Je kunt op verschillende manieren slecht wakker worden. Een goede vriend van me zegt dat zijn dag bedorven is als hij mooi heeft gedroomd. De werkelijkheid (der graue Alltag zoals de Duitser zegt) valt dan zo tegen. Mijn betreurde vriend G. zag dat anders. Na een mooie droom was hij de hele dag licht melancholisch gestemd, een niet onprettige toestand. Ikzelf neig naar het laatste maar begrijp het eerste ook. Hoe dan ook zijn beide scenario's op mij niet erg van toepassing want ik droom vrijwel nooit mooi, waarom weet ik ook niet - het is niet dat ik zo ongelukkig ben of dat ik geen fantasieën en herinneringen koester die stof voor mooie dromen zouden kunnen geven; ik houd het er maar op dat het iets fysieks is, iets banaals: benauwdheid in de slaap door een verkeerde houding, met kattenharen dichtgeslibde bronchiën, of een niet gediagnostiseerde apneu.
Vanmorgen werd ik bovengemiddeld somber wakker na een extra slaapje ("nog éven!") dat eerst niet wilde lukken en me, nadat ik eindelijk was ingedommeld, diep onder de gezonde niveaus van bewustzijn sleurde waar de mens het best gedijt, op een zeebodem waar verdwenen gestalten uit mijn leven in een bontere dan levensechte vorm rondscharrelden, verwikkeld in een complex spel waarvan ik de regels niet kon begrijpen, hoewel de omstandigheden bedrieglijk veel leken op wat ik had meegemaakt. Mijn moeder, een jaar of veertig, schatte ik na het ontwaken (tijdens zo'n droom schat of denk je niks, je valt volledig samen met wat er gebeurt), wilde nog koffie, hoewel ze volgens mij nog een warm kopje koffie met veel melk had staan. Ik bood aan die voor haar te zetten. Ik wilde zelf espresso maken in mijn eenkopsmoka, maar om haar een plezier te doen gebruikte ik haar koffiezetapparaat. Meer kan ik me bij het schrijven van dit blog niet herinneren en het lijkt me erg vreemd om hier zo ontdaan van te raken en toch was ik dat bij het opstaan.
Ik volgde mijn dagelijkse routine. Na de yoghurt en de gymnastiek zette ik me met een tweede koffie in mijn stoel bij het raam en keek met tegenzin naar de dichte grijze lucht. Ik scrolde wat op mijn telefoon, die, geheel overeenkomstig mijn beste voornemens, de hele nacht buiten de slaapkamer had doorgebracht, en opeens kwam daar Liesbeth List langs. Grijze Lente - meteen na een of twee regels herkenbaar als een tekst van Lennaert. Ik kende die tekst wel uit zijn in de Pluche-reeks verschenen verzamelbundel, maar niet het bijbehorende liedje van Boudewijn, gekleed in een classy arrangement van Bert Paige, wat deftig maar handwarm gezongen door de dochter van de vuurtorenwachter. Het is te vinden op de plaat Pastorale uit 1968. Ik vond het een wonderlijk liedje, met zijn korte, kale refrein en zijn onregelmatige, maar wél op vertrouwde clichés berustende akkoordenschema. Even later zou ik van mijn telefoon leren dat Boudewijn zélf er niet zoveel in ziet en dat hij zich zelfs nogal schaamt voor wat hij en Lennaert destijds hebben geleverd aan la List, in de tijd dat zij 'de Van Gend & Loos van de Nederpop' waren: ze werkten op bestelling en soms was Boudewijn (aldus zijn eigen woorden in het Boudewijn de Groot Oeuvreboek) 'muzikaal volkomen de weg kwijt'.
Ik snap wat hij zegt. Het niveau van de zojuist afgeronde plaat Picknick wordt, afgezien van het befaamde titelnummer Pastorale, nergens gehaald en de composities lijken wat stuurloos rond te dobberen, vergeefs op zoek naar een pakkend refreintje - de arrangementen van Paige geven ze een flower power cachet maar als je ze alleen met een gitaar zou begeleiden zou er weinig van overblijven.
Maar toch, maar toch! Wat raakte Grijze Lente me vanmorgen, wat pakte de oude weemoed me, hoe troostend was het om het oude en zo vertrouwde idioom van Lennaert te horen, met zijn onveranderlijke thema's en zijn zo herkenbare taal.
Een opwellende traan van ontroering luchtte op, en een wandeling door het park waar de kille grijze lente de magnolia's deed huiveren verdreef de schijngestalte van mijn moeder die me zonder het te willen ongelukkig had gemaakt, eenendertig jaar na haar dood.








