve mijn leren jas wel trui en T-shirt aanhebben. Ja, geef ik toe. Twee shirts zelfs, waarvan één met col en lange mouwen. Én een das.
In een antiquariaat op de hoek van de Valeriusstraat gaat hij naar binnen om zelf de post aan te reiken. Hij blijft een tijdje weg en ik zie hem geconcentreerd in stapels boeken neuzen. Het neemt me voor hem in. Ik besluit morgen datzelfde te doen, ik ben al een tijd niet meer in die winkel geweest.

Als we bijna bij ons uitgangspunt terug zijn vertelt Rob dat een aantal jaar geleden een lading Polen werd ingevlogen om de kerstpost te doen. Ze kenden geen woord Nederlands maar redden zich heel behoorlijk. Ik vertel dat de moeilijkste boeken van mijn vriend Geerten Meijsing vroeger in Oost-Europa werden gezet, omdat de zetters daar minder fouten maakten dan de landgenoten die wél konden lezen wat ze drukten. Rob begrijpt wat ik bedoel. Hij is blij, zegt hij, om na een reeks kneusjes weer eens iemand op te leiden die er aardigheid in heeft en die het werk serieus neemt. Hij wijst op de klok van de Agneskerk. ‘Je hebt er een half uur korter over gedaan dan de vorige keer. Ik heb gelukkig niet voor niets lopen opscheppen vanochtend.’ Een getalenteerde jongen die hij vorig jaar opgeleid heeft is inmiddels van tijdelijke kracht gepromoveerd naar volwaardig postbode, legt hij uit. ‘Als je niet gillend gek wordt van mijn geouwehoer dan leer je het vak op een grondige manier.’
‘Ik zal na deze initiatie de posterijen mijn leven lang een warm hart toedragen,’ zeg ik.
Maar in weerwil van mijn ironie voel ik me gevleid.

woensdag 10 december 2014

Post Zuid (1)

Rookzanger heeft, daartoe verleid door romantische fantasieën over het mooie buitenleven der postbodes, een tijdelijk overschot aan vrije tijd en de hopelijk eveneens tijdelijke behoefte aan extra verdiensten (of misschien in een vlaag van verstandsverbijstering) zich aangemeld als decemberhulp bij de posterijen. De komende tijd doet hij daarvan verslag.


Dag 1.

Eerste verrassing, al had ik het kunnen weten: ook postbode blijkt een beroep te zijn, een ambacht zelfs, met de bijbehorende vaardigheden, do's and don'ts, handigheidjes en vuistregels. De man met wie ik deze eerste dag meeloop, Rob, een grijze vijftiger met een fris gezicht, is maar al te bereid mij deelgenoot te maken van zijn vaste gewoonten en me de redenen en voordelen daarvan uit te leggen. 'Hier loop ik altijd over het fietspad', 'je moet die bundel zo vast pakken, andersom, zoals jij het doet handigt niet'.
En zo kom ik mijn struikelblok in de omgang met mensen ongemerkt tegen, ook in deze bescheiden betrekking: het iedereen naar de zin willen maken, de beste leerling van de klas willen zijn. Het bezorgen van de post is ogenschijnlijk simpel, en zo had ik het ook graag gezien: je krijgt een stapel brieven en moet ervoor zorgen dat die in de juiste brievenbussen geschoven worden. Hoe je dat doet is jouw zaak. In de praktijk van deze eerste middag wordt het al gauw een mannending - de ervaren meester toont me zijn methode en ik doe die nederig na. Ik voel me een kleine jongen die schutterig een grote meneer imiteert. Hij glimlacht niet meewarig, daar is hij te aardig en te beschaafd voor, maar ik voel me alsof hij dat wél doet - als ik een fout maak, en bijna een envelop voor 2 hoog in de gleuf voor 3 hoog duw prikken zijn ogen in mijn rug.
De eerste tijd is het nog alsof ik een spelletje in de buitenlucht speel. Ik loop vrolijk mee en stel nieuwsgierige vragen over deze voor mij nieuwe wereld.
Maar na een uur of anderhalf (het licht mindert, we bevinden ons in een drukke winkelstraat) merk ik dat ik erin gezogen ben en mijn hoofd niet langer koel houd. Brievenbussen duizelen me, het is alsof ik hier altijd gelopen heb, gevangen in een eeuwig durende postloop 7508.
Thuis ben ik moe, ik heb hoofdpijn en pijnlijke voeten en ik krijg tijdens het mediteren mijn geest niet rustig. Nu de wereld van de postbezorger concreet voor me is geworden zijn er opeens talrijke zorgen. Hoe kom ik aan vingerloze handschoenen? Wat nou als het plenst, wordt dan de post niet zeiknat? Wat doe ik als de postkarretjes allemaal bezet zijn? Ik heb spijt dat ik eraan begonnen ben.

Dag 2.

Vandaag eerst gemediteerd, dan op de fiets voor de postronde, en niet andersom. Dat handigde niet zo.
In het kleine depot in de Veerstraat kijk ik eens rustig om me heen en alles lijkt een stuk overzichtelijker dan gisteren, ondanks de troep, zelfs met de enorme stapels Allerhande die vandaag bezorgd ('besteld') moeten worden. Ik kies een karretje, vul mijn tassen en ga alvast op pad; Rob had me gezegd om zonder hem te vertrekken als hij er nog niet was. Ik loop rustig naar mijn wijk, begin, daar aangekomen, met de bovenste poststukken, kijk goed uit en gebruik mijn gezond verstand, en zo gaat het eigenlijk allemaal probleemloos. Een vlaag regen verdrijft even de zon maar het deert me niet. Ik begin me nu werkelijk een beetje de Schubertiaanse brievenbesteller van mijn fantasie te voelen, onthecht en monter stappend door de oude straten van een ommuurde stad.
Maar daar is een stem achter me. Ik kijk om en groet Rob, kaarsrecht achter zijn fiets, vandaag van een zonnebril voorzien. Even later moet ik ('Ho! Time out!') luisteren naar uiteenzettingen over de handigste manier om huis-aan-huispost op te vouwen en de beste omgang met onwillige of zelfs kwaadaardige brievenbussen. Ik slaag erin aandachtig te luisteren, mijn sociale zelf geeft deemoedig complimenten om zoveel vernuft en zoveel ervaring, maar ondertussen blijf ik geconcentreerd op de bundel brieven in mijn linkerhand ('Je bestelt met rechts'), en schroom ik ook niet kritische en persoonlijke vragen te stellen. Niet ontevreden over mezelf vandaag.

Bij de bakker tegenover het depot koop ik een Waldkornbol met Old Amsterdam. Aan de nadrukkelijke manier waarop het meisje mijn bestelling herhaalt merk ik dat ze nieuw is. Terwijl ze begint te smeren doet een oudere collega haar voor hoe je een mes (aan je schort?) afveegt. Ik lach naar haar, we hebben iets gemeen, al weet zij dat niet.


(Illustratie: Carl Spitzweg, 'Briefbote im Rosenthal')

dinsdag 9 december 2014

Rookzangers notitieblog (16)


Vannacht werd ik wakker uit een heldere en prettige droom. Hoofdpersoon was een oud-leerling van me, die nu een antiekwinkel in de Nieuwe Spiegelstraat runt en regelmatig in Tussen kunst en kitsch te zien is als expert op het gebied van historisch glaswerk. In het huis dat zij bewoonde aan de rand van de stad, die in mijn droomversie een landelijke uitloper was, een kruising tussen de Plantage-buurt, het Spaarne en een zeventiende-eeuws schilderij, was de tuin omzoomd door een spelthaag. Dit type heg was woest krullerig en doornig, donkerbruin, bijna zwart van tint.
Op zeker moment ging het beleefde verhaal over in een geschreven verhaal. Zo duidelijk als ik nu de krant voor me zie las ik het vervolg, door mijn leerling opgeschreven. Ik las kritisch: ik vond dat er een witregel moest staan in plaats van een inspringing, bij de alinea waarmee het begon.

"Er was een jaar voorbijgegaan. Een jongen boog zich wat dieper over zijn fiets. Maar in Geul-Ruel, waar de 'vereniging tot behoud van de laurier' (die er inheems was) zich bevond........"

En dan volgde er een even verrassende als vanzelfsprekende mededeling, die ik meteen wilde noteren omdat ik haar verteltechnisch briljant vond, maar die ik me nu, in het heldere licht van deze blauwe dinsdag, op geen enkele wijze meer te binnen weet te brengen.

Misschien is er een meesterwerk verloren gegaan door mijn luie onwil om het bedlampje aan te knippen. Het zal haast wel niet, maar hoe mijn droom-ik de gebeurtenissen in Geul-Ruel kon koppelen aan die spelthaag, daar ben ik wel razend benieuwd naar.

vrijdag 5 december 2014

Rookzangers notitieblog (15)


O, de nachtelijke ruimten van de kindertijd! De stille, geheimzinnige kamers en gangen van een slapend huis in het donker, waaruit het dagelijks leven zich heeft teruggetrokken en die, aan zichzelf overgelaten, een eigen leven lijken te bezitten. Zo snel mogelijk liep ik erdoorheen, op weg van mijn bed naar de wc. Later, toen ik meer begreep en minder bang was, dwaalde ik er juist verwonderd in rond: de vage glans die de roerloze, onaangeraakte en onaanraakbare huisraad in het maanlicht had spiegelde me allerlei vormeloze fantasieën voor en riep gevoelens in me wakker waarvoor ik geen woorden had kunnen vinden. Complexe gevoelens van liefde, macht en mogelijkheden.
Een paar nachten geleden overkwam het me weer. Ik kwam van de wc en liep door mijn gangetje. Opeens was dat meer dan een neutrale ruimte. De muren leken te zwijgen. Echt, het was alsof ze zouden kunnen spreken, maar verkozen het niet te doen, en wat ze te zeggen hadden liever voor zich te hielden. Mijn voeten kleefden aan het zeil, dat geen zeil was zoals vroeger, maar imitatie hout. Warmer, minder koel. Het was een prettige, een beetje plechtige sensatie, waardoor die kleine, beperkte ruimte plotseling uitdijde (niet kromp!) en vol tot dan toe verborgen betekenis was. Er ging niets dreigends vanuit zoals in het geval van de bezielde kamer van Poe of de kwaadaardige lift van Dick Maas, maar toch was ik met z’n tweeën op dat moment, niet alleen: ik was er, en er was de gang, die om mij heen was, en zich bewust was van mij.
Het duurde maar even, toen was de betovering verbroken. Het zal wel geweest zijn omdat ik koortsig was, koorts veroorzaakt een soort kortsluiting in de geest die rare dwarsverbanden legt. De volgende dag werd ik één moment zielsgelukkig door het bekijken van de foto van een boomkikker.

dinsdag 2 december 2014

Rookzangers notitieblog (14)


Op de verjaardag van de kok ontmoette ik een studiegenoot, inmiddels was ze oma. We herinnerden ons hoe we Brahms hadden gespeeld, quatre-mains. De kok frituurde octopus voor in de vissoep, we moesten hard praten om boven het sissen uit te komen. Ze zei dat ze mijn boek had gelezen, een warme hand landde op mijn arm, kneep er even in. ‘Dapper,’ zei ze.
Eerst voelde ik me verlegen, ongemakkelijk. Als zanger word je op je prestatie aangesproken, nu werd ikzelf geprezen, om wie ik was, en dat was even wennen. Maar ik werd er ook rustig van: geen uitweg mogelijk, geen weg terug - quod scripsi, scripsi.
Iemand met mijn levenservaring zou jonge zangers moeten coachen, zei ze. De kok serveerde de vissoep uit. Ik kauwde peinzend op de inktvis. Coachen! Een grijze eminentie die het jonge spul de weg wijst. Maar waarnaartoe dan? Grijnzend lepelde ik de soep, die lekker hartig was. Ik had nog een hele toekomst voor me.


*************************************************************************************************

Pas verschenen: Bankjeszomer. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.

vrijdag 28 november 2014

MECK & HOLT



Nieuw-West: om nostalgische redenen was ik een tegenstander van de stadsvernieuwing in die buurt maar inmiddels denk ik daar anders over. Het ‘nieuw’ in Nieuw-West krijgt dankzij de her en der gerealiseerde bouwprojecten weer elan; de vermoeide buurt wordt opgefrist, er is hoop voor het stadsdeel dat ruim een decennium geleden gedoemd leek. Ooit wordt Nieuw-West nog hip, net als nu de eens zo verpauperde Baarsjes, zeggen de mensen die het weten kunnen, en ik zeg het ze graag na.

In Tussenmeer is die toekomst nog ver weg. De drukste winkelstraat van Osdorp lijkt van karton opgetrokken. Eén flinke novemberstorm en de pandjes waarin lunchrooms, opticiens, telecommunicatiegrutters en schoenenwinkels zijn gevestigd waaien om. De bomen zijn hier al kaal, terwijl me juist was opgevallen dat ze in de oude stad nog zo goed in het gele blad staan: misschien zijn ze van een ander soort, misschien is het die eeuwige wind die vrij spel heeft over de Sloterplas.
Maar als de lijm loslaat en alle andere huizen tot bouwelementen uiteenvallen en wegdwarrelen over de plas zal er één pand fier overeind blijven staan en dat is de boekhandel van Meck & Holt.
Ik was er gisteren om namens de uitgeverij een stapeltje boeken te brengen.
‘Ha, de Boudewijn de Groot van Osdorp,’ zei de eigenaar, terwijl hij me een hand gaf. Ik grinnikte waarderend. Ik kom uit het intieme Geuzenveld en voor ons Geuzenvelders was Osdorp, dat voorbij de sportvelden lag, met zijn hoogbouw en zijn lange lanen intimiderend modern en grootsteeds. De Boudewijn de Groot van Osdorp - ik had het ver geschopt in de wereld.
Ik keek eens om me heen. Oosterse tapijtjes op een planken vloer. Overal boeken, in een fijne labyrintische uitstalling zoals het hoort. De winkel was goed gesorteerd, er wees zelfs een bordje de trap op naar een afdeling Engelse boeken. Dit was duidelijk geen veredelde kiosk, dit was het literaire epicentrum van het stadsdeel. In dit bastion werd de bibliofiele traditie met hand en tand verdedigd tegen de oprukkende ongeletterdheid.
De eigenaar vertelde me dat hij zijn filiaal aan de Johan Huizingalaan had moeten sluiten, na vijf jaar met verlies gedraaid te hebben. Ooit had er een Jan Haverman in gezeten, een keten boekwinkels waarvan er maar liefst negen in Nieuw-West te vinden waren. Nu was Meck & Holt de enig overgebleven boekwinkel in het hele stadsdeel. En zelfs met dat monopolie had hij het zwaar: ‘Het internet, hè…’
Ik wenste hem en zijn sympathieke onderneming succes. Aan de overkant kocht ik voor een euro een Turkse pizza met alles erop en eraan. Terwijl ik at keek ik naar de grijze novemberlucht waarin duiven en meeuwen af en aan vlogen. Ik heb er hard voor gewerkt en de uitgever legt er zowat op toe, maar ik vroeg me opeens af of 17,50 niet erg veel geld was voor een boek, in een buurt waarin je voor een euro een hele lunch kon kopen.


(Video: Fred Martin)

*************************************************************************************************

Pas verschenen: Bankjeszomer. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
Als Meck & Holt te ver bij u uit de buurt is, kunt u het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.

dinsdag 25 november 2014

SHERLOCK HOLMES


Toen ik deze zomer in de boekwinkel Waterstones in Newport, Wales, de verzamelde verhalen van Sherlock Holmes kocht stond het al vast dat ik ze allemaal zou gaan lezen. Het dikke boek in rode stofomslag daagde me uit. Iedere avond nam ik het een beetje onhandig ter hand, of liever gezegd in twee handen, want handzaam was het niet, in het besef dat ik er een Taak bij had. In de maanden die volgden nam ik wel eens een letterkundig zijpaadje, als Holmes en Watson me even te veel werden, en las ik een romannetje van Evelyn Waugh of Bertus Aafjes, een deeltje Simenon, een traktaatje over het boeddhisme of een paar verhalen van Toonder of De Maupassant, maar ik zette goed door. Eén verhaal per bedlampsessie. En afgelopen weekend was het zover. De 1408 pagina’s, vier romans en 56 verhalen, waren allemaal gelezen. Het Holmes-oeuvre van Sir Arthur Conan Doyle was vanaf het papier mijn hoofd in gebracht.

Niet dat ik me nu een kenner mag noemen, en als u me iets zou vragen over een bepaald verhaal zou ik waarschijnlijk in gebreke blijven; want eerlijk gezegd lijken de verhalen erg op elkaar. In wezen zijn ze over het algemeen niet erg spannend, en evenmin ingenieus. De plot stelt niet zo veel voor, de briljante geest van Holmes wordt ons vooral beschreven door zijn dwepende assistent en biograaf John H. Watson, in de praktijk merken we er vaak weinig van. Toch hebben ze een enorme aantrekkingskracht, die verhalen – niet voor niets heb ik mijn zelfopgelegde taak tot een redelijk snel einde gebracht. Deels schuilt die charme in de verdwenen wereld die beschreven wordt, het Engeland tussen 1880 en 1914. Een belangrijkere reden om te blijven lezen is de verslavende formule die de verhalen volgen. Er is in de eerste reeks (The Adventures of Sherlock Holmes) een patroon geweven dat in de loop der jaren in tact blijft; Conan Doyle beantwoordt trouwhartig aan de verwachtingen van de lezers. Er wordt in één laat verhaal auto gereden en er wordt tegen het einde tamelijk frequent getelefoneerd, maar het Victoriaanse decor blijft grosso modo onveranderd.
Dat patroon verloopt zo: Watson, de verteller, maakt een ietwat plechtstatige introductie waarin hij niet schroomt zichzelf schaamteloos te herhalen. ‘In de aantekeningen die ik in de loop van twee decennia heb gemaakt bevinden zich de feiten van vele bizarre zaken. Het zijn echter niet de meest spectaculaire onderzoeken die ik te boek heb gesteld, maar diegene die het genie en speciale talent tot deductie van mijn vriend Holmes het beste hebben doen uitkomen. Toch gingen in sommige gevallen het macabere en het didactische aspect een gelukkig huwelijk aan, zoals in het onderhavige geval. In de vele jaren waarin ik het voorrecht had de methodes van mijn vriend Sherlock Holmes van nabij te kunnen volgen heb ik geen vreemder zaak meegemaakt dan die, welke ik nu eindelijk, nu alle betrokkenen overleden zijn, naar buiten mag brengen.’ Ik parafraseer, deze passage zult u nergens vinden, maar soortgelijke inleidingen zijn talrijk. Vervolgens wordt de scène in Holmes’ kwartier te Baker Street geschetst - seizoen, weer, stemming - en wordt middels een telegram, een krantenbericht of het huisbezoek van een cliënt de ‘zaak’ uit de doeken gedaan. Meestal geeft op dit moment Holmes een klein exposé van zijn deductieve logica ten beste, door de verbijsterde klant afgaande op zijn kleding en attributen te vertellen wie hij is of wat hij die dag gedaan heeft, of vallen er enkele kwinkslagen, doorgaans ten koste van de brave Watson. Dan gaan de vrienden op pad en aan de slag, al of niet met behulp van de politie, de ‘Yard’. De grote geest lost alles op, maar de omstanders tasten in het duister. Als hij de bewijzen rond heeft geeft hij inzage in de methode volgens welke hij tot zijn conclusie is gekomen. Daar zouden zij, de omstanders, en ook wij, lezers, van moeten leren, maar ieder verhaal begint het opnieuw, en volgt Watson dezelfde verhaallijn, onder andere weersomstandigheden, in een ander jaar, met andere misdadigers en andere slachtoffers. Alles blijft heerlijk hetzelfde in deze lectuur, ook al wordt Holmes een dagje ouder en nadert het moment dat hij zich uit de wereld terug zal trekken om bijen te gaan houden aan de Zuid-Engelse krijtkust.

Waarom 1408 pagina’s lezen van iets waarvan je na een paar honderd het stramien al zo goed kent? Dat vroeg ik me ergens halverwege dat dikke rode boek wel eens af, eerlijk gezegd. Maar Conan Doyle heeft één grote verrassing voor ons in petto. Anders dan je verwacht worden de verhalen tegen het einde eerder beter dan slechter. Conan Doyle had op zeker moment genoeg van zijn held. Aan het einde van The Memoirs of Sherlock Holmes laat hij hem in een ravijn storten. Maar het publiek, dat Holmes wel erg serieus neemt (dankzij de perfecte mystificatie geloofden velen dat Holmes echt bestond en werd er menig brief aan hem gericht) pikt dat niet. Conan Doyle zucht en doet zijn plicht. Maar meer dan dat: als de goede, brave, consciëntieuze ziel die deze auteur is, doet hij er een schepje bovenop. Anders dan Simenon die nogal slordig met Maigret omging en tegen het einde van de reeks soms met zichtbare tegenzin schreef, zoekt hij naar nieuwe wegen om zijn held en de wereld waarin die leeft en werkt interessant te houden. De epiloog, His Last Bow, breekt met alle wetten doordat het in de derde persoon geschreven is. Of moeten we zeggen dat John Watson een stapje opzij doet, en zichzelf en zijn vriend als van een afstand portretteert? Het is een grandioos afscheid van een tijdperk en van twee personages, die elkaar aan het eind, met de Eerste Wereldoorlog in zicht, misschien wel nooit meer zullen ontmoeten.
Maar nog is het niet genoeg. In de toegift, een laatste bundel (The Case-Book of Sherlock Holmes), pas in 1927 verschenen, experimenteert Conan Doyle verder met het vertelperspectief: Holmes zelf is soms aan het woord. Het ontluistert de mythe geenszins, want Holmes is inmiddels een levend persoon geworden, en waarom zou die zelf niet eens de pen ter hand nemen? Het valt hem tegen en hij geeft ruiterlijk toe dat die goeie romantische wijdlopige Watson er meer van gemaakt zou hebben. En Conan Doyle zelf blijkt nog vitaal genoeg om de moderne toon van die dagen in zijn verhalen een plaats te geven. Verdwenen is de pompeuze stem van het Victoriaanse tijdperk, en een verhaal kan zo beginnen: ‘Het was misschien een klucht, of misschien eerder een tragedie. Het kostte één man zijn verstand, het kostte mij wat bloed, en het kostte weer een andere man een wettelijke straf. Wel, oordeelt u zelf.’ (The Adventure of the Three Garridebs)

Ik zal ze missen, de niet zo heel excentrieke Holmes en zijn vriend, de niet zo heel domme Doctor Watson. Ik heb gehoord dat er nog een schat aan navolgingen bestaat, geschreven door auteurs die ook geen genoeg van het beroemde duo konden krijgen, maar voorlopig laat ik die voor wat ze zijn.


(Illustratie: Sidney Paget (1860-1908) voor "The Strand Magazine" van januari 1893)

*************************************************************************************************
Pas verschenen: Bankjeszomer. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.

zondag 23 november 2014

HERFSTMAAN


5.

‘Het begon te schemeren op het plein. Er hingen drie manen in de lucht, waarvan één een vreemd lichtblauwe kleur had, de tweede groot en geel was als een appel en de derde een verre gouden schittering…’
Hij stak een bierviltje tussen de pagina’s en sloeg zijn boek dicht. Lezen in het openbaar vond hij moeilijk. Hij werd er onrustig van. Hij moest waakzaam blijven, zich blijven concentreren op zijn omgeving, al was het maar met zijn ogen en oren: zijn gedachten mochten verblijven waar ze wilden.
Hij was dertig jaar terug in de tijd. De ruimte waarin hij verbleef was dezelfde als die van nu, een schemerige pijpenla van donker hout die rook naar bier en whisky. Aan het plafond hing als een uitzakkend tentdoek de Ierse driekleur: groen, wit en verschoten oranje. Langs de muren waren ingelijste foto’s en concertprogramma’s te zien, mandolines, een dobro, een bodhrán. Hij volgde een studie die hij nooit zou afmaken. Hij droeg lang haar, een vlassige baard, sandalen en een spijkerpak, een dracht die toen als ouderwets gold en bijna uit het straatbeeld was verdwenen. Hij kwam uit een kleine provinciestad. In het ontnuchterde Amsterdam van de jaren tachtig voelde hij zich misplaatst. In dit café werd hij omhuld door een troostrijke nevel. De meeste gasten waren verdwaalde reizigers en de voertaal was Engels. Er klonken weemoedige ballades die later op de avond werden meegezongen. Er werd wel gelachen, maar niet geroepen. De schrille toon van de Amsterdamse horeca ontbrak hier, de omgangsvormen waren gemoedelijk. Dronken meisjes ondersteunden hun kin met hun hand en keken vaag glimlachend voor zich uit. Rookten zwijgend. Dit was een wijkplaats voor dromers. Fons kwam er graag.
Hij leegde zijn glas. Op dit punt zou hij graag een bladwijzer tussen zijn herinneringen hebben gelegd, want hij dacht er liever niet aan terug hoe zijn studietijd ten einde was gekomen. Steeds vaker in het café, steeds sporadischer in de studiezaal. Hyperventilatie die hij met borrels bestreed. Een heftige paniekaanval in de trein, en tabé Amsterdam. Hij had bijna een jaar bij zijn ouders thuis gezeten voor hij zijn leven voorzichtig had hervat.
‘I haven’t been here for a long time. Nothing seems to have changed,’ zei hij tegen de barkeeper die het trage Guinness tapte.
‘No. Aren’t you glad? I know I am. Cheers mate!’
Hij nam zijn glas mee naar zijn tafeltje en wilde juist een eerste slok nemen toen de muziek stopte en hij achter zich een gitaar hoorde die aangeslagen werd. Hij draaide zich om. Twee jongens hadden op het kleine podium plaatsgenomen. Tussen hen in stond het meisje met de tattoo. Gitaar en viool zetten een Ierse ballade in.

Haar optreden verraste hem nog voor ze een noot had gezongen. Een mondig, modern meisje, zo had hij haar geclassificeerd. Niet cynisch, zoals Beckman, maar wel luchthartig. Makkelijk in de omgang, direct, zelfbewust. Nu zag hij een ernstige vrouw, mooi op een leeftijdsloze manier. Als de arm die de microfoon vasthield niet door groene schubben werd bedekt zou hij hebben gedacht dat daar iemand anders stond dan de studente met wie hij op het terras had zitten babbelen. Haar gezicht was sereen, zonder uitdrukking. Alleen opperste concentratie was erop te lezen, geen spoor van koketterie vervormde het. Haar ogen keken strak voor zich uit. Misschien zagen ze iets anders dan het knusse café. Misschien keken ze naar binnen.
Zangers moesten contact maken met het publiek, moesten de zaal inpalmen, had hij altijd begrepen. Het zeemeerminnenmeisje deed niets van dat alles. Maar zodra ze begon te zingen zoog ze stilte naar zich toe. Haar stem was puur. Niet alleen zuiver van intonatie maar ook onschuldig van uitdrukking. Hoewel, onschuldig? Dat klonk te kinderlijk, en kinderlijk was het allerminst wat hij daar hoorde. Het leek hem eerder of elke behaagzucht ontbrak in haar zilverige alt, waarin toch zoveel warmte meetrilde. Ze leek het oeroude lied dat ze zong te diep te doorvoelen om zich om andere zaken te bekommeren. Hoe ze overkwam, wat de mensen van haar vonden, was onbelangrijk. Dat ze juist door die waarachtigheid haar publiek meer inpakte dan ze met enige vocale brille had kunnen doen scheen ze niet te beseffen. Ze stond daar en zong. Ze zong en het werd muisstil.
Met klimmende verwondering keek Fons naar het blonde kind dat, ogenschijnlijk onaangedaan, het epicentrum vormde van de werveling van schoonheid en emotie die ze opriep. She moves through the fair… Hij kende het repertoire goed maar had het nog nooit zo gehoord. Hij voelde zich geroerd, maar niet tot tranen: haar zingen tilde hem uit boven een sentimentele roes en spiegelde hem iets hogers voor, waarvoor hij geen woorden had. Geen mistige dageraad, geen eenzame kliffen, geen groene heuvels in de zilte westenwind: zijn verrukking kende ook geen beelden. Hij luisterde betoverd naar de studente met het steile blonde haar. Hij vergat te drinken. Hij vertrouwde haar volledig. Voor de duur van haar lied was hij bereid alles in haar handen te leggen. Zo lang als ze maar bleef zingen was alles goed.

Zijn telefoon zoemde. Hij zag zijn huisnummer oplichten, niet voor het eerst die avond. Hij drukte de melding weg. Hij overwoog een sms te sturen maar hij wist niet wat hij daarin zou moeten zetten. Later. Nu niet. Misschien wel nooit.

Einde

September 2014

[Voor wat voorafging klik op startpagina en scroll terug]




vrijdag 21 november 2014

HERFSTMAAN


4.

Op een bankje op het Koningsplein probeerde hij wat te lezen. Maar Beckman had zijn plezier in de ongebreidelde verbeelding van Vance een beetje bedorven. ‘Speculaties’, echode de nasale bas in zijn oor. Voer voor romantici en dwepers. De volle maan, het zou wat! Was hij een ‘astroloog’, zoals Beckman met een sneer had gezegd? Hij dacht van niet. Hij mediteerde, maar zonder de illusie dat hij daarmee met een hogere werkelijkheid in contact kwam. Integendeel, de moeizame sessies op zijn harde kussentje zetten hem met beide benen op de grond. Zijn drukke en angstige gedachten vervluchtigden. Hij zat met zijn kont op de zaadschillen en was zich als het een beetje wilde lukken van niets anders bewust dan van zijn ademhaling, die allengs kalmer werd. Dweperig kon je dat toch niet noemen. Hijzelf vond het eerder een kwestie van geestelijke hygiëne dan iets anders.
Fantasieën had hij wel. Hij dacht aan de kosmische ramp die niet zou plaatsvinden als hij Beckman moest geloven. Wat zou hij met zijn laatste dag doen, als hem de keus werd geboden? Binnen de mogelijkheden die de stad, zijn persoonlijke beperkingen en zijn financiële middelen hem gaven? Hij sloeg zijn boek dicht en zonk weg in gedachten.
Pierewaaien. Het woord dook op met gal in zijn kielzog. Zijn vrouw had het ooit gebruikt om haar fietstochtjes te omschrijven. Ze was een burn-out nabij en hij gunde haar de vrijheid die ze blijkbaar nodig had. Later was uitgekomen dat de ritjes linea recta naar een rendez-vous met een minnaar leidden. Hij had het haar inmiddels vergeven, maar de herinnering bleef een beurse plek in zijn hoofd. Als hij die per ongeluk aanraakte schoot er een felle pijn door hem heen.
Toch was dat het wat hij het meest verlangde van zijn laatste dag. Zorgeloos ronddwalen, zich laten leiden door zijn invallen. Pierewaaien. In feite was hij al een aardig eind op weg, besefte hij. Want waar deze dag hem zou brengen bleef hem op een prettige manier raadselachtig. Niet naar zijn werk in elk geval, en voorlopig ook niet naar huis. Dat was alles wat hij zeker wist. De rest was speculatie, met dank aan Beckman. Misschien was het tijd voor wat droomelixer.

Het meisje op de stoel naast hem had een arm vol schubben. De staart van een zeemeermin. Het lijfje moest zich onder haar T-shirt bevinden, het met sierlijke haarslierten omkranste gezicht keek hem aan vanaf haar borstbeen.
Ze blies de rook langs hem heen. ‘Bedankt,’ zei ze. Fons stopte zijn aansteker weer in zijn broekzak. Hij rookte al jaren niet meer maar de gewoonte om vuur bij zich te dragen was sterk. Nu vervulde zijn koppigheid hem met voldoening.
Ze had lang haar, blond met een zweem van honing. Ze moest een jaar of vijfentwintig zijn, schatte hij. Ze sloot zich na hun korte contact niet meteen voor hem af, maar bleef dromerig voor zich uit zitten kijken. Meestal wist hij op zulke momenten niet goed wat hij moest zeggen. Terwijl hij zijn woorden woog op een te fijn schaaltje vloog het geschikte ogenblik voorbij en was de kans op een gesprek verkeken. Maar vandaag… de eerste slokken van zijn Duvel hadden al zijn losse gedachten gebundeld. Hij was klaar voor wat de wereld hem ook maar bracht. Smalltalk op een terrasje met een getatoeëerd meisje dat zijn dochter had kunnen zijn? Waarom ook niet.
‘Wat een bijzondere tattoo heb je,’ zei hij. Vriendelijk, niet te gretig. Een oom, geen jager op jong wild.
‘Dank je wel.’ Ze zette haar zonnebril af. Haar violette ogen werden blauw.
‘Heb je iets speciaals met zeemeerminnen, of is het gewoon de vorm die je aanspreekt?’
‘Dat ook wel, maar toch vooral het eerste. Als meisje tekende ik al zeemeerminnen. Ken je De kleine zeemeermin?’
‘Het sprookje van Andersen?’
‘Nou ja, de tekenfilmversie van Disney daarvan. We hadden de video thuis, en die keek ik zo’n beetje elke dag. Ariël was mijn grote heldin.’ Ze lachte. ‘Dus ja, ik heb iets met zeemeerminnen.’
Fons had een expositie in het Haarlemse Teylers Museum gezien. De meermin dook in alle culturen van de wereld op, wist hij sindsdien, dus zij was meer dan een sprookje, eerder een mythe. Hij aarzelde of hij het woord ‘archetype’ zou gebruiken maar het was er al uit voor hij ertoe besloten had. Het meisje glimlachte ironisch. Hij kon haar niets nieuws vertellen, dat zag hij zo wel, maar ze tolereerde zijn tastende improvisaties goedgehumeurd. Af en toe knikte ze om hem aan te moedigen. Ze drukte haar Marlboro uit, liet zich een nieuwe aansteken, dronk haar cola light leeg en had geen bezwaar tegen een biertje. Toen de ober hun bestelling had gebracht en ze geproost hadden (op alle vrouwen met vissenstaarten) vroeg hij haar wat ze deed. Studeren zeker?
Sort of,’ zei ze. ‘Ik doe psychologie, maar het gaat niet zo lekker. Ik kan de motivatie maar niet vinden om het eens af te ronden. Dat komt ook doordat ik niet weet of ik er wel mijn beroep van wil maken. Want ik zing ook, weet je. En dat geeft veel meer bevrediging. Het zou geweldig zijn als ik daar genoeg mee kon verdienen. Nu is het nog niet zoveel.’ Ze keek hem uitdagend aan. ‘Hé, als je me soms wilt horen, ik treed vanavond op.’
‘Waar?’
‘In Mulligan’s, aan de Amstel. Die Ierse pub. Ken je die?’
Fons werd besprongen door herinneringen die ordeloos ronddansten in zijn hoofd. Hij wist zo gauw niet welke te volgen. Hij zwierde even mee en gaf het toen op.
‘Ja, die ken ik,’ zei hij. ‘Ik zal er zijn.’

Wordt vervolgd...

[Voor wat voorafging klik op startpagina en scroll terug]

dinsdag 18 november 2014

HERFSTMAAN


3.

Fons dronk zijn koffie en overwoog of hij er een cognac of een calvados bij zou nemen. Hij verwierp dat als overmoedig. Koffie drinken was eigenlijk al een zonde tegen de regels van zijn cholesterolverlagende dieet. Misschien later op de dag, je kon niet weten hoe het liep.
Naast hem klonk een kreunend geluid dat walging of woede leek uit te drukken. Fons dacht dat zijn lezende buurman zijn aandacht wilde trekken en keek behulpzaam over zijn schouder mee. Onder een kopje Supermoon zag hij een foto van de maan.
‘Een prachtig gezicht,’ zei hij. De man schrok op en keek hem verstoord aan. ‘Wat zegt u?’
‘Een prachtig gezicht, de volle maan.’
‘Bedoelt u die van vannacht of deze op de foto? Want dat maakt nogal een verschil.’
‘Die van vannacht. Maar de foto is ook mooi.’
‘Laat u niet misleiden door wat u hier ziet. Wie zegt dat dit niet een oude archieffoto is van een eerdere volle maan? Of dat eraan gephotoshopt is?’ Hij sprak het woord uit alsof hij op een bedorven slak kauwde. ‘Ik persoonlijk wantrouw alles wat ik in de populaire media lees of zie. En ik adviseer u datzelfde te doen. Wat doet u voor de kost, als ik zo vrij mag zijn? Dichter zult u wel niet zijn, al zie ik aan uw literatuurkeuze,’ - hij wees op het boek dat uit Fons zijn jasje stak - ‘dat u een dromer en een fantast bent.’
‘Ik zit in de autoverzekeringsbranche. Ik behandel schadeclaims.’
‘Autoverzekeringen, toe maar! Zelf verplaats ik me uitsluitend per trein, en dan nog alleen maar omdat de laatste postkoetsverbinding ruim een eeuw geleden is opgeheven. Maar goed. U heeft dus verstand van aanrijdingen en panne. Valt het u niet op dat berichtjes in de krant daarover zelden accuraat zijn?’
‘Nou ja,’ zei Fons weifelend, ‘voor een expert is er natuurlijk altijd wel wat op aan te merken. Maar je kunt niet verwachten dat iedereen er zo met zijn neus bovenop zit als wij.’
‘Waarom niet? Waar staat dat? Wie zegt dat? U neemt maar aan, meneer. Natuurlijk moet u dat juist wel verwachten. Want, als een simpel berichtje over uw eigen vakgebied al te wensen overlaat voor wie het kan controleren, hoe denkt u dan dat het gesteld is met alle andere gebieden waarover de pers schrijft? Net zó natuurlijk! En die zijn doorgaans heel wat belangrijker dan een deukje hier of daar. Wat in de krant staat is slechts een benadering van de mogelijke waarheid. Als de krant erg zijn best doet, zoals deze, komt het misschien dichter in de buurt dan in het geval van dat schreeuwerige boulevardblaadje dat u naast u ziet liggen, maar het blijft slechts een indicatie. Een glimp van een veel groter geheel met oneindig veel meer aspecten. Tot ik al die kanten ken onthoud ik me van elk oordeel. En dat zou ieder verstandig mens moeten doen.’
Hij viel stil en verdiepte zich weer in zijn lectuur, schijnbaar wrevelig over zijn eigen toeschietelijkheid.
Fons wenkte de ober. Hij wees op zijn kopje en vroeg aan zijn buurman: ‘Wilt u soms iets van mij drinken?’
De man deinsde achteruit en keek hem aan met gefronste wenkbrauwen. Een dubbele onderkin werd zichtbaar. ‘Ik?’
‘Ja, wie anders?’
‘Altijd de feiten checken, nooit zomaar iets aannemen. Ja, u kunt mij een oude jenever laten brengen.’
De bestelling kwam en de man hief zijn kelkje naar zijn mond. ‘Dat is erg attent van u,’ zei hij, iets minder nors. ‘Ik heet overigens Beckman. Omdat u zo attent bent, zal ik u iets laten zien, dat een fantast als uzelf wel zal aanspreken.’
Hij haalde een tablet uit een leren valies en rolde een paar keer met zijn wijsvinger tot hij vond wat hij zocht.
‘Wat zegt u daar wel niet van, als sci-fi-liefhebber?’
Fons boog zich naar het schermpje en zag een oranje vlek die het midden hield tussen een ontstoken wond en een overbelichte herfstaster. Daaromheen wat vegen nevel en een diepblauwe sterrenhemel.
‘Betelgeuze, Al Mankib, de Oksel van de Reus. Een ster. Een levensmoede rode superreus zoals u als lezer van Vance wel zult weten.’
Fons knikte. De naam was hem bekend.
‘Nu. In feite is dat alles wat wij weten van dit fascinerende hemellichaam. Een ster aan het eind van zijn Latijn, die vroeg of laat zal exploderen en een supernova zal vormen. Let wel, ik zeg vroeg of laat. Voorzichtige schattingen spreken van 100.000 jaar. Maar wat kopt nu dit artikel, dat ik zojuist aantrof op het onvolprezen wereldwijde web?’
Omdat hij pauzeerde om een slokje te nemen keek Fons hem vragend aan.
Dag des oordeels nabij. Supernova zal ons wegvagen. Vrij vertaald. Goed, ik geef toe, de auteur nuanceert die kop verderop in het artikel en geeft daarbij enige niet geheel inaccurate informatie. Maar het kwaad is geschied, want wie leest er nog een heel artikel? En weet u, de waarheid is nog veel erger.’
Fons moest een geschrokken gezicht hebben getrokken want Beckman lachte, een diep gegrinnik.
‘Ik neem u in de maling, neemt u mij niet kwalijk. Nee, de waarheid is dat wij, en dan bedoel ik wij astronomen, want daar mag ik mijzelf toe rekenen, maar heel weinig weten van Betelgeuze. Ternauwernood wat data. Mondjesmaat wat cijfers. Ik zeg u dit om aan te tonen dat bijna alles wat wij met grote letters in de media lezen op zijn allerminst fragwürtig is.’ Hij pauzeerde met een bedachtzaam zwijgen.
‘Maar stel,’ vervolgde hij, ‘u was zo’n goedgelovig persoontje dat niet verder las dan de schreeuwerige kop van deze publicatie. Wat zou u dan doen met de wetenschap dat de aarde meegesleept zal worden in de val van een stellaire reus? Hoe zou u de komende honderdduizend jaar doorbrengen? Ha! Laat me niet lachen. Werkelijk, alles wat we over de toekomst kunnen zeggen is pure speculatie en als het dat niet is doet het er niet toe. Wij kennen slechts met zekerheid deze tafel en het gesprek dat wij nu voeren. En is dat voor u hetzelfde als voor mij? Ik vraag het me af. Maar fantasyschrijvers leven van die speculaties, en ik wed dat u zichzelf ook allerlei romantische ideeën in het hoofd hebt gehaald toen u gisteravond op uw balkonnetje naar de maan stond te kijken. Of ga ik nu te ver?’
Fons moest lachen. De man amuseerde en verwarde hem. Een lach leek de beste repliek.
‘Om u de waarheid te zeggen,’ zei hij, ‘ bedacht ik dat de invloed van de maan op de menselijke psyche wel eens meer dan suggestie kan zijn. Want als de maan op mondiale schaal eb en vloed kan veroorzaken, wat moet hij dan wel niet aanrichten in onze hersencellen, die voor meer dan zeventig procent uit water bestaan?’
‘Mijn god, u is een astroloog!’ riep Beckman in verbijstering uit. ‘Ik verslik me bijna in mijn jenever. Vindt u het goed dat ik hier maar liever niet op in ga? Beste man, er is geen enkel onderzoek bekend dat dit soort middeleeuws bijgeloof staaft of zelfs maar tegemoet komt. Dus ik onthoud me van enig oordeel. Maar omdat u zo vriendelijk bent geweest mij een glas aan te bieden wil ik u dit wel zeggen: als ik uw theorie serieus zou nemen zou ik u wijzen op het verschil tussen het momentum van een enorme watermassa als die van de oceanen, en het minieme drupje dat tussen uw zielige membraampjes ligt ingebed, een spatje dat om te schommelen zo bitter weinig ruimte heeft.’ Hij hield zijn bijna lege glaasje omhoog en bewoog het zachtjes heen en weer.
Fons zag zijn kans op een cognacje schoon en wees uitnodigend op het kelkje van de ander. Maar die schudde zijn hoofd en zei: ’Nee, ik dank u vriendelijk, maar het wordt hoog tijd dat ik me ga verdiepen in de kookrubriek van dit terecht weifelende dagblad. Dat is pas onverdachte journalistiek, meneer! Iemand zegt wat hij lekker vindt en hoe hij denkt dat dat het beste klaargemaakt kan worden. Ik kan het daar mee eens zijn of niet, maar ik word in elk geval niet door enige pretentie van objectiviteit misleid.’
Hij grijnsde naar Fons en besloot: ‘In het beste geval haal ik er inspiratie uit voor iets beters dan de afhaalchinees vanavond. Ik wens u alle goeds, en maak iets van uw dag zou ik zeggen, want Betelgeuze is nabij! Ikzelf zou niet weten hoe ik mijn laatste dag anders zou doorbrengen dan ik normaal zou doen, maar u heeft daar misschien ideeën over, als romantische fantast.’
Hij draaide zich van Fons af en sloeg een pagina om. Even later snoof hij luidruchtig. Fons stond op om af te rekenen.

Wordt vervolgd....


[Voor het voorafgaande, klik op startpagina en scroll terug]

zondag 16 november 2014

HERFSTMAAN


2.

In de metro betreurde hij het dat hij zich niet omgekleed had. Niets onderscheidde hem van de mannen die hij om zich heen zag. Hun confectiepakken en rustige overhemden waren het uniform van de loondienst, hun aktetassen en blackberries hun wapenrusting. Sommigen hadden net als hij hun vroege kaalheid verdoezeld door de tondeuse in hun resterende haar te zetten. Een enkele jongere onder hen had een baard. Toen gezichtsbeharing onlangs weer in de mode was gekomen was het ook bij Fons gaan kriebelen. De baard die in de vakantie tevoorschijn kwam bleek van een grijsdoorschoten rood te zijn. Hij zag er plotseling uit als een zeerover. Zijn vrouw vond het eerst wel charmant maar trok al gauw een vies gezicht als ze hem kuste. Alleen zijn oudere broer, die een artistiek beroep had, was enthousiast. Op de dag voordat hij weer naar kantoor ging was de piratenbaard gesneuveld. Nu wilde hij dat hij moediger was geweest.
Hij stapte uit op het Centraal Station en liep zonder doel de stad in. De zon brak door de nevelige wolken heen, het was bijna windstil. Om de stroom toeristen op het Damrak te ontvluchten nam hij een zijstraatje dat hem in het oudste deel van de stad bracht. Op de Wallen was op dit uur nog niet veel te zien. Bij een boekenstalletje in de Oudemanhuispoort kocht hij een boek van Jack Vance. Vroeger was hij een groot sciencefictionliefhebber geweest. Die tijd was allang voorbij maar af en toe verlangde hij terug naar de dromen die door die lectuur waren opgeroepen. Hij schoof het boek in zijn zak met het prettige gevoel dat hij nu gezelschap had als hij zich alleen zou voelen en weg kon vluchten in de fantastische werelden van de Amerikaanse SF-auteur als het hem hier ging vervelen. Hij stak het Rokin over en kwam op het Spui. Daar vermeed hij de donkere hang-outs van de grootsteedse alcoholisten en ging een café binnen dat er prettig ruim en licht uitzag. Hij bestelde een cappuccino en ging aan de leestafel zitten.

Net toen hij een lepeltje melkschuim naar zijn mond bracht hoorde hij naast zich een stem.
‘Pardon, is die krant van u?’
Een lage nasale stem die hoorde bij een grote vlezige man. Hij had een iets te krap corduroy-jasje aan. Een klein staartje achterop een kalend hoofd, duivelse wenkbrauwen, een gemillimeterde baard, een scherpe neus.
‘Nee, gaat uw gang.’
De man reikte voor hem langs en pakte de Trouw. ‘Dank u,’ zei hij. ‘Al weet ik niet of u me hiermee een dienst bewijst. Het merendeel van wat ik hierin zal aantreffen zal blijken hetzij slecht geïnformeerd, hetzij gelogen te zijn. Maar we zullen zien!’
Hij boog zich over het dagblad, vouwde het open en was al gauw verdiept in wat hij daar las.

Wordt vervolgd....

[Voor het voorafgaande zie Herfstmaan 1]

vrijdag 14 november 2014

HERFSTMAAN


1.

Toen Fons de Munnik die ochtend wakker werd stelde hij een merkwaardig feit vast. Hij had zin in de dag. Gewend als hij was aan zelfonderzoek probeerde hij zich zijn dromen te herinneren. Wat hij daar aantrof was deprimerend genoeg. Ziekte, dood en seksuele perversie. Hij had geneukt met een donker meisje dat tegelijk een jongen was en zijn vriend Peter had een feest gegeven om zijn naderende dood bekend te maken. Zulke dingen legden normaal een sluier over zijn ochtend die hij moest wegscheuren voor hij in staat was om helder te zien. Nu glimlachte hij erom.
Zijn vrouw hamerde er altijd op dat hij moest praten. Praten en nog eens praten, alle troep eruit gooien en alle vuiligheid naar boven brengen. Zelf zei hij dan dat stemmingen kwamen en gingen en geen direct verband hielden met mogelijk deprimerende feiten of gedachten. Had hij gelijk of niet? Hij keek naar buiten. Een lichte nevel hing in de lucht. Het was vroeg in september. Het had geregend, een waas lag over de straat. Hij herinnerde zich dat hij de vorige dag naar de volle maan had staan kijken voor hij ging slapen. Was dat het, kon het zo eenvoudig zijn? De maan?

Hij wiegde zijn thee. Oolong. Zijn vrouw zat voor haar kaptafeltje van rood gelakt mahonie en stiftte haar lippen. Ze keek geconcentreerd in haar spiegelbeeld.
‘Heb je de maan gezien?’ vroeg hij. ‘Ik heb er gisteren een hele tijd naar staan kijken.’
‘Was je daarom zo laat naar bed?’
Hij vroeg zich af hoe ze dat wist. Hij had zachtjes gedaan omdat ze vast in slaap leek. Hij nam een slokje thee en keek naar zijn vrouw. Ze trok haar lippen in om de lipstick gelijkmatig te verspreiden, legde de stift weg en begon met een borsteltje mascara in haar wimpers aan te brengen. Het was niet voor niets dat ze zo aandrong op praten. Buitenshuis, wel te verstaan, professioneel, want hier binnen deden ze het nog maar mondjesmaat. Hij kon het haar ook niet kwalijk nemen. Twintig jaar lang had ze hem aangehoord en had ze teruggepraat, zonder dat het iets aan zijn wisselende stemmingen had veranderd. Haar ammunitie was op, iemand anders moest er maar op schieten. Ze monsterde kritisch het resultaat van haar make-up, pakte haar tas en kuste hem vluchtig op zijn lippen. Hij proefde het vettige rood. ‘Tot vanavond, ik ben laat thuis.’
‘Werk ze,’ zei hij.
‘Jij ook.’
Toen hij de deur in het slot hoorde vallen wilde hij opstaan maar halverwege de beweging liet hij zich weer zakken. Hij schonk nog wat thee bij en walste de vloeistof rond. ‘Een mens bestaat voor het grootste deel uit water,’ dacht hij. ‘Als de maan in staat is die enorme watermassa’s van de oceanen te bewegen, waarom zouden wij nietige mensjes dan ongevoelig zijn voor zijn invloed? Ik ben niet gek. Het is allemaal puur wetenschappelijk. Het is hoogtij in mijn hoofd, vandaag. Dat is het.’

Hij stond al met de deurklink in zijn hand toen hij zich bedacht.
‘ASZ Auto Assurantiën, waarmee kan ik u van dienst zijn?’
‘Ja, met Fons. ‘Ben jij dat, Marja? Zeg, luister. Ik voel me vandaag nogal grieperig. Het lijkt me beter als ik thuis blijf en een beetje uitziek voordat het erger wordt. Het is toch erg rustig deze week. Ik hoop dat ik er morgen of overmorgen weer ben, maar ik laat het je tijdig weten, goed? Nou dag.’
Hij deed zijn jas uit en keek in een feestelijke stemming om zich heen. Hoe lang geleden was het dat hij zomaar vrij had genomen? Hij was een mens van vaste gewoontes. Gewoontes die een hek moesten plaatsen om de grillen van zijn humeur. Als het in zijn hoofd tekeer ging of een brij van modderige gedachten was had hij altijd de regelmaat van zijn dagen om zich aan vast te klampen. In het weekend mocht hij drinken, op doordeweekse dagen hield hij het bij thee. Zijn fantasie mocht nu en dan ontsporen, zijn leven bleef veilig op de rails.
Wat nu te doen? Een half uurtje mediteren? Zijn zaterdagen begon hij altijd met rituele ademoefeningen om te voorkomen dat de weekendborrels hem al te veel zouden meeslepen. Zijn vrouw had hem ooit meegenomen naar een yogaclubje. Zij was overspannen, haar toch al dunne haar viel uit, en voor hem zou het ook goed zijn, een beetje bezinning. Zelf was ze er allang weer mee gestopt maar bij hem had de gewoonte post gevat. Hij liep naar zijn slaapkamer en keek weifelend naar het rode kussentje dat op het Perzische tapijt lag, in het hart van het patroon. Hij duwde de punt van zijn schoen erin. Een put bleef achter in de massa boekweitkaf die door de dikke stof in bedwang werd gehouden. ‘Het is geen zaterdag’, besloot hij, ‘ik hoef er niet op.’
Hij boog ironisch in de richting van het kussen. ‘Namasté,’ zei hij schor.

Wordt vervolgd...

dinsdag 11 november 2014

Rookzangers notitieblog (13)


We hadden afgesproken bij Small Talk in de Van Baerlestraat. Eerst praatten we over de (klein)kinderen. Toen we weer aan elkaar gewend waren werd het gesprek persoonlijker en van daaruit filosofisch. Ze zei dat ze niet meer in Amsterdam zou kunnen aarden. Ze woonde nu al veertig jaar op Corsica. Ze kon niet meer tegen kou, haar botten werden oud, ze zou het Mediterrane klimaat te veel missen. Ik zei dat die veertig jaar dubbel zo lang waren als de jaren die ze in Amsterdam had doorgebracht. Ze lachte. In haar donkerbruine ogen scheen fonkelend de zon. Diezelfde voorjaarszon had erin geschenen toen we op een klassenavond hadden geschuifeld, zo ontzettend lang geleden. Even verslapte de wurggreep van de tijd.


*************************************************************************************************

Pas verschenen: Bankjeszomer. Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.

vrijdag 7 november 2014

BANKJESZOMER


‘Mag ik dan uw legitimatie even zien?’
Een laatste barrière. Gewillig haalde ik mijn portefeuille tevoorschijn – ik had me op dat moment op straat uitgekleed om hem de moedervlek in mijn linkerknieholte te tonen als hij erom gevraagd had.
‘In orde meneer.’
Ik nam de doos aan en tilde hem samen met mijn boodschappen naar drie hoog. En dat was het dan, het triomfje aan het eind van een dag wachten. De hele stille, mistige novemberdag was de straat leeg gebleven. Binnen was het me in de loop van de middag gaan benauwen. Pas toen mijn dochter thuis was gekomen om op de bel te letten kon ik er even uit. En juist op het moment dat ik terugkwam en de hoop al had opgegeven stond daar de bestelwagen voor de deur.
Naar dit uur had ik weken, nee maanden toegewerkt. Hoe moest ik het vieren? Het huis was schoon en netjes. Om de komst van het nieuwe boek voor te bereiden had ik gestofzuigd en opgeruimd. Ik bedwong mijn ongeduld en borg eerst de boodschappen weg. Ik schonk mezelf een glas druivensap in, stopte een pijp, pakte mijn fototoestel en een Zwitsers zakmes, legde beide klaar naast de doos, die pal midden in de kamer troonde, en wachtte tot mijn dochter beneden kwam, zodat zij het moment kon vastleggen.
Even stond ik daar een beetje wezenloos te kijken, toen won mijn praktische kant het van mijn theatrale. Ik sneed de doos open en tilde het eerste boekje eruit. Het was mooi geworden, stelde ik tevreden vast. Ik stak mijn pijp aan en nam een slokje en ging in mijn stoel zitten bladeren in wat ikzelf al te vaak gelezen had.
Dat plechtige moment zouden we straks wel ensceneren.

Leest u mee in deze bundel verhalen over de zelf- en Zenkant van Amsterdam-Zuid?

Bankjeszomer is een uitgave van Uitgeverij Flanor.
U kunt het boek bestellen door 17,50 over te maken op NL85.INGB.0680.2522.15 van W.S. Huberts te Nijmegen onder vermelding van NR. 81, Bankjeszomer.
Vergeet niet uw naam en adres te vermelden.
U krijgt het dan zo spoedig mogelijk thuisgestuurd.

Bericht van de uitgeverij:

"In de novelle Bankjeszomer voert musicus en schrijver Jan-Paul van Spaendonck ons mee naar de zelfkant van Amsterdam-Zuid. In deze dronken monoloog, die gesitueerd is in en rondom de Jellinek Kliniek, maken we kennis met de rijke binnenwereld van een gesjeesde muzikant, die zijn aangrijpende verhaal met barokke gusto en galgenhumor vertelt.
Bankjeszomer is aangevuld met een viertal verhalen uit Dorst, een tot dusver ongepubliceerd werk waarin de auteur nieuwsgierig op zoek gaat naar de wortels van zijn drankzucht.
In de columns die het boek besluiten betreden we tenslotte de nuchtere wereld waarin Van Spaendonck verblijft sinds hij zijn verslaving heeft overwonnen. Een kwetsbare maar spirituele wereld die resoneert van muziek en literatuur.

Over Rookzanger, een in 2012 bij Flanor verschenen bundeling van zijn columns, schreef Geerten Meijsing: ‘Van Spaendonck is een stemmingskunstenaar. Ik ken weinig mensen die zo concies weten op te schrijven wat er omgaat, opspeelt of bezworen wordt in hun gemoed.’
‘Van Spaendonck is een verrassend toptalent, dat een brede lezerskring verdient.’ (Cees van der Pluijm in NBD Biblion)"



(Omslagontwerp Rosanne van Spaendonck. Schilderij: Rotonde met pijproker, Jan Kusters)

dinsdag 4 november 2014

UITGLIJDER


Ik was gaan denken dat het wel weer kon. Maar mijn vijand wist beter. Die had zich koest gehouden en zich van zijn beste kant getoond. Net toen ik dacht dat het toch eigenlijk wel meeviel met zijn kwade bedoelingen, dat ik hem aankon en dat we misschien zelfs vriendjes zouden kunnen zijn, sloeg hij genadeloos toe.
Ik denk niet dat er veel niet praktiserende alcoholisten bestaan die het redden zonder een uitglijder nu en dan. Natuurlijk, er zijn van die bewonderenswaardige wilskrachtige reuzen, die na een kloek besluit, ooit genomen, geen druppel meer hebben gedronken, al tien jaar, of veertig. Alsof ze een knop hebben omgezet die niet meer teruggedraaid kán worden.
Maar de meesten zal het vergaan zoals het mij vergaat. Je geeft de overwonnen vijand weer een plaatsje in je leven, een klein, overzichtelijk plaatsje waar je hem goed in de gaten kunt houden. Met kerstmis mag je een glaasje, met een bijzonder etentje of als er iets te vieren valt. Het gaat goed, je slaagt met vlag en wimpel, en ergens in je geest wordt, zonder dat je het beseft, de weg vrij gemaakt voor een zegetocht van je opponent. Hij walst over je heen op een moment dat je niet op je qui vive bent.
Mij overkwam het afgelopen zondag. We waren moe teruggekeerd van een lange duinwandeling. Er was een feestje van kennissen in het dorp, mensen die ik niet goed ken, en die tot een heel andere levenssfeer behoren. Nog geen jaar geleden zou ik de avond hebben doorstaan met een glaasje fris, of me hebben geëxcuseerd. Maar nu dacht ik: kijk, als drank nou ergens goed voor is, dan is het daar voor – het sociale contact vergemakkelijken. Dus dit leek me een ideale gelegenheid om mijn abstinentie te doorbreken.
In het begin ging het nog goed. Ik stond met een glas koude witte wijn te praten met een man die veel had meegemaakt in zijn leven. Mijn oren stonden open, ik was me goed bewust van alles, van mezelf, van de situatie, van de mensen om me heen. Ik vond het een fijn gesprek – dat had ik toch maar mooi moeten missen als ik thuis was gebleven! En of ik het had kunnen voeren met een Fanta was maar zeer de vraag.
Maar ergens in de loop van het volgende uur veranderde er iets. Ik hoorde mezelf te druk oreren over belangrijke kwesties, waarbij ik nog wel vaststelde dat ik het moeilijker vond om te formuleren wat ik wilde zeggen dan ik gewend was. En op zeker moment liet ik me maar meedrijven met de stroom, maar niet op de manier die het boeddhisme propageert: mijn waakzaamheid was verdwenen, tegelijk met mijn zelfbewustzijn. Het feest loste op in een mist.
Over de dag daarna wil ik zwijgen. Ik lag te huiveren onder een dekentje. Mijn vriendin zei: wees nou niet ál te streng tegen jezelf. Je kunt het toch niet terugdraaien. Beschouw het als een leermoment en kijk vooruit.
En inderdaad heb ik ervan geleerd. Mijn vijand bestaat nog. Hij zal waarschijnlijk altijd blijven bestaan en ik moet hem goed in de gaten blijven houden. Het is niet leuk om zo te moeten leven, liever zou ik zonder vijanden door het leven gaan. In een ideale wereld zou dat moeten kunnen.
Maar een ideale wereld bestaat alleen in de illusie die wordt opgeroepen door die eerste paar roekeloos gedronken glazen wijn. Een illusie die vervolgens tot monsterlijke proporties wordt opgeblazen om wreed uit elkaar te spatten bij het ontwaken.

vrijdag 31 oktober 2014

Rookzangers notitieblog (12)


Ik ontmoette B. op de Oude Turfmarkt. De horecakeuze liet hij aan mij over. Kapitein Zeppos, dat ik nog kende van vroeger, leek me wel een aardig gebaar naar een Vlaming. We aten er garnalenkroketjes, buiten in de steeg, want de avond was zacht. B. begon me uit te leggen wie Kapitein Zeppos was. Ik onderbrak hem en vertelde hem van ‘onze’ liefde voor Vlaamse kinderseries. Ik weet niet of ik hem er een plezier mee deed – zelf keek hij in die tijd liever naar Ja Zuster Nee Zuster.

Amsterdam was erg opgeknapt sinds de grimmige en vuile jaren tachtig, vond B. Ik beaamde dat, hoewel ik in die tijd in de provincie woonde en de rellen in mijn geboortestad alleen op tv volgde.
Hij moest een vroege trein halen en ik liep terug naar huis. De stad krioelde van de Italianen, had B. verwonderd vastgesteld, wat zochten die hier toch? Maar niet alleen de toeristen – iedereen haastte zich, op speed leek het wel, koortsachtig op zoek naar dat mythische genieten van tegenwoordig.
In het Vondelpark viel me weer in wat ik B. had willen antwoorden. Dat de stad die ooit Dog Shit City werd genoemd nu zo schoon was. Van het Spui tot het Concertgebouw heb ik geen hondendrol gezien.