Omnia mutantur, nihil interit (alles verandert, niets vergaat) - Boek XV, Metamorfosen, Ovidius.
Op de valreep kochten we kaartjes voor de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijks. Je denkt in zo'n geval altijd zeeën van tijd te hebben, want anders dan een opera of een film loopt een expositie al gauw máánden. En dan is het tóch ineens voorbij; zo heb ik heel wat belangwekkende en veelbesproken tentoonstellingen gemist, die iemand van de 'culturele sector' volgens de kenners nooit had mogen missen. Met de Metamorfosen maakte ik ernst, nu het nog nét kon, want als ik de media moest geloven was dit het nec plus ultra van het museale, het eindresultaat was veel meer dan de optelling der delen, het begrip expositie was hier tot kunstvorm verheven, er werd, in beeld en vorm, in steen en doek en diverse andere media een ontroerend verhaal verteld. Vijf sterren in de Volkskrant.
's Ochtends las ik op het zonnige balkon om erin te komen een paar fragmenten Ovidius, in de vertaling van M. (Marietje) d'Hane-Scheltema (1932), voortreffelijk gedaan in soepele zevenvoetige jamben. Het boek, in grijs linnen gebonden, in cassette gevat, in duotone gedrukt, is van mijn vader geweest, die op het eind van zijn leven een Ovidius-opleving had gekend, en bij zo'n renaissance van een oude interesse niet op een dubbeltje keek. Ik las over Narcissus en Echo. Bekende materie voor een classicus, maar de luchtige, ironisch-poëtische toon van P. Ovidius "de Neus" Naso (43 voor -17 na Chr.), was ik vergeten, of had ik als jongeling niet opgemerkt. Gesterkt door dit geestelijk voedsel ging ik naar het Museumplein. Het was zomers warm.
Daar kreeg ik een appje van mijn vriendin: razend druk overal, de brug bij Wormerveer open, werd wel een half uurtje later. Ik liep de tuin van het museum in, zocht een plekje in de schaduw, en begaf me in een licht meditatieve toestand. Deze stille beeldentuin met zandstenen monstruositeiten naar classicistische voorbeelden beviel me wel.
Het was redelijk rustig. Ik herinnerde me andere succes-tentoonstellingen waarbij je de indruk had je door de Kalverstraat op zaterdag te moeten wringen. Ook was het tamelijk kort. Al heel snel kwamen we bij het schitterende en wereldberoemde beeld van Bernini De slapende Hermaphroditus, en, de recensies indachtig, wist ik, dat het nu uit was. Ik vond het jammer want ik had veel moois gezien. Maar ik had ook veel gezien dat op zich minder interessant was en alleen in het kader van de vertelling, die een expositie van dit soort wil zijn, een ondersteunende, illustratieve functie heeft. De topstukken uit Wenen, Parijs en Florence waren imposant, jawel, en het was fijn om Cellini's Perseus met het afgehouwen hoofd van de Medusa weer eens te zien, nu niet in Firenze maar gewoon naast de deur. Maar helemaal bevredigd was ik toch niet. Te veel chic vulsel, te veel dat context nodig had, te weinig dat, kernachtig, op zichzelf kon staan. Die topstukken logen er niet om maar leken zelfs iets aan waarde in te boeten door de gulle aanwezigheid van hun minderbedeelde broertjes en zusjes: het bijkomend nadeel van een expo die in de eerste plaats een narratief wil zijn.
Ik opperde de hele ronde nog eens te maken, al was het alleen maar om deze unieke verzameling recht te doen, en ging inderdaad de eerste zaal in om de vioolspelende Apollo van Dosso Dossi voor de tweede keer te zien. Maar de geur van koffie dreef ons naar de coffee corner.
De audiotour was ingesproken door Stephen Fry, wiens boeken ook ampel voorradig waren in de winkel. Misschien had ik zo'n telefoontje moeten opzetten om meer doordrongen te raken van het belang van dit alles.











