dinsdag 18 juni 2019

v.h. Rookzangers notitieblog (24)


Mijn dochter heeft serieuze plannen om weer naar Engeland te gaan. Geen Londen dit keer maar Brighton. Aanstaand weekeinde gaat ze het terrein verkennen.
'Ik snap dat jij dat niet leuk vindt.'
Nee, dat vind ik niet leuk. Niet alleen waak ik graag als herdershond over mijn kleine kudde dierbaren, maar ook kan ik slecht tegen onrust en verandering. Rust en stabiliteit is wat ik wil. Het leven zou een rimpelloze zee moeten zijn met niets in het verschiet dat het silhouet van de horizon verstoort.
De ironie echter is, dat hoe rimpellozer en onveranderlijker het leven is, hoe sneller de tijd lijkt te gaan. Zonder alledaagse veranderingen om je heen wordt die ene grote en onafwendbare verandering des te beter zichtbaar. Het tikken van de klok en het voorwaarts sluipen van de wijzers. Met andere woorden: hoe meer ik mijn leven van obstakels heb weten te ontdoen, des te meer ga ik peinzen over 'de uiteindelijke dingen'.
Zo gebeurde het dat mijn panorama als het ware inkromp, toen mijn dochter me op de hoogte had gebracht van haar voorgenomen verhuizing. Vlak vooraan was er die dreigende verandering, daarachter de volgende hoopvolle verandering: want ze zou toch binnen afzienbare tijd wel weer eens terugkomen, om te settelen in Amsterdam?
En met dat al waren klok en wijzers even uit het zicht verdwenen.

vrijdag 14 juni 2019

Schoon schip

Ik was al op weg naar het park om te gaan zien hoe het met de ooievaars stond: hadden de twee resterende jongen de laatste storm wel overleefd? Broertje of zusje was uit het nest gewaaid bij de grote onweders van vorige week.
Ik passeerde het kastje met weggeefboeken. Zoals altijd wierp ik daar een blik in. De blik trof een kloek boek en bleef eraan kleven. Schoon schip, van Gerard Reve. Dat had ik nog niet. Ik nam het uit het kastje, ontdekte dat het te groot was voor mijn jaszak en besloot het eerst in het trappenhuis te leggen voor ik mijn wandeling naar de ooievaars zou vervolgen.

Thuisgekomen (de twee jongen maakten het goed) deed ik droge kleren aan, draaide de verwarming maar weer aan en installeerde me in mijn zetel van rood trijp. Vol voorpret begon ik te bladeren in Schoon schip.
Ik las een paar stukken. Een paar goeie stukken, uit de jaren vijftig. Een paar aardige brieffragmenten uit de jaren tachtig. Dit was typisch een boek waarvan je kon zeggen: 'er valt weer veel te genieten'.
Maar al snel zakte het peil van het plezier en kwamen alle bezwaren die ik in de loop der jaren ben gaan verzamelen tegen het verschijnsel Gerard Reve weer naar boven. Gerard beschouwde op latere leeftijd het geschreven woord toch vooral als klinkende munt, als koopwaar om uit te venten. Zijn uitgeverij drukte op zijn verzoek geen boeken maar geld in de vorm van taal. In dit boek, een verzameling van alle nog niet eerder in druk verschenen teksten uit de periode 1945-1984, staan veel te veel fragmenten die alleen maar van belang zouden kunnen zijn als je een intense interesse koestert voor de mens Reve. Contactadvertenties, flapteksten, losse eindjes, schetsjes en kladjes, onderschriftjes, opschriftjes en bijschriftjes, verslagjes van enkele regels uit Het Parool - het enige wat nog ontbreekt zijn facsimile's van zijn ingevulde en ingezonden kruiswoordpuzzels. Tot overmaat van ramp moet de uitgave (verzorgd door Joop Schafthuizen a.k.a. Matroos Vos) het geheel zonder voetnoten of ander verhelderend commentaar stellen. De losse stukjes worden zonder enige context gepresenteerd, alsof het Grote Literatuur betreft die op zichzelf moet kunnen staan. Maar wat moeten we bijvoorbeeld met een fragment als dat op pagina 234, onder de titel Over een jaar of tien... ?
'Over een jaar of tien zal dit land gebukt gaan onder een definitieve linkse terreur, het gepeupel gaat de macht overnemen en wie nu verstandig is neemt de benen zolang het nog kan.'
Het is ondertekend 'Gerard Reve' en als bron staat vermeld: De Nieuwe Limburger, 18 maart 1974. 
Een citaat uit een vraaggesprek, een ingezonden brief? Geen idee. Maar het is ook van geen belang. Zelfs de meest rabiate Reve-volger zal weinig belang stellen in een dergelijke overkill aan restjes, tenzij uit de manie om alles, maar dan ook alles volledig in de kast te hebben staan.

Gerard Reve was, alle poeha en flauwe gein terzijde, een groot schrijver. Er is een tijd geweest waarin die mening gestaafd werd door publicatie op publicatie te stapelen. Briefboeken, verzameld werk, uitgaven zoals Schoon schip en het verwante Archief Reve beweerden onvermoeibaar dit: Reve is zo groot, dat ieder krabbeltje dat hij schreef bijgezet moet worden in het papieren mausoleum dat zijn majesteit eer bewijst. Ja zelfs zijn afgekeurde en verfrommelde boodschappenbriefjes kun je verhandelen of desgewenst inlijsten.
Wordt het nu, zoveel jaren later, zo langzamerhand niet eens tijd om Reve postuum een veel grotere dienst te bewijzen? Laat er een commissie van kritische liefhebbers en kenners komen, die alleen het beste bewaart en de rest (voor zover nog in druk) in de papierversnipperaar werpt, of desnoods in kartonnen dozen naar het Letterkundig Museum verscheept waar het in de catacomben mag rusten ter inzage voor neerlandici en biografen.
Laten we schoon schip maken en van de Burgerschrijver alleen dat bewaren wat van belang is. Alleen het serieuze werk, de romans, de reisbrieven, de gedichten, en vooruit: een paar van de beste brievenboeken.
Opdat potentiële nieuwe lezers verrast kennis kunnen maken met de best stellende en best gestileerde stem van een verdwenen tijdperk. En opdat ze niet ten prooi vallen aan dezelfde melige treurnis die mij beving na te lang bladeren in Schoon schip.


woensdag 12 juni 2019

MANNETJE

Het feest was al in volle gang toen het mannetje binnenkwam. Sterker nog: de cadeaus waren uitgepakt, de bubbels ingeschonken, het welkomstwoord was breedvoerig uitgesproken en de lunch was verorberd. Ieder zat rustig op stoel of bank te luisteren naar beschaafde en toch leuke klassieke muziek voor sopraansaxofoon en accordeon.

Hij liep langs het tuinhek, een beetje verward en gehaast, alsof hij al uren naar het juiste adres zocht. Hij had een rond, kaal hoofd, een korte witte ringbaard, ronde, troebele ogen en een ronde buik. Het mannetje zou een toevallige voorbijganger hebben kunnen zijn, als hij niet een wat krap zondags pak had gedragen. Bovendien had hij een laptop en een groot boek onder zijn arm. Hij kwam hier iets doen, maar kon dat, wegens de muziek, die het publiek aan de tuinstoeltjes en het woonkamermeubilair gekluisterd hield, op dit moment niet doen. Dat frustreerde hem, hij liep in toenemende geagiteerde verwarring door huis en tuin. De manier waarop hij zijn plannen gedwarsboomd zag en dat niet kon verkroppen verried de onaangepaste, zonderlinge mens. Ik zag hem de obers aanspreken. Tevergeefs, wat hij ook wilde doen met die laptop en dat boek zou moeten wachten tot na de muziek.
Hij kwam de kamer binnen waar ik zat, zonk neer op de bank naast me, legde zijn handen op zijn bolle buikje en viel al gauw in een diepe slaap.

Toen de muziek afgelopen was en wij beschaafd hadden geklapt ontwaakte het mannetje en hervatte ijverig zijn missie. Hij sprak de gastheer aan. De inmiddels al afgesloten geluidsinstallatie moest weer worden aangezet. Toen dat gebeurd was begon het mannetje met Belgische tongval een speech af te steken. Een uitgebreide felicitatie. Ik kon niet alles verstaan maar begreep dat het boek het cadeau was voor de vijftigjarige bruiloft van de gastgevers. De laptop had hij meegezeuld omdat hij zijn geschenk vergezeld wilde doen gaan van een gedeclameerd gedicht en van muziek. Hij hield het ding in de richting van de gastheer, was een tijdje aan het hannesen om de goede instellingen te vinden en even later klonk Clair de lune van Debussy, via YouTube. De gastheer, een warmvoelende man die met de wereld en met zichzelf zeer in zijn nopjes was en bij zijn welkomstspeech zeer olijk had gekeken, stond er nu wat verlegen bij. Zijn guitige blik had plaatsgemaakt voor een ongemakkelijke ernst.

Even later trof ik het mannetje aan bij de huisbar, waar we beiden een glas rode wijn inschonken. Om dat cordon van eenzaamheid rondom hem te doorbreken sprak ik hem aan. Algauw waren we druk in gesprek. Nu ja, ik luisterde naar zijn monologen, die slechts kort onderbroken werden als ik iets inbracht. Hij bleek een gewezen hoogleraar Klassieke Wijsbegeerte te zijn. Een belangrijk man op zijn vakgebied zo te horen. Omdat ik zelf ook Latijn en Grieks heb gestudeerd, vijf jaar lang, vond hij in mij een betrokken gesprekspartner, of liever luisteraar. 

Ik zou dit verhaaltje graag hierbij gelaten hebben. Maar de eerlijkheid gebiedt me de afloop te vertellen.
Omdat hij zo'n slechte luisteraar was en ik toch ook mee wilde tellen zette ik, aangemoedigd door de wijn, steeds zwaarder geschut in. Op zeker moment hoorde ik mezelf de eerste verzen van de Odyssee en de Aeneis (boek IV) reciteren, en vooruit, ook nog maar een regel of wat Ovidius, met mijn beste toneelstem, waar als vanzelf een Vlaams accent in sloop. Daar was het mannetje wel even stil van. Het mompelde verontschuldigend dat zijn geheugen op zijn vierentachtigste niet zo goed meer was en ging verder met zijn monologen.

De volgende dag was ik doodmoe. 'Wat heb ik weer verschrikkelijk staan opscheppen,' zei ik tegen mijn vriendin.
Het mooie van jezelf onderuithalen is dat je de ander de kans geeft om je op te beuren.
'Je hebt toch een goede daad verricht,' vond mijn vriendin.
Ik trok het kussen over mijn hoofd en sloot mijn ogen.

vrijdag 7 juni 2019

JUNI

De stille junimaand is aangebroken, en daarmee de zomer.
Waarom 'stille' ? In mijn beleving is juni een tijd van consolidatie. Tegenstellingen verkruimelen, versmelten, de wereld komt tot rust. Het schooljaar loopt ten einde, de examens zijn voorbij. Het weer is vaak wat grijs in juni, het regent geregeld, de zon is nooit meer dan vriendelijk. De lente is uitgewoed en we gaan nog niet op reis. De festivals staan in de steigers maar de speakers zwijgen nog. De weilanden en gazons zijn geschoren met de schapen en al die brutale weelde van fluitenkruid en boterbloem is gesneuveld onder de zeis. Gelijkmatig groen is alles. Alleen de rozen, die geven kleur.
Mijn hoofd doet mee met de weilanden en de bermen. Ook ik kom tot rust, ben eindelijk kalm. Het werk luwt. De concerten zijn voorbij. Een voor een gaan de koren op zomerreces. Ik lees meer dan normaal, ook overdag, neem de tijd om te schrijven. Verkwist zomaar een paar uren met het bijwerken van mijn LinkedIn-profiel - een volledig zinloos maar aangenaam klusje, cosmetisch, als het trimmen van je baard of het poetsen van je schoenen. Het brengt me mentaal op onverwachte plekken. Als een kat die met knipperende ogen door de struiken sluipt, op zijn gemak zijn neus achterna, insecten, muizen, vogels - precies zo dwaal ik door het verleden, als ik op zoek ben naar foto's om bij de verschillende wapenfeiten en verworvenheden te plaatsen. Het een leidt tot het ander. Van foto tot lemma gaat het. Van torretje naar mus. Van filmpje naar mp3. Van feit naar droom, van idee naar herinnering. Er is geen dwang en geen plan en zo zonder dwang en plan vliegt de tijd.
's Avonds kijk ik tv. Normaal heb ik daar weinig geduld voor maar nu zit ik een hele Zweedse detective uit. Bossen, corruptie, moord, drankzucht en regen.
In bed lees ik met smaak nog twee geheel lege hoofdstukken Haruki Murakami voordat ik het lampje uitknip om eens diep na te kunnen denken over de structuur van het boek in wording dat ik onlangs weer heb opgepakt.
Voor de verveling onherroepelijk zal toeslaan is juni een fijne maand.

dinsdag 4 juni 2019

AARDBEI

Er was fancy fair in het dorp. In Noord-Holland grijpen ze elke gelegenheid aan om handel te drijven. Het gaat daarbij niet om het gewin, maar om de aardigheid. Een dingetje verkopen dat thuis ligt te verstoffen en daar een euro voor vangen is dikke pret. Mijn vriendin telde haar munten en rekende uit hoeveel ze verdiend had met de verkoop van haar zelfgemaakte appelsap en -stroop, chutney en vlierbessensiroop. Als je de aangeschafte suiker bereid was buiten beschouwing te laten was het bijna genoeg om de huur van het kraampje te dekken. Mijn vriendin was tevreden.
Ze vertelde dat ze tijdens het optreden van dorpsgenoot Hans Dulfer, dat de feestelijke fair afsloot, Piet Aardbei had ontmoet, een oude dorpeling die haar ooit met het schoonmaken van de sloot (het jaarlijkse 'sloten') had geholpen, toen ze er pas was komen wonen. Ik had weleens over hem horen praten.
'Weet je eigenlijk hoe hij aan zijn naam komt?' vroeg ze, terwijl ze de overgebleven potjes en flesjes op het aanrecht uitstalde.
'Vanwege zijn drankneus?' gokte ik.
Nee, dat was niet het geval. De overbuurman van deze Piet, vertelde mijn vriendin, had een tuin met een enorme hoeveelheid mooie rijpe aardbeien. Op zekere dag vroeg Piet of hij er wat van mocht plukken. Geen probleem, zei de buurman, ik heb er meer dan genoeg, en ze moeten op voor ze overrijp worden.
Piet Aardbei plukte er flink wat van, deed de vruchten in doosjes en zette die aan de straat voor zijn huis met een prijskaartje erbij. Daar stond die buurman toch wel van te kijken. Maar Piet verblikte of verbloosde niet. Hij vond zichzelf een slimme rakker.
'Sindsdien heet hij zo.'
Ik vond het een mooi verhaal. Piet schaamde zich niet voor zijn bijnaam, die een blijvende herinnering betekende aan een niet zo chic incident, maar voerde die voortaan als geuzennaam. Sommige mensen leven toch maar gemakkelijk.


dinsdag 28 mei 2019

SUPERMAN


En daar lag ik. Languit op het asfalt.
Ik kwam van café Wildschut waar ik een koffie verkeerd had gedronken en het ochtendblad had gelezen. In de vele jaren dat ik hier woon moet ik duizenden malen op die plaats de Van Baerlestraat overgestoken zijn maar nog nooit had ik me verstapt bij het kruisen van de tramhalte. Tot op dit moment. Want mijn linkervoet was blijven haken en daar lag ik. Op handen en knieën op het asfalt.

Maar niet voor lang! Terwijl een groepje voorbijgangers met geschrokken gezicht bleef staan en de eerste behulpzame jongeman op me af schoot deed ik iets vreemds. Ik maakte via mijn rechterschouder een soort koprol en kwam in één vloeiende beweging overeind. Dit alles gebeurde in een flits: de voorbijgangers stonden nog verschrikt te staren en de jongeman had zijn hand nog bewegingloos uitgestrekt terwijl ik alweer het stof van mijn broekspijp klopte. De uitgestoken arm ging verder met bewegen en greep me beet. Niet nodig, ik stond volkomen stabiel.
'Alles goed, meneer?'
'Jawel. Dat was een goeie koprol hè?'
'Zeker! Maar misschien moet u die veter voortaan beter strikken.'

Iedereen liep verder, de tijd ging weer zijn gewone gang. Maar ik ging niet direct naar huis. Ik moest een eindje omlopen om te verwerken wat er zojuist gebeurd was.

Ten eerste die val. Waarom, hoezo? Aan mijn veters lag het niet, dat was maar een dooddoener geweest. In Spanje was ik laatst ook al gestruikeld zonder aanwijsbare reden. Werd ik oud, mankeerde ik iets, droeg ik te veel gewicht met me mee, was ik uit conditie?
Maar meer nog kwelde me dit: ik kon me nu al niet meer precies voor de geest halen wat voor acrobatisch kunststukje ik zojuist had uitgevoerd. Ik was niet overeind gekrabbeld, zoals je zou verwachten, nee: ik had een gymnastische rol gemaakt vlak voor een naderende auto om met een sierlijke zwaai op mijn voeten te belanden. Dezelfde man die kreunend en krakend van zijn meditatiekussentje stapt en op slechte dagen niet ver genoeg kan bukken om zijn sokken aan te trekken.
Sluimerden er soms nog meer van dit soort verborgen vermogens in me, die wachten om door een stoot adrenaline te worden geactiveerd? Ik kende op mijn drieënzestigste mijn lichaam en zijn potentieel blijkbaar nog niet goed genoeg. Iets dat diep binnenin me verborgen lag, ongezien, onvermoed, kon zomaar de regie overnemen. Een eng idee. Alsof er een vreemde in mij school. En dat laatste verontrustte me.

Eenmaal thuis voelde ik pas hoe mijn linkerhand en mijn rechterknie, die de klap hadden opgevangen, gekneusd, geschaafd en gezwollen waren en kloppend pijn begonnen te doen. Dat was gelukkig weer het kwetsbare middelbare lijf dat ik kende.
Superman sliep weer.


vrijdag 24 mei 2019

Abrikozen en chiringuita's


In mijn vorige blogpost vertelde ik hoe ik in Spanje aankwam en prompt strontziek werd. Ik nam me heilig voor het bij die ene dag te laten en de morgen erna mijn vakantie opnieuw te beginnen. Eén dag suffen en vasten in het logeercaravannetje was genoeg.
Ik hield woord. De volgende morgen installeerde ik me met mijn boeken en schriften onder de overladen abrikozenboom. Mijn koffie smaakte nog een beetje bitter. Ik las op mijn gemak een manuscript door terwijl de meisjes abrikozen raapten, plukten, droogden, kookten en persten. De zondag erna zou de jaarlijkse abrikozenpicknick zijn, waarop alle buren feestelijk kwamen oogsten wat er nog aan de bomen hing.
Zo verstreek de morgen in vrede. Rond twee uur gingen we naar het strand om in een chiringuito te lunchen. En daar zagen we iets vreemds. Waren dat Russische letters?

De kuststreek tussen Malaga en Estepona, de westelijke Costa del Sol, is waarschijnlijk een van de meer smakeloze streken van het oude Europa. Daarmee vergeleken is onze eigen kust een voorbeeld van goede smaak en terughoudendheid in huizen- en stedenbouw. Het oorspronkelijke landschap is grotendeels aan het oog onttrokken door een eindeloze, en nog voortdurend uitdijende reeks appartementencomplexen, het een nog protseriger dan het ander. Alles wat aardig en authentiek was aan deze uitsluitend nog voor het toerisme levende regio wordt als je even niet oplet door projectontwikkelaars verpest. Moneyland! Een middeleeuws torentje dat gisteren nog in een restantje geurige groene rimboe lag is vandaag de reclamezuil geworden voor een strandtent: Chiringuito Torre del Velerín.

Estepona. Gary Moore, de grote bluesgitarist, werd hier in 2011 dood gevonden in zijn hotelkamer, achtenvijftig jaar oud. Vier jaar later stierf Cilla Black (72) na een fatale val in haar vakantiehuis. Er zijn hier veel Britten. De meesten niet beroemd. Gibraltar ('Gib') is vlakbij. Britten hebben een berucht slechte smaak, als ze niet bij uitzondering een heel goede hebben.
Maar erger, veel erger dan de Britse expats zijn de Russische nieuwe rijken. Hun alabaster sprookjestadjes en zomerpaleizen hebben gouden koepels die in de verte opglanzen. Hier op het terras van Torre del Velerín zijn hun sporen te zien in het menu: het cyrillisch schrift maakt de spijslijst onleesbaar.
Onder de van grauw riet gevlochten parasols die eruit zien als de mutsen van de Vucomprà's die je onvermoeibaar hun blingbling willen aansmeren, hoor ik vooralsnog alleen Engels en Duits. Misschien is het Russenseizoen nog niet aangebroken. Ook de Chinezen laten hun aanwezigheid alleen nog raden door de Hyper Chino.
Schuldbewust wrijf ik over de gladde dij van mijn nieuwe, in de Carrefour voor nog geen tientje aangeschafte Chino-broek en probeer niet te denken aan kinderarbeid.

Er heerst hier een ouderwets soort zonnetoerisme. Hier springt men nog rond met verend vet om zich, verzadigd van het uitgelaten balspel, aan alle kanten roze te laten schroeien, terwijl men zuurtjesroze cocktails opzuigt met een rietje, in een voor vier euro gehuurde hangmat.
In de Zoeloehut naast ons zit een Duitse biker met zongebleekte vlechtbaard. Hij en zijn vrouw die vooral uit gelooid leer lijkt te bestaan zijn aangeschoven bij een Spaanse familie. Er wordt geproost, er wordt een groepsportret gemaakt door de ober, een stoere jongen met opgeschoren Marokkaans kapsel. De vrouw van het gezinnetje is Duits. Blijkbaar is dat de reden voor hun aanwezigheid want Spanjaarden zie je hier verder niet. Deze strook land tussen bergen en zee behoort aan de buitenlanders.

Thuisgekomen ging ik weer onder de abrikozenboom zitten en noteerde wat ik had gezien. Toen dat net zo bitter als mijn koffie dreigde te worden keek ik naar de lucht, naar de kleuren om mee heen, en gaf een zetje aan mijn tekst. Die tolde rond en kwam tot stilstand op een plek met beter uitzicht.
Want gelukkig zijn er nog altijd de citroenen, fris groenig geel, de gekko's met hun clowneske voeten, de platgereden en zongedroogde slangen langs de stoffige weg, de purperen jacaranda's, de hemelse geuren van Dama de noche (nachtjasmijn) en kamperfoelie (Madre selva), de pauwachtige roep van de kiekendieven in de nacht en het hinniken van de renpaarden die verderop worden getraind. Gelukkig zijn er de kleurige exotische planten, bloemen en kruiden die het overal uitgegoten beton trotseren, dat over de heuvelwegen verspreid is alsof een puberjongetje in het wilde weg heeft geonaneerd. (Het bijzonderst van deze vind ik de planten die eruitzien als onze gele toorts, maar van dichtbij blijken te bestaan uit een soort paardenbloemen, die op elkaars schouders staand, groepsgewijs naar het hogere reiken.) Gelukkig zijn er de zangvogels, piepend, trillend, knerpend en jonglerend met nootjes, die de zonsopkomst tot een feest maken.
Gelukkig is er de blauwe lijn van de bergen, gelukkig is de kuststrook smal. Even landinwaarts schud je de toeristen van je af, net zo makkelijk, want die wagen zich niet ver van hun parasols, en ben je in het échte Andalusië, waar de menu's gewoon in het Spaans gesteld zijn.

De abrikozenpicknick was een groot succes. De buren komen overal vandaan en brachten allemaal wat te eten en te drinken mee. Zo deed ik me te goed aan Zweedse gehaktballetjes, Zwitserse appeltaart, Roemeense worstjes, Britse brownies, Spaanse tortilla en nog veel meer, en ik prees de EU.