dinsdag 20 april 2021

Deel zes alweer!

Hiernaast ziet u het nieuwste deel van onze serie 'literaire jaarboeken voor Nieuw-West'. Het ruikt nog naar vers papier, lijm en inkt. Ik had geen goed beeldbestand paraat, dus wat u hier ziet is het boek, gefotografeerd zoals het op de zitting van mijn luie stoel ligt, ingekaderd als het ware in een passe-partout van warm velours.

Het is alweer deel 6. Vanmorgen was ik bij Fred Martin, uitgever en mede-redacteur van de reeks, en we stelden het met ongeloof vast. De tijd, inderdaad, vliegt. Na de eerste delen vroegen we ons af wanneer we door ons materiaal (en daarmee doel ik oneerbiedig op de auteurs zowel als op hun werk) heen zouden zijn. We zouden wel zien hoeveel rek er in ons initiatief zou blijken te zitten.
Dat bleek veel meer dan verwacht: het eerste lustrum ligt alweer achter ons, de pool van contribuanten groeit jaarlijks, schrijvers melden zich spontaan aan, het boek wordt met elke editie dikker.

Helaas moesten we er noodgedwongen opnieuw toe besluiten om het boek zonder feestelijkheden de wereld in te sturen. Voor het tweede jaar al. Geen voorlezingen, muziek, praatjes, hapjes en drankjes en andere gezelligheid. We kunnen alleen maar hopen dat er binnenkort weer ruimte komt voor dit soort bijeenkomsten. Met nog een cd die bijna af is in de pijplijn hebben we dan iets moois in het vooruitzicht. Twee delen van Tussen Andreasplein en Zwarte Pad en een gloednieuwe plaat met liedjes om officieel te presenteren. Dat wordt feest, ik houd u op de hoogte. 

Maar dat is toekomstmuziek, en die is nog steeds erg onzeker van intonatie. Voorlopig moeten we tevreden zijn met weer een flink boek, vol met afwisselende verhalen uit en over Nieuw-West, dat van vroeger en dat van nu. Fictie en non-fictie, drama en klucht, toekomstvisie en terugblik. Allemaal bestellen alstublieft: het is de zeer schappelijke prijs meer dan waard! Hieronder een link naar de webpagina van de uitgever. 

BESTEL NU


vrijdag 16 april 2021

NUT

Het is moeilijk vast te stellen wat het is dat de verandering veroorzaakt. Je kunt natuurlijk zeggen: 'het licht' - maar ook in het begin van deze week was de lucht blauw en scheen regelmatig de zon, met die typische helle, wat vlakke glans van april. Nee, het licht is het niet alleen. De temperatuur dan? Kan. Het is minder winters koud, geen rode handen meer na een uur wandelen. De prikafspraak, die als een geruststellende wenk, als een baken van hoop in de agenda staat? Misschien. Maar vooral is het toch het momentum waarmee alles langzaam maar zeker lijkt aan te sturen op een betere tijd. Er is een stuwende beweging in de wereld, een lawine die met horten en stoten op gang kwam maar nu toch vaart lijkt te krijgen. Obstakels tellen niet meer als het zover is, die worden omvergeworpen of ondergesneeuwd. Hopelijk is het niet alleen mijn eigen goede stemming van vandaag die me tot een dergelijke mollige beeldspraak verleidt.

Ik kreeg een mail van een dierbare collega van voor de pandemie die mijn boek met Aragon-vertalingen wilde bestellen. 'Hopelijk is alles goed met je, naar abominabele omstandigheden?'
Dat van die abominabele omstandigheden, dat had ik nog geen twee dagen geleden volmondig onderschreven. Toen liep ik in het park en keek naar vogeltjes en had daar op zich wel plezier in, maar vroeg me ondertussen af (als een soort permanente ondertoon, een drone onder het vogelgekwetter) wat de zin en het nut van dit alles in vredesnaam kon zijn: lopen door het park en naar vogeltjes turen. Ik vulde mijn tijd zo prettig mogelijk, meer niet. Ik analyseerde al lopende en turende wat er allemaal mis was en kwam daarmee een heel end. Een handvol dingen hoofdzakelijk. Meer algemene factoren zoals ouder worden en daarmee samenhangende zorgen buiten beschouwing gelaten. En ook de pandemie telde ik gemakshalve even niet mee.
Ik telde ze op mijn vingers, de dingen die er mis waren: het einde van een lange, donkere winter en toch wilde het maar geen lente worden; een scheut cabin fever hoewel ik dagelijks een paar uur buiten ben: het maakt je langzaam maar zeker kriegel om alsmaar op dezelfde twee, drie plaatsen te zijn en dezelfde twee, drie mensen te zien; het einde van een periode van verwoed en geïnspireerd vertalen, het zwarte gat, het dal na de piek, niks nieuws; en natuurlijk dat moe en misselijk makende gezwabber van de boven ons geplaatsten.
Ik kwam mijn Zen-juf tegen in het park. Normaal zouden we zwaaien en lachen, nu keerde ze haar fiets voor een praatje.
'Weet je,' zei ze, 'het is helemaal niet erg om twintig kilometer te lopen, als je je daarop instelt. Maar het halt houden met het idee dat je er bent en dan weer op gang moeten komen omdat je opeens toch weer een paar kilometer extra moet lopen, daar word je moedeloos van op den duur.' Dat was nog eens een andere wijsheid dan 'elke mars begint met de eerste stap' van Lao Zi. Ik gaf haar groot gelijk en nam afscheid met de uitgesproken hoop, dat we gauw weer samen zouden mogen komen met ons clubje. 

Vanmorgen reed ik naar Zaandam. Mijn zoon en ik zijn de laatste hand aan het leggen aan de cd die het afgelopen jaar ontstaan is en we hadden een paar uur werk gepland. Opeens was dat niet meer, zoals eergisteren nog, een tamelijk zinloos klusje: op een lauwe manier prettig zoals dat spotten van zwartkop tuinfluiter of boomklever; opeens was het weer belangrijk. De boekjes en liedjes die ik nog de wereld in ga sturen doen ertoe. Ik zie ernaar uit en zet me ervoor in.
Ach lezer, weet u wat het is? Ik zou er na al die jaren geen woord meer aan vuil hoeven maken. Het is gewoon het oude liedje, dat van de lente. U hebt het al net zo vaak gehoord als ik het heb gezongen, en toch schijn ik het te moeten blijven zingen, zinloos of niet. Want levenslust heeft aan nut geen boodschap.


woensdag 14 april 2021

RECLAME!



Onlangs verschenen bij de Carbolineum Pers: Louis Aragon: Mijn prachtig ongeluk. Door mij vertaalde liefdespoëzie van de grote Franse dichter, geïllustreerd met pentekeningen van mijn dochter Rosanne. Van dit schitterend uitgevoerde boek heb ik zelf ook een paar exemplaren in de aanbieding, tegen gunstige voorwaarden. Neem contact met mij op als u belangstelling heeft:

jpvanspaendonck@gmail.com

Uit de brochure:

"Dit ambachtelijk geproduceerde boek heeft een formaat van 25 x 17 cm., is gebonden in harde kaft en wordt geleverd in beschermend schuifdoosje. Omvang 44 bladzijden. 

De tekst is met de hand gezet uit de 12 punt Perpetua en met de handpers gedrukt op een vooroorlogse partij romandruk papier.
Gedrukt in zwart, rood (sierletters), groen (sluitstukken) en oranje (illustraties). 
Oplage beperkt tot 35 genummerde en desgewenst gesigneerde exemplaren. 

Louis Aragon (1897-1982) begon als surrealistisch dichter maar schreef nadien meer realistische en zelfs romantische gedichten in traditionele vorm, met alexandrijnen en op rijm. 
Deze bundel bevat de beste van zijn tientallen gedichten gewijd aan zijn muze, Elsa Triolet, 
meestal voor het eerst in het Nederlands vertaald door Jan-Paul Van Spaendonck. 
De vertaler heeft de vormelijke elementen zoals het rijm strikt gerespecteerd maar leverde tegelijk een soepele, aangenaam lezende vertaling af."


vrijdag 9 april 2021

Witte Pasen


Soms vergeet ik weleens dat voorjaar nog geen lente maakt. 
We zouden met Pasen weg, wandelen in het Geuldal. Maar de voorspellingen waren slecht. Uitgerekend op ons reisje (toch al zo'n zeldzaam fenomeen tegenwoordig) zou het gaan sneeuwen, hagelen en wat niet al. Erger nog, de voorspellingen kwamen nog uit ook.
Zo reden we naar Epen op het ritme van de mantra "Ach, we maken er wel wat van". Restaurant en bar waren dicht, maar de kamer was knus en we hadden boeken en wijn bij ons. We zouden de tijd wel doorkomen.

In Limburg was het onverwacht mooi weer. Voor de herberg, op het plaatsje waar zich normaal een ordelijk terras bevindt, stonden en zaten overal mensen met broodjes, punten vlaai en bekers koffie, ongeplaceerd. Wandelaars, fietsers, passanten, aangetrokken door het schoolbord. Nadat we onze kamer hadden ingericht gingen we op pad, door een tourniquet het dal in. Mijn kijker zat in de zak van mijn winterjas. Waren die picknicktafels er altijd al geweest? We marcheerden in ganzenpas achter de andere wandelaars aan. Na de historische Volmolen sloegen we af, over de ruisende beek heen, een rustig zijpad in. Twee jonge mensen kwamen ons hevig ruziënd tegemoet. Zij groette ons en hij verweet haar prompt 'sjijnheiligheid' om haar goede manieren. Hij leek me dronken. Ze hadden twee stevig gebouwde honden aan de lijn die onrustig blaften. Toen ze schreeuwend uit het zicht verdwenen waren kon ik de vogeltjes weer horen die tsjitsjten en kwetterden in het malse groen van april. Ik kreeg er een in het vizier, met een zwart kopje en een rossige borst. Mijn vakliteratuur beweerde dat het een roodborsttapuit was. Dat klonk me zo exotisch in de oren dat ik het nauwelijks durfde geloven. 

We aten op de kamer. Er was een tafeltje gedekt. Het hoofdgerecht kwam zoals afgesproken een kwartier na het voorgerecht, en dat bleek te snel: we hadden te langzaam en te spraakzaam genoten van de voortreffelijke salade van gebakken Val-Dieu-kaas en een vleeswaren-trits van het diervriendelijke bedrijf Kuusj, waar men varkens 'hoedt in plaats van houdt'. Het blijft natuurlijk behelpen met deze lockdown-improvisaties, hoe behendig ze ook worden uitgevoerd. Maar toen we de schalen en borden weggezet hadden in een speciaal daartoe ingerichte kamer, waar zich eveneens een welgevuld koelkastje bevond voor na achten, als het personeel naar huis was en er geen alcohol meer geschonken mocht worden, voelden we ons verwend en voldaan. We trokken nog maar eens naar buiten, het schemerende dal in. Nu waren we alleen met de schapen.

De volgende dag gingen we illegaal België in. Nou ja, je rijdt daar rond over die landweggetjes, en soms ben je in Nederland, soms bij de zuiderburen. Maar geen excuus: Aubel ligt net over de grens. We bezochten er de fraaie cisterciënzerabdij van Val-Dieu ofwel Godsdal, wandelden door het uitgestrekte en verlaten kloosterpark. Toen we in de winkel kaas en trappist kochten begon de voorspelde sneeuw te vallen, aarzelend nog, en gemengd met regen. 
Maar terug in Epen was de lucht weer wat opgeklaard en we benutten die opklaring door nog een flinke wandeling te maken, naar het Onderste Bosch, langs de kliniek waar ik in 2010 verbleef en binnendoor terug. Dat beetje hagel deerde ons niet. Pas toen we op de kamer uitrustten en wachtten op de klop op de deur en het gemaskerde personeel dat ons de dampende borden met asperges à la Flamande en gehaktballen in stroopsaus zou aanreiken begon het serieus te sneeuwen. Dickens lag al klaar op het nachtkastje. Een witte Pasen in Limburg.


vrijdag 2 april 2021

KIJKEN


In het Vondelpark had ik na twee ontruimingen even geen zin. In het Beatrixpark moest het gebeuren. De warmte was verdwenen maar het was nog steeds mooi weer. Op een bankje haalde ik mijn verrekijker tevoorschijn, ontdeed hem van de beschermende dopjes en stelde hem scherp. In close-up zag ik de kraaien paraderen, borst vooruit, kop omhoog, glanzend zwart in de veren, de kraaloogjes monsterden de omgeving met hevige interesse. Ik zag ze heel intiem van dichtbij maar zij zagen mij niet. Het was alsof ik midden in de natuur naar een natuurfilm keek.
Je valt op, natuurlijk, met zo'n ding. Wie om aanspraak verlegen zit moet gaan vogelen, want iedereen wil graag meekijken als er iets bijzonders te zien is. Ik hoorde een stem achter me: 'Pardon meneer, mag ik vragen waarnaar u kijkt?' Een bejaarde mevrouw, donkerbruin geverfd permanent, met een keurig hondje.
'Och, ik dacht dat ik een vogel zag die ik nog niet kende. Maar ik vergiste me.' Ze keek teleurgesteld en trok haar hondje mee, dat aan mijn been begon te snuffelen. 'Succes meneer, het gaat u zeker lukken.' Ze was nog maar net in een zijpad verdwenen toen ik lager op de boom iets zag bewegen. Even later scharrelde er een boomkruiper in mijn lens, ik zag hoe hij met het licht gebogen lancet van zijn snavel de bast omspitte op zoek naar larven en insecten. Ik zag ieder veertje en iedere kleurnuance en bedacht dat het nu veel gemakkelijker zou zijn om wat ik in bos of park zag terug te vinden in Zien is kennen. 

De dag ervoor waren we naar Zeist gereden, naar de winkel van de Vogelbescherming. Mijn vriendin had een handzaam model uitgezocht dat schappelijk geprijsd was maar toch aan hoge kwaliteitseisen voldeed. In de bostuin achter de villa kwetterden wat meesjes. De verkoper liet me zien hoe ik de kijker op mijn ogen moest afstellen. Ik richtte het instrument nog wat onwennig op het gedoe in de tuin en de meesjes sprongen mijn blikveld binnen, een explosie van kleur en beweging. Ik had nog wel wat langer willen kijken maar ons tijdslot was voorbij, er werd buiten al ongeduldig gewacht door een andere aspirant vogelaar.

Thuis vierden we de eerste echte lentemiddag van het jaar. We proostten met een sprankelende vinho verde op de verjaardag van mijn beste vriend. Mijn vriendin bezemde het balkon schoon en verwijderde wat planten die de winter niet hadden overleefd en ik vermaakte me met mijn nieuwe speeltje. Tussen de nog kale takken door zag ik, of ik wilde of niet, de buren aan de overkant in de weer met hun eerste echte lentemiddag; voorheen poppetjes, nu levensgroot. Bij zo'n kijker moet wel een dosis discretie worden meegeleverd, want voor je het weet ben je een gluurder. 


dinsdag 30 maart 2021

Mijn prachtig ongeluk


Door de teloorgang van de postkantoren moeten we het nu doen met bijklussende sigarettenverkopers, als de post je niet thuis heeft getroffen en een aangetekend pakket te bezorgen had. Deze, een vermoeid uitziende man uit het niet zo nabije Oosten, rommelde een tijd op goed geluk door de enorme stapel pakketten die zijn nering vulde, af en toe de code opnieuw lezend van het kaartje dat ik hem gegeven had. Net toen ik de hoop al wilde opgeven zei hij: 'Til die doos eens op!' Ik deed wat hij vroeg en onder de weggehaalde doos kwam een vrij plat, langgerekt pakket tevoorschijn, waarop in grote, sierlijke drukletters mijn naam stond. 'Dat is 'm,' zei ik opgelucht. Hij scande mijn rijbewijs ('Nee, geen ID. Rijbewijs scant beter.'), ik moest een totaal zinloze want niet gelijkende digitale nagelhandtekening zetten op zijn scanner en ik kon naar huis met mijn zending.

We waren van plan geweest het nieuwe boek feestelijk te verwelkomen met een goede fles wijn. Ik kon dan ook, net als bij de Heine-bundel afgelopen zomer, mijn handtekening onder het colofon zetten. Maar de cijfers waren slecht, de grenzen waren dicht, gezelligheid werd sterk ontraden. Ik stelde nog voor om België via smokkelaarspaadjes in te rijden en de overhandiging en signering desnoods in het midden van het woud te doen, slechts gadegeslagen door gaaien en eekhoorns, maar daar ging uitgever en drukker Boris toch maar niet op in. Hij stuurde mijn exemplaren liever op, dat glas zouden we later wel eens heffen. Van de zomer, als alles hopelijk weer een beetje normaal is.

Thuis sneed ik met mijn zakmes alle tape door en ontdeed de inhoud van zijn vele lagen karton en verpakkingspapier. Als een kind met een sinterklaassurprise zat ik tussen de proppen en hield uiteindelijk het eerste boek in mijn handen. Ik haalde het uit zijn beschermende schuifdoosje en keek ademloos naar al het fraais dat ik erin aantrof. Ik was van plan geweest het bij een eerste indruk te laten en het later op mijn gemak te lezen, maar een half uur of drie kwartier verder werd ik wakker uit een soort droom. Ik keek verbaasd om me heen en zag weer waar ik was. Ik had weer even in de vertaalroes van het najaar en in de wereld van Louis Aragon en Elsa Triolet geleefd. Alles was mooi en alles klopte. Ik had geen zetfouten ontdekt, gelukkig.

Mijn prachtig ongeluk werd uitgegeven door de Carbolineum Pers van Boris Rousseeuw, te Kalmthout (België). Interesse? Laat een bericht achter of mail me. U kunt ook direct met de uitgever in contact treden via: http://www.carbolineumpers.be/index.html

Van de website:

Jan-Paul van Spaendonck maakte voor deze pers vertalingen van de beste liefdesgedichten van Louis Aragon, allemaal gewijd aan Aragons grote liefde Elsa Triolet. Zijn dochter Rosanne van Spaendonck maakte er tekeningen bij. 
Tekst en tekeningen, plus een uitvoerig nawoord, zijn met de hand gezet uit de Perpetua 12 punt en met de handpers gedrukt op een partij vooroorlogse "romandruk".
25 cm., gebonden, in beschermend schuifdoosje, 44 blz. De oplage bedraagt 35 genummerde exemplaren. 
Prijs 40 euro plus 5 voor verzending. 


vrijdag 26 maart 2021

NEGATIEF

'Zo zie je, het kan zomaar ineens voor je deur staan,' zei mijn vriendin.
Ze had zojuist gehoord dat ze de vrijdag ervoor een paar uur in de omgeving van iemand had doorgebracht die positief was getest. 
'Geen verschijnselen?'
'Nee, ik geloof het niet.'
'Nou, duimen maar, en er het beste van hopen.'
Ik deed luchtig, maar de ijzige hand van de angst probeerde me te grijpen, ik voelde zijn kille vingertoppen op mijn huid. Tegen die angst had ik wel wat afweergeschut paraat. De rede schoot te hulp. Het besmette meisje werkte in het onderwijs en was maandag klassikaal getest, zelf had ze geen klachten. Dus erg besmettelijk kon ze die vrijdag niet geweest zijn. En dan, mochten we pech hebben, dan was er altijd nog de koele kansberekening. Wat zeiden de statistieken, wat zei het RIVM? Dat wij, fitte 65-jarigen zonder 'onderliggend lijden', ons niet zo héél veel zorgen zouden hoeven maken. Ik geloof in die cijfers. Daarom speel ik ook in geen enkele loterij mee.
Wat me nog het meest neerdrukte, terwijl ik flink marcheerde door de ontluikende lente om mijn weerstand te vergroten en het gepieker van me af te schudden, waren de praktische consequenties van een eventuele besmetting. Hoe moest dat met de mis, aanstaande zondag? Er was geen vervanger op die termijn in te werken, dus de muziek zou komen te vervallen. En de verjaardag van mijn kleindochter Anna, vandaag... ik zou er niet bij kunnen zijn! En verder weg, het uitje met Pasen, zouden we tegen die tijd weer beter zijn, gesteld dat we ziek werden? Treurige vooruitzichten allemaal. En dan, hoe moest dat met de rest van het huis, mijn dochters, die moesten zich dan ook laten testen, en in quarantaine gaan. De kleine en grote zorgen stapelden zich op en begonnen mijn uitzicht te belemmeren. 
'Eerst maar eens die test afwachten,' zei mijn vriendin.
Op de vijfde dag na haar contact met de nog steeds kerngezonde schooljuf ging ze naar de teststraat. Twee dagen later zou het mijn beurt zijn, als zij positief testte. Inmiddels hield ik angstvallig mijn gezondheid in de gaten. Rillerig... maar dat kon ook zijn omdat ik slecht geslapen had. Brandende ogen... de verwarming stond te hoog. Spierpijn in rug en borst... misschien had ik iets te fanatiek gelopen en gezongen, en ik zat in verkeerde houding achter mijn bureau. Verkouden was ik toch in elk geval niet, en ook mijn vriendin was, na een kleine week, nog steeds zonder verdachte symptomen.
Op de dag van de uitslag probeerde ik gewoon door te gaan met alles en niet met grote angstogen naar mijn telefoontje te zitten staren. In het park zag ik twee boomklevers die het zich gemakkelijk maakten in een nestkastje. Het fluiten van het mannetje leek bedrieglijk veel op menselijk fluiten. Terwijl ik thuis in vogelboeken aan het bladeren was kwam, toch nog onverwacht, een Appje: 'Negatief!'
Ik had gedacht dat ik enorm opgelucht zou zijn, maar iets van de bezorgdheid bleef nog als een nevel om me heen hangen. De hypochonder in mij laat zich zo snel niet ontmoedigen.