vrijdag 22 mei 2026

METAMORFOSEN


Omnia mutantur, nihil interit (alles verandert, niets vergaat) - Boek XV, Metamorfosen, Ovidius.

Op de valreep kochten we kaartjes voor de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijks. Je denkt in zo'n geval altijd zeeën van tijd te hebben, want anders dan een opera of een film loopt een expositie al gauw máánden. En dan is het tóch ineens voorbij; zo heb ik heel wat belangwekkende en veelbesproken tentoonstellingen gemist, die iemand van de 'culturele sector' volgens de kenners nooit had mogen missen. Met de Metamorfosen maakte ik ernst, nu het nog nét kon, want als ik de media moest geloven was dit het nec plus ultra van het museale, het eindresultaat was veel meer dan de optelling der delen, het begrip expositie was hier tot kunstvorm verheven, er werd, in beeld en vorm, in steen en doek en diverse andere media een ontroerend verhaal verteld. Vijf sterren in de Volkskrant.

's Ochtends las ik op het zonnige balkon om erin te komen een paar fragmenten Ovidius, in de vertaling van M. (Marietje) d'Hane-Scheltema (1932), voortreffelijk gedaan in soepele zevenvoetige jamben. Het boek, in grijs linnen gebonden, in cassette gevat, in duotone gedrukt, is van mijn vader geweest, die op het eind van zijn leven een Ovidius-opleving had gekend, en bij zo'n renaissance van een oude interesse niet op een dubbeltje keek. Ik las over Narcissus en Echo. Bekende materie voor een classicus, maar de luchtige, ironisch-poëtische toon van P. Ovidius "de Neus" Naso (43 voor -17 na Chr.), was ik vergeten, of had ik als jongeling niet opgemerkt. Gesterkt door dit geestelijk voedsel ging ik naar het Museumplein. Het was zomers warm.
Daar kreeg ik een appje van mijn vriendin: razend druk overal, de brug bij Wormerveer open, werd wel een half uurtje later. Ik liep de tuin van het museum in, zocht een plekje in de schaduw, en begaf me in een licht meditatieve toestand. Deze stille beeldentuin met zandstenen monstruositeiten naar classicistische voorbeelden beviel me wel.

Om half een (ik werd net licht onrustig) appte P. dat ze er was. We liepen door de onderdoorgang, een beetje diffuus door de galmende klanken van De Vier Jaargetijden, gespeeld door viool en accordeon, en betraden het museum op vertoon van twee gratis tickets - mijn vriendin is vip-lid van de Vriendenloterij en mag een introducé meenemen. 

Het was redelijk rustig. Ik herinnerde me andere succes-tentoonstellingen waarbij je de indruk had je door de Kalverstraat op zaterdag te moeten wringen. Ook was het tamelijk kort. Al heel snel kwamen we bij het schitterende en wereldberoemde beeld van Bernini De slapende Hermaphroditus, en, de recensies indachtig, wist ik, dat het nu uit was. Ik vond het jammer want ik had veel moois gezien. Maar ik had ook veel gezien dat op zich minder interessant was en alleen in het kader van de vertelling, die een expositie van dit soort wil zijn, een ondersteunende, illustratieve functie heeft. De topstukken uit Wenen, Parijs en Florence waren imposant, jawel, en het was fijn om Cellini's Perseus met het afgehouwen hoofd van de Medusa weer eens te zien, nu niet  in Firenze maar gewoon naast de deur. Maar helemaal bevredigd was ik toch niet. Te veel chic vulsel, te veel dat context nodig had, te weinig dat, kernachtig, op zichzelf kon staan. Die topstukken logen er niet om maar leken zelfs iets aan waarde in te boeten door de gulle aanwezigheid van hun minderbedeelde broertjes en zusjes: het bijkomend nadeel van een expo die in de eerste plaats een narratief wil zijn.
Ik opperde de hele ronde nog eens te maken, al was het alleen maar om deze unieke verzameling recht te doen, en ging inderdaad de eerste zaal in om de vioolspelende Apollo van Dosso Dossi voor de tweede keer te zien. Maar de geur van koffie dreef ons naar de coffee corner. 
De audiotour was ingesproken door Stephen Fry, wiens boeken ook ampel voorradig waren in de winkel. Misschien had ik zo'n telefoontje moeten opzetten om meer doordrongen te raken van het belang van dit alles. 


vrijdag 15 mei 2026

WASROL


Een van de tenoren van mijn koor vond dat ik The History of Sound moest gaan zien. Hoewel de synopsis me verwarde (een mengsel van romantisch drama en volksmuziekregistratie op de wijze van Alan Lomax? Wat een vreemd uitgangspunt!) had ik belangstelling - maar het kwam er niet van, de film ontliep me: hij draaide alleen als ik niet kon, en waar ik niet was.
Deze week lukte het alsnog, in Rialto aan de Ceintuurbaan, op een woensdagmiddag met een koorrepetitie in het vooruitzicht. Mijn vriendin kwam ermee en ik stemde in een onbewaakt ogenblik toe. Zelf zou ik zo'n moment nooit gekozen hebben.

Ik sloot mijn ogen voor de reclame, keek naar de grond tijdens de trailers voor andere films, en concentreerde me fris op het doek toen het begon. Eén ding was al snel duidelijk: ik zou bepaalde eisen aan waarachtig- en waarschijnlijkheid overboord moeten gooien wilde ik van het gebodene genieten. 
In een voice-over vertelt de ik-persoon, de Ierse acteur Paul Mescal alias Lionel Worthing, dat hij als jongetje opgroeide op een boerderij in Kentucky, begin 20e eeuw. Hij leerde volksliedjes van zijn vader en viel op het plaatselijke schooltje op door zijn zuivere stem. Ook had hij een absoluut gehoor en had hij de gave van de synesthesie: hij zag muziek in kleur,- een D was geel, etc. We moeten dit maar van hem aannemen, voorbeelden zien en horen we niet.
Hij wordt aangenomen op het conservatorium van Boston, afdeling zang. Weer moeten we het voor zoete koek slikken: áls hij gaat zingen, in een rokerig café, is het een liedje uit zijn jeugd, met halve stem. De film focust op zijn homo-erotische relatie met kettingrokende compositiestudent Josh O'Connor alias David White. Er wordt veel verliefd gekeken, weinig gezegd. Dit zal de rest van de film zo blijven.
De Eerste Wereldoorlog breekt uit, David moet naar de loopgraven, Lionel gaat terug naar de boerderij, want de school sluit voortijdig. 
Na de oorlog keert David terug uit België, op het oog ongeschonden. Hij vraagt Lionel per brief om hem te vergezellen op een studiereisje. De twee trekken, gewapend met een tent en een fonograaf, door de wildernis van Maine. In afgelegen dorpen verzamelen ze volksmuziek, die op wasrollen wordt vastgelegd. Mooie natuurbeelden, prachtige liedjes, en wat klinken die wasrollen goed! En wat zingen die locals prachtig, niks van de rauwheid die je verwacht, anno 1920 in het achterland; en al die fijne Keltische trillers en versieringen, nét Sandy Denny of The Chieftains - Woody Guthrie, Muddy Waters, eat your heart out!
Na de trip gaat Lionel naar Europa. Zijn ene jaar conservatorium blijkt genoeg om hem een positie in Rome te bezorgen in een prestigieus ensemble in het Vaticaan. Hoewel hij er maar kort woont spreekt hij vloeiend Italiaans met zijn nieuwe minnaar, een jonge cellist. Het koortje verveelt hem (mi annoia questo coro...), en hij krijgt een positie aangeboden in Oxford. Daar zien we hem een universiteitskoor dirigeren en een liefdesaffaire hebben met een mooie, rijke vrouw (ook de hetero's in de zaal moeten aan hun trekken komen nietwaar), voor hij terug naar de boerderij gaat waar zijn moeder op sterven ligt.
Overvallen door heimwee reist hij naar Maine om David weer te zien. Hij vindt er slechts diens weduwe. David heeft zelfmoord gepleegd, hij kon de gevolgen van de shellshock niet meer verdragen. Nu snappen we waarom zijn hand even trilde in een close-up en waarom hij zo weinig over de oorlog kwijt wilde.
De weduwe belooft de wasrollen op te sturen, maar Lionel vergeet in zijn verdriet om zijn adres achter te laten. Lionel treurt nog een tijdje, zoekt plekken op in het Lake District waarover David hem lyrisch had verteld.
In een laatste scene ontmoeten we de bejaarde Lionel (andere acteur, Chris Cooper). Inmiddels een beroemd etnomusicoloog. Hij promoot zijn nieuwste boek in een tv-interview, we schrijven 1980. Niet veel later wordt er een kist bij hem thuis bezorgd: de wasrollen! De nieuwe bewoonster van het voormalige huis van David had ze op zolder gevonden en wist niet wat ze ermee aan moest. Ze zag hem op tv, hoorde hem vertellen over zijn studiereis, en 1 en 1 was 2. Lionel speelt een rol af en hoort ontroerd een boodschap van David, over de tijd heen aan hem gericht, opgenomen op de dag van zijn dood. Einde.

U vindt misschien dat ik cynisch klink - was het dan geen mooie film?
Jawel, bij vlagen. De sfeer was goed, de acteurs prima, muziek en beelden mooi. Alles zeer esthetisch, en de recensent van The Guardian had wel gelijk toen hij schreef dat de film te veel ontzag had voor zijn eigen droefheid ('bloedeloos, pijnlijk smaakvol', 'verlamd onder het vernis van zijn verfijning' -  u dacht dat IK cynisch was?!). 
Maar: ik kan best tegen een hoge dosis romantiek, zelfs als die zoet is en de pulp benadert. Waarom ontroerde het vergelijkbare romantische drama Loch Ness (wetenschappelijke excursie, landschap, liefde) me twintig jaar geleden mateloos en liet deze film me onberoerd? Toch niet alleen wegens het opvallende, totale gebrek aan humor?
Deze norse muzikant zou de makers alle onwaarschijnlijkheden hebben vergeven, als er een sprookje verborgen was onder het dunne verhaal, als er, zoals in Loch Ness, sprake was van een allegorie, een levenswijsheid verpakt in een scenario. Precies dát was het wat ontbrak: een substraat, een diepere laag van betekenis. The History of Sound is een tamelijk summier uitgewerkte liefdesgeschiedenis in een snel en oppervlakkig geschetst tijdbeeld. Voor het verhaal had het niets uitgemaakt als die twee jongemannen cowboys waren geweest in plaats van musici. De wasrollen en hun muziek voegen iets toe aan de film, zeker, maar niet iets wezenlijks. 

Nu komt het en toch, maar dat is zuiver persoonlijk, en geen verdienste van regisseur Oliver Hermanus.

Sinds ik AOW ontvang vind ik dat ik ook maar eens het leven van een pensionado moet gaan leiden. Vergeet die weekend-werkweek-tweedeling: je kunt toch net zo goed doordeweeks iets leuks gaan doen, naar de film, naar een museum? Ik bleef dat maar associëren met vrije dagen, met aansluitend café- en restaurantbezoek, met uitgaan. Op een gewone dinsdag of donderdag mocht dat niet, van een of ander duivels en ingesleten arbeidsethos. Misschien heeft dit filmbezoek, vlak voor een koorrepetitie, me geholpen me maar eens minder achterlijk compulsief te gaan gedragen.

De dag na de bioscoop gingen mijn gedachten uit naar liedjes die ik vroeger heb gemaakt maar nooit heb uitgevoerd, of althans héél zelden, en heel lang geleden. Misschien heeft het met de fonograaf te maken, misschien ook niet. En passant kwam ik een oude tekst tegen, twintig jaar terug op muziek gezet. De muziek ben ik allang kwijt, geen idee hoe die klonk. Maar toen ik me nieuwsgierig achter de piano zette kwamen er flarden terug. En de rest maakte ik opnieuw, in de geest ván. Mijn dochter kwam onder de douche vandaan en vroeg: wat was dat voor liedje? Mooi was het, vond ze. En heel anders dan ik meestal maakte. Bluesy.
Ik dankte mijn innerlijke fonograaf en speelde de wasrol nog maar eens af.



vrijdag 8 mei 2026

KOLIBRIE (een gitaarpraatje)


Omdat ik er voortaan mijn brood mee verdiende moest het wat zijn en mocht het wat kosten. Mijn eerste serieuze klassieke gitaar, een Ricardo Sanchis uit Valencia, kostte me flink meer dan duizend gulden; niets vergeleken bij Vincents cello, maar toch, voor een jonge schnabbelende bariton een hele som. Toen de zaken goed gingen en er wat puntjes op de i gezet moesten worden (het stabiel en zuiver stemmen was een beetje een probleem) schafte ik een met de hand gebouwde gitaar aan, uit het atelier van de Beierse meester Hans Hanika, een prijzig maar mooi instrument; ik speel er nog steeds met veel plezier op, als het Napolitaanse lied zo nu en dan weer op mijn pad komt.
Tijdelijk kwam er een vederlichte, witgele flamencogitaar bij maar die werd op een avond doorverkocht aan een liefhebber; hij is op een of twee cd's te horen maar werd me nooit echt dierbaar: geen diepgang.

Vreemd genoeg stelde ik aan mijn staalsnaren veel minder eisen. Mijn eigen Nederlandstalige liedjes begeleidde ik op budget gitaren - vooral de kleine Taylor van nog geen 500 euro was favoriet, met zijn lichte zuivere toon en zijn handzame toegankelijkheid. 
Toen we eind '22 met ons Boudewijn en Lennaert-programma begonnen en ik veel akoestische gitaar ging spelen deed ik de Taylor van de hand en kwam er een groter model, een Eastman, een stoere cutaway, ook alweer bizar goedkoop voor de kwaliteit.
Maar hoe gaat dat? Als een programma keer op keer gaat, volle zalen trekt, steeds beter wordt, maar niet echt verrassingen meer biedt, ga je naar andere dingen omzien om het spannend te houden. Ik werd verliefd op een romantische gitaar met de kleur van robijnrood abdijbier en een siermotiefje op de slagplaat dat een kolibrie in een plantenguirlande voorstelt: de Epiphone Hummingbird, een betaalbare replica van de beroemde Gibson van die naam. Mijn zoon vond haar na enig geduld op Marktplaats, verstelde iets aan de hals, zette er nieuwe snaren op en kocht er een pedalboard en een vouwstandaard bij want als je toch aan het professionaliseren bent, dan ook maar helemaal. Papa kon zich niet meer verschuilen achter zijn klassieke achtergrond en moest voortaan zelf zijn instrument inpluggen en afstellen.

Afgelopen dinsdag, op een vrolijk, chaotisch en zonnig, tot overprikkeling verleidend 5 mei-festivalletje in het verre westen van onze hoofdstad, debuteerde de Kolibrie. Het is een zwaar instrument, gemaakt van massief hout vóór en achter en aan de zijkant, respectievelijk vuren en mahonie. En hoewel de snaren laag op de hals liggen ("lage actie" heet dat), misschien wel te laag voor wie met stugge Spaanse gitaren is opgegroeid, had ik er moeite mee. Alles voelde onwennig en anders, ik tastte soms mis, alsof mijn vingers niet meer automatisch wisten, op spiergeheugen, waar de g-snaar zich bevond. 
Was ik niet gezwicht voor ijdelheid, romantiek en uiterlijk? Mijn zoon opperde dat ik voortaan maar weer gewoon op de Eastman moest spelen - met dat instrument kan ik immers lezen en schrijven. Maar nee! Dat is toch mijn eer te na. En eerlijk is eerlijk: de toon van de Hummingbird is ronder, warmer en subtieler dan die van de gelikte maar ook grove Amerikaan uit Beijing.
Zo heb ik weer een reden om elke dag te oefenen op materiaal dat ik dacht slapend nog te kunnen ophoesten.


vrijdag 1 mei 2026

Blogje, op een telefoon getikt

Ondanks het halfgesloten gordijn stooft het zonlicht de kamer tot zomerse zoelte. De schuifdeuren van de suite zijn dicht. Het is stil in mijn cel. Het nieuwe dubbele glas dempt de geluiden van buiten, auto's, stemmen en vogels. 
De timmerlieden zorgden in hun tijd voor flink wat herrie, renden veel te vaak de trap op en af, driehoog, alsof het hier een betalende sportschool was, en bonkten bij alles wat hun goed getrainde en meterslange leden deden. De schilders die hen opvolgden praten wat, soms zelfs veel (vooral in hun telefoon, zodat ik denk stop met lullen man, ga verven!) - lachen soms, maar zijn toch vooral geruisloos. Stil zijn ze verf, waterbasis & lak, afhankelijk van of het houtwerk zich binnen of buiten bevindt, aan het opstrijken. 
Deze mannen hoorden en begrepen me meteen toen ik over de katten begon. Jonge Amsterdammers van vele kleuren maar eerst en vooral stadgenoten. De hoogblonde Emmeloorders van de timmerfabriek verstond ik slecht en hoewel ze reuzeaardig waren keken ze me glazig aan toen ik mijn zorgen over mijn katten met hen deelde. Huh? Katten? Stadse overgevoeligheid. 
Die katten inmiddels, zijn wel wat gewend. Ze vertrouwen dit wel. Snuf ligt op de rug van de bank te slapen, Snuitje heeft een plek op het kleed gezocht in een strook zonlicht en rekt zich behaaglijk uit. 
Ik lees wat, werk wat, dood de tijd. Iets eerder dan anders trek ik een bier open. Feitelijk zou ik de wacht niet hoeven houden, vandaag, maar je weet maar nooit. Ook een schilder kan een concentratieslip hebben. Met verf resulteert dat in een zakker maar met het openen en sluiten van de deuren van mijn volgens de timmerlieden labyrintische flatje misschien in een weggevluchte huisgenoot. En dat zou ik mezelf nóóit vergeven.



vrijdag 24 april 2026

Tijddeurtje en vrije meter


Een tijddeurtje klapte open als een kattenluik en we kwamen hard in de lente terecht.
Daarvoor was er wat regen geweest, merels in een schemering van donkere wolken, de geur van natte stoep, die, weet ik sinds kort, petrichor genoemd wordt.
De wereld was op slag helemaal anders. Het was nog fris maar het park was nooit zo lichtend groen geweest, 
de lucht was onbewolkt madonnablauw. Zwartkoppen kwetterden hun coloraturen. Lijsters riepen om het hardst. Kleine bruine vogeltjes vlogen af en aan, te snel om te determineren. Was het een braamsluiper, of toch een grasmus, die zojuist over mijn schouder de struiken in verdween?

In de koude nachten, onder de nieuwe maan, lig ik wakker en probeer me van alles te herinneren. Als ik eindelijk inslaap droom ik veel van mijn vader en mijn moeder. Wat dat te beduiden heeft?


Er fietst een man voorbij. Een magere, grauwe zeventiger met pluizig, slecht geverfd haar die, voorovergebogen over zijn racefiets, hardnekkig in de eeuwige jeugd wil geloven, of liever, in het niet bestaan van de ouderdom. Ik herken mijn jeugdvriend D. maar roep hem niet aan. Een tegenzin welt in me op als ik denk aan het toneelgesprek dat we gaan voeren nadat hij mij herkend heeft. Dit alles, herkenning, weerzin en de reden ervan, gaat in een woordeloze flits door me heen.
Ik vergeef het mezelf - wat zouden we elkaar moeten zeggen?

Mijn zus appt me, later ook mijn broer. Dat ik zo afwezig ben op de sociale media. Gaat alles wel goed? Ik bevestig het laatste en ontken het eerste. Maar inderdaad is de continuïteit van ons contact doorbroken de laatste weken. 
Het lijkt lang geleden dat ik me het zuur dronk aan Grauburgunder tijdens het Duitse reisje waarvan ik het thuisfront uitvoerig verslag deed in woord en beeld. Het lijkt lang geleden dat ik zeventig werd. De wereld is veranderd sindsdien. Een tijddeurtje schoot open, een kattenluikje.

Ik vertelde jullie over de nieuwste bedreiging van mijn huisvrede. Sindsdien heb ik bij de buren kunnen zien en horen hoe het vervangen van deuren en kozijnen een niet te onderschatten overlast geeft.
Over één ding had ik me geen zorgen hoeven maken: ze zijn op schema, de hardwerkende timmerlieden uit Emmeloord. Gisteren belde een van hen aan. Aanstaande dinsdag sta ik ingepland. Maar mochten ze soms ook maandag al een paar uur komen werken? We hebben toch niks met Koningsdag.
Ik moest daar even over denken; ik noteerde een 06-nummer, gaf even later groen licht. Het oorspronkelijke scenario was geweest: na een afwachtende feestdag voor dag en dauw wakker gemaakt te worden voor een lange dag van lawaai, stof en drukte. Nu kreeg ik éérst een voorproefje, op een verder - hopelijk - prettige dag. Ik kon even wennen, ik was al door. Mochten de katten te veel last hebben van hun opsluiting in slaap- en voorkamer, dan konden we die avond alsnog beslissen ze een paar dagen op mijn dochters zolderkamers te laten bivakkeren, wat Plan B was. 
Die vrije meter, waarin ze moeten kunnen werken, de mannen, dat is nog even puzzelen, dat wordt slepen met bureau, vleugel, gitaren, schilderijen, boeken, planten, kastjes. Maar dat is een mooi taakje voor het weekeind. Het is te doen, het is te doen! Met een beetje geluk is half mei alles achter de rug en hervatten wij, katten en bazen, ons gewone stadse buitenleven.



Twijfelaars, aarzel niet langer en bestel dit prachtige boek vol verhalen en gedichten: KROONJAAR

vrijdag 17 april 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 70: Gekregen en gevonden boeken


Van mijn dochter kreeg ik een boek. Deftig ingepakt. Een verlaat extraatje voor mijn verjaardag veronderstelde ik, maar ze zei: Er hoeft toch niet altijd een aanleiding te zijn? Je kunt toch ook weleens gewóón een cadeau geven? Omdat je denkt dat een ander het mooi vindt?
Ik knikte waarderend en bladerde het luxueus uitgegeven boek door. Galahad and the Grail, deel 1 van een hervertelling van de Arthur-legende in dichtvorm, door Malcolm Guite. Ik keek naar het getekende portret van de auteur, en er ging me een lichtje op. Die man kende ik toch? Was dat niet...? Ik ging naar YouTube en tikte zijn naam in. En ja: ik had, nog niet zo heel lang geleden - ik rookte al niet meer maar had er misschien heimwee naar - een filmpje gezien waarin hij een lezinkje houdt over de kunst van het pijproken en in het bijzonder over het blazen van rookringen. Een heerlijke excentriek, een hedendaagse Bilbo, in tweed en kleurige vestjes gekleed, een kruising tussen pijprookgoeroe Jan Kusters en mijzelf.
Het universum heeft atomen en moleculen gesorteerd en opeengestapeld op vergelijkbare wijze, en de resultaten van deze convergente evolutie bevinden zich aan beide zijden van het Kanaal. Guite (spreek uit met een ai-klank zodat het rijmt op kite) is ongeveer even oud als ik, ietsjes jonger zelfs. Hij heeft mijn witte baard en manen, mijn verzameling pijpen, mijn interesse in boeken, poëzie en Tolkien, en ook is hij singer-songwriter, actief als frontman van de lekker gruizige folk- en bluesband Mystery Train. Een vrolijke geleerde, een rare, sympathieke snuiter met een eigen YouTube-kanaal.
Enig punt van aandacht is dat hij tevens erg christelijk is, zelfs Anglicaans priester - daarin heeft de overzeese formatie van atomen anders uitgepakt. Op de filmpjes zie ik dat zijn baard geel uitgeslagen is terwijl de mijne sneeuwwit is. Ik had even een aanvechting mijn kromme Peterson-pijpen met zilveren ring in ere te herstellen toen ik hem zo smakelijk zag puffen, maar laat ze toch maar met rust. 

                                                                              *

De belabberde status van het Boek maakt van mij een belezen man. De hiaten in mijn eruditie bleven vroeger oningevuld: ik kende de generatie vóór de vaderlandse Grote Drie nauwelijks, maar om nou die boeken op de bonnefooi te gaan kopen terwijl er nog zoveel moois en dringends op mijn aanschaf wachtte? Mijn laatste bibliotheek-abonnement dateert van zeer lang geleden.
Met de komst van de straatkastjes veranderde alles. Ik neem iets mee wat ik niet ken, gewoon uit belangstelling; is het niets, dan zet ik het terug. Zo ontdekte ik laat in mijn leven dat ik een groot Vestdijk-liefhebber ben, zo las ik met veel plezier Het grijze kind van Theo Thijssen, zo maakte ik goed dat ik schandalig genoeg nooit The Wind in the Willows had gelezen. Et cetera, et cetera.
Deze week vond ik het verzamelde werk van Willem Elschot, gebonden in scharlakenrood linnen. Omdat ik de mannen van de bibliofiele kringen waarin ik verkeer altijd zo eerbiedig had horen praten over die Belgische schrijver nam ik het mee. Zelf had ik hem tot dan toe verwaarloosd en op één lijn gezet met F. Bordewijk. Kaas, Lijmen/Het been, Blokken, Bint: er is een schijnbare overeenkomst.
Zoals ik op dezelfde straatschuimerwijze Bordewijk allang heb gerehabiliteerd (zijn drie delen Fantastische vertellingen las ik op het balkon, een aantal zomers terug) zo is nu Alfons de Ridder aan de beurt. De Ridder, de echte naam van Willem Elschot (1860-1882), was het grote voorbeeld van Simon Carmiggelt. Lees de eerste zin van Lijmen en je snapt dat: Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken...
Veel verder dan zo'n pakkende introductie gaat de overeenkomst overigens niet want Elschot had een klare maar ironisch-literaire stijl - voor gezellig-weemoedige kroegverhaaltjes moet je bij hem niet zijn. Ik verwacht zijn gehele oeuvre, dat maar zo'n 750 bladzijden proza en wat poëzie beslaat, nog voor de zomer uit te krijgen.


vrijdag 10 april 2026

Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?

Onze Paasreisjes begonnen ooit toen ik het heel druk had. Ik had juist een derde koor erbij genomen, een operettevereniging, en was bijna alle avonden op pad om te repeteren, en de weekenddagen ook, als de voorstelling naderde. Om even bij te komen, dat eerste jaar, boekten we een hotel, dat, zo stelde ik me voor, een ouderwetse naam en dito uitstraling moest hebben en zich liefst in het Oosten van het land moest bevinden. Het werd de Gouden Karper in Hummelo, nog net niet de Gebraden Haan uit de Bommelverhalen, maar het kwam in de buurt.
Het uitje beviel goed en met Pasen op hotel werd een traditie, ook toen de drukte na Corona geluwd was doordat de zieltogende operetteclub er na ruim 100 jaar de brui aan gaf.
Dit jaar besloten we na zes keer Twente of Achterhoek en twee keer Zuid-Limburg iets verder van huis te gaan. Tijdens een kleine herfstreis afgelopen november hadden we Waldschlöschen ontdekt, een rustieke en ouderwets betaalbare oase van rust aan de voet van een beboste berg in het Teutoburgerwoud. Daar zouden we Pasen doorbrengen. 

De voortekens waren goed. Het weer zat mee, we hadden geen sluimerend griepje zoals vorig jaar en de auto was in goede staat, zodat de kans op een kapotte distributiekabel, die ons vorige uitje op de valreep een nare bijsmaak had gegeven, zeer klein was. De verrekijker ging mee, natuurlijk, een paar vogelboeken, een roman waarin waarschijnlijk zeer weinig gelezen zou worden, en een bundel Duitse romantische poëzie voor de sfeer; deze keer had ik voor Eichendorff gekozen. Geen regenjas, een warm colbertje volstond, tenslotte was het lente. Ik had op Google ontdekt dat onze oosterburen nog meer aan paastradities hechten dan wij. Er waren overal vuren daar, en in Bad Iburg was een grote paasmarkt in middeleeuwse stijl. Dat bleek een variant op ons vaderlandse Castlefest te zijn, met verklede vrouwen met elvenoortjes en mannen met bijlen, mede van het vat en elkaar luide treffende geharnaste ridders in een toernooi.

Na het introductie-bier in het hotel, zondagmiddag, met een vrieskoude Korn ernaast, maakten we een wandelingetje naar een kleine waterval. Onderweg smeulde op een bergweide een vuur, door een paar mannen aangewakkerd of uitgetrapt, dat was niet meteen duidelijk. Mijn vriendin dacht dat het misschien een nog levend restant van gisteren was, maar ik zag de schragen tafels met flessen en was niet zeker. Door de schnapps onbevreesd geworden stapte ik op de mannen af. Neen, zojuist aangestoken, zei een toeschietelijke meneer. We praatten een tijdje over de toenemende regelgeving (ik kon niet op het woord voor formaliteiten en formulieren komen maar hij begreep me best) die dit soort leuke dingen steeds verder in het nauw brengt, ook in het wat ruimere buurland, en zo kwam het gesprek op de jacht. Hij monsterde mijn mosgroene truitje, mijn bruine tweedjasje, mijn hoed, mijn baard, mijn verrekijker, en vroeg: Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?
Bij het watervalletje zag ik maar liefst drie grote gele kwikstaarten. Mijn vogelweekend was al goed maar zou nog beter worden. Op de terugweg naar het hotel zong ik Schubert, Der Jäger, uit de Schöne Müllerin. Als de toon eenmaal gezet is krijgt zo'n vakantietje algauw een soundtrack mee, en die bestond dit jaar uit met bejaarde bariton gebromde Wanderlieder en uit het blaffende geknor van de Raven - mijn eerste officiële waarneming - die ik de volgende morgen boven de woudrand zou zien scheren op de thermiek; ook mijn vogel-app aarzelde niet en wist het zeker: common raven. 

Iets minder tevreden was ik over mijn zelfbeheersing. Na de eerste avond overvloedig gedineerd te hebben besloot ik de maag de volgende dag te ontzien en het bij gebraden oesterzwammen op een bed van stamp van zoete en gewone aardappel te houden. Digestieven streng verboden, zelfs geen Alte Marille, hoe lekker die abrikozenbrandewijn ook had gesmaakt, en op de kamer hooguit nog één nachtmutsje. Maar na drie grote glazen Grauburgunder in de zon sneuvelde dat voornemen over paddenstoelen en zwichtte ik weer voor de verleiding van een schnitzel ter grootte van een deurmat. Tenslotte ben je niet elke dag in Duitsland. Dat het de foute keus was besefte ik de volgende morgen toen ik het ontbijtbuffet vrijwel onaangesproken moest laten.


(Illustratie: een tamelijk foute, waarschijnlijk met AI gemaakte 'visualisering' van Schuberts lied, door de Duits-Russische pianiste Evgenia Fölsche)