vrijdag 24 juli 2026

Thuis bij Jan Steen

 

Op een van mijn favoriete Jan Steens zien we de schilder als violist. Zijn aandacht wordt afgeleid door een grijnzende feeks achter hem, die hem aanmoedigt om te drinken. Ondertussen steelt een blonde versie van Amy Winehouse het zojuist verdiende geld uit zijn beurs. De vedelaar is danig van haar gecharmeerd, zo maakt de stenen pijp die uit zijn gulp omhoog wijst ons duidelijk. In werkelijkheid zal Steen dit model ook wel graag gezien hebben, want ze komt op meer schilderijen voor, met name op de protestantse versie van Het Sint Nicolaasfeest; dat zegt althans mijn oog, ik heb er niks over gelezen en misschien heb ik ongelijk en zie ik wulpse spoken. 

In De Lakenhal in Leiden vieren ze het vierhonderdste geboortejaar van Steen met een expositie: 'Thuis bij Jan Steen'. Een eeuw geleden telde de viering van Steens driehonderdste, eveneens in De Lakenhal, veel meer schilderijen: 78, uit binnen- en buitenland. Nu zijn het er 'slechts' 28, uitsluitend uit Nederlandse collecties; vervoer en verzekering van dit soort meesterwerken zijn vrijwel onbetaalbaar geworden. 
Ik liep er rustig rond, bekeek sommige doeken aandachtig, andere met minder interesse, wat me tot de voorlopige conclusie bracht dat Steen een wat onevenwichtige schilder is die de goede middelmaat plotseling spectaculair ontstijgt met brutale humor, ongehoord levendige details en karakters die ons over de eeuwen heen aankijken alsof het Leienaars van nu zijn.  
Zoals vaak bij tentoonstellingen moest mijn aandacht worden gewekt door iets onverwachts voor ik het geheel met enthousiasme kon bezien. Dit keer waren dat drie spelende kinderen.

De zalen zijn onderverdeeld door grote panelen waarop, naast tekst, details van de schilderijen zijn afgedrukt. Ik zag ze en was verrukt door die drie: een jongen en een meisje die aan het knikkeren zijn en een kleiner meisje met een pop in haar armen dat de meest geheimzinnige, donkere, ondoorgrondelijke ogen heeft die je je kunt voorstellen. Wat er in haar omgaat is een kosmisch raadsel. De oudere twee praten en lachen en opeens vroeg ik me af hoe het Hollands dat zij in de zeventiende eeuw spraken geklonken zou hebben: zo levend sprongen ze uit de verf dat ik ze meende te kunnen horen; kon ik de demper maar uitschakelen! 
En vooral vroeg ik me af hoe het kon dat ik dit briljante schilderij had gemist! Ik ging de zalen nog eens rond, en nog een keer, een derde keer geassisteerd door mijn vriendin. Nergens!
Pas toen ik het slimme idee kreeg om op de reproductie te zoeken naar een naam had ik beet. Gewapend met "Laban zoekt de door Rachel gestolen terafim" ging ik ten vierde male door de zalen. En ja: daar hing het, een Bijbels tafereel uit 1661 dat me in eerste instantie niet zoveel had gezegd. Bijbelse taferelen, - och... Maar nu kon ik al die gekostumeerde mensen die iets bijbels aan het doen waren negeren en me focussen op de eerst niet opgemerkte spelende kinderen, en op dat vredig slapende hondje, die helemaal niets te maken hadden met dat volwassen gedoe om hen heen en in zalige afzijdigheid zich wijdden aan hun spel, hun slaap. 
De onpeilbare blik van het poppenmeisje kwam beter uit de verf in de uitvergroting; die liet pas zien wat een begenadigd fijnschilder Steen was. Ook de afbeelding hieronder doet er geen recht aan. Via deze link kunt u een iets betere indruk krijgen. 

Hongerig en dorstig geworden door al die uitbundige taferelen deden we de nagedachtenis van de schilderende kroegbaas eer aan op terras en in restaurant. De volgende morgen stond er na een ontbijt in Stadsbakkerij Water & Bloem Japanse kunst op het programma, in het SieboldHuis. Maar eer we daar aankwamen waren we al wandelend geheel doorweekt geraakt door een onverwachte, fijne maar o zo natte miezerregen die ons verlangen deed naar een warme auto. 
Steen en Japan: misschien was het ook niet zo'n goede combinatie geweest.


vrijdag 17 juli 2026

Ich habe die Ehr, Ihr Rezensent zu sein

In jeugdige overmoed solliciteerde ik eind jaren 70 naar de positie van muziekrecensent bij de Amersfoortse Courant, toen nog een zelfstandig dagbladIk kwam uit een muzikaal milieu, had een vaardige pen, wist veel van muziek en beoefende die zelf als hobby: ik achtte mijzelf dus best gekwalificeerd. De krant vond dat ook: ik ging met de trein naar een zangrecital in Harderwijk, schreef een proefkritiekje en werd aangenomen. Vijf tientjes per stukje, een vetpot was het niet.
Ik zou het blijven doen tot ik zelf het podium op ging. Het leek me niet kies om anderen de maat te nemen die feitelijk jouw collega's zijn. Mijn verleden als criticus leidde weleens tot pijnlijke momenten. Een dirigent met wie ik kwam samen te werken was mijn recensie over zijn Lucas Passie van Telemann ("bloedeloos") nog niet vergeten en het kostte wat tijd om de kreukels in onze relatie glad te strijken -  gelukkig had ik ook vleiende dingen over hem geschreven, bij een andere gelegenheid. 

Op 29 januari 1980 schreef ik:

Onlangs nog las ik in een landelijk ochtendblad, dat een bepaalde uitvoering "er best mee door kon", dat het resultaat "wel aardig" was, en dat men zich "er niet eens zó zwaar aan had vertild". Afgezien van het onbeschaamd cynisme van deze vakbroeder, ligt die gevoelsafstomping, die waterige halfslachtigheid niet aan de muziek zelf, noch waarschijnlijk aan de uitvoerders, maar aan het dovend vuur binnen de luisteraar. Ik herinner me hoe ik, met vrienden, vol genotvolle hartenpijn kon dwepen bij Puccini of Rachmaninoff, - de mandfles Chianti op tafel; die intensiteit is helaas vaak tot een "wel aardig vinden" verworden. 

Dat zou mijn credo worden. De uitvoerders deden hun best. Als het allemaal niet zo fijn overkwam kon dat net zo goed aan de luisteraar liggen. Mildheid was het die me leidde.
Alleen in het geval van de authentieke uitvoeringspraktijk (toen nog relatief nieuw) schoot die mildheid nogal eens tekort. Want mijn vader was fout geweest in de barokoorlog (zoals bas-bariton Lieuwe Visser ooit grapte over bas-bariton Henk Smit) en die halve musicologen waren in zijn ogen allemaal cerebrale opportunisten die uit gebrek aan talent naar de historisch verantwoorde vedel of kromhoorn grepen. Als ik die stukjes teruglees schaam ik mij diep. Om het goed te maken speel ik nu luit, zo zacht mogelijk. 

Vanmorgen was ik bij mijn vriend Geerten Meijsing. Hij was zichtbaar ontdaan door een recensie van Carel Peeters in VN. Voor Geerten Meijsing is mislukken een verdienmodel. Een kop om je dag bij voorbaat kapot te maken.
We deelden onze gedachten over het wezen van literaire kritiek. Als je een boek of een schrijver écht niet lust moet je er niet over schrijven, daarover waren we het eens. De tijd van de kunstpausen die bepalen welk leesvoer goed is voor ons gewone mensen is voorbij. Reich-Ranicki en Zeeman zijn dood. Wat heb je aan critici die, vaak met persoonlijke motieven, soms met drijfveren, geboren uit rancune, geen groter genoegen kennen dan een auteur, die jaren aan een boek heeft gewerkt en daaraan zijn beste vermogens heeft gewijd, te kleineren en zelfs te ridiculiseren? Wie is daarbij gebaat, behalve het ego van de criticaster of de handenwrijvende vijanden van betreffende auteur? De lezer nooit. Zelfs als die welwillend is zal er een smet op zijn verwachting blijven - waar rook is, is vuur. 
En voor de kunstenaar kan de schade ernstig en langdurig zijn. Bovengenoemde Rachmaninoff was zo kapot van een vernietigende recensie van zijn eerste symfonie dat hij jarenlang tot niets meer kwam; pas na psychotherapie en hypnose raakte hij er bovenop, en nam glorieus wraak met zijn nog steeds geliefde Tweede Pianoconcert.

De Nederlandse literaire productie is, afgezien van een paar verkoopcijferkanonnen, qua commerciële baten marginaal. De lezerskring van "moeilijke boeken" is niet groot. Een zaak van serieuze, loyale liefhebbers. Die liefhebbers hebben niets aan een negatief uitgangspunt en zitten niet te wachten op een negatieve conclusie. Ze willen zélf bepalen wat ze van het boek vinden en hoeven dat niet voorgekauwd te krijgen. Het enig overgebleven bestaansrecht van de kritiek lijkt mij dan ook in het neutrale verlengde te liggen van de promotie. Herren und Damen Rezensent! Doe de literatuur een lol en probeer door goede informatie meer zieltjes te winnen voor het boek dat u heeft uitgekozen om te bespreken. Denk aan de jonge Van Spaendonck, en wees daarbij mild en respectvol!

Dat het ook anders kan dan de zure, tendentieuze stukken van Carel Peeters, Jack van der Weiden en consorten bewees het stuk van Theo Hakkert in het online magazine VersTwee. Journalistiek goed onderbouwd, informatief, helder en wervend. HIER te lezen. 
Ja, ik ben bevooroordeeld. Maar ik deel zijn conclusie: een schitterend boek.


[Illustratie: Peter Muzeniek (1941). Titel: uit "Abschied" van Eduard Mörike]


vrijdag 10 juli 2026

KREUPEL



Een heerlijke blauwe dag, geen wolkje aan de hemel, warm, maar met een lichte bries: volmaakt weer, volmaakte omstandigheden. Helaas loopt Voorheen Rookzanger niet in de pas met de wereld. Hij loopt eigenlijk helemaal niet, tenzij je pijnlijk strompelen zo wilt definiëren. Vanochtend vroeg moest hij zijn auto naar de garage brengen voor de jaarlijkse APK-keuring. De terugweg te voet was er een vol pijnscheuten, de cocktail van ibuprofen en paracetamol was net toereikend om de ergste pijn te onderdrukken. En lopen is, na zitten, nog het best te doen: liggen, waar uw blogger erg van houdt, niet alleen met lezen doorgebrachte avonden en lange nachten maar ook midden op de dag, is een moeizame bezigheid in plaats van de ontspannen horizontale nulstand: hij draait zich, wentelt zich, moeizaam van de pijnlijke zijde op de minder pijnlijke zijde. Valt nu en dan in slaap maar lang duurt zo'n slaapje nooit.

En dat allemaal door een misstap en een ongelukkige val, hoe en waarom doet hier niet ter zake maar één ding is duidelijk: VH Rookzanger is op zijn zeventigste geen soepele jongeman meer.  
Het is bijna vier uur, de garage sluit officieel op dit uur haar deuren, dus ik heb waarschijnlijk nog een dag respijt en hoef niet nog een keer dat end naar de Van Ostadestraat te lopen (end? een rottig kwartiertje!) om het aanzienlijke bedrag te pinnen dat ik de monteurs schuldig ben; want een ongeluk komt zelden alleen: mijn karma, niet al te best op heden, voorzag naast een gekneusde ribbenkast ook in het vervangen van een distributieriem en nog een aantal volgens de garagist niet alleen aan te bevelen, maar eerder noodzakelijke ingrepen.
Daar staat dan weer tegenover dat er onverwacht een optreden op de agenda verscheen, volgende week donderdag; maar... of er gezongen kan worden met een torso waarin gewoon ademhalen al moeizaam gaat en bijvoorbeeld hoesten een felle pijnscheut oplevert, dat is nog helemaal de vraag.

En de binnenkort geplande vakantiereis? Ik herinner me die keer dat mijn vriendin - ik kende haar net - door een dol schaap werd aangevallen, terwijl ze over een toefje onkruid gebogen stond, de bot gehoornde schedel werd als een stormram in haar rug geplant, ze was daar weken, zelfs maanden zoet mee.
Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen, hopelijk valt het mee, ik wil niet voetstoots partij voor de zwartste scenario's kiezen.

Ik hoef de auto niet meer te besturen vandaag en schenk me een stevig bier in. Donker. Ondertussen vermaak ik me met de poëzie.

Een ziel

Van lijden vermoeid,
In hoop echter rijk,
Met bladfrisse kijk,
In liefde ontbloeid,
Zou men bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

Heeft jouw heugenis,
Mij zeer toegenegen,
Soms vleugels gekregen
Naar wat nog niet is?
Want ‘k zou bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

Ben jij in de lucht
Als die mij wil aaien:
Of onrust wil zaaien
Met onweersgerucht? 
Want ‘k zou bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

"Une âme", Marceline Desbordes-Valmore (1786-1859)
© vertaling: JPvS

[Illustratie: Paulus geneest de kreupele in Lystra (1663), Karel Dujardin (1626-1678)]

 

vrijdag 3 juli 2026

CARILLON


De weg ging niet, zoals gevreesd, door open vlaktes, maar baande zich, niet eens al te recht, door stroken groen vol berenklauw in volle bloei en zelfs door bos; jong bos, maar toch: bos. Windmolens waren er wel maar lang niet zoveel als in het noordoosten van deze polder.

We reden Zeewolde binnen. Een tuinstad zo te zien, zoals ik ze ken uit mijn jeugd, het rook er zelfs naar liguster. Weinig mensen op de been, wel op de fiets of op de scootmobiel. Ik liet mijn dochter achter bij de fysiotherapeut, de enige, volgens haar second-opinion-orthopeed, die raad weet met de schouderblessure waaraan ze, na een ongelukkige val, nu al anderhalf jaar lijdt.

Wat te doen het komende uur? Ik had een boekje bij me - Maigret et le clochard; Meijsings Gissing R.I.P. wilde ik voor thuis bewaren om in alle rust te genieten. Ik keek weifelend naar de fietspaden, de woondozen, het Geuzenveldse groen. In de verte zag ik een toren, net zo nieuw als de hele polderstad, geen kerk, maar toch een soort baken, waarschijnlijk een carillon.
Mijn ingewand besliste voor mij. Ik had plotseling tamelijk hevige aandrang. Als ik moet dan moet ik, zei mijn vader soms met een verontschuldigende glimlach na zijn prostaatoperatie. Zover is het bij mij gelukkig niet. Op weg dan maar: bij die klokkentoren zou toch wel iets van horeca zijn?

Ik passeerde een school met speelplaats en kwam als snel bij een Vomar, en een Lidl. Ik was warm. Rond een pleintje waren niet een of twee, maar wel drie cafés. Ik koos voor Grand Café Mens, tegenover een Wibra, vlakbij de toren die inderdaad, dat had ik goed gezien, even later een liedje begon te spelen. Het personeel hield zich afzijdig dus ik kon rustig eerst naar de wc gaan. Daarna zette ik me opgelucht aan een tafeltje buiten en liet me, nadat ik een serveerster had losgeweekt uit haar conversatie, een beugelflesje Paix Dieu brengen (ze sprak het uit als Pa Dieu). Even later begon het zachtjes te regen op de luifel, ik werd Zeewolde meer en meer welgezind.

Ook mijn dochter was opgelucht: de therapeute had een gunstige prognose gesteld en haar een reeks milde oefeningen meegegeven om thuis te doen, haaks op de ruwe en averechts werkende aanpak van de fysio in Amsterdam. Pas over een maand hoeft ze terug te komen.
Ik zie er nu al naar uit.



vrijdag 26 juni 2026

TITANIA


Mijn vader wilde zijn witte wijn goed koud toen dat nog niet gangbaar was. Als hem de temperatuur niet beviel vroeg hij de ober rustig om ijsblokjes. Ik schaamde me dan: stijlloos! Maar hem kon het niet zoveel schelen wat ze van hem dachten. Conventies waren maar conventies. Voor innerlijke beschaving ging hij door het vuur maar de zogenaamde goede smaak lapte hij aan zijn laars. Toch kon hij onverwachts op goede omgangsvormen staan. Dat wil gedaan zijn, zei hij dan.

Dinsdag besloten we tijdens de jaarlijkse vergadering van bestuur en dirigent om de repetitie op de woensdag af te blazen. Een tropenrooster of liever hitteplan ging in. Ik denk niet dat we dat hadden gedaan als we niet zo bang werden gemaakt door alarmerende kleurcodeberichten en overheidsoekazes. Van een beetje zingen in een redelijk koele sacristie is nog nooit iemand doodgegaan, denk ik. Mij kwam het wel goed uit: de vakantie begon de volgende dag. Rustig aan leven, tempo comodo, lezen bij de ventilatorop slippers en in korte broek naar de Appie slenteren, de dagelijkse parkmars hoefde even niet, ik was door de omstandigheden geëxcuseerd.
Prompt raakte ik in een creatieve stemming. Ik had tijdens de vergadering nieuwe koorliederen aangekondigd om de aanstaande jubileumuitvoering van de Linnaeus Cantate mee in te leiden. Ik sloeg een boek open dat ik ooit van straat had meegenomen, waarin ik alleen wat lusteloos had gebladerd maar dat ik te mooi uitgegeven vond om weg te doen: een echt koffietafelboek. Britain in Verse, glimmend papier, panoramische foto's van groene landschappen, een voorwoord van John Gielgud. Ik zocht op met name genoemde bloemen en vogels en koos na wat aarzelingen voor een fragment uit A Midsummer Night's Dream van Shakespeare. De cadans beviel me, ik ging aan de vleugel zitten en nog diezelfde dag had ik het in potloodschets op papier. 

Scheppingsroes is voor mij een heel gewoon woord. Ik heb het alleen al op dit blog verschillende keren gebruikt, in de zorgeloze overtuiging dat ik goed Nederlands bezigde. Maar de Van Dale kent het niet (wel -drang, -drift of -vreugde) en als je het op Google intikt krijg je nul hits. 
De volgende morgen was de eerste vlaag van scheppingsroes voorbij maar ik wilde mijn nieuwe lied nog niet loslaten. Ik bracht alles over in Dorico, nam er lekker de tijd voor, en verbeterde nog flink wat; daarmee zou ik ook de volgende dag doorgaan, want je moet ze nooit te snel de deur uit doen, deze geesteskindjes. 

Vanmorgen toen ik voor de genadeloze 37 graden zou toeslaan naar buiten ging om spullen voor een spaghetti alla puttanesca te halen en ampel witte wijn om ijskoud te drinken (proost pa!) merkte ik hoe de hitte mijn enthousiasme nog een tandje hoger zette. Al op het snikhete en beendroge Museumplein had ik mompelend de eerste twee verzen vertaald. Zomaar. Voor de lol. 

Titania

Ik ken een plek waar tijm uitbundig bloeit,
Waar sleutelbloem en ’t teer viooltje groeit;
Door kamperfoelie-weelde overdekt,
Met egelantier en rozen bont bevlekt:
Titania slaapt alle nachten hier,
Rust uit in ’t bloembed van haar dansplezier;
Een slangenhuid, glinsterend afgeschud,
Dekt ruim haar toe als ze is ingedut.


Illustratie: Titania Sleeps (1928) door Frank Cadogan Cowper (1877-1958)


vrijdag 19 juni 2026

Pruikzwam, leeuwenmanen, engelenhaar



Dat voedingssupplementen niet altijd onschuldig zijn leerde ik van Valdispert Stemming. Daarin zit het extract van iets dat rhodiola rosea heet, ofwel rozewortel, een vetplant uit de bergen. Niet combineren met antidepressiva waarschuwt de online drogist. Zo'n voorbehoud wil zeggen dat je met meer dan een homeopathisch toverpilletje te maken hebt: ook als je er niet in gelooft gebeurt er iets. Ik ontdekte al snel dat ik me opgewekter voelde door deze tabletjes, maar na een dag of wat prikkelbaar werd en pijnlijk helder ging dromen. Ik bracht de dosis terug van 3 naar maximaal 2 pillen per dag. Dat is de pest met die 'natuurlijke' medicatie: geen serieus onderzoek, geen sluitende dosering, in elk merk andere verhoudingen. Tegenwoordig komt Valdispert Stemming in één dagelijkse pil en heeft het voor mij afgedaan. 

Kortgeleden werd ik op internet lekker gemaakt voor iets dat Lion's Mane heet. Ik had wat last van geestelijke vermoeidheid en hersenmist en mijn zenuwgestel was ontregeld, er huisde een onderdrukte snik in mijn keel die maar iets nodig had om los te breken. Deze pruikzwam, zoals de schimmel in het Nederlands heet, stimuleerde de hersenen, begreep ik na kritische studie (er waren althans aanwijzingen dát...), en de toegevoegde hoeveelheden ijzer en vitamine B12 zouden die zenuwtjes wel even stabiliseren. 
Het potje kwam en ik slikte. Het effect was al snel merkbaar, en verbluffend. De mist trok op, de snik verdween en mijn concentratie was ongehoord: ik ontcijferde ingewikkelde akkoorden in een fractie van een seconde en sloeg alle noten goed aan nog voor ik me bewust was van wát ik speelde. Maar ook had ik het gevoel dat er iemand met me meeliep die me elk moment op mijn schouder kon tikken, en dat er gedachten waren die ik niet kon pakken. Ik kende dat nog van Prozac, vroeger. Toen ook die veel te heldere dromen kwamen gaf ik er de brui aan. Voor mij geen leeuwenmanen meer. 

                                                                         *

Mijn vaste kapper is verhuisd. Omdat ik geen zin had om met die warmte naar de Van Wou te lopen besloot ik vader en zoon Van Bolderick weer eens te bezoeken.
'Rook je nog sigaren?' vroeg ik. Senior was vroeger uit te tekenen met een bolknak, die hij op de vensterbank legde als hij moest knippen. 'Soms,' zei hij verontschuldigend. 'Maar in de zaak mag allang niet meer.'
De jongelui van Pieter Bas Kapsalons hebben iets met hoog haar. Wat ik ook zei, het bleef boven altijd te lang naar mijn smaak. Opscheren aan de zijkant moest ik ze juist weer streng verbieden.
Deze kapper, zelf kaal als een bruinverbrande biljartbal, had die scrupules niet. 'Goed kort,' had ik gezegd. Voor ik kon protesteren haalde hij een zoemende trimmer over mijn schedel en zag ik voor het eerst het stekeltjeskapsel zich aftekenen waarom ik nooit had durven vragen. Er kwam geen schaar aan te pas, wel tondeuses in soorten en maten. Toen ook mijn baard en snor met "een twee-tje" waren ingekort (stoppels ging me te ver) keek ik verbaasd in de spiegel en zei: 'Tien jaar jonger; nou ja, vijf.'
'Dat is op onze leeftijd al heel wat,' meende biljartbal.
Op de grond lag een ordeloze massa wit haar. 'Net een sinterklaasbaard,' vond ik.
'Meer iets voor in de kerstboom. Engelenhaar,' grinnikte hij.
Hij ging me voor naar de kassa. 'Doe maar vier tientjes,' zei hij goeiig, alsof hij me een persoonlijke gunst verleende. Een pin hadden ze niet. Hij riep zijn zoon, die buiten stond te bellen. 'Ries, een Tikkie!'


vrijdag 12 juni 2026

DUBBEL


In een van de boekenkasten in de G. t. B.-straat vind ik, verrast, een boekje dat ik thuis ook heb staan. Ik sla Bittere honing van Margreet Hirs open en zie de opdracht: Voor de heren van La Passione - con passione! - Margreet Hirs. Even duizelt het me en denk ik dat de wereld zich op geheimzinnige wijze heeft verdubbeld, tot ik me herinner dat ik Bittere honing uit huis heb geplaatst bij een poging om ruimte te scheppen in mijn bibliotheek. Ik had toen blijkbaar die opdracht niet gezien.
Wat nu te doen? Ik heb geen bijzondere herinneringen aan de boekpresentaties in Libreria Bonardi aan het Amsterdamse Entrepotdok die ik in de jaren '90 met kompaan Vincent opluisterde, en ik ga het boekje, een thriller, vrijwel zeker niet herlezen. Ik neem een foto van de titelpagina en zet het terug. Stoer.
(Het bescheiden gat in mijn boekenkast wordt ondertussen ruimschoots gevuld door de zwoel-spannende historische trilogie van Evert Zandstra: Het snoer en de kralen. Een boek dat ik als puber verslond, wel twee of drie keer. Nog niet lang geleden ontdekten we toevallig dat Zandstra (1897-1974) een buurman was van mijn vriendin, in Wageningen-Hoog: ze kwam er als kind over de vloer, in een romantisch huis in het bos met een rieten dak. Dat boek móest dus wel mee, niks aan te doen.)

Die duizelingwekkende magische verdubbeling van de dingen waarin ik een moment lang heb geloofd doet me denken aan onze Ierse reis van 1997. Ik pak er mijn dagboek bij.

'An Fairche, 20 juli 1997

... Bovenin het dorp, aan een klein pleintje, ligt Eddy's Guesthouse als een soort icoon van gastvrijheid in de middagzon. Het doet me denken aan een Frans plattelandshotelletje. 
Op de kamer ervaar ik het soort voorteken, of synchroniciteit, waarop ik een beetje had gehoopt, hier op het betoverde groene eiland. Boven de wastafel staat een exacte replica van mijn lievelingsglas, dat ik destijds heb meegenomen uit ons vakantiehuis in de Charente maritime. Werk van de fairies natuurlijk, om me "thuis" te brengen. Nu is het gedaan met alle verdooldheid en wereldangst.
Ook hangt op de gang het klaarblijkelijke origineel (ik wist niet eens dat er zoiets wás) van het Parijse tafereel van Koos Grosman dat bij opa en oma in de eetkamer hing. Dat wil zeggen: een reproductie natuurlijk, dezelfde reproductie waarnaar Koos G. zijn quasi impressionistische paneel schilderde, dat ik altijd voor authentiek eigen werk had gehouden.'

Dat favoriete glas was een klein waterglas opgebouwd uit geslepen facetten, als een insectenoog. Het paneel van 'ome' Koos (Jacques) Grosman stelde de bloemenmarkt in Parijs voor. Het origineel is, ontdekte ik heel veel later, van de Dordtse schilder Daan Mühlhaus (1907-1981). Waarom en hoe Koos het heeft nageschilderd (van een kalender, een ansichtkaart?) moet altijd een raadsel blijven, net zo goed als de aanwezigheid van een Dordtse schilder in het hart van Keltisch Ierland. 


vrijdag 5 juni 2026

JA


Op het bankje waar je tot voor kort zicht had op het ooievaarsnest zag ik Hans zitten. Die nestpaal is weggehaald - te scheef volgens de gemeente - en de ooievaars wonen nu een end verderop. Het bankje is sindsdien minder in trek en Hans had ik er dit jaar nog niet gezien. Ik weet dat hij een winterslaap houdt en pas 's zomers de hele dag in het park te vinden is. Ik was niet in de stemming voor bijpraten met andere flaneurs en lanterfanters en schoot een zijpaadje in.
In het rosarium ging ik zitten op een beschutte bank met uitzicht op een weelderige rode beuk en besloot een poging te doen om serieus te mediteren. Er moest afgerekend worden met een onbehagen dat me dezer dagen zo niet kwelde, dan toch bedrukte. Ik keek omhoog naar de opklarende lucht waardoor, steeds hoger, witte wolken dreven. Diep ademend liet ik er een mantra op los die me gisteren te binnen was geschoten. Een heel simpele: JA. Ik moest de wereld wat meer bejahen, dat was me wel duidelijk. En waarom dan niet letterlijk?
Een vrouw kwam aanfietsen, minderde vaart. Ik hoopte dat ze verder zou gaan maar ze stapte af, liep moeilijk naar het naburige bankje, zette haar fiets ertegenaan en ging zitten.
'Is die fiets van u?' hoorde ik dwars door het ja heen. Ik keek mee naar een lekke Swap-fiets die tegen het rozenperkje leunde.
'Nee,' zei ik. 'Hij stond er gisteren ook al,' voegde ik er geheel overbodig aan toe.
'Ah! Dus u was hier gisteren ook?'
Dat kon ik niet ontkennen. Ik was bang dat dit uit de hand ging lopen en bereidde me voor op een snelle aftocht. Maar ze vroeg niet verder, stond op en sleepte de fiets die haar hinderde naar een andere bank. Ik hervatte het ademen en zwijgen. Maar zo gemakkelijk kwam ik er niet vanaf.
'Ik wil een filmpje maken van deze plek, rondom, als panorama,' klonk het links van me. 'Dan komt u er ook op. Vindt u dat erg?'
Ik dacht even na maar zag geen kwaad in mijn aanwezigheid op de telefoon van een oudere, wat excentriek en triest uitziende vrouw. 'Nee hoor,' zei ik.
Ik voelde in mijn ooghoek de aanwezigheid van haar camera en probeerde bij mezelf te blijven en geen interessante smoel te trekken.
'Dank u wel,' zei ze. Ik knikte zwijgend.
Nadat we een tijd samen gezwegen hadden stond ik op en wenste haar een fijne middag.
'U ook, en nog bedankt,' zei ze.
Ik liep terug naar de ingang van de rozentuin en besloot nog even langs Hans te lopen. 


vrijdag 29 mei 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 71: 'Ommelen


Amsterdam zou gespaard blijven, of liever: overgeslagen worden; maar de lucht is vreemd donker - veel te vroeg -, ik heb een kaarsje aangestoken op mijn bureau zoals in de winter en in de verte klinkt toch echt het rommelen van de donder; die misschien geen slagregens zal brengen maar wel de mysterieuze sfeer van Nacht en Ontij oproept. 

Gisteren was mijn jongste dochter jarig. Ze had een rijk gevulde groentesoep gemaakt, mijn kleindochter van tien had juist kookles op school gehad en tekende voor een voorafje: pasta met zelfgemaakte pesto. Ze wilde helemaal alleen in de keuken staan, als chef, maar in de praktijk was er te veel vreemd aan mijn spullen en apparatuur zodat haar moeder standby aan de zijlijn stond. Beide, pasta en soep, smaakten voortreffelijk. 

(Er flitst nu zelfs bliksem, het donker licht wit op, het rommelen wordt indringender. Waarschuwing voor matige onweersbuien, zegt de app.)

Na het eten was er zelfgemaakte cheesecake voor wie dat nog niet had gegeten of voor wie een tweede keer wilde. Mijn zoon had een videorecorder meegenomen, mooi opgeknapt door de handige mannen van een repaircafé ('mijn nieuwe helden'). We zouden eindelijk die oude band met Ardennen-vakanties weer eens kunnen bekijken.

(Daar zijn de slagregens. Ik hoor ze ruisen op de grote esdoorn. Amsterdam moet eraan geloven. De katten vluchten met schrikogen naar binnen. Waardeloze app!)

De videorecorder deed niks. Mijn zoon haalde hem ongelovig uit elkaar om de vastgelopen band eruit te halen. Wat was er eigenlijk mis met onze oude recorder? Wás die wel stuk? Ik had laatst ook al de cd-speler kapot verklaard terwijl die alleen een stekkertje in de contactdoos nodig had om weer als een zonnetje te draaien. Wonder, o wonder: de Ardennen-tape ging erin en even later waren we dertig jaar terug in de tijd. Vijfendertig om te beginnen: de band startte met scènes uit 1991, mijn onlangs overleden schoonvader wandelde vief besnord door het bos, ik was nog een brave zanger, mijn jongste nog ongeboren.
Donkerslag. Een tijdssprong. In het vervolg golven mijn zwarte haren artistiek en spreek ik met sonore stem: de La Passione-jaren waren in volle gang - buongiorno!
Een scène bij de open haard. Buiten beeld vergelijken F. en ik de kwaliteiten van diverse filmregisseurs. De camera is gericht op mijn jongste dochter (34) en haar vriendin M. wier 33e verjaardag we onlangs vierden. Ze zijn in hun blootje en in opperste concentratie de afwas aan het doen. 
Even later is mijn jongste ingepakt in vele lagen, het was een koude winter dat jaar. Ze staat te pruilen bij de schommels en barst huilend uit in een dramatisch: IK wil 'ommelen.... Drie jaar oud. Buiten beeld lacht iedereen vertederd.

Terwijl ik de laatste zin tik houdt het ruisen op. De lucht wordt helder. Alles gaat soms snel voorbij.

vrijdag 22 mei 2026

METAMORFOSEN


Omnia mutantur, nihil interit (alles verandert, niets vergaat) - Boek XV, Metamorfosen, Ovidius.

Op de valreep kochten we kaartjes voor de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijks. Je denkt in zo'n geval altijd zeeën van tijd te hebben, want anders dan een opera of een film loopt een expositie al gauw máánden. En dan is het tóch ineens voorbij; zo heb ik heel wat belangwekkende en veelbesproken tentoonstellingen gemist, die iemand van de 'culturele sector' volgens de kenners nooit had mogen missen. Met de Metamorfosen maakte ik ernst, nu het nog nét kon, want als ik de media moest geloven was dit het nec plus ultra van het museale, het eindresultaat was veel meer dan de optelling der delen, het begrip expositie was hier tot kunstvorm verheven, er werd, in beeld en vorm, in steen en doek en diverse andere media een ontroerend verhaal verteld. Vijf sterren in de Volkskrant.

's Ochtends las ik op het zonnige balkon om erin te komen een paar fragmenten Ovidius, in de vertaling van M. (Marietje) d'Hane-Scheltema (1932), voortreffelijk gedaan in soepele zevenvoetige jamben. Het boek, in grijs linnen gebonden, in cassette gevat, in duotone gedrukt, is van mijn vader geweest, die op het eind van zijn leven een Ovidius-opleving had gekend, en bij zo'n renaissance van een oude interesse niet op een dubbeltje keek. Ik las over Narcissus en Echo. Bekende materie voor een classicus, maar de luchtige, ironisch-poëtische toon van P. Ovidius "de Neus" Naso (43 voor -17 na Chr.), was ik vergeten, of had ik als jongeling niet opgemerkt. Gesterkt door dit geestelijk voedsel ging ik naar het Museumplein. Het was zomers warm.
Daar kreeg ik een appje van mijn vriendin: razend druk overal, de brug bij Wormerveer open, werd wel een half uurtje later. Ik liep de tuin van het museum in, zocht een plekje in de schaduw, en begaf me in een licht meditatieve toestand. Deze stille beeldentuin met zandstenen monstruositeiten naar classicistische voorbeelden beviel me wel.

Om half een (ik werd net licht onrustig) appte P. dat ze er was. We liepen door de onderdoorgang, een beetje diffuus door de galmende klanken van De Vier Jaargetijden, gespeeld door viool en accordeon, en betraden het museum op vertoon van twee gratis tickets - mijn vriendin is vip-lid van de Vriendenloterij en mag een introducé meenemen. 

Het was redelijk rustig. Ik herinnerde me andere succes-tentoonstellingen waarbij je de indruk had je door de Kalverstraat op zaterdag te moeten wringen. Ook was het tamelijk kort. Al heel snel kwamen we bij het schitterende en wereldberoemde beeld van Bernini De slapende Hermaphroditus, en, de recensies indachtig, wist ik, dat het nu uit was. Ik vond het jammer want ik had veel moois gezien. Maar ik had ook veel gezien dat op zich minder interessant was en alleen in het kader van de vertelling, die een expositie van dit soort wil zijn, een ondersteunende, illustratieve functie heeft. De topstukken uit Wenen, Parijs en Florence waren imposant, jawel, en het was fijn om Cellini's Perseus met het afgehouwen hoofd van de Medusa weer eens te zien, nu niet  in Firenze maar gewoon naast de deur. Maar helemaal bevredigd was ik toch niet. Te veel chic vulsel, te veel dat context nodig had, te weinig dat, kernachtig, op zichzelf kon staan. Die topstukken logen er niet om maar leken zelfs iets aan waarde in te boeten door de gulle aanwezigheid van hun minderbedeelde broertjes en zusjes: het bijkomend nadeel van een expo die in de eerste plaats een narratief wil zijn.
Ik opperde de hele ronde nog eens te maken, al was het alleen maar om deze unieke verzameling recht te doen, en ging inderdaad de eerste zaal in om de vioolspelende Apollo van Dosso Dossi voor de tweede keer te zien. Maar de geur van koffie dreef ons naar de coffee corner. 
De audiotour was ingesproken door Stephen Fry, wiens boeken ook ampel voorradig waren in de winkel. Misschien had ik zo'n telefoontje moeten opzetten om meer doordrongen te raken van het belang van dit alles. 


vrijdag 15 mei 2026

WASROL


Een van de tenoren van mijn koor vond dat ik The History of Sound moest gaan zien. Hoewel de synopsis me verwarde (een mengsel van romantisch drama en volksmuziekregistratie op de wijze van Alan Lomax? Wat een vreemd uitgangspunt!) had ik belangstelling - maar het kwam er niet van, de film ontliep me: hij draaide alleen als ik niet kon, en waar ik niet was.
Deze week lukte het alsnog, in Rialto aan de Ceintuurbaan, op een woensdagmiddag met een koorrepetitie in het vooruitzicht. Mijn vriendin kwam ermee en ik stemde in een onbewaakt ogenblik toe. Zelf zou ik zo'n moment nooit gekozen hebben.

Ik sloot mijn ogen voor de reclame, keek naar de grond tijdens de trailers voor andere films, en concentreerde me fris op het doek toen het begon. Eén ding was al snel duidelijk: ik zou bepaalde eisen aan waarachtig- en waarschijnlijkheid overboord moeten gooien wilde ik van het gebodene genieten. 
In een voice-over vertelt de ik-persoon, de Ierse acteur Paul Mescal alias Lionel Worthing, dat hij als jongetje opgroeide op een boerderij in Kentucky, begin 20e eeuw. Hij leerde volksliedjes van zijn vader en viel op het plaatselijke schooltje op door zijn zuivere stem. Ook had hij een absoluut gehoor en had hij de gave van de synesthesie: hij zag muziek in kleur,- een D was geel, etc. We moeten dit maar van hem aannemen, voorbeelden zien en horen we niet.
Hij wordt aangenomen op het conservatorium van Boston, afdeling zang. Weer moeten we het voor zoete koek slikken: áls hij gaat zingen, in een rokerig café, is het een liedje uit zijn jeugd, met halve stem. De film focust op zijn homo-erotische relatie met kettingrokende compositiestudent Josh O'Connor alias David White. Er wordt veel verliefd gekeken, weinig gezegd. Dit zal de rest van de film zo blijven.
De Eerste Wereldoorlog breekt uit, David moet naar de loopgraven, Lionel gaat terug naar de boerderij, want de school sluit voortijdig. 
Na de oorlog keert David terug uit België, op het oog ongeschonden. Hij vraagt Lionel per brief om hem te vergezellen op een studiereisje. De twee trekken, gewapend met een tent en een fonograaf, door de wildernis van Maine. In afgelegen dorpen verzamelen ze volksmuziek, die op wasrollen wordt vastgelegd. Mooie natuurbeelden, prachtige liedjes, en wat klinken die wasrollen goed! En wat zingen die locals prachtig, niks van de rauwheid die je verwacht, anno 1920 in het achterland; en al die fijne Keltische trillers en versieringen, nét Sandy Denny of The Chieftains - Woody Guthrie, Muddy Waters, eat your heart out!
Na de trip gaat Lionel naar Europa. Zijn ene jaar conservatorium blijkt genoeg om hem een positie in Rome te bezorgen in een prestigieus ensemble in het Vaticaan. Hoewel hij er maar kort woont spreekt hij vloeiend Italiaans met zijn nieuwe minnaar, een jonge cellist. Het koortje verveelt hem (mi annoia questo coro...), en hij krijgt een positie aangeboden in Oxford. Daar zien we hem een universiteitskoor dirigeren en een liefdesaffaire hebben met een mooie, rijke vrouw (ook de hetero's in de zaal moeten aan hun trekken komen nietwaar), voor hij terug naar de boerderij gaat waar zijn moeder op sterven ligt.
Overvallen door heimwee reist hij naar Maine om David weer te zien. Hij vindt er slechts diens weduwe. David heeft zelfmoord gepleegd, hij kon de gevolgen van de shellshock niet meer verdragen. Nu snappen we waarom zijn hand even trilde in een close-up en waarom hij zo weinig over de oorlog kwijt wilde.
De weduwe belooft de wasrollen op te sturen, maar Lionel vergeet in zijn verdriet om zijn adres achter te laten. Lionel treurt nog een tijdje, zoekt plekken op in het Lake District waarover David hem lyrisch had verteld.
In een laatste scene ontmoeten we de bejaarde Lionel (andere acteur, Chris Cooper). Inmiddels een beroemd etnomusicoloog. Hij promoot zijn nieuwste boek in een tv-interview, we schrijven 1980. Niet veel later wordt er een kist bij hem thuis bezorgd: de wasrollen! De nieuwe bewoonster van het voormalige huis van David had ze op zolder gevonden en wist niet wat ze ermee aan moest. Ze zag hem op tv, hoorde hem vertellen over zijn studiereis, en 1 en 1 was 2. Lionel speelt een rol af en hoort ontroerd een boodschap van David, over de tijd heen aan hem gericht, opgenomen op de dag van zijn dood. Einde.

U vindt misschien dat ik cynisch klink - was het dan geen mooie film?
Jawel, bij vlagen. De sfeer was goed, de acteurs prima, muziek en beelden mooi. Alles zeer esthetisch, en de recensent van The Guardian had wel gelijk toen hij schreef dat de film te veel ontzag had voor zijn eigen droefheid ('bloedeloos, pijnlijk smaakvol', 'verlamd onder het vernis van zijn verfijning' -  u dacht dat IK cynisch was?!). 
Maar: ik kan best tegen een hoge dosis romantiek, zelfs als die zoet is en de pulp benadert. Waarom ontroerde het vergelijkbare romantische drama Loch Ness (wetenschappelijke excursie, landschap, liefde) me twintig jaar geleden mateloos en liet deze film me onberoerd? Toch niet alleen wegens het opvallende, totale gebrek aan humor?
Deze norse muzikant zou de makers alle onwaarschijnlijkheden hebben vergeven, als er een sprookje verborgen was onder het dunne verhaal, als er, zoals in Loch Ness, sprake was van een allegorie, een levenswijsheid verpakt in een scenario. Precies dát was het wat ontbrak: een substraat, een diepere laag van betekenis. The History of Sound is een tamelijk summier uitgewerkte liefdesgeschiedenis in een snel en oppervlakkig geschetst tijdbeeld. Voor het verhaal had het niets uitgemaakt als die twee jongemannen cowboys waren geweest in plaats van musici. De wasrollen en hun muziek voegen iets toe aan de film, zeker, maar niet iets wezenlijks. 

Nu komt het en toch, maar dat is zuiver persoonlijk, en geen verdienste van regisseur Oliver Hermanus.

Sinds ik AOW ontvang vind ik dat ik ook maar eens het leven van een pensionado moet gaan leiden. Vergeet die weekend-werkweek-tweedeling: je kunt toch net zo goed doordeweeks iets leuks gaan doen, naar de film, naar een museum? Ik bleef dat maar associëren met vrije dagen, met aansluitend café- en restaurantbezoek, met uitgaan. Op een gewone dinsdag of donderdag mocht dat niet, van een of ander duivels en ingesleten arbeidsethos. Misschien heeft dit filmbezoek, vlak voor een koorrepetitie, me geholpen me maar eens minder achterlijk compulsief te gaan gedragen.

De dag na de bioscoop gingen mijn gedachten uit naar liedjes die ik vroeger heb gemaakt maar nooit heb uitgevoerd, of althans héél zelden, en heel lang geleden. Misschien heeft het met de fonograaf te maken, misschien ook niet. En passant kwam ik een oude tekst tegen, twintig jaar terug op muziek gezet. De muziek ben ik allang kwijt, geen idee hoe die klonk. Maar toen ik me nieuwsgierig achter de piano zette kwamen er flarden terug. En de rest maakte ik opnieuw, in de geest ván. Mijn dochter kwam onder de douche vandaan en vroeg: wat was dat voor liedje? Mooi was het, vond ze. En heel anders dan ik meestal maakte. Bluesy.
Ik dankte mijn innerlijke fonograaf en speelde de wasrol nog maar eens af.



vrijdag 8 mei 2026

KOLIBRIE (een gitaarpraatje)


Omdat ik er voortaan mijn brood mee verdiende moest het wat zijn en mocht het wat kosten. Mijn eerste serieuze klassieke gitaar, een Ricardo Sanchis uit Valencia, kostte me flink meer dan duizend gulden; niets vergeleken bij Vincents cello, maar toch, voor een jonge schnabbelende bariton een hele som. Toen de zaken goed gingen en er wat puntjes op de i gezet moesten worden (het stabiel en zuiver stemmen was een beetje een probleem) schafte ik een met de hand gebouwde gitaar aan, uit het atelier van de Beierse meester Hans Hanika, een prijzig maar mooi instrument; ik speel er nog steeds met veel plezier op, als het Napolitaanse lied zo nu en dan weer op mijn pad komt.
Tijdelijk kwam er een vederlichte, witgele flamencogitaar bij maar die werd op een avond doorverkocht aan een liefhebber; hij is op een of twee cd's te horen maar werd me nooit echt dierbaar: geen diepgang.

Vreemd genoeg stelde ik aan mijn staalsnaren veel minder eisen. Mijn eigen Nederlandstalige liedjes begeleidde ik op budget gitaren - vooral de kleine Taylor van nog geen 500 euro was favoriet, met zijn lichte zuivere toon en zijn handzame toegankelijkheid. 
Toen we eind '22 met ons Boudewijn en Lennaert-programma begonnen en ik veel akoestische gitaar ging spelen deed ik de Taylor van de hand en kwam er een groter model, een Eastman, een stoere cutaway, ook alweer bizar goedkoop voor de kwaliteit.
Maar hoe gaat dat? Als een programma keer op keer gaat, volle zalen trekt, steeds beter wordt, maar niet echt verrassingen meer biedt, ga je naar andere dingen omzien om het spannend te houden. Ik werd verliefd op een romantische gitaar met de kleur van robijnrood abdijbier en een siermotiefje op de slagplaat dat een kolibrie in een plantenguirlande voorstelt: de Epiphone Hummingbird, een betaalbare replica van de beroemde Gibson van die naam. Mijn zoon vond haar na enig geduld op Marktplaats, verstelde iets aan de hals, zette er nieuwe snaren op en kocht er een pedalboard en een vouwstandaard bij want als je toch aan het professionaliseren bent, dan ook maar helemaal. Papa kon zich niet meer verschuilen achter zijn klassieke achtergrond en moest voortaan zelf zijn instrument inpluggen en afstellen.

Afgelopen dinsdag, op een vrolijk, chaotisch en zonnig, tot overprikkeling verleidend 5 mei-festivalletje in het verre westen van onze hoofdstad, debuteerde de Kolibrie. Het is een zwaar instrument, gemaakt van massief hout vóór en achter en aan de zijkant, respectievelijk vuren en mahonie. En hoewel de snaren laag op de hals liggen ("lage actie" heet dat), misschien wel te laag voor wie met stugge Spaanse gitaren is opgegroeid, had ik er moeite mee. Alles voelde onwennig en anders, ik tastte soms mis, alsof mijn vingers niet meer automatisch wisten, op spiergeheugen, waar de g-snaar zich bevond. 
Was ik niet gezwicht voor ijdelheid, romantiek en uiterlijk? Mijn zoon opperde dat ik voortaan maar weer gewoon op de Eastman moest spelen - met dat instrument kan ik immers lezen en schrijven. Maar nee! Dat is toch mijn eer te na. En eerlijk is eerlijk: de toon van de Hummingbird is ronder, warmer en subtieler dan die van de gelikte maar ook grove Amerikaan uit Beijing.
Zo heb ik weer een reden om elke dag te oefenen op materiaal dat ik dacht slapend nog te kunnen ophoesten.


vrijdag 1 mei 2026

Blogje, op een telefoon getikt

Ondanks het halfgesloten gordijn stooft het zonlicht de kamer tot zomerse zoelte. De schuifdeuren van de suite zijn dicht. Het is stil in mijn cel. Het nieuwe dubbele glas dempt de geluiden van buiten, auto's, stemmen en vogels. 
De timmerlieden zorgden in hun tijd voor flink wat herrie, renden veel te vaak de trap op en af, driehoog, alsof het hier een betalende sportschool was, en bonkten bij alles wat hun goed getrainde en meterslange leden deden. De schilders die hen opvolgden praten wat, soms zelfs veel (vooral in hun telefoon, zodat ik denk stop met lullen man, ga verven!) - lachen soms, maar zijn toch vooral geruisloos. Stil zijn ze verf, waterbasis & lak, afhankelijk van of het houtwerk zich binnen of buiten bevindt, aan het opstrijken. 
Deze mannen hoorden en begrepen me meteen toen ik over de katten begon. Jonge Amsterdammers van vele kleuren maar eerst en vooral stadgenoten. De hoogblonde Emmeloorders van de timmerfabriek verstond ik slecht en hoewel ze reuzeaardig waren keken ze me glazig aan toen ik mijn zorgen over mijn katten met hen deelde. Huh? Katten? Stadse overgevoeligheid. 
Die katten inmiddels, zijn wel wat gewend. Ze vertrouwen dit wel. Snuf ligt op de rug van de bank te slapen, Snuitje heeft een plek op het kleed gezocht in een strook zonlicht en rekt zich behaaglijk uit. 
Ik lees wat, werk wat, dood de tijd. Iets eerder dan anders trek ik een bier open. Feitelijk zou ik de wacht niet hoeven houden, vandaag, maar je weet maar nooit. Ook een schilder kan een concentratieslip hebben. Met verf resulteert dat in een zakker maar met het openen en sluiten van de deuren van mijn volgens de timmerlieden labyrintische flatje misschien in een weggevluchte huisgenoot. En dat zou ik mezelf nóóit vergeven.



vrijdag 24 april 2026

Tijddeurtje en vrije meter


Een tijddeurtje klapte open als een kattenluik en we kwamen hard in de lente terecht.
Daarvoor was er wat regen geweest, merels in een schemering van donkere wolken, de geur van natte stoep, die, weet ik sinds kort, petrichor genoemd wordt.
De wereld was op slag helemaal anders. Het was nog fris maar het park was nooit zo lichtend groen geweest, 
de lucht was onbewolkt madonnablauw. Zwartkoppen kwetterden hun coloraturen. Lijsters riepen om het hardst. Kleine bruine vogeltjes vlogen af en aan, te snel om te determineren. Was het een braamsluiper, of toch een grasmus, die zojuist over mijn schouder de struiken in verdween?

In de koude nachten, onder de nieuwe maan, lig ik wakker en probeer me van alles te herinneren. Als ik eindelijk inslaap droom ik veel van mijn vader en mijn moeder. Wat dat te beduiden heeft?


Er fietst een man voorbij. Een magere, grauwe zeventiger met pluizig, slecht geverfd haar die, voorovergebogen over zijn racefiets, hardnekkig in de eeuwige jeugd wil geloven, of liever, in het niet bestaan van de ouderdom. Ik herken mijn jeugdvriend D. maar roep hem niet aan. Een tegenzin welt in me op als ik denk aan het toneelgesprek dat we gaan voeren nadat hij mij herkend heeft. Dit alles, herkenning, weerzin en de reden ervan, gaat in een woordeloze flits door me heen.
Ik vergeef het mezelf - wat zouden we elkaar moeten zeggen?

Mijn zus appt me, later ook mijn broer. Dat ik zo afwezig ben op de sociale media. Gaat alles wel goed? Ik bevestig het laatste en ontken het eerste. Maar inderdaad is de continuïteit van ons contact doorbroken de laatste weken. 
Het lijkt lang geleden dat ik me het zuur dronk aan Grauburgunder tijdens het Duitse reisje waarvan ik het thuisfront uitvoerig verslag deed in woord en beeld. Het lijkt lang geleden dat ik zeventig werd. De wereld is veranderd sindsdien. Een tijddeurtje schoot open, een kattenluikje.

Ik vertelde jullie over de nieuwste bedreiging van mijn huisvrede. Sindsdien heb ik bij de buren kunnen zien en horen hoe het vervangen van deuren en kozijnen een niet te onderschatten overlast geeft.
Over één ding had ik me geen zorgen hoeven maken: ze zijn op schema, de hardwerkende timmerlieden uit Emmeloord. Gisteren belde een van hen aan. Aanstaande dinsdag sta ik ingepland. Maar mochten ze soms ook maandag al een paar uur komen werken? We hebben toch niks met Koningsdag.
Ik moest daar even over denken; ik noteerde een 06-nummer, gaf even later groen licht. Het oorspronkelijke scenario was geweest: na een afwachtende feestdag voor dag en dauw wakker gemaakt te worden voor een lange dag van lawaai, stof en drukte. Nu kreeg ik éérst een voorproefje, op een verder - hopelijk - prettige dag. Ik kon even wennen, ik was al door. Mochten de katten te veel last hebben van hun opsluiting in slaap- en voorkamer, dan konden we die avond alsnog beslissen ze een paar dagen op mijn dochters zolderkamers te laten bivakkeren, wat Plan B was. 
Die vrije meter, waarin ze moeten kunnen werken, de mannen, dat is nog even puzzelen, dat wordt slepen met bureau, vleugel, gitaren, schilderijen, boeken, planten, kastjes. Maar dat is een mooi taakje voor het weekeind. Het is te doen, het is te doen! Met een beetje geluk is half mei alles achter de rug en hervatten wij, katten en bazen, ons gewone stadse buitenleven.



Twijfelaars, aarzel niet langer en bestel dit prachtige boek vol verhalen en gedichten: KROONJAAR

vrijdag 17 april 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 70: Gekregen en gevonden boeken


Van mijn dochter kreeg ik een boek. Deftig ingepakt. Een verlaat extraatje voor mijn verjaardag veronderstelde ik, maar ze zei: Er hoeft toch niet altijd een aanleiding te zijn? Je kunt toch ook weleens gewóón een cadeau geven? Omdat je denkt dat een ander het mooi vindt?
Ik knikte waarderend en bladerde het luxueus uitgegeven boek door. Galahad and the Grail, deel 1 van een hervertelling van de Arthur-legende in dichtvorm, door Malcolm Guite. Ik keek naar het getekende portret van de auteur, en er ging me een lichtje op. Die man kende ik toch? Was dat niet...? Ik ging naar YouTube en tikte zijn naam in. En ja: ik had, nog niet zo heel lang geleden - ik rookte al niet meer maar had er misschien heimwee naar - een filmpje gezien waarin hij een lezinkje houdt over de kunst van het pijproken en in het bijzonder over het blazen van rookringen. Een heerlijke excentriek, een hedendaagse Bilbo, in tweed en kleurige vestjes gekleed, een kruising tussen pijprookgoeroe Jan Kusters en mijzelf.
Het universum heeft atomen en moleculen gesorteerd en opeengestapeld op vergelijkbare wijze, en de resultaten van deze convergente evolutie bevinden zich aan beide zijden van het Kanaal. Guite (spreek uit met een ai-klank zodat het rijmt op kite) is ongeveer even oud als ik, ietsjes jonger zelfs. Hij heeft mijn witte baard en manen, mijn verzameling pijpen, mijn interesse in boeken, poëzie en Tolkien, en ook is hij singer-songwriter, actief als frontman van de lekker gruizige folk- en bluesband Mystery Train. Een vrolijke geleerde, een rare, sympathieke snuiter met een eigen YouTube-kanaal.
Enig punt van aandacht is dat hij tevens erg christelijk is, zelfs Anglicaans priester - daarin heeft de overzeese formatie van atomen anders uitgepakt. Op de filmpjes zie ik dat zijn baard geel uitgeslagen is terwijl de mijne sneeuwwit is. Ik had even een aanvechting mijn kromme Peterson-pijpen met zilveren ring in ere te herstellen toen ik hem zo smakelijk zag puffen, maar laat ze toch maar met rust. 

                                                                              *

De belabberde status van het Boek maakt van mij een belezen man. De hiaten in mijn eruditie bleven vroeger oningevuld: ik kende de generatie vóór de vaderlandse Grote Drie nauwelijks, maar om nou die boeken op de bonnefooi te gaan kopen terwijl er nog zoveel moois en dringends op mijn aanschaf wachtte? Mijn laatste bibliotheek-abonnement dateert van zeer lang geleden.
Met de komst van de straatkastjes veranderde alles. Ik neem iets mee wat ik niet ken, gewoon uit belangstelling; is het niets, dan zet ik het terug. Zo ontdekte ik laat in mijn leven dat ik een groot Vestdijk-liefhebber ben, zo las ik met veel plezier Het grijze kind van Theo Thijssen, zo maakte ik goed dat ik schandalig genoeg nooit The Wind in the Willows had gelezen. Et cetera, et cetera.
Deze week vond ik het verzamelde werk van Willem Elschot, gebonden in scharlakenrood linnen. Omdat ik de mannen van de bibliofiele kringen waarin ik verkeer altijd zo eerbiedig had horen praten over die Belgische schrijver nam ik het mee. Zelf had ik hem tot dan toe verwaarloosd en op één lijn gezet met F. Bordewijk. Kaas, Lijmen/Het been, Blokken, Bint: er is een schijnbare overeenkomst.
Zoals ik op dezelfde straatschuimerwijze Bordewijk allang heb gerehabiliteerd (zijn drie delen Fantastische vertellingen las ik op het balkon, een aantal zomers terug) zo is nu Alfons de Ridder aan de beurt. De Ridder, de echte naam van Willem Elschot (1860-1882), was het grote voorbeeld van Simon Carmiggelt. Lees de eerste zin van Lijmen en je snapt dat: Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken...
Veel verder dan zo'n pakkende introductie gaat de overeenkomst overigens niet want Elschot had een klare maar ironisch-literaire stijl - voor gezellig-weemoedige kroegverhaaltjes moet je bij hem niet zijn. Ik verwacht zijn gehele oeuvre, dat maar zo'n 750 bladzijden proza en wat poëzie beslaat, nog voor de zomer uit te krijgen.


vrijdag 10 april 2026

Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?

Onze Paasreisjes begonnen ooit toen ik het heel druk had. Ik had juist een derde koor erbij genomen, een operettevereniging, en was bijna alle avonden op pad om te repeteren, en de weekenddagen ook, als de voorstelling naderde. Om even bij te komen, dat eerste jaar, boekten we een hotel, dat, zo stelde ik me voor, een ouderwetse naam en dito uitstraling moest hebben en zich liefst in het Oosten van het land moest bevinden. Het werd de Gouden Karper in Hummelo, nog net niet de Gebraden Haan uit de Bommelverhalen, maar het kwam in de buurt.
Het uitje beviel goed en met Pasen op hotel werd een traditie, ook toen de drukte na Corona geluwd was doordat de zieltogende operetteclub er na ruim 100 jaar de brui aan gaf.
Dit jaar besloten we na zes keer Twente of Achterhoek en twee keer Zuid-Limburg iets verder van huis te gaan. Tijdens een kleine herfstreis afgelopen november hadden we Waldschlöschen ontdekt, een rustieke en ouderwets betaalbare oase van rust aan de voet van een beboste berg in het Teutoburgerwoud. Daar zouden we Pasen doorbrengen. 

De voortekens waren goed. Het weer zat mee, we hadden geen sluimerend griepje zoals vorig jaar en de auto was in goede staat, zodat de kans op een kapotte distributiekabel, die ons vorige uitje op de valreep een nare bijsmaak had gegeven, zeer klein was. De verrekijker ging mee, natuurlijk, een paar vogelboeken, een roman waarin waarschijnlijk zeer weinig gelezen zou worden, en een bundel Duitse romantische poëzie voor de sfeer; deze keer had ik voor Eichendorff gekozen. Geen regenjas, een warm colbertje volstond, tenslotte was het lente. Ik had op Google ontdekt dat onze oosterburen nog meer aan paastradities hechten dan wij. Er waren overal vuren daar, en in Bad Iburg was een grote paasmarkt in middeleeuwse stijl. Dat bleek een variant op ons vaderlandse Castlefest te zijn, met verklede vrouwen met elvenoortjes en mannen met bijlen, mede van het vat en elkaar luide treffende geharnaste ridders in een toernooi.

Na het introductie-bier in het hotel, zondagmiddag, met een vrieskoude Korn ernaast, maakten we een wandelingetje naar een kleine waterval. Onderweg smeulde op een bergweide een vuur, door een paar mannen aangewakkerd of uitgetrapt, dat was niet meteen duidelijk. Mijn vriendin dacht dat het misschien een nog levend restant van gisteren was, maar ik zag de schragen tafels met flessen en was niet zeker. Door de schnapps onbevreesd geworden stapte ik op de mannen af. Neen, zojuist aangestoken, zei een toeschietelijke meneer. We praatten een tijdje over de toenemende regelgeving (ik kon niet op het woord voor formaliteiten en formulieren komen maar hij begreep me best) die dit soort leuke dingen steeds verder in het nauw brengt, ook in het wat ruimere buurland, en zo kwam het gesprek op de jacht. Hij monsterde mijn mosgroene truitje, mijn bruine tweedjasje, mijn hoed, mijn baard, mijn verrekijker, en vroeg: Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?
Bij het watervalletje zag ik maar liefst drie grote gele kwikstaarten. Mijn vogelweekend was al goed maar zou nog beter worden. Op de terugweg naar het hotel zong ik Schubert, Der Jäger, uit de Schöne Müllerin. Als de toon eenmaal gezet is krijgt zo'n vakantietje algauw een soundtrack mee, en die bestond dit jaar uit met bejaarde bariton gebromde Wanderlieder en uit het blaffende geknor van de Raven - mijn eerste officiële waarneming - die ik de volgende morgen boven de woudrand zou zien scheren op de thermiek; ook mijn vogel-app aarzelde niet en wist het zeker: common raven. 

Iets minder tevreden was ik over mijn zelfbeheersing. Na de eerste avond overvloedig gedineerd te hebben besloot ik de maag de volgende dag te ontzien en het bij gebraden oesterzwammen op een bed van stamp van zoete en gewone aardappel te houden. Digestieven streng verboden, zelfs geen Alte Marille, hoe lekker die abrikozenbrandewijn ook had gesmaakt, en op de kamer hooguit nog één nachtmutsje. Maar na drie grote glazen Grauburgunder in de zon sneuvelde dat voornemen over paddenstoelen en zwichtte ik weer voor de verleiding van een schnitzel ter grootte van een deurmat. Tenslotte ben je niet elke dag in Duitsland. Dat het de foute keus was besefte ik de volgende morgen toen ik het ontbijtbuffet vrijwel onaangesproken moest laten.


(Illustratie: een tamelijk foute, waarschijnlijk met AI gemaakte 'visualisering' van Schuberts lied, door de Duits-Russische pianiste Evgenia Fölsche)


vrijdag 3 april 2026

BELEGERD


Ik zal het kort houden, want ik ben evenmin bij klaagzangen gebaat als jullie, lezers. Ik doe mijn best het net zo makkelijk op te vatten als iedereen die ik erover spreek. Want wat is er nu helemaal aan de hand? Vrijwel niets. Zeker als je het afzet tegen het wereldnieuws dat dagelijks ieder vonkje optimisme probeert te doven. 

Er was weer eens een brief van Stadgenoot, de woningbouwvereniging. Groot onderhoud van de achterkant van het gebouw. We spreken nazomer 2025. Daarna verschenen er tempo comodo verschillende timmerlieden voor opmeting van de kozijnen, eerst losjes, voor een offerte, later, toen Timmerfabriek de Jong uit Woudsend de opdracht gewonnen had, precies, voor het definitieve maatwerk. Februari zou het worden.
Het werd eind maart, de merels zongen al. Eerst werd ik op een maandagmorgen nog wakker gebeld door twee drukke mannen die de gewraakte ramen en deuren op asbest kwamen controleren. Het zou maar even duren, goed dat ik thuis was, zo klaar. Toen ik me aangekleed had en poolshoogte kwam nemen waar al dat gewrik, gehamer en gescheur toch voor nodig was, kreeg ik te horen dat er bij de renovatie in 2005 naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid al gekeken was naar asbest, maar dat dat niet officieel geregistreerd was. Een verzuim dat nu formeel rechtgezet moest worden. Maar waarom al die moeite, wilde ik weten, dat oude houtwerk ging immers toch allemaal weg? Ja, maar dat mocht niet bij normaal bouwafval gedeponeerd worden als er mógelijk nog asbest in aanwezig was. Regels, meneer. Ik knikte semi-begrijpend.
Een paar dagen later kwam voor dag en dauw de hoogwerker. Vers gezaagde panelen, deuren en ramen werden over het dak geheveld en via de eerder neergezette steigers op de balkons neergelaten. Er waren fouten met het voorsorteren gemaakt dus een deel moest opnieuw - de hijskaan stond de hele dag te dreunen. Bij mijn balkon tikten de mannen er per ongeluk een keukenruitje uit. De volgende dag om zeven uur, voor de shift begon, zouden ze dat komen dicht tapen, want we willen natuurlijk niet dat u zich bezeert. Om zeven uur kwamen ze inderdaad, ik had inderhaast een broek aangetrokken. Aardige kerels, boomlang en blond, ze stelden zich voor en ik kreeg een hand. 

Nu is het wachten op de dag dat mijn draaiende delen aan de beurt zijn. Ik sta ingepland op 28 en 29 april. Maar aan de gang van zaken bij de overbuurvrouw zie ik dat het allemaal niet zo vlot gaat. Het zou weleens flink kunnen uitlopen. Ik maak al scenario's voor de katten: die moeten een paar dagen in twee kamers worden opgesloten. En al die tijd kunnen ze niet op het balkon van de lente genieten, want het gaas is eraf en ze zijn niet te vertrouwen: ik zie die onbesuisde dikzakken gerust op de reling springen en van driehoog naar beneden donderen, een vogeltje achterna. Daarna komt er een nieuw kattennet en gaan we hopelijk een mooie, rustige zomer tegemoet, met veel koerende duiven en zachte briesjes die worden genoten terwijl ze sluimeren in mijn aftandse balkonstoel die nu in ballingschap in de huiskamer staat. 
Ik zei al, het is niets. Maar het is de lange voorgeschiedenis van verbouwingen, opknapbeurten, reparaties en renovaties die een mens overgevoelig maakt voor alles wat zijn rust en privacy aantast. Een steigertje, een bescheiden schuurmachine en een paar werklui en je voelt je belegerd.
In een volgend leven koop ik mijn huis -  dan haal je je al die overlast tenminste zélf aan, en dat is beter voor de gemoedsrust, al kost het een paar duiten. 

                                                                          *

Reclame! Koopt allen, via deze link: KROONJAAR 



vrijdag 27 maart 2026

Grijze lente


Je kunt op verschillende manieren slecht wakker worden. Een goede vriend van me zegt dat zijn dag bedorven is als hij mooi heeft gedroomd. De werkelijkheid (der graue Alltag zoals de Duitser zegt) valt dan zo tegen. Mijn betreurde vriend G. zag dat anders. Na een mooie droom was hij de hele dag licht melancholisch gestemd, een niet onprettige toestand. Ikzelf neig naar het laatste maar begrijp het eerste ook. Hoe dan ook zijn beide scenario's op mij niet erg van toepassing want ik droom vrijwel nooit mooi, waarom weet ik ook niet - het is niet dat ik zo ongelukkig ben of dat ik geen fantasieën en herinneringen koester die stof voor mooie dromen zouden kunnen geven; ik houd het er maar op dat het iets fysieks is, iets banaals: benauwdheid in de slaap door een verkeerde houding, met kattenharen dichtgeslibde bronchiën, of een niet gediagnostiseerde apneu. 

Vanmorgen werd ik bovengemiddeld somber wakker na een extra slaapje ("nog éven!") dat eerst niet wilde lukken en me, nadat ik eindelijk was ingedommeld, diep onder de gezonde niveaus van bewustzijn sleurde waar de mens het best gedijt, op een zeebodem waar verdwenen gestalten uit mijn leven in een bontere dan levensechte vorm rondscharrelden, verwikkeld in een complex spel waarvan ik de regels niet kon begrijpen, hoewel de omstandigheden bedrieglijk veel leken op wat ik had meegemaakt. Mijn moeder, een jaar of veertig, schatte ik na het ontwaken (tijdens zo'n droom schat of denk je niks, je valt volledig samen met wat er gebeurt), wilde nog koffie, hoewel ze volgens mij nog een warm kopje koffie met veel melk had staan. Ik bood aan die voor haar te zetten. Ik wilde zelf espresso maken in mijn eenkopsmoka, maar om haar een plezier te doen gebruikte ik haar koffiezetapparaat. Meer kan ik me bij het schrijven van dit blog niet herinneren en het lijkt me erg vreemd om hier zo ontdaan van te raken en toch was ik dat bij het opstaan. 

Ik volgde mijn dagelijkse routine. Na de yoghurt en de gymnastiek zette ik me met een tweede koffie in mijn stoel bij het raam en keek met tegenzin naar de dichte grijze lucht. Ik scrolde wat op mijn telefoon, die, geheel overeenkomstig mijn beste voornemens, de hele nacht buiten de slaapkamer had doorgebracht, en opeens kwam daar Liesbeth List langs. Grijze Lente - meteen na een of twee regels herkenbaar als een tekst van Lennaert. Ik kende die tekst wel uit zijn in de Pluche-reeks verschenen verzamelbundel, maar niet het bijbehorende liedje van Boudewijn, gekleed in een classy arrangement van Bert Paige, wat deftig maar handwarm gezongen door de dochter van de vuurtorenwachter. Het is te vinden op de plaat Pastorale uit 1968. Ik vond het een wonderlijk liedje, met zijn korte, kale refrein en zijn onregelmatige, maar wél op vertrouwde clichés berustende akkoordenschema. Even later zou ik van mijn telefoon leren dat Boudewijn zélf er niet zoveel in ziet en dat hij zich zelfs nogal schaamt voor wat hij en Lennaert destijds hebben geleverd aan la List, in de tijd dat zij 'de Van Gend & Loos van de Nederpop' waren: ze werkten op bestelling en soms was Boudewijn (aldus zijn eigen woorden in het Boudewijn de Groot Oeuvreboek) 'muzikaal volkomen de weg kwijt'.
Ik snap wat hij zegt. Het niveau van de zojuist afgeronde plaat Picknick wordt, afgezien van het befaamde titelnummer Pastorale, nergens gehaald en de composities lijken wat stuurloos rond te dobberen, vergeefs op zoek naar een pakkend refreintje - de arrangementen van Paige geven ze een flower power cachet maar als je ze alleen met een gitaar zou begeleiden zou er weinig van overblijven.

Maar toch, maar toch! Wat raakte Grijze Lente me vanmorgen, wat pakte de oude weemoed me, hoe troostend was het om het oude en zo vertrouwde idioom van Lennaert te horen, met zijn onveranderlijke thema's en zijn zo herkenbare taal. 
Een opwellende traan van ontroering luchtte op, en een wandeling door het park waar de kille grijze lente de magnolia's deed huiveren verdreef de schijngestalte van mijn moeder die me zonder het te willen ongelukkig had gemaakt, eenendertig jaar na haar dood. 


zondag 22 maart 2026

KROONJAAR


Robert Eksteen en ik zijn deze maand allebei zeventig geworden. Zoals onze karakters zich als schijnbare antipoden spiegelen, zo spiegelen ook onze geboortedata elkaar: 13 maart (ik), tegenover 31 maart (Robert).
Bij vorige kroonjaren (50, 60 en 65) stonden we stil met cd's (Dwarsliggers en Wat ik later wilde worden) en vertaalde liedteksten (Raconteur, troubadour). Dit kroonjaar besloten we schaamteloos (voor schaamte zijn we immers te oud geworden) een bloemlezing uit eigen literair werk te publiceren. Verhalen en gedichten hebben we gemaakt sinds mensenheugenis. Die uit de periode van de lagere school hebben we buiten beschouwing gelaten; ook de bijdragen aan de schoolkrant van het Cartesius Lyceum hebben we met de mantel der liefde onzichtbaar gemaakt.

Er bleef genoeg over. We hebben een persoonlijke keuze gemaakt uit dat wat ons het dierbaarst is gebleven en - losjes maar warm - een raakpunt had met ons beider leven, met onze lange vriendschap, onze ontwikkeling van jongeman tot grijsaard. Raakpunt, was een tijdje de werktitel van de bundel, maar die haalde het niet. Kroonjaar werd het. Naar het kwatrijn van Adriaan Roland Holst dat het motto van ons boek is geworden: 

Leeg en gehuldigd
kwam hij thuis,
vermenigvuldigd
tot een muis.

De verhalen en gedichten uit Kroonjaar zijn zo gekozen dat ze niet alleen voor onszelf waardevol zijn. Naar mijn  - toegegeven, niet zo objectieve - oordeel is het een prachtig en zinnig boek geworden, afwisselend en toch samenhangend. Poëtisch en scherp, romantisch en reëel. Vooral doet het me plezier dat zoveel mooie stukjes die alleen nog op vergeeld papier van obscure tijdschriftjes bestonden nu in heldere druk zijn verschenen. 

Vandaag, precies tussen ons beider verjaardagen in, laten we het boekje los. Hopelijk vindt het zijn bestemming. Helpt het landen en koopt allen:

Kroonjaar

Jan-Paul van Spaendonck & Robert Eksteen
Amsterdam/Haarlem
Uitgeverij Faun, 2026

16,58


HIER bestellen. 


vrijdag 20 maart 2026

Maart, maart!


De twee gezichten van de lente wisselden elkaar af met grotere snelheid en fellere kracht dan in andere jaren.
Eerst was er het ontluiken, de belofte, een zachte drang tot verandering. Ik keek naar mijn zomerjasje, heel teer bleekgeel met een subtiel Bommel-ruitje van blauwe en rode draad, en stelde vast dat de nek groezelig was, ik zou het naar de stomerij moeten brengen. Welke wist ik nog niet want de vertrouwde droogkuis in de Ferdinand Bolstraat was, had ik op het nieuws gezien, ten prooi gevallen aan brandstichting en explosieven.
Dan was er mijn kapsel. Dat was een ongepaste wintervacht die me vanuit de spiegel aangluurde met een ouwelijk aureool van veel lang en wit haar. Dat moest er spoedig af. Nog voor 1 maart eigenlijk, de dag van de meteorologische lente en de dag waarop mijn vriendin en ik onze zeventigste verjaardag vierden. Ondertussen fotografeerde ik bloesems in het park, citeerde neuriënd een Chinees gedicht over het uitbreken van het voorjaar en voelde me er in alle opzichten klaar voor.

Maar - er kwam een griepje, rond mijn echte verjaardag, en daarna was alles anders. De lente had me zijn wrede aangezicht toegekeerd, dat schitterde van hard licht en vol harde geluiden was. Mooi weertje, vond iedereen, de weerman van het journaal was in zijn nopjes. Maar de zwarte vlekjes voor mijn ogen dansten wild en de piep in mijn oren was ongewoon hard. Nerveus van maartangst, zweterig en overgevoelig door hardnekkige verkoudheid deed ik wat ik moest doen en onttrok me zoveel mogelijk aan wat niet echt noodzakelijk was. Blij 's avonds met een boek naar bed te mogen. Het eierdooier-met-melk-gele jasje bleef aan zijn knaapje, de kapper moest nog maar even op klandizie wachten. 

Hieronder een gedichtje over de goede kant van maart, de welkome, de veelbelovende, de verruimende, de reinigende. Ik schreef het op 15 maart 1978, twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag. Het staat op pagina 9 van een gloednieuw prachtboek, waarover ik u aanstaande zondag alles zal vertellen. Nog even geduld!  

Maart

De wereld wordt door stormen schoon geblazen,
en als een gouden olie uit kristallen schenkkan
vloeit het licht, en vult de maartse lucht.

Een wolkennet met fijne blauwe mazen
is luchtig vallend om de aarde gedrapeerd:
de vogels weven het in dronken vlucht.


Illustratie: De Dans van de Tijd (1635), Nicolas Poussin (1594-1665)