vrijdag 22 januari 2021

SPERTIJD

Het is een teken van beschaving, zei filosofe Stine Jensen onlangs (of zei ze: 'de definitie van beschaving?') dat we de zwakken en kwetsbaren van onze samenleving beschermen, en daar zonodig ook offers voor brengen. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Uw amateur-wijsgeer Voorheen Rookzanger vindt dat een nobel uitgangspunt en is het er doorgaans ook volledig mee eens. Maar er zijn momenten  dat hij de woorden lockdown, maatregelen (al of niet aangescherpt), ziekenhuisopnames en ic niet meer kan horen en zich op bepaalde dwarse gedachten betrapt, die men rustig rebels mag noemen. Hij houdt die gedachten natuurlijk voor zich en heeft nog geen aanvechting gehad om lid te worden van rare partijen of bewegingen. Maar een deel van dat gedachtengoed sijpelt toch door in zijn gewone doen en laten. 

Hij, Voorheen Rookzanger, of laten we eerlijk zijn en zeggen: 'ik' - ik heb de indruk dat de psychische schade die deze al zo lang durende vrijheidsbeperking met zich meebrengt nogal eens gebagatelliseerd wordt. Alle collaterale schade wordt van tafel geveegd met die paar termen als sluitend argument: Het Virus, en sinds kort: De Britse, Zuid-Afrikaanse of Braziliaanse Mutant. Corona, dat is pas erg, je kunt eraan doodgaan! De ongemakken die de lockdown veroorzaakt zijn precies dat: ongemakken, meer niet. Niet zeuren, dat betekent allemaal niets, vergeleken met de Pandemie, de Dreiging, de Doem die ons boven het hoofd hangt, als het zwaard van Damocles waarover je tegenwoordig zoveel leest. Even doorbijten, samen staan we sterk!
Ik vind het deprimerend om zo te moeten leven als tegenwoordig. Ik zou het veel liever anders hebben. Maar inderdaad - wat is een jaar, wat is zelfs twee jaar, als je er al zoveel geleefd hebt? Dus kiezen op elkaar en hopen op betere tijden.
Maar steeds vaker denk ik aan de pechvogels die in deze tijd scholier of student zijn. Als je jong bent is een jaar een heel tijdperk. Opgroeien in deze sombere kooi van ons betekent een normaal, gezond leven (lees: een sociaal leven) missen juist op de leeftijd dat je daar zo'n behoefte aan hebt. Mijn depressies zijn de sombere buien van iemand die alles heeft mogen meemaken en het nu gedwongen wat kalmer aan moet doen dan hij zou willen. De depressies van jonge mensen die beroofd zijn van hun mogelijkheden tot maatschappelijke groei en het experimenteren mét, of uitbouwen ván hun sociale contacten (om over de liefde nog maar te zwijgen) zijn mogelijk veel diepgaander. Kom me niet aan met online en virtueel - het internet is nog steeds niet de échte wereld, en contact via telefoontje of laptop blijft surrogaat. Ik houd mijn hart vast voor het geestelijk welzijn van die generatie als dit nog lang duurt. Ik zou het niet erg vinden als de focus (ook zonder rebelse bijbedoelingen) wat meer daarop kwam te liggen in plaats van uitsluitend op de zorg, de ouderen en kwetsbaren. 

Er is één troost. Buigzaamheid en vindingrijkheid. De avontuurlijke geest die we allemaal in meer of mindere mate hebben als we jong zijn zoekt de mazen op in de wet en is niet bang voor een beetje burgerlijke ongehoorzaamheid. Mijn moeder vertelde soms over de oorlog. Over de echte avondklok, de spertijd. Geen boa's toen, maar soldaten die met scherp schoten als ze je 's avonds op straat aantroffen. Maar wat moet een meisje van achttien zonder vrienden en vriendinnen? Hoe kom je de lange donkere winteravonden door? Lezend met je ouders en dromend over andere tijden? Zonder TikTok of Insta? Zij en haar vrienden slopen 's avonds over de dakgoten naar elkaars zolderkamers toe om zo via de binnentrappen elkaar te bezoeken. Met surrogaatkoffie en chocolademelk hadden ze dan een gouden tijd. Want, benadrukte mijn enigszins puriteinse moeder altijd: ook zonder alcohol kun je lol hebben. 
Ik zou daaraan willen toevoegen: ook zonder internet. Maar niet zonder mensen.


dinsdag 19 januari 2021

Sneeuw, lichtpuntjes

Zaterdag wachtte iedereen op sneeuw. Met voorpret maar ook wantrouwen. 'Eerst maar eens zien'. De weersvoorspellingen laten het vaak afweten waar het de leuke kanten van de metereologie betreft.
Maar de sneeuw kwam. Eerst nog met gewichtsloze vlokjes die eruitzagen als stuivend waspoeder, maar algauw met flinke vlokken die loodrecht omlaag vielen en zowaar nog min of meer bleven liggen ook. Ik ging naar buiten. Het was al donker aan het worden. Kinderen schraapten de sneeuw van de auto's en gooiden joelend met sneeuwballen. Sommige dingen veranderen nooit. Het mooist was het aan de Hobbemakade. Door de koude van het nabije water was de stoep er helemaal wit. Ik keek naar de geveltjes van de Pijp en moest zoals altijd in dergelijke omstandigheden aan Breitner denken. Besneeuwde stadsgezichten zie je nu eenmaal vaker op canvas dan in het echt.
Sommige mensen krijgen een beetje hoofdpijn als er sneeuw in de lucht zit, of kriebelende tenen. Die koude, sneeuwzwangere atmosfeer doet blijkbaar iets met je. Mij maakt hij opgetogen. Mijn bewustzijn is scherper dan anders. Mijn oren registreren het kleinste geluid, mijn arendsogen zien alles.
Maar zaterdag wist ik niet wat ik met die opgetogenheid moest doen. Ik had gedacht dat ik er de inspiratie voor een verhaal uit zou kunnen halen. Maar ik zat achter de computer te zwoegen op mijn hortende zinnen en kon me niet concentreren. Waar waren pijp en tabak nu ik ze nodig had? Van al die opwinding kreeg ik een kater die eigenlijk de avond zelf al begon. Dit was het. Winter. Sneeuw. Nu moest ik gelukkig zijn. Nu. 
Er rustte een te grote druk op het voorspelde winterweer en ik had er te veel van verwacht. Niet zo gek, want in deze maand die eigenlijk één lange Blauwe Maandag is, klamp je je vast aan dit soort feestelijkheden. We hebben al zo weinig, geen kopje koffie aan een leestafel kan er nog af.
De dagen na de sneeuw was ik somber. Somberder dan ik ervoor geweest was. Waren er dan geen lichtpuntjes meer te verwachten? Toch wel!

Ik was op weg naar het park. Het is belangrijk vast te houden aan je routines, als de wereld niet veel vrolijks te bieden heeft. Daar kwam mijn buurman naar buiten. 'Heb je het nieuws al gehoord?' vroeg hij. 'Nee,' zei ik, meteen wetend waar het over ging, maar hem het pleziertje gunnend van de verrassing.
'Er is bericht van de Gemeente. De kapvergunning is ingetrokken.'
De hoorzitting waarin ik als getuige was opgetreden was inmiddels al zo lang geleden, dat ik dacht dat de betwiste boom in onze binnentuinen, door de ernstigere problemen waarmee we allen kampen, glad vergeten was. Maar nee. De rechter had haar tijd genomen, maar nu toch beslist ten gunste van ons, bomenminnaars, en ten nadele van de potentiële hakkers en zagers, die een zo grote en mooie boom maar lastig vinden in te passen in hun geordende bestaan.
'Dat is goed nieuws,' zei ik tegen de buurman. 'Ja hè?' zei hij glunderend. Verder was er niet zoveel over te zeggen, dus we bleven elkaar maar zo'n beetje glunderend aankijken. Maar toen ik verder liep naar het park, achternageroepen door mijn buurman: 'Fijne dag verder!', was het met lichtere pas.


vrijdag 15 januari 2021

VREEMDEN

Gisteravond  moest ik naar Oost. Vroeger, dat wil zeggen tot bijna een jaar geleden, kwam ik daar meerdere keren per week. Nu was het vreemd om 's avonds in de auto te zitten in plaats van voor de tv. Tom Barnaby moest zijn moordzaken even zonder mij oplossen; ik chauffeerde door een koude, stille en donker-lichte stad om een flatscreen televisie op te halen, een Marktplaatstransactie.
Ergens halverwege de vertrouwde route, die ik rustig rijdend en nieuwsgierig aflegde, zei mijn dochter, met een blik op de lege straten: 'Het is gek. Ik had nooit gedacht dat ik het contact met mensen ooit zou gaan missen. Mensen als in 'vreemden'. Gewoon wat uitwisselen met de barman van het café, een praatje maken met mijn tattoo-klanten, het geluid van stemmen om je heen. Wat mis ik de gezelligheid van de kroeg! Ik ben toch meer een groepsmens dan ik dacht.'

Ik vond dat niet zo gek. Ik ben evenmin als mijn dochter een groepsmens. In een groep voel ik me niet op mijn gemak, tenzij ik er vóór sta, als leider - dan lost mijn aangeboren verlegenheid op in de neutrale noodzaak om al die stemmen zuiver en gelijk te laten zingen; iemand moet het doen, en ik heb op dat moment nu eenmaal de beste papieren. Grote groepen, zoals in bioscoop of theater, zijn nog erger, die kunnen maken dat je je verloren en eenzaam voelt. Menigtes en mensenmassa's vind ik ronduit deprimerend. Zo'n als uit één keel juichend stadion of overvol plein, zoals je ze voor Corona wel zag, met handen die simultaan bewegen, als wuivend zeewier - ik zou er niet dood gevonden willen worden.
Maar net als mijn dochter mis ik het geroezemoes om me heen van openbare locaties, en mis ik de interactie met schepselen die niet dezelfde nestgeur hebben als de paar medemensen die ik tegenwoordig nog zie. Het is niet zozeer de 'huidhonger' waarover je een tijd geleden zoveel hoorde. Ik ben niet zo'n aanraker en zal er niet om rouwen als met de pandemie ook de hugs, de verplichte drie kussen en de obligaat geschudde handen verdwenen zullen zijn. Het is het geestelijk contact. De uitdaging daarvan, de overwonnen verlegenheid, de kleine aanpassingen die je al pratend met vreemden maakt, de verkenningstocht in andermans wereld die elk gesprekje, hoe klein ook, is. Zonder dat is het leven eenvoudiger maar ook saaier. Ik merk dat ik op mijn dagelijkse wandeling in het park niet meer op een bankje ga zitten om naar de vogels en de lucht te kijken, maar om de voorbijgangers te observeren, om flarden van hun gesprekken in me op te zuigen als zuurstof voor mijn benauwde ziel.
Ik vatte mijn overpeinzingen samen: 'Ik ben graag alleen. Mét mensen om me heen.' Uit mijn ooghoek zag ik mijn dochter instemmend knikken.

Na de overdracht van de flatscreen reden we dezelfde weg terug. In de grote winkelstraten hing nog kerstverlichting. Achter me werd driftig getoeterd. Een Skoda zwenkte met een woeste zwaai om me heen en scheurde verder. 'Idioten,' gromde ik. 'Het is lockdown! Mag ik misschien met veertig kilometer over de Churchilllaan tuffen?' Ik bestrafte de snelheidsduivels met een flits groot licht. 'Dat zal ze leren,' zei ik tevreden. 


dinsdag 12 januari 2021

PLEISTERS

Nicotinepleisters zorgen voor een gefaseerde afgifte van nicotine, vierentwintig uur lang. Dus anders dan bij echt roken krijg je het spul ook 's nachts, in je slaap, binnen. Het gevolg daarvan is, althans in mijn geval, dat je niet zozeer onrustig slaapt, dat niet, maar wel heel helder en intens droomt. Bij een vorige afkickpoging heb ik daarom de pleisters voor het slapen gaan verwijderd, want die dromen waren behalve helder en intens ook nog eens beangstigend. 
Dit keer aarzelde ik. Weliswaar kreeg ik weer van die hyperrealistische dromen, genadeloos precies en tegelijk vervreemdend als schilderijen van Carel Willink, maar echt naar waren ze niet. Er kwamen, anders dan in mijn normale droomrepertoire, opvallend veel bestaande mensen in voor. Geen hutspot van ondefinieerbare gebeurtenissen en door mijn brein gegenereerde fantasiefiguren die voortdurend van gedaante wisselen, maar goed omlijnde voorvallen en situaties waarin met name jeugdvrienden, allang uit het oog verloren, leken te figureren. Zo bracht de post me van de week een vreemd gevormd pakket. Het bleek een verzameling pijpen te bevatten. De afzender was Jerzy Gawronski, onze Amsterdamse stadsarcheoloog en een schoolvriend van me, in geen veertig jaar meer gezien. Er was een handgeschreven briefje bij, maar voor ik dat kon lezen (ik was razend nieuwsgierig) werd ik wakker.

Afgelopen zaterdagnacht was het toch weer raak. Mijn moeder (als altijd in mijn dromen een jaar of veertig) vertelde me dat mijn opa en oma nog leefden. Ze hielden zich schuil in hun appartement op eenhoog in de Rijnstraat. Ze moesten inmiddels diep in de negentig zijn en ik had ze al lang doodgewaand. Ik ging, met een licht schuldgevoel, op bezoek. Ik besteeg de trap van grijs steen en keek door het deurraampje naar binnen. Achter het halletje zag ik, door het glas-in-lood heen, mijn opa langsschuiven, op weg naar de eetkamer, links, aan de straatkant. Ik belde aan en werd binnengelaten. Even later stond ik in de eetkamer. Op de tafel stonden twee bordjes met een boterham en een schaal met wat vleeswaren. Ik had een hartelijk welkom verwacht, zoals ik dat gewend was - niets te goed voor hun oudste kleinzoon! - maar ik werd niet uitgenodigd mee te eten en bleef wat ongemakkelijk naast de tafel staan. Ik vroeg of ze nog buiten kwamen om boodschappen te doen. Ja, ze schuifelden heel voorzichtig die steile stenen trap af, arm in arm, elke dag, en maakten hun rondje. Ik nam afscheid en beloofde dit keer niet zo lang te wachten voor ik ze weer een bezoek zou brengen.
Verrassend was de droom niet, mijn slapend brein heeft al vaker op dit thema geïmproviseerd. Mijn opa en oma die er nog blijken te zijn en een geheimzinnig schimmenleven leiden in hun vertrouwde flat in de Rivierenbuurt, het is een bitterzoet refrein dat eens in de zoveel jaren opduikt. Maar nieuw was in dit geval de afwijzing. Ze waren al eens een soort halfgoden geweest, meer dan levensgroot, maar nog nooit hadden ze me zo afstandelijk behandeld. 
Ik was de hele week, sinds de jaarwisseling, in een best humeur geweest. Ik miste de tabak, ja zeker, en was wat ongedurig en onbevredigd, maar mijn stemming was goed. Nu sloeg die om. Ik werd wakker uit die droom met een dof en triest gevoel van zinloosheid dat ik maar moeizaam kon afschudden. Pas na een wandeling door de winterse polder waren de familiespoken uit mijn hoofd gewaaid.
Die avond trok ik de pleister maar weer van mijn arm voor ik ging slapen.


Illustratie: 'Landschap met omgevallen beeld' (1942) door Carel Willink (1900-1983)


vrijdag 8 januari 2021

MOED

De dagen lengen alweer maar veel is daarvan nog niet te merken. We moeten het voorlopig doen met het vooruitzicht dat het ergens tussen nu en de zomer beter wordt. Gelukkig is dat geen hoop maar een zekerheid. Wanneer de beloofde effecten van de vaccinaties een feit zullen zijn weten we niet, maar we weten wel dat het al snel lichter wordt. De seizoenen trekken zich niets van pandemieën aan en zijn beter in plannen dan Hugo de Jonge.
Gisteren liep ik door de koude motregen over straat. De eerste keer om boodschappen te doen, de tweede keer, in de schemering, zonder een bepaald doel. Gewoon, om er even uit te zijn. Om wat mensen en bedrijvigheid te zien. Veel bedrijvigheid was er overigens niet. Nu de feestdagen voorbij zijn merk je de psychologische gevolgen van de coronamaatregelen veel beter. De vorige lockdown, de 'intelligente' bijgenaamd, viel samen met de komst van de lente. De zon werd sterker, de lucht blauwer, de bomen kregen blad en knop, de ooievaars kwamen terug uit Afrika. De stilte op straat was goed te verdragen met al dat kosmische optimisme. In januari, de katterige, lege en grauwe maand januari, is dat wel anders. De rek is uit elk menselijk optimisme. Langetermijndenken wordt steeds moeilijker, het geduld is op.
Ik liep in dat dode uur langs de verlichte ramen van de straten van Oud-Zuid en voelde me eerst nog als het meisje met de zwavelstokjes. Met een weemoedig verlangen keek ik naar binnen, andermans wereld in. Maar algauw zag ik dat er daar binnen in die mooie huizen, vol boekenkasten en schilderijen en kroonluchters, opvallend veel op de bank gehangen werd voor een klein of groot scherm. Verveling kent geen onderscheid tussen arm of rijk.
Ik houd dit stukje kort. Straks komt mijn vriendin me halen. We rijden dan naar Beusichem om een bezoek te brengen aan de garage waar ze haar auto gekocht heeft. Er is iets met de koppeling en de reparatie valt nog net binnen de garantie. Er is daar helemaal niets te doen op dat industrieterrein in Beusichem en wandelweer is het ook niet, maar ik zie er naar uit. Een excursie die ik anders, knarsetandend om het tijdverlies, uit goeiigheid zou inplannen, wordt nu een welkom uitje. Je maakt nog eens wat mee: kijk hoe die monteur dat kabeltje vervangt!
We houden de moed er maar zo'n beetje in, wat kun je anders doen?



dinsdag 5 januari 2021

HAITINK


Zondagavond was de documentaire De mysterieuze maestro op tv. Een ontroerend portret van de charismatische meesterdirigent Bernard Haitink, inmiddels 91 jaar oud en sinds kort met emeritaat. De film laat zien wat Haitink tot een wereldster heeft gemaakt. Zijn techniek en gestiek zijn van het hoogste niveau, maar er is meer: Haitink is een uniek mengsel van verwaandheid en bescheidenheid. Over het muzikale doel dat hij voor ogen heeft kan niemand hem wat wijs maken, niemand komt tussen hem en de Grote Meesters; maar op persoonlijk niveau is hij verlegen, zelfs schuw. Die schijnbaar botsende karaktertrekken leidden regelmatig tot conflicten met andersdenkende orkest- of operadirecties of musici met een te groot ego, maar maken hem geliefd bij zijn gelijkgezinden. Die krijgen de vrijheid om binnen door hem bepaalde grenzen naar hartenlust te musiceren. In zijn eigen woorden: zijn omarmt zijn orkesten zonder ze te verstikken.

Ik keek naar die nog steeds wat kokette melancholicus. Hij bekritiseerde zijn vroegere grote gebaren, die hij over the top noemde. Er kwam een filmfragmentje. Inderdaad, érg theatraal. Ik dacht aan de kerstmatinees van vroeger en aan mijn vader, overigens een groot bewonderaar, die op zo'n moment teleurgesteld zei, vanaf de bank: 'Dát was hysterisch'. Latere beelden toonden een heel andere dirigent. Ingetogen, geen vuist of pinkje te veel, een enkel opgetrokken ooglid en een klein, vederlicht rondtastend stokje zijn genoeg, het orkest kleeft aan ieder signaal en laat zich met volle inzet meevoeren op de grote stroom van lyriek die hij met die zekere rust weet op te roepen.

De dag erna, een stille en koude dag, een sobere dag zonder wijn en tabak, sloeg de bewondering voor Haitink om in twijfel aan mezelf. Die ernst, die op één enkel doel gefocuste aandacht, die niet door frivoliteiten afgeleide concentratie op de Heilige Kunst... wat zou iemand als Haitink wel niet denken van mijn nederige werk 'aan de basis', mijn gepruts met liedjes en koortjes, mijn versnipperde bezigheden? Onlangs had ik zelfs weer een elektrische gitaar ter hand genomen! Vroeger dacht ik in zo'n stemming: alles moet anders, ik ga dubbel zo hard studeren. Mijn zuster beschreef laatst nog in haar blog hoe ik tijdens een vakantie in Toscane zo onder de indruk was van een lokale bariton dat al mijn niet geringe eigendunk ter plekke verschrompelde.

Zo'n bui duurt gelukkig nooit lang, en bovendien ben ik nu te oud om nog veel aan de situatie te kunnen veranderen. Sterker nog, ik was de laatste tijd eigenlijk best tevreden over wat ik met mijn beroep heb gedaan. Geen heilige huisjes, geen scherp getrokken grens tussen de grote en de kleine K... de lol in de muziek, daar draait het om. En kwaliteit is in elk genre te vinden. Er zijn tenslotte maar twee soorten muziek: goede en slechte, en die zijn niet aan een specifieke stijl gebonden. Er is heel slechte klassieke muziek, en er is heel goede rap. (Nou ja, dat laatste bij wijze van spreken natuurlijk.)
De hagiografie van die ouwe Clogs  - zoals ze Haitink bij de Londense opera noemden - had me bijna, zo vroeg in het nieuwe jaar al, van mijn stuk gebracht. Het was de strenge stem van mijn vader die door Haitink wakker was gepord en zich in mijn binnenste liet horen. Mijn vader vond muziek ook een te serieuze zaak om mee te spelen. Slechts het verhevene was de moeite waard.
Net op tijd schoot me het verhaal te binnen van de beroemde zenmeester, een halve, zo geen hele heilige, die 's avonds, na een welbestede dag van ascese en meditatie, het liefst oude cowboyfilms en honkbalwedstrijden keek, de ene sigaret na de andere rokend. We moeten alles met een fikse korrel zout nemen, zei Youp op Oudejaarsavond. En ik vind dat een wijs woord.
Ik las zojuist dat, volgens zijn vrouw, Haitink een groot liefhebber is van technische snufjes en gadgets. Wie weet wat voor muziekjes de mysterieuze maestro op zijn iPhone kijkt, als de camera's uit het zicht zijn?


vrijdag 25 december 2020

Fijne Kerstdagen!