vrijdag 30 oktober 2026

Seniorenteller en groene voeten


Toen we Cochem binnenreden schrokken we wel. Zeker na een sereen verblijf in het Limburgse Noorbeek waar alleen wind en vogels de stilte doorbraken - nee, accentueerden. We hadden gedacht dat het zo laat in het jaar wel mee zou vallen met de drukte. Nadat we twintig minuten op een vrijgekomen parkeerplaats hadden gewacht en vervolgens de parkeerautomaat met geen mogelijkheid konden bedienen dachten we er anders over.
G. Maps wees ons buitenom naar een parkeergarage bij het station. Even later sjouwden we onze tassen door overvolle straten naar het hotel aan de markt. Ik toetste wantrouwig de code in voor de key boy. Een mens was er natuurlijk niet te vinden. Er gebeurde niets en ik begon al te vloeken - maar! bij een tweede poging rinkelde er zowaar een ouderwetse ijzeren sleutel in het vergaarbakje. De kamer, te bereiken via twee marmeren trappen, was bescheiden en door zijn ligging aan de binnenplaats donker, maar stil: het lawaai van de toeristenstroom drong hier niet door.

Dat was het eerste gezicht van het wijnstadje aan de Moezel.
Het tweede vonden we toen we een wandeling naar de bovenstad maakten om de herrie te ontvluchten. Na de binnencirkel van dagjesmensen en toeristische wijnwinkels, eettentjes en 24/7 automaten van ene Noah met drank en snacks, stegen we naar stille buurten waar kinderen naar school gingen en oude besjes zich in de gouden oktoberzon vermeiden op bankjes in het zorgvuldig onderhouden kerkhof met uitzicht op de Burcht, een romantische fantasie van steen, honderd meter boven de stad. Ik zag drie zwarte roodstaarten, vele kwetterende musjes en een sperwer die in een met bemoste stenen ommuurd tuintje een muis aansloeg maar moest laten vallen, geschrokken door onze nadering.

De volgende morgen (de eigenaar maakte zijn opwachting: 'Druk? Vindt u? Het is stil nu. In de zomer is het de Hel. Meer dan twee miljoen dagjesmensen elk jaar...') klommen we na een uitstekend ontbijt naar de Reichsburg. Ik zweette nogal, deels door de klim, deels door de restproducten van de genoten Riesling, deels door de warme herfstzon op mijn tweedjasje en sweater. We stonden een tijd van het panorama te genieten. Een groene specht vloog lachend over. We daalden af, deden wat inkopen, brachten die naar onze kamer en besloten de boulevard een kans te geven.
Toen de langs suizende auto's onze zenuwen begonnen te tergen beklommen we het trappetje naar een niet al te erg eethuis met uitzicht en vuurkorven, voor een lichte lunch. De wildzwijngoulasj van de vorige dag woog nog op de maag. Een dubbelganger van Wibi Soerjadi probeerde ons met veel charme zoveel mogelijk consumpties in zo kort mogelijke tijd aan te praten. 'Noch ein'n Spätburgunder?' 'Nein, veilleicht später.' 'Hahaha!'
Ik dacht aan mijn vader die bij onze concerten in het buurland op latere leeftijd begon te klagen over de ruime omvang van de Duitse vlezen. Op de kaart stond een Seniorenteller, naast de kinderporties. Zou ik? Ach, vooruit maar, ik was tenslotte zeventig, men mocht mij rustig een senior noemen. Wibi schaterde het uit. Ik bedacht dat ik die wandelstok die ik in de burcht aarzelend had betast ook maar gewoon had moeten kopen.

In de namiddag, na een klein dutje, ontdekten we het mooiste gezicht van Cochem. 
Ik zocht al een dag tevergeefs naar groene voeten. Römer, 'roemers', waaruit men vroeger dronk, voor het gewone wijnglas de onpraktische traditie verdrong. Hier, in een hellend straatje tussen benedenstad en burcht, lokte een lichtreclame me naar binnen.

Al door de glas-in-lood-raampjes zag ik ze op tafel staan. Schoonheden van smaakvol glaswerk: geen kitsch, geen ordinair fabrikaat. We kwamen in een stil keldergewelf waar een paar zwijgende mensen rustig hun Riesling genoten terwijl ze krant, boek of telefoon bestudeerden. Brood met kaas erbij. Al voor vijf uur werden we er met zachte hand weer uitgezet. De bejaarde dames die de schenkerij van het Weingut Weiskopf runden moesten naar hun avondeten toe. Weemoed overviel me op voorhand, dat ik dit nog had meegemaakt, maar dat het ongetwijfeld binnen niet al te lange tijd zou verdwijnen.



vrijdag 23 oktober 2026

LESSENAAR



Op mijn lessenaar, een ruw getimmerd geval van goedkoop hout dat uit de inboedel van een kerkkoor afkomstig is, staat een verzameling papieren die in de loop der tijd zo gegroeid is, en geen ander doel dient dan mij een plezierig gevoel te geven. Een geplastificeerde aankondiging van Schuberts Schwanengesang, fraai ontworpen door mijn vriend Ger, met de tekst Lennaert Nijgh leest, Jan-Paul van Spaendonck zingt, Jan van Spaendonck speelt; een flyer voor La Vie Parisienne, mijn tweede voorstelling als dirigent bij operettevereniging Thalia; de bladmuziek in roze kaft van Chanson de la mort de Don Quichotte van Jacques Ibert; een schets in houtskool van mijn duo La Passione, tijdens een optreden gemaakt door Carla Baarspul; een ingelijste foto van mij en mijn vader achter de piano, waarschijnlijk genomen in 1986, in de Jasonstraat. Te veel namen op dit vuren altaartje hebben betrekking op personen die niet meer onder ons zijn.
Deze week had een leerling de vellen op tafel gelegd om haar eigen bladmuziek op de lezenaar te plaatsen. Ze had alles keurig teruggezet maar omdat de ordening nét anders was dan ervoor keek ik met frisse blik naar het geheel. Ik dacht aan mijn vader, aan Lennaert, aan Ger. Mijn vader is volgende week tien jaar dood. Ger ook alweer vijf jaar. Lennaert maar liefst vierentwintig jaar. Ger en Lennaert waren een dag na elkaar jarig, eind januari, onder het Teken van de Waterman.
Thalia, de Amsterdamse muze waar mijn vader ook nog eens als invaller heeft gewerkt, stopte in 2022 na 106 jaar met ademen en zingen.
Buiten trok de wind aan. De Wilde Jager was nog niet op pad door het luchtruim met zijn bloeddorstige gevolg maar het scheelde niet veel. Mijn gedachten namen een vertrouwde loop, die met het ouder worden alleen maar vertrouwder wordt.
Hoho! Ik dacht bijtijds aan mijn vriendin die onlangs nog zei, dat je zulke doemscenario's niet klakkeloos hoeft te aanvaarden, dat je ze een beetje kunt ombuigen, dat je niet willoos overgeleverd bent aan je negatieve gedachten: een beetje tegengas kan een mens toch wel geven. Een versje welde in me op. 

Alles gaat voorbij, maar in 't voorbijgaan
Komt er heel wat moois op onze weg. 



Illustratie: "
De Walkure' (1865) van de Noorse schilder Peter Nicolai Arbo (1831-1892)

vrijdag 16 oktober 2026

DEELDRANG

Afgelopen zondag werd het me, om redenen die er voor dit verhaaltje niet toe doen, duidelijk, zonneklaar duidelijk, dat ik iets aan mijn telefoonverslaving moest doen. We zaten aan tafel in het dijkhuis van mijn vriendin. Het begon al te schemeren. De kinderen plukten onder haar leiding brandnetels in verwilderde hoeken van de tuin om daar soep van te maken. Het landleven.
Ik luchtte mijn hart, over mijn sterk toegenomen nervositeit, het ziekelijk haken naar prikkels, de FOMO en de andere ellende die de geweldige moderne techniek ons heeft gebracht. Mijn zoon hoorde mijn klachten aan en vertelde hoe hij er zelf mee omgegaan was. Hij was overgegaan op een dumbphone, op ouderwets bellen en sms'sen, op alleen de hoogstnodige communicatie. Een smartphone had hij wel maar die lag thuis. Die mocht niet mee als hij ging wandelen, niet mee naar bed. Hij keek er op gezette en streng gelimiteerde tijden naar. WhatsApp had hij op zijn laptop geïnstalleerd.
Na soep, stokbrood en pizza ging de familie naar huis. Ik probeerde op de bank nog iets van Dwars door de Pyreneeën en Metropolis mee te krijgen maar een grote vermoeidheid maakte een vroeg bed noodzakelijk.
De volgende morgen vroeg al appte mijn zoon. 

. Telefoon niet mee naar bed
. Telefoon op vaste plek in huis (niet naast je)
. Telefoon niet meenemen tijdens wandelen
. Tijdens TV kijken niet óók telefoon
. In gezelschap: telefoon in zak of tas
. Vaste momenten waarop het wel mag
. Onnodige apps die extra onrust geven verwijderen
. Mindful zijn met deeldrang
. Niet neurotisch van elk leuk moment foto nemen maar even bewust stilstaan en kijken naar het leuke moment
(hier voegt zoon een smiley met uitgestoken tong toe)
. Als iemand niet snel genoeg reageert naar je zin, even bellen 

Bij dat bellen plaatste ik een vraagteken. Ik ben geen groot beller, nooit geweest. Maar vooral die 'deeldrang' wreef zout in een wond. Ik ben lang zo erg niet als andere verslaafden maar dat is geen excuus. Ik beloofde instant beterschap. 

Vier dagen later bespeur ik eigenaardige maar noodzakelijke afkickverschijnselen. De eerste dag op mijn bankje in het Vondelpark zonder mails, Facebook, Google, foto's, appjes en Wordfeud was kaal en onwennig. Geen aanvullende informatie kunnen googelen bij wat de tv me vertelde voelde raar. Ik troostte me met de gedachte dat ik al die dwangmatig verzamelde informatie zelden onthoud: hoe heette de eerste man van die en die nieuwslezeres ook weer? Je kunt het net zo goed niet opzoeken. Een nachtkastje zónder ging makkelijk maar misschien waren mijn slechte nachten vol nachtmerries geen toeval. 
Vanmiddag zat ik aan de Reijnier Vinkeleskade (wie dat precies was hoefde ik gelukkig niet meer op te zoeken). Ik had drie boeken van Vestdijk gescoord in de boekenpoort aan de Gerard T. straat. Er scheen een milde oktoberzon. Vier soepganzen (de grootste zuiver wit, de andere met wat grijze veren) waggelden nasaal mompelend om me heen. Ik zag hoe ze om hun kleine blauwe ogen een oranje ringetje hadden in de kleur van hun snavel en zwemvliezen. Behoedzaam zoals ganzen zijn plukten ze wat gras terwijl de grootste naderende honden in de gaten hield.
Mijn hand tastte naar mijn telefoon. Vestdijk moest erop, en de ganzen. Een gedenkwaardig moment! Dat gedeeld moest worden!
In plaats daarvan richtte ik mijn aandacht op de rimpelingen in het water en op mijn ademhaling. Mediteren was er ook veel te weinig van gekomen de afgelopen tijd.
Een halfuur later (of zoiets - ik had geen horloge) zag ik dat de ganzen nog steeds rondom mijn bankje stonden. Die roerloze, telefoonloze man waren ze als een onschuldig deel van het stadslandschap gaan beschouwen.


vrijdag 9 oktober 2026

TUIGHUIS


De serveerster van café De Volder zei hebbie in plaats van 'heb je' en: ik gaat. Het zangerige hih dat Delvenaars zeggen in plaats van hè als ze je niet verstaan hebben of aan het vragende eind van een korte mededeling, maakte het af. Mijn oma aan het woord, mijn oma als jonge vrouw. Mijn vriendin raadde mijn sentimenten toen ze vroeg: 'Wil jij eigenlijk niet liever in een kleine stad wonen?'
Ik kon het niet ontkennen. 'Ja,' zei ik, 'Haarlem, Dordrecht of, inderdaad, Delft. Eigenlijk hoor ik hier thuis. Zo voelt het ook. Generaties Wijnmaalen en Grabijn hebben hier rondgelopen. Ik heb me veel te veel blindgestaard op het Tilburgse, het Van Spaendonckse in me. En zelfs aan die kant zit Zuid-Hollands bloed! Mijn vader had een tante Marietje die uit Dordt kwam. En mijn oma Jet kon in haar voorgeslacht bogen op de regentenfamilie Van Mierop, die onder meer, eind 18e eeuw, de burgemeester van Rotterdam heeft voortgebracht.'
Er was hier in Delft - dat had ik vandaag gezien - zelfs een Brabantse Turfmarkt. Kortom: wat moest ik nog in dat perfide Amsterdam, waar mijn beide opa's door beroepsomstandigheden kwamen te wonen, als het ware in ballingschap: niks toch, hih?

Toen we zeventig werden en een feestje gaven wilden we geen cadeaus. Geen spullen althans, die hebben we al veel te veel. De gasten negeerden die bescheidenheid maar losten het creatief op. Er was op naam van ons een perceeltje gekocht in een natuurgebied, dat we op die manier sponsorden. We kregen kaarten voor voorstellingen naar keuze. Een tegoedbon voor een high wine in een luxe hotel in Delft. Het is oppassen zulke beloftes niet te laten verjaren. Er is altijd wel iets dat de verzilvering in de weg staat. Maar toen er een koorrepetitie uitviel, afgelopen woensdag, leek dat een mooi moment voor een feestelijk middagje in de stad van mijn moeder. Het was de laatste nazomerse dag, mijn bijholteontsteking liep op z'n end. Op naar het Arsenaal!

Deze voormalige opslag van vuurwapens, kanonnen en munitie, een tuighuis dat na de oorlog ironisch genoeg als gevangenis diende voor collaborateurs (dit werd op de toeristische plaquette niet vermeld), is een markant gebouw, schilderachtig gelegen op een schiereiland tussen de grachten Oude en Nieuwe Delft; we werden er onder de enorme houten steunbalken vriendelijk en vakbekwaam ontvangen. Geen accent hier, zoals op straat.
Er hing een prijskaartje aan, dat rook je aan alles, maar de kwaliteit in aanmerking genomen, zowel van de hapjes (twee gangen, koud en warm, samen net genoeg voor een licht avondmaal) als van de drankjes (mooie, zorgvuldig geselecteerde wijnen, desgewenst zonder alcohol) vond ik het toch niet duur; alles was net iets beter dan gemiddeld en de prijs - zag ik later op hun website - was nog onder het gemiddelde voor dit soort verwennerij. Het glaasje grappa chardonnay dat ik buiten het arrangement om bestelde als digestief was met zijn 12 euro relatief het duurst.
Maar goed, dit is geen recensie! Het was een geslaagd verjaardagscadeau, dat wou ik maar zeggen; bedankt, gulle gevers! 

Eenmaal buiten in de nog vroege en zoele avond kon ik de verleiding van een laatste glas in Delft niet weerstaan. Op een terrasje aan het Vesteplein laafde ik me nog eens aan het zangerige accent en maakte ik woeste plannen om te gaan verhuizen, terug naar opa en oma. Kon dat nog, met zeventig? Mijn vriendin vond van wel.
Onderweg naar huis begon het stevig te regenen. De herfst was begonnen. 


zaterdag 3 oktober 2026

DRINKLIED


Het onverwachte kan er plotseling zijn,
En boven ons bedisselt het Toeval de zaken.
Daarom, mijn jongen, breng ons je lekkerste wijn!

Quod non expectes ex transverso fit,
Et supra nos Fortuna negotia curat.
Quare da nobis vina Falerna, puer.

Gaius Petronius Arbiter (27-66)
Satyricon, hoofdstuk LV
Copyright vertaling JPvS

Illustratie: Roberto Bompiani (1821-1909) 

vrijdag 2 oktober 2026

VOORONDER


Under the weather
schijnt een zeemansterm te zijn. Matrozen die zeeziek waren werden benedendeks neergelegd, dichter bij het centrum van het schip, waar ze minder last hadden van de schommelingen. Weather is hier kort voor weather deck, het bovendek dat blootgesteld is aan de elementen.
Aldus AI. Klinkt plausibel, nietwaar?
('Ja, klinkt, Van Spaendonck, klinkt...', zoals de leraar geschiedenis van mijn vader bedachtzaam knikkend zei, als Marx of Schopenhauer ter sprake kwam en mijn vader zijn vinger opstak en het waagde een ander gedachtengoed dan het traditioneel katholieke te verdedigen. Dat was voldoende repliek: klinkt... - discussie gesloten.)

Ik was deze week onder het weder. Ook doodgewoon ziekjes zijn is onderhevig aan hypochondrie. Mijn verkoudheid ging gepaard met een zeurend gevoel in de linker bijholte, terwijl, vreemd genoeg, het eigenlijke snotteren het nogal liet afweten. Wel had ik steeds een lichte verhoging.
Begrijp me goed. Ik ben niet bang voor een koutje. Maar een verleden met kaakproblemen maakte me onrustig. Ik herinnerde me de kloppende zwellingen onder mijn twijfelachtige kronen waarvan ik vurig hoopte dat ze een onschuldig bijverschijnsel waren van een virusje. Soms verdween het inderdaad vanzelf, kloppen en zwelling, maar meestal eindigde het met apex resectie, wortelkanaalbehandeling of extractie van het zieke element. 
Sinds ik een uitgebreide parodontologische behandeling heb ondergaan waan ik me onkwetsbaar voor dit soort narigheid. Alle risicofactoren zijn immers uit mijn gereduceerde gebit verwijderd?
Alle, op een na dan toch. De kies linksboven, die de paleontoloog heeft aangemerkt als geparkeerd: voorlopig nog maar even laten zitten, maar in de gaten houden. En pál boven die geparkeerde kies zeurde het. Niet erg, en er was geen bobbel voelbaar, maar tóch. Ik hield mezelf, gebit en verkoudheid, angstvallig in de gaten en werd niet moe de temperatuur op te meten: bleef die ruim boven de 37, dan was dat goed, want dat duidde op een kou; een ontstoken kies zou toch niet zo snel de lichaamstemperatuur doen stijgen?
Op de derde dag begonnen mijn ogen te branden. Het was warm buiten, erg warm voor de tijd van het jaar, en de hitte drukte op mijn doffe schedel. En mijn neus begon te lopen, onmiskenbaar. Ik voelde me slap en moe en zweterig. Maar het kloppen was nagenoeg weg. Van niezen en hoesten was nog steeds geen sprake. Ik kon naar mijn koor, opgepept door koffie en paracetamol. Glimlachend ging ik slapen, veel te vroeg.
Zo kun je blij zijn met een gewone verkoudheid als je op iets ergers hebt gerekend.

Ik herinnerde me wat mijn dochter zei toen we afgelopen zondag zeearenden zaten te kijken aan de Oostvaarderplassen. Hoe snel je pijn en ongemak vergeet als ze eenmaal voorbij zijn. Mensen die meelevend vragen: 'En, hoe is het nou met je?' En jij die fronsend in je geheugen tast en er, na een zetje in de goede richting, luchtig uitbrengt: 'O, dat. Dat is allang weer over.' 


vrijdag 25 september 2026

BOEKENCLUB


Vakbroeder X blogde over zijn verslaafde zoon en over de zwaar tekortschietende verslavingszorg hier ter stede. Ik was ontdaan door wat ik las en stuurde hem een bericht waarin ik hem met de beste bedoelingen praktische raad gaf, puttend uit mijn eigen rijke ervaring. Normaal zou ik er niet aan denken om een vreemde daarmee lastig te vallen, maar we waren al in App-gesprek over iets heel anders, dus ik waagde het erop.
Daarna hoorde of liever gezegd las ik niets meer van X. Ook niet toen ik voorzichtig aandrong op een antwoord in zake ons oorspronkelijke gespreksonderwerp. Opgelost in ijle lucht; ghosting schijnt dat in modern jargon te heten. Het liet mij achter met een knagend gevoel: had ik iets fout gedaan, de fatsoensregels overschreden? Ik zette het van me af maar begrijpen deed ik het niet.

Mijn zuster, eveneens blogger, vroeg me wat ik deed met teksten over mezelf die wel erg onthullend zijn. Durfde ik die aan? Ik antwoordde dat ik op mijn blog intuïtieve maar duidelijke grenzen stelde aan wat wel en niet de openbaarheid in kon. Een blog is, als het over persoonlijke zaken gaat, vaak vooral gezellig en moet ook door wildvreemden gelezen kunnen worden. Het is alsof je in restaurant of café de tafel entertaint met verhalen, de omstanders mogen gerust meeluisteren. 
Wil je als auteur meer van jezelf kwijt, wil je - ik noem maar wat - over je seksleven of andere fysieke intimiteiten schrijven, dan is een column niet het meest geschikte medium.
Behalve natuurlijk, als het een specifieke doelgroep betreft: het viel me decennia geleden al op hoe preuts onze tijd is geworden vergeleken met de jaren waarin ik groot ben geworden - alleen in de medische rubriek mag je nog over je intieme delen schrijven, en dan juist liefst zo gedetailleerd en openhartig mogelijk! Preuts, onze tijd, behalve in afgebakende gevallen, en dan scháámteloos. Spuiten en slikken. De porno-industrie waarin je sans gene kunt werken zonder jezelf naar de zelfkant van de samenleving te verbannen. Het intieme is geprofessionaliseerd.
Terug naar blogs. Wie daarin verder wil gaan dan gezellige (herkenbare!) verhaaltjes uit het dagelijks leven, liefst opgetekend met zelfspot en voorzien van een happy end (nee, géén happy ending) als kers op de taart, die moet maar een boek schrijven. Een roman bedoel ik.
Ik ben in die paar romaneske werkjes die ik heb geschreven een heel stuk verder gegaan dan ik op deze plaats zou doen. Nog niet ver genoeg misschien om een echte grotemensenschrijver te zijn, zoals mijn zus dat noemt, maar voor mij was het al heel wat.
Waarom daar dan wel en hier niet?
Het omslag van een boek omhult een intieme ruimte waarin compromisloze openheid heerst. Wie het boek aanschaft krijgt de sleutel en wordt lid van een privéclub. Wie niet betaalt maar zonder lid te zijn het boek openslaat doet dat op eigen risico. Hij of zij is een gluurder en de schrijver hoeft met gluurders geen rekening te houden en hoeft zich dus niet te schamen voor uitgelekte geheimen die hij met zijn clubleden heeft gedeeld. Zo is de afspraak tussen lezer en schrijver. 

X heeft sinds die genegeerde goede raad van mij nooit meer over zijn zoon geblogd. Misschien heb ik hem de ogen geopend? Wij bloggers worden gelezen en gehoord. Dat betekent verantwoordelijkheid, en verantwoordelijkheid is eng. 


Illustratie: 'Amsterdam, the Red Light District', Leonid Afremov (1955-2019)