vrijdag 17 juli 2026

Ich habe die Ehr, Ihr Rezensent zu sein

In jeugdige overmoed solliciteerde ik eind jaren 70 naar de positie van muziekrecensent bij de Amersfoortse Courant, toen nog een zelfstandig dagbladIk kwam uit een muzikaal milieu, had een vaardige pen, wist veel van muziek en beoefende die zelf als hobby: ik achtte mijzelf dus best gekwalificeerd. De krant vond dat ook: ik ging met de trein naar een zangrecital in Harderwijk, schreef een proefkritiekje en werd aangenomen. Vijf tientjes per stukje, een vetpot was het niet.
Ik zou het blijven doen tot ik zelf het podium op ging. Het leek me niet kies om anderen de maat te nemen die feitelijk jouw collega's zijn. Mijn verleden als criticus leidde weleens tot pijnlijke momenten. Een dirigent met wie ik kwam samen te werken was mijn recensie over zijn Lucas Passie van Telemann ("bloedeloos") nog niet vergeten en het kostte wat tijd om de kreukels in onze relatie glad te strijken -  gelukkig had ik ook vleiende dingen over hem geschreven, bij een andere gelegenheid. 

Op 29 januari 1980 schreef ik:

Onlangs nog las ik in een landelijk ochtendblad, dat een bepaalde uitvoering "er best mee door kon", dat het resultaat "wel aardig" was, en dat men zich "er niet eens zó zwaar aan had vertild". Afgezien van het onbeschaamd cynisme van deze vakbroeder, ligt die gevoelsafstomping, die waterige halfslachtigheid niet aan de muziek zelf, noch waarschijnlijk aan de uitvoerders, maar aan het dovend vuur binnen de luisteraar. Ik herinner me hoe ik, met vrienden, vol genotvolle hartenpijn kon dwepen bij Puccini of Rachmaninoff, - de mandfles Chianti op tafel; die intensiteit is helaas vaak tot een "wel aardig vinden" verworden. 

Dat zou mijn credo worden. De uitvoerders deden hun best. Als het allemaal niet zo fijn overkwam kon dat net zo goed aan de luisteraar liggen. Mildheid was het die me leidde.
Alleen in het geval van de authentieke uitvoeringspraktijk (toen nog relatief nieuw) schoot die mildheid nogal eens tekort. Want mijn vader was fout geweest in de barokoorlog (zoals bas-bariton Lieuwe Visser ooit grapte over bas-bariton Henk Smit) en die halve musicologen waren in zijn ogen allemaal cerebrale opportunisten die uit gebrek aan talent naar de historisch verantwoorde vedel of kromhoorn grepen. Als ik die stukjes teruglees schaam ik mij diep. Om het goed te maken speel ik nu luit, zo zacht mogelijk. 

Vanmorgen was ik bij mijn vriend Geerten Meijsing. Hij was zichtbaar ontdaan door een recensie van Carel Peeters in VN. Voor Geerten Meijsing is mislukken een verdienmodel. Een kop om je dag bij voorbaat kapot te maken.
We deelden onze gedachten over het wezen van literaire kritiek. Als je een boek of een schrijver écht niet lust moet je er niet over schrijven, daarover waren we het eens. De tijd van de kunstpausen die bepalen welk leesvoer goed is voor ons gewone mensen is voorbij. Reich-Ranicki en Zeeman zijn dood. Wat heb je aan critici die, vaak met persoonlijke motieven, soms met drijfveren, geboren uit rancune, geen groter genoegen kennen dan een auteur, die jaren aan een boek heeft gewerkt en daaraan zijn beste vermogens heeft gewijd, te kleineren en zelfs te ridiculiseren? Wie is daarbij gebaat, behalve het ego van de criticaster of de handenwrijvende vijanden van betreffende auteur? De lezer nooit. Zelfs als die welwillend is zal er een smet op zijn verwachting blijven - waar rook is, is vuur. 
En voor de kunstenaar kan de schade ernstig en langdurig zijn. Bovengenoemde Rachmaninoff was zo kapot van een vernietigende recensie van zijn eerste symfonie dat hij jarenlang tot niets meer kwam; pas na psychotherapie en hypnose raakte hij er bovenop, en nam glorieus wraak met zijn nog steeds geliefde Tweede Pianoconcert.

De Nederlandse literaire productie is, afgezien van een paar verkoopcijferkanonnen, qua commerciële baten marginaal. De lezerskring van "moeilijke boeken" is niet groot. Een zaak van serieuze, loyale liefhebbers. Die liefhebbers hebben niets aan een negatief uitgangspunt en zitten niet te wachten op een negatieve conclusie. Ze willen zélf bepalen wat ze van het boek vinden en hoeven dat niet voorgekauwd te krijgen. Het enig overgebleven bestaansrecht van de kritiek lijkt mij dan ook in het neutrale verlengde te liggen van de promotie. Herren und Damen Rezensent! Doe de literatuur een lol en probeer door goede informatie meer zieltjes te winnen voor het boek dat u heeft uitgekozen om te bespreken. Denk aan de jonge Van Spaendonck, en wees daarbij mild en respectvol!

Dat het ook anders kan dan de zure, tendentieuze stukken van Carel Peeters, Jack van der Weiden en consorten bewees het stuk van Theo Hakkert in het online magazine VersTwee. Journalistiek goed onderbouwd, informatief, helder en wervend. HIER te lezen. 
Ja, ik ben bevooroordeeld. Maar ik deel zijn conclusie: een schitterend boek.


[Illustratie: Peter Muzeniek (1941). Titel: uit "Abschied" van Eduard Mörike]


vrijdag 10 juli 2026

KREUPEL



Een heerlijke blauwe dag, geen wolkje aan de hemel, warm, maar met een lichte bries: volmaakt weer, volmaakte omstandigheden. Helaas loopt Voorheen Rookzanger niet in de pas met de wereld. Hij loopt eigenlijk helemaal niet, tenzij je pijnlijk strompelen zo wilt definiëren. Vanochtend vroeg moest hij zijn auto naar de garage brengen voor de jaarlijkse APK-keuring. De terugweg te voet was er een vol pijnscheuten, de cocktail van ibuprofen en paracetamol was net toereikend om de ergste pijn te onderdrukken. En lopen is, na zitten, nog het best te doen: liggen, waar uw blogger erg van houdt, niet alleen met lezen doorgebrachte avonden en lange nachten maar ook midden op de dag, is een moeizame bezigheid in plaats van de ontspannen horizontale nulstand: hij draait zich, wentelt zich, moeizaam van de pijnlijke zijde op de minder pijnlijke zijde. Valt nu en dan in slaap maar lang duurt zo'n slaapje nooit.

En dat allemaal door een misstap en een ongelukkige val, hoe en waarom doet hier niet ter zake maar één ding is duidelijk: VH Rookzanger is op zijn zeventigste geen soepele jongeman meer.  
Het is bijna vier uur, de garage sluit officieel op dit uur haar deuren, dus ik heb waarschijnlijk nog een dag respijt en hoef niet nog een keer dat end naar de Van Ostadestraat te lopen (end? een rottig kwartiertje!) om het aanzienlijke bedrag te pinnen dat ik de monteurs schuldig ben; want een ongeluk komt zelden alleen: mijn karma, niet al te best op heden, voorzag naast een gekneusde ribbenkast ook in het vervangen van een distributieriem en nog een aantal volgens de garagist niet alleen aan te bevelen, maar eerder noodzakelijke ingrepen.
Daar staat dan weer tegenover dat er onverwacht een optreden op de agenda verscheen, volgende week donderdag; maar... of er gezongen kan worden met een torso waarin gewoon ademhalen al moeizaam gaat en bijvoorbeeld hoesten een felle pijnscheut oplevert, dat is nog helemaal de vraag.

En de binnenkort geplande vakantiereis? Ik herinner me die keer dat mijn vriendin - ik kende haar net - door een dol schaap werd aangevallen, terwijl ze over een toefje onkruid gebogen stond, de bot gehoornde schedel werd als een stormram in haar rug geplant, ze was daar weken, zelfs maanden zoet mee.
Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen, hopelijk valt het mee, ik wil niet voetstoots partij voor de zwartste scenario's kiezen.

Ik hoef de auto niet meer te besturen vandaag en schenk me een stevig bier in. Donker. Ondertussen vermaak ik me met de poëzie.

Een ziel

Van lijden vermoeid,
In hoop echter rijk,
Met bladfrisse kijk,
In liefde ontbloeid,
Zou men bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

Heeft jouw heugenis,
Mij zeer toegenegen,
Soms vleugels gekregen
Naar wat nog niet is?
Want ‘k zou bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

Ben jij in de lucht
Als die mij wil aaien:
Of onrust wil zaaien
Met onweersgerucht? 
Want ‘k zou bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

"Une âme", Marceline Desbordes-Valmore (1786-1859)
© vertaling: JPvS

[Illustratie: Paulus geneest de kreupele in Lystra (1663), Karel Dujardin (1626-1678)]

 

vrijdag 3 juli 2026

CARILLON


De weg ging niet, zoals gevreesd, door open vlaktes, maar baande zich, niet eens al te recht, door stroken groen vol berenklauw in volle bloei en zelfs door bos; jong bos, maar toch: bos. Windmolens waren er wel maar lang niet zoveel als in het noordoosten van deze polder.

We reden Zeewolde binnen. Een tuinstad zo te zien, zoals ik ze ken uit mijn jeugd, het rook er zelfs naar liguster. Weinig mensen op de been, wel op de fiets of op de scootmobiel. Ik liet mijn dochter achter bij de fysiotherapeut, de enige, volgens haar second-opinion-orthopeed, die raad weet met de schouderblessure waaraan ze, na een ongelukkige val, nu al anderhalf jaar lijdt.

Wat te doen het komende uur? Ik had een boekje bij me - Maigret et le clochard; Meijsings Gissing R.I.P. wilde ik voor thuis bewaren om in alle rust te genieten. Ik keek weifelend naar de fietspaden, de woondozen, het Geuzenveldse groen. In de verte zag ik een toren, net zo nieuw als de hele polderstad, geen kerk, maar toch een soort baken, waarschijnlijk een carillon.
Mijn ingewand besliste voor mij. Ik had plotseling tamelijk hevige aandrang. Als ik moet dan moet ik, zei mijn vader soms met een verontschuldigende glimlach na zijn prostaatoperatie. Zover is het bij mij gelukkig niet. Op weg dan maar: bij die klokkentoren zou toch wel iets van horeca zijn?

Ik passeerde een school met speelplaats en kwam als snel bij een Vomar, en een Lidl. Ik was warm. Rond een pleintje waren niet een of twee, maar wel drie cafés. Ik koos voor Grand Café Mens, tegenover een Wibra, vlakbij de toren die inderdaad, dat had ik goed gezien, even later een liedje begon te spelen. Het personeel hield zich afzijdig dus ik kon rustig eerst naar de wc gaan. Daarna zette ik me opgelucht aan een tafeltje buiten en liet me, nadat ik een serveerster had losgeweekt uit haar conversatie, een beugelflesje Paix Dieu brengen (ze sprak het uit als Pa Dieu). Even later begon het zachtjes te regen op de luifel, ik werd Zeewolde meer en meer welgezind.

Ook mijn dochter was opgelucht: de therapeute had een gunstige prognose gesteld en haar een reeks milde oefeningen meegegeven om thuis te doen, haaks op de ruwe en averechts werkende aanpak van de fysio in Amsterdam. Pas over een maand hoeft ze terug te komen.
Ik zie er nu al naar uit.



vrijdag 26 juni 2026

TITANIA


Mijn vader wilde zijn witte wijn goed koud toen dat nog niet gangbaar was. Als hem de temperatuur niet beviel vroeg hij de ober rustig om ijsblokjes. Ik schaamde me dan: stijlloos! Maar hem kon het niet zoveel schelen wat ze van hem dachten. Conventies waren maar conventies. Voor innerlijke beschaving ging hij door het vuur maar de zogenaamde goede smaak lapte hij aan zijn laars. Toch kon hij onverwachts op goede omgangsvormen staan. Dat wil gedaan zijn, zei hij dan.

Dinsdag besloten we tijdens de jaarlijkse vergadering van bestuur en dirigent om de repetitie op de woensdag af te blazen. Een tropenrooster of liever hitteplan ging in. Ik denk niet dat we dat hadden gedaan als we niet zo bang werden gemaakt door alarmerende kleurcodeberichten en overheidsoekazes. Van een beetje zingen in een redelijk koele sacristie is nog nooit iemand doodgegaan, denk ik. Mij kwam het wel goed uit: de vakantie begon de volgende dag. Rustig aan leven, tempo comodo, lezen bij de ventilatorop slippers en in korte broek naar de Appie slenteren, de dagelijkse parkmars hoefde even niet, ik was door de omstandigheden geëxcuseerd.
Prompt raakte ik in een creatieve stemming. Ik had tijdens de vergadering nieuwe koorliederen aangekondigd om de aanstaande jubileumuitvoering van de Linnaeus Cantate mee in te leiden. Ik sloeg een boek open dat ik ooit van straat had meegenomen, waarin ik alleen wat lusteloos had gebladerd maar dat ik te mooi uitgegeven vond om weg te doen: een echt koffietafelboek. Britain in Verse, glimmend papier, panoramische foto's van groene landschappen, een voorwoord van John Gielgud. Ik zocht op met name genoemde bloemen en vogels en koos na wat aarzelingen voor een fragment uit A Midsummer Night's Dream van Shakespeare. De cadans beviel me, ik ging aan de vleugel zitten en nog diezelfde dag had ik het in potloodschets op papier. 

Scheppingsroes is voor mij een heel gewoon woord. Ik heb het alleen al op dit blog verschillende keren gebruikt, in de zorgeloze overtuiging dat ik goed Nederlands bezigde. Maar de Van Dale kent het niet (wel -drang, -drift of -vreugde) en als je het op Google intikt krijg je nul hits. 
De volgende morgen was de eerste vlaag van scheppingsroes voorbij maar ik wilde mijn nieuwe lied nog niet loslaten. Ik bracht alles over in Dorico, nam er lekker de tijd voor, en verbeterde nog flink wat; daarmee zou ik ook de volgende dag doorgaan, want je moet ze nooit te snel de deur uit doen, deze geesteskindjes. 

Vanmorgen toen ik voor de genadeloze 37 graden zou toeslaan naar buiten ging om spullen voor een spaghetti alla puttanesca te halen en ampel witte wijn om ijskoud te drinken (proost pa!) merkte ik hoe de hitte mijn enthousiasme nog een tandje hoger zette. Al op het snikhete en beendroge Museumplein had ik mompelend de eerste twee verzen vertaald. Zomaar. Voor de lol. 

Titania

Ik ken een plek waar tijm uitbundig bloeit,
Waar sleutelbloem en ’t teer viooltje groeit;
Door kamperfoelie-weelde overdekt,
Met egelantier en rozen bont bevlekt:
Titania slaapt alle nachten hier,
Rust uit in ’t bloembed van haar dansplezier;
Een slangenhuid, glinsterend afgeschud,
Dekt ruim haar toe als ze is ingedut.


Illustratie: Titania Sleeps (1928) door Frank Cadogan Cowper (1877-1958)


vrijdag 19 juni 2026

Pruikzwam, leeuwenmanen, engelenhaar



Dat voedingssupplementen niet altijd onschuldig zijn leerde ik van Valdispert Stemming. Daarin zit het extract van iets dat rhodiola rosea heet, ofwel rozewortel, een vetplant uit de bergen. Niet combineren met antidepressiva waarschuwt de online drogist. Zo'n voorbehoud wil zeggen dat je met meer dan een homeopathisch toverpilletje te maken hebt: ook als je er niet in gelooft gebeurt er iets. Ik ontdekte al snel dat ik me opgewekter voelde door deze tabletjes, maar na een dag of wat prikkelbaar werd en pijnlijk helder ging dromen. Ik bracht de dosis terug van 3 naar maximaal 2 pillen per dag. Dat is de pest met die 'natuurlijke' medicatie: geen serieus onderzoek, geen sluitende dosering, in elk merk andere verhoudingen. Tegenwoordig komt Valdispert Stemming in één dagelijkse pil en heeft het voor mij afgedaan. 

Kortgeleden werd ik op internet lekker gemaakt voor iets dat Lion's Mane heet. Ik had wat last van geestelijke vermoeidheid en hersenmist en mijn zenuwgestel was ontregeld, er huisde een onderdrukte snik in mijn keel die maar iets nodig had om los te breken. Deze pruikzwam, zoals de schimmel in het Nederlands heet, stimuleerde de hersenen, begreep ik na kritische studie (er waren althans aanwijzingen dát...), en de toegevoegde hoeveelheden ijzer en vitamine B12 zouden die zenuwtjes wel even stabiliseren. 
Het potje kwam en ik slikte. Het effect was al snel merkbaar, en verbluffend. De mist trok op, de snik verdween en mijn concentratie was ongehoord: ik ontcijferde ingewikkelde akkoorden in een fractie van een seconde en sloeg alle noten goed aan nog voor ik me bewust was van wát ik speelde. Maar ook had ik het gevoel dat er iemand met me meeliep die me elk moment op mijn schouder kon tikken, en dat er gedachten waren die ik niet kon pakken. Ik kende dat nog van Prozac, vroeger. Toen ook die veel te heldere dromen kwamen gaf ik er de brui aan. Voor mij geen leeuwenmanen meer. 

                                                                         *

Mijn vaste kapper is verhuisd. Omdat ik geen zin had om met die warmte naar de Van Wou te lopen besloot ik vader en zoon Van Bolderick weer eens te bezoeken.
'Rook je nog sigaren?' vroeg ik. Senior was vroeger uit te tekenen met een bolknak, die hij op de vensterbank legde als hij moest knippen. 'Soms,' zei hij verontschuldigend. 'Maar in de zaak mag allang niet meer.'
De jongelui van Pieter Bas Kapsalons hebben iets met hoog haar. Wat ik ook zei, het bleef boven altijd te lang naar mijn smaak. Opscheren aan de zijkant moest ik ze juist weer streng verbieden.
Deze kapper, zelf kaal als een bruinverbrande biljartbal, had die scrupules niet. 'Goed kort,' had ik gezegd. Voor ik kon protesteren haalde hij een zoemende trimmer over mijn schedel en zag ik voor het eerst het stekeltjeskapsel zich aftekenen waarom ik nooit had durven vragen. Er kwam geen schaar aan te pas, wel tondeuses in soorten en maten. Toen ook mijn baard en snor met "een twee-tje" waren ingekort (stoppels ging me te ver) keek ik verbaasd in de spiegel en zei: 'Tien jaar jonger; nou ja, vijf.'
'Dat is op onze leeftijd al heel wat,' meende biljartbal.
Op de grond lag een ordeloze massa wit haar. 'Net een sinterklaasbaard,' vond ik.
'Meer iets voor in de kerstboom. Engelenhaar,' grinnikte hij.
Hij ging me voor naar de kassa. 'Doe maar vier tientjes,' zei hij goeiig, alsof hij me een persoonlijke gunst verleende. Een pin hadden ze niet. Hij riep zijn zoon, die buiten stond te bellen. 'Ries, een Tikkie!'


vrijdag 12 juni 2026

DUBBEL


In een van de boekenkasten in de G. t. B.-straat vind ik, verrast, een boekje dat ik thuis ook heb staan. Ik sla Bittere honing van Margreet Hirs open en zie de opdracht: Voor de heren van La Passione - con passione! - Margreet Hirs. Even duizelt het me en denk ik dat de wereld zich op geheimzinnige wijze heeft verdubbeld, tot ik me herinner dat ik Bittere honing uit huis heb geplaatst bij een poging om ruimte te scheppen in mijn bibliotheek. Ik had toen blijkbaar die opdracht niet gezien.
Wat nu te doen? Ik heb geen bijzondere herinneringen aan de boekpresentaties in Libreria Bonardi aan het Amsterdamse Entrepotdok die ik in de jaren '90 met kompaan Vincent opluisterde, en ik ga het boekje, een thriller, vrijwel zeker niet herlezen. Ik neem een foto van de titelpagina en zet het terug. Stoer.
(Het bescheiden gat in mijn boekenkast wordt ondertussen ruimschoots gevuld door de zwoel-spannende historische trilogie van Evert Zandstra: Het snoer en de kralen. Een boek dat ik als puber verslond, wel twee of drie keer. Nog niet lang geleden ontdekten we toevallig dat Zandstra (1897-1974) een buurman was van mijn vriendin, in Wageningen-Hoog: ze kwam er als kind over de vloer, in een romantisch huis in het bos met een rieten dak. Dat boek móest dus wel mee, niks aan te doen.)

Die duizelingwekkende magische verdubbeling van de dingen waarin ik een moment lang heb geloofd doet me denken aan onze Ierse reis van 1997. Ik pak er mijn dagboek bij.

'An Fairche, 20 juli 1997

... Bovenin het dorp, aan een klein pleintje, ligt Eddy's Guesthouse als een soort icoon van gastvrijheid in de middagzon. Het doet me denken aan een Frans plattelandshotelletje. 
Op de kamer ervaar ik het soort voorteken, of synchroniciteit, waarop ik een beetje had gehoopt, hier op het betoverde groene eiland. Boven de wastafel staat een exacte replica van mijn lievelingsglas, dat ik destijds heb meegenomen uit ons vakantiehuis in de Charente maritime. Werk van de fairies natuurlijk, om me "thuis" te brengen. Nu is het gedaan met alle verdooldheid en wereldangst.
Ook hangt op de gang het klaarblijkelijke origineel (ik wist niet eens dat er zoiets wás) van het Parijse tafereel van Koos Grosman dat bij opa en oma in de eetkamer hing. Dat wil zeggen: een reproductie natuurlijk, dezelfde reproductie waarnaar Koos G. zijn quasi impressionistische paneel schilderde, dat ik altijd voor authentiek eigen werk had gehouden.'

Dat favoriete glas was een klein waterglas opgebouwd uit geslepen facetten, als een insectenoog. Het paneel van 'ome' Koos (Jacques) Grosman stelde de bloemenmarkt in Parijs voor. Het origineel is, ontdekte ik heel veel later, van de Dordtse schilder Daan Mühlhaus (1907-1981). Waarom en hoe Koos het heeft nageschilderd (van een kalender, een ansichtkaart?) moet altijd een raadsel blijven, net zo goed als de aanwezigheid van een Dordtse schilder in het hart van Keltisch Ierland. 


vrijdag 5 juni 2026

JA


Op het bankje waar je tot voor kort zicht had op het ooievaarsnest zag ik Hans zitten. Die nestpaal is weggehaald - te scheef volgens de gemeente - en de ooievaars wonen nu een end verderop. Het bankje is sindsdien minder in trek en Hans had ik er dit jaar nog niet gezien. Ik weet dat hij een winterslaap houdt en pas 's zomers de hele dag in het park te vinden is. Ik was niet in de stemming voor bijpraten met andere flaneurs en lanterfanters en schoot een zijpaadje in.
In het rosarium ging ik zitten op een beschutte bank met uitzicht op een weelderige rode beuk en besloot een poging te doen om serieus te mediteren. Er moest afgerekend worden met een onbehagen dat me dezer dagen zo niet kwelde, dan toch bedrukte. Ik keek omhoog naar de opklarende lucht waardoor, steeds hoger, witte wolken dreven. Diep ademend liet ik er een mantra op los die me gisteren te binnen was geschoten. Een heel simpele: JA. Ik moest de wereld wat meer bejahen, dat was me wel duidelijk. En waarom dan niet letterlijk?
Een vrouw kwam aanfietsen, minderde vaart. Ik hoopte dat ze verder zou gaan maar ze stapte af, liep moeilijk naar het naburige bankje, zette haar fiets ertegenaan en ging zitten.
'Is die fiets van u?' hoorde ik dwars door het ja heen. Ik keek mee naar een lekke Swap-fiets die tegen het rozenperkje leunde.
'Nee,' zei ik. 'Hij stond er gisteren ook al,' voegde ik er geheel overbodig aan toe.
'Ah! Dus u was hier gisteren ook?'
Dat kon ik niet ontkennen. Ik was bang dat dit uit de hand ging lopen en bereidde me voor op een snelle aftocht. Maar ze vroeg niet verder, stond op en sleepte de fiets die haar hinderde naar een andere bank. Ik hervatte het ademen en zwijgen. Maar zo gemakkelijk kwam ik er niet vanaf.
'Ik wil een filmpje maken van deze plek, rondom, als panorama,' klonk het links van me. 'Dan komt u er ook op. Vindt u dat erg?'
Ik dacht even na maar zag geen kwaad in mijn aanwezigheid op de telefoon van een oudere, wat excentriek en triest uitziende vrouw. 'Nee hoor,' zei ik.
Ik voelde in mijn ooghoek de aanwezigheid van haar camera en probeerde bij mezelf te blijven en geen interessante smoel te trekken.
'Dank u wel,' zei ze. Ik knikte zwijgend.
Nadat we een tijd samen gezwegen hadden stond ik op en wenste haar een fijne middag.
'U ook, en nog bedankt,' zei ze.
Ik liep terug naar de ingang van de rozentuin en besloot nog even langs Hans te lopen.