dinsdag 28 september 2021

KIBBELING


De strandopgang deed me denken aan de beroemde slotscène uit Close Encounters of the Third Kind. Een stroom mensen bewoog zich over een houten pad richting de onzichtbare zee. We kwamen uit de beslotenheid van de duinen waar een honingkleurig schemerlicht had geheerst. Hier glansde de ruimte oogverblindend. De badgasten die het eind van de vlonder hadden bereikt stonden gevangen in een aureool voor ze over de duintop omlaag verdwenen.
We stonden een beetje besluiteloos naast de strandtent, die er niet erg aanlokkelijk uitzag en bovendien niet recht op zee uitkeek. 
'Laten we even het strand oplopen,' zei ik. 'Nu we hier toch zijn.'
Mijn vriendin toonde weinig enthousiasme. Dit waren omgedraaide rollen. Normaal is zij de ondernemende, nieuwsgierige, ben ik de afhoudende, remmende factor. Maar ze had honger.
We liepen het houten pad op in de richting van het licht. Boven aangekomen zagen we rechts onder ons een échte strandtent, van hout, zo één op palen. Luctor et emergo, heette het bevlagde paviljoen. Dat maakte een eind aan alle besluiteloosheid. Beneden lieten de we de strandtent nog even op ons wachten. Ik was al zo lang niet in het water geweest. Vóór corona, het zwembadje van mijn schoonzus in Spanje, rekende ik uit. Ik deed mijn schoenen en sokken uit en stroopte mijn broek omhoog. Het harde zand met schelpjes voelde goed. Ik waadde door een binnenzeetje en bereikte de branding. Liet het bruisende water over mijn voeten spoelen. Mijn vriendin waadde naar me toe, twee paar schoenen in haar handen. 'Het wordt vloed, ik heb de jouwe ook maar meegenomen.' Ik zag dat het binnenzeetje snel dieper werd en ons de pas dreigde af te snijden. 'Snel, terug! De muien komen op! We verdrinken!' Lachend ploeterden we strandwaarts. 
In Luctor et emergo zaten we in de honinggele namiddagzon en keken hoe een medewerker onvermoeibaar corona-apps controleerde; telkens stuitte hij op technische of menselijke problemen, maar nooit scheen hij zijn goede humeur te verliezen. Hoe lang gaat die man dat volhouden, dacht ik. Dit was dag één. Maar keer op keer moeten uitleggen waarom je hier ook op het terras alleen met een geldig paspoort mocht zitten, en waarom je dan ook nog geplaceerd werd op de koop toe (ja, waarom eigenlijk?) - dat maakt een mens op den duur opstandig, lijkt me. In ruime gelegenheden als deze, waar de anderhalvemeter-regel alleen een papieren begrip was geweest, betekende versoepeling in de praktijk verzwaring. Wat vorige week nog mocht was nu verboden. 
De zon verdween en het werd snel fris. We schraapten het opgedroogde zand van onze voeten, deden onze schoenen aan en gingen naar binnen. Al snel zaten we achter een enorme portie kibbeling met friet. 
Toen we weer naar buiten liepen wiste de kaartjesknipper zich het zweet van het voorhoofd. 
'U krijgt van mij een tien! Wat een engelengeduld!' zei mijn vriendin.
Hij glimlachte zoetzuur.


vrijdag 24 september 2021

Nieuwe Stijl


Het eerste nummer dat we opnamen was voor een wedstrijd. Er moest een video bijgeleverd worden van het 'maakproces'. Op dat filmpje zie je mij en mijn zoon, koptelefoon over de oren, in de weer met gitaren, microfoons en a-4tjes - in een slaapkamer, tussen het kinderspeelgoed. Een kinderpotje diende als voetsteun.
Dat was in april 2020. Lege straten, geen files. Ik had net, na een angstige maand van strikte sociale onthouding, besloten dat mijn zoon en zijn gezin tot mijn persoonlijke bubbel gerekend moesten worden. Toch bleef er het schuldige besef dat we eigenlijk te dicht op elkaar zaten, daar in die huiselijke opnamestudio. 
Na dat eerste liedje (Plein '40-'45) volgden er meer. Met rustige tussenposen namen we op wat ik gemaakt had, en gaandeweg maakte ik er nog wat bij. Ook werden een paar heel oude liedjes (nooit gebruikt, zo goed als nieuw) afgestoft en op de speellijst gezet.

We hadden alle tijd. We konden sowieso niet anders dan opnemen. Optreden zou voorlopig nog niet mogelijk zijn. Dus die cd waaraan we werkten: vooral géén haast!
Dat gebrek aan urgentie vertaalde zich in een onverwachte aanpak. In plaats van (zoals we altijd hadden gedaan) uitvoerig en tijdrovend te gaan mierenneuken over onzinnige details probeerden we een veel lossere houding uit. 'Nieuwe Stijl', doopten we die. Dat betekende in de praktijk dat ik een willekeurige gitaar greep, ging zitten met de microfoon die toevallig in de buurt stond en speelde en zong alsof het live voor publiek was. Twee, hooguit drie takes, daaruit de beste opname kiezen, geen plak- en knipwerk. Spontaneïteit ging boven perfectie. Het moest in de eerste plaats ziel hebben.
Over het resultaat van die back to basics aanpak waren we erg tevreden. Normaal was een liedje, nadat eindelijk de opname helemaal afgerond was, vrijwel dood gespeeld; nu luisterden we voor ons eigen plezier naar het eindresultaat.
Bovendien namen we artistieke risico's die we anders misschien niet aangedurfd hadden. Stilistisch waren er geen grenzen. Vrienden speelden en zongen mee, op afstand via We-Transfer of in de slaap- of woonkamer. We lokten tekstdichter Huug Samuël uit zijn comfort zone en lieten hem bluesharp spelen; mijn dochter had een oud-Skandinavische tagelharpa gebouwd - die moest er duidelijk ook op... Waarom niet? Lockdown, Nieuwe Stijl!


Het spreekt vanzelf dat we in de laatste fase, toen de opnames moesten worden gemixt en klaargemaakt voor de persing op schijf, toch nog flink neurotisch aan futiele details hebben geprutst. In de loop van de tijd waren er steeds meer andere muzikanten bij betrokken geraakt en de simpele, spontane registraties waren toch wel degelijk uitgegroeid tot een nieuw Project. Bovendien stond het normale leven met zijn dwingende agenda weer voor de deur. Als het kloppen en bellen te dringend werd spraken we elkaar kalm en vermanend toe: 'Nieuwe Stijl!'

De cd Nieuw-West III: Tussen Andreasplein en Zwarte Pad komt volgende maand uit. Bij Stichting de Driehoek. Op schijf, op Spotify. Later meer details. Over een passende presentatie wordt nog nagedacht. 



dinsdag 21 september 2021

v.h. Rookzangers notitieblog (28)


Het is dinsdag, en dan moet ik van mezelf iets schrijven. Ik wou iets zeggen over Prinsjesdag. Over de belabberde stand van zaken in de Nederlandse politiek. Zelden is het vertrouwen van de kiezer in onze volksvertegenwoordigers zo klein geweest als nu, begrijp ik, en dat begrijp ik. Het is een gotspe dat ze daar in Den Haag alleen maar bezig lijken te zijn met het hebzuchtig en argwanend verdelen van de buit van de laatste verkiezingen, alweer zolang geleden. Een klap in het gezicht van de serieuze kiezer, die zou willen dat er over heel andere dingen gepraat werd dan over wie wat doet en met wie. Machtsbeluste plucheklevers, stuk voor stuk, als u het mij vraagt. Ik was al bezig wat cijfers op te zoeken, voor een venijnig stukje. Zo gek als de Belgen hebben we het nog lang niet gemaakt. Die hebben toch maar mooi het wereldrecord formeren op zak, 541 dagen. Maar ons eigen record van 2017 dreigt te sneuvelen als het zo doorgaat. 
Ik wou over dat alles iets schrijven, en over glazen koetsen en deftige hoedjes. Maar toen dacht ik: waarom eigenlijk? Als het je ernst is met je minachting voor de politiek kun je er maar beter over zwijgen. Wil je per se iets schrijven, omdat het nu eenmaal dinsdag is, schrijf dan iets positiefs, iets over deze mooie nazomerdag, over het zachtaardige licht van september.
Maar liever dan daarover te schrijven geniet ik er nog even van. Het boren een paar huizen verderop is eindelijk gestopt. Ik gun mezelf een uurtje boek op balkon voor de zon weg is. Schrijven doe ik wel weer als ik iets te melden heb en hoe het met de miljoenennota is afgelopen zie ik vanavond wel op het nieuws.


vrijdag 17 september 2021

PADDENSTOEL


Ik begon aan een lang uitgesteld karwei: het kopiëren van al mijn blogjes vanaf 2010 naar een goed geordend en netjes vormgegeven Word-bestand. Je weet maar nooit hoelang Google mijn blog online laat staan - een back-up die ook op degelijk papier uit te printen valt is wel zo veilig. 
Ik verwonderde me over het enthousiasme waarmee ik dat werkje deed. Maandenlang had ik een tegenzin in teksten gehad. Ik had mezelf een beetje over de rand geduwd met het manisch vertalen van drie bundels poëzie. Ik weet die hervonden geestdrift vooral aan het weer opstarten van mijn andere werk. Twee weken met échte mensen muziek maken, voor het eerst in tijden, heeft de duffe lethargie, die me deze zomer in haar macht had, verdreven. Ik loop weer vaker naar de piano, zomaar, pak mijn dirigeerstokjes op, weeg ze in mijn hand en zwaai er wat mee; mijn koorcomposities, deels nog onuitgevoerd, gaan weer leven (want ze zijn ergens voor). En van de weeromstuit lokt ook het toetsenbord weer.

Maar dat is niet het hele verhaal. Met het kopiëren, doorlezen, retoucheren en vormgeven van de columns voor dit blog komen de afgelopen tien jaar weer tot leven. Eigenlijk is het net zoiets als dagboeken doorbladeren of oude foto's bekijken: je verwondert je over de veranderingen die ongemerkt in de dingen en in jezelf zijn geslopen; tien jaar terug was de wereld anders (al was ze merkbaar zwanger van de wereld van vandaag) en was ik iemand anders; onmiskenbaar dezelfde persoon, natuurlijk, maar toch... iemand anders. Er zijn accenten in mijn persoonlijkheid verschoven, de teneur van mijn levenshouding is veranderd, verkleurd. Verdonkerd: ik ben cynischer geworden, vind ik al lezende, bitter door de dood van dierbaren, moe van alle weer opgelaaide ambitie, die volgde op een paar jaar van bijna gelaten leven, van zenboeddhistje spelen. Ik steek minder moeite in het bijhouden van de actualiteit; ik word mies bij voorbaat, als ik eraan denk mijn standpunten inzake de grote kwesties van onze tijd te moeten verwoorden - ik laat dat maar al te graag aan anderen over. Tien jaar geleden deed ik dat nog wel, zo nu en dan; heel gedreven soms, zij het met de nodige relativering.
Fotoalbums bekijken, in oude dagboeken bladeren, oude brieven lezen - het hoort bij de herfst.
Ik zag een enorme overrijpe paddenstoel in het Vondelpark, groot genoeg voor een hele familie Pad, en besefte dat het najaar is begonnen en dat de nazomer voorbij is. Ik brevier in mijn digitale archief, verbale ansichtkaarten uit het verleden, noem het werk, en geef me over aan een niet onplezierige melancholie.


Illustratie: uitsnede van de cover van Worthington G. Smith's "Mushrooms and Toadstools: How to distinguish easily the differences between the Edible and Poisonous Fungi" (1879)


dinsdag 14 september 2021

WESTWAARTS

Ik moet Herberg de Bonte Os, ofwel het Aalsmeerder Veerhuis, vele malen hebben gezien, als zaken me naar de Sloterkade voerden. Uit mijn ooghoek, of misschien met een tijdelijke verwondering om de schilderachtige schoonheid van dat uit het lood hangende gebouwtje van rosse baksteen, die evenwel geen blijvende herinnering achterliet. Hoe het ook zij, afgelopen zondag zag ik het pas echt. Dat is het mooie van Open Monumentendag. Zelfs al is het gezochte monument gesloten, zoals nu het geval was (hadden we ons vergist, hadden de beheerders bij nader inzien geen zin om mee te doen?) -  je beziet het gebouw met speciale belangstelling nu het doel van je tocht is en geen decorstuk bij een route die elders heen voert. Ik dacht de nieuwbouw eromheen weg en stelde me voor hoe hier 's avonds gefeest werd door handelsreizigers uit Sloten die de stadspoort van Amsterdam gesloten vonden en nu hier, in de Overtoomse Buurt, moesten overnachten. Geen straf, want, vermeldt een gevelsteen "De nering is hier goet Godt lof / Men draecht het bier hier op en op".


Westwaarts ging het daarna, want de buitengebieden van de stad stonden centraal in deze editie van Open Monumentendag. 

In de Molen van Sloten, het toeristische poldergemaal dat er nog steeds voor zorgt dat wij in Nieuw-West geen natte voeten krijgen, was de laatste rondleiding volgeboekt. We keken er een tijdje naar alle bedrijvigheid. Er waren beelden van Rembrandt en Saskia, van Vincent van Gogh (wat deed die hier??), een friettent. Mijn vriendin herkende in een van de rondleiders een collega van vroeger. We kregen wat info mee en besloten later nog eens terug te komen. Ik besefte inmiddels dat ik wel heel veel over de aan Nieuw-West grenzende gebieden heb gelezen, maar er veel te weinig ben geweest, voor iemand die pretendeert met kennis van zaken over de Westelijke Tuinsteden te schrijven en te zingen.
We staken het water over en liepen langs het Zwarte Pad. Research! Ik stel al zes jaar, samen met Fred Martin, een boekenreeks samen die Tussen Andreasplein en Zwarte Pad heet, maar geen voetstap had ik liggen op dit lange rechte wandel- en fietspad tussen De Aker en de Ringvaart in, dat voert langs de weelderige achtertuinen van de woonboten en waterhuizen. Ons doel was die andere plaatselijke molen, die van De Aker. Geen wieken, hij werkt niet meer, het betreft hier een molenstomp. Mooi woord, vond ik, nooit gelezen of gehoord. De Akermolen is sinds de restauratie van 2010 een theehuis, hoewel dat niet letterlijk genomen hoeft te worden: ik laafde me er aan Stoutmoedig, een heerlijk bier van Brouwerij de 7 Deugden, 
gebrouwen even verderop, pal naast de Molen van Sloten. Het was hier landelijk toeven, zo aan de uiterste grens van de stad. We besloten Amsterdam maar helemaal achter ons te laten voor vandaag en aten heel lekker op het terras van een brasserie aan de Ringvaart. In het verre Badhoevedorp. Daar was ik in vijftig jaar niet geweest.


vrijdag 10 september 2021

REIGER


Onderweg naar het park passeer ik een boekenkastje. Gewoontegetrouw stop ik om de ruggetjes te bekijken. Als ik verder loop zit er een beduimelde uitgave van The Wind in the Willows in mijn binnenzak, een van de klassiekers die ik nooit gelezen heb. Het is nog niet te laat. Ik heb inmiddels driekwart van Dickens oeuvre uit, ik heb Goethes Faust doorworsteld, het eerste deel althans. Kenneth Grahame's beroemde kinderboek moet daarbij vergeleken een lachertje zijn. 

In het park passeer ik een reiger. Hij staat niet aan de waterkant maar vlak langs het wandelpad. Zo van dichtbij is het een merkwaardige vogel. Een beetje surrealistisch. Een meter hoog. Sierlijk maar ook macaber, met die uitdrukkingloze priemogen en die rare lange dunne hals met een knik erin. 
In mijn eindelijk weer hervatte Zen-clubje doen we na de eerste twintig minuten zittend mediteren (zazen) altijd iets wat kinhin heet. Meditatief lopen is dat, je bewust proberen te zijn van iedere stap die je doet.
De reiger doet kinhin als geen ander. Hij schrijdt. Dat woord lees je veel als het over reigers gaat, en terecht: de lange, gelede poot komt omhoog in mechanische etappes, daalt traag neer, en een voor een tasten de tenen naar de grond - naar oneffenheden? Al die tijd staren de ogen in het niets, alleen de tenen tellen. 
Een andere grijze heer is ook blijven staan. Samen, maar ieder voor zich, kijken we verwonderd naar het beest. Plotseling schudt dat zijn veren. Dons stuift op. Een siddering gaat door hem heen en hij spuit een stroompje witte poep uit, voor hij, schijnbaar onaangedaan, zijn schrijden hervat. Een van de redenen waarom de reiger vroeger werd vervolgd: zijn ontsierende witte mest - rondom een reigerkolonie is alles wit gepleisterd.

In Het vogeljaar (1903) beschrijft Jac. P. Thijsse de blauwe reiger als een schuw, behoedzaam dier; niet verwonderlijk want: 'ze zijn geen al te beste bejegening gewoon'. Het dier werd door onze vissers als onwelkome concurrentie beschouwd en er werd flink op gejaagd. Thijsse besluit met: 'Men moet ze dan ook formeel besluipen, om ze goed te zien en dat is in natte weilanden, die niet meer dan enkele decimeters boven het grondwater liggen, niet zo gemakkelijk.'

Dat klinkt vreemd voor hedendaagse oren. Geen stadser vogel dan de reiger, of het moest de duif zijn. Roerloos staan ze tegen sluitingstijd op de markt te kijken wat er overschiet van de visstallen, en ze zijn van de waterkant niet weg te denken:

Geen reiger meer die uit zichzelf nog
witvis vangt. 
Ze lijken wel te loeren
aan de waterkant, m
aar azen
op wat echte vissers vangen.

Is deze monnik van de oever nu
vervallen tot een bedelaar?
Is hij afhankelijk van 
aalmoezen?
Weerspiegelt hem in water de melancholie?

(Robert Eksteen)

Sinds de jaren zestig zijn reigers beschermd en zijn ze, in hoog tempo, gedomesticeerd. Reigers staan op auto's alsof het blikken bomen waren. Ze wachten. Geen idee waarop, in een nauwe stadsstraat. Hun bevroren houding verraadt helemaal niets, hun blik is star en lijkt over ons heen naar verre regionen ofwel naar binnen te schouwen (misschien is dat wel hetzelfde), tot er iets beweegt dat hun interesse vangt, dan schiet de hagedissenkop met de dolkvormige snavel abrupt een onverwachte kant op, het zwarte kuifje wipt omhoog.

Op een bankje sla ik mijn boek open. De hoofdpersoon, de Mol, verlaat halverwege de voorjaarsschoonmaak zijn hol en gaat naar buiten. Hij komt voor het eerst van zijn leven bij de rivier en sluit vriendschap met een waterrat. Die vertelt hem aan het eind van een lange dag verhalen over de rivier en zijn bewoners: '... and about herons, and how particular they were whom they spoke to...'
'En over reigers, en hoe kieskeurig ze waren met hun gesprekspartners...' 
Hoogmoed, dat is ook een eigenschap die je een reiger zou kunnen toedichten.


dinsdag 7 september 2021

Ouwe jongens doen


6.

Vlucht naar België

Omdat het eindelijk echt mooi weer geworden was besloten we nog een dag te blijven. We reden naar het Château d'Ansembourg, een van de kroonjuwelen van de Vallei van de Zeven Kastelen waarvan ook ons eigen burchtje in Simmer een groezelig pareltje was. Onderweg parkeerden we de auto aan de bosrand en wandelden naar de Villa Romana - het bordje had ons al een paar keer lokkend gewenkt. Het bleek om een uitgebreide nederzetting te gaan, deels uitgegraven en mondjesmaat gerestaureerd. We zagen hoe in de stilte van het bos archeologen, merendeels studenten, met kwastjes en schepjes in de weer waren.
De poort van het kasteel was open, ook voor auto's. Maar een pijl P wees naar een parkeerplaats verderop. Braaf volgden we die. Maar van wie waren al die auto's in de cour dan? Een hotel was het niet. Privéterrein, stond er, maar het zag er ook niet uit als een adellijk woonhuis of als een appartementencomplex. Sylvia en Amélie vertelden ons die avond dat kasteel en landgoed aan een sekte behoorden. Van welke overtuiging wisten ze niet. Geheimzinnige knipoog: 'Er gebeuren wel meer vreemde dingen in Luxemburg.' Dat verklaarde waarom de uitgestrekte tuinen, met een laan vol classicistische beelden, productieve moeskassen en spuitende waterwerken, zo goed onderhouden waren. Goedkope arbeidskrachten genoeg. 
Na het eten bij de tent namen we nogmaals afscheid in de bistrot. We mochten niet weg voor er een glas Sprudelwein (de uitstekende méthode champenoise van Bernard-Massard uit Grevenmacher - in 1978 had ik die caves bezocht) op onze gezondheid was gedronken.
De volgende ochtend stond in het teken van vogels. Terwijl ik koffie dronk zag ik een grote zwarte vogel voorbijvliegen in het heuvelbos. "Kraai", registreerde ik automatisch. Maar tegelijk hoorde ik een helder en doordringend geluid, alsof iemand op een feestfluitje blies. Ik pakte mijn kijker en ja: de roestrode kop was onmiskenbaar. Een zwarte specht. Nummer twee op mijn verlanglijst, net onder de raaf. Hij of zij was zo genadig om een tijd lang op een tak te blijven zitten en ik verzadigde mijn ogen.
De tent was al drooggewreven en ingepakt toen ik een groene flits zag en gekwetter hoorde. Een van Alex zijn parkieten. Ik riep Steve erbij. De kooi was dicht, vreemd genoeg. Hij belde Alex maar die nam niet op. Sylvia wandelde naderbij met haar hond Boubou. Vooruit, nog een keer Äddi dan, en succes met de vogelvangst.

Vandaag, een zonnige woensdag, was mijn vriendin aan de beurt om het verleden op te zoeken. Einddoel was een favoriete camping van haar ouders, in Pouilly-sur-Meuse. We verlieten het "lilliputachtige landje" (Dr. L. van Egeraat) en reden via zo klein mogelijke weggetjes de ruimere landschappen van Frankrijk in. In Mouzon (bekend van de viltproductie, u weet wel) bekeken we de indrukwekkende, opvallend lichte Notre-Dame en bestelden koffie met gebak in een patisserie. Rond drie uur bereikten we de Maas. De camping bestond nog, lag inderdaad idyllisch tussen de wilgen aan de stille rivier, maar was inmiddels een kampplaats voor stacaravans geworden. Geen voorzieningen, en in het dorpje was ook niets. Dan toch maar liever naar de concurrentie even verderop, "Les Bouleaux" in Inor. Hun website (animatie, entertainment!) deed het ergste vrezen maar het bleek net zo'n stille caravancamping te zijn - alleen mét restaurant en bar, onder een aantrekkelijke pergola. Pizza op het menu, helemaal goed. Een stamgast wees ons de weg naar een grasveldje in de schaduw van een grote boom, liep met ons mee naar de receptie. De beheerder leunde uit haar slaapkamerraam en wuifde dat het goed was. Ga maar ergens staan. Inchecken doen we later wel.
Een uur later zaten we aan ijskoude drankjes. De beheerder/kok/barvrouw pakte haar opschrijfboekje erbij. Registrer. Aha, nu zal die CoronaCheck toch een keer van pas komen, dacht ik, en dat formulier met de verklaring-onder-erewoord. Maar nee. "Pays-Bas, tent en auto, één nacht". Dat was het. 

Een subtiel motregentje leidde de volgende dag in. We braken de tent af voor het weer slechter zou worden en gingen op weg. Het plan was om onze tocht te eindigen in de Franse Ardennen: hotelletje, beetje cultuur. 

Sedan bleek een echt Franse stad, met geelgrijze negentiende-eeuwse appartementsgebouwen in Parijse stijl. Maar het oogde er niet erg levendig onder de sombere hemel. Charleville-Mézières daarentegen, waarop ik mijn zinnen had gezet wegens het Rimbaud-museum, bleek veel groter dan ik had gedacht en erg druk. Er was blijkbaar iets gaande, de stad was dichtgeslibd met auto's en alle parkeerplaatsen waren propvol. Weg hier! Geen stress op het laatst, noordwaarts, naar België!

En zo kwam het dat we onze reis eindigden in Vresse, voormalig kunstenaarsdorp aan de Semois. In een dood gat vlak voor de Belgische grens hadden we toch nog die CoronaCheck moeten tonen - in een snackbar, "Le Roi Dagobert", waar we brochettes en een kleintje friet aten. 
Het was een waardig einde van een fijne vakantie. In een hotel tegen de rotswand (en dan ook "Hôtel des Roches" geheten) werden we verwelkomd door een Aziatische vrouw die zangerig maar onverstaanbaar Engels sprak. Zouden de Chinezen hier ook al de zieltogende boel overgenomen hebben? En uit respect voor de historie en de locale sfeer de antieke gravures en de opgezette, mottige everzwijnskop hebben laten hangen? Nee, het bleek de Vietnamese vrouw van de norse baas te zijn. Haar dochtertje zat ernaast met haar tablet, ze vertaalde in keurig Frans: 'Petit déjeuner entre huit et dix.'
We aten in een prima brasserie, klassiek: coq au vin en lamsmuis met rozemarijn. Nette kleren aan, anders hadden we die voor niets meegesleept. Terwijl we buiten zaten te borrelen en ik mijn vakantiedagboekje bijwerkte, wachtend tot de keuken open zou gaan, bonden drie passerende ruiters hun paarden aan en dronken een biertje, zittend op de rand van het terras. Later kwamen ze ook eten, we groetten elkaar als oude bekenden.

Einde