zondag 22 maart 2026

KROONJAAR


Robert Eksteen en ik zijn deze maand allebei zeventig geworden. Zoals onze karakters zich als schijnbare antipoden spiegelen, zo spiegelen ook onze geboortedata elkaar: 13 maart (ik), tegenover 31 maart (Robert).
Bij vorige kroonjaren (50, 60 en 65) stonden we stil met cd's (Dwarsliggers en Wat ik later wilde worden) en vertaalde liedteksten (Raconteur, troubadour). Dit kroonjaar besloten we schaamteloos (voor schaamte zijn we immers te oud geworden) een bloemlezing uit eigen literair werk te publiceren. Verhalen en gedichten hebben we gemaakt sinds mensenheugenis. Die uit de periode van de lagere school hebben we buiten beschouwing gelaten; ook de bijdragen aan de schoolkrant van het Cartesius Lyceum hebben we met de mantel der liefde onzichtbaar gemaakt.

Er bleef genoeg over. We hebben een persoonlijke keuze gemaakt uit dat wat ons het dierbaarst is gebleven en - losjes maar warm - een raakpunt had met ons beider leven, met onze lange vriendschap, onze ontwikkeling van jongeman tot grijsaard. Raakpunt, was een tijdje de werktitel van de bundel, maar die haalde het niet. Kroonjaar werd het. Naar het kwatrijn van Adriaan Roland Holst dat het motto van ons boek is geworden: 

Leeg en gehuldigd
kwam hij thuis,
vermenigvuldigd
tot een muis.

De verhalen en gedichten uit Kroonjaar zijn zo gekozen dat ze niet alleen voor onszelf waardevol zijn. Naar mijn  - toegegeven, niet zo objectieve - oordeel is het een prachtig en zinnig boek geworden, afwisselend en toch samenhangend. Poëtisch en scherp, romantisch en reëel. Vooral doet het me plezier dat zoveel mooie stukjes die alleen nog op vergeeld papier van obscure tijdschriftjes bestonden nu in heldere druk zijn verschenen. 

Vandaag, precies tussen ons beider verjaardagen in, laten we het boekje los. Hopelijk vindt het zijn bestemming. Helpt het landen en koopt allen:

Kroonjaar

Jan-Paul van Spaendonck & Robert Eksteen
Amsterdam/Haarlem
Uitgeverij Faun, 2026

16,58


HIER bestellen. 


vrijdag 20 maart 2026

Maart, maart!


De twee gezichten van de lente wisselden elkaar af met grotere snelheid en fellere kracht dan in andere jaren.
Eerst was er het ontluiken, de belofte, een zachte drang tot verandering. Ik keek naar mijn zomerjasje, heel teer bleekgeel met een subtiel Bommel-ruitje van blauwe en rode draad, en stelde vast dat de nek groezelig was, ik zou het naar de stomerij moeten brengen. Welke wist ik nog niet want de vertrouwde droogkuis in de Ferdinand Bolstraat was, had ik op het nieuws gezien, ten prooi gevallen aan brandstichting en explosieven.
Dan was er mijn kapsel. Dat was een ongepaste wintervacht die me vanuit de spiegel aangluurde met een ouwelijk aureool van veel lang en wit haar. Dat moest er spoedig af. Nog voor 1 maart eigenlijk, de dag van de meteorologische lente en de dag waarop mijn vriendin en ik onze zeventigste verjaardag vierden. Ondertussen fotografeerde ik bloesems in het park, citeerde neuriënd een Chinees gedicht over het uitbreken van het voorjaar en voelde me er in alle opzichten klaar voor.

Maar - er kwam een griepje, rond mijn echte verjaardag, en daarna was alles anders. De lente had me zijn wrede aangezicht toegekeerd, dat schitterde van hard licht en vol harde geluiden was. Mooi weertje, vond iedereen, de weerman van het journaal was in zijn nopjes. Maar de zwarte vlekjes voor mijn ogen dansten wild en de piep in mijn oren was ongewoon hard. Nerveus van maartangst, zweterig en overgevoelig door hardnekkige verkoudheid deed ik wat ik moest doen en onttrok me zoveel mogelijk aan wat niet echt noodzakelijk was. Blij 's avonds met een boek naar bed te mogen. Het eierdooier-met-melk-gele jasje bleef aan zijn knaapje, de kapper moest nog maar even op klandizie wachten. 

Hieronder een gedichtje over de goede kant van maart, de welkome, de veelbelovende, de verruimende, de reinigende. Ik schreef het op 15 maart 1978, twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag. Het staat op pagina 9 van een gloednieuw prachtboek, waarover ik u aanstaande zondag alles zal vertellen. Nog even geduld!  

Maart

De wereld wordt door stormen schoon geblazen,
en als een gouden olie uit kristallen schenkkan
vloeit het licht, en vult de maartse lucht.

Een wolkennet met fijne blauwe mazen
is luchtig vallend om de aarde gedrapeerd:
de vogels weven het in dronken vlucht.


Illustratie: De Dans van de Tijd (1635), Nicolas Poussin (1594-1665)


vrijdag 13 maart 2026

BUONGIORNO

Vandaag, de dag van mijn zeventigste verjaardag, waag ik me weer eens aan een stukje zelfonderzoek, zoals ik het tegenwoordig zelden meer op schrift beoefen; in de beginjaren van dit blog, toen ik pas uit de kliniek was, was het juist schering en inslag: de analyse van mijn gedrag en gedachten, zo mogelijk afgerond met een passende, geruststellende conclusie. Mild zelfonderzoek en mooi "rondgeschreven", zoals iemand ooit zei. De laatste jaren heb ik daar niet zo'n zin meer in. Het is allemaal te ingewikkeld, de mens, de wereld, wie ben ik om met oplossingen te komen? Sfeerimpressies, anekdotes, snippers essay, daar hield ik het maar liever bij. Niet iedereen zal dit onderschrijven en zeker mijn vertrouwde critici zullen honend lachen als ze dit lezen. Maar naar mijn gevoel is het waar en daar gaat het om, op mijn zeventigste verjaardag.  

Mijn zoon noemt het buongiorno. De stemming waarin je zelfverzekerdheid uitstraalt, die met présence en stemverheffing gepaard gaat. Het Italiaans en de stemverheffing zullen verband houden met de jaren waarin ik als belcantozanger aan de weg timmerde.
Pieken en dalen, daar ben ik vanaf mijn kindertijd aan gewend. Dagen van inkeer en dagen van naar buiten gericht zijn wisselden elkaar altijd af. Pas veel later, toen het minder onschuldig werd, had ik daar een naam voor: bipolair. Licht bipolair. Als ik in een 'opgetogen' fase was beland merkte ik het vaak het eerst aan de reacties van anderen. Ik werd op straat aangekeken of aangesproken door passanten, vrouwen zagen opeens meer in me dan een bedaarde, baardige wandelaar. 'Het was een dag, bien luné...' schreef ik ergens in een dagboek over zo'n dag waarop ik blijkbaar iets uitstraalde dat opgepikt werd door de wereld om me heen.
Het buongiorno werd handelsmerk, ik maakte er mijn beroep van. Ieder optreden moesten we, Vincent en ik alias La Passione, die gepassioneerde buitenkant aan de wereld tonen. Ook als je niet lekker in je huid stak en je het liefst met een boekje bij de haard had gezeten, gordijnen dicht. Het buongiorno werd iets dat oproepbaar was, een masker dat je kon opzetten als het werk erom vroeg. Uiteindelijk een niet zo gezond procedé. En beroepsmatige extraversie valt al snel door de mand. Na een optreden benaderen mensen je vol verwachting, maar als blijkt dat die podiumpersoonlijkheid precies dát is: iets voor de bühne, haken ze al snel af, knikken je vriendelijk toe, negeren je verder en praten rustig keuvelend met hun achterban.
Ik heb me vaak afgevraagd hoe een mens écht, dat wil zeggen permanent charisma kan hebben. Als jojoënde stemmingswisselaar heb of had ik hoogstens een soort parttime charisma, al beweert mijn vriendin dat ik altijd de aandacht naar mezelf toetrek door wie ik ben of lijk te zijn (misschien is dat wel zo, maar dan merk ik het zelf toch niet, doordat de onzekere man die in mijn innerlijk woont me het zicht belemmert).


Op de carrousel van foto's die op mijn beeldscherm rouleert komt soms een plaatje voorbij dat me aan het denken zet over deze dingen. 
In 2009 brachten we een week door in Ortigya, het op een eiland gelegen historische centrum van de zuidelijke havenstad Syracuse. De aanleiding was een bezoek aan mijn vriend Geerten, die daar toen woonde. Ik probeerde in die tijd onder begeleiding van de Jellinek te stoppen met drinken maar dat ging op en af, en als het niet lukte dook ik steeds dieper onder in een alcoholisch bassin. Op Sicilië, die eerste keer (het jaar daarop kwam ik er in een droge periode) was het goed raak. Ik dronk de hele dag door. Biertje bij het ontbijt om bij te komen, wijn bij de lunch, en vanaf het middaguur was er nauwelijks meer een halt. Mooie maar chaotische tijd, de dagen buitelden door elkaar en liepen in elkaar over - mijn dagboekje, naderhand aangevuld, staat vol vraagtekens. Enfin, ik zal u de details besparen - we misten het vliegtuig terug naar huis. Verkeerd op de tickets gekeken. We boekten voor veel geld een nieuwe vlucht een paar dagen later en klopten na een nacht bij Geerten op de vloer bij ons hotel aan, dat gelukkig nog plaats had. Ik herinner me die toegift als iets rustiger. Ik las mijn vriendin La sirena van Lampedusa voor op de hotelkamer, en... ik ging naar de kapper. 
Daar is dat plaatje van. De kapper, een aardige rustige baas, kwam uit Uruguay (een derde van de Uruguayaanse bevolking heeft Italiaanse wortels). Algauw zaten we samen Figaro te zingen. Het toeval wilde dat er een televisieploeg van de Uruguayaanse tv in de kapsalon was om een documentaire te maken over onze barbier. Ze snoven mijn buongiorno gretig op en algauw snorde de camera. Op die foto zie ik hoe charisma werkt. Vooral de jongste tv-man kijkt me zonder terughouding bewonderend aan. Later die middag aten we op een pleintje spaghetti met zee-egels. Het had geonweerd maar al snel daarna was de lucht opgeklaard. Ik zong voor het terras: Che bella cosa... Wat een prachtig iets, een zonnige dag, de heldere hemel na een onweersbui. 'O Sole Mio!!!

Normaal is er na zo'n uitbundige bui een diepe schaamte over de eigen aanstellerij. Maar tijdens dat verblijf op Sicilië bleef die achterwege. Ik vermoed nu dat ik uit zelfbehoud in die manische stand bleef volharden, omdat ik wist dat, als ik eenmaal tot bezinning kwam, de put te diep zou zijn - veiliger was het voorlopig maar even uit te razen, met mijn vastgeklonken buongiorno-masker op. 

Ik geloof niet dat iemand me sindsdien zo naar de ogen heeft gekeken als die jongen uit Uruguay. Maar ik ben ook nooit meer zo diep gevallen als daarna, terug in Amsterdam, en ik heb me nooit meer zo hoeven oprapen - of laten oprapen - als toen.  



vrijdag 6 maart 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 69: Hommels, katten en muizen


Ik liep zoals iedere dag in het park. Nog met wintervacht - de kapper was er vandaag niet van gekomen - maar mijn jas hing open en mijn V-hals jumper had ik thuisgelaten. Anders dan gisteren was de lucht niet helderblauw. De zon had enige moeite erdoorheen te komen, een weggemoffelde diamant. Ik stoofde me zachtjes in dat diffuse licht. Koesterde herinneringen aan voorgaande jaren. De vogels herinnerden zich niks, die waren net zo uitbundig als de dag ervoor. In de rijke witte bloesems van een zure kers (maar het kon volgens PlantNet, met iets minder waarschijnlijkheid, ook een sleedoorn zijn) zat een flinke hommel. De eerste van het jaar. Ik dacht aan een klein stukje dat ik op deze webpagina schreef, 15 jaar geleden alweer.

8 april 2011

In de gang kroop een hommel. Hij zat onder het stof. Hij moet de winter in een hoekje hebben doorgebracht. Ik pakte hem met stoffer en blik op en zette hem op het balkon. Daar verstarde hij, terwijl hij zijn rechtervoorpoot ophief alsof hij het verkeer regelde, of de Hitlergroet bracht. Ik begreep het. Hij had last van de felle zon. Ik schoof hem in de schaduw, en hij begon weer te bewegen. Eerst waste hij zijn voorpoten. Dan maakte hij een enkel proefvluchtje, vijf centimeter rechtstandig omhoog, meer niet. Alles deed het nog. Hij leek moed te scheppen, en wierp zich vastberaden in de lucht. Hoog en snel ging het meteen, met duizelingwekkende zwenkingen. Maar de willekeurige patronen werden al gauw kleiner, en met grote precisie dook hij in een bloeiende perenboom.

Vannacht was er reuring in huis. Ik kreeg er weinig tot niets van mee want ik slaap vast. Snuf was boven in zijn functie van muizenpolitie. Broer Snuitje durft het trappenhuis niet in, de zolderetage is voor hem onbekend terrein. De dag ervoor had hij, Snuf, er een gevangen, een volwassen exemplaar. Good boy! Maar tot verbazing van mijn dochter beet hij zich niet grommend vast in het diertje, maar droeg het voorzichtig aan zijn nekvel mee, teder bijna, zoals katten met hun kittens doen. Hij liep een tijdje - besluiteloos ondanks zijn felle grote ogen - met zijn prooi rond, voor hij die losliet en er wat mee begon te spelen. Tikje, schuiven, tikje. De muis zag zijn kans en greep die, verdween in een holletje in de plint.
Gisteren herhaalde de gang van zaken zich: rondzeulen, loslaten, sjoelbakken. Deze muis vond geen gat en bleef rug tegen de muur in een hoekje zitten. Snuf ging het wereldraadsel zitten bepeinzen, kijkend naar dit enigmatische fenomeentje, blijkbaar nu al verveeld door een veelbelovend kameraadje dat voor minder opwinding zorgde dan de speeltjes waarmee mijn dochter zijn kilo's een beetje binnen de perken probeert te houden. Op een telefoonfilmpje zag ik de volgende morgen hoe mijn dochter het diertje aan zijn staart de trap afdroeg en buiten losliet. Het schoot, geschrokken maar ongedeerd, met razende pootjes onder een geparkeerde auto. Onze vorige kat Tijger schrokte de muizen in één keer naar binnen, dat was een jager. Snuf is een zachtmoedige, decadente binnenkat. Nul instinct.


vrijdag 27 februari 2026

VOORJAARSSCHOONMAAK


Het plotselinge uitbreken van de lente laat vermoedelijk niemand onberoerd. Iedereen zal het op zijn of haar eigen manier ervaren. Je ziet mensen (vele) die, meteen omgeschakeld, een ijsemmer vol wit of rosé bestellen op een hip terras. Anderen aarzelen welk soort jas te dragen (of helemaal geen?) en moeten nog even wennen aan al het gekwetter en lichtgeschitter. Ik was met mijn vriendin in Amsterdam Nieuw-West bij een Turkse winkel om inkopen te doen, want we hebben iets te vieren; we kochten meer dan we normaal zouden hebben gedaan, het zag er allemaal zo feestelijk uit, wat daar in bakken en schalen lag opgetast.
In de auto neuriede ik, tussen happen van een lahmacun door, Mahler: Der Trunkene im Frühling. Thuis sloeg ik er mijn vertaling op na, en daarna het origineel van Hans Bethge, dat nogal afwijkt van Mahlers versie. Zoals altijd vroeg ik me af waarom ik het iconische eerste vers niet gewoon had vertaald als: Als slechts een droom het leven is. Vroeger vond ik die één op één vernederlandsing heel gewoon. Toen ging ik twijfelen: het was toch écht een germanisme, die rare woordvolgorde. Ook mijn voorganger, dichter-vertaler Hélène Swarth (1859-1941), durfde ruim een eeuw geleden een letterlijke vertaling niet aan in De chineesche fluit (Meulenhoff, 1921) en maakte ervan: Zoo 't leven meer niet is dan droom... 

De drinker in de lente

Het aards bestaan is slechts een droom  – 
Wat maken we ons druk?
Ik drink totdat ik niet meer kan,
In ongestoord geluk.

En als ik niet meer drinken kan,
Gevuld van buik tot mond,
Dan val ik in een slaap die duurt
Tot aan de morgenstond.

Wat hoor ik als ik wakker word?
Een vogel in een boom.
Ik vraag hem of het voorjaar is – 
Het is alsof ik droom.

De vogel kwettert: ja, het is
Al lente, sinds vannacht.
Ik slaak ontroerd een diepe zucht,
De vogel zingt en lacht.

Ik vul mijn glas opnieuw en zet
Het gulzig aan mijn mond,
En zing totdat de maan verschijnt
Aan ’t zwarte hemelrond.

En als ik niet meer zingen kan,
Is slapen wel weer fijn.
Want wat gaat mij de lente aan!
Laat mij toch dronken zijn!

Hans Bethge, naar Li Bai (Li T'ai Po), vertaling JPvS

                   *

Der Trinker im Frühling

Wenn nur ein Traum das Dasein ist,
Warum dann Müh und Plag?
Ich trinke, bis ich nicht mehr kann,
Den ganzen lieben Tag.

Und wenn ich nicht mehr trinken kann,
Weil Leib und Kehle voll,
So tauml ich hin vor meiner Tür
Und schlafe wundervoll!

Was hör ich beim Erwachen? Horch,
Ein Vogel singt im Baum.
Ich frag ihn, ob schon Frühling sei – 
Mir ist als wie im Traum.

Der Vogel zwitschert, ja, der Lenz
Sei kommen über Nacht, 
Ich seufze tief ergriffen auf,
Der Vogel singt und lacht.

Ich fülle mir den Becher neu
Und leer ihn bis zum Grund
Und singe, bis der Mond erglänzt
Am schwarzen Himmelsrund.

Und wenn ich nicht mehr singen kann,
So schlaf ich wieder ein.
Was geht denn mich der Frühling an!
Laßt mich betrunken sein!



Ik houd momenteel voorjaarsopruiming. Vele, veel te lang bewaarde boeken verdwijnen naar straatbiebjes om plaats te scheppen voor nieuwe aanwinsten. Ook mijn verzameling eigen werk moet maar eens uitgedund worden. Ik heb nog een bescheiden doosje vol met exemplaren van De Chinese fluit, door de Avalon Pers in 2014 liefdevol met de hand gezet en gedrukt op fraai, dik crèmekleurig papier en voorzien van een pentekening door mijn dochter Rosanne. 

Wie wil kan er een voor 13,50 inclusief verzendkosten bestellen. Ik zet er handtekening en opdracht in.
Mail naar: jpvanspaendonck@gmail.com. 

vrijdag 20 februari 2026

TOEVAL


Ik was niet uitgerust - de slaap had niet snel willen komen de avond ervoor -, maar zodra ik buiten kwam voelde ik me opgefrist: het was minder koud, windstil en de geur van regen hing in de lucht. Ik ademde diep in en ging op pad naar het huis van mijn Italiaanse vriend bij wie ik koffie zou gaan drinken - we hadden veel te bespreken en ik had een boekje bij me dat ik op verzoek van de uitgever aan hem moest overhandigen, met de complimenten. 
Een klein halfuur later belde ik aan.
Niets. Ik herinnerde me zijn herhaalde instructies om vooral ferm te drukken, want de ouderwetse bel had kuren. Nog eens drukte ik, en weer, met verschillende druk en duur. Weer bleef het vertrouwde gestommel in het trappenhuis, begeleid door mompelend commentaar, uit. Ik deed een paar stappen terug en keek omhoog. Er brandde geen lampje boven de computer die aan de raamkant stond. Ik appte (ik sta voor je deur, ben je thuis?) en begon te schilderen, zoals dat in oude Maigrets heet; "wachtend op en neer lopen" volgens de Van Dale - Maigrets inspecteurs doen het nogal eens als ze een bepaald verdacht pand moeten bewaken. 
Toen er een kwartier voorbijgegaan was liet ik het boekje in de brievenbus glijden en liep terug naar huis. Ik besloot een andere route dan normaal te nemen, binnendoor, langs het water, en niet langs de C.-laan. Er passeerde me een vrouw. We knikten elkaar toe. Ik keek nog eens. Ja, dat was R. Ik riep haar naam: R.! Ze draaide zich om, herkende me, spreidde haar armen en omhelsde me.

Maak je nog steeds muziek, was een van de eerste dingen die ze wilde weten. Ze was anderhalf decennium ouder dan toen, en ik ook. Een godswonder dat we elkaar meteen herkenden, maar voormalige kliniekgenoten hebben een intensieve tijd doorgemaakt samen die niet snel uit te wissen is. Mij ging het wel goed, zei ik; al die wissewasjes en schommelingen in gevoelstemperatuur kon je op deze grote schaal wel buiten beschouwing laten. Ze nam een pepermuntje.
Ik had het allang geroken. Ze vertelde dat ze tien jaar geen druppel had gedronken, maar na een scheiding en een gedwongen verhuizing was het weer raak geweest. De flessen wodka waren niet aan te slepen. Ze lachte erbij. Overmorgen ga ik weer naar de kliniek, zei ze. Solutions, in V. 'Ben ik al eerder geweest. Ach ja, het leven is vallen en opstaan, we moeten er maar niet zo'n enorm probleem van maken,' meende ze luchtig. We praatten over wederzijdse bekenden.

I. was inmiddels overleden, wist ik dat? Ja, ik wist er alles van. Ik had in mijn boek Een klein verwend jongetje een hoofdstuk gewijd aan de geschiedenis van I. en R. Onder schuilnamen uiteraard. Nu bleek dat alles heel anders was gegaan dan de grootsprekende, fabulerende I. me destijds had wijsgemaakt, ik geloofde R. op haar rulle wodka-woord, zij zat niet in de reclame, zoals I.
Sterker nog, ze had in haar lange droge jaren in de verslavingszorg gewerkt, onder ons beider verslavingsarts W.S. ('Mijn held', zei ze) die ik als Dr. Siegfried Nimsgern in dat genoemde boek heb opgevoerd. Met hem ging het slecht, hij had 'overal kanker', en dat met twee jonge kinderen... Ik schudde meelevend mijn hoofd en was blij dat ik zo'n sympathiek portret van hem had geschetst in die roman. We namen afscheid, ze omhelsde me opnieuw, die wodka-adem rook vertrouwd en eigenlijk best lekker, ik wenste haar veel succes in de kliniek.
Het toeval wil, dat ik juist dezer dagen bezig ben met een grondige revisie van dat boek. Ik schraap er alle literaire glazuur vanaf die ik er destijds uit onzekerheid op aangebracht heb en behoud de basistekst zonder franje. Moest ik nu die hele 'liefdesgeschiedenis' tussen die twee herschrijven? Ik besloot van niet. Het was het verhaal van I. dat ik uit zijn mond had opgetekend. Of dat historisch juist was donderde niet, voor wat dat boek betreft.
Het toeval wilde, dat mijn vriend niet thuis was (niks ernstigs gelukkig, hij had zich vergist in de datum) en het toeval wilde dat ik een andere route naar huis nam. Een mislukte excursie leverde een mooie ontmoeting op.
Maar dat het slecht gaat met Dr. Nimsgern wierp een schaduw over de rest van de dag.


(Dobbelstenen: Lyra's Hoard)

vrijdag 13 februari 2026

DOEDELZAK


We wilden eens een DNA-test doen, om te kijken wat er nu precies waar was van al die familieverhalen. De wattenstaafjes gingen in een met vloeistof gevuld buisje en werden opgestuurd naar een laboratorium in een ver buitenland. Daarna was het wachten geblazen. Regelmatig kregen we mails van het bedrijf met reclame voor andere diensten, stambomen uitzoeken bijvoorbeeld, of DNA-matches met anderen vaststellen. Er zit geld in ons verborgen verleden. 

Afgelopen woensdag was het zover. Ik opende de mail.
Jan-Paul, U bent... verscheen in beeld - een  sterrenhemel lichtte aan, er klonk spannende muziek - ... 76,7 % Nederlands.
Oké, dat zat eraan te komen. Maar het ging me natuurlijk om die andere 23,3 %.

Ik heb ooit de stamboom van mijn oma uitgezocht. Dat was een makkie, want de familienaam Grabijn is zeldzaam, en terug te voeren tot één persoon. Hans Hinrich Grabin (1707, Brinkum, Nedersaksen) had een zoon Friedrich (1743-1803) die naar Nederland kwam vanwege de liefde en zijn naam verhollandste tot Grabijn. Hij stierf in Amsterdam en ligt daar ook begraven, in Buikslotermeer. Zijn zoon heette Jan Fredrik. Zijn kleinzoon Johannes Christiaan (1798-1826) verruilde Amsterdam voor Delft en daar begon de familiegeschiedenis van mijn Delftse oma. 
Als bluffende genealogie-amateur poneerde ik: die Grabijns zijn dus helemaal geen Hugenoten (Grabin op zijn Frans uitgesproken) zoals in de familie werd beweerd - mijn oma had zelfs een Hugenotenkruisje -, het zijn Duitsers, en gezien de naam "Grabin" waarschijnlijk uit Polen. In dat Oostblokland liggen namelijk een aantal steden en dorpen die zo heten.
De DNA-uitslag gaf me deels gelijk; ik ben voor 5 procent Duits, dankzij Hans Hinrich. Maar niks Polen. Grabin is een gewone Duitse naam en heeft geen aantoonbare Poolse herkomst. Exit Polen, geen genetisch excuus meer voor die drankzucht.

Ook een andere aanname kon de prullenbak in. Ik was van vaderszijde een Spaanse Brabander, wist ik vrijwel zeker. Tijdens de 80-jarige Oorlog hadden de Spanjolen Den Bosch in bezit en in de wijde omtrek van die stad hadden ze volgens een hardnekkige mythe zowat alle meisjes bevrucht. Vandaar het donkere uiterlijk van oma, die koolzwarte ogen. Maar het DNA was onverbiddelijk. Geen drupje Spaans bloed. Waar dat donkere dan wel vandaan kwam?
Hoera! Ik was voor 4 % Frans!
Maar, voor mijn Joodse collega's die me in de loop der jaren hebben omarmd als een vermoedelijke verre bloedverwant: West-Europese en Centraal-Europese Asjkenaziem: 0.0 procent.

Goed. Geen Pool, geen Spanjaard, geen Jood. Wat dan wel, behalve dat vooral Tilburgse, Antwerpse en Zuid-Hollandse, en dat beetje Duits en Frans?
Tromgeroffel... Negen procent Engels! 
Huh? Waar komt dat vandaan? Vandaar dat ik me bij de Britten altijd zo op mijn gemak voel.

Tot slot hadden de uitkomsten van kit nummer MH-488X77 nog een kleine verrassing in petto. Die twee procent Zweeds en Deens... ach, dat zou wel van de Engelse connectie komen. De Vikingen hebben het eiland immers geteisterd, geknecht en bevolkt. 

Maar dat ik voor 1,6 % Schots en Welsh ben, dat pleziert me. Ik ga een doedelzak kopen.


Illustratie: Jacob Jordaens (1593-1678), zelfportret als doedelzakspeler, circa 1640.