vrijdag 23 februari 2024

TUCCI


Ik kijk naar een kookprogramma waarin de acteur Stanley Tucci door Italië reist op zoek naar de werkelijke keuken van dat land. Ik draag Tucci een warm hart toe sinds de film Big Night (1996). Daarin speelt hij een jonge restauranteigenaar die verder wil komen in de wereld. Hij wordt daarbij geholpen én gedwarsboomd door zijn geniale maar introverte oudere broer, die achter de kachel staat. Gehólpen door de geweldige kwaliteit van diens kookkunst, gedwársboomd door zijn principiële weigering om zich aan de Amerikaanse smaak aan te passen.
Gratis spaghetti als side dish bij alle gerechten, belooft de kaart. De klanten staan erop, ook als ze een risotto bestellen. Risotto is de glorie van de noordelijke keuken en de oudere broer stelt er een eer in om die zo geduldig en liefdevol mogelijk te bereiden. Spaghetti erbij serveren is voor hem niets minder dan een godslastering. Uiteindelijk zwicht hij uit liefde voor zijn broertje. Het loopt niet goed af. Noch ambitie noch starheid loont, lijkt de film te willen zeggen. Die eindigt met een in real time gebakken omeletje na een tumultueuze nacht. De broers slaan de armen om elkaar heen en eten zwijgend. De American dream is voorbij.
Tony Shalhoub, die de oudere broer Primo speelt, is van Libanese afkomst. Tucci, als Secondo, is van beide kanten Italiaans. Uit het zuidelijke Calabria komen zijn ouders. In de serie Stanley Tucci: Search for Italy praat hij voornamelijk nasaal Amerikaans, maar misschien is dat omwille van het kijkende publiek, want in onderonsjes met de geïnterviewde koks vloeit er een misschien wat simpel, maar in elk geval authentiek klinkend Italiaans uit zijn mond. 
Tucci is in Napels en daalt af naar de Amalfitaanse Kust. Daar bezoekt hij Peppino die een pasta bereidt met courgettes, zó heerlijk, zó goddelijk, dat Tucci hem al jaren vergeefs probeert na te maken. Het geheim blijkt te schuilen in het frituren in liters olie van de zucchini en die vervolgens een nacht in de ijskast te laten rusten alvorens ze verder te bewerken. Verder gaat er niet zoveel bijzonders in. Ja, een klontje boter, dat Peppino's zuster hem destijds had verzwegen. Basilicum, als je wilt. En een mengsel (70/30) van Parmezaan en Pecorino. Of was het Provolone?
De kok monteert spaghetti, zucchini en kaas tot een geheel. We zien de stralend blauwe lucht en de glanzend blauwe zee erachter. Tucci proeft en omhelst de kok, zoals dat gebeurde in Big Night en zoals dat inmiddels gewoonte is in kookprogramma's. Hij noemt het de beste pasta van zijn leven, nee sterker: zijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn hierna.
Ik herinner me een soortgelijk simpel gerecht dat de moeder van Beniamino, onze gastheer in Vico Equense, ooit maakte, toen we daar optraden met onze Napolitaanse liederen. Eind jaren negentig. Ze opende de provisiekast en liet me de voorradige soorten pasta zien. Ik mocht kiezen. Scelga Lei, zei ik beleefd. Kiest u maar. Het gerecht maakte niet veel indruk. Ik liefhebberde al een tijd in de Italiaanse keuken en vond deze pasta met courgette en room niet heel interessant, in tegenstelling tot haar fantastische gnocchi en haar zondagse kip met aardappels uit de oven. Nogal zout ook. Ik heb haar niet omhelsd want ik ben geen Italiaan.
Maar Tucci's enthousiasme blijft hangen. Ik heb vandaag pecorino en parmezaan gekocht, goede olie, takjes basilicum en dure spaghetti. Straks ga ik aan de slag. In de hoop dat mijn leven daarna nooit meer hetzelfde zal zijn. 


zaterdag 17 februari 2024

Bosoponthoud, een besneeuwde avond


Ik ken de heer wel van dit woud.
Hij heeft zijn huis in ’t dorp gebouwd
En ziet me dus niet stoppen om
De sneeuw te zien die valt op ‘t hout.

Mijn paardje vindt me zeker dom
Dat ik juist hier tot stilstand kom,
Zo ver van huis zonder gezel,
Met vorst en duisternis alom.

Hij rinkelt vragend met zijn bel:
Is dit de goede halte wel?
De wind blaast zachtjes vlokken aan
Die dansen in geruisloos spel.

Zo heerlijk stil is deze laan,
Maar ik heb nog een afspraak staan,
En voor ik slaap nog ver te gaan,
En voor ik slaap nog ver te gaan.

***

Stopping by Woods on a Snowy Evening

Whose woods these are I think I know. 
His house is in the village though; 
He will not see me stopping here 
To watch his woods fill up with snow. 

My little horse must think it queer 
To stop without a farmhouse near 
Between the woods and frozen lake 
The darkest evening of the year. 

He gives his harness bells a shake 
To ask if there is some mistake. 
The only other sound’s the sweep 
Of easy wind and downy flake. 

The woods are lovely, dark and deep, 
But I have promises to keep, 
And miles to go before I sleep, 
And miles to go before I sleep.

Robert Frost


Illustratie: Sneeuwlandschap met bomen en rotsen, Gustave Courbet (1819-1877)

vrijdag 16 februari 2024

Lof van Leiden

Om de verjaardag van mijn vriendin te vieren hadden we een kamer in Leiden geboekt. 
Ik heb vaak in Leiden opgetreden maar kende het toch slecht. Als je ergens iets moet doen waarvoor je nerveus bent kijk je niet zo goed om je heen.
We lieten de auto net buiten het historische centrum achter in een parkeergarage. Al snel na onze binnenkomst door de Morspoort viel ons op hoe kleinschalig alles hier is. Grote naam, kleine stad. Ik had me voorbereid op een eindje lopen maar we waren in luttele minuten bij ons hotel aan de Beestenmarkt. 
Hier leek Leiden een beetje op een kleiner zusje van mijn geboortestad, met dat grauwe water, die Aziatische eethuizen, die rondvaartboten. Een rustig zusje dan wel. Maar toen we op zoek gingen naar het Stadsbrouwhuis voor hipsterbier en bitterballen en een fijne bistro bij de Pieterskerk voor het culinaire vervolg, en we de eilanden doorkruisten die gescheiden worden door Oude en Nieuwe Rijn en het voormalige veenriviertje Mare, moesten we aan Delft denken en aan Dordrecht, maar niet aan Amsterdam. Alles was hier zowel intiemer als monumentaler, beter opgeknapt, minder verloederd, minder verdronken in voortdurende verbouwing, kalmer, beschaafder. Levendig toch, en zeker niet museaal. Maar niet vertrapt door eindeloze hordes toeristen. Een plaats om in te wonen. Geen stenen object om geld aan te verdienen.
We dwaalden door de geschiedenis. Genoten van de sfeer en de architectonische details. Werden gul en hoffelijk bediend. De nacht aan de Beestenmarkt was onverwacht stil. Leiden sliep en liet ons slapen.

De volgende morgen gingen we na een ontbijt bij de voortreffelijke Stadsbakkerij Water & Bloem op weg naar het Rijksmuseum voor Oudheden om de tentoonstelling Het jaar 1000 te zien. Het regende een beetje maar de zon stond op doorbreken. Ook op klaarlichte dag trof ons de intimiteit van de Leidse binnenstad. Achterafsteegjes zo smal en schoon (in Amsterdam zou je door troep moeten waden, van kots en condooms tot etensresten, gebroken glas en gebruikte naalden) dat ik me waande in de middeleeuwen zoals ik me die voorstel als ik romantische poëzie lees. 'Hier wil ik wonen,' zei ik. 'Aan deze steeg.'



dinsdag 13 februari 2024

VOGELAAR


Er stond nog een auto geparkeerd langs het kronkelende en doodlopende polderweggetje. Toen we uitgekeken waren bij de vogelhut aan het Kerkemeertje waar zoals gebruikelijk alle vogels zich goed hadden verstopt, - verrekijker jongens, wegwezen! -, en we richting Uilenbosje gingen, zagen we hem zitten op het bankje dat uitziet op dat wild begroeide moerassige landje. Een man met een bril en een muts, stevige laarzen, en een toeter van een camera voor zijn borst. Een vogelaar.
We groetten elkaar. Mijn kijker verried me als een soort collega, dus ik vroeg of hij nog wat gezien had. 'Niet veel,' zei hij, 'alleen een vlucht kramsvogels.'
Ik herinnerde me de zwerm die ik zojuist had zien passeren en die ik in de gauwigheid niet had kunnen thuisbrengen. 'Flinke groep?' vroeg ik. 'Ja, een stuk of dertig wel.' 
Hij was duidelijk verder dan ik. Ik had zelfs nog even aan spreeuwen gedacht. Maar ik mocht dit toch wel als waarneming noteren, vond ik. Gevalideerd door een kenner nog wel.
Terwijl we wat over uilen praatten - er moesten hier ransuilen zitten, beweerde een informatiebord, maar hij had ze nog nooit gezien - zag ik achter zijn rug iets bewegen in de dorre struiken. Ik richtte mijn kijker en kreeg het bruine beestje in het vizier. 'Een heggenmus,' zei ik met de achteloosheid van een door de wol geverfd vogelaar. Mijn collega draaide zich om en knikte. 'Ja, mooie beestjes toch altijd.'
Het voelde als een blijk van erkenning.


vrijdag 9 februari 2024

JONGENSKAMER

Gistermorgen vroeg, in halfslaap - het was nog donker - stond ik weer in de gang waaraan mijn jongenskamer lag. Daartoe was ik de smalle trap afgedaald.
Ons huis lag op de eerste verdieping van een portiekflat. Op de begane grond waren de fietsenboxen. Achter die fietsenboxen was nog een woonlaag, grenzend aan de achtertuin, en alleen te bereiken via die binnentrap vanaf de eerste etage.
Het was daar zeldzaam veilig. Mijn kamer was de middelste van drie. Rechts naast me was mijn vaders studeerkamer, die begrensd werd door de rechter buitenmuur van het gebouw. Er liep alleen een fietspad langs. Links was de kamer van mijn zusje, de enige met openslaande deuren die toegang gaven tot het verwaarloosde tuintje dat door een hoge heg werd omzoomd. In mijn rug, als ik voor de deur van mijn kamer stond, werd ik gedekt door gangkast en badkamer met daarachter, ongezien en eigenlijk ook ongeweten, de blinde boxen. Vanuit mijn raam, waartegen bij herfstwind de takken van een ongesnoeide rozenstruik zwiepten, keek je over de heg heen naar de toppen van de bomen die op het plantsoen in het midden van een rotonde stonden. Op de Slotermeerlaan was 's avonds laat nog maar weinig verkeer. Westoever, dat niet veel later President Allendelaan zou gaan heten, was nog niet de drukke verbindingsweg met Osdorp die het nu is. Geel lantaarnlicht scheen hoogstens op een enkele fietser, een eenzame auto, een late wandelaar met hond. 
Zo had ik mijn eigen, door een gevelconvector warm gehouden, Hobbithol. Boven mij waakten mijn ouders. De wereld achter de gesloten gordijnen was gehuld in soliede duisternis. Wat er aan onrust bestond drong hier beneden niet door. 

Dat ik zo intens aan mijn jongenskamer op het Immanuel Kanthof moest denken vond ik niet zo vreemd; ik ben druk bezig de verhalen te corrigeren die zijn ingeleverd voor onze jaarlijkse bundel Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, en daarin staat zoals ook in de eerdere edities veel te lezen dat verband houdt met mijn jeugd; veel nostalgie; veel topografie - vergeelde kaarten van straten die niet meer precies zo bestaan.
Wat me wel verbaasde was de manier waaróp ik me mijn thuis van de vroege jaren zeventig herinnerde. Meestal denk ik aan mensen en gebeurtenissen. Meestal zie ik die vanuit een afstand. Nu dacht ik alleen aan de plaats. En ik dacht er niet echt aan, ik was er. Alles strekte zich in 3D, bijna tastbaar, rondom me uit. 
De herinneringen aan mensen en gebeurtenissen hebben al snel de neiging vermengd te raken met emoties - onbegrip, schaamte, spijt. Ik neem ze waar, vanuit mijn verre afstand in de tijd, die dingen van toen, en heb er een oordeel over. Associaties woekeren, van de ene naar de andere ongemakkelijke herinnering reis ik. Vragen rijzen van het soort waarop Google geen antwoord weet. Hoe het precies ging toen, wat het verband was tussen al die losse eindjes ervaring. 
Nu was er niets van dat alles. Ik kon zelfs, na even wat wakkerder te zijn geweest, weer teruggaan naar die gedroomde kamer van toen. Die wachtte stil op mij, zonder mensen en zonder gebeurtenissen, nog lauw, gestold in de tijd. 

Jammer is wel, na zo'n verblijf in de knusse holen van een gestold en niet meer aan verandering onderhevig verleden, dat de echte wereld onherroepelijk tegenvalt; in eerste instantie doet ze onwerkelijk aan en vervolgens, als je eenmaal gewend bent, lijkt ze angstaanjagend chaotisch, vluchtig en voorbijgaand. 

Naschrift: En de denkmachine gaat weer aan. Die probeert redenen te vinden voor deze staat van genade. Misschien was het wel, oppert hij, doordat mijn dekbed precies de goede temperatuur had die koude morgen: zeer behaaglijk, maar net niet te warm.

En natuurlijk dit : (hoe kon ik het vergeten!) Afgelopen zaterdag was ik wezen wandelen in het Ruige Riet (voorheen Vogeleiland). Daarna reed ik nog even door mijn oude buurten Geuzenveld en Slotermeer. Ik zag dat ze bezig waren de Filosofenbuurt op te knappen. Geen sloop gelukkig, maar grondige renovatie. De meeste flats waren al klaar, het Kanthof nog niet. Overal zonnepanelen op de rode dakpannen, luxe nieuwe glaswanden, nieuwe appartementen met dakkapelletjes waar de zolders waren geweest.



vrijdag 2 februari 2024

WERKZAAMHEDEN


De lezer weet wat ik me allemaal in mijn hoofd gehaald heb. Ik was een schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. In plaats van een afwachtende houding aan te nemen doorleefde ik telkens de ergste scenario's. Natuurlijk, ik zei wel steeds 'we zien het wel', maar dat was bluf. In werkelijkheid was het in mijn hoofd alvast een geweldige herrie en een bende. Drilboren dreunden oorverdovend, de katten zaten doodsbang weggekropen in een hoekje, bouwstof benam me het zicht, mijn zenuwen stonden op knappen maar weggaan durfde ik niet, iemand moest op huis en gedierte passen. 

Als excuus voor deze paniekerige aanstellerij kan ik opvoeren dat ik nu al een jaar overlast heb van bouwwerkzaamheden bij de buren. Sloop, renovatie, re-renovatie. Hordes luidruchtige bouwvakkers die mijn fort bestormen van alle kanten. Blijkbaar is er een grens aan wat je kunt hebben en treedt er daarna een soort overgevoeligheid op, noem het een allergie. Getraumatiseerd door die paar keer dat het echt heel erg was schrik je van het minste geluid.

De boven mij gestelde woningbouwkundigen hadden in hun wijsheid besloten dat twee voze badkamerwandjes de boosdoeners waren. Hun loszittende tegels waren de nieuwe oorzaak van de lekkage bij de onderbuurman. Het afvoerputje was uit de gratie geraakt als hoofdschuldige. Dat het hun ernst was hoorde ik aan de zakelijke toon van de anders zo joviale receptioniste van het bouwbedrijf. Er werd geen afspraak gemaakt - de werkzaamheden begonnen op 31 januari, 's ochtends vroeg. Geen overleg; als ik niet thuis was kon ik de sleutel overhandigen.
Oei. Dat klonk naar het ooit zo gevreesde en allengs verdwenen scenario van de totale renovatie van het sanitair, met alle forse ongemakken van dien. Ik hield het hoofd koel maar de dag voor de 31e was ik merkwaardig mat en die nacht sliep ik slecht. De wekker was gezet, na acht uur kon ik niet meer naar de wc. Douchen kwam later wel weer eens.

Om acht uur zaten we klaar, mijn dochter en ik. De katten waren in de huiskamer opgesloten met hun brokjes en kattenbak. Om negen uur werd er aangebeld. Hij kwam met lege handen boven, de knappe donkere jongen die de wanden zou slopen. Hij trok het beschermende plastic los van de muren, maakte er een reusachtige prop van en nam die mee toen hij naar de auto ging om zijn spullen te halen. Even later was hij terug, met een plastic kuip, een stoffer en blik, een beitel en een rubberen hamer.
Een rubberen hamer? Waar waren de drilboren? Hij begon een beetje te tikken en te kloppen. Tegel na tegel viel. De katten hadden eerst nog vanuit hun ligplaatsen naar de gesloten deur gestaard, waarachter vreemde dingen gebeurden, maar al snel sliepen ze in. Een uurtje later was het gedaan.
De rest van de dag leed ik aan wat mijn vriend De dwarse man om veel ernstiger redenen teleurluchting doopte: ik was blij dat het zo weinig voorgesteld had, maar ik was ook beroofd van de heroïek die me ten deel zou zijn gevallen als het érg zou zijn geweest, en het eindelijk voorbij was. Daar zat ik met de rest van de dag. Een enorme zee van tijd onder een wolkeloze hemel.


De volgende dag kwam de stukadoor. Een elegante, hoofse jongeman die Nederlands sprak met een vaag Amerikaans accent maar door zijn mobieltje stromen Turks de wereld instuurde. Het mengen van het cement maakte ongeveer zoveel herrie als mijn staafmixer als ik de woensdagse 'groene soep' bereid. Ook hij had een uur nodig, niet veel meer, om de gestripte wanden te voorzien van een strakke laag waterafstotende specie.

Vanmorgen was het beurt aan de tegelzetter. Ha, daar was Gimli weer! Puffend kwam hij boven met zijn zware last, hij mocht vanavond de sportschool overslaan, grapte hij. Hij telefoneerde niet eens. Afgezien van het moment dat hij een gat in een tegel moest boren voor de douchekraan sliepen de katten blasé door zijn werkzaamheden heen. 

Nu maandag nog de loodgieter, die de douche opnieuw moet bevestigen, als de tegels gedroogd zijn. Het zal fijn zijn om weer eens lekker onverantwoord heet en lang te douchen.
En dan is het wachten natuurlijk op verdere rampen. 


vrijdag 26 januari 2024

ROMMELPARADIJS

Bij 't Rommelparadijs van de gebroeders Lekx aangekomen blijkt dat gesloten. Het staat met ongeschoolde letters op een wit bord aan het hek, naast het plaatje van een herdershond met hier waak ik. Dat is een tegenvaller. Ik had nog juist gisteren geverifieerd of deze uitdragerij eigenlijk nog wel bestond. Gelukkig heeft hetzelfde internet me geleerd dat er een gelijknamig filiaal is, een paar dorpen verderop, in Noord-Scharwoude. Daar parkeren we tien minuten later voor de deur van een morsig gebouw aan de Handelskade. Te koop, staat erop. De inboedel ondergaat een grandiose uitverkoop zegt een stoepbord; wat er resteert gaat naar de andere vestiging, horen we later. De bouwvallige loods zal wel eerder te sloop zijn dan te koop.

De vier vooroorlogse eetkamerstoelen die mijn dochter zocht zijn gauw gevonden. Het is hier geen kringloop, je vindt er geen witgoed, geen schone maar muffe kleren, geen broodroosters, stofzuigers en cd-spelers. Het is een brocante, bric-à-brac: de inhoud van een paar Franse vlooienmarkten is vrij ordeloos over de ruimte verspreid. Een stoffig universum van krullerige, ouderwetse, donker-houten meubels, schemerlampen, huisraad, serviezen en sierobjecten uit oma's tijd. Mijn oma, wel te verstaan, voor ze haar inboedel in de jaren zestig moderniseerde. Geen groter contrast denkbaar dan met de lege polders onder loodgrijze luchten waardoor we aan zijn komen rijden. De intieme, huiselijke overdaad met krappe loopruimte voor de snuffelaars is troostrijk na al die leegte.
Ik zie een lief schemerlampje, het mag mee. De boekenkasten schenk ik niet te veel aandacht, want mijn eigen schappen puilen al uit. Maar mijn hand tast naar een dik boek nog voor mijn geest er iets bijzonders aan heeft gezien. Een hele jaargang vroege Donald Ducks, ingenaaid en in halflinnen gebonden. Ik blader erin en voel een golf van nostalgie me overspoelen. Ik sta op het punt om de magische wereld van mijn vroege kindertijd opnieuw te beleven, dat belooft dit dikke boek me. Vijf euro, geen geld voor zo'n tijdreis. Bij het afrekenen van onze aankopen worden die euro's me ook nog eens geschonken wegens die grandiose uitverkoop. 

In bed googel ik mijn aanschaf. Het boek blijkt zo'n honderd euro te doen op diverse veilingen. Ik leg het op mijn borst en sla het open. Er warrelt wat stof op. Van dat herbeleven van de jeugdige betovering komt natuurlijk niets terecht - ik blijf, ondanks de regen die tegen het raam tikt, gewoon met mijn eigen oude ogen kijken en zie een kindertijdschrift met stripverhalen in pasteltinten, gelardeerd met de wetenswaardige rubriekjes waarmee men toen de jeugd dacht te vermaken.
Maar ik geniet van de slordig ingekleurde plaatjes van Carl Barks, en het Donald Duck-verhaal waarmee het eerste nummer (7 januari 1961) opent amuseert me. Er woedt een sneeuwstorm boven Duckstad. Er dreigt een botsing tussen twee losgeslagen treinen. Professor Cosinus wordt benaderd om hulp maar zijn telefoon doet het niet en de stedelijke elektronische rekenmachine (een kamerbreed en torenhoog geval vol knipperende lichtjes) is ook al uitgevallen. Niet getreurd! De ijverige en briljante neefjes Kwik, Kwek en Kwak berekenen met behulp van hun schoolboekjes het precieze tijdstip en de exacte plaats van de botsing, en Oom Dagobert gooit met een vloot helicopters op het juiste moment een berg matrassen tussen de neuzen van de aanstormende treinen.
En achterin begint het nieuwe Tom Poes-verhaal van dat jaar, Tom Poes en de jonge schicht. Prachtig getekend, vintage Toonder. Dat figuurtje van die tot leven gekomen bliksemstraal heb ik sindsdien misschien wel niet meer onder ogen gehad. En heel eventjes vang ik een flits op van wat ik er als vierjarige in moet hebben gezien.