Van mijn dochter kreeg ik een boek. Deftig ingepakt. Een verlaat extraatje voor mijn verjaardag veronderstelde ik, maar ze zei: Er hoeft toch niet altijd een aanleiding te zijn? Je kunt toch ook weleens gewóón een cadeau geven? Omdat je denkt dat een ander het mooi vindt?
Ik knikte waarderend en bladerde het luxueus uitgegeven boek door. Galahad and the Grail, deel 1 van een hervertelling van de Arthur-legende in dichtvorm, door Malcolm Guite. Ik keek naar het getekende portret van de auteur, en er ging me een lichtje op. Die man kende ik toch? Was dat niet...? Ik ging naar YouTube en tikte zijn naam in. En ja: ik had, nog niet zo heel lang geleden - ik rookte al niet meer maar had er misschien heimwee naar - een filmpje gezien waarin hij een lezinkje houdt over de kunst van het pijproken en in het bijzonder over het blazen van rookringen. Een heerlijke excentriek, een hedendaagse Bilbo, in tweed en kleurige vestjes gekleed, een kruising tussen pijprookgoeroe Jan Kusters en mijzelf.
Het universum heeft atomen en moleculen gesorteerd en opeengestapeld op vergelijkbare wijze, en de resultaten van deze convergente evolutie bevinden zich aan beide zijden van het Kanaal. Guite (spreek uit met een ai-klank zodat het rijmt op kite) is ongeveer even oud als ik, ietsjes jonger zelfs. Hij heeft mijn witte baard en manen, mijn verzameling pijpen, mijn interesse in boeken, poëzie en Tolkien, en ook is hij singer-songwriter, actief als frontman van de lekker gruizige folk- en bluesband Mystery Train. Een vrolijke geleerde, een rare, sympathieke snuiter met een eigen YouTube-kanaal.
Enig punt van aandacht is dat hij tevens erg christelijk is, zelfs Anglicaans priester - daarin heeft de overzeese formatie van atomen anders uitgepakt. Op de filmpjes zie ik dat zijn baard geel uitgeslagen is terwijl de mijne sneeuwwit is. Ik had even een aanvechting mijn kromme Peterson-pijpen met zilveren ring in ere te herstellen toen ik hem zo smakelijk zag puffen, maar laat ze toch maar met rust.
*
De belabberde status van het Boek maakt van mij een belezen man. De hiaten in mijn eruditie bleven vroeger oningevuld: ik kende de generatie vóór de vaderlandse Grote Drie nauwelijks, maar om nou die boeken op de bonnefooi te gaan kopen terwijl er nog zoveel moois en dringends op mijn aanschaf wachtte? Mijn laatste bibliotheek-abonnement dateert van zeer lang geleden.
Met de komst van de straatkastjes veranderde alles. Ik neem iets mee wat ik niet ken, gewoon uit belangstelling; is het niets, dan zet ik het terug. Zo ontdekte ik laat in mijn leven dat ik een groot Vestdijk-liefhebber ben, zo las ik met veel plezier Het grijze kind van Theo Thijssen, zo maakte ik goed dat ik schandalig genoeg nooit The Wind in the Willows had gelezen. Et cetera, et cetera.
Deze week vond ik het verzamelde werk van Willem Elschot, gebonden in scharlakenrood linnen. Omdat ik de mannen van de bibliofiele kringen waarin ik verkeer altijd zo eerbiedig had horen praten over die Belgische schrijver nam ik het mee. Zelf had ik hem tot dan toe verwaarloosd en op één lijn gezet met F. Bordewijk. Kaas, Lijmen/Het been, Blokken, Bint: er is een schijnbare overeenkomst.
Zoals ik op dezelfde straatschuimerwijze Bordewijk allang heb gerehabiliteerd (zijn drie delen Fantastische vertellingen las ik op het balkon, een aantal zomers terug) zo is nu Alfons de Ridder aan de beurt. De Ridder, de echte naam van Willem Elschot (1860-1882), was het grote voorbeeld van Simon Carmiggelt. Lees de eerste zin van Lijmen en je snapt dat: Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken...
Veel verder dan zo'n pakkende introductie gaat de overeenkomst overigens niet want Elschot had een klare maar ironisch-literaire stijl - voor gezellig-weemoedige kroegverhaaltjes moet je bij hem niet zijn. Ik verwacht zijn gehele oeuvre, dat maar zo'n 750 bladzijden proza en wat poëzie beslaat, nog voor de zomer uit te krijgen.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten