vrijdag 21 januari 2022

In memoriam THALIA (1915-2022)


(Een persoonlijk relaas)

Onlangs bereikte me het droeve nieuws, dat operettevereniging Thalia er na 106 jaar mee stopt. Zoals zoveel andere nog nét functionerende ondernemingen werd zij het slachtoffer van de corona-crisis. Het ging al niet zo goed en na een lange periode van verplichte inactiviteit bleek het laatste beetje fut eruit. Niemand was bereid of in staat om het gestrande schip vlot te trekken. 

Ik hoorde van Thalia voor het eerst in de jaren zeventig. Mijn vader heeft er toen korte tijd, misschien een half jaar, de partijen ingestudeerd. Als interim-dirigent. Joop Fransen, die het koor 32 jaar lang zou leiden, was al aangesteld, maar zat nog een paar maanden aan een ander contract vast. Het was 1974. Of ging het anders, was het een jaar eerder? Niemand herinnert het zich meer. Het moet ergens in de archieven te vinden zijn. Bestaan er geen kasboeken uit die tijd?
Hoe ze aan mijn vader kwamen weet ik evenmin zeker. Ze zullen, misschien via een van de solisten, de Nederlandse Opera hebben benaderd waar hij chef-repetitor was. Of ze hebben hem op aanbeveling van hun zustervereniging Thalia uit Middenmeer aangetrokken. Daar was hij rond die tijd dirigent.

In de decennia daarna werd Thalia een household name. Als jonge zanger zong ik heel wat operetterollen, her en der in het land. Thalia, waar beroemde namen als Cristina Deutekom en Henk Poort voor het eerst van zich hadden doen spreken, stond in die tijd aan de subtop van de operettewereld, net onder een professioneel gezelschap als de Hoofdstad Operette. Hun dirigent en regisseur Joop Fransen was een begrip. Zijn vertalingen werden overal gezongen. Ik kwam weleens bij hem thuis aan de Herengracht om bladmuziek en tekstboeken op te halen voor de verenigingen waarbij ik mijn Caramello, Falcke, Homonay of Bocaccio zong. Ik woonde immers toch in de buurt. 

Nadat ik vier keer, onder vier verschillende regisseurs, de paljas had uitgehangen in La Belle Hélène had ik er genoeg van. Ik verruilde de operette voor zwaarder geschut en trok me uiteindelijk helemaal terug uit de wereld van het muziektheater. De laatste rol die ik zong was die van de verpleeghuisarts in Chiel Meijerings omstreden opera Alzheimer. Een artistiek succes, een financieel debacle. Dat was in 2006, vlak na mijn vijftigste verjaardag. Daarna belandde ik in een soort depressie. Ik verdween een paar jaar van het toneel en toen ik de muziekwereld opnieuw betrad was het in een andere hoedanigheid, die van dirigent en componist. Optreden als zanger deed ik nog maar sporadisch. 

Thalia kwam opnieuw mijn leven binnen in 2015. De vereniging bestond honderd jaar. Het ledental was sterk afgenomen en voor de jubileumproductie was gezocht naar extra krachten. Mijn dochter Maria was daar een van. En zo kwam het dat ik in de Meervaart zat te kijken naar Offenbachs Les Brigands en heimwee voelde naar mijn operettejaren. Ik kreeg bijna zin, zei ik toen, om weer de bühne te beklimmen en uitgedost in een gek pakje en met een pruik op al zingend een rol te spelen. Bijna
Mijn dochter onthield mijn enthousiasme en toen er een jaar later naar een invaller werd gezocht om de zomerrepetities te leiden, gaf ze mijn naam door. Ik verzamelde moed, deed die paar repetities, vond het een enerverende maar ook bevredigende klus, en zette het weer uit mijn hoofd. Tot Femke, die het stokje had overgenomen van Fransens opvolger Alexander Koeznetsov, aankondigde te zullen vertrekken. Femke was een briljant pianiste maar ze was niet opgewassen tegen de stress die zo'n kippenhok vol assertieve zangers met zich meebracht. Ik werd gebeld, de samenwerking was goed bevallen. Voelde ik er iets voor om...?

Een paar maanden later begreep ik wat Femke had bezield. We zaten midden in de voorbereidingen voor The Sorcerer van Gilbert and Sullivan en er was veel reuring. Er was altijd veel reuring bij Thalia. Niemand was daar op zijn mondje gevallen. Ego's botsten klinkend, rinkelend als er een in scherven viel. En er was grote werkdruk: zou het allemaal op tijd klaar zijn? Kende iedereen op de première zijn partij?
Voor mijzelf kwam er nog een ander soort stress bij. Ik had voortdurend het gevoel in andermans voetsporen te treden. Dit was het werk dat mijn vader, die de herfst ervoor was overleden, altijd had gedaan. Had ik er wel de juiste papieren voor? Ik was een ervaren koordirigent en een redelijk handige pianist, maar in die laatste hoedanigheid kon ik niet in zijn schoenen staan. Ik had zang gestudeerd met als verplicht bijvak piano. Mijn vader had zijn conservatoriumdiploma als concertpianist behaald en jarenlang zijn geld met de toetsen verdiend. De notenhouten Kawai in de repetitieruimte, precies dezelfde als mijn vader thuis had staan, liet me dat geen moment vergeten. En dan dat dirigeren! Een koor, daar draaide ik mijn hand niet voor om. Maar een hele voorstelling leiden, met een orkestje... Ik kocht een baton, studeerde hard aan de piano, oefende veel met YouTube-filmpjes, sprak met collega's, verdiepte me in de orkestpartituur en kon er niet van slapen.

Toen de première kwam was ik bloednerveus. Maar het ging allemaal prima, iedereen zong prachtig en ik had er enorm veel plezier in. Ik zag me dit nog wel wat jaartjes doen. 
Weliswaar leek het of voor elke nieuwe productie het wiel weer uitgevonden moest worden (opnieuw die stress, die reuring, die onzekerheid) maar na La vie Parisienne wist ik: ik had een nieuwe weg ingeslagen. Dit was een verrijking van mijn leven. Onverwacht, zo na mijn zestigste. De cirkel was ook mooi rond: begonnen als operettezanger, eindigend als operettedirigent. Nog een flinke handvol van die fijne operettes en ik kon tevreden met pensioen. 
Een ander pensioen werd dankzij Thalia doorbroken. Er was een bariton nodig die de titelrol zou zingen in M. Choufleurie resterà chez lui le... een komische eenakter van Offenbach. Een wild idee, maar het bleek mogelijk om die partij te combineren met het leiden van het koor. Zo maakte ik mijn eenmalige rentree als zingend acteur.

Corona trof ons toen we bezig waren met een zarzuela, La Gran Vía. We kampten met een flink tekort aan mannen, maar met wat kunst- en vliegwerk zouden we het redden. Ik herinner me de laatste repetitie. Er werd gedanst en gezongen in die oververhitte zaal. Het nieuws over de naderende pandemie hing zwaar in de lucht. Het voelde ongemakkelijk om zo dicht op elkaar te staan, elkaar in het gezicht te blazen. Ik keek vanachter de notenhouten Kawai naar mijn zangers. Iedereen was verhit en leek nerveus. Kon dit nog wel?

Afgelopen september werden de repetities eindelijk hervat, voor een luchtig concertant programma dat we in de zomer hadden uitgedacht. Ik was er niet bij want de repetitieavond moest tijdelijk naar de maandag worden verschoven, en dat is de vaste avond van het kerkkoor waarvan ik al sinds 2007 pianist-dirigent ben. Via de telefoon bleef ik op de hoogte van de vorderingen. Ondanks de inspanningen van repetitor Brian Fieldhouse was het een moeizame aangelegenheid. Te weinig mensen, te weinig animo, te weinig perspectief. Toen er wéér een nieuwe lockdown werd afgekondigd was het snel gebeurd. Tijdens een algemene ledenvergadering werd de oude muze Thalia officieel uit haar lijden verlost. Op 30 april aanstaande houdt de vereniging op te bestaan. Wat er met de archieven, de piano en de gigantische verzameling kostuums en rekwisieten gaat gebeuren is nog onduidelijk. 

Ik was nog niet uitgekeken op de charmante oude dame. Ik had graag nog meer van die voorstellingen gedaan, reuring en alles inbegrepen. Het lijkt erop dat mijn late roeping als theaterdirigent een vroegtijdig einde vindt. Maar ik kan met trots zeggen dat ik de hekkensluiter van een meer dan honderdjaar oud instituut ben geweest.


dinsdag 18 januari 2022

Vingeroefeningen in de mist


Door de Blauwe Maandag rolde ik probleemloos heen maar de morgen van een Grijze Dinsdag trof me besluiteloos aan voor mijn Mac, roerloos, met koude voeten. Ik scrolde door Facebook en mijn oog viel op een gedicht van W. H. Auden (1907-1973). Voormalig Volkskrant-recensent Arjan Peters plaatste het op zijn tijdlijn - vermoedelijk had hij net als ik naar buiten zitten kijken, waar, niet voor het eerst dezer dagen, de daken en bomen verderop aan het zicht werden onttrokken door een tamelijk dichte mist.
Het gedichtje van Auden was een van zijn laatste, las ik. Het was ook niet erg serieus, leek het, meer een impromptu, een literaire krabbel. 'Volgens de biografie van Humphrey Carpenter dankte Auden de mist omdat hij dan niet hoefde te gaan dineren bij mensen die hij niet kon uitstaan!' luidde het commentaar van de Vlaamse schrijver en vertaler Jos Vos.
Ik begon het vers te vertalen. Toppenvers, drie heffingen, geen rijm.
'Geen zomerzon zal ooit nog
het doffe floers verjagen
dat door kranten wordt verspreid,
die in slordig proza de feiten
van goor geweld uitkotsen
dat wij niet konden voorkomen:
dit is een trieste planeet, maar
voor dit bijzonder interim,
zo kalm en toch zo heerlijk,
Dank U, Dank U, Dank U, Mist.'

Pas na afloop sloeg ik er Wikipedia op na en ontdekte ik dat dit vermeende 'impromptu' de vijfde en laatste stanza was van een langer gedicht uit de bundel Thank You, Fog uit 1973, van wel degelijk literaire allure. Ik snapte nu waarom Peters het tussen aanhalingstekens had geplaatst: het was een geciteerd fragment. Maar inmiddels was de lust me al vergaan en ik liet het er maar bij. Mijn vingeroefening bracht me op een gedicht van Hermann Hesse dat ik al heel lang ken, dat me dierbaar is en dat ik vaak heb geciteerd. Onregelmatig metrum, zoals vaak in de gedichten van Hesse, maar strikt rijmschema, altijd lastig in het verwante maar op cruciale momenten opeens afwijkende Duits. Ik deed een eerste poging. Twee uur later schud ik de concentratie van me af, zet nog eens koffie en kijk uit het raam. Tot mijn verrassing is de mist nog niet opgetrokken.


In de mist Vreemd, om door nevels te dwalen!
Eenzaam is elke struik en steen,
De wegwijzers falen,
Ieder is alleen.

't Lachen van vrienden is verstomd
In dit verdonkerd najaar;
En, nu de mist opkomt,
Is niemand meer zichtbaar.

Wijs is alleen degene 
Die 't nachtelijk donker kent,
Dat door geen maan beschenen, 
De wereld afwendt.

Vreemd, om door nevels te dwalen!
Elke houvast verdween.
Ons hart moest wel falen,
Ieder is alleen.

Im Nebel, Hermann Hesse, 1906


vrijdag 14 januari 2022

L'art pour l'art

De hele ochtend ging voorbij met het werken aan de nieuwe editie van het 'literair jaarboek' voor Nieuw-West. Corresponderen, corrigeren. Mijn mederedacteur Fred Martin noemt dit jaarlijks uitdijende project een 'uit de hand gelopen hobby'. Zelf twijfel ik. Weliswaar verdient het niks, maar het ligt in het directe verlengde van het schrijven dat ik wél als werk beschouw. Ik zie het hele terrein van mijn schrijverij het liefst als een samenhangend geheel waarvan sommige facetten geld en andere 'slechts' eer of plezier opleveren. Ik hou het dus maar liever simpel, ook voor mijn gevoel van eigenwaarde: de ochtend ging voorbij met werk.
En na gedane arbeid mag men zich vertreden. Dat deed ik, zoals meestal, in het Vondelpark. Mijn tred had het kalme tempo van de dagelijkse wandelaar die precies weet waarheen zijn wandeling hem voert en hoelang hij onderweg zal zijn. Geen gesjok en geen haast. Zoals je l'art pour l'art hebt heb je ook wandelen omwille van het wandelen. Hoogstens sta je even stil om een vogeltje te bekijken of neem je plaats op een bankje om je zonden te overwegen. Niet iedereen begrijpt deze bezigheid, ik hoor vaak mensen zeggen dat ze 'een doel moeten hebben' eer ze te voet op weg gaan. Ik heb dat niet en nooit gehad. Hoe weinig onthecht ik verder ook ben, daarin was ik al vroeg een goede Zen-leerling: de kinhin, het meditatieve wandelen, komt mij aanwaaien. 
Na de wandeling met aansluitend boodschappen doen, anderhalf uur in totaal als ik geen zonden te overwegen heb, ga ik meestal even liggen. Ook vandaag. De katten schieten dan toe en nestelen zich in mijn beide oksels, Snuitje rechts, Snuf links. Vandaag net zo. Na het dutje (soms wel, soms niet met de ogen toe) zet ik koffie om de sufheid af te schudden en werk nog wat, zing een half uurtje, speel wat gitaar, mediteer, blader in vogelboeken, vul gaatjes in de tijd met Wordfeud en ander tijdverdrijf, kook, eet en zet de tv aan. Na het vaste avondprogramma trek ik me terug in mijn slaapkamer en lees een tijd in verschillende boeken tot ik slaap krijg. 
Zo ook allemaal, met kleine variaties, op deze dag. Op het dode punt van de middag (tussen dutje en koffie) vroeg ik me zoals vaker af of het genoeg is, om zo te leven. Of ik er mijn toekomstige pensioen mee kan vullen. Het antwoord op die vraag hangt sterk af van mijn stemming. Vandaag luidde het gematigd positief. Sinds Nieuwjaarsdag had ik mijn dagen op deze manier doorgebracht en ik wilde nog best een tijdje zo doorgaan. Het was een overzichtelijk en vredig leven, vond ik, en dat was zeker wat waard.

De volgende dag werd dat patroon doorbroken. Er stond een bespreking met een theaterdirecteur op de agenda. Hoe onzeker alles ook is, we moeten blijven plannen, desnoods met veel slagen om de arm. De directeur was slim, welbespraakt, geïnteresseerd en enthousiast. Zulke gesprekken ben ik, na al die lamlendige lockdowns, zozeer ontwend dat ik na ongeveer driekwartier moeite had om mijn aandacht erbij te houden. Mijn blik dwaalde af naar de Sloterplas. Daar mistte het flink, de flats van de Burgemeester Hogguerstraat aan de overkant zag ik alleen omdat ik wist dat ze daar moesten zijn. 
Thuis was er nauwelijks tijd voor mijn retraite met de harige broertjes want ik verwachtte een leerling. Mijn eerste dit jaar. Het viel me op hoe makkelijk ik in mijn oude rol gleed en hoe goed het me deed om iets met al die verzamelde vakkennis te doen, er iemand mee op weg te helpen. Hoe fijn het was dat iemand graag (tegen betaling zelfs) wilde horen wat ik allemaal wist. Met mijn naasten is dat lang niet altijd zo. 
Na het uur Schubert kwam mijn vriendin. Ik kookte iets zorgvuldiger dan anders. Eten en tv kijken ging nu vergezeld van dialoog en commentaar. Toen de late talkshow aan de beurt was zei ik alvast welterusten en verdiepte me in The Garden of the Gods van Gerald Durrell. (Sinds ik daar laatst negatief over schreef heb ik dat boek alsnog leren waarderen).
Toen ik het lichtje uitknipte dacht ik twee dingen. Ten eerste, dat ik het heel stimulerend had gevonden om weer van alles met mensen te doen en om verder te kijken dan mijn eigen navel. En ten tweede, dat het een heerlijk vooruitzicht was dat ik de volgende dag weer helemaal niets te doen had. 

dinsdag 11 januari 2022

BLOED

Gewoonlijk ben ik te vroeg op afspraken. Kwestie van nerveuze aanleg en beroepsdeformatie. In theater of concertzaal ben je anderhalf uur van tevoren aanwezig, anders wordt iedereen zenuwachtig. Maar onderweg naar de bloedprikpost vanmorgen zag ik twee boomkruipers die neerstreken op een van de kale perenboompjes in mijn straat en de takken onderzochten op eetbare waar. Ik bleef een tijdje staan kijken naar hun drukke gedoe. Het was helder, koud weer, er was iets in de lucht dat aan betere tijden deed denken.
Twee minuten na de afgesproken tijd kwam ik binnen. Ik ging zitten op een blok van crèmekleurig kunstleer en monsterde mijn omgeving. Een bleke zwangere vrouw in een heel dun jurkje kwam uit de wc, zij en haar bebaarde man gingen een deur binnen, ze keken zorgelijk. Een donkere jongen zat voorovergebogen op een zitblok verderop, de handen in zijn schoot gevouwen, hij keek strak naar de grond. Een grote, gevulde meneer in dure kleren was blijven staan, ongeduldig op zijn snelle schoenen wippend. Ik werd binnengeroepen. De grote meneer schoot de verpleegkundige aan: 'Mag ik u iets vragen? Ik kom hier om een potje voor urine. Mag ik dat zo meenemen?' Ja dat mocht.
De deur ging achter me dicht. Had ik een formulier? Nee, dat had ik niet. Gewend als ik inmiddels ben om met mijn mobiel bewijslast tevoorschijn te toveren liet ik haar de mail zien waarin de afspraak bevestigd stond. Nee, daar had ze niets aan. Ze moest weten wat ze moest onderzoeken. 'Cholesterol,' zei ik. Maar zo makkelijk ging dat niet. Het moest op een formulier staan dat de dokter mij, per post of digitaal, had toegestuurd. Anders kon ze niks voor me doen. Ze vroeg om mijn naam en geboortedatum, mijn ID. Ze begon te tikken. Ik stond niet in het systeem. Hardop prevelend ('Maart, dat is, 1, 2, ja, dat is de derde maand...') toetste ze mijn gegevens nog eens in. Zonder resultaat, het scherm bleef leeg. 'Ik ben hier toch echt al eens eerder geweest,' verweerde ik me, als moest ik mijn aanwezigheid rechtvaardigen of zelfs mijn bestaansrecht bewijzen. 'Het spijt me, ik kan niets voor u doen,' herhaalde ze. Ik trok mijn jas weer aan, stak ID en mobiel bij me en verliet het labo.

Thuis belde ik meteen de dokter om een nieuwe afspraak te regelen. Het viel me op dat de assistente (POH, heet dat tegenwoordig) me in simpele woorden te woord stond, langzaam pratend, met heldere vocalen. Ze zal mijn leeftijd hebben gezien. Maar toen ik even later de mail kreeg waarmee ik een nieuwe afspraak voor bloedafname zou kunnen maken, was ik blij dat ik geen digibeet was. Ik kwam terecht in iets dat Zorgdomein heette. Ik moest van alles downloaden, na codes ingetoetst te hebben die ik - separaat, op mijn telefoon - via sms ontving, en vervolgens uitprinten. De formulieren bestuderend kwam ik tot de ontdekking dat ik ook 'verse' urine moest meenemen; daar was nooit sprake van geweest. Ik zou nog even langs de vestiging van Atalmedial aan het Roelof Hartplein moeten lopen om zo'n potje op te halen, dankzij de grote meneer wist ik dat dat mocht.
Ik zette koffie, ging in mijn stoel zitten, at een onderweg gekocht croissantje om de cholesterol nog wat op te vijzelen, en vroeg me af of ik al dat gedoe nog zou snappen als ik echt oud zou zijn.


vrijdag 7 januari 2022

LEESLIJST

 


Lezen in bed is een van de grote genoegens des levens, zeker als je ouder wordt. Er waren tijden dat ik gewoon één boek op mijn nachtkastje had liggen (het boek van dienst zeg maar) maar in de loop der tijd is het kastje een plankje geworden, en heeft het ene boek gezelschap gekregen van een hoop broers en zusjes. Die boeken staan en liggen daar om op een later tijdstip gelezen te worden. Soms zijn ze uit de kast gehaald ter inzage en daar tijdelijk neergezet. Maar wat tijdelijk ergens wordt neergezet heeft de neiging een blijvertje te worden. Sommige zijn nieuw, andere zijn zwerfvuil, uit mededogen van straat geraapt. Omdat ik zo vlak na de jaarwisseling nog in een inventariserende stemming verkeer, maak ik een lijstje.

We beginnen links. Dat dikke, slechts gedeeltelijk zichtbare boek is The Lord of the Rings, in een luxueuze uitgave. Het magnum opus van J.R.R. Tolkien. Het staat daar zoals bij religieuze mensen de bijbel: om altijd bij de hand te hebben, als naslagwerk. Of liever: als de lust me bekruipt om iets in dat boek te lezen (en dat gebeurt regelmatig) moet het binnen handbereik zijn.
- Bordewijk: Fantastische vertellingen, bij vlagen briljante verhalen in de traditie van Poe en Hoffmann. Een aan straat gevonden boek waar ik enorm enthousiast over was, voor driekwart gelezen op het balkon in de zomer van (ik schat) 2019; het wacht nog op een nieuwe Poe-bui.
- Julian Barnes, The Man in the Red Coat; evenals de buren: Daemon Voices van Philip Pullman en Mythos van Stephen Fry van mijn dochter gekregen, die bij American Book Center werkt. Kloeke boeken. Ze wachten geduldig op lezing.
- Het eerste deel van de Book of Dust, van dezelfde Pullman, heb ik half gelezen en voorlopig weggelegd. Het kon me niet half zo boeien als zijn beroemde Golden Compass trilogie.

Het liggende stapeltje links bestaat uit: 

- The Lizard's Bite van David Hewson: veelbelovende thriller, die wacht op een mooie, windstille zomerdag. 
- De avond is ongemak van M. L. Rijneveld (cadeautje bij een krantenabonnement. Sterke taal, maar nare sfeer: ik zal het niet lezen vrees ik).
- Het snoer der ontferming, Japanse verhalen van Couperus, uit een kringloopwinkel in Ommen. Alleen nog wat in gebladerd, misschien moet het maar naar de kast, bij de andere verzamelde maar ongelezen deeltjes Couperus.

Dan komen we bij een gedeelte waarbij nogal wat 'wijsgeerde en troep' zit, zoals Joop Schafthuizen (Matroos Vos) dat uitdrukte. Spirituele lectuur voor als ik daar behoefte aan heb en zelfhulpboeken. 
De Tao van de stress, bijvoorbeeld. Modieuze onzin. En een stel boeken van Janwillem van de Wetering, waaronder twee all time favorites:
- De lege spiegel en Het dagende niets. Persoonlijke journalistiek, informatief en spannend, voor de liefhebber nog even fris als 50 jaar geleden. 

Verder:

- James Joyce: Dubliners. Vind dat ik dat ooit eens moet lezen. 
- Felix Timmermans: Schemeringen van de dood. Nog een Poe-imitatie. Zeer bloemrijk van taal. Niet te veel ineens van lezen.
- Verhalen en curiosa van Dylan Thomas, zie Joyce.
- Gerald Walschaps De wereld van Soo Moereman (een jeugdliefde).
- Een schattig bundeltje met Chinese poëzie, veel in gebrevierd, veel uit geciteerd.
- Wonderlijke verhalen, E.A. Poe, uitgegeven door mijn vriend Peter Loeb.
- Ik Robot van Isaac Asimov, ooit als presentje van de bieb gekregen na een optreden. Moet eigenlijk weg. Mijn sciencefictiondagen zijn voorbij.
- Voorbije wegen, een bundel vol ronkende poëzij van A. Roland Holst.
- De psychologie van Maigret van Dr. W. A. 't Hart. Een kostelijke poging om geld te verdienen aan de Maigret-hausse van destijds. 
- Om een menschenleven, Georges Simenon, een mooie ouderwetse vertaling van La tête d'un homme, ook bekend als Maigret en de ter dood veroordeelde. Een van de betere Maigrets. Ik ken de zoon van de vertaler (Pierre Dubois). Die bezit een door Simenon gesigneerde pijp.
- Maigret en de varkentjes zonder staart (korte verhalen, nog steeds niet helemaal uit, Simenon was niet zo goed in dat genre).
- Het derde deel van de Korfoe-trilogie van Gerald Durrell: The Garden of the Gods, te laat in mijn leven ontdekt; ik kwam er tot mijn schrik niet meer doorheen, terwijl ik van de eerdere delen gesmuld heb (en dat is nog een understatement).
- Verhalen van Jo Boer. Een ten onrechte vergeten schrijfster met een geheel eigen, zinderende toon.
- Het ontstemde brein. Vakliteratuur. Over faalangst bij muzikanten.
- Nader tot U van Gerard Reve. Om dezelfde reden daar als LOTR.
- Een prisma bloemlezing Verhalen uit de Franse romantiek, opgeraapt en meegenomen.
- Nescio, Boven 't dal. Zie LOTR.
- The Monk and the Philosopher. Wijsgeerde.

Liggend, rechts van het midden:

- Death of a Hollow Man
, deel 2 van de Midsomer Murders Mysteries van Caroline Graham. Ligt daar al lang. Zo leuk als de tv-serie is, zo taai zijn de boeken. Veel te woordenrijk, traag, geforceerd leuk, en bovendien lastig door het (deels gedateerde) Britse middle class slang. Nee, dan...
- ... Dickens. Ben nu bezig in Our Mutual Friend. In een mooie gebonden uitgave uit de 19e eeuw, gekocht op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui, en daarnaast als hulpje een Prisma-vertaling, verkregen uit een legaat. Zeker niet Dickens' beste, dit late boek. De personages en hun lotgevallen wekken te weinig empathie en de plot is onsamenhangend. Maar ik ben blij dat ik nu weet waar Jenny Wren, hoofdpersoon van het geniale liedje van Paul McCartney, vandaan komt.
- Tussen het Barnaby-boek en Dickens ligt nog Hocus Pocus, een raar boek van Kurt Vonnegut. Weet nog niet wat ik daarmee ga doen. Terug naar de straat?

Liggend, middenachter: twee recente kerstcadeautjes van mijn dochter. Prachtig verzorgde uitgaven van Roverandum en Farmer Giles of Ham, minder bekende werkjes (sprookjes) van Tolkien. Mag ik graag een stukje in lezen na mijn dagelijkse portie Dickens.

Tot slot de stapel rechts. Die bevat naast twee delen Midsomer Murders en een boek van de Dalai Lama mijn eigen kalenders Mindfulness. Om niet te vergeten. Voor een portie rust in motto-formaat als ik daar behoefte aan heb. Dat Dalai Lama-boek is overigens bedoeld als materiaal voor een volgende kalender. Vakliteratuur, dus eigenlijk: ik ben geëxcuseerd. 


dinsdag 4 januari 2022

IJKMOMENT

 



Over 2021 kunnen we kort zijn. Het was een teleurstellend jaar. De komst van het vaccin betekende niet het beloofde einde van de pandemie. En de zon wilde maar niet doorbreken. Ik probeer de goede momenten te bewaren en die waren er gelukkig vele. In mijn hoofd heb ik een lijstje gemaakt van alles wat er uit mijn handen gekomen is. Dat viel reuze mee. En van de periode waarin alles tijdelijk weer openging is gretig en goed gebruik gemaakt. 
Dat het jaar desondanks smoorde in een nerveuze somberheid die alleen met flink feesten kon worden verdreven is begrijpelijk en vergeeflijk, vind ik, met al die onzekerheid om ons heen.
Oud en Nieuw was als vaker een verademing. Ik schudde de morsige jas van 2021 van me af en verheugde me op een nieuw stel kleren. Het aarzelende licht door de kale bomen op de foto boven, afgelopen zondag genomen in de duinen van Bakkum, symboliseert mijn stemming. Nog niet helemaal gerust op een blijvende verandering kijk ik toch met hoop vooruit. Een maand geen alcohol, mijn telefoon niet binnen handbereik en 's nachts niet mee naar bed, de koeken en croissantjes in de ban - gaat het helpen? Ik stel vast dat ik minder zenuwachtig ben dan voor de jaarwisseling, maar dat heeft met die prille verbeteringen niets te maken en is het onmiddellijke effect van het wegvallen van de decemberdruk: het leven hoeft niet per se leuk, feestelijk en sfeervol te zijn, het mag een tijd lang gewoon leeg, saai en nietsig zijn. 

Ik besloot mijn laatste blogje van het vorige jaar met een plaatje van een stadspoort in de winter. Een toespeling op de Poort van Januari, waarachter de lege nieuwe maanden liggen, kansrijk en allengs groener. Hier is er nog een, met dank aan collega Patrick van Rhedenborg. De schilder is Edmund Koken (1814-1872).

Oud en Nieuw is de tijd van achteromkijken, zo goed als vooruit. Een ijkmoment, wat in hedendaags OMT-jargon een weegmoment heet. De maand december heb ik onder andere besteed aan het netjes archiveren en te boek stellen van al mijn blogs. Het is een enorme bulk tekst, die tot nog toe vier dikke delen behelst. Het eerste deel, met de columns, stukjes en gedichtjes van 2010 tot en met 2012, mocht ik precies op de laatste dag van het jaar binnenkrijgen. Een fors boek in harde kaft, vers van de Vanity Press. Ik bladerde erin, rook aan het papier, las hier en daar wat, en gromde tevreden. 'Dat heb je toch maar gedaan allemaal, jongen,' zei ik tegen mezelf. Ik zette het boek in de kast naast een paar negentiende-eeuwse delen Dickens. Een verlaat kerstcadeau.



Aan mijn trouwe en gewaardeerde lezers: dit boek wordt niet officieel uitgegeven, heeft geen ISBN-nummer en is in principe in een oplage van één gedrukt, voor mezelf. Maar voor de liefhebber kan ik altijd een extra exemplaar laten maken. Geen moeite, ik doe het met liefde. Voor zo'n twee tientjes in huis. Belangstelling? Stuur me in dat geval even een bericht: jpvanspaendonck@gmail.com



vrijdag 31 december 2021

BOOSTER


Ik had de wekker op zes uur gezet maar werd al om half vier wakker. Ik sufte wat door zonder nog echt te slapen en toen het tingeltangel muziekje klonk stond ik meteen op. Ik douchte, kleedde me aan (twee T-shirts over elkaar - vrije armen), zette koffie en ging in mijn stoel bij het donkere raam de gezondheidsverklaring zitten invullen. Als onderlegger gebruikte ik Vogelzang van Jac. P. Thijsse. Erg boeiend was het lijstje niet, ik vinkte overal "nee" aan. 

Om kwart voor zeven trok ik jas en schoenen aan en daalde de trap af. Buiten snoof ik de vochtige lucht op - het waaide een beetje - en moest aan vroeger denken. De schooltijd. Onuitgeslapen op weg door de donkere stad. Ik kwam niemand tegen. Een enkele fietser passeerde verderop. In de Beethovenstraat was Joe & the Juice al open. Geen idee waarom, wie zou er, gesteld dat er al mensen langskwamen, op dat tijdstip een smoothie willen afhalen? Bij de visboer stond het personeel onder fel lamplicht vitrines in te richten en broodjes klaar te maken. Ik stelde me hun koude handen voor en huiverde.

Ik koos mijn route achterom, door het Beatrixpark. De zon was nog lang niet op maar er zong een vogel, een lied dat ik niet kon thuisbrengen. 

In de RAI volgde ik het groen oplichtende bord Vaccinaties. Ik liet mijn uitnodiging zien ('Mag ik uw telefoon aanraken?') en werd naar binnen gewezen, waar een rij plastic stoelen stond. Even later werd de kleine kudde die we inmiddels geworden waren met zachte drang verder gestuurd, naar een volgende zaal. Vervolgens moesten we een trap op. Boven was een slingerend parcours afgezet, zoals in de rijen voor de toegangspoorten van een luchthaven. Daar doorheen gesjokt waren er opnieuw stoelen. Ik bleef staan want er ontbrak een stoel waar ik me bevond en ik wilde liever niet teruglopen - ik was juist zo mooi vooraan in de rij beland, door een onbewuste manoeuvre die ik niet meer kon reconstrueren. 

De tijd verstreek. Ik was blij geweest met mijn vroege afspraak: nog geen wachtrijen om half acht, maar dat bleek een illusie. Het bedrijfsklaar maken van de prikmachine kostte nogal wat tijd. Toen we eindelijk naar binnen mochten telde ik al zo'n honderdvijftig mannen en vrouwen, op een enkeling na leeftijdsgenoten.

Maar eenmaal in de prikzaal ging het verbazend snel. Ik liet voor de derde keer papieren en codes zien en kreeg een hokje aangewezen. 'U bent mijn eerste vandaag,' zei de verpleegster terwijl ik mijn jas aan de kapstok hing en mijn reeds ontblote arm uitstak. 

Bij de EHBO, waar ik een kwartier moest uitzitten, was er koffie. Niet eens slechte. Ik keek naar de immense hal om me heen en dacht aan China.

Thuis wist ik niet meteen wat te doen. Ik ging nog maar even op bed liggen, onder een dekentje. Half negen. De dag was nog lang.

Voorheen Rookzanger wenst u een goede jaarwisseling, en laten we hopen dat we een beter jaar betreden, na het passeren van de Poort van Januari, dan de twee moeilijke jaren die we achter ons hebben!

L. (Louise?) Hartman (20e eeuw)