Posts tonen met het label roken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label roken. Alle posts tonen

vrijdag 17 april 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 70: Gekregen en gevonden boeken


Van mijn dochter kreeg ik een boek. Deftig ingepakt. Een verlaat extraatje voor mijn verjaardag veronderstelde ik, maar ze zei: Er hoeft toch niet altijd een aanleiding te zijn? Je kunt toch ook weleens gewóón een cadeau geven? Omdat je denkt dat een ander het mooi vindt?
Ik knikte waarderend en bladerde het luxueus uitgegeven boek door. Galahad and the Grail, deel 1 van een hervertelling van de Arthur-legende in dichtvorm, door Malcolm Guite. Ik keek naar het getekende portret van de auteur, en er ging me een lichtje op. Die man kende ik toch? Was dat niet...? Ik ging naar YouTube en tikte zijn naam in. En ja: ik had, nog niet zo heel lang geleden - ik rookte al niet meer maar had er misschien heimwee naar - een filmpje gezien waarin hij een lezinkje houdt over de kunst van het pijproken en in het bijzonder over het blazen van rookringen. Een heerlijke excentriek, een hedendaagse Bilbo, in tweed en kleurige vestjes gekleed, een kruising tussen pijprookgoeroe Jan Kusters en mijzelf.
Het universum heeft atomen en moleculen gesorteerd en opeengestapeld op vergelijkbare wijze, en de resultaten van deze convergente evolutie bevinden zich aan beide zijden van het Kanaal. Guite (spreek uit met een ai-klank zodat het rijmt op kite) is ongeveer even oud als ik, ietsjes jonger zelfs. Hij heeft mijn witte baard en manen, mijn verzameling pijpen, mijn interesse in boeken, poëzie en Tolkien, en ook is hij singer-songwriter, actief als frontman van de lekker gruizige folk- en bluesband Mystery Train. Een vrolijke geleerde, een rare, sympathieke snuiter met een eigen YouTube-kanaal.
Enig punt van aandacht is dat hij tevens erg christelijk is, zelfs Anglicaans priester - daarin heeft de overzeese formatie van atomen anders uitgepakt. Op de filmpjes zie ik dat zijn baard geel uitgeslagen is terwijl de mijne sneeuwwit is. Ik had even een aanvechting mijn kromme Peterson-pijpen met zilveren ring in ere te herstellen toen ik hem zo smakelijk zag puffen, maar laat ze toch maar met rust. 

                                                                              *

De belabberde status van het Boek maakt van mij een belezen man. De hiaten in mijn eruditie bleven vroeger oningevuld: ik kende de generatie vóór de vaderlandse Grote Drie nauwelijks, maar om nou die boeken op de bonnefooi te gaan kopen terwijl er nog zoveel moois en dringends op mijn aanschaf wachtte? Mijn laatste bibliotheek-abonnement dateert van zeer lang geleden.
Met de komst van de straatkastjes veranderde alles. Ik neem iets mee wat ik niet ken, gewoon uit belangstelling; is het niets, dan zet ik het terug. Zo ontdekte ik laat in mijn leven dat ik een groot Vestdijk-liefhebber ben, zo las ik met veel plezier Het grijze kind van Theo Thijssen, zo maakte ik goed dat ik schandalig genoeg nooit The Wind in the Willows had gelezen. Et cetera, et cetera.
Deze week vond ik het verzamelde werk van Willem Elschot, gebonden in scharlakenrood linnen. Omdat ik de mannen van de bibliofiele kringen waarin ik verkeer altijd zo eerbiedig had horen praten over die Belgische schrijver nam ik het mee. Zelf had ik hem tot dan toe verwaarloosd en op één lijn gezet met F. Bordewijk. Kaas, Lijmen/Het been, Blokken, Bint: er is een schijnbare overeenkomst.
Zoals ik op dezelfde straatschuimerwijze Bordewijk allang heb gerehabiliteerd (zijn drie delen Fantastische vertellingen las ik op het balkon, een aantal zomers terug) zo is nu Alfons de Ridder aan de beurt. De Ridder, de echte naam van Willem Elschot (1860-1882), was het grote voorbeeld van Simon Carmiggelt. Lees de eerste zin van Lijmen en je snapt dat: Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken...
Veel verder dan zo'n pakkende introductie gaat de overeenkomst overigens niet want Elschot had een klare maar ironisch-literaire stijl - voor gezellig-weemoedige kroegverhaaltjes moet je bij hem niet zijn. Ik verwacht zijn gehele oeuvre, dat maar zo'n 750 bladzijden proza en wat poëzie beslaat, nog voor de zomer uit te krijgen.


vrijdag 2 juni 2023

ZONNEBLOEMEN


Overal op straat liepen mensen met bossen zonnebloemen. Die werden blijkbaar uitgedeeld. Begin dit jaar was hetzelfde met tulpen gedaan, toen namens de Nationale Tulpendag. Wie nu de gulle gever was weet ik niet. Het Van Gogh Museum? Ik zag hoe bij de ingang van de Albert Heijn een groepje pubers stoer de bloemen kapotsloeg op de betonnen rand van een bloembak. Het ging me aan het hart. Ik probeerde me in de geest van een vijftienjarige jongen te verplaatsen en vroeg me af of ik het vroeger ook gedaan zou hebben, uit balorigheid, uit hormonale onrust. Je kont tegen de krib gooien, dat doet natuurlijk iedere jongen. Toch geloof ik dat ik toen juist bloemen met meer respect zou hebben behandeld, halve hippie die ik was. 
De dag was ongebroken grijs. Een paar dagen geleden ben ik weer eens met roken gestopt. De beheerste omgang met "een paar cigarillo's per dag" was na een voorbeeldige start volledig en voorspelbaar uit de hand gelopen. De parodontoloog komt dichterbij, en hem moest ik beloven het roken eraan te geven, anders had de behandeling weinig zin. Bovendien leefde ik in discrepantie met de naam van dit blog. Voorheen moest het opnieuw zijn, en nu voorgoed! Dat stoppen met roken maakt landerig, de eerste dagen. Als ik eenmaal op dreef ben gaat het prima, maar het startsein geven tot welke activiteit dan ook stuit op een enorme weerzin. 
De zonnebloemen, wil ik maar zeggen, fleurden me op. Een vleug lente, zómer zelfs op deze saaie en kille morgen. Ik wilde ook best zo'n bosje, maar hoe kwam ik daaraan? In de rij staan voor een gratis boeket ging me iets te ver. Ik liet de gedachte maar varen. 
Achter me op de roltrap omlaag, de catacomben van de Appie in, stonden een paar meisjes. 'Ik wil deze niet meer,' zei het meisje direct achter me. 'Ze zijn te klein... Meneer?' Ik draaide me naar haar toe. Een knap, lichtgekleurd meisje met een vol figuur en een vrolijk, vol gezicht. 'Wilt u deze bloemen hebben?'
'Dat is erg aardig van je, graag,' zei ik. Ik kreeg het bosje. De meisjes giechelden. Bij het verlaten van de roltrap keerde ze zich nog even naar me toe en zei brutaal, er goed op lettend dat haar vriendinnen het hoorden: 'Wilt u mijn sugar daddy worden?'
Ik glimlachte zo vaderlijk mogelijk.


donderdag 28 juli 2022

Rijnlandse ontmoetingen, vervolg

Het was niet onze bedoeling om aan ramptoerisme te doen. Maar toen we de Rijn overgestoken waren met het veer en de vercommercialiseerde toeristenfuik die de befaamde abdij Maria Laach is geworden hadden bekeken, brachten een falende batterij en een te grove routekaart ons via schilderachtige bergweggetjes in het Ahrdal. De watersnoodramp, de Flutkatastrophe, waarbij 180 mensen omkwamen en duizenden dakloos werden was iets meer dan een jaar geleden. Bruggen, wegen en huizen werden toen verzwolgen door de gezwollen rivier. We zagen de beelden op tv en schudden bekommerd ons hoofd. Nu we hier rondreden kwam de realiteit pas echt binnen. De ooit aantrekkelijke dorpen en stadjes zijn nog lang niet bekomen van de ramp, overal ligt wrakhout, troep en modder, de gesloten hotels grijnsden ons als spookhuizen met lege oogkassen aan. Er wordt nog volop gewerkt aan herstel maar het herstel stagneert omdat de geldstromen stagneren. Vanuit Kreuzberg, waar nog één hotel in bedrijf leek, klommen we omhoog, weg uit deze misère. We kwamen in een stil gehucht waar ouderwets veel zwaluwen rondzwierden. Een uithangbord, "Alte Krähe". Stoppen, wat eten en drinken en advies vragen. 

In de cours van een voormalige boerenhof kwamen we in een andere wereld terecht. Een lange jonge vrouw met grootstedelijk opgeschoren haar en een Peaky Blinders-pet op kwam ons bedienen. De kaart zou in Amsterdam-Zuid geen indruk hebben gemaakt maar in deze streek van schnitzels en Saumagen was het aanbod opvallend. We aten heerlijke quiche en een salade met walnoten, vijgen en feta, wat couscous ernaast. Een jong verwend gezinnetje, zo te horen uit mijn stadsdeel, hing wat landerig aan een tafel verderop, ze hadden hier een appartement gehuurd. De vrouw met de pet noemde ons een paar hotels in Altenahr die het mogelijk nog deden. Ik belde een paar keer maar kreeg geen gehoor. Terug dan maar naar Kreuzberg via de slingerweggetjes omlaag, in de hoop dat dat onaanlokkelijke hotel pal langs de nu magere rivier inderdaad open was.

Een tanige man was in de tuin aan het werk. Ik vroeg hem of we een kamer konden krijgen. Hij legde zijn schop neer, wiste zich het zweet van zijn voorhoofd, nodigde ons uit in de schaduw te komen zitten, gaf ons bier en water uit een ijskastje, en begon te bellen. 'Ich habe hier zwei Gäste...'
Ik dacht dat hij de beheerder belde maar dat bleek hijzelf te zijn. Hij belde de schoonmaakster. Het hotel was bezet door mannen uit allerlei voormalige Oostbloklanden die glasvezel aan het aanleggen waren. Een vreemde prioriteit, leek me, in een dorp waar alles nog half kapot was.
De glasvezelmannen zouden de volgende middag pas terugkomen, legde hij met gruizige basstem uit, maar er moest een kamer worden schoongemaakt, een bed worden opgemaakt. Dat konden we eventueel zelf wel doen, opperde mijn vriendin behulpzaam, maar dat lachte hij weg. Maakten we het ons gemakkelijk, over een uur kwam de poetsvrouw. Hij bleef op zijn gemak bij ons zitten en begon een kromme pijp te stoppen.
Dat brak bij Voorheen Rookzanger het ijs en we raakten in een goed gesprek. Natuurlijk vooral over de vloed - die lag nog voorin zijn conversatie, hij wees ons aan hoe hoog het water had gestaan - maar ook over pijproken, de jeugd van tegenwoordig die natuurlijk lui was maar vorig jaar waren ze wel met bussen tegelijk komen helpen, de falende en corrupte overheid, tuinieren, de schapen van mijn vriendin.
Vermakelijk misverstand: vroeger had ze er wel twintig gehad, vertelde mijn vriendin. De ogen van de man puilden uit, hij lachte ongelovig. Twintig schepen, echt? Schäfe, had ze gezegd en hij had Schiffe verstaan. Ach ja, Schafe! Die rottige umlaut ook - wanneer wel en wanneer niet, voor een Hollander altijd een probleem.
Na ruim een uur kwam een vrouw met een roze hanenkam, in haar kielzog een paar verlegen dochters. De man besloot toch ook maar een Feierabend-Bier te nemen terwijl zij onze kamer klaarmaakte. Toen alles geregeld was gaf hij ons de sleutels met het verzoek die morgen in de deur te laten, hij moest al heel vroeg naar Darmstadt voor een klus.

Toen de avond viel waren we alleen in een leeg hotel in een kapot dorp. De kamer rook sterk naar goedkope zeep. Alleen in de burcht aan de overkant, bovenop de heuvel, brandde licht. Daar woonde de baron, had de man verteld. Die was vorig jaar hoog en droog gebleven.




zaterdag 4 september 2021

Ouwe jongens doen


5.

Panne en Portugezen

We zitten in de auto om naar Diekirch te gaan. Ik draai de sleutel om en in plaats van het vertrouwde geronk klinken er een paar droge tikken, als het geknetter van statische elektriciteit. Tegen beter weten in doe ik het nog eens. Morsdood. Waarschijnlijk hebben we de telefoons te lang aan de oplader laten hangen. 
Plotseling voelen we ons machteloos, gestrand in de wildernis. Geen ritje, geen vervoer, geen eten, niks. De bar is vandaag dicht. Alex is weg, solliciteren. Ik loop naar het kampje van Steve. Hij weet ergens een oude acculader te liggen. Hij sluit het stoffige kistje aan met mijn roestige startkabels. Ik start. Droog geknetter, meer niet. Er zit niets anders op dan de ANWB te bellen. Ze vragen mijn locatie en beloven contact op te nemen met hun zusterorganisatie ter plaatse, de ACL, Automobile club de Luxembourg. Ik krijg een sms'je met mijn casenummer en het verzoek opnieuw te bellen als er na twee uur nog niemand is. Het wachten begint. 
Waarom kan ik onder dergelijke omstandigheden niet rustig gaan zitten lezen? Ik ijsbeer van tent naar campingingang en terug. Na twee uur is er natuurlijk nog niemand. Ik bel opnieuw. Het meisje van de ANWB belooft persoonlijk de collega's te bellen, blijft u even aan de lijn. Na Radar Love en nog een nummer van dezelfde lengte is ze er weer. Excuus, het is erg druk. Nog anderhalf uur gaat het duren. De monteur belt zodra hij er bijna is.
Inderdaad gaat anderhalf uur later mijn telefoon. Monteur ziet nergens een blauwe Ford met panne. Is er soms nóg een camping in Simmer? Ja, een paar kilometer verderop. Ik had toch echt naam en adres van An der Ho opgegeven, maar de mens is eigenwijs - blijkbaar dacht hij zó wel te weten waar hij moest zijn. Vijf minuten later rijdt een knalgeel wagentje het terrein op. Een vriendelijke, ietwat mollige jongeman stapt uit. Hij klaart de klus behendig, controleert of de accu het blijft doen en accepteert beleefd een koekje. Tegen zessen gaan we alsnog op pad. 

Onderweg besluiten we dat Larochette voor vandaag ver genoeg is. In dit schilderachtige plaatsje, in het Luxemburgs om voor de hand liggende redenen simpelweg Fiels ("rots") genoemd, moet ik volgens mijn reisdagboek van 1978 al eerder geweest zijn; ik heb er zelfs gelogeerd, boven een door Nederlanders gedreven café; maar ik herinner me er niets van. We klimmen naar de burcht om het eten te verdienen. Een terras beneden op het marktplein lijkt veelbelovend maar blijkt bij nader inzien een soort pizzeria volgens MacDonalds-format te zijn, waar je de bestellingen aan een balie moet doen en je drankjes uit een automaat moet trekken. We ontvluchten de toeristenfamilies, lopen weer omhoog en strijken neer op het beschaduwde terrasje van café Fielser Stuf, tussen de oude mannetjes. Een man van hooguit 1,5 meter hoog met een groot hoofd (ik zag pas dat hij zo klein was toen ik opstond) neemt onze bestellingen op. Mijn Duits snapt hij nauwelijks, Frans gaat wat beter. Later begrijp ik dat het hier Portugezen zijn. Bijna de helft van Larochette is van Portugese komaf. 
Als ik dorstig van mijn bier drink en genietend een slokje Poire neem word ik toegeknikt door een man die een tafeltje verderop aan de straatkant zit. Sportieve kledij van dure snit, een bordeauxrode baseballcap. Hij rookt een pijp, een Dunhill, zie ik. Algauw zijn we in gesprek, dankzij de sociale vaardigheden van mijn vriendin, die hem complimenteert met zijn rookgerei. Ja, het staat hem goed, vind ook ik, en mocht ik nog maar eens.... De man bestelt nog een bier, en ach, doe er voor mij ook maar een Birnchen, een peertje, bij, - kijkt ons met een sluwe, charmante glimlach aan en gaat er eens goed voor zitten. Hij vertelt geestige anekdotes waarvan het einde steevast in het geraas van een voorbijrijdende traktor of bus verloren gaat, dat tegen de oude muren van het steile straatje weerkaatst. Als we de laatste happen van onze Portugese biefstuk op hebben weten we alles van zijn 86-jarige leven en zijn internationale carrière als architect van vooral staalconstructies. Maar hij weet ook het een en ander van ons: anders dan overbuurman Alex is hij nieuwsgierig naar zijn gesprekspartner. Als hij hoort dat ik koordirigent ben vertelt hij dat hij altijd in een koor heeft gezongen. Na nog een bier staat hij op en zingt het terras toe, met welluidend vibrerende tenor. 
Dan komt de eigenares naar buiten, handenwringend en met rollende ogen. Ze begint druk te praten tegen de architect maar als ze ziet dat wij met hem in gesprek zijn richt ze haar verhaal evengoed tegen ons, alsof we haar al lang kennen. Haar vader gaat vannacht sterven, zegt ze. Ze was nog niet zo lang geleden bij hem, in Portugal, en toen zag ze de dood al in zijn blik. Hij wil niet meer leven. Nu ligt hij in het ziekenhuis... ze laat een foto op haar telefoon zien van een wasbleke man met een mondkapje voor... en niemand mag bij hem. Is dat niet onmenselijk?
'Heeft hij Covid?' wil mijn vriendin weten. 'Nee, en toch mag niemand erbij. Mijn zuster niet, niemand. Ze mogen alleen door het raam naar hem kijken. En hij zal vannacht sterven!'
De vrouw verdwijnt weer naar binnen en wij zijn een poosje stil. De architect steekt een nieuwe pijp op, blaast grote rookwolken uit en hervat zijn verhaal.
Het wordt donker en we moeten nog een weg vol haarspeldbochten terug. We staan op, rekenen af en nemen hartelijk afscheid. Als we even later het terras voorbijrijden is hij verdwenen. Terug naar zijn zelfontworpen huis buiten het stadje waaromheen hij een bos van 120 bomen heeft aangeplant dat op de kaart als zone protégé staat aangemerkt.

(Wordt vervolgd)


woensdag 21 juli 2021

ZOMER


Het roken was weer zwaar uit de hand gelopen. Daar moest echt een einde aan komen. De pleisters had ik al een tijdje in huis. Maandag rookte ik nog zorgvuldig het van het weekend overgebleven doosje mini-cigarillo's leeg, gisterenmorgen plakte ik met enig ceremonieel het eerste cellofanen vierkantje op mijn bovenarm. Zo. Klaar met die smerige onzin, een nieuw, fris leven!
Ik wandelde de deur uit en snoof de warme zomerlucht op. De straat was stil, de weg was rustig, veel mensen in mijn buurt zijn ondanks alles gewoon buitenslands. Ik kreeg een vakantiegevoel en besloot in plaats van mijn gewone rondje Vondelpark de andere kant op te gaan en de beeldenroute van de tweejaarlijkse openluchttentoonstelling ArtZuid te bekijken, die zich uitstrekt langs de groene lanen van Plan Zuid. Samen met een handvol andere grijze kunstkijkers, veelal met panama's op het hoofd, liep ik tamelijk geboeid en vagelijk geamuseerd langs de kakelbonte verzameling moderne en postmoderne sculptuur, dit jaar door conservator Ralph Keuning samengesteld. Er was als verwacht het nodige engagement te zien: bij voorbaat bekladde bustes van historische figuren, een zwarte Statue of Liberty. Er waren frêle constructies van ijzerdraad en aluminium waarvan ik me afvroeg hoe ze, onbewaakt in de grootstedelijke openlucht, aan vandalisme konden ontsnappen. Er waren aardige, dwaze dingen en lelijke, pompeuze dingen, die het als maquette misschien goed gedaan hadden maar opgeblazen tussen het groen met alles leken te vloeken. Er waren bonkige, sombere beelden van Armando die eruitzagen als hopen vastgekoekte sintels. Er was een grillige Toonderachtige sprookjesboom van de Zwitserse Amerikaan Ugo Rondinone die naadloos aansloot bij de echte woudreuzen van de Apollolaan.
Op de terugweg zag ik in mijn ooghoek iets bewegen. Een klein, musachtig vogeltje met chocoladebruine strepen en een lang spits snaveltje fladderde tegen een boom op en begon die nerveus te beklimmen: een boomkruiper. Het beestje bleef met me meegaan: soms was het me voor, vloog resoluut de volgende boom voorbij om op de daaropvolgende neer te strijken, soms passeerde ik het als het iets van belang had ontdekt tussen de plooien in de schors. Moeiteloos leidde de natuur me af van de kunst naast me.
Op het terras van Wildschut probeerde ik heel lang met mijn koffie te doen en gewoon maar een beetje naar voorbijgangers te kijken. Toen dat niet meer ging deed ik, heel rustig, mijn boodschappen. Thuis ging ik quasi luierend op bed liggen, daarna borg ik de was op die al te lang op het balkon hing, mediteerde een half uur, deed mijn ademoefeningen en mijn rek-en strekexercities, rommelde wat onduidelijk in huis en keek veel te vaak op mijn telefoon. Tegen vijven besloot ik een voorschot op de vakantie te nemen en een overgebleven fles Fransciscaner Weissbier leeg te drinken. Ook het bier kon de holte in mijn ingewand niet helemaal vullen. Ik greep naar een probaat middel tegen de verveling: vertalen. Al gauw was ik halverwege een lang gedicht van Heine. 
Het eten gemaakt en verorberd, was er het nieuws, de Slimste Mens. Dag één schoot alweer aardig op: morgen zou het al iets gemakkelijker zijn.

(Foto: "Summer Moon", 2011 - Ugo Rondinone)


vrijdag 30 april 2021

VREDESPIJP

Het was een natte, grijze aprilmorgen. De bomen een explosie van overrijpe bloesem en jong groen. Ik liep de vertrouwde route, binnendoor. Het stille Harmonie-hof over, via het tankstation naar het water en dan langs de kade, voorbij het Okura-hotel, tot aan het voetgangersbruggetje bij mijn moeders vroegere middelbare school. Daar rechts de Waalstraat in, langs de sigarenwinkel waar ik menig pakje pijptabak heb gekocht, en weer rechts de Churchilllaan op. Bij het beslagen koperen naambordje aarzelde ik even voor ik aanbelde. Het was vier jaar geleden dat ik hier voor het laatst was geweest. Mensen kunnen om tal van redenen van elkaar vervreemden. Het waarom van onze verwijdering doet er niet meer toe. Ik heb het zelf ook nooit helemaal begrepen. De hoofdzaak is dat de vertrouwdheid die er ruim twintig jaar was geweest, tussen mijn Italiaanse vriend en mij, was gaan slijten tot aan het punt dat onze omgang iets ongemakkelijks kreeg. Nu, na al die tijd, gaf een aanleiding van buitenaf me de munitie om hem weer eens te bezoeken. Ik moest hem een boekje aanreiken en had een dag en een uur voorgesteld, hij had toegestemd. Forceer je niet, hield ik mezelf voor, wacht maar af. Er hoeft niets uitgepraat te worden, we kijken wel hoe het loopt. Er is tenslotte niets te verliezen.
Ik drukte op de bel en wachtte. Het duurde even, toen klonk er gestommel in het trappenhuis. De sloten werden een voor een losgemaakt. Mijn vriend heeft ooit, toen hij veel jonger was, een inbreker betrapt. Hij sprong bovenop hem, vanaf de eerste verdieping, en heeft toen een tijdje mank gelopen. Ik vond dat heel stoer van hem. Sindsdien gaat de voordeur hermetisch op slot.
De deur ging open, ik deed een stapje terug en we keken elkaar aan. Geen handen, niet de zuidelijke omhelzing van vroeger. Corona ontsloeg ons van een ongemakkelijke keuze. 
Hij ging me voor naar boven, vroeg of ik koffie wilde, en nog voor we in de keuken waren beland had hij me al minstens tien vragen gesteld. Zo kende ik hem weer, overrompelend, met de deur in huis. Ik was blij dat hij blijkbaar net als ik van plan was om de de draad weer op te pakken waar we hem jaren geleden hadden laten vallen, met een soort luchtige vanzelfsprekendheid. 
Terwijl we de sterke koffie uit de moka dronken die mijn vriendin goedkeurend als 'fietsenlak' omschrijft moest ik moeite doen een beetje te weten te komen over de afgelopen jaren, jaren van ziekte en ziekenhuis, en over zijn ervaringen in het Covid-tijdperk. Ik had gedacht dat hij met bravura over de pandemie zou spreken en de maatregelen zou hekelen maar hij vertelde dat hij heel voorzichtig was, met zijn hartkwaal, en dat hij blij was dat hij de eerste prik met Pfizer erin had zitten. Ik zeg dat ik moeite moest doen: als ik mijn vriend zijn gang had laten gaan waren we meteen in oeverloze en uitwaaierende gesprekken over de literatuur en de literaire wereld terechtgekomen. Minder druk en opgewonden dan vroeger, dat wel. We zijn zeventig en vijfenzestig. We praatten over muziek. Hij speelde elke dag wat viool en saxofoon. Ik vertelde dat ik veel wandelde en zong. Hij vroeg me naar het verschil tussen Schubert en Schumann en gaf me daarmee een klein podium, het podium dat ik zo miste in deze tijd van Berufsverbot. Ik weidde uit over classicisme, vroeg-romantiek en hoogromantiek. Hij knikte, zo had hij het ook gedacht. Allebei hielden we meer van Schubert.
Hij rookte nog steeds pijp. 'Een van de weinige kleine genoegens die me nog resten,' zei hij. Ik had daarop gerekend en een afgestofte pijp meegebracht. Hij reikte me een blikje aan, Nightcap van Dunhill, een oude favoriet. We staken op. Het was geen vredespijp want ruzie was er niet geweest; maar het maakte toch iets heel wat stuk was geweest, om zo tegenover elkaar te zitten en een wolkje uit te blazen terwijl we het eens waren over de deplorabele staat van de moderne wereld, waarin wij ouderwetse mannen ons niet meer thuisvoelden.


dinsdag 27 april 2021

ROADKILL

Ik reed over een drukke autoweg langs een kanaal toen ik ze het asfalt op zag lopen om over te steken, een eend met vier, vijf jongen in haar kielzog. Een eind voor me uit, misschien honderd meter. Ze hadden gebruik gemaakt van een luwte in het verkeer en geen rekening gehouden met de stroom de andere kant op, de stroom waarin ik meereed. In de seconden daarna heb ik niet nagedacht maar wel gehandeld. Al je afwegingen gaan op zo'n moment razendsnel, woorden hebben het nakijken. Ik ging niet op mijn rem staan. Ik ben een ervaren chauffeur en weet blijkbaar ook zonder nadenken wat je in zo'n geval beslist niet moet doen. Ik moet in mijn spiegel gekeken hebben want ik minderde voorzichtig vaart, zo veel als ik durfde zonder het achteropkomende verkeer (en mezelf) in gevaar te brengen. Dat het bij lange na niet genoeg was besefte ik tegelijkertijd ook. Ik had het lauwe, noodlottige gevoel dat ik deed wat ik kon maar dat er niets was wat ik écht kon doen. Ik kon geen kant op. Links kwam het verkeer me alweer tegemoet, na die luwte. Rechts was alleen een vangrail, geen vluchtstrook. Achter me toeterde een vrachtwagen want ik had mijn voet van het gaspedaal gehaald en verloor steeds meer snelheid, en vrachtwagens houden graag tempo.

Ik verloor steeds meer snelheid maar lang niet genoeg. Daar waren ze, vlak voor me, bijna aan de andere kant van de weg, bijna veilig. Ik had nog even een wilde hoop, toen ik over de vogels heen reed, dat ze zich precies tussen mijn wielen zouden bevinden en dat ze hun noodlot konden ontkomen als ze snel genoeg renden om mijn achterligger voor te blijven. Maar de kleine hobbels onder mijn wielen en de bijbehorende plofgeluidjes maakten aan elke illusie een eind. Mijn motor sloeg af. Ik had niet teruggeschakeld en reed nog in zijn vijf. De hobbel deed de rest. Op dat moment was het dat de vrachtwagen toeterde, denk ik achteraf. Ik herstartte snel en reed verder. Het had allemaal hooguit tien seconden geduurd maar nu het voorbij was leek het alsof er veel meer tijd was verstreken. Gedachten en woorden kwamen terug en daarmee ook verbeelding, sentimenten. Ik herleefde het moment nu bewust, zag de donzige pullen die in blind vertrouwen achter hun opgewonden snaterende moeder aanrenden, hun dood tegemoet. De tranen sprongen me in de ogen en voor ik het wist raakte ik alsnog overstuur. 

Ik dacht aan mijn rijleraar van vroeger die 'gas geven' snauwde als er een dier overstak. Beter een beest dan een mens, was de begrijpelijke theorie daarachter. Die gedachte troostte me enigszins en ik probeerde het gebeurde te relativeren door te denken aan al die eendjes die door ratten omlaag worden getrokken, de diepte van de sloot in. Een heel wat erger lot dan deze dood-in-een-klap. Maar al die tijd zag ik die paaskuikentjes voor me in hun pluizige onschuld. Ik was misschien geen moordenaar geweest, maar wel het instrument van hun executie. Een beul tegen wil en dank.
Ik wilde iets tegen de zenuwen en besloot sigaartjes te kopen, het allerkleinste doosje. De man van het tankstation keek me vreemd aan. Waarschijnlijk zag ik er verwilderd uit, met die rood betraande ogen boven mijn boevenmasker. Het sigaartje smaakte smerig maar het maakte me wel rustig. 
Het 'plok, plok, plok' heb ik de hele dag in gedachten nog gehoord.


dinsdag 12 januari 2021

PLEISTERS

Nicotinepleisters zorgen voor een gefaseerde afgifte van nicotine, vierentwintig uur lang. Dus anders dan bij echt roken krijg je het spul ook 's nachts, in je slaap, binnen. Het gevolg daarvan is, althans in mijn geval, dat je niet zozeer onrustig slaapt, dat niet, maar wel heel helder en intens droomt. Bij een vorige afkickpoging heb ik daarom de pleisters voor het slapen gaan verwijderd, want die dromen waren behalve helder en intens ook nog eens beangstigend. 
Dit keer aarzelde ik. Weliswaar kreeg ik weer van die hyperrealistische dromen, genadeloos precies en tegelijk vervreemdend als schilderijen van Carel Willink, maar echt naar waren ze niet. Er kwamen, anders dan in mijn normale droomrepertoire, opvallend veel bestaande mensen in voor. Geen hutspot van ondefinieerbare gebeurtenissen en door mijn brein gegenereerde fantasiefiguren die voortdurend van gedaante wisselen, maar goed omlijnde voorvallen en situaties waarin met name jeugdvrienden, allang uit het oog verloren, leken te figureren. Zo bracht de post me van de week een vreemd gevormd pakket. Het bleek een verzameling pijpen te bevatten. De afzender was Jerzy Gawronski, onze Amsterdamse stadsarcheoloog en een schoolvriend van me, in geen veertig jaar meer gezien. Er was een handgeschreven briefje bij, maar voor ik dat kon lezen (ik was razend nieuwsgierig) werd ik wakker.

Afgelopen zaterdagnacht was het toch weer raak. Mijn moeder (als altijd in mijn dromen een jaar of veertig) vertelde me dat mijn opa en oma nog leefden. Ze hielden zich schuil in hun appartement op eenhoog in de Rijnstraat. Ze moesten inmiddels diep in de negentig zijn en ik had ze al lang doodgewaand. Ik ging, met een licht schuldgevoel, op bezoek. Ik besteeg de trap van grijs steen en keek door het deurraampje naar binnen. Achter het halletje zag ik, door het glas-in-lood heen, mijn opa langsschuiven, op weg naar de eetkamer, links, aan de straatkant. Ik belde aan en werd binnengelaten. Even later stond ik in de eetkamer. Op de tafel stonden twee bordjes met een boterham en een schaal met wat vleeswaren. Ik had een hartelijk welkom verwacht, zoals ik dat gewend was - niets te goed voor hun oudste kleinzoon! - maar ik werd niet uitgenodigd mee te eten en bleef wat ongemakkelijk naast de tafel staan. Ik vroeg of ze nog buiten kwamen om boodschappen te doen. Ja, ze schuifelden heel voorzichtig die steile stenen trap af, arm in arm, elke dag, en maakten hun rondje. Ik nam afscheid en beloofde dit keer niet zo lang te wachten voor ik ze weer een bezoek zou brengen.
Verrassend was de droom niet, mijn slapend brein heeft al vaker op dit thema geïmproviseerd. Mijn opa en oma die er nog blijken te zijn en een geheimzinnig schimmenleven leiden in hun vertrouwde flat in de Rivierenbuurt, het is een bitterzoet refrein dat eens in de zoveel jaren opduikt. Maar nieuw was in dit geval de afwijzing. Ze waren al eens een soort halfgoden geweest, meer dan levensgroot, maar nog nooit hadden ze me zo afstandelijk behandeld. 
Ik was de hele week, sinds de jaarwisseling, in een best humeur geweest. Ik miste de tabak, ja zeker, en was wat ongedurig en onbevredigd, maar mijn stemming was goed. Nu sloeg die om. Ik werd wakker uit die droom met een dof en triest gevoel van zinloosheid dat ik maar moeizaam kon afschudden. Pas na een wandeling door de winterse polder waren de familiespoken uit mijn hoofd gewaaid.
Die avond trok ik de pleister maar weer van mijn arm voor ik ging slapen.


Illustratie: 'Landschap met omgevallen beeld' (1942) door Carel Willink (1900-1983)


vrijdag 9 oktober 2020

LOTR

Je kunt het ook omdraaien. Soms biedt deze tijd ongekende kansen. In de eerste voorjaarsmaanden heb ik de mooiste stadswandelingen van mijn leven gemaakt. Ik had de straten en pleinen praktisch voor mezelf. En gisteren had ik de luxe om met zo'n twintig andere waaghalzen de grote zaal van de waarschijnlijk mooiste bioscoop van Nederland, Tuschinsky, te delen. Spettertjes mens die de rode harmonie van het sierlijke en sfeervolle theater nauwelijks konden bederven. Ik was er met mijn dochter om de vertoning van The Lord of the Rings in de ongeknipte versie te zien. Vijfenveertig kilometer verderop deed mijn broer hetzelfde. Hij stuurde een foto. Zijn zaal was lang niet zo mooi, maar in zijn stoel kon je desgewenst slapen. Ik rekende op een fikse houten kont na vier uur kijkgenot.

Geen bier, had ik bedacht. Want ik wilde niet het naar de wc gaan steeds maar uitstellen om allerlei gemaskerd gewurm langs Andere Mensen te vermijden. In de praktijk bleek dat een onnodige voorzorg want onze rij was verder leeg. Mijn dochter snoepte van een medium pak popcorn. Ik stelde me tevreden met een reep chocola.
Natuurlijk kenden we de film goed. Zo goed als het boek, in mijn geval. Maar ik verheugde me erop om de talloze scènes die in de eerste versie waren gesneuveld (om het publiek niet onnodig op de proef te stellen) nu in het echt te zien - toch iets anders dan op dvd thuis. En, dat moet gezegd,  die vielen niet tegen. Wat moeten al die figuranten gebaald hebben, dacht ik meelevend, toen destijds bleek dat hun Grote Momenten, de feest- en kroegscènes in de Gouw of in Breeg, de eindmontage niet gehaald hadden. Goeie, doorleefde koppen zijn daarbij. En wat wordt er ouderwets veel pijp gerookt! Een Nieuw-Zeelandse pijpenmaker moet daar goed geld aan hebben verdiend. Want - ervanuit gaande dat de tabaksrook niet digitaal is gesimuleerd - ze deden het allemaal prima, die fantasiemodellen. Voor iedere roker een ander, van geblakerde neuswarmertjes, krom of recht, tot lange houten Gouwenaren. Zelfs die brave Frodo wordt in deze extended version betrapt op het smoren van een pijpje. Ook de overvloedige landschappen en sfeervolle decors zijn een lust voor het oog. We mochten ons langer laven aan Hobbitstee, Breeg, elvenstad Rivendel, de dwergenmijnen van Moria en het betoverde woud van Lothlorien dan in de oorspronkelijke bioscoopversie. Dat was fijn.

Over de film zelf bleef mijn oordeel ongewijzigd. De Orcs zijn het probleem. Wij liefhebbers mogen blij zijn dat iemand het überhaupt aandurfde (en de ambitie en de ondernemingszin had) om zo'n onverfilmbaar geacht epos te realiseren, maar het zou fijn zijn geweest als Peter Jackson iets meer goede smaak had gehad. Hij heeft een serieuze acteursfilm willen maken maar kon geen weerstand bieden aan zijn voorliefde voor splatter movies. Zo wordt er op topniveau geacteerd door met name het Britse trio sirs: Ian Holm, Ian McKellen en Christopher Lee, en ook een aantal van de jongere collega's leveren goede prestaties. Maar hun psychologische uitdieping contrasteert opvallend met de pulp fiction en de visuele herrie van de vele, zwaar op computeranimatie leunende spektakelscènes. Dat wringt, en dat maakt de film als geheel onevenwichtig. En ook ongeloofwaardig: we zien die menselijke helden, met al hun zwakheden, het opnemen tegen onverslaanbare CGI vechtmachines, en, geloof het of niet, die tengere Viggo Mortensen (Aragorn, zoon van Arathorn) kan wel dertig van die afgrijselijke Uruk-Hai tegelijk aan! In een stripverhaal dondert dat niet, maar in een serieus heldenepos (wat de Lord of the Rings wel degelijk is) komt het storend over; het belemmert identificatie met de personages en zit de ontroering over hun lot in de weg. Als het gecompliceerde karakter Boromir uiteindelijk sterft (een worstelend en over-ambitieus, maar in wezen integer persoon) nadat hij door vele pijlen is doorboord, zou dat aangrijpend kunnen zijn. Want we mochten hem ondanks alles. Maar ik kijk naar die horror-aap die de bovenmaatse pijlen heeft afgeschoten en word afgeleid door zijn lachwekkend enge, blauwgeverfde kop.
Het gebrek aan smaak van Jackson werkt ook de andere kant op negatief: de elven laten hun paleizen blijkbaar decoreren door een weinig getalenteerd navolger van Carel Willink die de klassieke oudheid verkeerd heeft begrepen. Tuincentrum-sculptuur in plaats van hoog-renaissance. En, belangrijker: vriendschap en loyaliteit (een belangrijk thema bij Tolkien) ontaarden als vanzelf in dweepzucht. De kameraadschappelijke liefde tussen Frodo en Sam, de eigenlijke helden van het verhaal, druipt van het sentiment. Het huilerige slot van deel III is niet om aan te zien, maar dat is voorlopig nog niet aan de beurt in Tuschinsky.

En toch, en toch: de gevreesde vier uur vlogen voorbij, ook zonder bier. Ik liep door de spookachtig stille stad naar huis met het gegil van de ringgeesten nog vers in mijn oren. En thuisgekomen bedacht ik dat al die passages die uit de boeken zijn weggelaten óók best verfilmd hadden mogen worden. Ik had de capriolen van Tom Bombadil gemist, het Oude Woud, de paddenstoelenmaaltijd bij boer Van der Made, en nog zo wat. Waarom niet zes uur, als je toch al zo'n end op weg bent? 
Een goede film dus. Magistraal zelfs, als dat betekent dat je met kloeke meesterhand een groot werk schept zonder al te veel op subtiele nuances te letten.


dinsdag 8 september 2020

DUIZEND

Het stond in mijn agenda. Maar ik kijk tegenwoordig zelden in mijn agenda, die weinige afspraken buitenshuis weet ik zo ook wel.
Het stond boven de dagen van vorige week: "1000e blog?"
Met een vraagteken, want ik wist toen ik het schreef niet precies wanneer dit jubileumpje een feit zou zijn; ik had immers een dag kunnen overslaan in de weken die eraan voorafgingen.
Gisteren dacht ik weer aan die notitie. Ik keek op de teller van het blog, en zag dat mijn verhaaltje van afgelopen vrijdag de duizend-en-eerste post was geweest. Te laat!

Mijn vriendin fotografeert mooie kilometerstanden op haar dashboard. Meestal ziet zij ze aankomen, en heeft de telefoon in aanslag. Maar op een slechte dag kan het gebeuren dat 300.003 zomaar overgaat in 300.004 omdat ze uit moet wijken voor een slingerende vrachtwagen of een beer op de weg. Dan is het balen.

Mijn teleurstelling was in feite onzinnig. Want wat zou ik met dit gegeven, dat ik duizend stukjes op dit blog heb gezet, moeten doen? Champagne en slingers, confetti en taart? Bovendien, niet alle posts tellen écht mee. Ik heb in lauwe tijden soms alleen een gedichtje of een enkele notitie geplaatst. En ik heb ook, aan de andere kant, een aantal publicaties om praktische redenen teruggezet naar 'concept', zodat die niet meer zichtbaar zijn en dus letterlijk niet meetellen.

Toch stemt het missen van dit feestje me een beetje weemoedig.
Het is toch al zo herfstig.
Alles lijkt toch al zo kleurloos.

Zondagmiddag wandelden we door de duinen bij Groet. De rood gemarkeerde route ging over flinke toppen, vaak door mul zand, en er werd gestegen en gedaald dat het een aard had. Ik was bezig met mijn voeten goed neer te zetten, met hijgen en met het kloppen van mijn hart, en maakte me vaag zorgen over de weg: dat doorsteekje om op de rode wandeling terug te komen zonder zes kilometer langs het strand te hoeven lopen, klopte dat wel? Gingen we niet precies de verkeerde kant op nu? Ik wou eigenlijk om een uur of vier wel uitgelopen zijn om dan op een fijn terrasje, dat van uitspanning De Bokkesprong bijvoorbeeld, 'moe maar voldaan' een herfstig speciaalbier te kunnen nemen - daar verheugde ik me nu al op - helaas zonder sigaartje erbij want ik ben onlangs weer gestopt en moet het met pleisters doen.

Toen we daar zaten, niet op het terras van De Bokkesprong maar op het winderige zitje van de concurrent aan de overkant, was het nog niet zo lang na vieren. Maar het zieltogende bedrijf had dubbel noch tripel. Alleen een overgebleven La Chouffe kon ik krijgen, maar die lag niet in de koeling. Ik zei, dat is niet erg, breng hem zo maar, want ik wil geen kwartier wachten tot hij uit de vriezer komt, dan heeft mijn vriendin haar appeltaart al lang op.

Ik was gefixeerd geweest op het tijdstip van zondagmiddag 16.00 uur. Ik had daardoor te weinig van een prachtige wandeling genoten en zat als beloning voor het stevige lopen nu achter een lauw biertje omdat ik niet de flexibiliteit kon opbrengen om dan maar iets lichters, een Texels Skuumkoppe bijvoorbeeld, te bestellen.

Een mens haalt zich veel ellende op de hals door zo aan getallen, tijdstippen en scenario's te hechten.

We doen gewoon of dit de duizendste post is, goed?


dinsdag 2 juni 2020

KNOP

Zo. Het roken zit er weer op. Gisterenmiddag kondigde ik aan, tijdens een tuinbezoek aan vrienden, dat ik de volgende morgen zou stoppen met de troostrijke zonde die ik me in de eerste maand van onze slimme sluiting was begonnen te permitteren. Ik dronk van mijn koude Nieuw-Zeelandse sauvignon blanc, keek liefdevol en toegeeflijk naar het blikje waarin nog een geruststellend rijtje mini cigarillos lag, en maakte me geen zorgen. Ook in het dorpsrestaurant waar we die avond de horecaheropening vierden stak ik nog sans soucis een sprietje op bij mijn grappa toe. Pas toen we thuis nog even naar de kikkers zaten te luisteren die levensdronken kwaakten in de boerensloot en naar de vleermuizen keken die op muggenjacht waren, kwam het voornemen opeens akelig dichtbij. Dit was mijn laatste, schrok ik, het blikje was leeg.
Vanochtend heb ik, man die ik ben, "gewoon de knop omgezet", zoals ik stoer tegen mijn vrienden had gezegd.
Maar de persoon die door het indrukken van die knop tevoorschijn kwam is nog niet bijster aanwezig. Hij is sloom. Woorden, gisteren nog zo vloeiend en vanzelfsprekend, willen niet zo goed komen. Rookzanger is wederom Voorheen Rookzanger geworden. Ik weet best dat er van alles speelt op deze Blackout Tuesday waar ik als betrokken wereldburger iets van zou moeten vinden, maar ik ben er te suf voor. U houdt een intelligenter stukje van me te goed.


vrijdag 29 mei 2020

HIEPERDEPIEP!


Het is feest! Een Beroemd Blog verjaart! Laat kurken knallen, snijd de taart aan, hang slingers en ballonnen op! Omdat niemand anders het doet, zing ik mezelf maar hulde toe, net als de hoofdpersoon van het verhaal De zilveren tenor, u allen welbekend. 
Vandaag precies tien jaar geleden plaatste ik mijn eerste blogje onder de naam Rookzanger. Roken en zingen? heette het. Mijn vriend Robert Eksteen alias De dwarse man was me kortelings voorgegaan in het medium en vond dat bloggen 'net iets voor mij' was. Hij kreeg gelijk. Tien jaar later telt dit blog 976 bijdragen. Sommige bestaan uit een enkel gedichtje of een losse notitie, maar verreweg de meeste zijn column-achtige stukjes proza van minstens 500 en maximaal 1000 woorden. De teller van het voor u onzichtbare dashboard staat op moment van schrijven op 332.059 hits.

Ooit waren die 'kijkcijfers' belangrijk, en ik plaatste die teller prominent in het zicht. Ik was trots op de eerste 100.000. Tot er een robotaanval kwam. Ik had een stukje genoemd naar een Algerijnse drinkebroer met wie ik in de Jellinek had gezeten. Waarschijnlijk was het de islamitisch klinkende naam die zorgde voor een felle regen van Amerikaanse hits, honderden per dag. Daarna werd ik een tijdje in de gaten gehouden, als je het zo wilt noemen: regelmatig kwam de meteorietenzwerm geselend mijn kant op. Dat waren loze cijfers, oneerlijk verworven. En daarmee was de lol eraf, de trots op de teller verleden tijd; ik verwijderde het klokje van de startpagina. Tegenwoordig kijk ik er wel weer eens op. Het aantal hits schommelt rond de 2000 per maand. Hoeveel daarvan staan voor echte leesbeurten weet ik natuurlijk niet.

Rookzanger was belangrijk voor me, en is dat nog steeds. Het was een uitlaatklep voor alles wat me bezighield en het gaf structuur aan mijn dagen in die eerste stille jaren nadat ik in een kliniek in het Zuiden des lands 'in retraite' was geweest: dinsdag en vrijdag had ik een taak in de wereld te volbrengen. Nog in pyjama, onderbroek of kamerjas en gewapend met morgenpijp en espresso begon ik te tikken, om een paar uur, drie koppen koffie en evenveel pijpen later uit een schrijfroesje te ontwaken. Ik zocht een bijpassende illustratie, zond het blogje met kloppend hart de ether in, kopieerde alles naar een Word-bestand, plaatste een link op Facebook. Dan pas ging ik douchen en ontbijten. De rest van de dag was ik in blijde verwachting van reacties. Dat werd algauw net zo verslavend als de wijn die ik had afgezworen.

Het was die verslaving aan aandacht, aan likejes en commentaar, die me regelmatig opbrak. Al die eerzuchtige moeite voor die rottige paar opgestoken duimpjes, en altijd dezelfde vrienden die reageerden - nooit eens kreeg ik een telefoontje van Trouw of Parool, of van een grote uitgever. En wat had het eigenlijk voor zin om over mijn persoonlijke stemmingen en sentimenten te bloggen, wie zat daarop te wachten? Ik piekerde daarover en luchtte mijn hart dan door te bloggen óver het teleurstellende bloggen. Van die 'metablogs' had ik vaak meteen spijt, en de meeste ervan haalden de openbaarheid niet.

De tijd ging voorbij. Katten stierven, er kwamen nieuwe katten. Mijn vader ging dood. Ik werd opa. Ik stopte met roken of begon weer. Drank was niet langer taboe. Ik componeerde muziek, schreef boeken. Ik werd operettedirigent. Mijn jongste dochter was dierenverzorger en werd boekverkoper, mijn oudste dochter verhuisde naar Engeland, kwam weer terug, emigreerde opnieuw. Er gebeurde zoveel, maar toch altijd te weinig. Het is in die jaren wel degelijk een aantal keer gebeurd dat mijn column werd opgepikt en elders werd verspreid. Ik heb weleens voor de radio of in de bieb voorgelezen. Ik heb fijne reacties gehad op sommige stukken. En ook een paar nare en agressieve. Maar aandacht is nooit genoeg voor wie ernaar haakt en taalt, dus soms kondigde ik vertwijfeld aan dat ik overwoog om ermee te stoppen. Het uitblijven van schrik ('Nee, Rookzanger, niet doen! Toe, alsjeblieft, blijf schrijven!') staalde me in dat voornemen -  tot de volgende dinsdag of vrijdag aanbrak. Alleen in de eerste maanden van 2018 heb ik een tijd lang alleen sporadisch geblogd omdat mijn echte werk al mijn aandacht opeiste. Ik vind de regelmaat fijn, heb baat bij de discipline en heb me inmiddels met het feit verzoend dat ik toch vooral voor mezelf schrijf. Over mezelf, vaak (té vaak, zeggen critici), en voor mezelf. Dat is niet erg. 'Iedere zanger moet een spiegel hebben,' zei operazanger John Bröcheler ooit, met vette bariton. Ik ben blij met wat die tien jaar hebben opgeleverd, en ik ben blij met het bescheiden succes dat ik hier en daar heb behaald. Ik blader soms met plezier in mijn stukjes en raadpleeg ze vaak als dagboek. Trots ben ik op de bundeling van de eerste jaargangen in twee boeken, al was dat dan bij een kleine uitgever.

Tegenwoordig kleed ik me netjes aan en douche eerst, voor ik begin te schrijven. Soms poets ik zelfs mijn tanden. Ik heb voor dat schrijven doorgaans minder tijd nodig dan vroeger. Ik draai nogal eens op routine, maar ook dat vind ik niet erg - wat wil je, na tien jaar? Wie mij heeft gevolgd zal op zeker moment, bij de zoveelste variatie op een van mijn geliefde thema's, wel afhaken. Om misschien nog eens af en toe naar mijn pagina terug te keren. Als naar een vertrouwd baken. En zo is het goed. Lezers, dank voor al jullie aandacht en blijken van waardering - ik ben er voor u, en blijf, al dan niet voorheen:

Uw Rookzanger


woensdag 4 maart 2020

INFODEMIE


'De verslaggeving over corona is schadelijker dan het virus zelf,' kopt De Volkskrant. Ik lees het graag, het stelt me gerust. De krant zegt in het bijbehorende artikel dat er een infodemic heerst, een razendsnelle opeenvolging van nieuws (en nep-nieuws) over de ziekte die ook aanvankelijke sceptici dreigt mee te sleuren in een golf van hypochondrie, doemdenken en hysterisch vermijdingsgedrag. Ook Trouw waarschuwt voor zo'n infodemie.
Je kunt honderd keer met cijfers zwaaien, tot kalmte manen of beklemtonen dat mondkapjes onzinnige symbolen van schijnveiligheid zijn, het haalt niks uit. De mensheid, eenmaal tot deze staat van paniek gebracht, laat zich daar niet zo makkelijk uit praten. Genieten we ervan, is het onze sensatiezucht die de verspreiding van het mediavirus veroorzaakt? Verveling? Einde-der-tijden-sentimenten? Of ligt de schuld toch meer bij de media zelf, die elkaar aftroeven in berichtgeving en doodsbang zijn dat de concurrent er met een scoop vandoor gaat of meer kijkers, lezers of luisteraars heeft. Volg nu onze live-vlog! Alles over corona! Hoe het ook zij, een pop-up cultuur is ontstaan van totaal onevenredige bezorgdheid en onredelijke angst, die gelijk op gaat met een hevige uitbraak van FOMO (the fear of missing out). We hitsen elkaar kortom lekker op. Waar is de tijd gebleven dat Corona nog gewoon een type sigaar was?

Zelf was ik eerst nogal laconiek over de ernst van het uit een Chinese vismarkt overgewaaide griepje. Maar omdat ik overgevoelig ben voor de stemming om me heen en van nature angstig (en helaas nogal verslaafd aan mijn telefoontje) begon de paniekerige berichtgeving meer en meer op me te drukken. Ik heb nog nooit zoveel naar Nieuwsuur gekeken als in de afgelopen weken. Mijn gezonde verstand liet me niet in de steek maar toch werd ik zenuwachtig, ook door die aanhoudende klagende wind. Ik bezweek zelfs voor een paar sigaartjes - kleintjes, geen bolknakken van het bovengenoemde type - alsof dát hielp. Goed, die wind is nu eindelijk gaan liggen. Maar die andere storm, die van oplopende cijfers en schrille alarmbellen, bepaald niet. Het is verdomme alsof we in apocalyptische tijden leven, alsof de pest, de Zwarte Dood is uitgebroken. Terwijl ik, als ik op straat om me heen kijk en even de kou en de regen weg denk, een gewone, bedrijvige stad zie. Met bedrijvige, zo te zien gezonde mensen. Zonder mondkapjes. En de lente breekt uit, voor wie het wil zien. De ooievaars zijn terug in het park, verliefd klepperend, onwetend van wat ons mensen zo bezighoudt.


vrijdag 21 februari 2020

Roken en dromen


Op de plaats in mijn straat waar zich het kastje met gratis boeken bevindt stond een grote tafel. Het blad was bedekt door een enorme collectie pijpen. Vele van een zeldzaam soort, zeer donker van hout, kunstig bewerkt en besneden met siermotieven en miniatuurvoorstellingen. Ook lagen er een of twee grote pijpen met een mooie zilveren band, die door het gebruik een beetje dof en gebutst was geworden. De verkoper zat te roken achter de tafel. Ik boog me over de uitgestalde pijpen, leverde wat commentaar waaruit blijken moest dat ik verstand van zaken had, vertelde ook nog maar dat ik eveneens een grote verzameling bezat, hoewel ik het roken had opgegeven. Er was één ding, zei ik, dat me bezighield en dat ik niet begreep: hoe kon de man zelf pijproken en toch zijn eigen pijpen verhandelen? Hij moest wel een reusachtige collectie bezitten, als hij al dit moois zomaar te koop kon aanbieden. De man keek geheimzinnig maar voordat hij een bevredigend antwoord had kunnen geven sprong mijn droom-ik alweer een halve stad vooruit en belandde bij een kiosk op de Munt. Daar ging ik naar binnen en vroeg om sigaretten. Een beetje heimelijk. De sigaretten lagen niet in het zicht en ik was even bang dat er geen te krijgen zouden zijn. Maar de man, een Turk uit stripverhalen met een fez met een kwastje en een snor zoals de Armeense mysticus Gurdjieff die droeg, haalde een kleurig doosje tevoorschijn. Het was te groot voor het aantal sigaretten dat erin zat, stelde ik bevreemd vast, die hielden elkaar niet overeind zoals het hoort maar lagen er los en kriskras door elkaar in. Maar ik kocht er een aansteker bij en stak er een op, 's ochtends vroeg al. Ik inhaleerde. De beloofde kick bleef uit.

Het is een veeg teken dat ik over roken droom. Ik ben niet tevreden, verlang naar iets. Lente, verandering, vrijheid, jeugd? In werkelijkheid heb ik mijn laatste nicotine op de avond van tweede kerstdag binnengekregen. Een, twee trekjes van een sigaret, die een eveneens gestopte vriend uit een verborgen pakje had gehaald. Halverwege werd de sigaret zorgvuldig gedoofd en teruggestopt in het clandestiene pakje. Wat niet gezien wordt bestaat niet echt. Wat je stiekem doet blijft beheersbaar. Maar in je dromen kan het grote vormen aannemen.


PS: Dromen zijn, hoewel op het moment zelf indringend helder, de volgende dag zelden precies na te vertellen. Je moet ze dan vertalen naar ‘gewone’ omstandigheden, om tenminste de essentie duidelijk te kunnen maken. De kiosk was niet op de Munt en de man droeg geen fez. Maar die indruk maakte de scène wel.


dinsdag 21 januari 2020

KRASPLAATJE


In mijn vorige stukje vertelde ik over een Nieuwjaarsduik in het verleden. In de nacht van zondag op maandag was de naam TULIP opgedoken in mijn hoofd; die liet me niet meer los en zette me op een speurtocht door de herfst van 1970. Mijn vaders dagboek moest eraan te pas komen om mijn vragen enigszins bevredigend te beantwoorden. Maar daarmee was het nog niet gedaan. O nee. Voor de echte v.h. Rookzanger-liefhebber is hier het vervolg.

Jan reageerde. Hij had mijn blog gelezen en herinnerde zich het een en ander.

‘Die manager heette Ron van Tilborg. Hij had een aantal versterkers voor ons geregeld, o.a. een Vox en een Selmer. En we repeteerden een korte tijd twee avonden per week in een kerk aan de Postjesweg. Tot 11 uur! Het enige optreden was in het AMVJ-gebouw op de hoek tegenover het Marriott Hotel. Het was ons eerste betaalde optreden. De gage was 200 gulden en dat kwam alleen maar omdat deze manager ons had verkocht onder de naam Pepper & Salt. (Die naam leek heel erg op Pepper & Soul, een bekende prof band). Waarschijnlijk was onze echte naam Tulip rond die tijd. Ik weet ook nog dat jij op een gegeven moment niet meer mocht repeteren omdat het op school niet goed ging. Van het optreden bij jullie thuis in Slotermeer weet ik alleen nog dat we twee lichtbakken hadden gemaakt. Daar zaten gloeilampen in die we met Flexa verf rood en blauw hadden geschilderd. Met als gevolg dat toen ze een kwartiertje aan het branden waren de verf smolt en alles ging roken, waarop je vader zei dat we ze onmiddellijk uit moesten doen.’

Ah, dat bedoelde mijn vader dus met ‘een kamer vol lawaai en rook’! Ik had aangenomen dat het op de tabakswalm sloeg – maar natuurlijk, die was in die tijd nauwelijks het vermelden waard, als er een groep mensen bijeen was. Ik was verbaasd over Jans precieze geheugen. Wat een heldere kop! Misschien had ik toch wat minder geestverruimende middelen moeten gebruiken.
  
Ondertussen had ik drummer Bert Rijs getraceerd op Facebook. In geen vijftig jaar gezien, zelden aan hem gedacht in die tijd. Tegenwoordig zingt hij in een jazzband. Hij wist ook het een en ander toe te voegen. Onder andere dat de ‘manager’ de zoon van Indische vrienden van zijn ouders was, en er met de poet vandoor was gegaan. En ja, hij had in het begin een Omo-trommel als kickdrum gebruikt. (Voor de jonge lezers: Omo is een wasmiddel dat vroeger in ronde kartonnen vaten werd verkocht). Maar later had hij van zijn vader een echt drumstel gekregen. Verder was hij als informant niet al te betrouwbaar, want algauw bleek dat hij Tulip verwarde met een ander Slotermeers bandje waarin hij speelde. (Met mijn buurjongen Jos Soethout, de oudere broer van ons eerste drummertje Tonnie).
  
Jan en ik bogen ons in onze chat over het repertoire van de ‘underground’ band Tulip. Hier had ik minder geluk. Ook Jan wist het niet meer. Hij kon zich alleen herinneren dat Van Tilborg ons een nummer van de Britse band Plastic Penny wilde laten spelen. Ik zocht het op YouTube, het zei me niks. En klopte het, vroeg Jan, dat mijn vriendin Mirjam fluit speelde in een nummer?
  
Toen de naam Tulip mijn nachtelijke mijmeringen had verstoord was die hele periode een nevelwolk geweest, met hier en daar oplichtende losse beelden en gebeurtenissen, zonder samenhang of chronologie. Nu begon de mist op te trekken. Het was alsof ik met behulp van Jan en Bert een krasplaatje aan het bewerken was. We wreven met het potlood en de onderliggende afbeelding begon al aardig zichtbaar te worden. Maar op een volledig beeld was weinig hoop, want het dagboek van mijn vader hield op in oktober 1970, onze bassist Wilfred was allang dood, en mijn veertienjarige zelf had, behalve wat gedichten in de schoolkrant, geen documentatie nagelaten.

In de auto onderweg naar de koorrepetitie die avond, hebben de tentakels van mijn gedachten zich verder uitgestrekt. Wroetend, dwingend. Ze zijn van muziek naar de liefde gegaan. Mirjam speelde inderdaad fluit in Tulip, bij dat eenmalige optreden in de Vondelstraat. Ik moet haar dus in die herfst al gekend hebben. Ik herinner me dat we samen een kerstboom gingen kopen en daarmee over de Osdorper Ban naar haar galerijflat bij de Baden Powellweg liepen. Ik weet zeker dat ik met haar ging tijdens het legendarische Amsterdamse Bos Festival, juni 1971, daaraan heb ik heel sterke, erotisch gekleurde herinneringen. Dat maakt een half jaar, ruim. Maar in mijn verdere herinneringen aan die tijd speelt ze nauwelijks een rol. Ze brandde wierook. We draaiden Crosby, Stills, Nash & Young. We zoenden. Haar moeder maakte gado gado. Ik weet dat ze van school gegaan is. Zag ik haar alleen in het weekend? Hadden we een 'knipperlichtrelatie'? Hadden we wel een ‘relatie’, waren we daar met 14 en 13 niet veel te jong voor?
   Ik open mijn telefoon. Ja, ze staat bij mijn contacten, ik heb een paar jaar geleden nog met haar gesproken. Ik klik het plaatje aan. Tuur een tijdje naar de knappe donkere vrouw die het schermpje vult. Nog geen grijze haar te zien. Zal ik mijn vragen bij haar neerleggen? Zij weet misschien veel meer dan ik, mijn geheugen is niet al te goed gebleken. De kerkklok slaat halfacht. Ik klap mijn telefoon weer dicht. Laat die mensen toch met rust, denk ik, die hebben een leven, en zitten helemaal niet op jouw nostalgie te wachten. Ik sluit het portier van mijn auto en loop naar de sacristie van de Hofkerk. Ik adem diep in en blaas de mist weg die de hele dag al om me heen hangt. Het is tijd om 2020 weer onder ogen te zien.


(Foto: Agnes Trojani Linhard. V.l.n.r.: Mirjam Asaäri, Wim van Vliet, Jerzy Gawronski, J.-P. Locatie: de garderobe van het Cartesius Lyceum.)


dinsdag 5 november 2019

LA PAZ

In de supermarkt in Oker kocht ik na enig wikken en wegen een klein doosje cigarillo's. Vijf stuks. Het lag in een rekje bij de kassa en het wachten daar duurde net lang genoeg om de drieste stap te nemen. Voor in de vakantie, iedere avond eentje. Daarna onverbiddelijk schluss. Mijn vriendin keek bedenkelijk maar gunde me het voordeel van de twijfel.
Teruggekomen in Nederland dook ik meteen in de drukke, spannende voorbereidingen voor De klokken van Corneville. Doorlopen, orkestrepetities. Ik was nerveus. In een tankstation kocht ik een tweede doosje. Het kleinste model. Dat moest de week uitdienen, en na de première zou alles weer gewoon worden, ik beloofde het mezelf en suste daarmee mijn schuldgevoel.
Zondag had ik nog één sprietje over. Ondanks mijn planning (ná de voorstelling, als beloning) sneuvelde dat voortijdig. Het applaus was verklonken, en ik voelde me onvoldaan, hoewel alles heel goed was verlopen. De adrenaline joeg nog door mijn bloed. Ik was niet lekker moe, zoals de vorige avond na de generale, maar tamelijk opgefokt. Ik voelde me ook een beetje eenzaam. Als dirigent sta je te zweten om alles onder controle te houden, maar je staat niet in de schijnwerpers en deelt nauwelijks in de complimenten -  die geef je, aan de zangers en muzikanten. Waar was de tijd van de opgewonden, lacherige verbroedering na een voorstelling? Vroeger was dat altijd zo feestelijk geweest... Ik stond nog op scherp en reed iets te hard door de regen naar huis. Ik had met mijn vriendin in Wildschut afgesproken - ik zou haar weleens een aantal complimenten ontfutselen! Een duiveltje sprong op mijn schouder en dwong me te stoppen bij de Albert Heijn. Een blikje was zo gekocht, en ik was slechts iets later dan mijn vriendin bij het café.
Ze mopperde wat toen ze mijn nieuwe doosje La Paz zag. Ze was ook wel wat teleurgesteld. En ik ook.
Na volgend weekend is het weer afgelopen. Heus! Beloofd! Want echt lekker vind ik het niet en het huis begint alweer te stinken, terwijl het de afgelopen tien maanden zo fris rook, als ik er tenminste aan dacht de kattenbak tijdig te verschonen. Ik beschouw het maar als een terugval, of liever, een iets geprolongeerde uitglijder. Dat 'voorheen' in de titel van dit blog, dat laat ik daarom gewoon staan.


vrijdag 11 oktober 2019

Door donker glas gezien

Het is herfst en dus denk ik veel aan Jethro Tull.
Niet met weemoed, en ik luister niet eens naar hun muziek. Eerder uit gewoonte denk ik. Ooit was de romantisch-ironische folkrock van de band rond de Schotse fluitist/zanger/gitarist Ian Anderson synoniem met de weemoedige sentimenten die door het seizoen werden losgewoeld. Later zocht ik die oude gevoelens op door de muziek te draaien die ik ermee verbond. Nu is dat alles verleden tijd, maar de interesse is gebleven. Herinneringen aan het herinneren. Laat ik er een woord voor verzinnen, gewoon voor de lol, en omdat het op de een of andere manier Tull-achtig klinkt: metamnemetisch.

Ik kijk naar een foto. Mannen met baarden en bossen haar, maar gekleed als Britse landadel. Romantische ironie. Het is de hoesfoto van een plaat die met de terugwerkende kracht die mythologisering wordt genoemd deel uitmaakt van een 'trilogie van folkrock albums' (aldus Wiki). Keltische dansdeuntjes en scheurende gitaren. Songs from the Wood, Heavy Horses, Stormwatch. Het is de periode van dit drieluik ('77-'79) die me tegenwoordig het liefst is. Ian Anderson rookte pijp toen, net als toetsenist/arrangeur David Palmer. Mandolines en tinwhistles gaven de donkere liedjes een lichte, feeërieke toets.

Ik luister niet naar de muziek maar de interesse blijft. Ik zoek op YouTube naar wat er in 2019 over is van de band die ooit, lang geleden, zo cool was, dat het mooiste meisje van de klas het intro van Locomotive Breath op de piano speelde. Hip of cool zijn ze allang niet meer, al ruim veertig jaar niet meer, maar ze hebben wereldwijd een trouwe achterban: voornamelijk young elderly persons, maar ook jongeren die naar een ander tijdvak verlangen. Ian Anderson, een gewiekst zakenman en inmiddels puissant rijk, exploiteert het erfgoed van de band met nietsontziende ijver. Deze maand verschijnt de zoveelste luxe jubileumeditie - dit keer van het veertig jaar geleden verschenen album Stormwatch. Een cassette met meerdere mixen van het origineel, een remix, een live concert, een musicologisch/anekdotisch commentaar en vele bonus tracks. Twintig jaar geleden zou ik het nog braaf hebben gekocht, maar er zijn grenzen aan loyaliteit.
Ian Anderson treedt ook nog op, met de zoveelste versie van JT. Hij kan al heel lang niet meer zingen en de laatste jaren is dat onvermogen écht pijnlijk geworden, dus die video's mijd ik liever. Tenzij ik eens wrang wil lachen: ironie zónder romantiek.

Anderson is de CEO van een firma. Hij is het type charismatische egocentricus dat niemand naast zich duldt. Slechts onder zijn leiding kan er gespeeld worden. Gitarist Martin Barre heeft het nog het langst uitgehouden. Ik zie hem oud repertoire van Tull spelen, met een paar jonge meiden die wél kunnen zingen. Met zijn pluizige sneeuwwitte haar oogt hij als een vriendelijke opa. Hij heeft er lol in. Eindelijk weg uit de schaduw van die dwingeland Anderson, je ziet het hem denken. Liever nog zou hij waarschijnlijk zijn eigen stukken spelen, maar dat vult geen zalen.
En wie speelt daar toetsen? Wie is die oudere dame met steil, zilverblond geverfd haar? Ach, het is David Palmer. Na de dood van zijn vrouw is hij uit de kast gekomen als interseksueel. Een geslachtsoperatie draaide de operaties van zijn kinderjaren terug en maakte hem Dee Palmer.


Op een andere video zie ik haar in de weer met de opnames van een soloalbum, ze is inmiddels de tachtig gepasseerd. Haar stem is nog de diepe bariton die ik me herinner van haar pijprokende alter ego. Ze zit aan de vleugel als een pianojuf op leeftijd, parels in de oren, sjaaltje om de hals. De muziek is dezelfde Keltische folk als uit de tijd van de 'trilogie', maar dan zonder scheurende gitaren, zonder rock. 'Forever Albion,' klinkt het, dapper maar wat onvast. En dan: 'We're riding back to yesterday.'
Through Darkened Glass is de naam van de plaat, die in 2018 verscheen. Maar ik denk eerder aan vaseline op de lens.


vrijdag 26 april 2019

Een Paasuitje

Ons reisje naar de Achterhoek pakte heel anders uit dan vorig jaar. Pasen viel erg laat. In plaats van fauteuils, een goed boek en een knappend haardvuur kregen we een voorproefje van de zomer. De natuur juichte, opgetuigd in felle kleuren; een zoele wind voorkwam dat het uitbundige gele licht van de zon te veel ging branden. We zaten tot laat buiten, tot de vleermuizen gingen vliegen en alles, na het vertrek van de dagjesmensen, gedompeld was in een dromerige stilte. Ik prees me gelukkig: zo zou het altijd moeten zijn. De volgende dag wandelden we op landgoed Hackfort bij Vorden en genoten van de zee van wilde bloemen en stinsenplanten. In het Lalique Museum in Doesburg waren de bloemen van goud en van zilver, dansten de fauntjes rondom glazen vazen, en rook het naar parfum, want de geurampullen die René Lalique ooit ontwierp zijn nog steeds in productie en het museumwinkeltje biedt ze, gevuld en wel, te koop aan; net als die geblazen vazen met saters trouwens: voor een kleine drieduizend euro had ik er een mee naar huis kunnen nemen. De namiddag brachten we door aan een schragen tafel onder een klapperende parasol, in de stille tuin van de Bronckhorst Brewing Company, midden in het lege land, groen met gele spikkels. Daarna waren er asperges, roseval aardappels, ham en eieren en grote glazen wijn op het terras van Herberg de Gouden Leeuw, tot het tijd werd om verzadigd kamer 1, de Dickens Suite op te zoeken. Die nacht sliep ik slecht en de volgende dag was ik moe. Zon, wind, geuren en kleuren, belevenissen, ontmoetingen, indrukken, drank en eten - het was wat veel geweest, zo samengebald in een minivakantie met Pasen aan het eind van een druk seizoen. Toen ik ook de dag erna gedeprimeerd opstond begon ik al een beetje spijt te krijgen van ons uitje. Quadrupel van 11.5 %, die sigaret die ik van de ober gebietst had... Het was misschien té leuk geweest, ik had me té lekker gevoeld, het was moeilijk om het gewone leven weer op te pakken; want het was nog geen zomer, het werk ging gewoon nog door.
 
Na de koorrepetitie liepen we door de regen naar huis. De natte stoep rook lekker, de natte bloesems roken lekker. Een bekende gestalte liep haastig voor ons uit. Mijn vriendin sprak hem aan voor hij de trap naar zijn huis kon beklimmen.
H. kreeg drie jaar geleden kanker maar genas na een ingewikkelde operatie. Onlangs kwam de ziekte helaas terug en wel dermate hevig dat de doctoren hem geen hoop meer gaven. De laatste berichten waren echter verrassend: de palliatieve bestraling pakte goed uit; zo goed dat het tij voorlopig gekeerd leek. Voorlopig.
'Hoe gaat het nu?' vroeg mijn vriendin.
'Fantastisch,' zei H. 'Ik voel me véél beter dan vorig jaar om deze tijd, toen ik genezen was verklaard. Maar: het komt terug, dat weet ik. Het zit daar,' hij wees in de buurt van zijn keel, 'en het gaat niet weg. Dus ik moet profiteren van elke dag dat ik me nog fit voel, ik wil nog zo veel doen. De tijd is mijn vijand.'
We namen afscheid, hij nam met flinke stappen de trap omhoog.
De tijd is ons aller vijand, dacht ik, onder de indruk. Dus we kunnen hem maar het beste goed gebruiken. Van mijn uitje had ik geen spijt meer. Sterker nog: ik schaamde me dat ik die gedachte had toegelaten.


vrijdag 1 maart 2019

Verschaalde rook en kamermeisjes

Dat dokters ons ooit aanrieden om Camel te roken wist ik al. Maar pas geleden trof ik een veel recentere reclame voor sigaretten aan die in onze huidige ogen net zo bizar is. Johan Cruijff, aan de Hollandse koffietafel, bakkie erbij, die zegt: 'Veel mensen blijven graag een sigaretje roken. Ik ben er zelf een voorbeeld van. Maar ik vind: als je rookt, moet je wel verstandig roken.' Johan zocht een 'veilige' sigaret en vond baat bij Roxy Dual, teer- en nicotinearm. Het heeft hem niet geholpen.


Wat me het meest treft aan de reclame is die toon: 'blijven graag een sigaretje roken'. Dat vergoelijkende. Gezellige. Gemoedelijke. Het verkleinwoord zegt het al: het gaat hier om een vrij onschuldig vergrijp, om wat ze vroeger een pekelzonde noemden.

Toen het rookverbod in zou gaan was ik verontwaardigd. Om het feit dat ik niet meer gezellig met mijn pijp aan de leestafel van Wildschut zou kunnen zitten én om de betutteling: the nanny state - we gingen Amerika achterna. Inmiddels zijn we exact tien jaar verder en alleen het idee al dat ik in een openbare gelegenheid de brand in mijn tabak zou jagen (gesteld dat ik nog zou roken) vind ik ronduit idioot. Ze hebben gewonnen, de antirooklobbyisten: de mentaliteitsverandering heeft plaatsgevonden, we zijn succesvol gehersenspoeld, die vieze nicotinevlekken zijn uit ons brein gewassen. Roken in het openbaar is iets van vroeger geworden; roken in je privésfeer nog net niet, maar het wordt - ook door de rokers zelf - beschouwd als een serieus delict tegen de eigen gezondheid - bepaald geen pekelzonde.
   Er zijn al momenten dat ik dit blog bezie en me schaam voor de vlag waaronder het destijds de wereld is ingestuurd. Dan kijk ik naar mijn pijpencollectie, naar mijn portretten, mijn foto's en boekomslagen, en vind dat alles wat er vroeger zo 'sfeervol' en 'gezellig' aan was bij nader inzien niet deugde, en dat mijn zorgvuldig opgebouwde zelfbeeld ('peinzende pijproker') in vieze smook opgaat, of riekt naar verschaalde rook, kiest u maar een vergelijking.

Iets dergelijks gebeurt er met de seksuele moraal. Nee, dit is geen overmoedig grote sprong, luister maar: nog geen zeven jaar geleden ging het gesprek op een feestje over de affaire rond de oversekste Franse politicus Dominique Strauss-Kahn, in die tijd kortweg DSK genoemd. Ik maakte er een grapje over. Iets in de trant van: 'Ach, in Frankrijk is een kamermeisje nu eenmaal vogelvrij, dat hoort bij de cultuur, lees er Simenon maar op na.'
   Mijn geleerde vriend Saphier was niet geamuseerd en berispte me. Hoe kon ik zo luchtig doen over zo'n smerig zaakje? Ik was toen een beetje beduusd: ik zag nogal tegen Saphier op en voelde me op mijn nummer gezet. Maar zeven jaar later snap ik niet meer dat ik zo luchtig kón doen. We hebben #MeToo meegemaakt. We zijn weer een beetje wijzer. Met terugwerkende kracht heeft dat hele tijdperk van Simenon en zijn kamermeisjes zijn onschuld verloren. Zoals ook het tijdperk van Simenon met zijn driehonderd pijpen, de dokters met hun kamelen en Johan Cruijff met zijn sigaretje zijn onschuld kwijt is.

En daarmee verliest ook een wérkelijk onschuldig vermaak iets van zijn charme: lezen. Deze week las ik weer eens een paar Maigrets. Ooit schreef ik daar het volgende over: 

De wereld van Maigret is een donkere maar veilige wereld; zondig maar tegelijk kinderlijk onschuldig, ondanks alle moorden, ondanks al het schuim der aarde dat er overvloedig in optreedt. Een voorgoed verdwenen wereld vol dagelijkse pekelzonden en onbeduidende rituelen. Een wereld waarin schurken een hart hebben en brave burgermensen rotte plekken. Waarin iedereen in wezen zwak en daarmee sympathiek is. Waarin mensen zonder er veel aan te kunnen doen hun lot vervullen in een omgeving die alcoholisme, hoererij en hypocrisie schouderophalend accepteert. In het warme en smoezelige Frankrijk van Simenon wordt veel, zo niet alles vergeven. En dat maakt geruststellende bedlectuur.

Ik kan er niet meer met heel mijn hart achter staan. De antirooklobby en #MeToo hebben van mij een beter mens gemaakt maar mijn bedlectuur hebben ze een beetje verpest.




dinsdag 5 februari 2019

Vier bedachtzame notities

1.

's Avonds in bed lees ik Dickens. In Great Expectations is veelvuldig sprake van de getijden in de Theems. Niet terloops, maar relevant voor de plot. In plaats van dat ik vaststel: 'De Theems kent eb en vloed, weer iets geleerd' pak ik mijn telefoon en zoek alles op. Theems, geschiedenis, topografie, Pool of London, estuarium, getijdenrivieren in het algemeen en in Nederland en België in het bijzonder. De antwoorden bevredigen me niet helemaal, er is nog zoveel meer te weten. Het naadje van de kous, bijvoorbeeld.
Zo is mijn geestestoestand dit beginnende jaar: als ik niet mat en somber ben, ben ik overmatig actief in mijn hoofd, op het koortsachtige af. Zelfs het leesuurtje in bed, mijn vertrouwde bolwerk van geresigneerde rust, sneuvelt en verandert nolens volens in een liggend zelfonderricht, een cursus 'Alles wat je altijd al wilde weten maar waar je vroeger te lui en te onverschillig voor was'.
De enige reden die ik kan bedenken voor deze cerebrale hyperactiviteit is de fysieke verandering die heeft plaatsgevonden daarboven doordat ik gestopt ben met de forse dagelijkse inname van nicotine. Pijpen staan wijsgerig maar bevorderen de leergierigheid bepaald niet.

2.

In het park ligt nog flink wat sneeuw. Ik luister naar het lekkere geluid dat schoenen maken die over verse, stevige sneeuw lopen en denk: De sneeuw knerpt. Maar dan denk ik: Dat klopt niet, dat klinkt niet. 'Knerpen' is, om met Monty Python te spreken, een tinny word, niet geschikt voor dit ronde, volle geluid. Een stem kan knerpen, een ijselijke stem zeker, maar sneeuw toch niet. Op zijn plaats zou zijn 'knappen', een woody word. Letterlijk: brandend hout in de haard 'knapt'. En zo klinkt sneeuw die wordt betreden door stevige schoenen: 'knappend'. Ik besluit voortaan tegen de traditie in te gaan en mijn eigen verbale kompas te volgen. Knappende en geen knerpende sneeuw.
Dan besef ik wat ik aan het doen ben (ik ben de Theems aan het bestuderen) en probeer nog een tijdje op de sneeuw te lopen zonder er woorden aan te verbinden.

3.

Thuis leg ik de laatste hand aan mijn klus en stuur alles op naar de vormgever. Zo. Gedaan. Maar wat nu? Mijn nicotineloze brein zegt: doorgaan! Lekker opruimen, wat denk je daarvan? Ik vind het een uitstekend idee en ga aan de slag.
Algauw ben ik dingen aan het weggooien die ik allang had moeten weggooien. Dat voelt goed. Stoer, doortastend. Schoon schip, een vroege voorjaarsschoonmaak, kan maar gebeurd zijn: in de lente ben ik meestal te druk met andere dingen.
In een doos met allerhande paperassen kom ik een schijfje tegen. Ik doe het in de pc. Even later zie ik mezelf, zeventien jaar jonger, geïnterviewd worden door RTL4. Ik kan bijna niet geloven dat ik toen, bij de première van de folkopera Nieuw-West, nog zo jong en fris was (in mijn beleving was ik destijds al behoorlijk op weg om oud, verlopen en vadsig te worden). Ik gun me geen tijd voor ontroering, maak een back-up van het bestand en ga verder met opruimen.
Een knipsel duikt op. Uit een lokale krant. In datzelfde Nieuw-West zit ik, vijftien jaar na dat interview, op een verlaten plein. In winterjas, gebogen rug, witte baard, wit haar onder oudeherenhoed. Ik speel de liedjes die toen nieuw waren. Met een hondstrouwe verbetenheid (of is het gelatenheid?). Tussen schijfje en knipsel vloog een heel tijdperk voorbij.

4.

Ik zag laatst een item op tv over de Pyramide van Austerlitz. Dat is een landschappelijk monument in landgoed Den Treek, vlakbij Woudenberg. In de Napoleontische Tijd waren daar troepen gevestigd. Om de krijgsbeluste manschappen wat te doen te geven bedacht de generaal, Auguste de Marmont, een soort bezigheidstherapie. Het resultaat was deze piramidevormige heuvel die met een houten obelisk is getooid. Het monument was bedoeld om Napoleons overwinning bij het Zuid-Moravische Austerlitz (de zogenaamde Driekeizerslag) te gedenken. Maar ook de mannen die het gedenkteken hadden gemaakt moesten vereeuwigd worden. Dus werden al hun namen op perkament gekalligrafeerd. En die rol perkament werd in een loden koker gestopt, hermetisch afgesloten, en begraven. Voor de eeuwigheid!
Maar bij de eerste renovatie van het monument (er zouden er meer volgen) groef men nieuwsgierig de koker op. Eind negentiende eeuw. Hij werd opengeschroefd. Er zaten een paar muntjes in, en wat zwarte drab. Dat was alles wat er van de rol met de namen restte. Eén gaatje in het lood was genoeg geweest.
Gelukkig hebben we tegenwoordig de Cloud, de virtuele opslagruimte die over onze onsterfelijke nagedachtenis waakt: zo dicht bij de hemel, dat moet wel goed zijn.