Een tijddeurtje klapte open als een kattenluik en we kwamen hard in de lente terecht.
Daarvoor was er wat regen geweest, merels in een schemering van donkere wolken, de geur van natte stoep, die, weet ik sinds kort, petrichor genoemd wordt.
De wereld was op slag helemaal anders. Het was nog fris maar het park was nooit zo lichtend groen geweest, de lucht was onbewolkt madonnablauw. Zwartkoppen kwetterden hun coloraturen. Lijsters riepen om het hardst. Kleine bruine vogeltjes vlogen af en aan, te snel om te determineren. Was het een braamsluiper, of toch een grasmus, die zojuist over mijn schouder de struiken in verdween?
In de koude nachten, onder de nieuwe maan, lig ik wakker en probeer me van alles te herinneren. Als ik eindelijk inslaap droom ik veel van mijn vader en mijn moeder. Wat dat te beduiden heeft?
Er fietst een man voorbij. Een magere, grauwe zeventiger met pluizig, slecht geverfd haar die, voorovergebogen over zijn racefiets, hardnekkig in de eeuwige jeugd wil geloven, of liever, in het niet bestaan van de ouderdom. Ik herken mijn jeugdvriend D. maar roep hem niet aan. Een tegenzin welt in me op als ik denk aan het toneelgesprek dat we gaan voeren nadat hij mij herkend heeft. Dit alles, herkenning, weerzin en de reden ervan, gaat in een woordeloze flits door me heen.
Ik vergeef het mezelf - wat zouden we elkaar moeten zeggen?
Mijn zus appt me, later ook mijn broer. Dat ik zo afwezig ben op de sociale media. Gaat alles wel goed? Ik bevestig het laatste en ontken het eerste. Maar inderdaad is de continuïteit van ons contact doorbroken de laatste weken.
Het lijkt lang geleden dat ik me het zuur dronk aan Grauburgunder tijdens het Duitse reisje waarvan ik het thuisfront uitvoerig verslag deed in woord en beeld. Het lijkt lang geleden dat ik zeventig werd. De wereld is veranderd sindsdien. Een tijddeurtje schoot open, een kattenluikje.
Over één ding had ik me geen zorgen hoeven maken: ze zijn op schema, de hardwerkende timmerlieden uit Emmeloord. Gisteren belde een van hen aan. Aanstaande dinsdag sta ik ingepland. Maar mochten ze soms ook maandag al een paar uur komen werken? We hebben toch niks met Koningsdag.
Ik moest daar even over denken; ik noteerde een 06-nummer, gaf even later groen licht. Het oorspronkelijke scenario was geweest: na een afwachtende feestdag voor dag en dauw wakker gemaakt te worden voor een lange dag van lawaai, stof en drukte. Nu kreeg ik éérst een voorproefje, op een verder - hopelijk - prettige dag. Ik kon even wennen, ik was al door. Mochten de katten te veel last hebben van hun opsluiting in slaap- en achterkamer, dan konden we die avond alsnog beslissen ze een paar dagen op mijn dochters zolderkamers te laten bivakkeren, wat Plan B was.
Die vrije meter, waarin ze moeten kunnen werken, de mannen, dat is nog even puzzelen, dat wordt slepen met bureau, vleugel, gitaren, schilderijen, boeken, planten, kastjes. Maar dat is een mooi taakje voor het weekeind. Het is te doen, het is te doen! Met een beetje geluk is half mei alles achter de rug en hervatten wij, katten en bazen, ons gewone stadse buitenleven.












