Ik moest nodig nieuwe schoenen hebben. De oude gunde ik nog een laatste wandeling, samen liepen we door de zonnige ochtend naar de Leidsestraat, waar de Ecco-winkel is.
Wás: hoe ik ook keek, het vertrouwde logo wilde zich niet vertonen. Ik zocht op mijn telefoon en las dat er nu een Nelsonwinkel moest zijn op nr. 4, blijkbaar was die ook alweer verdwenen.
Door naar de Kalverstraat dan maar, een koopgeul die ik liever vermijd. Het was nog vroeg, de drukte viel mee. Inderdaad, op 101 was een Ecco-zaak. Het was er uitverkoop en er was weinig keus. De bruine variant van mijn vaste schoenen (ik begon ooit met zwarte, daarna werden het bruine, onlangs ben ik uit noodzaak naar zwart teruggekeerd) hadden ze alleen in maat 42, zei het meisje achter de kassa in het Engels. Zwarte, dan maar weer. Ik paste ze voor de zekerheid even, liet haar de plastic overtolligheden eraf knippen, zei dat ik ze aanhield, en betaalde. Nee, een tasje voor mijn oude paar hoefde ik niet, I'll throw them away. Ze keek me een beetje raar aan. Bij de eerste de beste afvalbak hield ik woord.
Opening soon, gesloten, hier komt binnenkort, verhuisd naar. Dat zie je veel in de Leidsestraat. Ik had honger en trek in koffie en zocht de Starbucks waar ik de vorige keer dat ik hier was zulk lekker bananenbrood had gegeten. Nergens te vinden. Dan maar de ouderwetse banketbakker Kwakman op de hoek van de Prinsengracht. Maar meteen na binnenkomst al zag ik dat het mis was. In de vitrines lag dezelfde herrie als overal elders in toeristengebied. In cellofaan geperste, te kort gebakken panini, grote koeken, American of stroop, droge brownies, fantasiegebak, aan het zicht onttrokken door dikke, veelkleurige room. Geen fatsoenlijk broodje te zien. Ergens achter de buitenlandse werknemers lag een mandje met verpieterde croissantjes. Ik verliet binnensmonds vloekend het pand.
Verderop in de Leidse was er wél een Starbucks. Ook hier sprak men geen Nederlands. Maar goed, ik spreek Engels, meestal beter dan het uit alle windstreken aangewaaide personeel. En het voordeel van een keten is de constante kwaliteit. De flat white en de bananencake waren hier net zo lekker als ik me van de regenachtige morgen in de afgelopen lente herinnerde, toen ik naar de paradontoloog heen en weer was gelopen en bij het verdwenen filiaal was neergestreken. Spotify stond op "blues". Ik at en dronk goedkeurend en keek om me heen. Dat deed verder niemand. De meeste twintigers en dertigers hier hadden oortjes in en waren in telefoon of laptop verdiept. Een jonge moeder verdeelde haar aandacht over minstens vier dingen: ze hield de baby stil die in een draagslinger op haar borst hing, ze dronk haar Matcha, voerde een indringend telefoongesprek én ze knikte driftig mee met het ritme van Howlin' Wolf. Ik vroeg me af hoe haar hoofd er vanbinnen uitzag.
Op het Leidseplein begon mijn rechter hiel te branden. Het strakke nieuwe leer was bezig zich in mijn huid in te vreten. Zou wel een blaartje worden. Ik stapte op tram 24, zowat de enige Amsterdamse tram die een onveranderd traject rijdt sinds de jonge honden van de gemeente het hele OV hebben omgegooid, god weet waarom, en liet me naar huis vervoeren. Op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui, gelukkig ook niets veranderd voor zo lang als het duurt, had ik niets gekocht; op dat moment vervulde me dat met een lauw soort trots maar nu had ik er spijt van. Als trofee om mee naar huis te nemen had ik alleen die knellende schoenen aan mijn voeten.







