vrijdag 20 februari 2026

TOEVAL


Ik was niet uitgerust - de slaap had niet snel willen komen de avond ervoor -, maar zodra ik buiten kwam voelde ik me opgefrist: het was minder koud, windstil en de geur van regen hing in de lucht. Ik ademde diep in en ging op pad naar het huis van mijn Italiaanse vriend bij wie ik koffie zou gaan drinken - we hadden veel te bespreken en ik had een boekje bij me dat ik op verzoek van de uitgever aan hem moest overhandigen, met de complimenten. 
Een klein halfuur later belde ik aan.
Niets. Ik herinnerde me zijn herhaalde instructies om vooral ferm te drukken, want de ouderwetse bel had kuren. Nog eens drukte ik, en weer, met verschillende druk en duur. Weer bleef het vertrouwde gestommel in het trappenhuis, begeleid door mompelend commentaar, uit. Ik deed een paar stappen terug en keek omhoog. Er brandde geen lampje boven de computer die aan de raamkant stond. Ik appte (ik sta voor je deur, ben je thuis?) en begon te schilderen, zoals dat in oude Maigrets heet; "wachtend op en neer lopen" volgens de Van Dale - Maigrets inspecteurs doen het nogal eens als ze een bepaald verdacht pand moeten bewaken. 
Toen er een kwartier voorbijgegaan was liet ik het boekje in de brievenbus glijden en liep terug naar huis. Ik besloot een andere route dan normaal te nemen, binnendoor, langs het water, en niet langs de C.-laan. Er passeerde me een vrouw. We knikten elkaar toe. Ik keek nog eens. Ja, dat was R. Ik riep haar naam: R.! Ze draaide zich om, herkende me, spreidde haar armen en omhelsde me.

Maak je nog steeds muziek, was een van de eerste dingen die ze wilde weten. Ze was anderhalf decennium ouder dan toen, en ik ook. Een godswonder dat we elkaar meteen herkenden, maar voormalige kliniekgenoten hebben een intensieve tijd doorgemaakt samen die niet snel uit te wissen is. Mij ging het wel goed, zei ik; al die wissewasjes en schommelingen in gevoelstemperatuur kon je op deze grote schaal wel buiten beschouwing laten. Ze nam een pepermuntje.
Ik had het allang geroken. Ze vertelde dat ze tien jaar geen druppel had gedronken, maar na een scheiding en een gedwongen verhuizing was het weer raak geweest. De flessen wodka waren niet aan te slepen. Ze lachte erbij. Overmorgen ga ik weer naar de kliniek, zei ze. Solutions, in V. 'Ben ik al eerder geweest. Ach ja, het leven is vallen en opstaan, we moeten er maar niet zo'n enorm probleem van maken,' meende ze luchtig. We praatten over wederzijdse bekenden.

I. was inmiddels overleden, wist ik dat? Ja, ik wist er alles van. Ik had in mijn boek Een klein verwend jongetje een hoofdstuk gewijd aan de geschiedenis van I. en R. Onder schuilnamen uiteraard. Nu bleek dat alles heel anders was gegaan dan de grootsprekende, fabulerende I. me destijds had wijsgemaakt, ik geloofde R. op haar rulle wodka-woord, zij zat niet in de reclame, zoals I.
Sterker nog, ze had in haar lange droge jaren in de verslavingszorg gewerkt, onder ons beider verslavingsarts W.S. ('Mijn held', zei ze) die ik als Dr. Siegfried Nimsgern in dat genoemde boek heb opgevoerd. Met hem ging het slecht, hij had 'overal kanker', en dat met twee jonge kinderen... Ik schudde meelevend mijn hoofd en was blij dat ik zo'n sympathiek portret van hem had geschetst in die roman. We namen afscheid, ze omhelsde me opnieuw, die wodka-adem rook vertrouwd en eigenlijk best lekker, ik wenste haar veel succes in de kliniek.
Het toeval wil, dat ik juist dezer dagen bezig ben met een grondige revisie van dat boek. Ik schraap er alle literaire glazuur vanaf die ik er destijds uit onzekerheid op aangebracht heb en behoud de basistekst zonder franje. Moest ik nu die hele 'liefdesgeschiedenis' tussen die twee herschrijven? Ik besloot van niet. Het was het verhaal van I. dat ik uit zijn mond had opgetekend. Of dat historisch juist was donderde niet, voor wat dat boek betreft.
Het toeval wilde, dat mijn vriend niet thuis was (niks ernstigs gelukkig, hij had zich vergist in de datum) en het toeval wilde dat ik een andere route naar huis nam. Een mislukte excursie leverde een mooie ontmoeting op.
Maar dat het slecht gaat met Dr. Nimsgern wierp een schaduw over de rest van de dag.


(Dobbelstenen: Lyra's Hoard)

vrijdag 13 februari 2026

DOEDELZAK


We wilden eens een DNA-test doen, om te kijken wat er nu precies waar was van al die familieverhalen. De wattenstaafjes gingen in een met vloeistof gevuld buisje en werden opgestuurd naar een laboratorium in een ver buitenland. Daarna was het wachten geblazen. Regelmatig kregen we mails van het bedrijf met reclame voor andere diensten, stambomen uitzoeken bijvoorbeeld, of DNA-matches met anderen vaststellen. Er zit geld in ons verborgen verleden. 

Afgelopen woensdag was het zover. Ik opende de mail.
Jan-Paul, U bent... verscheen in beeld - een  sterrenhemel lichtte aan, er klonk spannende muziek - ... 76,7 % Nederlands.
Oké, dat zat eraan te komen. Maar het ging me natuurlijk om die andere 23,3 %.

Ik heb ooit de stamboom van mijn oma uitgezocht. Dat was een makkie, want de familienaam Grabijn is zeldzaam, en terug te voeren tot één persoon. Hans Hinrich Grabin (1707, Brinkum, Nedersaksen) had een zoon Friedrich (1743-1803) die naar Nederland kwam vanwege de liefde en zijn naam verhollandste tot Grabijn. Hij stierf in Amsterdam en ligt daar ook begraven, in Buikslotermeer. Zijn zoon heette Jan Fredrik. Zijn kleinzoon Johannes Christiaan (1798-1826) verruilde Amsterdam voor Delft en daar begon de familiegeschiedenis van mijn Delftse oma. 
Als bluffende genealogie-amateur poneerde ik: die Grabijns zijn dus helemaal geen Hugenoten (Grabin op zijn Frans uitgesproken) zoals in de familie werd beweerd - mijn oma had zelfs een Hugenotenkruisje -, het zijn Duitsers, en gezien de naam "Grabin" waarschijnlijk uit Polen. In dat Oostblokland liggen namelijk een aantal steden en dorpen die zo heten.
De DNA-uitslag gaf me deels gelijk; ik ben voor 5 procent Duits, dankzij Hans Hinrich. Maar niks Polen. Grabin is een gewone Duitse naam en heeft geen aantoonbare Poolse herkomst. Exit Polen, geen genetisch excuus meer voor die drankzucht.

Ook een andere aanname kon de prullenbak in. Ik was van vaderszijde een Spaanse Brabander, wist ik vrijwel zeker. Tijdens de 80-jarige Oorlog hadden de Spanjolen Den Bosch in bezit en in de wijde omtrek van die stad hadden ze volgens een hardnekkige mythe zowat alle meisjes bevrucht. Vandaar het donkere uiterlijk van oma, die koolzwarte ogen. Maar het DNA was onverbiddelijk. Geen drupje Spaans bloed. Waar dat donkere dan wel vandaan kwam?
Hoera! Ik was voor 4 % Frans!
Maar, voor mijn Joodse collega's die me in de loop der jaren hebben omarmd als een vermoedelijke verre bloedverwant: West-Europese en Centraal-Europese Asjkenaziem: 0.0 procent.

Goed. Geen Pool, geen Spanjaard, geen Jood. Wat dan wel, behalve dat vooral Tilburgse, Antwerpse en Zuid-Hollandse, en dat beetje Duits en Frans?
Tromgeroffel... Negen procent Engels! 
Huh? Waar komt dat vandaan? Vandaar dat ik me bij de Britten altijd zo op mijn gemak voel.

Tot slot hadden de uitkomsten van kit nummer MH-488X77 nog een kleine verrassing in petto. Die twee procent Zweeds en Deens... ach, dat zou wel van de Engelse connectie komen. De Vikingen hebben het eiland immers geteisterd, geknecht en bevolkt. 

Maar dat ik voor 1,6 % Schots en Welsh ben, dat pleziert me. Ik ga een doedelzak kopen.


Illustratie: Jacob Jordaens (1593-1678), zelfportret als doedelzakspeler, circa 1640.


vrijdag 6 februari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 68: vondsten


Twee weken geleden, op een koude zondagmiddag, liepen mijn vriendin en ik vanuit haar huis op de dijk naar het nabijgelegen dorpje. We hadden er iets te doen. In het kerkje aldaar, de Noordeinder Vermaning, gingen we naar binnen om het boekenaanbod te bekijken. Het boekenkerkje is de bijnaam van dat altijd geopende, niet meer in gebruik zijnde godshuis sinds er, buiten evenementen om, op grote schaal boeken tweedehands te koop zijn, voor wat de gek ervoor geeft. Die vrijwillige gift gaat in een schoenendoos, men is er goed van vertrouwen, niet altijd terecht, heb ik begrepen. Ik heb er al menig mooi exemplaar gevonden, van een uitgave van Duizend en één nacht uit 1939 met 50 prachtige platen van Edmund Dulac tot een cassette met romans van Simenon. Toen ik een keer geen contant geld bij me had heb ik later een bedragje overgemaakt, eerlijk is eerlijk. 
Dit keer was er vooral veel crime fiction, al of niet literair. Ik liet Nicci French en consorten voor wat ze waren en boog me over een stapeltje grammofoonplaten. Ik besloot kritisch te zijn. Ik draai weleens een plaat (vinyl zoals dat tegenwoordig heet) op mijn kleine pick-upje met ingebouwde luidsprekers, maar vaak is het niet; en ik heb stapels en stapels platen thuis omdat ik na de overstap op cd, eind vorige eeuw, mijn collectie niet kon en wilde wegdoen. Dus bladerde ik de hoezen werktuiglijk door zonder de verwachting dat er iets bij zat, de eerste platen waren niet veelbelovend.
Toch! Daar was een keurig in plastic verpakt grijsblauw album met de beeltenis van Franz Liszt erop. Transcripties van stukken uit Wagner-opera's en op kant twee late pianostukken, die interessante, sobere en verstilde stukken dus, die mijn vader het vermoeden deden uiten dat de oude Ferenc licht aan het dementeren was geraakt. Toos Onderdenwijngaard was de pianiste. Die naam kwam me onmiddellijk bekend voor en onderweg naar huis vertelde ik mijn vriendin wat ik me herinnerde.
Ze was een succesvol concertpianiste maar bij ons thuis vooral bekend als een der oprichters van de Franz Liszt Kring. Daar werd mijn vader in de late jaren 70 lid van, ik herinner me nog dat hij met deze Toos belde. Hij wilde meedoen als voorvechter van de ouderwetse romantiek, op de bres springen om het erfgoed te verdedigen tegen het in die tijd woedende barokvirus. Op gezette tijden viel er een tijdschrift in de bus en hij ging naar concerten die door de Kring werden georganiseerd.
Ik opende de plaat. In de hoes stak een handgeschreven opdracht. Een briefje van een dankbare patiënt aan de afdeling "F.3.Z." voor 'hun kennis en kunde en hun warme benadering van de mens, of die nu patiënt, diens bezoeker of Uw collega betrof'. Blijkbaar had de staf van afdeling F.3.Z. niet zoveel op met de esoterische 'late Liszt' want de plaat was in nieuwstaat, glanzend zwart, elektrisch geladen en ongeschonden.

Vanmiddag was het moment waarop ik Toos, een generatiegenoot van mijn vader, 1926-2019, slechts een jaar na hem geboren en drie jaar later dan hij overleden, zou gaan beluisteren. Een druilerige februarimiddag, rustige dagen voor de boeg, kaarsje aan, tripeltje ingeschonken.
Maar het pick-upje kon geen verbinding maken met het stopcontact, het snoer was te kort (de nieuwe bank had voor een verschuiving in de kamer geleid). Liever dan daar nu een oplossing voor te verzinnen dacht ik op YouTube terecht te kunnen. Ik verdwaalde eerst in allerlei oude video's van prog-bandjes van mijn zoon en vakantiefilmpjes van onze familie voor ik welgeteld één video van Toos Onderdenwijngaard vond, een bandrecorderopname uit de jaren zeventig. Erg mooi, dat wel. 

                                                                        *

In het boekenkastje in mijn straat vandaag: Handschrift, van Jean Pierre Rawie. Hij is de bestverkopende dichter na Annie M.G. Schmidt en Toon Hermans, las ik, en zo zag dit deeltje van Prometheus er ook uit: in feestelijk goud en rood gevat, alsof het alvast vooruitliep op zijn status als kerstcadeau. 
Thuis begon ik er zonder veel verwachting in te bladeren maar ik werd desondanks gepakt, vooral door de uitmuntende vertalingen uit Engels, Russisch en Portugees waarmee het boekje eindigt. En ik dacht aan de gedichten van Simon Vestdijk, die zo hemelsbreed verschillen van deze J.C. Bloem 'light'. Voor ik het wist dichtte ik twee kwatrijnen, ongetwijfeld geïnspireerd door JPR, die deze versvorm ook hanteert, naast het sonnet. 

Jean Pierre Rawie

Zijn verzen, in gewone mensentaal
en dus verstaanbaar voor ons allemaal,
zijn door die klare eenvoud zeer weldadig -,
maar soms ook wel een tikkeltje banaal.

Vestdijk

‘k Raak over zijn romans niet uitgepraat,
terwijl zijn dichtwerk me Siberisch laat.
’t Is niet dat hij niet mooi en knap kan rijmen -,
maar ik begrijp gewoon niet wat er staat.


Illustratie: 'Het toverpaard', Edmund Dulac (1882-1953)


woensdag 4 februari 2026

Aan de wind die dooi brengt


"Robert Frost (1874-1963) dichtte begrijpelijke poëzie in mooie maar eenvoudige taal. Als een van zijn grootste verdiensten wordt gezien, dat hij de prosodie van de spreektaal van New-England in zijn verzen ving. Geen gezwollen frases, geen dikke woorden. Gewone mensentaal in een herkenbare literaire, in wezen negentiende-eeuwse vorm. De bruggenbouwer tussen twee eeuwen. Geen elitaire modernist, iedereen kon het snappen. Voeg daarbij dat zijn onderwerp het landleven was, dat zijn poëzie dus eigenlijk een soort natuurpoëzie is, en je hebt alle redenen bij elkaar om zijn langdurige populariteit te verklaren.
En tevens alle redenen om te verklaren waarom deze man, voormalig poet laureate, die maar liefst vier keer de Pulitzer Prize won, in de jaren zeventig in diskrediet begon te raken. Na zijn dood werd hij een tijd lang beschouwd als een folky, een aaibare verzensmid, een soort literaire Rien Poortvliet. Iedereen kende zijn bekendste gedichten – maar wie las hem nou nog, die doorgeschoten negentiende-eeuwer? Tegenwoordig wordt hij weer op waarde geschat en gezien als een van de grootste Amerikaanse dichters van de twintigste eeuw.

De populariteit die Frost in de Engelssprekende wereld kent is nauwelijks weerspiegeld in ons taalgebied. Er zijn her en der (vooral online) wat vertalingen te vinden maar Aan de wind die dooi brengt is de eerste bundel met Nederlandse versies van Frosts bekende en minder bekende gedichten.

Uit het rijke oeuvre van Frost selecteerde Jan-Paul van Spaendonck een gevarieerde keuze van 33 gedichten en maakte daarvan prachtige vertalingen waarbij rijm en metrum van de oorspronkelijke verzen behouden bleven. Tevens schreef hij een informatief nawoord waarin ingegaan wordt op leven en werk van Frost.

Aan de wind die dooi brengt heeft een omvang van 52 pagina’s en verschijnt als 22e deel in de reeks Saldencahiers."

(Uit een nieuwsbrief van de uitgeverij. Bestellen bij mij of via: Statenhofpers.)


vrijdag 30 januari 2026

WARM


Ik pakte mijn gitaar uit en legde mijn teksten klaar. Martijn stemde, Jenny blies haar fluit warm. We trapten af met Een meisje van zestien, ietsje langzamer dan we gewend waren. Een lekker tempo, vonden we. Zonder haast, zonder drang. 
In de auto op weg naar Zaandam dacht ik nog: Och, het is eigenlijk wel mooi geweest. We doen dit al ruim drie jaar, misschien wordt het eens tijd voor iets anders? Maar nu, al zingend en spelend, verspreidde een warmte zich door mijn ziel, anders kan ik het niet zeggen. Het was lekker om deze liedjes die we zo goed kennen weer te zingen en het voelde ook zinvol; het was of ik een oude jas aantrok die me volmaakt paste en me beschermde tegen de winterkou, zei ik tegen mijn medemuzikanten, ik schaamde me nauwelijks voor het cliché. 

Dat was gisteren, op wat Lennaerts 81e verjaardag geweest zou zijn. Zojuist vertelde ik hoe het, bijna tijdens Meester Prikkebeen, zachtjes was beginnen te sneeuwen in Zaandam, met heel kleine, maar suggestieve vlokjes.
'Lennaert keek mee van boven,' zei mijn dochter, die de tafel aan het prepareren was voor een sessie van Vampire: The Masquerade. 'Zo is dat,' knikte ik.
Meteen daarna herinnerde ik me dat ik die frase in iets andere vorm al eens gebruikt had. In een blog uit januari 2013 over de opening van een expositie, voorafgaande aan het Nijgh-festival. 

Blijkbaar had Lennaert die middag met welgevallen op ons neergezien, vanuit zijn hemelse kroeg. Want toen ik de parkeergarage uitreed moest ik mijn ruitenwissers aanzetten. Eerst dacht ik dat het regende. Maar, o wonder, het was sneeuw.

A.s. zondagmiddag, 1 februari, om 15.00 uur, treden we op in de Noordeinder Vermaning.
Noordeinde 18
1485 EV Noordeinde
Entree 15 euro.
Voor de gelegenheid is het programma uitgebreid met nieuw repertoire en een nieuw instrument: naast gitaar, mandoline en percussie bespeelt Martijn ook de bouzouki. Volg de link hieronder om kaartjes te bestellen. Van harte aanbevolen!

vrijdag 23 januari 2026

OPGERAAPT


Het kastje was na weken van bibliofiele armoede aangevuld met nieuwe bandjes. Er was duidelijk een liefhebber van poëzie langsgekomen. Ik tilde bundels op van Leonard Nolens, de op Tweede Kerstdag jongstleden overleden Vlaamse dichter, en van zijn Hollandse collega-romanticus Jean Pierre Rawie. Daarna pas zag ik de verzamelde gedichten van M. Vasalis, degelijk maar onaantrekkelijk uitgegeven. Drie bundels werd me opeens te veel. Ik heb de voornaamste werken van mevrouw Droogleever-Fortuyn-Leenmans alias M. Vasalis al in de kast staan en, hoewel ik warme herinneringen heb aan De idioot in het bad en Afsluitdijk, ben ik nu ook weer niet zo gek op haar werk dat ik het volledig wil bezitten. Maar Vasalis negeren en Nolens en Rawie wél meenemen leek me ook weer vreemd. Ik besloot vandaag met lege handen naar huis te gaan en legde ook Een Hollands drama van Van Schendel, dat ik me al had toegeëigend, terug.
Tevreden over mijn schrale, bij januari passende zelfbeheersing (de boekenkasten zouden vandaag niet verder gaan uitpuilen) liep ik verder. Naast een uitspringende nis waarin zich, achter raamglas, sinds jaar en dag een kleine verzameling curiosa bevindt, met een briefje met een telefoonnummer erbij voor eventuele geïnteresseerden, stonden wat soortgelijke voorwerpen op straat: een gipsen Mariabeeld, een tabouretje, onduidelijke stukken houtsnijwerk. Een vrouw met een rollator (ik ken haar van vroeger, ze had ooit een winkeltje met antiquiteiten in mijn straat) stond ervoor stil. 'Dit mag je zomaar meenemen,' zei ze met weifelende stem. Ik knikte, mompelde mijn verbazing, liep door maar draaide me om en keek toe hoe ze het tabouretje loswrikte uit de verzameling. Toen ze zich weer in beweging had gezet ging ik terug; zonder dat ik het me bewust was geweest had ik in die luttele minuten of zelfs seconden een keus gemaakt: ik had het verdiend na mijn ascetisch negeren van de boekjes. Ik pakte het Mariabeeld op, het was een kleine vijftig centimeter hoog. Ik zag dat de Heilige, Wonderdadige Maagd onder haar blote voeten een fel gekleurde, venijnig ogende slang in bedwang hield of misschien vertrapte. Haar armen hield ze uitnodigend gespreid, geen zoetelijk kindje belemmerde haar dat. 
Boven borg ik mijn boodschappen weg en zocht naar een geschikte plaats voor het beeld. Dat was nog lastig, want alle oppervlakken in mijn huis zijn druk bezet met de vele memorabilia en siervoorwerpen die ik niet wil wegdoen. Uiteindelijk besloot ik het op het mahoniehouten Indische kastje in mijn halletje te zetten, voor de antieke spiegel van oma, tegenover de krullerige dubbele wandkandelaar, onder de krans van gedroogde rozenbottels, overgebleven van een kerstmis van jaren her. Op de witte kast van waaibomenhout waarin allerlei nuttige rommel ligt, pillen, potjes, etuis, opladers, ducttape, gereedschap, en die is afgedekt met de grand foulard die tot voor kort de slijtplekken van de inmiddels het huis uit getakelde Chesterfield bank aan het oog onttrok, was geen plaats meer, daar staan de bloemenvazen. 
Ik bedacht dat de tijd nu toch echt dichtbij komt dat ik in BinnensteBuiten geportretteerd word. Welkom in mijn duurzame bohemien-bedoening; bijna alles van wat hier staat is gekregen, tweedehands gekocht of van straat opgeraapt. 


vrijdag 16 januari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 67: oninteressante tijden



Met de sneeuw verdween ook de echte geborgenheid van de eerste week van het nieuwe jaar. In het grijze, dooiende en al snel weer groene park was het uit met de winterpret. De toekomst werd beetje bij beetje zichtbaar, het niemandsland werd voorzichtig ingevuld met coördinaten. 
Wel was ik nog steeds in de ban van die roes, die zoveel productiever was dan de bedwelming van de feestdagen: mijn compositie in wording slokte me op. Het aanvankelijke idee, een "glanzende kiemcel" om met S. Vestdijk te spreken, groeide uit tot wat toch wel een kleine cantate genoemd mag worden. Ik haastte me om zoveel mogelijk te profiteren van deze bui van scheppingsdrang; de buitenwereld klopte al aan de deur en verzocht om mijn inbreng, voordat het zover was moest ik in elk geval alle koorpartijen op papier hebben. 
Ik maalde, overeenkomstig een van mijn voornemens, niet om het nieuws; dat heeft me genoeg dwarsgezeten de laatste jaren. Ik begreep dat de oranje clown nu echt alle redelijke proporties uit het oog aan het verliezen is. Maar er is één vaderlandse militair naar Groenland gestuurd, de clown zal sidderen in zijn Capitoolse bed. Verder probeerde ik mijn ogen en oren zoveel mogelijk te sluiten voor wat er tot me doordrong uit de boze buitenwereld. 
Vriend Robert postte een gedichtje op Facebook van Brian Bilston. Ik kende hem niet, het bleek een pseudoniem van Paul Millicheap te zijn, geboren in 1970 te Birmingham. Deze Poet Laureate of Twitter publiceerde online poëzie, vooral light verse, die hem 400.000 volgers opleverde. Die populariteit leidde tot reguliere, papieren uitgaven. 
Eergisteren deed ik mijn middagdutje met de katten maar mijn brein stond na een morgen componeren nog te veel aan om weg te dutten bij het beschouwen van de wolken die langs het raam dreven. Ik herinnerde me het gedichtje dat mijn vriend had gepost, hem, en ook mij, uit het hart gegrepen. Ik deed een vertaalpoging die ik me voornam later te zullen verfijnen.

Gebed voor oninteressante tijden

Geef me een geen-nieuws-dag,
Een ingetogen dag,
Met niets in 't bijzonder in zicht
Dan de tijd die verstrijkt,
Een glas dat leeg blijkt,
Een herhaling van Flikken Maastricht.

Gun me een goed-nieuws-dag,
Een ik-heb-geen-mening-dag,
Een dag die alleen wordt besteed
Aan tijd met zijn twee,
Wat lokale teevee,
Een dag die je snel weer vergeet.

(Prayer for Uninteresting Times, Brian Bilston)

                                                                     *

Met Ierse nachten heeft Vestdijk bepaald niet zijn beste boek geschreven, al waren tijdgenoten een andere mening toegedaan: er werd zelfs gesproken van "zijn absolute meesterwerk". Mij kon het boek in elk geval niet erg boeien, het eerste boek van deze wonderlijke schrijver waarover ik dat moet zeggen. De materie, het Ierland van de negentiende eeuw, zwaar zuchtend onder het Engelse juk, ben ik ontgroeid. Magie, folklore, whiskey en Keltische romantiek bekoorden me mateloos toen ik decennia jonger was, nu is dat niet genoeg om een roman te kunnen dragen. De schuld ligt misschien bij de hoofdpersoon. Door de ogen van deze opgroeiende jongen zien we alles gebeuren zonder dat hijzelf gestalte krijgt. Reisgids Vestdijk had zoveel te melden, zoveel couleur locale te schilderen in taal, dat hij aan de invulling van de protagonist niet toekwam, die blijft een lens waardoor we de gebeurtenissen waarnemen, niet veel meer. Dat maakt dat de lezer niet erg betrokken raakt bij het fictieve Ballyvourney en zijn inwoners. De moeder van de jongen, een tragisch personage in haar gefrustreerde talent en haar betrokkenheid bij het arme, onderdrukte dorp, komt beter uit de verf maar de roman is te fragmentarisch om haar drama voelbaar en aangrijpend te maken.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo laat, pas in mijn negenenzestigste levensjaar, een Vestdijk-lezer ben geworden. Vanmiddag, wandelend door de lenteachtige straten, nadat ik in de weggeefbieb in de Ter-B.-straat maar liefst drie boeken van hem had gevonden, viel me een voorzichtig antwoord in.
Vroeger had ik geen boodschap aan die manische woordenvloed, aan die openingspassages die rumoerig met de deur in huis vallen; ik wilde boeken die begonnen met Er was eens of In het jaar 18.., in de goede stad A., ik zocht in mijn boeken een bezonnen oordeel over de wereld, ik hield van de maximen van de wijzen, waaraan ik me kon vastklampen als het leven me te chaotisch was. Nu ik tamelijk oud aan het worden ben en enige wijsheid heb verworven (haha, jaja) verlang ik van een boek soms dat het me drenkt in de wilde levensstroom. Overzicht en geruststellende routine heb ik al genoeg in het echte leven, in mijn literatuur wil ik iets anders: weer jong zijn, desnoods ten koste van mijn gemoedsrust.