Posts tonen met het label Maigret. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maigret. Alle posts tonen

vrijdag 3 juli 2026

CARILLON


De weg ging niet, zoals gevreesd, door open vlaktes, maar baande zich, niet eens al te recht, door stroken groen vol berenklauw in volle bloei en zelfs door bos; jong bos, maar toch: bos. Windmolens waren er wel maar lang niet zoveel als in het noordoosten van deze polder.

We reden Zeewolde binnen. Een tuinstad zo te zien, zoals ik ze ken uit mijn jeugd, het rook er zelfs naar liguster. Weinig mensen op de been, wel op de fiets of op de scootmobiel. Ik liet mijn dochter achter bij de fysiotherapeut, de enige, volgens haar second-opinion-orthopeed, die raad weet met de schouderblessure waaraan ze, na een ongelukkige val, nu al anderhalf jaar lijdt.

Wat te doen het komende uur? Ik had een boekje bij me - Maigret et le clochard; Meijsings Gissing R.I.P. wilde ik voor thuis bewaren om in alle rust te genieten. Ik keek weifelend naar de fietspaden, de woondozen, het Geuzenveldse groen. In de verte zag ik een toren, net zo nieuw als de hele polderstad, geen kerk, maar toch een soort baken, waarschijnlijk een carillon.
Mijn ingewand besliste voor mij. Ik had plotseling tamelijk hevige aandrang. Als ik moet dan moet ik, zei mijn vader soms met een verontschuldigende glimlach na zijn prostaatoperatie. Zover is het bij mij gelukkig niet. Op weg dan maar: bij die klokkentoren zou toch wel iets van horeca zijn?

Ik passeerde een school met speelplaats en kwam als snel bij een Vomar, en een Lidl. Ik was warm. Rond een pleintje waren niet een of twee, maar wel drie cafés. Ik koos voor Grand Café Mens, tegenover een Wibra, vlakbij de toren die inderdaad, dat had ik goed gezien, even later een liedje begon te spelen. Het personeel hield zich afzijdig dus ik kon rustig eerst naar de wc gaan. Daarna zette ik me opgelucht aan een tafeltje buiten en liet me, nadat ik een serveerster had losgeweekt uit haar conversatie, een beugelflesje Paix Dieu brengen (ze sprak het uit als Pa Dieu). Even later begon het zachtjes te regen op de luifel, ik werd Zeewolde meer en meer welgezind.

Ook mijn dochter was opgelucht: de therapeute had een gunstige prognose gesteld en haar een reeks milde oefeningen meegegeven om thuis te doen, haaks op de ruwe en averechts werkende aanpak van de fysio in Amsterdam. Pas over een maand hoeft ze terug te komen.
Ik zie er nu al naar uit.



vrijdag 20 februari 2026

TOEVAL


Ik was niet uitgerust - de slaap had niet snel willen komen de avond ervoor -, maar zodra ik buiten kwam voelde ik me opgefrist: het was minder koud, windstil en de geur van regen hing in de lucht. Ik ademde diep in en ging op pad naar het huis van mijn Italiaanse vriend bij wie ik koffie zou gaan drinken - we hadden veel te bespreken en ik had een boekje bij me dat ik op verzoek van de uitgever aan hem moest overhandigen, met de complimenten. 
Een klein halfuur later belde ik aan.
Niets. Ik herinnerde me zijn herhaalde instructies om vooral ferm te drukken, want de ouderwetse bel had kuren. Nog eens drukte ik, en weer, met verschillende druk en duur. Weer bleef het vertrouwde gestommel in het trappenhuis, begeleid door mompelend commentaar, uit. Ik deed een paar stappen terug en keek omhoog. Er brandde geen lampje boven de computer die aan de raamkant stond. Ik appte (ik sta voor je deur, ben je thuis?) en begon te schilderen, zoals dat in oude Maigrets heet; "wachtend op en neer lopen" volgens de Van Dale - Maigrets inspecteurs doen het nogal eens als ze een bepaald verdacht pand moeten bewaken. 
Toen er een kwartier voorbijgegaan was liet ik het boekje in de brievenbus glijden en liep terug naar huis. Ik besloot een andere route dan normaal te nemen, binnendoor, langs het water, en niet langs de C.-laan. Er passeerde me een vrouw. We knikten elkaar toe. Ik keek nog eens. Ja, dat was R. Ik riep haar naam: R.! Ze draaide zich om, herkende me, spreidde haar armen en omhelsde me.

Maak je nog steeds muziek, was een van de eerste dingen die ze wilde weten. Ze was anderhalf decennium ouder dan toen, en ik ook. Een godswonder dat we elkaar meteen herkenden, maar voormalige kliniekgenoten hebben een intensieve tijd doorgemaakt samen die niet snel uit te wissen is. Mij ging het wel goed, zei ik; al die wissewasjes en schommelingen in gevoelstemperatuur kon je op deze grote schaal wel buiten beschouwing laten. Ze nam een pepermuntje.
Ik had het allang geroken. Ze vertelde dat ze tien jaar geen druppel had gedronken, maar na een scheiding en een gedwongen verhuizing was het weer raak geweest. De flessen wodka waren niet aan te slepen. Ze lachte erbij. Overmorgen ga ik weer naar de kliniek, zei ze. Solutions, in V. 'Ben ik al eerder geweest. Ach ja, het leven is vallen en opstaan, we moeten er maar niet zo'n enorm probleem van maken,' meende ze luchtig. We praatten over wederzijdse bekenden.

I. was inmiddels overleden, wist ik dat? Ja, ik wist er alles van. Ik had in mijn boek Een klein verwend jongetje een hoofdstuk gewijd aan de geschiedenis van I. en R. Onder schuilnamen uiteraard. Nu bleek dat alles heel anders was gegaan dan de grootsprekende, fabulerende I. me destijds had wijsgemaakt, ik geloofde R. op haar rulle wodka-woord, zij zat niet in de reclame, zoals I.
Sterker nog, ze had in haar lange droge jaren in de verslavingszorg gewerkt, onder ons beider verslavingsarts W.S. ('Mijn held', zei ze) die ik als Dr. Siegfried Nimsgern in dat genoemde boek heb opgevoerd. Met hem ging het slecht, hij had 'overal kanker', en dat met twee jonge kinderen... Ik schudde meelevend mijn hoofd en was blij dat ik zo'n sympathiek portret van hem had geschetst in die roman. We namen afscheid, ze omhelsde me opnieuw, die wodka-adem rook vertrouwd en eigenlijk best lekker, ik wenste haar veel succes in de kliniek.
Het toeval wil, dat ik juist dezer dagen bezig ben met een grondige revisie van dat boek. Ik schraap er alle literaire glazuur vanaf die ik er destijds uit onzekerheid op aangebracht heb en behoud de basistekst zonder franje. Moest ik nu die hele 'liefdesgeschiedenis' tussen die twee herschrijven? Ik besloot van niet. Het was het verhaal van I. dat ik uit zijn mond had opgetekend. Of dat historisch juist was donderde niet, voor wat dat boek betreft.
Het toeval wilde, dat mijn vriend niet thuis was (niks ernstigs gelukkig, hij had zich vergist in de datum) en het toeval wilde dat ik een andere route naar huis nam. Een mislukte excursie leverde een mooie ontmoeting op.
Maar dat het slecht gaat met Dr. Nimsgern wierp een schaduw over de rest van de dag.


(Dobbelstenen: Lyra's Hoard)

vrijdag 11 oktober 2024

BOEKEN


Ik kreeg het eerste exemplaar van mijn jongste boekje in handen op dezelfde morgen dat de boekerij van drukker Boris Rousseeuw onder de hamer ging. Dat was even onvoorzien als symbolisch. Als het sierkabinetje met zijn eigen uitgaven deel van de veiling uitmaakte, waren daar ook titels van mij bij. De afgelopen vier jaar realiseerden Boris en ik vier deeltjes vertaalde poëzie. Heine, Aragon, Eichendorff, Hesse. Het vijfde deel, de Liederen van de gestorven kinderen van Friedrich Rückert, lag al klaar om gezet te worden. Maar eer Boris de loden letters kon selecteren stierf hij, vierenzestig jaar oud.

Ik vond Jaap Schipper, eigenaar van de Statenhofpers in Den Haag, bereid om de verweesde tekst alsnog te publiceren. Hij maakte er met zijn medewerkers een prachtig boekje van. Een delicaat, met de hand ingenaaid schriftje, dundruk, prachtig vormgegeven. Onderdeel van wat hij de Salden Cahiers noemt. Dat is een reeks boekjes van maximaal 55 pagina's waarvan het omslag gebruikmaakt van een markant lettertype, ontworpen door Helmut Salden (1910-1996). We kennen het vooral van de Russische Bibliotheek van Van Oorschot.
In Bodega de Posthoorn aan de Lange Voorhout vertelde Jaap dat hij het eerste deeltje had gezien als een hommage aan die beroemde Van Oorschot-uitgaven. Het bevatte immers verhalen en poëzie van Ivan Boenin, wiens verzamelde werk verscheen in de Russische Bibliotheek. Een knipoog naar het grote uitgevershuis - maar bij Van Oorschot waren ze not amused. Toch had Jaap het font keurig gekocht terwijl de Amsterdamse collega's het hadden laten natekenen. Het werd allemaal in der minne geschikt, en de inmiddels tot veertien deeltjes uitgegroeide reeks cahiers omvat nu ook de nooit eerder vertaalde gedichten van Friedrich Rückert.
Na een aangenaam uur rekende Jaap onze koffies af. Onder de herfstige bomen was een kleine boekenmarkt in bedrijf. Jaap moest eigenlijk werken maar kon de verleiding niet weerstaan nog even in de boeken te neuzen. Ik had een mooie uitgave van Een zwerver verliefd op de kop getikt voor een armzalige twee-euro-vijftig. Jaap en ik bleken een liefde voor Van Schendel te delen. In Vestdijk, een andere liefde van hem, beloofde ik me nog eens te zullen verdiepen, die heeft tot nog toe behendig aan mijn aandacht weten te ontsnappen.
Bij het afrekenen zag ik een Frans deeltje Maigret. Ik sloeg het open en het was verkocht. 'Quand Maigret arriva à Delfzijl'... wat een openingszin! 

Mijn vriendin en ik wilden er een dagje Den Haag van maken, een stad die ik veel te weinig ken. Het Mauritshuis lag om de hoek. Jaaps lievelingsschilderij hing er, het Stilleven met bosaardbeien van Adriaen Coorte.
Ik moet er ooit geweest zijn - ik herinner me de verrassing waarmee ik Het aardse paradijs met de zondeval zag, coproductie van Peter Paul Rubens en Jan Brueghel de Oudere, dat ik zo goed kende als kleine reproductie in mijn vaders studeerkamer. Blijkbaar was ik destijds nog niet zo geïnteresseerd in de Gouden Eeuw want verder herinner ik me weinig tot niets van dat bezoek. Voor Vermeer was ik tamelijk onverschillig, dat was voor de massa. Het Puttertje van Fabritius viel me tegen.
Nu is dat allemaal anders. Ik werd totaal overrompeld door die rijke, o zo rijke maar overzichtelijke collectie. Het Rijks? Laat me niet lachen. Als je van de zeventiende eeuw houdt moet je in het Mauritshuis zijn. Ik zou daar een apart blog aan moeten wijden. Voor nu moet u maar van me aannemen dat we er enige mooie uren doorbrachten. Als de ogen moe werden van al die pracht konden ze even rusten op de Hofvijver en het Torentje. 
We aten en dronken in de Haagsche Bierkluis.
Op de terugweg regende het. In mijn dashboardkastje lagen maar twee cd's. Het was Rachmaninovs Eerste Symfonie of een plaatje van mezelf. Achteraf zie ik het als een hommage aan Van Oorschot en de letters van Salden dat ik koos voor Rachmaninov. 


 Meer informatie volgt zodra de website van de Statenhofpers is bijgewerkt.

dinsdag 22 augustus 2023

Roadtrip, slot

Het is niet eens zozeer wat je ziet of wat je meemaakt. Wat een familiereisje vooral bijzonder maakt is het samenzijn. Een veilig vertrouwd clubje dat tegen een wisselend decor zijn eigen dingen doet. Hoe leg ik het uit aan iemand die niet het geluk heeft te begrijpen waarover ik het heb? Ik kan alleen namens mezelf spreken. Normaal sla ik mezelf oplettend gade. Ik denk verbaal, in volzinnen. Ik leef secundair; eerst overwegen, dan pas doen. Bij het geprolongeerde feestje dat zo'n roadtrip is los ik langzaam op in de groep. Het denken wordt een gemurmel op de achtergrond, intuïtief, eerder in beelden dan in woorden. Ik druk me direct uit en handel impulsief. Dat kan, omdat er een vangnet is: de schoot van de familie. 


De kat van Givet

Op de terugweg wilde ik graag langs de Franse grensplaats Givet, omdat het boek dat ik aan het lezen was, Chez les Flamands ("Maigret en de familie Peeters"), daar speelt. Het was er zonnig en druk. Ik zag in een oogopslag dat ik er niets van de druilerige en provinciale sfeer van Simenons meer dan negentig jaar oude familiedrama zou terugvinden.  
We zochten een tijd naar een parkeerplaats. Er verscheen een gaatje, ik wurmde me erin en we stapten uit de volgeladen auto. Terwijl ik het portier dichtdeed zag ik een man met een plastic reismand die worstelde met zijn ontsnapte kat. Hij probeerde haar terug te stoppen maar de kooi was gammel, de sluiting was stuk en met tiewraps gerepareerd. Vier paar ogen volgden het gebeuren bezorgd. Toen de kat weer dreigde weg te schieten was mijn jongste dochter er het eerst bij. Aan de mand viel niet veel te doen. De man had de kat nu stevig beet. Hij bloedde aan zijn arm. Hij vertelde in uitstekend Engels dat hij onderweg was naar de dierenarts, de kat had last van stomach problems. Konden wij hem misschien een lift geven? Het was een ritje van vijf minuten. Hij wees naar de Maas. Daar aan de overkant. 
Er was niet echt overleg. We keken elkaar aan, dat was genoeg. Ik zei dat we niet met z'n allen in de auto konden. Ik koos mijn jongste uit om mee te gaan. Zij had dierverzorging gestudeerd. Ze nam voorin plaats met de kapotte mand waarin een opgevouwen handdoek lag. De man schoof achterin met de stevig omklemde kat, een cyperse met een rommelige vacht. Een penetrante ammoniakgeur verspreidde zich door de warme auto. Mijn oudste dochter en mijn vriendin bleven achter.
Over de Pont des Américains ging het. Door een lange straatweg een buitenwijk in. We moesten op een bedrijventerrein bij de McDonalds zijn, had mijn passagier gezegd, daar was de kliniek. Een heel eind lopen leek me, terwijl ik door het spitsverkeer manoeuvreerde en steeds verder weg van mijn halve familie raakte. Al die tijd (veel langer dan de beloofde vijf minuten, al kon ik dat niet met zekerheid zeggen want mijn dashboardklok was op nul gesprongen toen de Franse hulpdienst mijn auto had herstart, maar dat is een ander verhaal) - al die tijd praatte de man. Hij had, zag ik in mijn achteruitkijkspiegel, een vriendelijk open gezicht, mager, met nerveuze trekken. Al snel rook ik dat er iets ongewoons aan hem was. De weg kwijt, verslaafd, ziek? Zenuwachtig ratelde hij maar door, gretig, als om een mogelijke stilte voor te blijven. Hij had jaren in Canada gewoond, maar was voor zijn dochter hiernaartoe gekomen. Zijn moeder was Duits en hij was twee- of eigenlijk drietalig. Nederland was prachtig, maar wel duur. Waarom waren we hier als we in Amsterdam woonden? En waren we weleens in Canada geweest? Ook heel mooi, en bovendien juist heel goedkoop. Hadden wij soms ook poezen, dat we zo met hem begaan waren? Zelf had hij ook nog een Duitse herder. 
Nog altijd reden we op zijn aanwijzingen door rommelige buitenwijken. Ik begon me wat ongemakkelijk te voelen. Kwamen we nog wel van hem af, had ons goede hart ons niet in een fuik gelokt? 
Maar hij wees naar de MacDonalds en ja, daar stond een bordje "HospitaVet". Zet me hier op de hoek maar af, zei hij, dan kunnen jullie makkelijk keren en terugrijden. Hij zou van de dierenarts wel een mandje te leen krijgen en anders kocht hij er een bij de Carrefour. Hij bedankte ons overvloedig en liep met de kat onder zijn bebloede arm de kliniek in.
Even later waren we een beetje beduusd terug op de parkeerplaats. Onze plek was bezet. Maar onze reisgenoten die we zomaar in een wildvreemde stad hadden achtergelaten waren er nog. 


woensdag 2 augustus 2023

WATERDAG


Het was zwaar bewolkt, somber en regenachtig. De wind streek ruw door de bomen. Geen liefkozing, eerder wrede minachting. De zomer was halverwege maar leek voorbij. Kansloos. Vakantieplannen werden aangepast, flexibiliteit was vereist met dit weer. Wilde je de moed erin houden dan moest de blauwdruk (schaars geklede dagen in het gras en aan het water, zoele avonden onder de sterren) worden herzien. Zeilen mee, paraplu's, warme kleren, een scenario waarin musea, restaurants en andere binnenlocaties belangrijker waren.
Voorheen Rookzanger wandelde onder zijn reusachtige regenscherm van zijn voorlopig laatste tandartsafspraak naar huis. Hij voelde zich opgelucht en zag hoe dan ook uit naar een reisje met zijn dierbaren. Veel was nog onduidelijk maar op de pick-up naast de nieuwe schemerlamp met kraanvogels op het kapje die hij afgelopen weekend in een kringloopwinkel had aangeschaft (45 euro, het peertje werd niet meegeleverd) lag een opengeslagen Bosch Atlas en er begonnen vage plannen te rijpen, mogelijke routes namen gestalte aan, imaginair nog, verlokkend. De kraanvogels lichtten op, wiekten alvast naar verre oorden.
Na een vroeg dutje (hij had een goed excuus, want hij was al om half zes wakker geworden) zette hij een straffe koffie en liep zoals bijna elke dag naar het park. Het was nog steeds zwaar bewolkt, somber en regenachtig, en bovendien begon het hard te waaien. Hij ging op het bankje tegenover de ooievaars zitten. Het nest was en bleef leeg. De aerodynamische experimenten van de twee overlevende jongen waren blijkbaar goedgekeurd door de ouders. Geen wakende vader meer in de Schapenweide, de jongelui moesten het nu zelf maar uitzoeken.
Hij dacht aan inpakken en vroeg zich af wat hij moest lezen. Het bundeltje met verhalen van Waterdrinker was uit. Van Waterdrinker kreeg je dorst. De wodka stroomde overdadig in die Russische vertellingen. Weer een Maigret? Hij had er laatst nog twee herlezen. En Maigret was toch eerder iets voor tussen twee boeken door, als je het even niet meer wist.
Maigret. Grijze lucht. Regen. Hij herinnerde zich zijn eerste keer in Parijs. Werkweek heette dat alhoewel er geen enkel werk verzet werd. Schoolreisje zou een betere naam geweest zijn. 1972. Ze zaten in een café, Voorheen Rookzanger, Saphier en Gaston, vrienden voor het leven, zolang als dat leven duurde. Ze spijbelden. De rest van de klas was op excursie in het Louvre met de leraar Klassieke Talen. Zij zochten het échte Parijs op, zoals ze zich dat voorstelden. In een bedompte pijpenla lieten ze zich om elf uur 's morgens een glas rode wijn inschenken. Vijftien waren ze, en wereldwijs. De tannine van de wijn beklemtoonde het pittige en bedwelmende van de ongewone situatie - wat waren ze ver van Amsterdam Nieuw-West!
Hij stond op van zijn bankje met het vaste voornemen om zijn fantasie eer aan te doen. Hij zou een goedkope Franse rode wijn kopen, een landwijn, en die in een petit ballon schenken, niet in de grote chique glazen waaruit hij normaal dronk. 
In de Albert Heijn aarzelde hij. Het was woensdag immers. Waterdag. Maar had hij niet iets te vieren? De parodontologie zat erop. En hij stond op de valreep van een reisje. Vooruit dan maar - hij kocht voor het eerst in vele jaren een liter huiswijn. 'France'. Meer stond er niet op. 
Op straat bleek de in kracht toegenomen wind het weer volkomen te hebben veranderd. Een felle zon scheen uit vrijgekomen stukken blauw. De wolken waren wit. Plotseling leek het plan van goedkope rode wijn uit een petit ballon niet meer zo aantrekkelijk. 
In de Gall & Gall kocht hij een fles beendroge Muscadet. Alles weer gewoon. Behalve dat het een waterdag was natuurlijk.

Voorheen Rookzanger is weer even op pad, en meldt zich hopelijk later weer!


vrijdag 5 mei 2023

HERHALING


Op de eerste echte lentedag van het jaar liep ik naar de binnenstad. De trams reden niet. Ik had mijn plechtige kleren al aan, een zwartfluwelen jasje met speldje van het 4 & 5 mei- comité, een stijve, zelfs steile blouse en een tailormade pantalon. Mijn Boss schoenen torste ik mee in mijn tas, met mijn bladmuziek en andere benodigdheden - lopen ging beter op mijn afgetrapte Ecco's met één bruine en één zwarte veter. 

Vorig jaar op deze dag hadden we ook in de Zuiderkerk opgetreden. Het programma was enigszins anders maar de gelegenheid hetzelfde. Dodenherdenking. Om de een of andere reden (voor wie geïnteresseerd is, zie mijn vorige blog) had ik, vanwege de vergelijkbare omstandigheden, de afloop ook alvast vastgelegd, in mijn hoofd. Natuurlijk moesten we net als in 2022 de nazit in de Engelbewaarder houden, het café van mijn studententijd. Net zoals toen moest ik Brugs Tripel van de tap drinken en me enorm opgelucht en vrij voelen, mijn eigen Bevrijdingsdag. En erna zou ik door de oude stad lopen en genieten van wat me opeens zo mooi toescheen, de grachten, de gevels.

Het optreden ging op zich prima. Foutje hier, foutje daar, maar who cares? Het jaar ervoor was de kerk bomvol geweest. Het eerste jaar na Corona, alles mocht weer, iedereen wilde weer. Adrenaline had gevloeid bij zoveel belangstelling. Nu was er een beschaafd publiekje. Met zulk mooi weer en de inmiddels genormaliseerde massale bijeenkomsten was de drang tot samenkomst eraf. Ik bespeurde een navenante lauwheid bij mijzelf. Ik zette me in maar vrij voelde ik me niet. Onderaan het podium stond ik te zwaaien terwijl ik het betreurde dat we de avond ervoor, bij de generale, nog zo geïnspireerd en saamhorig hadden gezongen en nu bij vlagen zo gespannen waren, zo terughoudend, hoe we ook ons best deden. Of was dat mijn perceptie? Een goede zevenenhalf, gaf ik het optreden na afloop tegen de penningmeester (die overigens prachtig had voorgedragen en elegisch mondorgel had gespeeld), terwijl ik in mijn herinnering de vorige keer als een absoluut hoogtepunt had ervaren.

In De Engelbewaarder leek het even of er ook sprake was van een herhaling van zetten. Dit had ik toch al eens meegemaakt, maar dan beter? Ik wil steeds vaker, uit zucht naar veiligheid, het verleden kopiëren, en verrassingen blijven dan vanzelfsprekend uit.

Maar aan tafel, waar we aanschoven bij drie van de alten, hoorde ik, terwijl ik een verrassend lekkere linguine met citroen en rauwe ham at, dat M. net als ik onlangs Nicholas Nickleby had uitgelezen, en alle Maigrets bezat. Kijk, dat had ik nou nooit gedacht en ik had er best wat verder over willen praten. Maar het gesprek waaierde uit, we rekenden af, en ik wandelde mijn drie kwartier terug door een nieuwe stad. Een stad waarin niemand nuchter was en de terrassen overvol. De katten waren eventjes blij met hun volle bakje maar werden toen al gauw volledig in beslag genomen door de veelbelovende geuren van het geopende balkon.


vrijdag 7 januari 2022

LEESLIJST

 


Lezen in bed is een van de grote genoegens des levens, zeker als je ouder wordt. Er waren tijden dat ik gewoon één boek op mijn nachtkastje had liggen (het boek van dienst zeg maar) maar in de loop der tijd is het kastje een plankje geworden, en heeft het ene boek gezelschap gekregen van een hoop broers en zusjes. Die boeken staan en liggen daar om op een later tijdstip gelezen te worden. Soms zijn ze uit de kast gehaald ter inzage en daar tijdelijk neergezet. Maar wat tijdelijk ergens wordt neergezet heeft de neiging een blijvertje te worden. Sommige zijn nieuw, andere zijn zwerfvuil, uit mededogen van straat geraapt. Omdat ik zo vlak na de jaarwisseling nog in een inventariserende stemming verkeer, maak ik een lijstje.

We beginnen links. Dat dikke, slechts gedeeltelijk zichtbare boek is The Lord of the Rings, in een luxueuze uitgave. Het magnum opus van J.R.R. Tolkien. Het staat daar zoals bij religieuze mensen de bijbel: om altijd bij de hand te hebben, als naslagwerk. Of liever: als de lust me bekruipt om iets in dat boek te lezen (en dat gebeurt regelmatig) moet het binnen handbereik zijn.
- Bordewijk: Fantastische vertellingen, bij vlagen briljante verhalen in de traditie van Poe en Hoffmann. Een aan straat gevonden boek waar ik enorm enthousiast over was, voor driekwart gelezen op het balkon in de zomer van (ik schat) 2019; het wacht nog op een nieuwe Poe-bui.
- Julian Barnes, The Man in the Red Coat; evenals de buren: Daemon Voices van Philip Pullman en Mythos van Stephen Fry van mijn dochter gekregen, die bij American Book Center werkt. Kloeke boeken. Ze wachten geduldig op lezing.
- Het eerste deel van de Book of Dust, van dezelfde Pullman, heb ik half gelezen en voorlopig weggelegd. Het kon me niet half zo boeien als zijn beroemde Golden Compass trilogie.

Het liggende stapeltje links bestaat uit: 

- The Lizard's Bite van David Hewson: veelbelovende thriller, die wacht op een mooie, windstille zomerdag. 
- De avond is ongemak van M. L. Rijneveld (cadeautje bij een krantenabonnement. Sterke taal, maar nare sfeer: ik zal het niet lezen vrees ik).
- Het snoer der ontferming, Japanse verhalen van Couperus, uit een kringloopwinkel in Ommen. Alleen nog wat in gebladerd, misschien moet het maar naar de kast, bij de andere verzamelde maar ongelezen deeltjes Couperus.

Dan komen we bij een gedeelte waarbij nogal wat 'wijsgeerde en troep' zit, zoals Joop Schafthuizen (Matroos Vos) dat uitdrukte. Spirituele lectuur voor als ik daar behoefte aan heb en zelfhulpboeken. 
De Tao van de stress, bijvoorbeeld. Modieuze onzin. En een stel boeken van Janwillem van de Wetering, waaronder twee all time favorites:
- De lege spiegel en Het dagende niets. Persoonlijke journalistiek, informatief en spannend, voor de liefhebber nog even fris als 50 jaar geleden. 

Verder:

- James Joyce: Dubliners. Vind dat ik dat ooit eens moet lezen. 
- Felix Timmermans: Schemeringen van de dood. Nog een Poe-imitatie. Zeer bloemrijk van taal. Niet te veel ineens van lezen.
- Verhalen en curiosa van Dylan Thomas, zie Joyce.
- Gerald Walschaps De wereld van Soo Moereman (een jeugdliefde).
- Een schattig bundeltje met Chinese poëzie, veel in gebrevierd, veel uit geciteerd.
- Wonderlijke verhalen, E.A. Poe, uitgegeven door mijn vriend Peter Loeb.
- Ik Robot van Isaac Asimov, ooit als presentje van de bieb gekregen na een optreden. Moet eigenlijk weg. Mijn sciencefictiondagen zijn voorbij.
- Voorbije wegen, een bundel vol ronkende poëzij van A. Roland Holst.
- De psychologie van Maigret van Dr. W. A. 't Hart. Een kostelijke poging om geld te verdienen aan de Maigret-hausse van destijds. 
- Om een menschenleven, Georges Simenon, een mooie ouderwetse vertaling van La tête d'un homme, ook bekend als Maigret en de ter dood veroordeelde. Een van de betere Maigrets. Ik ken de zoon van de vertaler (Pierre Dubois). Die bezit een door Simenon gesigneerde pijp.
- Maigret en de varkentjes zonder staart (korte verhalen, nog steeds niet helemaal uit, Simenon was niet zo goed in dat genre).
- Het derde deel van de Korfoe-trilogie van Gerald Durrell: The Garden of the Gods, te laat in mijn leven ontdekt; ik kwam er tot mijn schrik niet meer doorheen, terwijl ik van de eerdere delen gesmuld heb (en dat is nog een understatement).
- Verhalen van Jo Boer. Een ten onrechte vergeten schrijfster met een geheel eigen, zinderende toon.
- Het ontstemde brein. Vakliteratuur. Over faalangst bij muzikanten.
- Nader tot U van Gerard Reve. Om dezelfde reden daar als LOTR.
- Een prisma bloemlezing Verhalen uit de Franse romantiek, opgeraapt en meegenomen.
- Nescio, Boven 't dal. Zie LOTR.
- The Monk and the Philosopher. Wijsgeerde.

Liggend, rechts van het midden:

- Death of a Hollow Man
, deel 2 van de Midsomer Murders Mysteries van Caroline Graham. Ligt daar al lang. Zo leuk als de tv-serie is, zo taai zijn de boeken. Veel te woordenrijk, traag, geforceerd leuk, en bovendien lastig door het (deels gedateerde) Britse middle class slang. Nee, dan...
- ... Dickens. Ben nu bezig in Our Mutual Friend. In een mooie gebonden uitgave uit de 19e eeuw, gekocht op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui, en daarnaast als hulpje een Prisma-vertaling, verkregen uit een legaat. Zeker niet Dickens' beste, dit late boek. De personages en hun lotgevallen wekken te weinig empathie en de plot is onsamenhangend. Maar ik ben blij dat ik nu weet waar Jenny Wren, hoofdpersoon van het geniale liedje van Paul McCartney, vandaan komt.
- Tussen het Barnaby-boek en Dickens ligt nog Hocus Pocus, een raar boek van Kurt Vonnegut. Weet nog niet wat ik daarmee ga doen. Terug naar de straat?

Liggend, middenachter: twee recente kerstcadeautjes van mijn dochter. Prachtig verzorgde uitgaven van Roverandum en Farmer Giles of Ham, minder bekende werkjes (sprookjes) van Tolkien. Mag ik graag een stukje in lezen na mijn dagelijkse portie Dickens.

Tot slot de stapel rechts. Die bevat naast twee delen Midsomer Murders en een boek van de Dalai Lama mijn eigen kalenders Mindfulness. Om niet te vergeten. Voor een portie rust in motto-formaat als ik daar behoefte aan heb. Dat Dalai Lama-boek is overigens bedoeld als materiaal voor een volgende kalender. Vakliteratuur, dus eigenlijk: ik ben geëxcuseerd. 


dinsdag 18 augustus 2020

WERKEN

Het was bijna een half jaar geleden dat ik voor het laatst in het openbaar muziek had gemaakt. De mis ging er iets anders aan toe dan vroeger in het precovidium. Het koor was gereduceerd tot twee zangers ('cantores' genoemd) en de gemeente, met verantwoorde onderlinge afstand over de ruimte verdeeld, mocht niet hardop meezingen. Mummelen was toegestaan. Er waren gemarkeerde looprichtingen in de kerk. Bij de vredeswens schudden we elkaar niet plakkerig de hand maar maakten we een lichte buiging naar onze buren verderop, met de handen voor het hart gevouwen. De hostie werd uitgereikt met het soort tang waarmee je in de supermarkt je croissants oppakt, door een gemaskerde voorganger. De katholieke kerk, toch al vol rituelen, kon deze maskerade er nog wel bij hebben. Die tang zal ook wel van zilver zijn geweest, en met wijwater besprenkeld voor gebruik.
Wat hetzelfde was gebleven waren de liedjes. We putten uit ons vertrouwde repertoire. Ik moest extra mijn best doen om de ontbrekende drum- en baspartij met mijn piano te suggereren. Een voordeel daarvan was dat ik meer vrijheid had, ik hoefde me niet aan het vaste stramien te houden en kon vertragen of versnellen en variëren en verfraaien als ik daar zin in had. En dat had ik! Het was goed om dit weer te kunnen doen na al die tijd.

Toen ik thuiskwam was ik plotseling erg moe. Ik had die nacht wegens de hitte en een offensief van een paar kleine maar gemene muggen slecht geslapen  Ik strekte me op bed uit, sliep een uurtje bij, zette mijn panama op en ging naar de polder.
Daar zat ik in een stoel te kijken hoe mijn vriendin afgezaagde takken van de appelboom in stukjes knipte. In het zuiden, voorbij De Rijp, verzamelden zich donkere wolken. We staken de barbecue aan, ik joeg het vuur van appeltakjes op met een antieke blaasbalg. Bij het keren van de worstjes en de paddenstoelen had ik wel zo'n hostietang kunnen gebruiken, ik moest oppassen mijn vingers niet te branden. Tegen acht uur ruimden we haastig de buitentafel af want het begon te spetteren en er leek nu toch echt iets te gaan gebeuren in de hemel.
Een uur later was het zover. We liepen weg van Zomergasten en gingen in de deuropening staan kijken. De lucht werd melkwit en violet, bliksemschichten tekenden er geheimzinnige figuren in, te kortstondig om te kunnen ontcijferen. Het donderde van twee kanten, waar het zuidelijk en noordelijk gerommel samenkwam klonk een harde knal. De verkoolde takjes van de barbecue kregen een onverwacht tweede leven in de wind. De regen gutste neer en doofde de vlammen. Ik liep naar buiten, alleen gekleed in onderbroek, maar kwam snel weer binnen, de druppels waren groot, hard en ijskoud.

Het toeval wilde dat in de Maigret die ik op goed geluk als bedlectuur had uitgekozen hetzelfde aan de hand is. Er barst 'na een maand van droogte en hitte' een onweer los.
Onder de klamboe las ik: 'Een stormvlaag jaagt over de boulevard des Batignolles, waait wervelkolommen van stof op tot aan de ramen van de derde verdieping, rukt aan de zonneschermen van de cafés en plotseling volgt er een wolkbreuk die de trottoirs onder water zet, terwijl de voorbijgangers naar alle kanten wegstuiven en de taxi's in waaiers van water voor motorbootje spelen.'

Ik had verwacht dat ik de volgende dag een grote opluchting zou voelen. Maar ik verlangde eigenlijk meteen alweer terug naar die luie hitte, die je dwingt tot nietsdoen. Ik had de smaak van werken te pakken gekregen en nu strekten de dagen van de week zich weer leeg voor me uit.


(Fragment uit Maigret en het geval Picpus, Georges Simenon, vertaling B. Karsten-van Rossem)


vrijdag 14 augustus 2020

WACHTEN

Het is niet altijd leuk om in Amsterdam te wonen. Een van de minder bekende nadelen is dat het onweer dat op hete dagen voorspeld wordt zelden zo noordelijk komt. 's Morgens nog kijk ik hoopvol op mijn weer-app en zie aan wolkjes, schuine blauwe streepjes en gele flitsen dat de verlossing van deze drukkende hitte in zicht is. 's Middags om vijf uur wordt groot spektakel aan de hemel verwacht. Ik vertel het tegen mijn dochter, maar ze reageert sceptisch. 'Eerst zien!'
Terwijl ik de dag zo goed mogelijk doorkom kijk ik veel te vaak op mijn telefoon. Elk uur wordt de verwachting bijgesteld en het uur waarop regens koelte zullen brengen schuift steeds verder op.
Ik zie met kinderlijke jaloezie filmpjes voorbijkomen van familie in het midden des lands. Dikke druppels jagen langs de ramen en de kat verstopt zich voor de donderslagen. Op mijn balkon is het onverminderd ondraaglijk. Ik beweeg zo weinig mogelijk. 's Ochtends toen het nog redelijk te doen was heb ik aan een manuscript gewerkt, potloodje in de hand, de middag breng ik door met een oude Maigret, die ik uitgekozen heb om de zomerse sfeer. Ik puf met de dikke commissaris mee, ben blij dat ik geen colbert en overhemd hoef te dragen zoals hij, maar jaloers op zijn gulzig weggedronken pernods en biertjes - zelf sta ik een weekje of twee helemaal droog om van de vakantie bij te komen. 
In de namiddag is het boek uit. Ik wacht met eten maken tot de avond is gevallen. Ik wacht met alles, ik wacht op iets. De stoel kleeft aan mijn rug. De app geeft nog enige hoop: met een beetje geluk zal ik me nog voor ik ga slapen kunnen verlustigen in een 'zware onweersbui'.
De tijd verstrijkt. De zware onweersbui is vervangen door 'verspreide onweersbuien'.
Om negen uur, nadat ik mijn pizza met tonijn heb gegeten en naar het nieuws heb gekeken, meldt de app dat er op dit precieze moment 'lichte regen' valt over Amsterdam. Ik kijk naar buiten en zie niks. Er ruist niks op de bladeren van de grote boom die mijn binnentuin domineert.
Tien uur. Ik zit nog steeds te wachten. Mijn rug begint pijn te doen, ik voel een krampje in mijn kuit. Mijn sigaartje smaakt me niet. Ik drink water met citroen, niet koud genoeg. De lucht is dik en klam. Mijn dochters zijn thuisgekomen en hebben ook plaats genomen op het balkon. Ze hebben een lantaarn aangestoken, een paar kaarsjes, en zich een bier ingeschonken. Het is bijna helemaal donker. Vleermuisjes fladderen af en aan, de katten nemen niet de moeite om er meer dan een lui oogje aan te wagen.
Elf uur. Het zware noodweer is nu helemaal uit de meteorologische voorspellingen geschrapt. Hoogstens wat regen in de nacht, als ik allang hoop te slapen, onder een dun lakentje. Het is nog steeds plakkerig en drukkend warm.
Berustend ga ik naar bed.


dinsdag 12 november 2019

SUBTEKST

Het was gezellig tijdens het etentje dat volgde op de laatste voorstelling. Een tripel had me over mijn vermoeidheid heen getild en ik deed van harte mee aan de kakofonie om me heen. Nadat ik met de oude tenor tegenover me de verdiensten van een aantal zangers van nu had besproken en wat anekdotes had uitgewisseld over de helden van toen raakte ik in gesprek met de jonge tenor naast me. Het register wisselde. Over Heine ging het. Over zijn voorganger Wilhelm Müller. En over de subtekst onder de verzen, die we als interpreten moeten zien aan te boren. Hoe zorg je ervoor dat Schubert nog krachtig spreekt tot onze tijd? Ik hoorde mezelf op zeker moment lebensbejahend zeggen. Zelf was hij bezig, de jonge tenor, met een theatrale vormgeving van Die schöne Müllerin. Ik fronste mijn grijzende wenkbrauwen. Zijn muziek en tekst soms niet genoeg? Maar ach, de jeugd wil altijd meer. Zelf wil ik steeds minder. Minder indrukken, minder drukte in mijn hoofd. De liederen van Schubert hoef ik eigenlijk niet eens meer te zingen of te horen: in mijn hoofd bestaan er ideale versies van, samengesteld uit alle uitvoeringen die ik ooit hoorde, alle subteksten die er ooit bij heb bedacht.
De volgende morgen was datzelfde hoofd waarin op goede dagen zo prachtig wordt gezongen behoorlijk getergd. Het was dan ook een lange dag geweest, met een vroege repetitie in de kerk, een mis, een operettevoorstelling, en die opgewonden nazit. Ik had moeite met slapen gehad: te veel adrenaline, alcohol en nicotine - en ook nog eens volle maan. Ik ging naar buiten om de auto op te halen, die ik om logistieke redenen bij het theater had achtergelaten. De lucht was vuil grijs en er viel een confettiregen van dorre blaadjes. Flink voortstappen maar door de kou, dat hielp. Er schoten beelden en stemmen door me heen, onuitgenodigd, bliksemschichten in het doffe zwart, maar de suizende wind overstemde ze langzamerhand en uiteindelijk gaven ze het op.
Toch brachten zelfs een meditatiesessie en een middagdutje de harmonie nog niet terug. Ik kon me niet concentreren en werd al moe als ik aan lezen, schrijven en formuleren dacht. Het zou een kwestie van tijd worden, vermoedde ik, voor het geplaagde innerlijk geheeld was.
's Avonds had ik weer een repetitie. Buiten was het druk, zo druk als het in mijn hoofd was geweest, overal auto's, schitterend licht, beweging, lawaai. Een laat spitsuur. Sint Maarten, bovendien. Liedjes verwaaiden, de regen sabelde wreed op lampionnetjes neer, ouders probeerden de vlammetjes met hun paraplu's te beschermen.
Net toen ik in de auto stapte kwam er een appje binnen van mijn vriendin.
Succes en doe je das om!
Ja mevrouw Maigret, appte ik terug. Ik dacht aan een vergeeld pocketboekje en een leeslampje. Nog een paar uurtjes maar! Ik gaf gas, stuurde iets naar rechts en scheurde lebensbejahend door hoog opspattende plassen.

dinsdag 16 juli 2019

UIVERSCHOUW

Ik ben niet de enige die eraan doet. Door de tijdstippen waarop ik naar het park ga te variëren krijg ik langzamerhand zicht op de aard en omvang van de club. De meesten zijn beschaafde buurtbewoners met een hart voor het park, zoals je zou verwachten; gepensioneerde vogelaars, oude dames die om een praatje verlegen zitten. Maar er zijn ook anderen. Zoals de stille witte man die op een scootmobiel komt. Hij hijst zich moeizaam op een bankje. Soms eet hij een boterham. De laatste kruimels voert hij aan de ganzen. Altijd haalt hij een wilde Havana uit zijn windjack tevoorschijn die hij zorgvuldig aansteekt en langzaam oprookt, de blauwe rook staart hij peinzend na. Of zoals de lange zwarte man met de enorme vierkante ringen aan zijn pezige vingers. Hij laaft zich aan een constante stroom Afrikaanse muziek, klapt af en toe mee. Op zijn schoot ligt een verrekijker die hij regelmatig op het nest richt.

Voorbijgangers kijken even op naar het wiel met de grote vogels. Aan hun reactie hoor ik uit welk land ze komen, want iedereen benoemt verrast wat hij ziet. Stork, Eiber, cigogne, cigüeña. Herken ik de klanken niet, dan weet ik dat daar zojuist 'ooievaar' is gezegd in een mij onbekende taal. Een wetenschap waar je totaal niets aan hebt.

Ik ben er vorig jaar mee begonnen. Toen waren er vijf jongen, een uitzonderlijk aantal. Nog uitzonderlijker was dat ze alle vijf bleven leven en gezond opgroeiden. Tegen het eind van juli zag ik op een strakblauwe en stikhete middag hoe ze proefvluchten maakten: in steeds wijdere kringen scheerden ze met z'n vijven over Amsterdam-Zuid. Het was een koninklijk gezicht. Een meter of honderd erboven cirkelde vader of moeder om een oogje in het zeil te houden.

Dit jaar waren er drie. Een heeft het niet overleefd. De twee blijvertjes zijn nu praktisch volgroeid. Het rechtop staan, al dan niet op één poot, verveelt ze. Ze flappen ongeduldig met hun vleugels. Gisteren zag ik hoe de meest voorlijke van het stel uit het nest sprong en een rondje vloog. Het ging hem (of haar) goed af. Het moeilijkste was het landen op het nest tegen de luchtstroom in. Zij (of hij) stuurde paniekerig bij met haar vleugels, zijn poten spartelden in de lucht op zoek naar houvast. Toen het gelukt was klepperden ze allebei opgewonden.

Ik heb altijd al graag op bankjes gezeten maar lang hield ik het nooit vol. De duur van een pijp of een halve liter bier, in mijn natte dagen. Nu ga ik er met voorpret naartoe. Ik ga goed rechtop zitten, leg mijn handen op mijn bovenbenen, installeer me alsof ik ga mediteren. Ik ontspan me, regel mijn adem en begin te staren. Naar de langbenige vogels daar op dat wiel, naar de grote boom naast het nest die tegen de grijze lucht beweegt als een levend schilderij van Ruysdael, naar de ganzenfamilie waarvan de ouders zo waakzaam zijn dat het aan hysterie grenst. Ik stel het moment van opstaan uit. Er is geen noodzaak, geen haast. 
In mijn Maigrets zitten straatschuimers en oude besjes rustig een hele dag in een Parijs plantsoentje te niksen. Dat is voor mij nog toekomstmuziek, maar een uur red ik tegenwoordig makkelijk, dankzij de ooievaars.



vrijdag 12 juli 2019

Voorheen Rookzangers Notitieblog (26)


1.

Men weet te weinig. Of juist te veel. Zelden precies genoeg.
Ik lees over Heinrich Heine en hoe meer ik te weten kom, hoe meer mijn eerdere kennis tekort lijkt te schieten. Kleuterkennis was dat. Maar die kleuterkennis leverde wel een hanteerbaar, intuïtief totaalbeeld op, terwijl mijn inmiddels exponentieel gegroeide grotemensenkennis alleen maar gaten laat zien en vragen opwerpt.
Heine was het prototype van de moderne Europese intellectueel, lees ik ergens. En verdomd, ik geloof dat het waar is. Weg is het beeld van de romantische dichter met een ironische twist - dat van een gestudeerd man, een gewiekst journalist, een letterkundig carrièremaker en vilein polemist, een internationaal georiënteerd, cynisch geëngageerd, complex, stekelig én gevoelig mens komt ervoor in de plaats. Een ongrijpbaar fenomeen vol tegenstrijdigheden. Als essayist Maarten Doorman in zijn artikel Heinrich Heine, idealist zonder ideologie (2006) ook nog eens tussen neus en lippen door een betere vertaling aanbiedt van het tweede kwatrijn van 'mijn' gedichtje van afgelopen dinsdag (rijmwoorden mop/op), besluit ik af te haken. Ik heb vakantie. En ik wil mijn oude Heine terug. Het vanzelfsprekende begrip Heine, de tekstdichter van mijn geliefde romantische componisten, van wie ik net genoeg wist om hem interessant te vinden.

Maar eerst nog dit:

Als ik 's morgens langs je huis loop,
En omhoog kijk naar je raam,
Dan ben ik blij, m'n kleintje,
Om jou daar te zien staan.

Met je mooie zwartbruine ogen
Kijk jij me vorsend aan:
'Wie ben jij, en wat scheelt je?
En waar kom jij vandaan?'

Ik ben een Duitse dichter,
In heel dat land beroemd;
Noemt men de grootste namen,
Dan wordt ook de mijne genoemd.

En wat mij scheelt, m'n kleintje?
Ik ben net als mijn land gedoemd;
Noemt men de ergste kwalen,
Dan wordt ook de mijne genoemd.

(Die Heimkehr, nr. 13; vertaling: J.-P. v. S.)


2.

Ik heb al eens verteld hoe de kleinkinderen van Koos Grosman me belden, nadat ze mijn blogs over hun opa hadden gelezen. (Zie onder labels.)
Vorige week werd ik benaderd door de eigenaar van een kringloopcentrum in Vaassen. Hij had een schilderijtje van 'mijn schilderende oom' in handen gekregen. Enig speurwerk bracht hem bij mij. Had ik interesse?
Ik mailde de kleinzoon. Die wilde het schilderij graag hebben en vroeg of ik de transactie wilde afhandelen.
Zo stond ik vorige week met een olieverfpaneeltje in mijn hand. Een getormenteerde Christuskop, de doornen beten in zijn hoofd. De kleinzoon kwam en samen keken we ernaar. 'Kunstig', vond hij het. Ik vroeg me af of ik er een soort boetedoening in moest zien: de Christus had in het oog springende Semitische trekken. Maar ik besloot die gedachte niet te uiten en ook dit hoofdstuk te sluiten.


3.

Gisteren werd ik gebeld door een Haagse Maigret-liefhebber. Hij was al lang op zoek naar het beeldje van de commissaris dat ooit was gemaakt om potentiële kopers van de luxe verzameluitgave over de streep te trekken. Hij had mijn blog gelezen en wist dat ik het begeerde sculptuurtje bezat. Hij kon zich voorstellen dat ik er geen afstand van zou willen doen, maar mocht ik dat toch willen overwegen, dan was hij bereid er een goede prijs voor te bieden.
Ik moest hem teleurstellen.
Soms lijkt dit blog wel een soort uithangbord.


(Illustratie: cover van kunstmagazine 'Die Jugend', nr. 7 uit 1906, door Sergey Solomko (1867-1928))

vrijdag 12 april 2019

METRO

In Maigret s'amuse (Maigret incognito in de vertaling van Halbo C. Kool) is de commissaris op vakantie in eigen stad. Hij vermaakt zich door via de kranten een moordzaak te volgen. Hij kan het niet laten: in blokletters schrijft hij anonieme briefjes aan zijn ondergeschikten om die op het goede spoor te zetten. Maar dat is maar spel. Elke dag gaat hij uit wandelen met mevrouw Maigret, ze zitten op terrasjes en dineren of lunchen in eethuisjes waar hij altijd al eens wilde eten.

Gisteren stapte ik uit pure lentekolder in de metro. Ik vond het opeens gek dat ik nog nooit de Noord/Zuidlijn had bereden. De roltrap omlaag was ongemakkelijk lang, er was diep gegraven hier in de Pijp. Ik wilde naar de stad, maar nam de verkeerde lijn en stapte op het Europaplein weer uit. Trein plus gewelf waren leeg en er was geen sensatie van reizen geweest. Ik klom omhoog naar het daglicht en was plotseling, als bij toverslag, in een ander stuk stad, dat ik echter heel goed kende. En ik kende ook de normale weg ernaartoe vanuit de opstaphalte, voetstap voor voetstap. Omdat ik die nu had overgeslagen bekeek ik deze buurt, die van de RAI, met frisse ogen. Ik zag haar als vanuit een drone of helikopter, als van een afstand. Een aflevering van Rail Away. 
Ik heb de metro's van verschillende wereldsteden bereden maar daar was dat vervreemdende effect veel minder aanwezig, omdat ik de buurten die ik - ondergronds - oversloeg, niet of nauwelijks kende. Nu maakte ik een sprongetje over mijn vertrouwde stad door eronderdoor te schieten. Het was zoiets - stelde ik me voor - als wakker worden uit de droomloze slaap die narcose heet. De knop gaat uit. Je bent er niet. De knop gaat aan. Je bent er weer - maar ergens anders, verderop.

Ik vond het een onverwachte ervaring en voelde me net als Maigret op vakantie in eigen stad. Anders dan de commissaris ging ik geen kannetje lichtrode wijn op het Place du Tertre drinken want het was nog te vroeg op de dag.

Ik schrijf dit in het Wertheimpark, tegenover de Hortus Botanicus. Het Wertheimpark, eerder een plantsoen eigenlijk, wordt bewaakt door twee gevleugelde fabeldieren die elk een lantaarn torsen. Het heeft een paar monumentale bomen, vleugelnoten als ik het wel heb. Dit is de voormalige Jodenbuurt. De gebarsten spiegels van het Auschwitzmonument van Jan Wolkers reflecteren de kil-schitterende aprilhemel. Het is alsof het witgouden licht uit een ontzaglijke schenkkan over de wereld wordt uitgegoten. Het gutst over ons heen. Ik ben te vroeg voor een afspraak hier in de buurt en zit op een bankje. De bladknoppen, sprinkhaangroen, staan op bersten, de bloesems hebben die vette, stulpende bloei bereikt die voorafgaat aan verval en bederf. Honden blaffen goedgeluimd en maken er een feestje van: ze paraderen waakzaam, het licht ketst in hun ogen, ze rollen ruggelings in de aarde. Ik herinner me opeens dat ik daarnet in het Oosterpark een kraai zag die een harde broodkorst in een fonteintje liet weken, een paar slokjes dronk, en met het ondertussen zacht geworden brood naar een veilige plek vloog. Kraaien zijn slimmer dan honden en toch net zo vrolijk. Er rinkelt een bel. De brug over de Nieuwe Herengracht gaat omhoog. Een schuit die Nelly heet glijdt door de gracht. Als Nelly gepasseerd is klinkt de bel opnieuw en de brug zakt. De tram steekt als eerste over.
Ik loop naar mijn afspraak in de Rapenburgerstraat. Zoek het goede nummer. Met verbazing kijk ik naar de gevel. Nederlands Israëlitisch Meisjesweeshuis, staat er in reliëfletters. Even later zit ik in een ruim en smaakvol ingericht appartement. Hier was tot 1943 de ziekenzaal van de Joodse weesmeisjes, leer ik van mijn gastvrouw. Ik zeg dat ik het nogal wat vind om zó in de geschiedenis te wonen. Ze beaamt dat. Ik sla mijn partituur open en we gaan over tot de orde van de dag.

Op de terugweg neem ik bij de Vijzelgracht opnieuw de metro. Totaal zinloos, want in de tien minuten die het me kost om die helse trappen af te dalen en te bestijgen, te wachten in het gewelf en op de tube te rijden, had ik makkelijk de Ferdinand Bolstraat uit kunnen lopen.


dinsdag 2 april 2019

KLEDERDRACHT


In mijn vorige blog schreef ik over plankenkoorts. Ik citeerde Eckhart Tolle: 'Als er geen uitweg is, dan is er altijd nog een weg doorheen'.

Maar hoe doe je dat dan, erdoorheen gaan? Hoe voorkom je dat je apathisch in een stoel gaat zitten staren naar dat ding in de toekomst, machteloos en verlamd? Voor de trouwe lezers van dit blog, die zich afvragen hoe het gegaan is het afgelopen weekeind, beantwoord ik die hypothetische vraag.
In de eerste plaats, zorg dat je van tevoren bezigheden of liever nog verplichtingen regelt. Zodat je wel in beweging moet blijven, en je niet toch op het laatste moment maar liever wegkruipt in een hoekje.
Natuurlijk had ik verhoging, zaterdag. Natuurlijk was ik verkouden. Prachtig weer, misschien een beetje hooikoorts. Maar indachtig wat ik de dag ervoor op deze plaats geschreven had belde ik niet af, maar klom naast mijn vriendin in het gebutste autootje. We reden naar de Veluwe, naar Epe, waar een jeugdvriendin van haar schilderijen tentoonstelde.
In het Veluws Museum Hagedoorns Plaatse was het stampvol. Men had gemeend drie openingen tegelijk te moeten verrichten. Kampens zilver, klederdrachtpoppen uit de verzameling van Prinses Juliana, en die schilderijen - ach, waarom apart, waarom moeilijk doen?
In het bovenzaaltje stond ik te zweten tussen alle grijze koppen. In het midden zaten rond een tafel levende poppen. Ingesnoerde vrouwen met hoofdijzers en een man met een Rien Poortvliet-baard. Ik heb het niet zo op klederdracht, en vind het vooral bizar als de aldus uitgedoste anachronismen van een glas droge witte wijn zitten te nippen in plaats van een glaasje Zwienenbitter. De man van het zilver begon een lang verhaal, dat hij beloofde kort te zullen houden. Ik wist genoeg, wrong me de trap af en ging naar buiten, hoewel er een gemeen koude wind stond. Toen ik na een kwartiertje weer naar binnen liep hoorde ik hem zeggen: 'Maar dan nu, het Kampens zilver!' Ik ging in godsnaam de vitrines met folkloristische poppen maar even bestuderen. Ik voelde me verdwaald in een roman van Voskuil.
Toen alles uiteindelijk gezegd was en de beloofde hapjes en drankjes waren rondgedeeld, en nadat we de schilderijen bewonderd hadden, raakte ik in gesprek met de zoon van Pierre H. Dubois, die ik ken als Maigret-vertaler. Die zoon bewaart thuis nog een pijp die zijn vader van Simenon zelf heeft gekregen, met daarop de inscriptie Maigret. Ik vroeg hem of zijn vader eigenlijk ook romans geschreven had. Hij bevestigde dat maar voegde er minzaam aan toe dat dat allemaal niet zoveel voorgesteld had. Alleen een vertaalproject van het werk van Belle van Zuylen, dat hij samen met zijn vrouw had gedaan, had hem enige erkenning opgeleverd. Sommige mensen zijn te bescheiden, en breiden hun eigen bescheidenheid ook nog eens uit naar de verdiensten van hun naasten. Later googelde ik Dubois en trof een reusachtige staat van dienst, die onder meer bekroond was met de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre en maar liefst twee eredoctoraten.
Vervolgens raakte ik in gesprek met de schrijver Gerard van Emmerik, die vertelde elke week op donderdag naar zijn schrijfhuisje nabij Emst te fietsen vanuit Amsterdam. Een aardige man, die op een andere manier ook al bescheiden was: hij praatte met een luchtige en goed gehumeurde ironie over zichzelf, zijn verdiensten en de boekenwereld in het algemeen. We beloofden elkaars boeken te gaan lezen. Later googelde ik hem en trof ook hier weer veel meer reputatie aan dan uit het bittertafelgesprekje was gebleken. Hier was een les te leren, vond ik, want ikzelf, met mijn veel geringere staat van dienst, was best een beetje dikdoenerig geweest. Aan de andere kant: was onbescheidenheid niet eigenlijk een vergeeflijke beginnersfout? Over mijn oorspronkelijke vak, het zingen, de muziek, praat ik ook nog maar zo weinig mogelijk. De Veluwenaren wilden van alles weten over mijn drukke bezigheden de volgende dag, maar ik wuifde die maar het liefst een beetje weg. We aten in een grand café in Vaassen, in de buurt waarvan Van Emmeriks roman De kippenjongen speelt, en reden bijtijds terug naar Amsterdam, richting zomertijd, een korte nacht, en een overvolle zondag.
Die drukke bezigheden overigens, gingen uitstekend, en anders dan de vorige keer, toen ik mezelf was tegengevallen wegens te veel druk op de machineketel en te hoog opgeschroefde verwachtingen, had ik er nu een onversneden plezier in. En gelukkig mag ik nog een keer!

Als u mij in klederdracht wilt bewonderen, kom dan gerust op zondag 7 april naar de Muiderkerk in Amsterdam. Aanvang 14.30. Er zijn nog enkele kaarten.
Telefonisch reserveren via 06 33 92 33 32
Of stuur een email naar thalia.tickets@gmail.com



(Foto boven: Ellen Hink)

vrijdag 1 maart 2019

Verschaalde rook en kamermeisjes

Dat dokters ons ooit aanrieden om Camel te roken wist ik al. Maar pas geleden trof ik een veel recentere reclame voor sigaretten aan die in onze huidige ogen net zo bizar is. Johan Cruijff, aan de Hollandse koffietafel, bakkie erbij, die zegt: 'Veel mensen blijven graag een sigaretje roken. Ik ben er zelf een voorbeeld van. Maar ik vind: als je rookt, moet je wel verstandig roken.' Johan zocht een 'veilige' sigaret en vond baat bij Roxy Dual, teer- en nicotinearm. Het heeft hem niet geholpen.


Wat me het meest treft aan de reclame is die toon: 'blijven graag een sigaretje roken'. Dat vergoelijkende. Gezellige. Gemoedelijke. Het verkleinwoord zegt het al: het gaat hier om een vrij onschuldig vergrijp, om wat ze vroeger een pekelzonde noemden.

Toen het rookverbod in zou gaan was ik verontwaardigd. Om het feit dat ik niet meer gezellig met mijn pijp aan de leestafel van Wildschut zou kunnen zitten én om de betutteling: the nanny state - we gingen Amerika achterna. Inmiddels zijn we exact tien jaar verder en alleen het idee al dat ik in een openbare gelegenheid de brand in mijn tabak zou jagen (gesteld dat ik nog zou roken) vind ik ronduit idioot. Ze hebben gewonnen, de antirooklobbyisten: de mentaliteitsverandering heeft plaatsgevonden, we zijn succesvol gehersenspoeld, die vieze nicotinevlekken zijn uit ons brein gewassen. Roken in het openbaar is iets van vroeger geworden; roken in je privésfeer nog net niet, maar het wordt - ook door de rokers zelf - beschouwd als een serieus delict tegen de eigen gezondheid - bepaald geen pekelzonde.
   Er zijn al momenten dat ik dit blog bezie en me schaam voor de vlag waaronder het destijds de wereld is ingestuurd. Dan kijk ik naar mijn pijpencollectie, naar mijn portretten, mijn foto's en boekomslagen, en vind dat alles wat er vroeger zo 'sfeervol' en 'gezellig' aan was bij nader inzien niet deugde, en dat mijn zorgvuldig opgebouwde zelfbeeld ('peinzende pijproker') in vieze smook opgaat, of riekt naar verschaalde rook, kiest u maar een vergelijking.

Iets dergelijks gebeurt er met de seksuele moraal. Nee, dit is geen overmoedig grote sprong, luister maar: nog geen zeven jaar geleden ging het gesprek op een feestje over de affaire rond de oversekste Franse politicus Dominique Strauss-Kahn, in die tijd kortweg DSK genoemd. Ik maakte er een grapje over. Iets in de trant van: 'Ach, in Frankrijk is een kamermeisje nu eenmaal vogelvrij, dat hoort bij de cultuur, lees er Simenon maar op na.'
   Mijn geleerde vriend Saphier was niet geamuseerd en berispte me. Hoe kon ik zo luchtig doen over zo'n smerig zaakje? Ik was toen een beetje beduusd: ik zag nogal tegen Saphier op en voelde me op mijn nummer gezet. Maar zeven jaar later snap ik niet meer dat ik zo luchtig kón doen. We hebben #MeToo meegemaakt. We zijn weer een beetje wijzer. Met terugwerkende kracht heeft dat hele tijdperk van Simenon en zijn kamermeisjes zijn onschuld verloren. Zoals ook het tijdperk van Simenon met zijn driehonderd pijpen, de dokters met hun kamelen en Johan Cruijff met zijn sigaretje zijn onschuld kwijt is.

En daarmee verliest ook een wérkelijk onschuldig vermaak iets van zijn charme: lezen. Deze week las ik weer eens een paar Maigrets. Ooit schreef ik daar het volgende over: 

De wereld van Maigret is een donkere maar veilige wereld; zondig maar tegelijk kinderlijk onschuldig, ondanks alle moorden, ondanks al het schuim der aarde dat er overvloedig in optreedt. Een voorgoed verdwenen wereld vol dagelijkse pekelzonden en onbeduidende rituelen. Een wereld waarin schurken een hart hebben en brave burgermensen rotte plekken. Waarin iedereen in wezen zwak en daarmee sympathiek is. Waarin mensen zonder er veel aan te kunnen doen hun lot vervullen in een omgeving die alcoholisme, hoererij en hypocrisie schouderophalend accepteert. In het warme en smoezelige Frankrijk van Simenon wordt veel, zo niet alles vergeven. En dat maakt geruststellende bedlectuur.

Ik kan er niet meer met heel mijn hart achter staan. De antirooklobby en #MeToo hebben van mij een beter mens gemaakt maar mijn bedlectuur hebben ze een beetje verpest.




vrijdag 15 februari 2019

KLEPPEREN

Er lag een voorzichtige betovering over de dag. Op de windluwe terrasjes zaten de hoofdstedelijke hedonisten al in hemdsmouwen aan de sauvignon blanc. En waarom ook niet? Zij plukten de dag: was hij rijp om te oogsten, dan was dat zo, ook al klopte de datum volgens de boekjes nog niet. Ook de ooievaars keken slechts naar de hemeltekens en maalden niet om officiële lente, meteorologisch of niet. Ze scheerden in grote kringen over het park. Ik zag hoe rood hun bek was, hoe wit hun veren. Op het nog lege nest klepperden ze door de kop in de nek te werpen en castagnetten te spelen met hun snavels. Ze hadden er duidelijk zin in, het tempo van hun cyclus scheren en klepperen was vrij opgewonden, lag hoger dan later in het jaar. Ik herinnerde me dat ik twee jaar geleden iets geschreven had over die vogels en nam me voor het thuis op te zoeken.
Ondertussen vroeg ik me af of ik nu baard en haar al moest kortwieken, zoals ik meestal pas rond de eerste maart doe. En welke jas, welke trui te dragen? Wat ik nu aan had was duidelijk te warm.
Toen ik de straat was opgegaan en die betovering had bemerkt waren mijn gedachten onmiddellijk uitgegaan naar Maigret. Dat is steun zoeken bij een soortgenoot: de ene onbuigzame mens klampt zich vast aan de vertrouwde gewoontes van die andere liefhebber van geruststellende routine. Maigret laat voor het eerst van het jaar zijn overjas in de kast en loopt met open jasje door de eerste lentedag. Zijn pas wordt minder doelbewust, hij kijkt goed om zich heen. Jeugdherinneringen komen in hem op. Degelijke passages zijn her en der te vinden in de reeks. Maar nooit spelen ze medio februari.
Ik heb het vast wel eens gezegd op deze plek: ik ben, met al mijn inspanningen, een erg slechte zen-student. Ik blijf me verzetten tegen zaken waartegen zich verzetten totaal zinloos is. Tegen verandering, vooral. Meestromen met de onvermijdelijke loop der dingen lukt me slecht.
Thuisgekomen zocht ik zo'n Simenon-passage over de eerste lentedag op. Ik vond er een op op de eerste pagina van Maigret en de clochard. In gedachten verving ik 25 maart door 14 februari.
Daarna zocht ik de ooievaars op die mijn blog destijds niet gehaald hadden. Ook die tekst kon ik traceren. Het was een raar probeersel, maar het snel en succesvol opzoeken van beide teksten was prettig. Ik ging voor de spiegel staan en knipte een voorzichtig stukje baard af. Nu nog een tijdelijke jas uitzoeken en alles was weer in orde.


vrijdag 23 november 2018

De taxi van Maigret


Mijn eerste Maigret las ik in de trein. In de boekenkasten van mijn ouders stonden een paar verdwaalde Simenons. Ik had De poes weleens gelezen en vond het een goed maar ook deprimerend boek. Ik zocht toen (ik was twintig) iets anders in de literatuur dan het dagelijks leven. De kleine tragedies van het gewone bestaan wilde ik juist ontvluchten. Waarom zou ik in boeken iets willen vinden dat al ampel voorhanden was als ik om me heen keek? Literatuur moest poorten openen naar andere, grotere en mooiere werelden, naar andere tijden, naar meeslepende levens en woeste fantasieën. In Le chat was niets van dat alles aanwezig. Een treurige, benauwde huiskamer waarin twee oude mensen elkaar stilzwijgend haten en uiteindelijk dood pesten, dat was bepaald niet wat ik zocht als ik me losmaakte van mijn te krappe omgeving en me in een boek terugtrok.
   Het deeltje Maigret had ik uit de kast gepakt bij gebrek aan beter. Ik had even niets te lezen en besloot dan maar een krimi te proberen. Ik had genoten van de Ellery Queen-reeks. Dit was ongetwijfeld veel oubolliger, sprankelende taal en slimme grappen verwachtte ik niet in dit stoffige en vergeelde pocketboek, maar het verdiende een kans.
   Ik had het weekend bij mijn vriendin in Amsterdam doorgebracht. Zaterdag was het nachtwerk geworden en ik keerde op zondagavond met een stevige kater terug. In het naargeestige TL-licht van de naar verschaalde tabaksrook stinkende coupé sloeg ik mijn Bruna-pocket open.
   Ik zat naast Maigret in een Parijse taxi. Het was een avond in het donkere seizoen en het regende. Mijn dikke reisgenoot, weggedoken in zijn wollen overjas, deed kleine trekjes aan zijn pijp en keek mijmerend uit het raam, naar de lichtjes van de stad die vervloeiden op het natte glas, naar de schimmen van haastig passerende mensen. Een intense behaaglijkheid kwam over me. De trein naar Amersfoort werd die Parijse taxi. Dit was precies hoe ik me wilde voelen: in een wolk van gepeins gehuld, veilig in mezelf verschanst.
   Ik heb - veel later - alle Maigrets gelezen en er veel plezier van gehad. Maar die ene passage heb ik nooit terug kunnen vinden.

vrijdag 28 april 2017

Een kouwelijke Koningsdag


'Die hoed moet ik beslist hebben! Kan ik die van u kopen? Het geeft niet wat hij kost!' De jongens waren tamelijk ver heen. Hun ogen schitterden net zo als het goudstof in de fles Gold Strike waarmee ze zwaaiden. Ik zei dat ik erg aan mijn hoed gehecht was en die niet van de hand wilde doen. Maar we waren nog niet van ze af.
'Ik heb nog nooit gepijpt, en ik heb nog nooit een pijp gerookt,' zei de andere jongen. 'Dat eerste wil graag zo houden, maar die tweede wens zag ik graag gehono...honoreerd.'
Nu, dat kon geregeld worden. Ik stak mijn pijp opnieuw aan en even later zogen de beide vrienden diep de rook van de baaitabak in.
'Lang niet zo zwaar als ik dacht,' was het oordeel. 'Wilt u in ruil een slokje?' Ik wilde eerst weigeren maar proefde toen sportief hun vuurwater terwijl zij mijn pijp rookten, er moest een selfie worden gemaakt. Uit Lisse kwamen ze. Mijn vriendin dreigde overspoeld te worden door hun oeverloze goede humeur, maar ik liep door, na een groet en een zwaai.
Op het terrasje van Sardegna waren mijn hoed en pijp ook al een attractie. 'Maigret!' stelde een zwaar bebaarde dertiger met een gouden oorring, mij ontwarend. Ik lachte, dat hoorde ik graag. Daar naderde mijn vriendin door de drukte, ze had zich weten los te rukken van de vrolijke jongens. We hadden moeie voeten en er was een tafeltje vrij. Waarom niet, al was het pas vier uur? Ik heb vroeger vaak in Sardegna gegeten, toen het nog een echt Sardijns restaurant was, en er lamsvlees met salsa verde van koriander en peterselie op het menu stond. Na de komst van de euro heeft de tent zich uit mijn portemonnee geprijsd, en tegenwoordig is het een gewone, te dure Italiaan in een te dure buurt, met verkeerde mensen, voornamelijk zeer blond en naar eigen mening zeer succesvol, en de godganse dag achter een wijnkoeler gezeten. Maar vandaag, op het carnaval dat Koningsdag is, vervielen vooroordelen samen met sociale grenzen, en zo zaten we even later, diep in onze winterjassen gedoken, buiten aan een tafeltje in de Cornelis Schuytstraat een knapperige pizza te eten. Naast ons streek een paar neer dat alleen wat wilde drinken. Dat kon niet, kregen ze te horen, dit was, ook op deze dag, uitsluitend een restaurant. Ze bestelden dan maar een tiramisu bij hun wijn, met twee vorkjes. Ik zou zoiets niet durven. En ook niet willen, trouwens. Ik ging naar binnen om af te rekenen, snoof met spijt de warme atmosfeer op, en zag mezelf daar weer zitten, zwaar bebaarde dertiger met een mooie vrouw en mooie kindertjes, naar eigen mening zeer succesvol, in een ander tijdperk.
Thuis stond ik lang onder een hete douche, wist niet wat te doen met de lege avond van deze rare dag, en kroop maar vroeg in bed met een laat negentiende-eeuwse uitgave van een roman van Dickens, die ik voor een euro op de vrijmarkt had gekocht. In de verte bonkte een elektronische beat. Later knalde er vuurwerk. Dat bracht me even terug naar mijn kindertijd, toen Koninginnedag werd besloten met een groot vuurwerk aan de Sloterplas. We waren niets gewend en vergaapten ons aan het spektakel. Andere tijden! Toen was het idee dat ik ooit een oudere meneer met hoed en pijp zou zijn ondenkbaar ver weg. 'Maigret...' gromde ik, terwijl ik het licht uitdeed en me genoeglijk in mijn warme dubbele dekbed draaide.


(Foto: Paulien Kop)


dinsdag 20 december 2016

Een haastig kerstfeest met Maigret

René Snoek heeft op zijn blog een serie geschreven over Troostlezen, ik kwam er toevallig op terecht toen ik de term, die ikzelf wilde introduceren, voor de zekerheid toch even googelde. In een stuk over Bob Evers schrijft hij: 'We komen hier bij een tweede sleutelbegrip van het Troostlezen: de eigen, besloten wereld. Troostboeken bevatten een afgesloten wereld, met eigen regels en wetten, die de onze misschien wel raakt, maar ook niet meer dan dat.'
Ik kende Snoek niet, maar hoefde slechts enkele alinea's van zijn blogs te lezen om te weten, dat we veel gemeen hebben. Mijn Troostlectuur heet, de trouwe lezer weet het, Maigret.
Ik was behoorlijk overspannen aan het raken. Mijn vriendin wreef me, niet voor het eerst, in dat ik alles altijd te goed wilde doen. Ik wilde altijd een tien halen, en moest mezelf de luxe gunnen om ook eens met een zesje tevreden te zijn. En waarom dook ik zo obsessief onder in de wereld van mijn vader, waarom had ik zo'n verbeten haast daarmee ? Hijzelf kon me toch niet meer bellen met de vraag 'zeg, dat boekje, is dat nou al eens af ?'...
Die avond stond ik voor de kast waarin al mijn deeltjes Simenon staan, en ik koos voor Un Noël de Maigret, Maigret viert kerstmis, in de vertaling van K.H. Romijn. Ik las daarin een passage die ik zo mooi vond, dat ik hem graag wil delen:

- Ik vraag me af of dat meisje wel gelukkig is, zuchtte mevrouw Maigret terwijl ze van tafel opstond om de koffie uit de keuken te halen.
Ze zag wel dat hij niet naar haar luisterde. Hij had zijn stoel achteruitgeschoven en stopte zijn pijp, terwijl hij naar de salamanderkachel keek die zacht snorde, met kleine, regelmatige vlammetjes die tegen de mica ruitjes speelden.
Ze voegde er, voor haar eigen voldoening, aan toe:
- Ik geloof dat dat ook niet kan, bij zo'n vrouw.
Hij glimlachte vaag tegen haar, zoals hij altijd deed als hij niet wist wat ze gezegd had, en verdiepte zich weer in het spel van de vlammetjes. Er waren minstens tien van dergelijke kachels in het huis, met hetzelfde gesnor, tien huiskamers waar dezelfde zondagsgeur hing, en het zou in het huis aan de overkant wel net zo zijn. In ieder appartement leefden mensen, die niet naar hun werk hoefden en het zich behaaglijk maakten, met wijn op tafel, gebak, de karaf met likeur die uit het dressoir zou komen, en door alle vensters viel hetzelfde harde, grauwe licht van een dag zonder zon naar binnen.


Als Simenon altijd op dit niveau geschreven zou hebben, zou hij werkelijk de grootheid zijn geweest waarvoor wij fans hem houden. Maar dat deed hij niet. Simenon was slordig - ook hij had haast, maar hij was tevreden met een zesje. Deze novelle, die zo ijzersterk begint, wordt - als zo vaak - ontsierd door een rommelige afwerking. Simenon wilde een plot die een reguliere Maigret zou hebben gedragen, proppen in het formaat van een lang verhaal, en dus wordt de trage tred van het begin al gauw een snelwandelpas; feiten worden op een rommelige hoop gegooid, en voor je het weet is het uit.
En toch, ondanks dat zesje en die haast, herlees ik Maigret, keer op keer, terwijl ik boeken die wel áf zijn, die helemaal zorgvuldig zijn gecomponeerd en vlekkeloos gestileerd zijn, niet kan herlezen, hoewel ze me toch bij eerste lezing intens plezier hebben gegeven. Simenon verveelt nooit, hij doet je naar meer verlangen, juist doordát zijn werk nooit helemaal bevredigt, is dat het ? Het zou een goed pleidooi zijn voor een wat lossere levenshouding: deze keer is het niet helemaal gelukt, tant pis, volgende keer beter !

vrijdag 29 juli 2016

ZOMERSTOP


Ik had iets beet, iets goeds, maar na De slimste mens was het spoorloos verdwenen. De rest van de avond kwelde me die lege plek in mijn hoofd.
In bed probeerde ik die akelige leegte, die een aanval van slapeloosheid leek in te leiden, te vullen met bemoedigende gedachten.
Lijstjes maken van wat je allemaal voor elkaar hebt gekregen, dat is goed voor de mens, hebben ze me verteld. Ik somde op, in een poging het angstige nihilisme voor te blijven. Het werd een mooi rijtje - ik had toch zeker wel wat ontspanning verdiend, ik mocht toch wel eens even niets doen en niets denken en nergens zin in hebben, na al dat harde werk?
Drie scheurkalenders, schreef het potloodje in mijn hoofd, een boek geschreven, twee boeken persklaar gemaakt, een bundeltje geredigeerd, de muziek voor een theaterstuk gecomponeerd, een productie voor volgend jaar in de startblokken gezet, een cd met liederen voorbereid. Chapeau, jongen, beweerde ik tegen mezelf.
Mijn gedachten dwaalden af naar mijn laatste klus. Ik had ertegenop gezien. In de afgelopen maand - mijn eigen koren waren al met zomerreces - verving ik de dirigente van operettevereniging Thalia. Het was op mijn pad gekomen, mijn dochter zingt bij die club. Ik was nerveus geweest om weer in die oude rol te stappen. Operette was iets van lang geleden, het hoorde al vele jaren niet meer bij mijn wereld. Bovendien was mijn vader ooit interim-dirigent geweest, in de jaren '70, bij dezelfde vereniging. Het voelde alsof ik hem moest vervangen in plaats van de dirigente. Hij kan het nou niet meer, ik moest het doen. Ik bereidde me grondig voor, studeerde piano en maakte me de partituren eigen. Het eerste wat ik zag toen ik de repetitieruimte binnenstapte was zijn vleugel, een notenhouten Kawai; een model dat ik buiten zijn studeerkamer nergens gezien heb.
De repetities gingen goed, hoogstens was ik de eerste keer wat hyperactief, iets te happig om een goede beurt te maken. Door de Plantagebuurt teruglopend door de zoele zomeravond voelde ik me vrolijk en vitaal. Maar na de laatste repetitie zette niet de ontspanning in die ik had verwacht. Het was alsof ik iets had gedaan dat heel erg onaf was. Alsof ik nu alsnog die afgebroken loopbaan moest afmaken. Had ik niet beter het verleden het verleden kunnen laten?
Nonsens, zei mijn verstand. Je kunt toch wel profiteren van oude kennis, zonder meteen helemaal van koers te moeten veranderen? Een uitstapje, meer niet, wees blij dat je nog iets kan doen met die vaardigheden van vroeger! Neuroot!
De slaap kwam niet. Kettingen van herinneringen regen zich associatief aaneen. Ik ging op mijn rug liggen en keek tegen de rosse achterkant van mijn oogleden aan. In mijn jeugd was dat een spelletje, in bed. Je ogen hard dichtknijpen en je vergapen aan de sterrenstelsels die uit elkaar spatten zodra je ze weer ontspande. Dat ik niet de enige was die dat deed wist ik sinds ik bij Simenon had gelezen dat ook Maigret dat kinderlijke spelletje soms nog speelde, in het schemergebied tussen waken en slapen.
De laatste keer dat ik op het display van mijn telefoontje keek was het ruim na vieren.
Maar ongemerkt moet de slaap zich over me ontfermd hebben, en vanochtend stond ik veranderd op. Trager dan anders liep ik naar mijn werkkamer. Ergens in deze slapeloze nacht moet het besluit gerijpt zijn om even vrijaf te nemen van alles, ook van dit blog. Hoogste tijd voor een zomerstop.
Terwijl ik dit tik kijk ik naar de hemel, die weinig goeds belooft voor vandaag. Maar ik ga er het beste van maken, neem ik me voor. En wat meer is: van al mijn bezigheden de komende tijd komt er niet één op een lijstje.


Ik wens u allen een goede tijd toe en zie u Deo volente te zijner tijd weer terug op deze plaats!