dinsdag 31 maart 2020

Andere tijden


Naast alle bange spanning hing er toch ook een vitale opwinding in de lucht, de eerste weken. Een soort macaber ijsvrij was het, een angstig feestje zelfs, nu en dan. Nooit heb ik mooiere wandelingen gemaakt door Amsterdam, nooit heb ik meer genoten van de negentiende-eeuwse architectuur van mijn buurten, de gevels stil fonkelend in de zon, precies uitgetekend tegen de blauwe hemel, zonder afleiding van verkeer, gemotoriseerd of te voet. Ik schreef een dagboekje. Eerst om de paniek vorm te geven, maar al gauw omdat het lekker was om te schrijven en ik alle tijd had. Het werk ging ook goed: zonder afleiding was ik enorm gefocust, ik vloog door de scheurkalender in wording heen, een nieuwe mis voor mijn kerkkoor stond al heel snel in de steigers.
Gisteravond merkte ik dat het over was. De middagborrel die ik me in die uitzonderlijke dagen had gegund was weer uit de agenda geschrapt, de droge dagen werden weer geteld. Ik had het korte journaal al gezien en dat was genoeg ellende voor vandaag, dus om acht uur zocht ik de BBC op. De Hairy Bikers trokken op hun motoren door een groen en zonnig Calabrië, bereidden op fotogenieke plekjes hun gerechten uit de cucina povera, de armeluiskeuken, daarbij geassisteerd door de lokale bevolking. Worst van varkensvet en rode pepers, een frittata met heel veel ui en verder niets. Iedereen kuste elkaar, liep gearmd en zat dicht tegen elkaar aan op bankjes. Het was duidelijk een programma van voor de pandemie.
'Ach, arm Italië,' zei ik tegen mijn dochter, die anderhalve meter verderop haar pasta zat te eten. 
Er was zo'n scherpe lijn getrokken in zo'n korte tijd. Dit leek een vooroorlogs programma, en dat was het ook. Het riep heimwee op naar een andere wereld, onschuldiger, met al haar toch zo ernstige problemen.
'Ach pap, dit duurt niet eeuwig. Het gaat ooit weer over,' zei mijn dochter opgewekt. 'En als het voorbij is, wil ik weer eens naar Italië, het is te lang geleden.'
'Je hebt natuurlijk gelijk,' gaf ik toe. Ik hield mijn apocalyptische gedachten maar voor me, en deed mijn best om te zien wat zij blijkbaar zag, toen ze dat zei: andere tijden.


donderdag 26 maart 2020

OP SLOT (10, slot)


Dag 10.

Omdat de koffie bijna op is besluit ik een andere wandelroute dan anders te nemen. Via de Aldi, om de Markus Dark Roast 100 % arabica te halen die ik in de Harz heb ontdekt. Ik kan dan meteen een paar flessen Grüner Veltliner meenemen. Op een bankje aan de Jozef Israëlskade strijk ik neer. De zon schijnt vol, er staat een lichte wind, diamantgruis springt fonkelend over het water. Ik neem de tijd om een artikel te bepeinzen dat ik vanochtend in De Volkskrant heb gelezen. Ira Helsloot, hoogleraar Veiligheid, stelt, niet voor de eerste keer, dat de drastische aanpak van de crisis zwaar overdreven en zelfs contraproductief is. Eerder had hij de Italiaanse aanpak 'het stomste wat je kon doen' genoemd, en de scholensluiting 'irrationeel'.  Hij gooit er deze keer een hoop cijfers tegenaan, maar het voornaamste geschut dat hij naar voren duwt is dit doemscenario: ons kortetermijndenken is gemotiveerd door lofwaardige gevoelens van medemenselijkheid, dat wel, maar niet door gezond verstand. Want: er zullen aan het einde van de rit misschien minder mensen bezweken zijn aan corona dan het geval zou zijn bij lichtere maatregelen - maar de economie zal uitgeput op zijn gat liggen en daarmee ons toch al zo kwetsbare zorgstelsel. Op lange termijn zullen er dus veel méér mensen sterven dan anders. Het is ogenschijnsel een dapper, dwars en nuchter artikel, maar terwijl ik het overdenk daalt er een dof gevoel op me neer. Zou het dan echt allemaal voor niks zijn, deze lockdown? Dat is een nare gedachte.

In de Aldi maait een grote gelaarsde man met zijn armen rond, terwijl hij beurtelings giechelt, zingt en met rauwe bulderstem half verstaanbare dingen roept. De caissière zegt dat hij een boodschappenkarretje moet nemen, wegens de verplichte afstand. Anders mag hij de winkel niet in. Als hij dat eindelijk met veel hoge giechels heeft gedaan danst hij weer luidruchtig verder, het karretje ergens achterlatend. Weer wordt hij tot de orde geroepen. Hij krijgt een winkelverbod als het zo doorgaat, zegt ze streng. Hij schuift zijn grote zonnebril omhoog en roept dat ze Respect! moet hebben, Respeeeect! Nee, ik heb geen respect voor jou, zegt de kleine caissière. De manager, een jongeman met een rossig sikje wiens ronde hoofd tot halverwege de borst van de roeper reikt komt erbij. Hij probeert het met redelijkheid en charme. Ik ruik zijn angst en verlaat haastig de Aldi. In scenario Helsloot zal ik hier misschien ooit mijn karige boodschappen moeten doen, leunend op een knoestige stok, want rollators zijn er alleen nog voor de rijken. Maar tot die tijd besluit ik er niet meer te komen.

Ik sluit dit dagboekje af met een citaat dat dezer dagen op internet rondwaart. Het is uit het tweede hoofdstuk van De reisgenoten, deel I van In de ban van de Ring, J. R. R. Tolkien. In de vertrouwde vertaling van Max Schuchart waarmee mijn generatie is opgegroeid.

'Ik wou dat het niet in mijn tijd behoefde te gebeuren,' zei Frodo.
'Ik ook,' zei Gandalf, 'en dat geldt voor allen die in een dergelijke tijd leven. Maar die beslissing is niet aan hen. Het enige dat wij moeten beslissen, is wat wij zullen doen met de tijd die ons is gegeven.'


dinsdag 24 maart 2020

OP SLOT (9)



Dag 8.

Het gevoel dat alles onwerkelijk is wat er gebeurt. Vooral de vorige week was dat sterk. Maar geleidelijk begin het te wijken voor een soort van acceptatie. Het innerlijk verzet tegen deze bizarre crisis neemt af.
Maar op sommige momenten... Gisteren nog wandelde ik met mijn vriendin door de polder. Op flinke afstand van andere wandelaars. Er sneed een koude wind door de blauwe hemel, we hadden mutsen op. Rare mutsen, maar dat gaf niet, ijdelheid telt nu niet; iemand zei op internet, aan het eind van deze periode zullen we ieders echte haarkleur leren kennen. Het was stil en prachtig aan het meer in de Eilandspolder, maar die koude oostenwind gaf alles nog een soort passende dramatiek. Toen ik vanmorgen terugreed naar de stad was de wind gaan liggen. Mijn vriendin had me fruit en vitamines gevoerd en ik voelde me goed, zelfs het zweempje neusverkoudheid was verdwenen. De dorpjes met de rode daken en de groene gevels lagen als speeldgoedstadjes in het groene landschap, lieflijke fantasieën uit Madurodam. Het nieuws die morgen was, naar omstandigheden, nogal mild geweest. En dan komt opeens dat gevoel, dit kan niet waar zijn. Straks komt Rutte op tv om te vertellen dat het allemaal maar een boze droom was, en dat we weer gewoon verder kunnen gaan met onze levens. Dat zijn gevaarlijke momenten, dat zijn de momenten waarop groepen mensen door een lentegevoel overmoedig worden en met z'n allen naar strand of bos gaan, of toch maar een feestje gaan vieren.
Vanavond geeft Rutte een persconferentie. Ik vrees het ergste. Misschien zal ik mijn vriendin een tijd niet meer kunnen zien. Ik ben  niet rancuneus, maar ik zal dat toch voor een deel wijten aan de ontkenners.

Dag 9.

Going to the mattrasses

Het viel mee gelukkig. Ik mag nog naar de polder. Maar tot 1 juni geen... niks! Dat betekent dat het jaarlijkse familie-uitje met Hemelvaart niet doorgaat, dat vind ik eigenlijk nog het ergst. Ach, het betekent zovéél. Voor mij, man van steeds kleinere pleziertjes, is het allemaal wel te doen, al zie ik nu al uit naar het ogenblik in de toekomst dat ik weer in restaurant of café mag zitten. Erger dan voor eenzelvige mannen met een voorkeur voor wandelen en mediteren en schrijven, oneindig veel erger, moet deze quarantaine zijn voor meisjes en jongens die nu opgroeien. Ik denk aan mijn nichtjes, drie ervan in de pubertijd. Toen ik hun leeftijd had was een periode van één, twee maanden een heel Tijdperk. Alles kon veranderen, je kon nieuwe vrienden, nieuwe interesses, een nieuw uiterlijk en een nieuw innerlijk hebben in die tijd. In hun herinnering zullen ze later eindeloos lang thuis hebben gezeten, een hele oorlog lang, terwijl wij de periode, als die eenmaal voorbij zal zijn, snel zullen vergeten.

Ook niet fijn vind ik dat de winkels toch nog open blijven. Mijn dochter werkt in een grote boekwinkel. Zorgelijk.

Ik moet de laatste dagen vaak denken aan The Godfather, aan de scène waarin de familie zich terugtrekt in een safehouse om zich voor te bereiden op een Totale Oorlog. Going to the mattrasses noemen ze dat. De mannen moeten het met elkaar zien te rooien in een krappe ruimte. Internet is er niet, lezers zijn het niet. Peter Clemenza kookt voor het hele stel. Tomatensaus met gehaktballen. Een van de vaardigheden die een man moet beheersen volgens hem. Het geheim is een schepje suiker, zegt Clemenza terwijl hij in de pan staat te roeren.

Zojuist hoor ik dat de winkel van mijn dochter tóch sluit voor publiek. Het verscherpte deurbeleid is, met drie ruime verdiepingen, niet te handhaven. Achter iedere hoek kan een vergeten klant schuilen, snuffelend in boeken. En ik hoor van mijn dochter dat boekenmensen opvallend veel kuchen en snuiven. Ze gaan nu alles inzetten op de onlineverkoop.


zondag 22 maart 2020

OP SLOT (8)

Dag 7.

Een wervend woord

Toen we dit boek voorbereidden was Covid-19 nog een Chinese aangelegenheid, iets op het achtuurjournaal: zorgwekkend, maar ver weg. Ik had toen nog zoiets als artistieke zorgen: stonden er niet te veel verhalen in over vroeger, was de teneur niet te nostalgisch, was het niet te veel een onderonsje geworden van witte mannelijke babyboomers? Had er niet meer straatrumoer en straattaal in moeten doorklinken, had het aandeel schrijvers met een Marokkaanse of Turkse achtergrond niet groter moeten zijn? Waarom hadden we niet meer vrouwelijke auteurs kunnen strikken? Maar ach, het was mooi zoals het was, en misschien zou die balans een volgende keer beter uitvallen.
Nu, op een koude zonovergoten morgen in deze dramatische lente, lees ik in het resultaat en het maakt me blij. Wat ik destijds als een zwakte zag ervaar ik nu juist als een kracht. Wat een geest van optimisme stralen die verhalen over het nog jonge Nieuw-West uit! De auteurs, weer jong in hun herinnering, roepen samen een beeld op van een tijd van hoop, van wederopbouw, van jeugdig elan, van vrijheid en positivisme. In deze sombere tijd is de bundel een papieren tijdmachine die me naar andere dagen brengt, naar de lente van mijn leven, naar de lente van een nieuwbouwwijk waarin alles anders zou worden.
Natuurlijk staan er ook genoeg andere verhalen in Tussen Andreasplein en Zwarte Pad. Daar zorgen  de nieuwkomers en de jongere schrijvers zoals Thomas van Aalten en Hugo Hoes wel voor, en de verbaasde buitenstaanders, zoals Auke Kok en Sylvia Witteman. Maar het zijn juist de verhalen die de geur van troebel water, jong gras, zand, polderlucht, houten noodgebouwen en opgespoten land oproepen die me nu troosten. Wat dat betreft kon het boek niet beter getimed zijn.
Van de geplande feestelijke presentatie in het Van Eesteren Museum (dit is het vijfde deel, een lustrum!) kan nu uiteraard geen sprake zijn. Hopelijk doen we die later nog eens over. Maar u kunt het wel al bestellen.

Bestel dit boek HIER.

[Voor wie dit via de Facebook-link leest en nieuwsgierig is naar het voorafgaande, klik linksboven op 'Startpagina'.]

zaterdag 21 maart 2020

OP SLOT (7)

Dag 6.

In memoriam Felix Strategier

Vannacht schrok ik wakker uit een kinderlijke nachtmerrie. Ik werd door een dodelijke Vijand achtervolgd en probeerde me in een dicht oerwoud te verstoppen, maar waar ik ook heen rende, overal kwam ik uit op een breed pad waarover in de verte die doodsbedreiging (soldaten, indianen, wilde dieren?) naderde. Geen uitweg. Ik stond op, dronk een glas water en ging weer slapen. Nog voor het ochtendgloren werd ik opnieuw wakker, nu omdat er enge torretjes over mijn gezicht liepen. Het zullen de snorharen van de kat Snuf geweest zijn, die zijn ontbijt wilde.
Vandaag dus maar weer even zonder media, besluit ik.
Maar na een wandeling in het iets te drukke park - de vijver glom als een spiegel, er zong een merel, het was koud maar stralend blauw - bereikt me slecht nieuws uit een andere hoek. Een bericht van mijn vriendin. Felix is dood, appt ze. Het zat er aan te komen, hij was al lang ernstig ziek, het is toch een schok.

Felix, klein, kranig, groot ego, groot hart. Altijd gekleed in giletjes en hoedjes van de vlooienmarkt. Clown, chansonnier, kunstenaar, eigenheimer. Had in de prettig morsige, door een ouderwetse potkachel warmgestookte Roode Bioscoop zijn eigen wereld vormgegeven waarin hij gasten ontving. Hij kon flink de teugels vieren maar de cafétijger in hem was gespeeld: hij was een zeer gedisciplineerd en hard werker die voorstelling na voorstelling in elkaar zette, aanvankelijk met zijn duo De Gebroeders Flint, maar later alleen, want Felix duldde eigenlijk geen anderen naast zich, tenzij als begeleider.
Ik lees wat ik in Dorst over hem schreef:

Met Felix heb ik lekker gezongen.
 Gratis en voor niks, niet eens mooie vrouwen in de kleedkamer, wel vrij drinken. Na afloop van zijn voorstelling Ierse Vertellingen haalde ik mijn gitaar uit de tas (foedraal, zou Vincent zeggen), stemde haar, en zodra Felix zich opgefrist had (hij poetste zijn tanden of sproeide een wolkje mondverfrisser naar binnen, wat ik een goed idee vond, want na de stress van een voorstelling schijn je vaak uit je mond te ruiken) en een schone bloes had aangetrokken kondigde hij ons aan (‘We hebben net een bandje opgericht’) en speelden en zongen we een half uur Ierse traditionals. Roken was toegestaan, drinken ook: bier en whiskey (Iers, natuurlijk, vandaar de spelling) stonden binnen handbereik op het tafeltje waarop de bladmuziek lag, want uit het hoofd hoefde het ook niet. Alles was in wording en quasi geïmproviseerd. 

Het was herfst 2005. Felix had met zijn bont beschilderde Pipowagen langzaam door Ierland gereisd, hier en daar stoppend om optredens te doen. Ik had zijn voorstelling daarover gezien en hem voorgesteld samen iets te gaan doen. Ik had een koffer vol Ierse liedjes in mijn hoofd en die moest een keer uitgepakt worden. Een seizoen lang brachten we die toegiften van Ierse liedjes, als voorbereiding op een heel programma samen. Maar toen ik twee jaar later op een flyer las dat dat avondvullende programma met Ierse muziek er eindelijk was gekomen, was het met andere muzikanten. Ik was daar toen wel een beetje gepikeerd over maar begreep het ook wel. Want Felix en ik, dat waren twee verschillende werelden. Hoewel hij zelf de zoon was van een keurige gematigd-moderne componist (Herman Strategier) en dwarsfluit had gestudeerd aan het conservatorium, en hoewel ik toch wel degelijk een staartje en een oorring droeg en te veel dronk, in de dagen van onze samenwerking, zag hij in mij altijd de nette meneer uit Zuid, de welopgevoede operazanger. En dan was er die kwestie van dat podium delen met een ánder ego. Dat vond hij moeilijk. Hij luisterde slecht en ik moest alle zeilen bijzetten om zijn grillige tempo's en onverwachte inzetten te volgen. Maar hij was razend muzikaal en het was fijn om met hem te zingen, onze zo verschillende stemmen (de zijne rauw, de mijne gepolijster) mengden verdomd goed.

Ik heb hem later nog een paar keer ontmoet. De laatste keer was vorig jaar februari, in een kerkje in de polder. Ik schrok van zijn asgrauwe gezicht en vermoedde meteen dat er iets ernstigs aan de hand was. Maar toen ik hem vroeg hoe het ging, zei hij, iets te hard, 'heel goed!'. Zijn vrouw vertelde even later de ware toedracht, en zei dat hij vooral hoopte om, als hij goed genoeg was, nog een keer naar Ierland te kunnen gaan, waar zijn dochter woonde. Ik hoop dat dat gelukt is.
Hij is 69 jaar geworden. Zijn wens was dat er op zijn begrafenis, als ze hem 'in de kist hadden gepleurd' een groot feest zou zijn waarop veel gelachen werd, zo vertelde hij nog niet lang geleden aan Het Parool. Dat gaat dus niet door. Maar op de rouwkaart lees ik: 'Zodra de tijden het toelaten gaan we hem herdenken in de Roode Bioscoop.' Dat is iets om naar uit te zien.

(Foto: Paulien Kop)

[Kom je op dit blog via Facebook en ben je nieuwsgierig naar wat voorafging? Klik op 'Startpagina', linksboven]


vrijdag 20 maart 2020

OP SLOT (6)


Dag 5.

... is een koude grijze dag die tot bezinning dwingt. En bezinning is niet altijd vrolijk in deze tijd. De duizenden amateur virologen en statistici die op internet actief zijn komen allemaal met andere prognoses en cijfers, al naar gelang hun bronnen en hun angstniveau. Beter niet te veel lezen en niet naar alles luisteren. Zolang we in dit land leven en ons lot in handen moeten leggen van deze regering (die de zaken bepaald serieus aanpakt, heb ik de indruk) luisteren we beter naar het RIVM dan naar oververmoeide, huilende Italiaanse artsen of naar New-Age-goeroes die de bio-industrie als schuldige aanwijzen, alsof dat iets oplost. Wat wij criticasters aan de zijlijn bedenken heeft Prof. dr. (Oom) Jaap van Dissel heus ook allang bedacht, en hij is oneindig veel beter ingevoerd in de materie dan wij.
Wat in elk geval duidelijk is: we zitten in de puree en komen daar voorlopig niet uit. Zelfs een totale lockdown biedt geen enkele garantie voor spoedig herstel van de normale situatie, en je kunt de mensheid niet eeuwig opsluiten. We komen dan misschien wel levend uit onze nucleaire bunkers tevoorschijn, maar welke wereld treffen we, gillend gek van verveling, spanning en sociale onthouding, dan nog aan? Beter dus goede moed bewaren, voorzichtig zijn, nuchter blijven, aan anderen denken, en waar ook maar enigszins mogelijk het gewone leven leven. Pas op het moment dat ik als brave burger mijn eenzame wandelingen door het park moet staken omdat anderen er een zooitje van hebben gemaakt door en masse te dansen op de rand van de vulkaan zal ik weten dat Plan Rutte heeft gefaald.
Overigens ben ik van mening dat zekere popupolitici (die met de geverfde kuif bijvoorbeeld, en zijn hoogopgeleide geestverwant) zich diep moeten schamen dat ze deze crisis aangrijpen om machtspolitiek te bedrijven, in plaats van solidair met de keihard werkende coalitie te zijn. (Zelf ben ik ongeneeslijk links maar de omstandigheden maken me een bewonderaar van Rutte.) In gedachten werk ik gepaste sancties voor hen uit - op z'n minst flinke taakstraffen in de zorg, dacht ik zo.
En dan zijn er nog die gewetenloze criminelen die medische voorraden stelen of bij oude bange mensen aanbellen met een babbeltruc betreffende het virus. Schande! Voor deze moreel gedeformeerde personen past slechts het tijdelijk weer invoeren van de doodstraf. Vierendelen, uitbenen en ingewanden verbranden, zegt Voorheen Rookzanger!

Zo, dat is eruit. Af en toe moet een mens stoom afblazen. Ik ga me nu een Westmalle inschenken en voor het moment alle zorgen even opzijzetten. Mag ik tot slot iets positiefs zeggen? Ondanks allerlei berichten vind ik het gedrag van de meeste mensen wél verantwoordelijk, maar misschien ligt dat aan de stadswijk waarin ik woon, mogelijk heeft u andere ervaringen. Op straat en in de supermarkt wordt vriendelijk maar omzichtig afstand gehouden en vandaag - oh wonder! - was er zelfs weer wc-papier, nog wel van het vertrouwde merk Popla. Kent u die reclame nog? Koning, keizer, admiraal, Popla kennen ze allemaal. Een slogan uit 'onschuldige' jaren die klopt als een bus en zeer toepasselijk is, nu onze koning zelf in quarantaine zit. We poepen allemaal, we zijn allemaal kwetsbare mensen. En we zitten allemaal in hetzelfde wankele schuitje. Laten we proberen vertrouwen te hebben in de admiraal. Voor muiterij is dit niet het moment.

[Voor wie dit via Facebook opent en wil weten wat voorafging: klik linksboven op 'startpagina'.]


donderdag 19 maart 2020

OP SLOT (5)


Dag 4.

De titel van deze stukjes is feitelijk natuurlijk onjuist. Anders dan andere landen hebben wij geen totale lockdown. Toch zijn het vooral de graduele verschillen die de woordkeus rechtvaardigen. In het streng gesloten Oostenrijk bijvoorbeeld mag je alleen naar buiten als je daar iets te zoeken hebt, werk, boodschappen, anderen helpen. Maar je mag wel wandelen, alleen of met gezinsleden, maximaal vijf personen. Bewegung im Freien - alleine, of met de mensen met wie je samenwoont.
Ik wandelde vandaag zoals alle dagen door het Vondelpark. Niet echt het romantisch klinkende Freie. Daar stel ik me vrije natuur van Schubert bij voor, die op zondag Wenen verliet om met zijn kunstenaarsvrienden door bos en veld te dwalen, welk uitje afgerond werd met kannen groene wijn, gezang en een lustig maal in een herberg. Voor zover ik kon zien hield in het park bijna iedereen zich naar de geest aan de Oostenrijkse norm. Mensen die niet alleen liepen waren duidelijk iets van elkaar. Geliefden, ouders en kinderen. Als er twee vrienden of vriendinnen samen de hond uitlieten bewaarden ze gepaste afstand. Er patrouilleerde wat politie, anticiperend misschien op die lockdown. Het was een stille grijze middag. Ik zag de ijsvogel weer, een complete verrassing: al die weken had ik, na de eerste waarneming, naar hem uitgezien. Corona had hem helemaal verdrongen uit mijn hoofd en daar was hij opeens, in zijn zuurtjesblauwe jasje. Er is toch een god, dacht ik.
In een gat in een boom vlak bij het Blauwe Theehuis zag ik een kauwtje naar binnen kruipen. Ik moest denken aan een hilarisch moment op mijn verjaardag. Bestaan er eigenlijk kleine kraaien, had ik gevraagd. Die had ik namelijk nooit gezien. Mijn dochter vroeg me, heb je dan weleens andere kleine vogels gezien, behalve een uit het nest gevallen mus of duif, nee toch? Vogels stay the fuck home tot ze volwassen zijn en uit kunnen vliegen. Dan was het waarschijnlijk zo, opperde ik, dat veel vogels in het verborgene nestelden, zodat ik me hun thuissituatie niet kon voorstellen. Ja, zei mijn dochter, dat klopte wel. Nu weet ik van ten minste één van de Amsterdamse kraaiachtigen 'waar zijn huis woont'.

Tijdens mijn beweging in de buitenlucht bedenk ik dat ik me vandaag veel rustiger voel dan de afgelopen tijd. Terwijl gisteravond, net toen ik met mijn jongste dochter een oude traditie nieuw leven had ingeblazen en de legendarische jaren 80-serie Robin of Sherwood aan het kijken was, twee afleveringen na elkaar, een met Michael Praed en een met Jason Connery als Robin, haar oudere zuster had gebeld: ze zat met haar huisgenoten in zelfgekozen quarantaine, allemaal aan de hoest. Als dit nieuws me dinsdag had bereikt was ik gaan stuiteren van de zenuwen. Nu hoorde ik het tamelijk gelaten aan. Zelf was ik ook verkouden, niets bijzonders in deze tijd van het jaar, en ik voelde me verder uitstekend, net als zij. Wees voorzichtig, hou de thermometer in de gaten, aarzel niet de dokter te bellen, en hou me op de hoogte, zei ik. Ik probeerde mijn aandacht weer te richten op de blonde zoon van Sean Connery en zijn elfachtige rode vriendin en hun handelingen in het groene woud van een Engeland van lang geleden. Hoe wist je dat je het zou overleven, vraagt Marion aan Robin, net ontsnapt aan een dodelijk duel met een Saraceense huurmoordenaar. Dat wist ik niet, zegt Robin. But I always live in hope. 


[Als je nieuwsgierig bent naar de eerdere afleveringen van deze reeks, klik dan linksboven op 'startpagina']