vrijdag 2 januari 2026

RAMPTOERISME


Op Nieuwjaarsdag was ik rusteloos. We hadden een goede jaarwisseling gehad, traditioneel geëindigd met bubbels, hapjes en oude videoclips - gelukkig waren de Les Humphries Singers er ook weer bij (Mexico!!!!). De dag begon met de oliebol die ik op Oudejaarsavond wegens overbelasting van de maag had versmaad. Wat nu te doen? Ik ben de eerste dag van het jaar gaan beschouwen als een onbezorgde feestdag, mijn favoriete dag misschien wel. In mijn geboortestad puilen cafés en restaurants dan uit, vol opgelucht volk dat eensgezind de kater wegdrinkt; vreemden spreken je aan, iedereen zit in hetzelfde schuitje, de volgende dag is alles weer normaal maar nu is het nog feest. De druk is van de ketel, er hoeft even niets meer, behalve zo goed mogelijk herstellen van de vorige avond. 

Hier in de polder was alles potdicht. Horeca, voor zover die er is, opent pas op 2 januari zijn deuren. Zelfs de supermarkt is gesloten. Iedereen zit thuis, kijkt Weense walsen, Netflix of schaatsbaantjes, likt zijn wonden en bereidt zich voor op de eerste werkdag.
Ik voelde, naast die ongedurigheid, een onzekerheid: we hadden het er nog niet over gehad; hoe zou het vallen als ik mijn vriendin voorstelde om net zoals anders naar Wildschut te gaan voor bitterballen en haren van de hond en daarna naar de buurtpizzeria voor een groot bord tagliatelle alla bolognese, om de avond thuis te besluiten met oude, liefst eigen cd's, alvorens comateus te bed te gaan, helemaal toe aan de reinigende soberheid van januari? Zou ze niet liever thuisblijven, blij om eens niet aan mijn geliefkoosde ritueel te hoeven meedoen? Ik had geluk dat het hard woei en flink regende, ijsregen nog wel: een wandeling zat er nu niet in.
Ze streek over haar hart en via stille binnenweggetjes reden we naar Amsterdam. Daar aangekomen was het ondanks die mooie omwegen nog wat vroeg voor het café. We brachten onze bagage boven, groetten mijn dochter, wisselden verhalen uit over de avond ervoor, en besloten een rondje Vondelpark te doen. Kijker mee, ik beloofde mijn vriendin haar de roerdomp te laten zien. Daarna konden we ook even ramptoerisme bedrijven en de afgebrande Vondelkerk gaan bezichtigen.


Het was koud en modderig maar droog. De roerdomp was zo goed om zich te laten zien. Als voorafje kregen we een zwerm staartmeesjes (misschien wel mijn favoriete vogelsoort) en twee nerveuze vuurgoudhaantjes, eentje streek bijna op mijn ijsmuts neer.
De omgeving van de Vondelkerk was afgezet maar we zagen toch wel hoe enorm de schade was; ik hoop van harte dat ze de monumentale schepping van Pierre Cuypers gaan restaureren. Wat in Parijs kan, moet hier toch ook kunnen. 
Terug in het park - de lucht was dreigend duister geworden - kwam er een bak hagel op ons neer. We haastten ons naar het Blauwe Theehuis, dat als Elronds Laatste Huiselijke Huis feeëriek en vriendelijk oplichtte in het kale park. Daar heerste een hipstersfeer die ik vandaag goed kon hebben, in de mildheid die ik jegens de wereld en de mensheid voelde. Er werden bordspelletjes gedaan, tafelvoetbal, Mens erger je niet! Bakjes friet voor de kinderen, gemberthee en bier van Brouwerij 't IJ voor paps en mams. 
'Ik wil toch ook nog even naar Wildschut,' zei ik toen mijn IJndejaarsbier (9 %) op was. Het was inmiddels weer droog.
In mijn stamcafé van weleer waar ik dagelijks de krant las en koffie verkeerd dronk en door het personeel 'de man met het pijpje' werd genoemd, voor Covid de routine veranderde en de wandeling door het park in plaats kwam van het cafébezoek, was een tafeltje vrij in het achterste gedeelte, het intieme, met de zachte zetels. Ik ken daar niemand meer maar we werden meteen bediend. Aan de tafel naast ons zat een van de bedienden van toen, een aardige jongeman die me de eerste koffie van het nieuwe jaar altijd gratis schonk en me een kaart met persoonlijke nieuwjaarswensen gaf. Hij had een klein meisje op schoot. We gaven elkaar een hand en praatten wat. De bitterballen waren weer opvallend goed, zeker als je ze vergeleek met de bitterballen die we de dag ervoor in de bioscoop van Hoorn hadden gegeten, waar we de zwarte komedie De laatste Viking hadden gezien. 

In de buurtpizzeria, die in The Rough Guide of zoiets moest staan, want het zit er altijd vol met jonge buitenlanders die op de bescheiden prijzen afkomen, was de baas, normaal een zwijgende, somber uitziende man, eerder Turks dan Italiaans, al heb ik het hem nooit gevraagd, in een opvallend jolige bui. Misschien had zijn therapeut hem gezegd dat hij wat minder onderdanig moest zijn, je weet het niet. Hij berispte me om het gebruik van het woord 'karaf'. Dat was een liter, haha, dit halfje mocht die naam niet hebben. De bruschette met rauwe ui en tomaat zette hij zonder commentaar neer maar mijn bestelling voor het hoofdgerecht trok hij in twijfel. Tagliatelle... met bolognesesaus? Is dat lekker? Dat hoort niet, het hoort met penne. Ik ging er maar niet op in maar haalde mijn gelijk tegenover mijn vriendin, die carbonara at (met room!): tagliatelle is de oorspronkelijke pastasoort bij deze saus, zo heb ik het zelf kunnen constateren in Bologna. Volgens de Italianen bestaat er niet eens zoiets als spaghetti bolognese, laat staan dat je er penne mee serveert.
Een grappa met espresso toe. Misschien om mijn lacherig aangevochten eer te herstellen gaf ik een ruime fooi.

Thuis draaiden we nog onze kerst-cd van negen jaar geleden, waarop mijn gestorven vriend G. zingt. Zijn warme, gruizige stem trof me onverhoeds en ik was in tranen voor ik het wist. Dat voelde bevrijdend en bevrijding is wat je zoekt op Nieuwjaarsdag.

Voorheen Rookzanger wenst jullie allemaal een mooi, vredig, gezond en zo mogelijk gelukkig 2026 toe!



Geen opmerkingen: