Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen

vrijdag 5 juni 2026

JA


Op het bankje waar je tot voor kort zicht had op het ooievaarsnest zag ik Hans zitten. Die nestpaal is weggehaald - te scheef volgens de gemeente - en de ooievaars wonen nu een end verderop. Het bankje is sindsdien minder in trek en Hans had ik er dit jaar nog niet gezien. Ik weet dat hij een winterslaap houdt en pas 's zomers de hele dag in het park te vinden is. Ik was niet in de stemming voor bijpraten met andere flaneurs en lanterfanters en schoot een zijpaadje in.
In het rosarium ging ik zitten op een beschutte bank met uitzicht op een weelderige rode beuk en besloot een poging te doen om serieus te mediteren. Er moest afgerekend worden met een onbehagen dat me dezer dagen zo niet kwelde, dan toch bedrukte. Ik keek omhoog naar de opklarende lucht waardoor, steeds hoger, witte wolken dreven. Diep ademend liet ik er een mantra op los die me gisteren te binnen was geschoten. Een heel simpele: JA. Ik moest de wereld wat meer bejahen, dat was me wel duidelijk. En waarom dan niet letterlijk?
Een vrouw kwam aanfietsen, minderde vaart. Ik hoopte dat ze verder zou gaan maar ze stapte af, liep moeilijk naar het naburige bankje, zette haar fiets ertegenaan en ging zitten.
'Is die fiets van u?' hoorde ik dwars door het ja heen. Ik keek mee naar een lekke Swap-fiets die tegen het rozenperkje leunde.
'Nee,' zei ik. 'Hij stond er gisteren ook al,' voegde ik er geheel overbodig aan toe.
'Ah! Dus u was hier gisteren ook?'
Dat kon ik niet ontkennen. Ik was bang dat dit uit de hand ging lopen en bereidde me voor op een snelle aftocht. Maar ze vroeg niet verder, stond op en sleepte de fiets die haar hinderde naar een andere bank. Ik hervatte het ademen en zwijgen. Maar zo gemakkelijk kwam ik er niet vanaf.
'Ik wil een filmpje maken van deze plek, rondom, als panorama,' klonk het links van me. 'Dan komt u er ook op. Vindt u dat erg?'
Ik dacht even na maar zag geen kwaad in mijn aanwezigheid op de telefoon van een oudere, wat excentriek en triest uitziende vrouw. 'Nee hoor,' zei ik.
Ik voelde in mijn ooghoek de aanwezigheid van haar camera en probeerde bij mezelf te blijven en geen interessante smoel te trekken.
'Dank u wel,' zei ze. Ik knikte zwijgend.
Nadat we een tijd samen gezwegen hadden stond ik op en wenste haar een fijne middag.
'U ook, en nog bedankt,' zei ze.
Ik liep terug naar de ingang van de rozentuin en besloot nog even langs Hans te lopen. 


vrijdag 24 april 2026

Tijddeurtje en vrije meter


Een tijddeurtje klapte open als een kattenluik en we kwamen hard in de lente terecht.
Daarvoor was er wat regen geweest, merels in een schemering van donkere wolken, de geur van natte stoep, die, weet ik sinds kort, petrichor genoemd wordt.
De wereld was op slag helemaal anders. Het was nog fris maar het park was nooit zo lichtend groen geweest, 
de lucht was onbewolkt madonnablauw. Zwartkoppen kwetterden hun coloraturen. Lijsters riepen om het hardst. Kleine bruine vogeltjes vlogen af en aan, te snel om te determineren. Was het een braamsluiper, of toch een grasmus, die zojuist over mijn schouder de struiken in verdween?

In de koude nachten, onder de nieuwe maan, lig ik wakker en probeer me van alles te herinneren. Als ik eindelijk inslaap droom ik veel van mijn vader en mijn moeder. Wat dat te beduiden heeft?


Er fietst een man voorbij. Een magere, grauwe zeventiger met pluizig, slecht geverfd haar die, voorovergebogen over zijn racefiets, hardnekkig in de eeuwige jeugd wil geloven, of liever, in het niet bestaan van de ouderdom. Ik herken mijn jeugdvriend D. maar roep hem niet aan. Een tegenzin welt in me op als ik denk aan het toneelgesprek dat we gaan voeren nadat hij mij herkend heeft. Dit alles, herkenning, weerzin en de reden ervan, gaat in een woordeloze flits door me heen.
Ik vergeef het mezelf - wat zouden we elkaar moeten zeggen?

Mijn zus appt me, later ook mijn broer. Dat ik zo afwezig ben op de sociale media. Gaat alles wel goed? Ik bevestig het laatste en ontken het eerste. Maar inderdaad is de continuïteit van ons contact doorbroken de laatste weken. 
Het lijkt lang geleden dat ik me het zuur dronk aan Grauburgunder tijdens het Duitse reisje waarvan ik het thuisfront uitvoerig verslag deed in woord en beeld. Het lijkt lang geleden dat ik zeventig werd. De wereld is veranderd sindsdien. Een tijddeurtje schoot open, een kattenluikje.

Ik vertelde jullie over de nieuwste bedreiging van mijn huisvrede. Sindsdien heb ik bij de buren kunnen zien en horen hoe het vervangen van deuren en kozijnen een niet te onderschatten overlast geeft.
Over één ding had ik me geen zorgen hoeven maken: ze zijn op schema, de hardwerkende timmerlieden uit Emmeloord. Gisteren belde een van hen aan. Aanstaande dinsdag sta ik ingepland. Maar mochten ze soms ook maandag al een paar uur komen werken? We hebben toch niks met Koningsdag.
Ik moest daar even over denken; ik noteerde een 06-nummer, gaf even later groen licht. Het oorspronkelijke scenario was geweest: na een afwachtende feestdag voor dag en dauw wakker gemaakt te worden voor een lange dag van lawaai, stof en drukte. Nu kreeg ik éérst een voorproefje, op een verder - hopelijk - prettige dag. Ik kon even wennen, ik was al door. Mochten de katten te veel last hebben van hun opsluiting in slaap- en voorkamer, dan konden we die avond alsnog beslissen ze een paar dagen op mijn dochters zolderkamers te laten bivakkeren, wat Plan B was. 
Die vrije meter, waarin ze moeten kunnen werken, de mannen, dat is nog even puzzelen, dat wordt slepen met bureau, vleugel, gitaren, schilderijen, boeken, planten, kastjes. Maar dat is een mooi taakje voor het weekeind. Het is te doen, het is te doen! Met een beetje geluk is half mei alles achter de rug en hervatten wij, katten en bazen, ons gewone stadse buitenleven.



Twijfelaars, aarzel niet langer en bestel dit prachtige boek vol verhalen en gedichten: KROONJAAR

vrijdag 10 april 2026

Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?

Onze Paasreisjes begonnen ooit toen ik het heel druk had. Ik had juist een derde koor erbij genomen, een operettevereniging, en was bijna alle avonden op pad om te repeteren, en de weekenddagen ook, als de voorstelling naderde. Om even bij te komen, dat eerste jaar, boekten we een hotel, dat, zo stelde ik me voor, een ouderwetse naam en dito uitstraling moest hebben en zich liefst in het Oosten van het land moest bevinden. Het werd de Gouden Karper in Hummelo, nog net niet de Gebraden Haan uit de Bommelverhalen, maar het kwam in de buurt.
Het uitje beviel goed en met Pasen op hotel werd een traditie, ook toen de drukte na Corona geluwd was doordat de zieltogende operetteclub er na ruim 100 jaar de brui aan gaf.
Dit jaar besloten we na zes keer Twente of Achterhoek en twee keer Zuid-Limburg iets verder van huis te gaan. Tijdens een kleine herfstreis afgelopen november hadden we Waldschlöschen ontdekt, een rustieke en ouderwets betaalbare oase van rust aan de voet van een beboste berg in het Teutoburgerwoud. Daar zouden we Pasen doorbrengen. 

De voortekens waren goed. Het weer zat mee, we hadden geen sluimerend griepje zoals vorig jaar en de auto was in goede staat, zodat de kans op een kapotte distributiekabel, die ons vorige uitje op de valreep een nare bijsmaak had gegeven, zeer klein was. De verrekijker ging mee, natuurlijk, een paar vogelboeken, een roman waarin waarschijnlijk zeer weinig gelezen zou worden, en een bundel Duitse romantische poëzie voor de sfeer; deze keer had ik voor Eichendorff gekozen. Geen regenjas, een warm colbertje volstond, tenslotte was het lente. Ik had op Google ontdekt dat onze oosterburen nog meer aan paastradities hechten dan wij. Er waren overal vuren daar, en in Bad Iburg was een grote paasmarkt in middeleeuwse stijl. Dat bleek een variant op ons vaderlandse Castlefest te zijn, met verklede vrouwen met elvenoortjes en mannen met bijlen, mede van het vat en elkaar luide treffende geharnaste ridders in een toernooi.

Na het introductie-bier in het hotel, zondagmiddag, met een vrieskoude Korn ernaast, maakten we een wandelingetje naar een kleine waterval. Onderweg smeulde op een bergweide een vuur, door een paar mannen aangewakkerd of uitgetrapt, dat was niet meteen duidelijk. Mijn vriendin dacht dat het misschien een nog levend restant van gisteren was, maar ik zag de schragen tafels met flessen en was niet zeker. Door de schnapps onbevreesd geworden stapte ik op de mannen af. Neen, zojuist aangestoken, zei een toeschietelijke meneer. We praatten een tijdje over de toenemende regelgeving (ik kon niet op het woord voor formaliteiten en formulieren komen maar hij begreep me best) die dit soort leuke dingen steeds verder in het nauw brengt, ook in het wat ruimere buurland, en zo kwam het gesprek op de jacht. Hij monsterde mijn mosgroene truitje, mijn bruine tweedjasje, mijn hoed, mijn baard, mijn verrekijker, en vroeg: Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?
Bij het watervalletje zag ik maar liefst drie grote gele kwikstaarten. Mijn vogelweekend was al goed maar zou nog beter worden. Op de terugweg naar het hotel zong ik Schubert, Der Jäger, uit de Schöne Müllerin. Als de toon eenmaal gezet is krijgt zo'n vakantietje algauw een soundtrack mee, en die bestond dit jaar uit met bejaarde bariton gebromde Wanderlieder en uit het blaffende geknor van de Raven - mijn eerste officiële waarneming - die ik de volgende morgen boven de woudrand zou zien scheren op de thermiek; ook mijn vogel-app aarzelde niet en wist het zeker: common raven. 

Iets minder tevreden was ik over mijn zelfbeheersing. Na de eerste avond overvloedig gedineerd te hebben besloot ik de maag de volgende dag te ontzien en het bij gebraden oesterzwammen op een bed van stamp van zoete en gewone aardappel te houden. Digestieven streng verboden, zelfs geen Alte Marille, hoe lekker die abrikozenbrandewijn ook had gesmaakt, en op de kamer hooguit nog één nachtmutsje. Maar na drie grote glazen Grauburgunder in de zon sneuvelde dat voornemen over paddenstoelen en zwichtte ik weer voor de verleiding van een schnitzel ter grootte van een deurmat. Tenslotte ben je niet elke dag in Duitsland. Dat het de foute keus was besefte ik de volgende morgen toen ik het ontbijtbuffet vrijwel onaangesproken moest laten.


(Illustratie: een tamelijk foute, waarschijnlijk met AI gemaakte 'visualisering' van Schuberts lied, door de Duits-Russische pianiste Evgenia Fölsche)


vrijdag 6 maart 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 69: Hommels, katten en muizen


Ik liep zoals iedere dag in het park. Nog met wintervacht - de kapper was er vandaag niet van gekomen - maar mijn jas hing open en mijn V-hals jumper had ik thuisgelaten. Anders dan gisteren was de lucht niet helderblauw. De zon had enige moeite erdoorheen te komen, een weggemoffelde diamant. Ik stoofde me zachtjes in dat diffuse licht. Koesterde herinneringen aan voorgaande jaren. De vogels herinnerden zich niks, die waren net zo uitbundig als de dag ervoor. In de rijke witte bloesems van een zure kers (maar het kon volgens PlantNet, met iets minder waarschijnlijkheid, ook een sleedoorn zijn) zat een flinke hommel. De eerste van het jaar. Ik dacht aan een klein stukje dat ik op deze webpagina schreef, 15 jaar geleden alweer.

8 april 2011

In de gang kroop een hommel. Hij zat onder het stof. Hij moet de winter in een hoekje hebben doorgebracht. Ik pakte hem met stoffer en blik op en zette hem op het balkon. Daar verstarde hij, terwijl hij zijn rechtervoorpoot ophief alsof hij het verkeer regelde, of de Hitlergroet bracht. Ik begreep het. Hij had last van de felle zon. Ik schoof hem in de schaduw, en hij begon weer te bewegen. Eerst waste hij zijn voorpoten. Dan maakte hij een enkel proefvluchtje, vijf centimeter rechtstandig omhoog, meer niet. Alles deed het nog. Hij leek moed te scheppen, en wierp zich vastberaden in de lucht. Hoog en snel ging het meteen, met duizelingwekkende zwenkingen. Maar de willekeurige patronen werden al gauw kleiner, en met grote precisie dook hij in een bloeiende perenboom.

Vannacht was er reuring in huis. Ik kreeg er weinig tot niets van mee want ik slaap vast. Snuf was boven in zijn functie van muizenpolitie. Broer Snuitje durft het trappenhuis niet in, de zolderetage is voor hem onbekend terrein. De dag ervoor had hij, Snuf, er een gevangen, een volwassen exemplaar. Good boy! Maar tot verbazing van mijn dochter beet hij zich niet grommend vast in het diertje, maar droeg het voorzichtig aan zijn nekvel mee, teder bijna, zoals katten met hun kittens doen. Hij liep een tijdje - besluiteloos ondanks zijn felle grote ogen - met zijn prooi rond, voor hij die losliet en er wat mee begon te spelen. Tikje, schuiven, tikje. De muis zag zijn kans en greep die, verdween in een holletje in de plint.
Gisteren herhaalde de gang van zaken zich: rondzeulen, loslaten, sjoelbakken. Deze muis vond geen gat en bleef rug tegen de muur in een hoekje zitten. Snuf ging het wereldraadsel zitten bepeinzen, kijkend naar dit enigmatische fenomeentje, blijkbaar nu al verveeld door een veelbelovend kameraadje dat voor minder opwinding zorgde dan de speeltjes waarmee mijn dochter zijn kilo's een beetje binnen de perken probeert te houden. Op een telefoonfilmpje zag ik de volgende morgen hoe mijn dochter het diertje aan zijn staart de trap afdroeg en buiten losliet. Het schoot, geschrokken maar ongedeerd, met razende pootjes onder een geparkeerde auto. Onze vorige kat Tijger schrokte de muizen in één keer naar binnen, dat was een jager. Snuf is een zachtmoedige, decadente binnenkat. Nul instinct.


vrijdag 2 januari 2026

RAMPTOERISME


Op Nieuwjaarsdag was ik rusteloos. We hadden een goede jaarwisseling gehad, traditioneel geëindigd met bubbels, hapjes en oude videoclips - gelukkig waren de Les Humphries Singers er ook weer bij (Mexico!!!!). De dag begon met de oliebol die ik op Oudejaarsavond wegens overbelasting van de maag had versmaad. Wat nu te doen? Ik ben de eerste dag van het jaar gaan beschouwen als een onbezorgde feestdag, mijn favoriete dag misschien wel. In mijn geboortestad puilen cafés en restaurants dan uit, vol opgelucht volk dat eensgezind de kater wegdrinkt; vreemden spreken je aan, iedereen zit in hetzelfde schuitje, de volgende dag is alles weer normaal maar nu is het nog feest. De druk is van de ketel, er hoeft even niets meer, behalve zo goed mogelijk herstellen van de vorige avond. 

Hier in de polder was alles potdicht. Horeca, voor zover die er is, opent pas op 2 januari zijn deuren. Zelfs de supermarkt is gesloten. Iedereen zit thuis, kijkt Weense walsen, Netflix of schaatsbaantjes, likt zijn wonden en bereidt zich voor op de eerste werkdag.
Ik voelde, naast die ongedurigheid, een onzekerheid: we hadden het er nog niet over gehad; hoe zou het vallen als ik mijn vriendin voorstelde om net zoals anders naar Wildschut te gaan voor bitterballen en haren van de hond en daarna naar de buurtpizzeria voor een groot bord tagliatelle alla bolognese, om de avond thuis te besluiten met oude, liefst eigen cd's, alvorens comateus te bed te gaan, helemaal toe aan de reinigende soberheid van januari? Zou ze niet liever thuisblijven, blij om eens niet aan mijn geliefkoosde ritueel te hoeven meedoen? Ik had geluk dat het hard woei en flink regende, ijsregen nog wel: een wandeling zat er nu niet in.
Ze streek over haar hart en via stille binnenweggetjes reden we naar Amsterdam. Daar aangekomen was het ondanks die mooie omwegen nog wat vroeg voor het café. We brachten onze bagage boven, groetten mijn dochter, wisselden verhalen uit over de avond ervoor, en besloten een rondje Vondelpark te doen. Kijker mee, ik beloofde mijn vriendin haar de roerdomp te laten zien. Daarna konden we ook even ramptoerisme bedrijven en de afgebrande Vondelkerk gaan bezichtigen.


Het was koud en modderig maar droog. De roerdomp was zo goed om zich te laten zien. Als voorafje kregen we een zwerm staartmeesjes (misschien wel mijn favoriete vogelsoort) en twee nerveuze vuurgoudhaantjes, eentje streek bijna op mijn ijsmuts neer.
De omgeving van de Vondelkerk was afgezet maar we zagen toch wel hoe enorm de schade was; ik hoop van harte dat ze de monumentale schepping van Pierre Cuypers gaan restaureren. Wat in Parijs kan, moet hier toch ook kunnen. 
Terug in het park - de lucht was dreigend duister geworden - kwam er een bak hagel op ons neer. We haastten ons naar het Blauwe Theehuis, dat als Elronds Laatste Huiselijke Huis feeëriek en vriendelijk oplichtte in het kale park. Daar heerste een hipstersfeer die ik vandaag goed kon hebben, in de mildheid die ik jegens de wereld en de mensheid voelde. Er werden bordspelletjes gedaan, tafelvoetbal, Mens erger je niet! Bakjes friet voor de kinderen, gemberthee en bier van Brouwerij 't IJ voor paps en mams. 
'Ik wil toch ook nog even naar Wildschut,' zei ik toen mijn IJndejaarsbier (9 %) op was. Het was inmiddels weer droog.
In mijn stamcafé van weleer waar ik dagelijks de krant las en koffie verkeerd dronk en door het personeel 'de man met het pijpje' werd genoemd, voor Covid de routine veranderde en de wandeling door het park in plaats kwam van het cafébezoek, was een tafeltje vrij in het achterste gedeelte, het intieme, met de zachte zetels. Ik ken daar niemand meer maar we werden meteen bediend. Aan de tafel naast ons zat een van de bedienden van toen, een aardige jongeman die me de eerste koffie van het nieuwe jaar altijd gratis schonk en me een kaart met persoonlijke nieuwjaarswensen gaf. Hij had een klein meisje op schoot. We gaven elkaar een hand en praatten wat. De bitterballen waren weer opvallend goed, zeker als je ze vergeleek met de bitterballen die we de dag ervoor in de bioscoop van Hoorn hadden gegeten, waar we de zwarte komedie De laatste Viking hadden gezien. 

In de buurtpizzeria, die in The Rough Guide of zoiets moest staan, want het zit er altijd vol met jonge buitenlanders die op de bescheiden prijzen afkomen, was de baas, normaal een zwijgende, somber uitziende man, eerder Turks dan Italiaans, al heb ik het hem nooit gevraagd, in een opvallend jolige bui. Misschien had zijn therapeut hem gezegd dat hij wat minder onderdanig moest zijn, je weet het niet. Hij berispte me om het gebruik van het woord 'karaf'. Dat was een liter, haha, dit halfje mocht die naam niet hebben. De bruschette met rauwe ui en tomaat zette hij zonder commentaar neer maar mijn bestelling voor het hoofdgerecht trok hij in twijfel. Tagliatelle... met bolognesesaus? Is dat lekker? Dat hoort niet, het hoort met penne. Ik ging er maar niet op in maar haalde mijn gelijk tegenover mijn vriendin, die carbonara at (met room!): tagliatelle is de oorspronkelijke pastasoort bij deze saus, zo heb ik het zelf kunnen constateren in Bologna. Volgens de Italianen bestaat er niet eens zoiets als spaghetti bolognese, laat staan dat je er penne mee serveert.
Een grappa met espresso toe. Misschien om mijn lacherig aangevochten eer te herstellen gaf ik een ruime fooi.

Thuis draaiden we nog onze kerst-cd van negen jaar geleden, waarop mijn gestorven vriend G. zingt. Zijn warme, gruizige stem trof me onverhoeds en ik was in tranen voor ik het wist. Dat voelde bevrijdend en bevrijding is wat je zoekt op Nieuwjaarsdag.

Voorheen Rookzanger wenst jullie allemaal een mooi, vredig, gezond en zo mogelijk gelukkig 2026 toe!



vrijdag 19 december 2025

ROERDOMP


Het was goed weer voor vogels. Vlak bij het huis van mijn vriendin, verscholen in de Eilandspolder, liggen het Kerkemeertje en het Uilenbosje. Het eerste heeft een vogeluitkijkpost, het tweede weliswaar geen uilen, maar ik heb er ooit mijn eerste en enige beflijster gezien. Bovenal is het rondom dit laarzenpad erg stil; alleen het suizen van de wind, verder is er weinig te horen.
Om de vogels af te schrikken had ik mijn kijker meegenomen. Afgezien van een Grote Canadese Gans zagen we dan ook weinig. Toen we het zompige rondje door riet en struikgewas hadden gelopen vloog er een flinke zwerm vogeltjes op die zo snel bewogen dat ik ze niet scherp in beeld kon krijgen. Tegen de grijze lucht was er geen kleur te onderscheiden. Later determineerde ik ze op grond van hun dansende manier van vliegen en het geluid als overtrekkende kepen. Maar zonder ondersteunend bewijs van mijn ogen vond ik de waarneming toch niet helemaal bevredigend.


Dinsdagavond, ik wilde een productieve dag afsluiten met een hoofdstuk Ierse nachten, voelde ik bij het uitkleden opeens een onderhuids knobbeltje van een kleine centimeter op mijn rechterbovenbeen, net boven de knie. Googelen leverde een aantal scenario's op, van rooskleurig tot zwart. Ik besloot meteen de volgende dag de dokter te bellen en me verder niet te veel zorgen te maken. Maar ik sliep slecht en was de volgende dag onuitgerust.
In het park zag ik alles als door een floers. Ik was er wel, maar was er ook niet. De scenario's (de zwarte, niet de rooskleurige) domineerden mijn denken en ik leefde in een gevreesde toekomst in plaats van in het moment. 

Daar kwam R. aangereden op zijn scootmobiel. R. is een alerte, goedlachse, langharige vijftiger die elke dag zijn ronde maakt, uitgerust met een sigaartje, een joint en een flesje tripel. Hij weet veel, van van alles, en de andere lanterfanters van het park respecteren hem als een autoriteit op vrijwel ieder gebied. Volgens M. heeft hij uitgezaaide longkanker maar laat hij zich niet behandelen: hij ziet wel hoe het loopt, ooit zullen ze hem dood op straat vinden, tot dan toe maakt hij er het beste van.
R. wees naar het lege ooievaarsnest en vroeg of ik ze al gezien had. Ja, zei ik begrijpend, gisteren zat er een op het wiel. R. knikte en doceerde met zijn rauwe accent over het veranderende migratiegedrag van de vogels, opperde zijn vermoeden dat het jonge voorbijgangers waren geweest, niet de vaste bewoners van het park.
Vlak voor hij verder reed vroeg hij: 'Ga je nog naar de roerdomp?'

Daar schrok ik een beetje van. De Roerdomp is de naam van de kleuterschool waar ik mijn levenslange vriend Robert leerde kennen en naar verluid met Henk Poort in de zandbak heb gespeeld. Maar de weg terug daarnaartoe is er niet - Hier wird kein zweites Mal gelebt!
De verbazing moet op mijn gezicht te lezen zijn geweest want R. remde en nam de tijd voor uitleg. Er was in het park een roerdomp neergestreken, het was op het nieuws geweest. Vogelaars uit de wijde omtrek kwamen kijken, want de "rietreiger" is een zeldzame en vooral heimelijke vogel: ze zijn zo goed in camouflage dat de kans er een te zien klein is. En wat dit exemplaar hier in de stad deed was een raadsel waarover zelfs de stadsecoloog zich had gebogen. 
Ik bedankte R. voor zijn tip en liep naar het achterafpaadje aan het water dat hij me gewezen had. Inderdaad zag ik daar een samenscholing mensen m/v, gekleed in dekkende kleuren en uitgerust met camera's en kijkers.
En al snel zag ik, niet in de kenmerkende paalhouding, maar voorovergebogen over de sloot speurend naar vis, de roerdomp. Niet mijn eerste, heel lang geleden had ik er een in het voorbijgaan langs een vaart zien staan, in het riet, met de nek stijf gestrekt zoals het hoort. Zo rustig bekeken viel het me op hoe groot en lomp het dier was, op zijn dikke groene poten. Tegen de vogelaars naast me veinsde ik verbazing: 'Hé, maar... is dat... een roerdomp?' Ik kreeg een kijker in handen en we maakten een praatje. Ik bleef nog wat staan turen, groette, en ging verder.
Na een tijdje daagde het besef, dat ik al een kwartier niet aan de knobbel had gedacht. 


Illustratie: Henri Verstijnen (1882-1940)


vrijdag 14 november 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog 64: een najaarslied


Vrijdag, de 14e november van ons jaar 2025: van alle herfstige dagen van de afgelopen maand was dit de herfstigste. Een dikke grijze lucht vol motregen, een lichte maar strenge wind die ook hardnekkige blaadjes liet dwarrelen, een palet van kleuren die niet meer vlamden maar tot een harmonieus roodbruin versmolten. Het seizoen had een verzadigingspunt bereikt. Hierna zouden er gaten in de wereld vallen waardoor je de winter zag liggen. 
Ik zat op een bankje. Natte kont, ik had niet de moeite genomen een stukje bank droog te wrijven. Het park was praktisch van mij, net als tijdens de pandemie, lang geleden. Een reiger vloog op, ging klapwiekend over de sloot linksaf, bedacht zich, maakte een lompe draai en verliet mijn zichtveld over rechts. Een aalscholver dook onder, kwam een paar meter verder met lege snavel boven. Het water zag er koud uit. 
Voor mijn rechteroog danste een vlek, een lasso die werd uitgeworpen als ik van kijkrichting veranderde, de lus miste altijd doel. Het was begonnen met lichtflitsen en geschitter in mijn ooghoeken, de volgende dag was de dansende vlek er. Een tweede ring van Weiss, de oogarts beaamde het. De eerste was nog zichtbaar op mijn netvlies zei ze - dat ik die bijna nooit meer zag kwam door het corrigerend vermogen van ons brein: nutteloze visuele informatie wordt weggefilterd op den duur.
Hoewel ik niet blij was met deze nieuwe blijk van veroudering vond ik het een bevredigend idee dat de fantoomring op mijn linkeroog links in Amsterdam, in OLVG-West, en die op mijn rechteroog rechts in de stad, in OLVG-Oost was gediagnostiseerd. Als je dan toch iets mankeert dan maar liever symmetrisch. Jazeker, als kind telde ik stoeptegels.

                                                                                *

Gisteren was ik bij Vaughan. Hij begeleidt het Linnaeuskoor bij veel van onze concerten. Soms neemt zijn eveneens prachtig spelende partner Felicity het van hem over. Op de repetities speel ik zelf piano maar bij openbare optredens besteed ik dat het liefste uit aan bekwamere handen zodat ik de mijne vrij heb om te dirigeren.
Vaughan was bezig geweest de cantate die ik voor het 20-jarig bestaan van het koor heb geschreven te zuiveren van onhandigheden (het was mijn eerste ervaring met het notenprogramma Finale geweest) en er een doorlopende, professioneel ogende partituur van te maken. Ik zat naast hem en keek mee op het grote scherm van de Mac. Verwonderd over al die noten die ik dertien, veertien jaar geleden had bedacht. Linnaeus, een botanische cantate heet het stuk voluit. En het moest klinken als een boeket veldbloemen. De teksten zijn een polyglotte verzameling uit diverse bronnen en de muziek is eclectisch, zéér eclectisch. Ik heb er alles ingestopt wat ik kende. Van Latijnse hymnen alla Orff, via folk, belcanto, hoogromantiek, een Zweeds kinderliedje en het neoclassicisme van Stravinsky tot recitatieven die pendelden tussen Bach, Puccini en Monteverdi. Ik weet nog dat ik destijds twijfelde of dit wel kon. Ik heb in het beginstadium een stukje laten horen aan een in de kunsten geletterde vriend en hem die vraag voorgelegd; hij was van mening dat er niets aan de hand was en dat ik gewoon moest doorgaan met dit huzarenstukje. Zo ontstond een hommage aan de Zweedse arts, plantkundige, zoöloog en geoloog die ons koor zijn naam heeft gegeven. (Puur toeval trouwens: het koor repeteert op het Linnaeushof).
In de loop der jaren hebben we de 'Linnaeus Cantate' een goede handvol keren uitgevoerd, meestal op een plantkundige locatie, in een hortus of palmenkas. 
Dit najaar bezingen we de grondlegger van de biologische taxonomie op onze vaste stek: de OBA in de Hallen. Kom luisteren!




vrijdag 26 september 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog 63: Un ennui noble

 

Mijn dochter stuurde een filmpje uit Thailand. Een pienter ogende vogel hipt op de rand van haar veranda. Buiten beeld hoor ik haar zeggen tegen haar reisgezel: 'Mijn vader kan het wel opzoeken.'
Inderdaad had ik hem gauw gevonden. De treurspreeuw, acridotheres tristis, een uit India afkomstige invasieve exoot die stormenderhand Zuid-Oost Azië heeft veroverd en ook in Nederland al gezien is.

In het Vondelpark zat hij niet op deze dag van rustig herfstweer. Wel fladderden handenvol van onze eigen ingeburgerde halsbandparkieten krijsend op, samen met kraaien en duiven. Op het bankje naast me was een nieuwkomer gaan zitten, een man met een vracht grijs haar en een woeste baard, die me doet denken aan het type sjofele wijsgeer dat we in de Bommelsage tegenkomen: Ibele Zweder, goeroe van de leer van het platmaken, of de antiloog Krumknikker Kop. Hij zit daar lange tijd, net zo lang als ik, voert zwijgend de vogels en staat soms plotseling op om naar de lucht te turen. Dat deed hij nu ook. Half en half verwachtte ik een vraag en ik had mijn antwoord klaar. Ja, mogelijk was er een roofvogel in buurt, of misschien was het de herfst die de vogels zo onrustig maakte. Maar de wijsgeer is gelukkig net zo eenzelvig als ik. Ik kon me ongestoord verdiepen in de ijsvogel die op een afgezaagde tak bij het water was neergestreken, een zwart silhouet dat alleen als hij opvloog om naar vis te duiken oplichtte in dat onmiskenbare fluorescerende blauw.

                                                                                 *

In een nostalgische opwelling bestelde ik antiquarisch Een mooie handel, Bommel in opdracht - een reeds lang niet meer leverbare uitgave uit 2012 van de Bezige Bij. Ik ken alle gewone verhalen van Tom Poes en heer Ollie en verwachtte dat ik aan deze curieuze toegift bij de reeks wel wat plezier zou beleven. De hele week lag het mooi uitgegeven oblong boek op de leuning van mijn leesstoel. Tussen serieuzere lectuur door las ik het van kaft tot kaft. Het werd een lauw plezier, meer een edelverveling dan iets anders. De in opdracht van farmacie, babyvoeding of verzekering gemaakte verhaaltjes, meestal zonder directie betrokkenheid van Toonder zelf, zijn niet meer dan aardig en soms dat niet eens. Er valt vooral aan de tekeningen veel te genieten. Die zijn grofweg van drie bekende Tom Poes-tekenaars: Dick Matena, Fred Julsing en Wil Raymakers.
Matena, de jeugdige medewerker, late vriend en uiteindelijk erfgenaam van Toonder durft het meest. Dat levert soms rake, zelfs geniale plaatjes op maar vaak ook drukke taferelen, gekenmerkt door een zekere horror vacui. Zijn Bommel vind ik te boos, te bipolair en te plat. Dat lage voorhoofd en die dichte zwarte wenkbrauwen passen meer bij schurk Bul Super dan bij de gevoelige en onzekere parvenu Olivier B. Bommel.
De Julsing-prenten zijn precies zoals in de verhalen uit de jaren zestig, voordat Piet Wijn het stokje van 'potloodschetser' van hem overnam: vlot, iets te karikaturaal maar prettig vertrouwd.
Raymakers (bekend van de strip Boes) tekende nooit de reguliere dagstrip maar deed wel tussen 2001 en 2004 dit soort speciaaltjes, met Patty Klein als scenariste. Hij blijft Toonder heel trouw, in geest en stijl, met mooie open plaatjes. Elk verhaaltje eindigt met het traditionele heffen van het glas aan de Bommelsteinse dis.
Piet Wijn, mijn favoriete Bommel-tekenaar, de bescheiden ambachtsman die tussen 1971 en het laatste verhaal uit 1984 vooral uitmuntte in sfeervolle entourages en psychologisch even subtiele als scherpe portretten, ontbreekt. De populaire Duck-strip Douwe Dabbert kostte hem waarschijnlijk al zijn tijd en energie, sinds hij in 1988 was getroffen door een beroerte en noodgedwongen met links moest leren tekenen. 



vrijdag 12 september 2025

Herfst, Hesse, Mann & kastanjes


Ik ben zover nog niet maar mijn dochter besluit voor mij. 
Ze heeft de was opgehangen en trekt als ze terugkomt de balkondeuren achter zich dicht. 
'Er stroomt koude lucht naar binnen,' verklaart ze als ze mijn opgetrokken wenkbrauwen ziet.
Achter de glas-in-loodraampjes is weerlicht te zien. Even later knalt de donder.
'Dichtbij,' zegt mijn dochter. We knippen schemerlampen aan, ik doe de gordijnen dicht.
De regen, de hele dag al dreigend, barst los en ruist hevig op de grote esdoorn.
Ik voel de aanvechting om te gaan kijken maar blijf berustend in mijn stoel zitten.
Vanaf nu is er weer binnen en buiten.

                                                                        •

Ik zit al maandenlang vast in het centrale deel van Doctor Faustus. Hoofdstuk XXV. Een tientallen dichtbedrukte bladzijden lang traktaat over het demonische in de muziek, in de vorm van een dialoog met de Duivel. Ik worstel een paar bladzijden verder, uit plichtsbesef, en leg het dan weer weg om iets luchtigers te lezen.
De lezing nadert nu haar einde. Daarna verwacht ik weer door het vuistdikke boek heen te schieten zoals in het begin, dat wil zeggen: traag maar gestadig. Waarderend, genietend - om het dan plots geërgerd weg te leggen: kan je niet eens gewóón schrijven, jij zelfingenomen überintellectueel, moet elke zin per se een halve bladzijde lang zijn en zoveel neologismen en leenwoorden uit Latijn, Grieks en Oud-Duits bevatten?
Ik ben als musicus bovengemiddeld ingevoerd in de materie waarover het hier gaat, en ben ook wel het een en ander gewend op stuk van 'moeilijke' boeken. Maar van de essayistische overwegingen waar Thomas Mann ons hier op trakteert snap ik nog niet de helft. Het is dermate abstract, denkerisch filosofisch, subtiel en idiosyncratisch en daarbij verbaal zo complex, breedvoerig en ondoorgrondelijk, dat alleen de bedwelmende taal en de fascinerende sfeer de lezer erdoorheen trekken. Vergeleken bij deze polemische dialoog met het diabolische in onszelf is Goethes Faust een boertige huifkarrenklucht op een Beierse jaarmarkt. Mijn voorhoofd is er waarschijnlijk niet gewelfd genoeg voor.


Mijn vriendin stuurde me een foto van de oogst. Een mand vol donkere noten. Ik dacht aan de gepofte kastanjes die ik in Keulen had gegeten op het plein, uit een gloeiende papieren puntzak, ik dacht aan de openingszin van Narziss und Goldmund. Hermann Hesse had Mann nog asiel verleend in zijn huis in Ticino toen der Zauberer in Duitsland niet langer welkom was. Twee heren met een Nobelprijs, die van Mann zat sinds 1929 in zijn zak, die van Hesse moest nog komen in 1946, dat schept een band.
In mijn herinnering schreef Hesse veel simpeler dan Mann. Maar deze opening van de populaire roman uit 1930 was toch bijna een bladzij lang, al waren de zinnen eerder nevenschikkend dan onderschikkend. Ik vertaal letterlijk om mijn punt te maken. Een goede vertaling zou vrijer moeten zijn, want het Nederlands is niet zo stram en gebeeldhouwd als het Duits, ook niet in de jaren dat deze roman verscheen.

Voor de door dubbele zuiltjes ondersteunde boog bij de ingang van het klooster in Mariabronn, vlak langs de weg, stond een kastanjeboom, een vereenzaamde zoon van het Zuiden, lang geleden door een pelgrim uit Rome meegebracht, een tamme kastanje met een sterke stam; zijn ronde kroon hing teder over het pad, ademde met ruime borst in de wind, en in het voorjaar, als alles om ons heen al groen was en zelfs de notenbomen van het klooster hun rossige jonge loof al droegen, liet hij ons lang op zijn blaadjes wachten, dan duwde hij rond de tijd van de kortste nachten uit zijn bladertrosjes de matte, witgroene stralen van zijn vreemdsoortige bloesems omhoog, die zo vermanend en beklemmend kruidig roken, en liet in oktober, als fruit en wijn al waren geoogst, uit zijn vergelende kroon in de herfstwind de stekelige vruchten vallen, die niet elk jaar rijp werden, waar de kloosterjongens om vochten en die de onderprior, die uit het Zuiden kwam, in de open haard van zijn woonkamer roosterde.

In het park lagen er tussen de eikels ook platgetreden kastanjes op het pad - wilde, paardenkastanjes. Ik schopte er tegenaan. Pas toen ik bijna thuis was besefte ik dat mijn vriendin helemaal geen kastanjes maar walnoten had geoogst. Maar toen was het te laat om de opbouw van dit stukje nog te veranderen.


vrijdag 6 juni 2025

Es gibt wieder Maikäfer


Tok
. Een olijfbruine kever kwam hard neer op de kampeertafel. Hij draaide met spartelende pootjes als een breakdancer rond op zijn rugschild; ik wipte hem rechtop met mijn zakmes. Mijn broer zei dat hij er al over gelezen had, ze waren een plaag. Ik was verrast, nee, stil van verbazing. Ik had niet gedacht ze ooit nog te zullen zien. 

Wat meikevers waren wist ik van mijn vader. Ze doken vaak op in zijn weemoedige verhalen over het geidealiseerde Brabant van zijn jeugd. Hoe weet ik niet meer. Ik denk iets met kinderspelletjes. Ving hij ze, speelde hij ermee?
In My Family and Other Animals van Gerald Durrell komt 'de man met de rozenkevers' voor. Hij is een doofstomme marskramer, wonderlijk gekleed, die met zijn rechterhand een herdersfluit bespeelt en met zijn linker als een poppenspeler aan de touwtjes trekt waaraan rozenkevers zijn vastgemaakt, de beestjes vliegen zoemend om zijn hoofd. Zo ongeveer stelde ik me mijn vaders meikevers voor, als levende helikopters in de blauwe lentelucht. 
Toen de tijd aanbrak dat ik droomde van een toekomst als bioloog (niet voor niets was het boek van Durrell over de bewoners en vooral de fauna van Korfoe me zo lief) keek ik elk voorjaar uit naar de mythische torren maar die waren net zo van de vergiftigde en vervuilde aardbodem verdwenen als destijds de ooievaar - een vooroorlogse prent uit een fauna waarbij stond zeer zeldzaam, of: laatste exemplaar waargenomen in 1963. 
Een nog langharige Reinhard Mey zong het in 1974, met geëxalteerde tenor, Spaanse gitaar omgehangen, in zijn eigen variant van Het dorp: Er wordt, bij de spoorwegovergang, een kolos van een parkeergarage gebouwd maar vroeger waren daar boerenhuisjes met hun tuinen. Daarin ving de zanger met zijn vriendjes de kevers die bomen en gewas aanvraten. Er wachtte een beloning voor degene die er het meest had verzameld. Maar: es gibt keine Maikäfer mehr. En zo was het.

Op de camping zoemen en gonzen ze vijftig jaar later vrolijk rond. Het is een klein wonder, op mijn negenenzestigste de kevers van mijn vader alsnog in het echt te zien. Op mijn twaalfde had ik dat niet kunnen dromen. Evenmin als ik had kunnen voorzien dat ik in een stadspark dagelijks naar een nest ooievaars zit te kijken. Twee jongen zijn er. Ze worden al groot. Misschien krijgen ze wel meikevers te eten. 


vrijdag 23 mei 2025

HEMELWATER

Ergens op de A7, waarschijnlijk tussen Wijdewormer en Purmerend, viel me een melodie in. Ik was niet érg enthousiast maar voor de zekerheid sloeg ik haar, toen ik geparkeerd had bij de supermarkt in De Rijp, op met mijn spraakrecorder. Het was lang geleden dat ik inspiratie had gehad, meestal ontstaan liedjes al werkend achter de piano, met een tekst voor mijn neus. 
Die zondag was gezellig druk. Ik had mijn vriendin een week niet gezien en had haar van alles te vertellen maar dat lukte slechts fragmentarisch, als de kleinkinderen of fornuis en oven onze aandacht niet vroegen. Maandag ging ik terug naar de stad, voldaan over een mooie dag in de polder maar nog vermoeider dan ik was geweest. Het verbaasde me dat ik, terwijl ik mijn stemming als laag zou willen beschrijven, af en toe naar de piano liep om het ingevallen melodietje tastend uit te breiden.  

Ook op dinsdag was het gezellig druk. We reden naar Helmond om asperges te eten bij mijn stiefmoeder. Dat doen we elk jaar rond deze tijd. Het kon nog net buiten. In de loop van de week sloeg het weer om.
Mijn stemming bleef zo-zo. Ik had me alweer zitten opfokken. Donderdag moest ik voor controle met de nerveuze, zeven kilo zware, zwart-witte kater Snuitje naar mijn neef de dierenarts. Er zou weer een foto worden gemaakt van de blaas, onder narcose, om te zien of de blaaswand zich had hersteld na de diverse kuurtjes. 
Maar soms zit het mee. Neef H. bevoelde de blaas en oordeelde die 'mooi soepel'. Hij liet me de vorige foto zien, waarop de geconstateerde afwijking duidelijk te zien was, zelfs voor een leek, en gaf me Snuit ongeschonden mee naar huis. Voorlopig het dieet zijn werk laten doen. Mocht het weer mis gaan, dan zagen we wel weer. Dan kon hij de restanten van de embryonale urachus operatief verwijderen. Vooralsnog alles goed. Ik liet dankbaar een paar mooie flessen rosé en een bibliofiel boekje bij hem achter. 

In brieven aan mijn vriend Geerten had ik het vroeger graag over de elegische recessen van de ziel. Ik weet niet meer of ik dat begrip zelf bedacht heb of dat het van de een of andere fijnzinnige negentiende-eeuwer is geleend. Wat ik ermee wilde zeggen was, dat in perioden van ambitie, drukte en extraversie, de weg naar binnen afgesloten is. Je verliest het contact met je innerlijke rust, met je 'ware zelf', en raakt de weg kwijt in de buitenwereld. Zoiets was me deze lente ook overkomen. Er was veel gedonder en veel onrust. Ik zocht naar de weg terug maar vond die niet. Mijn dromen waren slecht. Ik verdwaalde opvallend veel (snelwegen, pretparken, open vlaktes) en werd veel vernederd op het podium. Bij het opstaan besef je de onzin van die nachtmerries maar ze leggen toch een floers over de dag.

Na het bezoek aan mijn neef viel er een last van me af. Aan de piano groeide het liedje uit tot een volwaardige koorcompositie. De roes van het componeren, met zijn sterk verhoogde concentratie, voerde me neuriënd terug naar die elegische recessen. Ik was er misschien nog niet maar de route was duidelijk.

Vanmorgen liep ik door het park. De laatste tijd is mijn meditatieve bestaan daar onder druk komen te staan. Sinds ik een boek van stadsfotograaf M. heb gekocht en de levensgeschiedenis van H. met oprechte belangstelling heb aangehoord ben ik een van de vaste jongens geworden. Zelfs hun alwetende makker R. (scootmobiel, lang grauw haar, doorgroefd gezicht, rauwe lach, 's morgens al zwaaiend met een flesje tripel) groet me tegenwoordig. Ik vind dat aan de ene kant fijn. Ik hoor er graag bij en het zijn mooie kerels. Maar als ik ze zie zitten praten op onze vaste stek en alleen wil zijn kan ik de ooievaars wel schudden en moet ik een afslag nemen het rosarium in.
Nu was de kust veilig. Wind, donkere wolken, een spikkeltje regen. Voor ons jaarlijks kampeeruitje met Hemelvaart moest worden gevreesd. Ik ging zitten op een van de drie lege bankjes en tuurde lang naar de vogels. Eén jong, dacht ik. En de nijlganzen hadden weer een pul verloren. Er waren er nu nog vier over van de oorspronkelijke acht.
 
In het halletje van de Albert Heijn stonden mensen verveeld te happen in bewerkt voedsel. Ik keek naar de betraande ramen en begreep waarom. Met een zeker stoer welbehagen stapte ik de regen in.


vrijdag 4 april 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog (60)


Ik zit met twee oude schoolvrienden op het terras van het Boothuis aan de Sloterplas. Op de schragen tafel liggen twee bestelde boeken die ik zojuist heb overhandigd. We praten over de buurt, over vrienden van toen. In een ooghoek registreer ik een bekend gezicht dat hier niet thuishoort. 'Hé, een bekend gezicht!' roep ik, riposteert hij.
Hij werkt bij de Appie op het Museumplein. Hoe je die functie noemt weet ik niet. In een restaurant zou je het denk ik een gérant noemen. Een paar jaar geleden begon hij me op te vallen. Als ik mijn boodschappen aan het scannen was kwam hij stralend aanlopen, nam galant mijn mandje van me over, groette me en maakte zo mogelijk een zonnig praatje. Eerst irriteerde me dat een beetje, ik blijf graag anoniem, maar gaandeweg kreeg ik waardering voor de persoonlijke begeleiding door het personeel, voor de ouderwetse égards in een verder zo eigentijdse, technologische entourage. 

Ik beschrijf hem, op het gevaar af dat mijn dochters me kapittelen ('Pap, je hoeft er toch niet altijd bij te zeggen dat het een ... [vul in: Turk, Marokkaan, Chinees, homo, hetero of transgender...] was?'):
Slank postuur, niet lang. Elegant gekleed. Pikzwart haar, kortgeknipt. Wijd opengesperde ogen achter een bril met onopvallend montuur. Huidskleur koffie met niet te veel melk. Tanden regelmatig en bizar wit, ongetwijfeld gebleekt. Licht Amerikaans accent. 
Op het terras roept hij algauw een andere jongeman erbij; iets kleiner dan hij, sluik donker haar, een knap, wat bleek gezicht. We doen een voorstelrondje. De knappe jongen werkt als suppoost in het Concertgebouw, maar is eigenlijk pianist en componist. Een telefoon verschijnt in mijn gezichtsveld waarop hij de vleugel van de Grote Zaal bespeelt. Mijn vriend van de Appie werkt daar wel, in de super, zeker, maar eigenlijk doet hij samen met de suppoost events. Mijn beroep vinden ze zeer interessant. De boeken op tafel worden gefotografeerd.
We praten een beetje. Ik stel vast dat ik ze niet vraag erbij te komen zitten. De oude schoolvrienden vragen al om een ongewone aandacht, het Museumplein kan ik er nu niet bij hebben.
De volgende dag ga ik boodschappen doen met gemengde gevoelens. Met elke anonimiteit is het nu gedaan. Wil ik die nog, dan zal ik elders moeten inkopen.
Ik sta bij de kassa. Daar is-ie al, stralend, opgedoemd uit het niets. 'Nou, dat was gezellig meneer.' Even later weet ik dat hij en X. al naar de Kiefer-tentoonstelling zijn geweest. Maar het was bij de VIP-opening (spreek uit Vie Ai Pie) dus ze hadden vooral staan praten. Die middag gaan ze weer om alles nog eens goed te bekijken. Ik vertel dat ik volgende week met mijn vriendin van plan ben te gaan. We groeten elkaar als oude schoolvrienden.

                                                                        •

Voorheen Rookzanger heeft een uitputtend weekend achter de rug met optredens, een familiefeest, ontmoetingen met zijn ex en zijn ex-compagnon, en moet afkicken van al die prikkels. Dan wordt hij ziek. Het begint met keelpijn en wat koorts. Hij hoopt dat een stevige wandeling door de mooie aprilmiddag hem goed zal doen. De lucht is blauw, niet optimistisch maar overmoedig blauw. Er staat een flinke wind. Het is droog, geen beetje vocht in de atmosfeer tempert de keihard stralende zon. Meerkoeten en waterhoentjes achtervolgen elkaar schreeuwend, met uitgestoken nekken, als gevleugelde stormrammen, stijf van het testosteron. April is the cruelest month. Op de koorrepetitie hoort hij vanuit zijn cocon van door paracetamol weggemoffelde koorts een gesprek tussen een van de zangers en de penningmeester. Die houdt niet zo van dat schel-schitterende licht, zegt hij.
'Maar je kunt toch een zonnebril opzetten?' meent de zanger.
'Ja, en wat dan?' snauwt de penningmeester gespeeld verontwaardigd.


zaterdag 4 januari 2025

SOEPGANZEN


Am bam - de fluit van Pan had zeven gaten. Geen kon het dansen laten.
Eén been had hij maar dansen moest hij op één been door de wei...

Na het opzeggen van dit vers stapt Nifterik van Spa van het vliegend vloerkleed Kamerbreed en is als bij toverslag verdwenen in het niets, terug naar waar hij vandaan kwam. De Hamelaars laat hij verwonderd achter terwijl die toch echt wel het een en ander gewend zijn sinds ze de wereld van gnomen, trollen, nixen en andere sprookjesfiguren zijn binnengegaan.
Het is aflevering 43 van de nog lang niet afgelopen serie Kunt U mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer? Nifterik van Spa (van Bakzeil tot de Bokkebocht) wil niet mee naar Wenzela de IJsheks, vandaar. Hij wordt gespeeld door de op dat moment 61-jarige Jan Hundling (1914-2003). Afgelopen oudjaar zeiden we hem zijn spreuk na en zagen we hem weer zijn stap in het niets doen.

Ik had nog niet heel vastomlijnde plannen om dit blog na vijftien volgeschreven jaren misschien niet uit de lucht te halen, maar dan toch zodanig terug te schroeven in frequentie dat de wekelijkse druk om een stuk proza te produceren zou verdwijnen. Ik stelde me voor het om te dopen tot Voorheen Rookzanger - De toegift. Of: Encores en allerlei. Die gedachte gaf me rust. Iets netjes afronden, en nog wat vrijblijvend doorspelen als de pet zo stond - was dat niet mooi?

Gisteren, vrijdag, blogmiddag, liep ik over straat. Ik ging naar de Appie om een mooie biefstuk te kopen die me moest troosten nu alles na de januaridrooglegging zo sober en saai was; dat stukje van de lende zou de leegte van die onthouding hopelijk omtoveren tot een kwaliteit. Op de hoek van de Reijnier Vinkeleskade was ik getuige van de migratie van de soepganzen. 
Om de een of andere reden hangt er daar altijd een schooltje van die traag schommelende, voornamelijk witte vogels rond. Vaak in het plantsoentje aan de rand van de weg. Nu waren ze de J.M. Coenenstraat aan het oversteken, tergend langzaam. Een vrouw op een fiets stapte af en gidste ze als een verkeersagent of klaar-over naar de veilige overkant. 
Toen ik terugkwam uit de super had de school, nu zonder hoedster, besloten dat het gras toch niet groener was aan de overzijde en hobbelde de weg weer op, zonder op of om te kijken. Auto's stopten, gelukkig was het deze derde januari stil in de stad. Drie bereikten ongeschonden de overkant. Een vierde anser unox bleef achter in het plantsoen. Gauw zou het donker worden. Ik liep maar snel door met mijn biefstuk, een tros bladpeterselie en een bakje zoete cherrytomaatjes. 

Ik aarzel nog wat ik ga doen met dit blog. Mijn voortvarend besluit is met de komst van het nieuwe jaar verdwenen. Het nieuwe jaar brengt helaas nooit meteen die frisse alles-is-anders-stemming die je je tijdens de donkere decemberdagen voorstelt. Dat neemt altijd wat tijd. Ik houd u op de hoogte.

Voor nu: Een gelukkig en gezond 2025 toegewenst!


vrijdag 25 oktober 2024

Twee zeer korte Sallandse verhalen

We hebben Roy

Omdat mijn Ecco's na een jaar al versleten waren en me natte voeten bezorgden bij het wandelen in het bos kocht ik een nieuw paar bij de Scapino in Ommen. Ze waren flink afgeprijsd. Blij met mijn aankoop liep ik vrolijk babbelend naar de auto van mijn vriendin. 
Er reden twee politieauto's het plein op. Drie agenten haastten zich het terras van Eten en drinken op. Daar zat een man achter een onschuldig kopje koffie. Een grijsblonde, wat sjofele man met een tas van de Aldi naast zich. Hij keek verbaasd op naar de agenten, maakte geen aanstalten weg te lopen en liet zich mak de handboeien aandoen. Een van de agenten boog zich zijwaarts en zei in haar portofoon: 'We hebben Roy.'
We speculeerden over deze aanhouding in het brave provincieplaatsje. Ik hield het op een verwarde man die voor overlast had gezorgd. In de auto terug naar het vakantiehuis googelde ik maar het internet zweeg over het voorval.
We kookten coq au vin. We wandelden (ik met mijn nieuwe droge Ecco's) over de Lemeler Berg in de mist. Spinnenwebben overspanden hulst en jeneverbes als zilveren snoeren. We reden Duitsland in onder een strakblauwe lucht. We vergaten de arrestatie tot ik zomaar mompelde: We hebben Roy, als een soort mantra. Mijn vriendin vroeg of ik internet nog had gecheckt. Ik toetste in: 'Politie Ommen aanhouding'. Niets. Ik tikte er 'Roy' achteraan. En waarachtig. 'Serie-oplichter' Roy L. (45) alsnog opgepakt, meldde De Stentor. Roy bleek met een handige babbel heel wat auto's en fietsen voor proefritjes te hebben losgepraat om ze vervolgens nooit terug te brengen. De rover werd in heel Overijssel gezocht.
Ik herinnerde me dat ze Roy's hoofd niet hadden afgeschermd toen ze hem de auto induwden, zoals ik Wolfs en Van Dongen altijd zie doen bij een aanhouding. Dit was de niet geregisseerde werkelijkheid. 

Het vogelloze bos

De verrekijker was meegekomen en Lars Svenssons Vogelgids van Europa lag klaar maar de vogels hielden zich stil. Een paar bekvechtende gaaien, een enkel vinkje of meesje, een overtrekkende zwerm kolganzen, dat was het wel. Dat was bij ons vorige verblijf hier in de lente van 2021 wel anders geweest. Toen had ik, kersvers vogelaar, onder meer de bonte vliegenvanger en de heggenmus leren kennen. 
Op de morgen van vertrek pakte ik mijn tas. Terwijl mijn vriendin het laatste schoonmaakrondje deed stond ik op het bordes en deed wat ademoefeningen. Ik had mezelf buitengesloten. Opeens viel me op hoeveel de grote den verderop te zeggen had. Een wolkje vogeltjes streek erop neer. Er werd op de stam geklopt. Ik zette mijn app aan en er verscheen een rijtje namen: boomklever, goudhaantje, grote bonte specht, vink, koolmees, pimpelmees.
'Dat zal je altijd zien,' zei ik tegen mijn vriendin, die de stofzuiger had uitgezet en me binnen had gelaten. 'Zijn er eens vogels, ligt mijn kijker onderin mijn tas.' 
Maar toen schoot me te binnen dat er in de boekenkast een kijker van de eigenaar lag. Ik veegde mijn schoenen schoon op de mat, pakte de vreemde kijker en ging snel het bordes weer op. Maar nog voor ik de lens had scherpgesteld wist ik het al. De boom was leeg en stil. De wolk was verder getrokken. Alleen een enkel koolmeesje zat me uit te lachen. Great tit, noemt mijn app die. 


vrijdag 2 augustus 2024

SPROAKSTEE


Voor we later in augustus serieuzer op reis zouden gaan wilden we wat kleine excursies maken. Een paar dagen weg, even 'helemaal eruit', andere omgeving, andere taal - maar dan zonder de voorbereidingen en organisatie die een langer buitenlands verblijf vergt. De distels kunnen een dag of twee pluizen op het land van mijn vriendin, de katten hoeven mij maar kort te missen.
Onlangs bezochten we het tot dan toe verwaarloosde Aken. Deze week zouden we naar Heimbach gaan, een plek in de Eifel waar ik erg op gesteld ben geraakt. 

We vierden een tweedaags familiefeest in de tuin van mijn vriendin. Tenten opgezet in de appelboomgaard. Kinderen en kleinkinderen. Dat was enorm gezellig maar het hakte erin. Na al die Bourgondische zorgeloosheid en die vrolijke chaotische gesprekken tot diep in de nacht bij een walmende vuurkorf, begeleid door luidkeels gezang en ongeremd gitaarspel, was ik stuk. Ik vroeg om een dag respijt. Een gewone dag van wandelen en stilte. Om bij te komen van dat woeste en volle leven. 
Mijn vriendin kwam dat ook goed uit en zodoende gingen we woensdag pas weg.

Maar... we moesten onverwachts vrijdagnamiddag alweer terug zijn. Ik lag daar 's ochtends in bed over na te denken, inmiddels uitgerust. Heimbach was drieënhalf uur rijden, theoretisch. Maar de schrik zat me nog in de benen na die trage reis naar Aken. Heen en terug file op file, de A2 is haast niet meer te doen. Bovendien voorspelde de app juist voor die donderdag onweer en regen in de Eifel. 
Verandering van plannen. Flexibel zijn! Ik appte mijn vriendin om 7:15: 'Zullen we soms naar De Lutte gaan en daar de grens oversteken?'
Zij is in dat Twentse plaatsje geboren en heeft er haar eerste levensjaren doorgebracht. Ze was meteen voor. Het vooruitzicht op een meestal rustige A1 hielp ook. 


In De Sproakstee stond de tent algauw. Het was er niet zo rustig als toen we er in het eerste Corona-jaar waren. Een dozijn dure campers bewoond door stille, grijze echtparen omzoomde het iets te kort geschoren grasveld. We aten in het dorp, buiten. Om niet al te veel in herhaling te vallen bij een ander restaurant dan vier jaar geleden. We zaten nog wat voor ons tentje. De avond was zoel. Ik tekende de bomen.
De verkwikkend stille nacht op een spartaans matrasje werd abrupt kort gehouden door luid koerende houtduiven. Roekoe-koe-koekeroe-koe. Net een ander dialect dan in Noord-Holland.

In Bad Bentheim ontbeten we heerlijk bij koffiehuis en bakkerij Tietmeier. Wie daar ooit komt moet niet verzuimen een van hun zware, smaakvolle broden mee te nemen. Zulk lekker brood proef je zelden.
Mijn vriendin verleidde me tot een bezoek aan de burcht. Ik kende die alleen van gezicht. Zelf had ik ('Ik kén kastelen zo langzamerhand wel') willen volstaan met een beetje rondlopen door het stadje om eetlust op te doen maar ik had er geen spijt van.

Het evidente voordeel van toerisme is dat je te zien krijgt wat is beloofd. Dat geldt niet voor vogels kijken, bijvoorbeeld. Voor de tent had ik gemeend een grauwe klauwier te zien, maar het schuwe diertje hield zich verstopt en eer ik mijn verrekijker had gericht was het verdwenen. Onbevredigd borg ik de kijker weg, onzeker of ik de waarneming in mijn notitieboekje mocht noteren.
We kregen wat ons was beloofd en tegen de tijd dat we het grote en mooie kasteel verlaten hadden was het ook wel genoeg. De verzadiging van een toeristische attractie wordt nog eens versterkt door de bordjes met informatie en het aanschouwelijke onderwijs - het met levensgrote poppen en flakkerende lichtjes aangeklede alchemistenlaboratorium had ik kunnen missen.
De logeerkamer van koningin-regentes Emma daarentegen (Pauline van Waldeck-Pyrmont, gehuwd met Alexis van Bentheim-Steinfurt, was haar zuster en zij, Emma, kwam jaarlijks bij haar logeren om te kuren in de heilzame bronnen van Bad Bentheim) had ik best willen betreden, maar de weelderige slaapzaal was met plexiglas afgesloten.
Mijn vriendin wist nog dat het hier vroeger anders was, veel minder netjes, en zei dat ze de boel aan het verpesten waren. We verschilden even filosofisch van mening. De nieuwe Vorst van Bentheim und Steinfurt is een vooruitstrevend ondernemer. Misschien te commercieel. Maar als je niks doet vervalt de boel van charmant antiek tot een niet meer te redden zooitje. Ik dacht aan de talloze steenklompen in Engeland en Wales. Ik speelde de advocaat van de duivel. In mijn hart was ik het mijn vriendin eens. Ik kon dat plexiglas en die informatieborden missen als kiespijn.

We lunchten buiten in een Biergarten. Net over de grens en meteen krijg je twee schnitzels in plaats van één, voor dezelfde prijs, vergezeld van een overvloed aan heerlijke, 'op grootmoeders wijze' gebakken aardappels.
We deden inkopen in een supermarkt. De lucht was betrokken. Terug in Nederland was er een niet voorspelde regen begonnen die voorlopig niet van ophouden leek te weten. Het nadeel van primitief kamperen manifesteerde zich. We zochten ons heil aan een picknicktafel onder het afdakje van het sanitair. Daar aten we een avondmaal van meloen en ham, broodjes tonijn en lokale kruidenkaas, begeleid door een fles Schwarzriesling. Een beetje bevreemd bekeken door de keurige camperbewoners die ons passeerden om hun borden en pannen af te wassen. Daarna zat er niets anders op dan vroeg te gaan slapen met een boek. 
Die mooie wandeling over het loabultpad maakten we de volgende morgen, heerlijk uitgerust.


vrijdag 26 juli 2024

AANSPRAAK


Ik word de laatste tijd vaak aangesproken, geen idee hoe dat komt. En dan bedoel ik niet dat ze me aanspreken om mij, blijkbaar duidelijk 'van hier', de weg in Amsterdam te vragen.

Het deed me goed om deze week een op en top Italiaans stel te kunnen helpen. Ze zochten een restaurant met typisch Hollands eten - tipicamente Olandese. 
Hé, atypische Italianen, dacht ik meteen. Meestal willen hun landgenoten overal ter wereld pasta eten om vervolgens de helft te laten staan en met een lang gezicht te klagen dat het thuis beter is.
Daarna stond ik te stuntelen en hardop te denken in een moeizaam komend Italiaans. Waar eet je nog vlees, groenten en aardappelen? Want dat was de culinaire wens van dit knappe jonge stel. Ik kon ze moeilijk naar de gaarkeuken van het buurthuis sturen en betreurde het dat La Falote Corona niet had overleefd: in dat eethuisje serveerden ze voor een zacht prijsje een daghap van bijvoorbeeld sudderlapjes, rode kool en dampende piepers. Soepje vooraf, vla toe. Hollandser kon het niet.
Net toen ik vreesde het op te moeten geven schoot mijn geheugen me te hulp. Loetje, fluisterde het in mijn oor.
Natuurlijk! Biefstuk met jus en wittebrood, Amsterdams zaterdagavondkostje... Ik wees de Italianen opgelucht via de Ruysdaelstraat naar het Johannes Vermeerplein en hoop maar dat de beroemde ossenhaas van Ludwig 'Loetje' Klinkhamer ze heeft gesmaakt.

Maar wat ik bedoel is dat ik steeds vaker word aangesproken zonder praktisch doel maar gewoon, om een praatje te maken. Ik beschouw het maar als een teken dat het goed met me gaat, dat ik benaderbaarheid en innerlijke rust uitstraal?
Vanmiddag zat ik in het park na een onvoorziene vertaalsessie. Mijn vriend Robert had me een vertaalde songtekst toegestuurd en voor ik het wist was ik, aanvankelijk tegenstribbelend en met een zekere weerzin, maar algauw met de oude bedwelmende fascinatie, ondergedompeld in een twee jaar geleden begonnen project, de vertaling van A Passion Play, het cryptische en pretentieuze conceptalbum uit 1973 van Jethro Tull. 
Op het bankje tegenover de ooievaars draaide ik als een gebedsmolen een kwatrijntje uit The Flight from Lucifer (Vierde Acte) rond. 

Everyone's saved, we're in the grave.
See you there for afternoon tea.
Time for awaking the tea lady's making
a brew-up and baking new bread.

Over een eerdere vertaling was ik ontevreden, vandaar dat gebedsmolentje. Er moest toch iets beters te bedenken zijn dan mijn wel héél vrije parafrase?

'Is er nog maar één?'
Ik keek opzij. Een man die ik al jaren door het park zie lopen, rondje na rondje, steentjes schoppend en nauwelijks om zich heen kijkend. Aan de drank, in de war, dakloos, ontslagen en door en door verveeld? Geen idee. Stroblond piekhaar om een roze gezicht. Uitdrukkingloze ogen achter een ronde plastic bril. Sandalen, driekwartbroek. We kennen elkaar van gezicht, we horen bij de habitués, maar doen net of we elkaar niet zien bij onze rondjes. Tot nu dus.
'Nee,' antwoordde ik. 'Ze zijn er allebei nog, maar een van de twee is een eindje vliegen.'
'Er waren er eerst toch drie?'
'Ja, maar één is te vroeg uit het nest gesprongen. Hij ging fladderend ten onder. Hij verblijft nu in de opvang. Het gaat goed met hem (of haar), binnenkort zal-ie wel losgelaten worden.'
'Ze moeten eerst wel een beetje met die vleugels oefenen, toch?' meende de stroblonde man. 'Is dat een van de jongen of een van de ouders?'
'Een jong. Dat zie je aan de zwarte snavel. Die van de ouders zijn rood. Nu worden ze nog gevoerd door de ouders maar ze zullen binnenkort wel uitvliegen.'
'Het wordt tijd ook,' grinnikte hij en slofte verder, de blik op zijn bestofte sandalen gericht. 

Het kostte me even om mijn gedachten te verzamelen. De habitués, de parklanterfanters, spraken me één voor één aan de laatste tijd, alsof het zo afgesproken was. Ik zou niet langer anoniem door het groen kunnen wandelen, Im Walde mompelend als er een wolk voor de zon schoof en de schaduwen van de bladerrijke bomen diep en donker waren. Ik werd in de gaten gehouden. 
Maar daar was het passiespel weer. Het molentje draaide, eerst stroef, daarna lekker ratelend.

De druk is eraf, we zijn in ‘t graf.
'k Zie je daar, zo tegen theetijd.
Nu maar eens opstaan, vers brood zal erin gaan,
de theejuffrouw schenkt nog eens in. 



donderdag 18 april 2024

Rozenbottels en koningsrupsen


Van voetbal heb ik nooit gehouden. Ik herinner me één partijtje in de Willem van Hembyzestraat (Geuzenveld, Amsterdam-West) waarin mijn fantasie werd aangejaagd door het spel en ik me verbeeldde een geweldige en beroemde speler te zijn. Zoals ik over van alles kon dagdromen kon ik dat ook over voetbal.
Eén keer en daar bleef het bij.
Ik ben dan ook nooit naar een voetbalwedstrijd geweest. Mijn jongste broer heeft mijn zoon ooit meegenomen naar Ajax omdat hij vond dat het bij de opvoeding van een jongetje hoorde en ik als vader tekortschoot. Mijn enige herinnering aan een voetbalveld gaat over rupsen.
We zaten in het gras aan de kant. Ome Sjaak volgde het spel enthousiast. Hij juichte en nodigde me met zijn blik uit om mee te juichen. Zijn zoon, mijn buurjongetje en vriendje Marcel, speelde mee. Maar mijn aandacht was elders. In een glazen potje.
Het deksel was met een vork doorgeprikt om lucht door te laten. Op bladeren van liguster en hondsroos kropen geheimzinnige diertjes heen en weer. Sommige naakt en groen, andere borstelig behaard en feestelijk zwart, wit en oranje van kleur. De laatste vond ik het mooist. Koningsrupsen noemden we ze. Ik had ze verzameld in de struiken bij de bejaardenwoningen aan de Jacob van Weesenbekestraat. Daar krioelde het ervan. Ik heb ze nooit tot verpoppen kunnen krijgen want het glazen potje was geen goede habitat. Misschien waren de gaatjes te klein, misschien had ik niet de goede blaadjes erin gedaan. Misschien was mijn aandacht een dag lang elders. De kindergeest is beweeglijk als een vlinder. Een dag is lang voor een rups.

Veel later heb ik naar ze gezocht. Maar nooit vond ik ze meer. De rozenstruiken vertoonden wel aangevreten blaadjes maar de daders hielden zich verborgen. Ik weet dat aan mijn volwassen ogen, die de details van het donkere struikgewas niet meer konden zien of er niet genoeg geduld meer voor hadden. 
Of was de toen zo algemene rups soms uitgestorven? Van welke vlinder was die eigenlijk?
Als kind had ik ze niet voor niets koningsrupsen genoemd. Ik nam voetstoots aan dat deze bont bemantelde wormen dezelfde rijke kleuren droegen als hun fladderende ouders. Vlinders met oranje, wit en zwart waren er wel, genoeg zelfs. Maar hun kruipende nageslacht was onooglijk. Niks koninklijks aan.
In een vlinderboekje bij mijn vriendin vond ik ze terug. Het bleek om de larve van de donsvlinder te gaan, euproctis similis, een nachtuiltje, net zo onooglijk als de rupsen van kleine vos, distelvlinder of atalanta.

In 2006 maakte ik een liedje over deze magische jeugdherinnering. Daarmee was de magie verleden tijd want zo gaat dat. De tekortschietende woorden vervangen in het brein de niet verbale ervaring die zoveel rijker was. Beter kun je geen liedjes maken over wat je lief is. 
Het liedje kwam terecht op de cd Het monster van de Sloterplas. Anders dan andere liedjes van die plaat heb ik het nooit live gespeeld. Een goede vriend van me vond het niet mooi. En ik had toch al zo mijn twijfels. Ik had die jeugdherinnering met rust moeten laten.

Morgen presenteren we het negende deel van ons literaire jaarboek voor Nieuw-West: Tussen Andreasplein en Zwarte Pad. In de aankondiging staat dat ik wat Tuinstadliederen zal zingen. In die liedjes die ik al zo vaak heb gezongen heb ik niet zoveel zin en mijn zoon is verhinderd, dus de complexere stukken van ons laatste Tuinstad-album vallen ook af. Waarom niet, dacht ik, waarom niet een paar van die verwaarloosde liedjes het podium gunnen?
Zo leef ik al een week met Rozenbottels en koningsrupsen en het gaat me steeds beter bevallen. De herinnering komt beetje bij beetje terug. En zélfs, al zingende, een vleug van de betovering.


Belangstelling? Zie HIER

vrijdag 12 april 2024

Spring has sprung


Een kort bericht vanuit de lente van hem die zich Voorheen Rookzanger noemt, geschreven met uitzicht op bloeiende binnentuinen, nadat hij met hernieuwd enthousiasme op zijn luit heeft gespeeld.

Na een dag van extraversie en ongewend sociaal-zijn besloot ik thuis in plaats van eten klaar te maken en een beetje tot mezelf te komen, tóch nog maar dat geplande, maar door de caféafspraak met een oude schoolvriend gedwarsboomde blogje te gaan schrijven. Het was halfzeven. Het moest dus snel gebeuren, want ik moest wel degelijk iets eten, mijn maag rammelde en ik had gedronken en ook nu thuis weer had ik me zoals gebruikelijk op zaterdag een witte wijn ingeschonken. De routine moest - gewoontedier, of noem het dwangmatige neuroot, die ik ben - zijn loop hebben, ook al drong de tijd en viel de avond al. Zo beet ik me haastig in mijn tekst vast, fel als een vechthond, in een flow van endorfine en alcohol, in een hypomane hyperfocus. Ik ken de prijs die je moet betalen voor zo'n sterk verhoogde, lekkere, door wijn aangehitste concentratie, ik ken hem heel goed. En toch... Het moment is te fijn, de inspiratie en het enthousiasme zijn, hoewel kunstmatig, te welkom, in de slome ossenpas van zich gelijkvormig aaneenrijgende dagen. 

De dagen erna, besloot ik, boetvaardig, dat ik maar eens werk moest maken van een structurele verbetering van mijn leven. Hoe productief mijn 'hypomane' roes ook was, dat zwarte gat dat erop volgde was hij niet waard. Ik kende alle trucjes en kon mijn werk gewoon blijven doen, profiteerde daarbij van mijn discipline en mijn door meditatie opgekweekte panoramische blik ('dit is een episode, dit gaat voorbij voor je het weet') maar deze spirituele leegte, dit zwarte worstelen verdiende ik niet, ik verdiende beter. 
Ik begon in gedachten orde op zaken te stellen. Wat moest er uit mijn leven geschrapt worden, wat kon er nagelaten worden, waar viel winst te behalen qua gemoedsrust, hoe kon ik de innig-geliefde valkuilen de rug toekeren en voortaan vermijden.

Het denkbeeld, aarzelend van alle kanten bekeken, dat ik na dit jaar (het vijftiende!) met bloggen kon stoppen beviel me. Dat gaf rust. Niet meer die heethoofdige drink-schrijfsessies, geen dwang en deadline. Desnoods zette ik het blog periodiek voort onder de noemer Voorheen Rookzanger: de toegift. Ja, dat denkbeeld begon me steeds meer te bevallen.
Ik schrapte meer uit mijn leven in gedachten. Ook een van mijn overgebleven koren moest na dit jaar sneuvelen. Ik moest me oefenen in het mooie bestaan van een kalme oude heer. Misschien kon ik dan ook weer eens langer dan een kwartiertje in een boek lezen; de drie of vier boeken die ik nu door elkaar las zonder in één ervan eens flink door te zetten (Eva van Carry van Bruggen, De ooievaar van Kester Freriks, Little Dorrit van Dickens, naast wat Nescio, Boon en Jean-Paul Franssens) waren symptomatisch voor mijn rusteloze en gefragmenteerde gemoedstoestand.
Die dinsdagavond, de avond van een regenachtige dag, keek ik iets minder op mijn telefoon en speelde ik meer luit dan anders en... las ik flink door. Vertrouwen. Het zou allemaal beter, rustiger worden.

En toen werd het woensdag. De zon brak weer door. Alles botte uit als een gek. Vogels zongen extatisch. Ik herkende zwartkoppen ('poor man's nightingale'), roodborsten, winterkoninkjes, merels natuurlijk, een zanglijster, de tjiftjaf. Het weekend raakte in zicht, het weekend waarin ik alles anders en beter zou doen. Voor ik het wist sprongen plannen op uit gedachtekiemen die ik niet vermoed had. Ik deed opeens mee aan een compositiewedstrijd, nolens volens, nilly willy. Het verstoorde me, verwarde me, ik had het liever niet gedaan, maar ik moest. Ik was nog te jong om oude heer te zijn. Ik had nog niet afgedaan, neen, sterker, ik telde nog mee. Wat dachten ze wel, die jonge honden! 

Dit stukje verdient een zorgvuldiger einde misschien, na die eerste volzinnen. Maar ik moet lering trekken uit vorig weekend. Bijtijds eten, me niet vastbijten in een tekst, liever een beetje op het balkon zitten nu het weer even kan. Dus hier moeten u en ik het mee doen. 
Het is ook eigenlijk heel eenvoudig samen te vatten in een woord: lente. 


Foto: Johan Put