vrijdag 5 juni 2026

JA


Op het bankje waar je tot voor kort zicht had op het ooievaarsnest zag ik Hans zitten. Die nestpaal is weggehaald - te scheef volgens de gemeente - en de ooievaars wonen nu een end verderop. Het bankje is sindsdien minder in trek en Hans had ik er dit jaar nog niet gezien. Ik weet dat hij een winterslaap houdt en pas 's zomers de hele dag in het park te vinden is. Ik was niet in de stemming voor bijpraten met andere flaneurs en lanterfanters en schoot een zijpaadje in.
In het rosarium ging ik zitten op een beschutte bank met uitzicht op een weelderige rode beuk en besloot een poging te doen om serieus te mediteren. Er moest afgerekend worden met een onbehagen dat me dezer dagen zo niet kwelde, dan toch bedrukte. Ik keek omhoog naar de opklarende lucht waardoor, steeds hoger, witte wolken dreven. Diep ademend liet ik er een mantra op los die me gisteren te binnen was geschoten. Een heel simpele: JA. Ik moest de wereld wat meer bejahen, dat was me wel duidelijk. En waarom dan niet letterlijk?
Een vrouw kwam aanfietsen, minderde vaart. Ik hoopte dat ze verder zou gaan maar ze stapte af, liep moeilijk naar het naburige bankje, zette haar fiets ertegenaan en ging zitten.
'Is die fiets van u?' hoorde ik dwars door het ja heen. Ik keek mee naar een lekke Swap-fiets die tegen het rozenperkje leunde.
'Nee,' zei ik. 'Hij stond er gisteren ook al,' voegde ik er geheel overbodig aan toe.
'Ah! Dus u was hier gisteren ook?'
Dat kon ik niet ontkennen. Ik was bang dat dit uit de hand ging lopen en bereidde me voor op een snelle aftocht. Maar ze vroeg niet verder, stond op en sleepte de fiets die haar hinderde naar een andere bank. Ik hervatte het ademen en zwijgen. Maar zo gemakkelijk kwam ik er niet vanaf.
'Ik wil een filmpje maken van deze plek, rondom, als panorama,' klonk het links van me. 'Dan komt u er ook op. Vindt u dat erg?'
Ik dacht even na maar zag geen kwaad in mijn aanwezigheid op de telefoon van een oudere, wat excentriek en triest uitziende vrouw. 'Nee hoor,' zei ik.
Ik voelde in mijn ooghoek de aanwezigheid van haar camera en probeerde bij mezelf te blijven en geen interessante smoel te trekken.
'Dank u wel,' zei ze. Ik knikte zwijgend.
Nadat we een tijd samen gezwegen hadden stond ik op en wenste haar een fijne middag.
'U ook, en nog bedankt,' zei ze.
Ik liep terug naar de ingang van de rozentuin en besloot nog even langs Hans te lopen. 


vrijdag 29 mei 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 71: 'Ommelen


Amsterdam zou gespaard blijven, of liever: overgeslagen worden; maar de lucht is vreemd donker - veel te vroeg -, ik heb een kaarsje aangestoken op mijn bureau zoals in de winter en in de verte klinkt toch echt het rommelen van de donder; die misschien geen slagregens zal brengen maar wel de mysterieuze sfeer van Nacht en Ontij oproept. 

Gisteren was mijn jongste dochter jarig. Ze had een rijk gevulde groentesoep gemaakt, mijn kleindochter van tien had juist kookles op school gehad en tekende voor een voorafje: pasta met zelfgemaakte pesto. Ze wilde helemaal alleen in de keuken staan, als chef, maar in de praktijk was er te veel vreemd aan mijn spullen en apparatuur zodat haar moeder standby aan de zijlijn stond. Beide, pasta en soep, smaakten voortreffelijk. 

(Er flitst nu zelfs bliksem, het donker licht wit op, het rommelen wordt indringender. Waarschuwing voor matige onweersbuien, zegt de app.)

Na het eten was er zelfgemaakte cheesecake voor wie dat nog niet had gegeten of voor wie een tweede keer wilde. Mijn zoon had een videorecorder meegenomen, mooi opgeknapt door de handige mannen van een repaircafé ('mijn nieuwe helden'). We zouden eindelijk die oude band met Ardennen-vakanties weer eens kunnen bekijken.

(Daar zijn de slagregens. Ik hoor ze ruisen op de grote esdoorn. Amsterdam moet eraan geloven. De katten vluchten met schrikogen naar binnen. Waardeloze app!)

De videorecorder deed niks. Mijn zoon haalde hem ongelovig uit elkaar om de vastgelopen band eruit te halen. Wat was er eigenlijk mis met onze oude recorder? Wás die wel stuk? Ik had laatst ook al de cd-speler kapot verklaard terwijl die alleen een stekkertje in de contactdoos nodig had om weer als een zonnetje te draaien. Wonder, o wonder: de Ardennen-tape ging erin en even later waren we dertig jaar terug in de tijd. Vijfendertig om te beginnen: de band startte met scènes uit 1991, mijn onlangs overleden schoonvader wandelde vief besnord door het bos, ik was nog een brave zanger, mijn jongste nog ongeboren.
Donkerslag. Een tijdssprong. In het vervolg golven mijn zwarte haren artistiek en spreek ik met sonore stem: de La Passione-jaren waren in volle gang - buongiorno!
Een scène bij de open haard. Buiten beeld vergelijken F. en ik de kwaliteiten van diverse filmregisseurs. De camera is gericht op mijn jongste dochter (34) en haar vriendin M. wier 33e verjaardag we onlangs vierden. Ze zijn in hun blootje en in opperste concentratie de afwas aan het doen. 
Even later is mijn jongste ingepakt in vele lagen, het was een koude winter dat jaar. Ze staat te pruilen bij de schommels en barst huilend uit in een dramatisch: IK wil 'ommelen.... Drie jaar oud. Buiten beeld lacht iedereen vertederd.

Terwijl ik de laatste zin tik houdt het ruisen op. De lucht wordt helder. Alles gaat soms snel voorbij.

vrijdag 22 mei 2026

METAMORFOSEN


Omnia mutantur, nihil interit (alles verandert, niets vergaat) - Boek XV, Metamorfosen, Ovidius.

Op de valreep kochten we kaartjes voor de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijks. Je denkt in zo'n geval altijd zeeën van tijd te hebben, want anders dan een opera of een film loopt een expositie al gauw máánden. En dan is het tóch ineens voorbij; zo heb ik heel wat belangwekkende en veelbesproken tentoonstellingen gemist, die iemand van de 'culturele sector' volgens de kenners nooit had mogen missen. Met de Metamorfosen maakte ik ernst, nu het nog nét kon, want als ik de media moest geloven was dit het nec plus ultra van het museale, het eindresultaat was veel meer dan de optelling der delen, het begrip expositie was hier tot kunstvorm verheven, er werd, in beeld en vorm, in steen en doek en diverse andere media een ontroerend verhaal verteld. Vijf sterren in de Volkskrant.

's Ochtends las ik op het zonnige balkon om erin te komen een paar fragmenten Ovidius, in de vertaling van M. (Marietje) d'Hane-Scheltema (1932), voortreffelijk gedaan in soepele zevenvoetige jamben. Het boek, in grijs linnen gebonden, in cassette gevat, in duotone gedrukt, is van mijn vader geweest, die op het eind van zijn leven een Ovidius-opleving had gekend, en bij zo'n renaissance van een oude interesse niet op een dubbeltje keek. Ik las over Narcissus en Echo. Bekende materie voor een classicus, maar de luchtige, ironisch-poëtische toon van P. Ovidius "de Neus" Naso (43 voor -17 na Chr.), was ik vergeten, of had ik als jongeling niet opgemerkt. Gesterkt door dit geestelijk voedsel ging ik naar het Museumplein. Het was zomers warm.
Daar kreeg ik een appje van mijn vriendin: razend druk overal, de brug bij Wormerveer open, werd wel een half uurtje later. Ik liep de tuin van het museum in, zocht een plekje in de schaduw, en begaf me in een licht meditatieve toestand. Deze stille beeldentuin met zandstenen monstruositeiten naar classicistische voorbeelden beviel me wel.

Om half een (ik werd net licht onrustig) appte P. dat ze er was. We liepen door de onderdoorgang, een beetje diffuus door de galmende klanken van De Vier Jaargetijden, gespeeld door viool en accordeon, en betraden het museum op vertoon van twee gratis tickets - mijn vriendin is vip-lid van de Vriendenloterij en mag een introducé meenemen. 

Het was redelijk rustig. Ik herinnerde me andere succes-tentoonstellingen waarbij je de indruk had je door de Kalverstraat op zaterdag te moeten wringen. Ook was het tamelijk kort. Al heel snel kwamen we bij het schitterende en wereldberoemde beeld van Bernini De slapende Hermaphroditus, en, de recensies indachtig, wist ik, dat het nu uit was. Ik vond het jammer want ik had veel moois gezien. Maar ik had ook veel gezien dat op zich minder interessant was en alleen in het kader van de vertelling, die een expositie van dit soort wil zijn, een ondersteunende, illustratieve functie heeft. De topstukken uit Wenen, Parijs en Florence waren imposant, jawel, en het was fijn om Cellini's Perseus met het afgehouwen hoofd van de Medusa weer eens te zien, nu niet  in Firenze maar gewoon naast de deur. Maar helemaal bevredigd was ik toch niet. Te veel chic vulsel, te veel dat context nodig had, te weinig dat, kernachtig, op zichzelf kon staan. Die topstukken logen er niet om maar leken zelfs iets aan waarde in te boeten door de gulle aanwezigheid van hun minderbedeelde broertjes en zusjes: het bijkomend nadeel van een expo die in de eerste plaats een narratief wil zijn.
Ik opperde de hele ronde nog eens te maken, al was het alleen maar om deze unieke verzameling recht te doen, en ging inderdaad de eerste zaal in om de vioolspelende Apollo van Dosso Dossi voor de tweede keer te zien. Maar de geur van koffie dreef ons naar de coffee corner. 
De audiotour was ingesproken door Stephen Fry, wiens boeken ook ampel voorradig waren in de winkel. Misschien had ik zo'n telefoontje moeten opzetten om meer doordrongen te raken van het belang van dit alles. 


vrijdag 15 mei 2026

WASROL


Een van de tenoren van mijn koor vond dat ik The History of Sound moest gaan zien. Hoewel de synopsis me verwarde (een mengsel van romantisch drama en volksmuziekregistratie op de wijze van Alan Lomax? Wat een vreemd uitgangspunt!) had ik belangstelling - maar het kwam er niet van, de film ontliep me: hij draaide alleen als ik niet kon, en waar ik niet was.
Deze week lukte het alsnog, in Rialto aan de Ceintuurbaan, op een woensdagmiddag met een koorrepetitie in het vooruitzicht. Mijn vriendin kwam ermee en ik stemde in een onbewaakt ogenblik toe. Zelf zou ik zo'n moment nooit gekozen hebben.

Ik sloot mijn ogen voor de reclame, keek naar de grond tijdens de trailers voor andere films, en concentreerde me fris op het doek toen het begon. Eén ding was al snel duidelijk: ik zou bepaalde eisen aan waarachtig- en waarschijnlijkheid overboord moeten gooien wilde ik van het gebodene genieten. 
In een voice-over vertelt de ik-persoon, de Ierse acteur Paul Mescal alias Lionel Worthing, dat hij als jongetje opgroeide op een boerderij in Kentucky, begin 20e eeuw. Hij leerde volksliedjes van zijn vader en viel op het plaatselijke schooltje op door zijn zuivere stem. Ook had hij een absoluut gehoor en had hij de gave van de synesthesie: hij zag muziek in kleur,- een D was geel, etc. We moeten dit maar van hem aannemen, voorbeelden zien en horen we niet.
Hij wordt aangenomen op het conservatorium van Boston, afdeling zang. Weer moeten we het voor zoete koek slikken: áls hij gaat zingen, in een rokerig café, is het een liedje uit zijn jeugd, met halve stem. De film focust op zijn homo-erotische relatie met kettingrokende compositiestudent Josh O'Connor alias David White. Er wordt veel verliefd gekeken, weinig gezegd. Dit zal de rest van de film zo blijven.
De Eerste Wereldoorlog breekt uit, David moet naar de loopgraven, Lionel gaat terug naar de boerderij, want de school sluit voortijdig. 
Na de oorlog keert David terug uit België, op het oog ongeschonden. Hij vraagt Lionel per brief om hem te vergezellen op een studiereisje. De twee trekken, gewapend met een tent en een fonograaf, door de wildernis van Maine. In afgelegen dorpen verzamelen ze volksmuziek, die op wasrollen wordt vastgelegd. Mooie natuurbeelden, prachtige liedjes, en wat klinken die wasrollen goed! En wat zingen die locals prachtig, niks van de rauwheid die je verwacht, anno 1920 in het achterland; en al die fijne Keltische trillers en versieringen, nét Sandy Denny of The Chieftains - Woody Guthrie, Muddy Waters, eat your heart out!
Na de trip gaat Lionel naar Europa. Zijn ene jaar conservatorium blijkt genoeg om hem een positie in Rome te bezorgen in een prestigieus ensemble in het Vaticaan. Hoewel hij er maar kort woont spreekt hij vloeiend Italiaans met zijn nieuwe minnaar, een jonge cellist. Het koortje verveelt hem (mi annoia questo coro...), en hij krijgt een positie aangeboden in Oxford. Daar zien we hem een universiteitskoor dirigeren en een liefdesaffaire hebben met een mooie, rijke vrouw (ook de hetero's in de zaal moeten aan hun trekken komen nietwaar), voor hij terug naar de boerderij gaat waar zijn moeder op sterven ligt.
Overvallen door heimwee reist hij naar Maine om David weer te zien. Hij vindt er slechts diens weduwe. David heeft zelfmoord gepleegd, hij kon de gevolgen van de shellshock niet meer verdragen. Nu snappen we waarom zijn hand even trilde in een close-up en waarom hij zo weinig over de oorlog kwijt wilde.
De weduwe belooft de wasrollen op te sturen, maar Lionel vergeet in zijn verdriet om zijn adres achter te laten. Lionel treurt nog een tijdje, zoekt plekken op in het Lake District waarover David hem lyrisch had verteld.
In een laatste scene ontmoeten we de bejaarde Lionel (andere acteur, Chris Cooper). Inmiddels een beroemd etnomusicoloog. Hij promoot zijn nieuwste boek in een tv-interview, we schrijven 1980. Niet veel later wordt er een kist bij hem thuis bezorgd: de wasrollen! De nieuwe bewoonster van het voormalige huis van David had ze op zolder gevonden en wist niet wat ze ermee aan moest. Ze zag hem op tv, hoorde hem vertellen over zijn studiereis, en 1 en 1 was 2. Lionel speelt een rol af en hoort ontroerd een boodschap van David, over de tijd heen aan hem gericht, opgenomen op de dag van zijn dood. Einde.

U vindt misschien dat ik cynisch klink - was het dan geen mooie film?
Jawel, bij vlagen. De sfeer was goed, de acteurs prima, muziek en beelden mooi. Alles zeer esthetisch, en de recensent van The Guardian had wel gelijk toen hij schreef dat de film te veel ontzag had voor zijn eigen droefheid ('bloedeloos, pijnlijk smaakvol', 'verlamd onder het vernis van zijn verfijning' -  u dacht dat IK cynisch was?!). 
Maar: ik kan best tegen een hoge dosis romantiek, zelfs als die zoet is en de pulp benadert. Waarom ontroerde het vergelijkbare romantische drama Loch Ness (wetenschappelijke excursie, landschap, liefde) me twintig jaar geleden mateloos en liet deze film me onberoerd? Toch niet alleen wegens het opvallende, totale gebrek aan humor?
Deze norse muzikant zou de makers alle onwaarschijnlijkheden hebben vergeven, als er een sprookje verborgen was onder het dunne verhaal, als er, zoals in Loch Ness, sprake was van een allegorie, een levenswijsheid verpakt in een scenario. Precies dát was het wat ontbrak: een substraat, een diepere laag van betekenis. The History of Sound is een tamelijk summier uitgewerkte liefdesgeschiedenis in een snel en oppervlakkig geschetst tijdbeeld. Voor het verhaal had het niets uitgemaakt als die twee jongemannen cowboys waren geweest in plaats van musici. De wasrollen en hun muziek voegen iets toe aan de film, zeker, maar niet iets wezenlijks. 

Nu komt het en toch, maar dat is zuiver persoonlijk, en geen verdienste van regisseur Oliver Hermanus.

Sinds ik AOW ontvang vind ik dat ik ook maar eens het leven van een pensionado moet gaan leiden. Vergeet die weekend-werkweek-tweedeling: je kunt toch net zo goed doordeweeks iets leuks gaan doen, naar de film, naar een museum? Ik bleef dat maar associëren met vrije dagen, met aansluitend café- en restaurantbezoek, met uitgaan. Op een gewone dinsdag of donderdag mocht dat niet, van een of ander duivels en ingesleten arbeidsethos. Misschien heeft dit filmbezoek, vlak voor een koorrepetitie, me geholpen me maar eens minder achterlijk compulsief te gaan gedragen.

De dag na de bioscoop gingen mijn gedachten uit naar liedjes die ik vroeger heb gemaakt maar nooit heb uitgevoerd, of althans héél zelden, en heel lang geleden. Misschien heeft het met de fonograaf te maken, misschien ook niet. En passant kwam ik een oude tekst tegen, twintig jaar terug op muziek gezet. De muziek ben ik allang kwijt, geen idee hoe die klonk. Maar toen ik me nieuwsgierig achter de piano zette kwamen er flarden terug. En de rest maakte ik opnieuw, in de geest ván. Mijn dochter kwam onder de douche vandaan en vroeg: wat was dat voor liedje? Mooi was het, vond ze. En heel anders dan ik meestal maakte. Bluesy.
Ik dankte mijn innerlijke fonograaf en speelde de wasrol nog maar eens af.



vrijdag 8 mei 2026

KOLIBRIE (een gitaarpraatje)


Omdat ik er voortaan mijn brood mee verdiende moest het wat zijn en mocht het wat kosten. Mijn eerste serieuze klassieke gitaar, een Ricardo Sanchis uit Valencia, kostte me flink meer dan duizend gulden; niets vergeleken bij Vincents cello, maar toch, voor een jonge schnabbelende bariton een hele som. Toen de zaken goed gingen en er wat puntjes op de i gezet moesten worden (het stabiel en zuiver stemmen was een beetje een probleem) schafte ik een met de hand gebouwde gitaar aan, uit het atelier van de Beierse meester Hans Hanika, een prijzig maar mooi instrument; ik speel er nog steeds met veel plezier op, als het Napolitaanse lied zo nu en dan weer op mijn pad komt.
Tijdelijk kwam er een vederlichte, witgele flamencogitaar bij maar die werd op een avond doorverkocht aan een liefhebber; hij is op een of twee cd's te horen maar werd me nooit echt dierbaar: geen diepgang.

Vreemd genoeg stelde ik aan mijn staalsnaren veel minder eisen. Mijn eigen Nederlandstalige liedjes begeleidde ik op budget gitaren - vooral de kleine Taylor van nog geen 500 euro was favoriet, met zijn lichte zuivere toon en zijn handzame toegankelijkheid. 
Toen we eind '22 met ons Boudewijn en Lennaert-programma begonnen en ik veel akoestische gitaar ging spelen deed ik de Taylor van de hand en kwam er een groter model, een Eastman, een stoere cutaway, ook alweer bizar goedkoop voor de kwaliteit.
Maar hoe gaat dat? Als een programma keer op keer gaat, volle zalen trekt, steeds beter wordt, maar niet echt verrassingen meer biedt, ga je naar andere dingen omzien om het spannend te houden. Ik werd verliefd op een romantische gitaar met de kleur van robijnrood abdijbier en een siermotiefje op de slagplaat dat een kolibrie in een plantenguirlande voorstelt: de Epiphone Hummingbird, een betaalbare replica van de beroemde Gibson van die naam. Mijn zoon vond haar na enig geduld op Marktplaats, verstelde iets aan de hals, zette er nieuwe snaren op en kocht er een pedalboard en een vouwstandaard bij want als je toch aan het professionaliseren bent, dan ook maar helemaal. Papa kon zich niet meer verschuilen achter zijn klassieke achtergrond en moest voortaan zelf zijn instrument inpluggen en afstellen.

Afgelopen dinsdag, op een vrolijk, chaotisch en zonnig, tot overprikkeling verleidend 5 mei-festivalletje in het verre westen van onze hoofdstad, debuteerde de Kolibrie. Het is een zwaar instrument, gemaakt van massief hout vóór en achter en aan de zijkant, respectievelijk vuren en mahonie. En hoewel de snaren laag op de hals liggen ("lage actie" heet dat), misschien wel te laag voor wie met stugge Spaanse gitaren is opgegroeid, had ik er moeite mee. Alles voelde onwennig en anders, ik tastte soms mis, alsof mijn vingers niet meer automatisch wisten, op spiergeheugen, waar de g-snaar zich bevond. 
Was ik niet gezwicht voor ijdelheid, romantiek en uiterlijk? Mijn zoon opperde dat ik voortaan maar weer gewoon op de Eastman moest spelen - met dat instrument kan ik immers lezen en schrijven. Maar nee! Dat is toch mijn eer te na. En eerlijk is eerlijk: de toon van de Hummingbird is ronder, warmer en subtieler dan die van de gelikte maar ook grove Amerikaan uit Beijing.
Zo heb ik weer een reden om elke dag te oefenen op materiaal dat ik dacht slapend nog te kunnen ophoesten.


vrijdag 1 mei 2026

Blogje, op een telefoon getikt

Ondanks het halfgesloten gordijn stooft het zonlicht de kamer tot zomerse zoelte. De schuifdeuren van de suite zijn dicht. Het is stil in mijn cel. Het nieuwe dubbele glas dempt de geluiden van buiten, auto's, stemmen en vogels. 
De timmerlieden zorgden in hun tijd voor flink wat herrie, renden veel te vaak de trap op en af, driehoog, alsof het hier een betalende sportschool was, en bonkten bij alles wat hun goed getrainde en meterslange leden deden. De schilders die hen opvolgden praten wat, soms zelfs veel (vooral in hun telefoon, zodat ik denk stop met lullen man, ga verven!) - lachen soms, maar zijn toch vooral geruisloos. Stil zijn ze verf, waterbasis & lak, afhankelijk van of het houtwerk zich binnen of buiten bevindt, aan het opstrijken. 
Deze mannen hoorden en begrepen me meteen toen ik over de katten begon. Jonge Amsterdammers van vele kleuren maar eerst en vooral stadgenoten. De hoogblonde Emmeloorders van de timmerfabriek verstond ik slecht en hoewel ze reuzeaardig waren keken ze me glazig aan toen ik mijn zorgen over mijn katten met hen deelde. Huh? Katten? Stadse overgevoeligheid. 
Die katten inmiddels, zijn wel wat gewend. Ze vertrouwen dit wel. Snuf ligt op de rug van de bank te slapen, Snuitje heeft een plek op het kleed gezocht in een strook zonlicht en rekt zich behaaglijk uit. 
Ik lees wat, werk wat, dood de tijd. Iets eerder dan anders trek ik een bier open. Feitelijk zou ik de wacht niet hoeven houden, vandaag, maar je weet maar nooit. Ook een schilder kan een concentratieslip hebben. Met verf resulteert dat in een zakker maar met het openen en sluiten van de deuren van mijn volgens de timmerlieden labyrintische flatje misschien in een weggevluchte huisgenoot. En dat zou ik mezelf nóóit vergeven.



vrijdag 24 april 2026

Tijddeurtje en vrije meter


Een tijddeurtje klapte open als een kattenluik en we kwamen hard in de lente terecht.
Daarvoor was er wat regen geweest, merels in een schemering van donkere wolken, de geur van natte stoep, die, weet ik sinds kort, petrichor genoemd wordt.
De wereld was op slag helemaal anders. Het was nog fris maar het park was nooit zo lichtend groen geweest, 
de lucht was onbewolkt madonnablauw. Zwartkoppen kwetterden hun coloraturen. Lijsters riepen om het hardst. Kleine bruine vogeltjes vlogen af en aan, te snel om te determineren. Was het een braamsluiper, of toch een grasmus, die zojuist over mijn schouder de struiken in verdween?

In de koude nachten, onder de nieuwe maan, lig ik wakker en probeer me van alles te herinneren. Als ik eindelijk inslaap droom ik veel van mijn vader en mijn moeder. Wat dat te beduiden heeft?


Er fietst een man voorbij. Een magere, grauwe zeventiger met pluizig, slecht geverfd haar die, voorovergebogen over zijn racefiets, hardnekkig in de eeuwige jeugd wil geloven, of liever, in het niet bestaan van de ouderdom. Ik herken mijn jeugdvriend D. maar roep hem niet aan. Een tegenzin welt in me op als ik denk aan het toneelgesprek dat we gaan voeren nadat hij mij herkend heeft. Dit alles, herkenning, weerzin en de reden ervan, gaat in een woordeloze flits door me heen.
Ik vergeef het mezelf - wat zouden we elkaar moeten zeggen?

Mijn zus appt me, later ook mijn broer. Dat ik zo afwezig ben op de sociale media. Gaat alles wel goed? Ik bevestig het laatste en ontken het eerste. Maar inderdaad is de continuïteit van ons contact doorbroken de laatste weken. 
Het lijkt lang geleden dat ik me het zuur dronk aan Grauburgunder tijdens het Duitse reisje waarvan ik het thuisfront uitvoerig verslag deed in woord en beeld. Het lijkt lang geleden dat ik zeventig werd. De wereld is veranderd sindsdien. Een tijddeurtje schoot open, een kattenluikje.

Ik vertelde jullie over de nieuwste bedreiging van mijn huisvrede. Sindsdien heb ik bij de buren kunnen zien en horen hoe het vervangen van deuren en kozijnen een niet te onderschatten overlast geeft.
Over één ding had ik me geen zorgen hoeven maken: ze zijn op schema, de hardwerkende timmerlieden uit Emmeloord. Gisteren belde een van hen aan. Aanstaande dinsdag sta ik ingepland. Maar mochten ze soms ook maandag al een paar uur komen werken? We hebben toch niks met Koningsdag.
Ik moest daar even over denken; ik noteerde een 06-nummer, gaf even later groen licht. Het oorspronkelijke scenario was geweest: na een afwachtende feestdag voor dag en dauw wakker gemaakt te worden voor een lange dag van lawaai, stof en drukte. Nu kreeg ik éérst een voorproefje, op een verder - hopelijk - prettige dag. Ik kon even wennen, ik was al door. Mochten de katten te veel last hebben van hun opsluiting in slaap- en voorkamer, dan konden we die avond alsnog beslissen ze een paar dagen op mijn dochters zolderkamers te laten bivakkeren, wat Plan B was. 
Die vrije meter, waarin ze moeten kunnen werken, de mannen, dat is nog even puzzelen, dat wordt slepen met bureau, vleugel, gitaren, schilderijen, boeken, planten, kastjes. Maar dat is een mooi taakje voor het weekeind. Het is te doen, het is te doen! Met een beetje geluk is half mei alles achter de rug en hervatten wij, katten en bazen, ons gewone stadse buitenleven.



Twijfelaars, aarzel niet langer en bestel dit prachtige boek vol verhalen en gedichten: KROONJAAR

vrijdag 17 april 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 70: Gekregen en gevonden boeken


Van mijn dochter kreeg ik een boek. Deftig ingepakt. Een verlaat extraatje voor mijn verjaardag veronderstelde ik, maar ze zei: Er hoeft toch niet altijd een aanleiding te zijn? Je kunt toch ook weleens gewóón een cadeau geven? Omdat je denkt dat een ander het mooi vindt?
Ik knikte waarderend en bladerde het luxueus uitgegeven boek door. Galahad and the Grail, deel 1 van een hervertelling van de Arthur-legende in dichtvorm, door Malcolm Guite. Ik keek naar het getekende portret van de auteur, en er ging me een lichtje op. Die man kende ik toch? Was dat niet...? Ik ging naar YouTube en tikte zijn naam in. En ja: ik had, nog niet zo heel lang geleden - ik rookte al niet meer maar had er misschien heimwee naar - een filmpje gezien waarin hij een lezinkje houdt over de kunst van het pijproken en in het bijzonder over het blazen van rookringen. Een heerlijke excentriek, een hedendaagse Bilbo, in tweed en kleurige vestjes gekleed, een kruising tussen pijprookgoeroe Jan Kusters en mijzelf.
Het universum heeft atomen en moleculen gesorteerd en opeengestapeld op vergelijkbare wijze, en de resultaten van deze convergente evolutie bevinden zich aan beide zijden van het Kanaal. Guite (spreek uit met een ai-klank zodat het rijmt op kite) is ongeveer even oud als ik, ietsjes jonger zelfs. Hij heeft mijn witte baard en manen, mijn verzameling pijpen, mijn interesse in boeken, poëzie en Tolkien, en ook is hij singer-songwriter, actief als frontman van de lekker gruizige folk- en bluesband Mystery Train. Een vrolijke geleerde, een rare, sympathieke snuiter met een eigen YouTube-kanaal.
Enig punt van aandacht is dat hij tevens erg christelijk is, zelfs Anglicaans priester - daarin heeft de overzeese formatie van atomen anders uitgepakt. Op de filmpjes zie ik dat zijn baard geel uitgeslagen is terwijl de mijne sneeuwwit is. Ik had even een aanvechting mijn kromme Peterson-pijpen met zilveren ring in ere te herstellen toen ik hem zo smakelijk zag puffen, maar laat ze toch maar met rust. 

                                                                              *

De belabberde status van het Boek maakt van mij een belezen man. De hiaten in mijn eruditie bleven vroeger oningevuld: ik kende de generatie vóór de vaderlandse Grote Drie nauwelijks, maar om nou die boeken op de bonnefooi te gaan kopen terwijl er nog zoveel moois en dringends op mijn aanschaf wachtte? Mijn laatste bibliotheek-abonnement dateert van zeer lang geleden.
Met de komst van de straatkastjes veranderde alles. Ik neem iets mee wat ik niet ken, gewoon uit belangstelling; is het niets, dan zet ik het terug. Zo ontdekte ik laat in mijn leven dat ik een groot Vestdijk-liefhebber ben, zo las ik met veel plezier Het grijze kind van Theo Thijssen, zo maakte ik goed dat ik schandalig genoeg nooit The Wind in the Willows had gelezen. Et cetera, et cetera.
Deze week vond ik het verzamelde werk van Willem Elschot, gebonden in scharlakenrood linnen. Omdat ik de mannen van de bibliofiele kringen waarin ik verkeer altijd zo eerbiedig had horen praten over die Belgische schrijver nam ik het mee. Zelf had ik hem tot dan toe verwaarloosd en op één lijn gezet met F. Bordewijk. Kaas, Lijmen/Het been, Blokken, Bint: er is een schijnbare overeenkomst.
Zoals ik op dezelfde straatschuimerwijze Bordewijk allang heb gerehabiliteerd (zijn drie delen Fantastische vertellingen las ik op het balkon, een aantal zomers terug) zo is nu Alfons de Ridder aan de beurt. De Ridder, de echte naam van Willem Elschot (1860-1882), was het grote voorbeeld van Simon Carmiggelt. Lees de eerste zin van Lijmen en je snapt dat: Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken...
Veel verder dan zo'n pakkende introductie gaat de overeenkomst overigens niet want Elschot had een klare maar ironisch-literaire stijl - voor gezellig-weemoedige kroegverhaaltjes moet je bij hem niet zijn. Ik verwacht zijn gehele oeuvre, dat maar zo'n 750 bladzijden proza en wat poëzie beslaat, nog voor de zomer uit te krijgen.


vrijdag 10 april 2026

Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?

Onze Paasreisjes begonnen ooit toen ik het heel druk had. Ik had juist een derde koor erbij genomen, een operettevereniging, en was bijna alle avonden op pad om te repeteren, en de weekenddagen ook, als de voorstelling naderde. Om even bij te komen, dat eerste jaar, boekten we een hotel, dat, zo stelde ik me voor, een ouderwetse naam en dito uitstraling moest hebben en zich liefst in het Oosten van het land moest bevinden. Het werd de Gouden Karper in Hummelo, nog net niet de Gebraden Haan uit de Bommelverhalen, maar het kwam in de buurt.
Het uitje beviel goed en met Pasen op hotel werd een traditie, ook toen de drukte na Corona geluwd was doordat de zieltogende operetteclub er na ruim 100 jaar de brui aan gaf.
Dit jaar besloten we na zes keer Twente of Achterhoek en twee keer Zuid-Limburg iets verder van huis te gaan. Tijdens een kleine herfstreis afgelopen november hadden we Waldschlöschen ontdekt, een rustieke en ouderwets betaalbare oase van rust aan de voet van een beboste berg in het Teutoburgerwoud. Daar zouden we Pasen doorbrengen. 

De voortekens waren goed. Het weer zat mee, we hadden geen sluimerend griepje zoals vorig jaar en de auto was in goede staat, zodat de kans op een kapotte distributiekabel, die ons vorige uitje op de valreep een nare bijsmaak had gegeven, zeer klein was. De verrekijker ging mee, natuurlijk, een paar vogelboeken, een roman waarin waarschijnlijk zeer weinig gelezen zou worden, en een bundel Duitse romantische poëzie voor de sfeer; deze keer had ik voor Eichendorff gekozen. Geen regenjas, een warm colbertje volstond, tenslotte was het lente. Ik had op Google ontdekt dat onze oosterburen nog meer aan paastradities hechten dan wij. Er waren overal vuren daar, en in Bad Iburg was een grote paasmarkt in middeleeuwse stijl. Dat bleek een variant op ons vaderlandse Castlefest te zijn, met verklede vrouwen met elvenoortjes en mannen met bijlen, mede van het vat en elkaar luide treffende geharnaste ridders in een toernooi.

Na het introductie-bier in het hotel, zondagmiddag, met een vrieskoude Korn ernaast, maakten we een wandelingetje naar een kleine waterval. Onderweg smeulde op een bergweide een vuur, door een paar mannen aangewakkerd of uitgetrapt, dat was niet meteen duidelijk. Mijn vriendin dacht dat het misschien een nog levend restant van gisteren was, maar ik zag de schragen tafels met flessen en was niet zeker. Door de schnapps onbevreesd geworden stapte ik op de mannen af. Neen, zojuist aangestoken, zei een toeschietelijke meneer. We praatten een tijdje over de toenemende regelgeving (ik kon niet op het woord voor formaliteiten en formulieren komen maar hij begreep me best) die dit soort leuke dingen steeds verder in het nauw brengt, ook in het wat ruimere buurland, en zo kwam het gesprek op de jacht. Hij monsterde mijn mosgroene truitje, mijn bruine tweedjasje, mijn hoed, mijn baard, mijn verrekijker, en vroeg: Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?
Bij het watervalletje zag ik maar liefst drie grote gele kwikstaarten. Mijn vogelweekend was al goed maar zou nog beter worden. Op de terugweg naar het hotel zong ik Schubert, Der Jäger, uit de Schöne Müllerin. Als de toon eenmaal gezet is krijgt zo'n vakantietje algauw een soundtrack mee, en die bestond dit jaar uit met bejaarde bariton gebromde Wanderlieder en uit het blaffende geknor van de Raven - mijn eerste officiële waarneming - die ik de volgende morgen boven de woudrand zou zien scheren op de thermiek; ook mijn vogel-app aarzelde niet en wist het zeker: common raven. 

Iets minder tevreden was ik over mijn zelfbeheersing. Na de eerste avond overvloedig gedineerd te hebben besloot ik de maag de volgende dag te ontzien en het bij gebraden oesterzwammen op een bed van stamp van zoete en gewone aardappel te houden. Digestieven streng verboden, zelfs geen Alte Marille, hoe lekker die abrikozenbrandewijn ook had gesmaakt, en op de kamer hooguit nog één nachtmutsje. Maar na drie grote glazen Grauburgunder in de zon sneuvelde dat voornemen over paddenstoelen en zwichtte ik weer voor de verleiding van een schnitzel ter grootte van een deurmat. Tenslotte ben je niet elke dag in Duitsland. Dat het de foute keus was besefte ik de volgende morgen toen ik het ontbijtbuffet vrijwel onaangesproken moest laten.


(Illustratie: een tamelijk foute, waarschijnlijk met AI gemaakte 'visualisering' van Schuberts lied, door de Duits-Russische pianiste Evgenia Fölsche)


vrijdag 3 april 2026

BELEGERD


Ik zal het kort houden, want ik ben evenmin bij klaagzangen gebaat als jullie, lezers. Ik doe mijn best het net zo makkelijk op te vatten als iedereen die ik erover spreek. Want wat is er nu helemaal aan de hand? Vrijwel niets. Zeker als je het afzet tegen het wereldnieuws dat dagelijks ieder vonkje optimisme probeert te doven. 

Er was weer eens een brief van Stadgenoot, de woningbouwvereniging. Groot onderhoud van de achterkant van het gebouw. We spreken nazomer 2025. Daarna verschenen er tempo comodo verschillende timmerlieden voor opmeting van de kozijnen, eerst losjes, voor een offerte, later, toen Timmerfabriek de Jong uit Woudsend de opdracht gewonnen had, precies, voor het definitieve maatwerk. Februari zou het worden.
Het werd eind maart, de merels zongen al. Eerst werd ik op een maandagmorgen nog wakker gebeld door twee drukke mannen die de gewraakte ramen en deuren op asbest kwamen controleren. Het zou maar even duren, goed dat ik thuis was, zo klaar. Toen ik me aangekleed had en poolshoogte kwam nemen waar al dat gewrik, gehamer en gescheur toch voor nodig was, kreeg ik te horen dat er bij de renovatie in 2005 naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid al gekeken was naar asbest, maar dat dat niet officieel geregistreerd was. Een verzuim dat nu formeel rechtgezet moest worden. Maar waarom al die moeite, wilde ik weten, dat oude houtwerk ging immers toch allemaal weg? Ja, maar dat mocht niet bij normaal bouwafval gedeponeerd worden als er mógelijk nog asbest in aanwezig was. Regels, meneer. Ik knikte semi-begrijpend.
Een paar dagen later kwam voor dag en dauw de hoogwerker. Vers gezaagde panelen, deuren en ramen werden over het dak geheveld en via de eerder neergezette steigers op de balkons neergelaten. Er waren fouten met het voorsorteren gemaakt dus een deel moest opnieuw - de hijskaan stond de hele dag te dreunen. Bij mijn balkon tikten de mannen er per ongeluk een keukenruitje uit. De volgende dag om zeven uur, voor de shift begon, zouden ze dat komen dicht tapen, want we willen natuurlijk niet dat u zich bezeert. Om zeven uur kwamen ze inderdaad, ik had inderhaast een broek aangetrokken. Aardige kerels, boomlang en blond, ze stelden zich voor en ik kreeg een hand. 

Nu is het wachten op de dag dat mijn draaiende delen aan de beurt zijn. Ik sta ingepland op 28 en 29 april. Maar aan de gang van zaken bij de overbuurvrouw zie ik dat het allemaal niet zo vlot gaat. Het zou weleens flink kunnen uitlopen. Ik maak al scenario's voor de katten: die moeten een paar dagen in twee kamers worden opgesloten. En al die tijd kunnen ze niet op het balkon van de lente genieten, want het gaas is eraf en ze zijn niet te vertrouwen: ik zie die onbesuisde dikzakken gerust op de reling springen en van driehoog naar beneden donderen, een vogeltje achterna. Daarna komt er een nieuw kattennet en gaan we hopelijk een mooie, rustige zomer tegemoet, met veel koerende duiven en zachte briesjes die worden genoten terwijl ze sluimeren in mijn aftandse balkonstoel die nu in ballingschap in de huiskamer staat. 
Ik zei al, het is niets. Maar het is de lange voorgeschiedenis van verbouwingen, opknapbeurten, reparaties en renovaties die een mens overgevoelig maakt voor alles wat zijn rust en privacy aantast. Een steigertje, een bescheiden schuurmachine en een paar werklui en je voelt je belegerd.
In een volgend leven koop ik mijn huis -  dan haal je je al die overlast tenminste zélf aan, en dat is beter voor de gemoedsrust, al kost het een paar duiten. 

                                                                          *

Reclame! Koopt allen, via deze link: KROONJAAR 



vrijdag 27 maart 2026

Grijze lente


Je kunt op verschillende manieren slecht wakker worden. Een goede vriend van me zegt dat zijn dag bedorven is als hij mooi heeft gedroomd. De werkelijkheid (der graue Alltag zoals de Duitser zegt) valt dan zo tegen. Mijn betreurde vriend G. zag dat anders. Na een mooie droom was hij de hele dag licht melancholisch gestemd, een niet onprettige toestand. Ikzelf neig naar het laatste maar begrijp het eerste ook. Hoe dan ook zijn beide scenario's op mij niet erg van toepassing want ik droom vrijwel nooit mooi, waarom weet ik ook niet - het is niet dat ik zo ongelukkig ben of dat ik geen fantasieën en herinneringen koester die stof voor mooie dromen zouden kunnen geven; ik houd het er maar op dat het iets fysieks is, iets banaals: benauwdheid in de slaap door een verkeerde houding, met kattenharen dichtgeslibde bronchiën, of een niet gediagnostiseerde apneu. 

Vanmorgen werd ik bovengemiddeld somber wakker na een extra slaapje ("nog éven!") dat eerst niet wilde lukken en me, nadat ik eindelijk was ingedommeld, diep onder de gezonde niveaus van bewustzijn sleurde waar de mens het best gedijt, op een zeebodem waar verdwenen gestalten uit mijn leven in een bontere dan levensechte vorm rondscharrelden, verwikkeld in een complex spel waarvan ik de regels niet kon begrijpen, hoewel de omstandigheden bedrieglijk veel leken op wat ik had meegemaakt. Mijn moeder, een jaar of veertig, schatte ik na het ontwaken (tijdens zo'n droom schat of denk je niks, je valt volledig samen met wat er gebeurt), wilde nog koffie, hoewel ze volgens mij nog een warm kopje koffie met veel melk had staan. Ik bood aan die voor haar te zetten. Ik wilde zelf espresso maken in mijn eenkopsmoka, maar om haar een plezier te doen gebruikte ik haar koffiezetapparaat. Meer kan ik me bij het schrijven van dit blog niet herinneren en het lijkt me erg vreemd om hier zo ontdaan van te raken en toch was ik dat bij het opstaan. 

Ik volgde mijn dagelijkse routine. Na de yoghurt en de gymnastiek zette ik me met een tweede koffie in mijn stoel bij het raam en keek met tegenzin naar de dichte grijze lucht. Ik scrolde wat op mijn telefoon, die, geheel overeenkomstig mijn beste voornemens, de hele nacht buiten de slaapkamer had doorgebracht, en opeens kwam daar Liesbeth List langs. Grijze Lente - meteen na een of twee regels herkenbaar als een tekst van Lennaert. Ik kende die tekst wel uit zijn in de Pluche-reeks verschenen verzamelbundel, maar niet het bijbehorende liedje van Boudewijn, gekleed in een classy arrangement van Bert Paige, wat deftig maar handwarm gezongen door de dochter van de vuurtorenwachter. Het is te vinden op de plaat Pastorale uit 1968. Ik vond het een wonderlijk liedje, met zijn korte, kale refrein en zijn onregelmatige, maar wél op vertrouwde clichés berustende akkoordenschema. Even later zou ik van mijn telefoon leren dat Boudewijn zélf er niet zoveel in ziet en dat hij zich zelfs nogal schaamt voor wat hij en Lennaert destijds hebben geleverd aan la List, in de tijd dat zij 'de Van Gend & Loos van de Nederpop' waren: ze werkten op bestelling en soms was Boudewijn (aldus zijn eigen woorden in het Boudewijn de Groot Oeuvreboek) 'muzikaal volkomen de weg kwijt'.
Ik snap wat hij zegt. Het niveau van de zojuist afgeronde plaat Picknick wordt, afgezien van het befaamde titelnummer Pastorale, nergens gehaald en de composities lijken wat stuurloos rond te dobberen, vergeefs op zoek naar een pakkend refreintje - de arrangementen van Paige geven ze een flower power cachet maar als je ze alleen met een gitaar zou begeleiden zou er weinig van overblijven.

Maar toch, maar toch! Wat raakte Grijze Lente me vanmorgen, wat pakte de oude weemoed me, hoe troostend was het om het oude en zo vertrouwde idioom van Lennaert te horen, met zijn onveranderlijke thema's en zijn zo herkenbare taal. 
Een opwellende traan van ontroering luchtte op, en een wandeling door het park waar de kille grijze lente de magnolia's deed huiveren verdreef de schijngestalte van mijn moeder die me zonder het te willen ongelukkig had gemaakt, eenendertig jaar na haar dood. 


zondag 22 maart 2026

KROONJAAR


Robert Eksteen en ik zijn deze maand allebei zeventig geworden. Zoals onze karakters zich als schijnbare antipoden spiegelen, zo spiegelen ook onze geboortedata elkaar: 13 maart (ik), tegenover 31 maart (Robert).
Bij vorige kroonjaren (50, 60 en 65) stonden we stil met cd's (Dwarsliggers en Wat ik later wilde worden) en vertaalde liedteksten (Raconteur, troubadour). Dit kroonjaar besloten we schaamteloos (voor schaamte zijn we immers te oud geworden) een bloemlezing uit eigen literair werk te publiceren. Verhalen en gedichten hebben we gemaakt sinds mensenheugenis. Die uit de periode van de lagere school hebben we buiten beschouwing gelaten; ook de bijdragen aan de schoolkrant van het Cartesius Lyceum hebben we met de mantel der liefde onzichtbaar gemaakt.

Er bleef genoeg over. We hebben een persoonlijke keuze gemaakt uit dat wat ons het dierbaarst is gebleven en - losjes maar warm - een raakpunt had met ons beider leven, met onze lange vriendschap, onze ontwikkeling van jongeman tot grijsaard. Raakpunt, was een tijdje de werktitel van de bundel, maar die haalde het niet. Kroonjaar werd het. Naar het kwatrijn van Adriaan Roland Holst dat het motto van ons boek is geworden: 

Leeg en gehuldigd
kwam hij thuis,
vermenigvuldigd
tot een muis.

De verhalen en gedichten uit Kroonjaar zijn zo gekozen dat ze niet alleen voor onszelf waardevol zijn. Naar mijn  - toegegeven, niet zo objectieve - oordeel is het een prachtig en zinnig boek geworden, afwisselend en toch samenhangend. Poëtisch en scherp, romantisch en reëel. Vooral doet het me plezier dat zoveel mooie stukjes die alleen nog op vergeeld papier van obscure tijdschriftjes bestonden nu in heldere druk zijn verschenen. 

Vandaag, precies tussen ons beider verjaardagen in, laten we het boekje los. Hopelijk vindt het zijn bestemming. Helpt het landen en koopt allen:

Kroonjaar

Jan-Paul van Spaendonck & Robert Eksteen
Amsterdam/Haarlem
Uitgeverij Faun, 2026

16,58


HIER bestellen. 


vrijdag 20 maart 2026

Maart, maart!


De twee gezichten van de lente wisselden elkaar af met grotere snelheid en fellere kracht dan in andere jaren.
Eerst was er het ontluiken, de belofte, een zachte drang tot verandering. Ik keek naar mijn zomerjasje, heel teer bleekgeel met een subtiel Bommel-ruitje van blauwe en rode draad, en stelde vast dat de nek groezelig was, ik zou het naar de stomerij moeten brengen. Welke wist ik nog niet want de vertrouwde droogkuis in de Ferdinand Bolstraat was, had ik op het nieuws gezien, ten prooi gevallen aan brandstichting en explosieven.
Dan was er mijn kapsel. Dat was een ongepaste wintervacht die me vanuit de spiegel aangluurde met een ouwelijk aureool van veel lang en wit haar. Dat moest er spoedig af. Nog voor 1 maart eigenlijk, de dag van de meteorologische lente en de dag waarop mijn vriendin en ik onze zeventigste verjaardag vierden. Ondertussen fotografeerde ik bloesems in het park, citeerde neuriënd een Chinees gedicht over het uitbreken van het voorjaar en voelde me er in alle opzichten klaar voor.

Maar - er kwam een griepje, rond mijn echte verjaardag, en daarna was alles anders. De lente had me zijn wrede aangezicht toegekeerd, dat schitterde van hard licht en vol harde geluiden was. Mooi weertje, vond iedereen, de weerman van het journaal was in zijn nopjes. Maar de zwarte vlekjes voor mijn ogen dansten wild en de piep in mijn oren was ongewoon hard. Nerveus van maartangst, zweterig en overgevoelig door hardnekkige verkoudheid deed ik wat ik moest doen en onttrok me zoveel mogelijk aan wat niet echt noodzakelijk was. Blij 's avonds met een boek naar bed te mogen. Het eierdooier-met-melk-gele jasje bleef aan zijn knaapje, de kapper moest nog maar even op klandizie wachten. 

Hieronder een gedichtje over de goede kant van maart, de welkome, de veelbelovende, de verruimende, de reinigende. Ik schreef het op 15 maart 1978, twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag. Het staat op pagina 9 van een gloednieuw prachtboek, waarover ik u aanstaande zondag alles zal vertellen. Nog even geduld!  

Maart

De wereld wordt door stormen schoon geblazen,
en als een gouden olie uit kristallen schenkkan
vloeit het licht, en vult de maartse lucht.

Een wolkennet met fijne blauwe mazen
is luchtig vallend om de aarde gedrapeerd:
de vogels weven het in dronken vlucht.


Illustratie: De Dans van de Tijd (1635), Nicolas Poussin (1594-1665)


vrijdag 13 maart 2026

BUONGIORNO

Vandaag, de dag van mijn zeventigste verjaardag, waag ik me weer eens aan een stukje zelfonderzoek, zoals ik het tegenwoordig zelden meer op schrift beoefen; in de beginjaren van dit blog, toen ik pas uit de kliniek was, was het juist schering en inslag: de analyse van mijn gedrag en gedachten, zo mogelijk afgerond met een passende, geruststellende conclusie. Mild zelfonderzoek en mooi "rondgeschreven", zoals iemand ooit zei. De laatste jaren heb ik daar niet zo'n zin meer in. Het is allemaal te ingewikkeld, de mens, de wereld, wie ben ik om met oplossingen te komen? Sfeerimpressies, anekdotes, snippers essay, daar hield ik het maar liever bij. Niet iedereen zal dit onderschrijven en zeker mijn vertrouwde critici zullen honend lachen als ze dit lezen. Maar naar mijn gevoel is het waar en daar gaat het om, op mijn zeventigste verjaardag.  

Mijn zoon noemt het buongiorno. De stemming waarin je zelfverzekerdheid uitstraalt, die met présence en stemverheffing gepaard gaat. Het Italiaans en de stemverheffing zullen verband houden met de jaren waarin ik als belcantozanger aan de weg timmerde.
Pieken en dalen, daar ben ik vanaf mijn kindertijd aan gewend. Dagen van inkeer en dagen van naar buiten gericht zijn wisselden elkaar altijd af. Pas veel later, toen het minder onschuldig werd, had ik daar een naam voor: bipolair. Licht bipolair. Als ik in een 'opgetogen' fase was beland merkte ik het vaak het eerst aan de reacties van anderen. Ik werd op straat aangekeken of aangesproken door passanten, vrouwen zagen opeens meer in me dan een bedaarde, baardige wandelaar. 'Het was een dag, bien luné...' schreef ik ergens in een dagboek over zo'n dag waarop ik blijkbaar iets uitstraalde dat opgepikt werd door de wereld om me heen.
Het buongiorno werd handelsmerk, ik maakte er mijn beroep van. Ieder optreden moesten we, Vincent en ik alias La Passione, die gepassioneerde buitenkant aan de wereld tonen. Ook als je niet lekker in je huid stak en je het liefst met een boekje bij de haard had gezeten, gordijnen dicht. Het buongiorno werd iets dat oproepbaar was, een masker dat je kon opzetten als het werk erom vroeg. Uiteindelijk een niet zo gezond procedé. En beroepsmatige extraversie valt al snel door de mand. Na een optreden benaderen mensen je vol verwachting, maar als blijkt dat die podiumpersoonlijkheid precies dát is: iets voor de bühne, haken ze al snel af, knikken je vriendelijk toe, negeren je verder en praten rustig keuvelend met hun achterban.
Ik heb me vaak afgevraagd hoe een mens écht, dat wil zeggen permanent charisma kan hebben. Als jojoënde stemmingswisselaar heb of had ik hoogstens een soort parttime charisma, al beweert mijn vriendin dat ik altijd de aandacht naar mezelf toetrek door wie ik ben of lijk te zijn (misschien is dat wel zo, maar dan merk ik het zelf toch niet, doordat de onzekere man die in mijn innerlijk woont me het zicht belemmert).


Op de carrousel van foto's die op mijn beeldscherm rouleert komt soms een plaatje voorbij dat me aan het denken zet over deze dingen. 
In 2009 brachten we een week door in Ortigya, het op een eiland gelegen historische centrum van de zuidelijke havenstad Syracuse. De aanleiding was een bezoek aan mijn vriend Geerten, die daar toen woonde. Ik probeerde in die tijd onder begeleiding van de Jellinek te stoppen met drinken maar dat ging op en af, en als het niet lukte dook ik steeds dieper onder in een alcoholisch bassin. Op Sicilië, die eerste keer (het jaar daarop kwam ik er in een droge periode) was het goed raak. Ik dronk de hele dag door. Biertje bij het ontbijt om bij te komen, wijn bij de lunch, en vanaf het middaguur was er nauwelijks meer een halt. Mooie maar chaotische tijd, de dagen buitelden door elkaar en liepen in elkaar over - mijn dagboekje, naderhand aangevuld, staat vol vraagtekens. Enfin, ik zal u de details besparen - we misten het vliegtuig terug naar huis. Verkeerd op de tickets gekeken. We boekten voor veel geld een nieuwe vlucht een paar dagen later en klopten na een nacht bij Geerten op de vloer bij ons hotel aan, dat gelukkig nog plaats had. Ik herinner me die toegift als iets rustiger. Ik las mijn vriendin La sirena van Lampedusa voor op de hotelkamer, en... ik ging naar de kapper. 
Daar is dat plaatje van. De kapper, een aardige rustige baas, kwam uit Uruguay (een derde van de Uruguayaanse bevolking heeft Italiaanse wortels). Algauw zaten we samen Figaro te zingen. Het toeval wilde dat er een televisieploeg van de Uruguayaanse tv in de kapsalon was om een documentaire te maken over onze barbier. Ze snoven mijn buongiorno gretig op en algauw snorde de camera. Op die foto zie ik hoe charisma werkt. Vooral de jongste tv-man kijkt me zonder terughouding bewonderend aan. Later die middag aten we op een pleintje spaghetti met zee-egels. Het had geonweerd maar al snel daarna was de lucht opgeklaard. Ik zong voor het terras: Che bella cosa... Wat een prachtig iets, een zonnige dag, de heldere hemel na een onweersbui. 'O Sole Mio!!!

Normaal is er na zo'n uitbundige bui een diepe schaamte over de eigen aanstellerij. Maar tijdens dat verblijf op Sicilië bleef die achterwege. Ik vermoed nu dat ik uit zelfbehoud in die manische stand bleef volharden, omdat ik wist dat, als ik eenmaal tot bezinning kwam, de put te diep zou zijn - veiliger was het voorlopig maar even uit te razen, met mijn vastgeklonken buongiorno-masker op. 

Ik geloof niet dat iemand me sindsdien zo naar de ogen heeft gekeken als die jongen uit Uruguay. Maar ik ben ook nooit meer zo diep gevallen als daarna, terug in Amsterdam, en ik heb me nooit meer zo hoeven oprapen - of laten oprapen - als toen.  



vrijdag 6 maart 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 69: Hommels, katten en muizen


Ik liep zoals iedere dag in het park. Nog met wintervacht - de kapper was er vandaag niet van gekomen - maar mijn jas hing open en mijn V-hals jumper had ik thuisgelaten. Anders dan gisteren was de lucht niet helderblauw. De zon had enige moeite erdoorheen te komen, een weggemoffelde diamant. Ik stoofde me zachtjes in dat diffuse licht. Koesterde herinneringen aan voorgaande jaren. De vogels herinnerden zich niks, die waren net zo uitbundig als de dag ervoor. In de rijke witte bloesems van een zure kers (maar het kon volgens PlantNet, met iets minder waarschijnlijkheid, ook een sleedoorn zijn) zat een flinke hommel. De eerste van het jaar. Ik dacht aan een klein stukje dat ik op deze webpagina schreef, 15 jaar geleden alweer.

8 april 2011

In de gang kroop een hommel. Hij zat onder het stof. Hij moet de winter in een hoekje hebben doorgebracht. Ik pakte hem met stoffer en blik op en zette hem op het balkon. Daar verstarde hij, terwijl hij zijn rechtervoorpoot ophief alsof hij het verkeer regelde, of de Hitlergroet bracht. Ik begreep het. Hij had last van de felle zon. Ik schoof hem in de schaduw, en hij begon weer te bewegen. Eerst waste hij zijn voorpoten. Dan maakte hij een enkel proefvluchtje, vijf centimeter rechtstandig omhoog, meer niet. Alles deed het nog. Hij leek moed te scheppen, en wierp zich vastberaden in de lucht. Hoog en snel ging het meteen, met duizelingwekkende zwenkingen. Maar de willekeurige patronen werden al gauw kleiner, en met grote precisie dook hij in een bloeiende perenboom.

Vannacht was er reuring in huis. Ik kreeg er weinig tot niets van mee want ik slaap vast. Snuf was boven in zijn functie van muizenpolitie. Broer Snuitje durft het trappenhuis niet in, de zolderetage is voor hem onbekend terrein. De dag ervoor had hij, Snuf, er een gevangen, een volwassen exemplaar. Good boy! Maar tot verbazing van mijn dochter beet hij zich niet grommend vast in het diertje, maar droeg het voorzichtig aan zijn nekvel mee, teder bijna, zoals katten met hun kittens doen. Hij liep een tijdje - besluiteloos ondanks zijn felle grote ogen - met zijn prooi rond, voor hij die losliet en er wat mee begon te spelen. Tikje, schuiven, tikje. De muis zag zijn kans en greep die, verdween in een holletje in de plint.
Gisteren herhaalde de gang van zaken zich: rondzeulen, loslaten, sjoelbakken. Deze muis vond geen gat en bleef rug tegen de muur in een hoekje zitten. Snuf ging het wereldraadsel zitten bepeinzen, kijkend naar dit enigmatische fenomeentje, blijkbaar nu al verveeld door een veelbelovend kameraadje dat voor minder opwinding zorgde dan de speeltjes waarmee mijn dochter zijn kilo's een beetje binnen de perken probeert te houden. Op een telefoonfilmpje zag ik de volgende morgen hoe mijn dochter het diertje aan zijn staart de trap afdroeg en buiten losliet. Het schoot, geschrokken maar ongedeerd, met razende pootjes onder een geparkeerde auto. Onze vorige kat Tijger schrokte de muizen in één keer naar binnen, dat was een jager. Snuf is een zachtmoedige, decadente binnenkat. Nul instinct.


vrijdag 27 februari 2026

VOORJAARSSCHOONMAAK


Het plotselinge uitbreken van de lente laat vermoedelijk niemand onberoerd. Iedereen zal het op zijn of haar eigen manier ervaren. Je ziet mensen (vele) die, meteen omgeschakeld, een ijsemmer vol wit of rosé bestellen op een hip terras. Anderen aarzelen welk soort jas te dragen (of helemaal geen?) en moeten nog even wennen aan al het gekwetter en lichtgeschitter. Ik was met mijn vriendin in Amsterdam Nieuw-West bij een Turkse winkel om inkopen te doen, want we hebben iets te vieren; we kochten meer dan we normaal zouden hebben gedaan, het zag er allemaal zo feestelijk uit, wat daar in bakken en schalen lag opgetast.
In de auto neuriede ik, tussen happen van een lahmacun door, Mahler: Der Trunkene im Frühling. Thuis sloeg ik er mijn vertaling op na, en daarna het origineel van Hans Bethge, dat nogal afwijkt van Mahlers versie. Zoals altijd vroeg ik me af waarom ik het iconische eerste vers niet gewoon had vertaald als: Als slechts een droom het leven is. Vroeger vond ik die één op één vernederlandsing heel gewoon. Toen ging ik twijfelen: het was toch écht een germanisme, die rare woordvolgorde. Ook mijn voorganger, dichter-vertaler Hélène Swarth (1859-1941), durfde ruim een eeuw geleden een letterlijke vertaling niet aan in De chineesche fluit (Meulenhoff, 1921) en maakte ervan: Zoo 't leven meer niet is dan droom... 

De drinker in de lente

Het aards bestaan is slechts een droom  – 
Wat maken we ons druk?
Ik drink totdat ik niet meer kan,
In ongestoord geluk.

En als ik niet meer drinken kan,
Gevuld van buik tot mond,
Dan val ik in een slaap die duurt
Tot aan de morgenstond.

Wat hoor ik als ik wakker word?
Een vogel in een boom.
Ik vraag hem of het voorjaar is – 
Het is alsof ik droom.

De vogel kwettert: ja, het is
Al lente, sinds vannacht.
Ik slaak ontroerd een diepe zucht,
De vogel zingt en lacht.

Ik vul mijn glas opnieuw en zet
Het gulzig aan mijn mond,
En zing totdat de maan verschijnt
Aan ’t zwarte hemelrond.

En als ik niet meer zingen kan,
Is slapen wel weer fijn.
Want wat gaat mij de lente aan!
Laat mij toch dronken zijn!

Hans Bethge, naar Li Bai (Li T'ai Po), vertaling JPvS

                   *

Der Trinker im Frühling

Wenn nur ein Traum das Dasein ist,
Warum dann Müh und Plag?
Ich trinke, bis ich nicht mehr kann,
Den ganzen lieben Tag.

Und wenn ich nicht mehr trinken kann,
Weil Leib und Kehle voll,
So tauml ich hin vor meiner Tür
Und schlafe wundervoll!

Was hör ich beim Erwachen? Horch,
Ein Vogel singt im Baum.
Ich frag ihn, ob schon Frühling sei – 
Mir ist als wie im Traum.

Der Vogel zwitschert, ja, der Lenz
Sei kommen über Nacht, 
Ich seufze tief ergriffen auf,
Der Vogel singt und lacht.

Ich fülle mir den Becher neu
Und leer ihn bis zum Grund
Und singe, bis der Mond erglänzt
Am schwarzen Himmelsrund.

Und wenn ich nicht mehr singen kann,
So schlaf ich wieder ein.
Was geht denn mich der Frühling an!
Laßt mich betrunken sein!



Ik houd momenteel voorjaarsopruiming. Vele, veel te lang bewaarde boeken verdwijnen naar straatbiebjes om plaats te scheppen voor nieuwe aanwinsten. Ook mijn verzameling eigen werk moet maar eens uitgedund worden. Ik heb nog een bescheiden doosje vol met exemplaren van De Chinese fluit, door de Avalon Pers in 2014 liefdevol met de hand gezet en gedrukt op fraai, dik crèmekleurig papier en voorzien van een pentekening door mijn dochter Rosanne. 

Wie wil kan er een voor 13,50 inclusief verzendkosten bestellen. Ik zet er handtekening en opdracht in.
Mail naar: jpvanspaendonck@gmail.com. 

vrijdag 20 februari 2026

TOEVAL


Ik was niet uitgerust - de slaap had niet snel willen komen de avond ervoor -, maar zodra ik buiten kwam voelde ik me opgefrist: het was minder koud, windstil en de geur van regen hing in de lucht. Ik ademde diep in en ging op pad naar het huis van mijn Italiaanse vriend bij wie ik koffie zou gaan drinken - we hadden veel te bespreken en ik had een boekje bij me dat ik op verzoek van de uitgever aan hem moest overhandigen, met de complimenten. 
Een klein halfuur later belde ik aan.
Niets. Ik herinnerde me zijn herhaalde instructies om vooral ferm te drukken, want de ouderwetse bel had kuren. Nog eens drukte ik, en weer, met verschillende druk en duur. Weer bleef het vertrouwde gestommel in het trappenhuis, begeleid door mompelend commentaar, uit. Ik deed een paar stappen terug en keek omhoog. Er brandde geen lampje boven de computer die aan de raamkant stond. Ik appte (ik sta voor je deur, ben je thuis?) en begon te schilderen, zoals dat in oude Maigrets heet; "wachtend op en neer lopen" volgens de Van Dale - Maigrets inspecteurs doen het nogal eens als ze een bepaald verdacht pand moeten bewaken. 
Toen er een kwartier voorbijgegaan was liet ik het boekje in de brievenbus glijden en liep terug naar huis. Ik besloot een andere route dan normaal te nemen, binnendoor, langs het water, en niet langs de C.-laan. Er passeerde me een vrouw. We knikten elkaar toe. Ik keek nog eens. Ja, dat was R. Ik riep haar naam: R.! Ze draaide zich om, herkende me, spreidde haar armen en omhelsde me.

Maak je nog steeds muziek, was een van de eerste dingen die ze wilde weten. Ze was anderhalf decennium ouder dan toen, en ik ook. Een godswonder dat we elkaar meteen herkenden, maar voormalige kliniekgenoten hebben een intensieve tijd doorgemaakt samen die niet snel uit te wissen is. Mij ging het wel goed, zei ik; al die wissewasjes en schommelingen in gevoelstemperatuur kon je op deze grote schaal wel buiten beschouwing laten. Ze nam een pepermuntje.
Ik had het allang geroken. Ze vertelde dat ze tien jaar geen druppel had gedronken, maar na een scheiding en een gedwongen verhuizing was het weer raak geweest. De flessen wodka waren niet aan te slepen. Ze lachte erbij. Overmorgen ga ik weer naar de kliniek, zei ze. Solutions, in V. 'Ben ik al eerder geweest. Ach ja, het leven is vallen en opstaan, we moeten er maar niet zo'n enorm probleem van maken,' meende ze luchtig. We praatten over wederzijdse bekenden.

I. was inmiddels overleden, wist ik dat? Ja, ik wist er alles van. Ik had in mijn boek Een klein verwend jongetje een hoofdstuk gewijd aan de geschiedenis van I. en R. Onder schuilnamen uiteraard. Nu bleek dat alles heel anders was gegaan dan de grootsprekende, fabulerende I. me destijds had wijsgemaakt, ik geloofde R. op haar rulle wodka-woord, zij zat niet in de reclame, zoals I.
Sterker nog, ze had in haar lange droge jaren in de verslavingszorg gewerkt, onder ons beider verslavingsarts W.S. ('Mijn held', zei ze) die ik als Dr. Siegfried Nimsgern in dat genoemde boek heb opgevoerd. Met hem ging het slecht, hij had 'overal kanker', en dat met twee jonge kinderen... Ik schudde meelevend mijn hoofd en was blij dat ik zo'n sympathiek portret van hem had geschetst in die roman. We namen afscheid, ze omhelsde me opnieuw, die wodka-adem rook vertrouwd en eigenlijk best lekker, ik wenste haar veel succes in de kliniek.
Het toeval wil, dat ik juist dezer dagen bezig ben met een grondige revisie van dat boek. Ik schraap er alle literaire glazuur vanaf die ik er destijds uit onzekerheid op aangebracht heb en behoud de basistekst zonder franje. Moest ik nu die hele 'liefdesgeschiedenis' tussen die twee herschrijven? Ik besloot van niet. Het was het verhaal van I. dat ik uit zijn mond had opgetekend. Of dat historisch juist was donderde niet, voor wat dat boek betreft.
Het toeval wilde, dat mijn vriend niet thuis was (niks ernstigs gelukkig, hij had zich vergist in de datum) en het toeval wilde dat ik een andere route naar huis nam. Een mislukte excursie leverde een mooie ontmoeting op.
Maar dat het slecht gaat met Dr. Nimsgern wierp een schaduw over de rest van de dag.


(Dobbelstenen: Lyra's Hoard)

vrijdag 13 februari 2026

DOEDELZAK


We wilden eens een DNA-test doen, om te kijken wat er nu precies waar was van al die familieverhalen. De wattenstaafjes gingen in een met vloeistof gevuld buisje en werden opgestuurd naar een laboratorium in een ver buitenland. Daarna was het wachten geblazen. Regelmatig kregen we mails van het bedrijf met reclame voor andere diensten, stambomen uitzoeken bijvoorbeeld, of DNA-matches met anderen vaststellen. Er zit geld in ons verborgen verleden. 

Afgelopen woensdag was het zover. Ik opende de mail.
Jan-Paul, U bent... verscheen in beeld - een  sterrenhemel lichtte aan, er klonk spannende muziek - ... 76,7 % Nederlands.
Oké, dat zat eraan te komen. Maar het ging me natuurlijk om die andere 23,3 %.

Ik heb ooit de stamboom van mijn oma uitgezocht. Dat was een makkie, want de familienaam Grabijn is zeldzaam, en terug te voeren tot één persoon. Hans Hinrich Grabin (1707, Brinkum, Nedersaksen) had een zoon Friedrich (1743-1803) die naar Nederland kwam vanwege de liefde en zijn naam verhollandste tot Grabijn. Hij stierf in Amsterdam en ligt daar ook begraven, in Buikslotermeer. Zijn zoon heette Jan Fredrik. Zijn kleinzoon Johannes Christiaan (1798-1826) verruilde Amsterdam voor Delft en daar begon de familiegeschiedenis van mijn Delftse oma. 
Als bluffende genealogie-amateur poneerde ik: die Grabijns zijn dus helemaal geen Hugenoten (Grabin op zijn Frans uitgesproken) zoals in de familie werd beweerd - mijn oma had zelfs een Hugenotenkruisje -, het zijn Duitsers, en gezien de naam "Grabin" waarschijnlijk uit Polen. In dat Oostblokland liggen namelijk een aantal steden en dorpen die zo heten.
De DNA-uitslag gaf me deels gelijk; ik ben voor 5 procent Duits, dankzij Hans Hinrich. Maar niks Polen. Grabin is een gewone Duitse naam en heeft geen aantoonbare Poolse herkomst. Exit Polen, geen genetisch excuus meer voor die drankzucht.

Ook een andere aanname kon de prullenbak in. Ik was van vaderszijde een Spaanse Brabander, wist ik vrijwel zeker. Tijdens de 80-jarige Oorlog hadden de Spanjolen Den Bosch in bezit en in de wijde omtrek van die stad hadden ze volgens een hardnekkige mythe zowat alle meisjes bevrucht. Vandaar het donkere uiterlijk van oma, die koolzwarte ogen. Maar het DNA was onverbiddelijk. Geen drupje Spaans bloed. Waar dat donkere dan wel vandaan kwam?
Hoera! Ik was voor 4 % Frans!
Maar, voor mijn Joodse collega's die me in de loop der jaren hebben omarmd als een vermoedelijke verre bloedverwant: West-Europese en Centraal-Europese Asjkenaziem: 0.0 procent.

Goed. Geen Pool, geen Spanjaard, geen Jood. Wat dan wel, behalve dat vooral Tilburgse, Antwerpse en Zuid-Hollandse, en dat beetje Duits en Frans?
Tromgeroffel... Negen procent Engels! 
Huh? Waar komt dat vandaan? Vandaar dat ik me bij de Britten altijd zo op mijn gemak voel.

Tot slot hadden de uitkomsten van kit nummer MH-488X77 nog een kleine verrassing in petto. Die twee procent Zweeds en Deens... ach, dat zou wel van de Engelse connectie komen. De Vikingen hebben het eiland immers geteisterd, geknecht en bevolkt. 

Maar dat ik voor 1,6 % Schots en Welsh ben, dat pleziert me. Ik ga een doedelzak kopen.


Illustratie: Jacob Jordaens (1593-1678), zelfportret als doedelzakspeler, circa 1640.


vrijdag 6 februari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 68: vondsten


Twee weken geleden, op een koude zondagmiddag, liepen mijn vriendin en ik vanuit haar huis op de dijk naar het nabijgelegen dorpje. We hadden er iets te doen. In het kerkje aldaar, de Noordeinder Vermaning, gingen we naar binnen om het boekenaanbod te bekijken. Het boekenkerkje is de bijnaam van dat altijd geopende, niet meer in gebruik zijnde godshuis sinds er, buiten evenementen om, op grote schaal boeken tweedehands te koop zijn, voor wat de gek ervoor geeft. Die vrijwillige gift gaat in een schoenendoos, men is er goed van vertrouwen, niet altijd terecht, heb ik begrepen. Ik heb er al menig mooi exemplaar gevonden, van een uitgave van Duizend en één nacht uit 1939 met 50 prachtige platen van Edmund Dulac tot een cassette met romans van Simenon. Toen ik een keer geen contant geld bij me had heb ik later een bedragje overgemaakt, eerlijk is eerlijk. 
Dit keer was er vooral veel crime fiction, al of niet literair. Ik liet Nicci French en consorten voor wat ze waren en boog me over een stapeltje grammofoonplaten. Ik besloot kritisch te zijn. Ik draai weleens een plaat (vinyl zoals dat tegenwoordig heet) op mijn kleine pick-upje met ingebouwde luidsprekers, maar vaak is het niet; en ik heb stapels en stapels platen thuis omdat ik na de overstap op cd, eind vorige eeuw, mijn collectie niet kon en wilde wegdoen. Dus bladerde ik de hoezen werktuiglijk door zonder de verwachting dat er iets bij zat, de eerste platen waren niet veelbelovend.
Toch! Daar was een keurig in plastic verpakt grijsblauw album met de beeltenis van Franz Liszt erop. Transcripties van stukken uit Wagner-opera's en op kant twee late pianostukken, die interessante, sobere en verstilde stukken dus, die mijn vader het vermoeden deden uiten dat de oude Ferenc licht aan het dementeren was geraakt. Toos Onderdenwijngaard was de pianiste. Die naam kwam me onmiddellijk bekend voor en onderweg naar huis vertelde ik mijn vriendin wat ik me herinnerde.
Ze was een succesvol concertpianiste maar bij ons thuis vooral bekend als een der oprichters van de Franz Liszt Kring. Daar werd mijn vader in de late jaren 70 lid van, ik herinner me nog dat hij met deze Toos belde. Hij wilde meedoen als voorvechter van de ouderwetse romantiek, op de bres springen om het erfgoed te verdedigen tegen het in die tijd woedende barokvirus. Op gezette tijden viel er een tijdschrift in de bus en hij ging naar concerten die door de Kring werden georganiseerd.
Ik opende de plaat. In de hoes stak een handgeschreven opdracht. Een briefje van een dankbare patiënt aan de afdeling "F.3.Z." voor 'hun kennis en kunde en hun warme benadering van de mens, of die nu patiënt, diens bezoeker of Uw collega betrof'. Blijkbaar had de staf van afdeling F.3.Z. niet zoveel op met de esoterische 'late Liszt' want de plaat was in nieuwstaat, glanzend zwart, elektrisch geladen en ongeschonden.

Vanmiddag was het moment waarop ik Toos, een generatiegenoot van mijn vader, 1926-2019, slechts een jaar na hem geboren en drie jaar later dan hij overleden, zou gaan beluisteren. Een druilerige februarimiddag, rustige dagen voor de boeg, kaarsje aan, tripeltje ingeschonken.
Maar het pick-upje kon geen verbinding maken met het stopcontact, het snoer was te kort (de nieuwe bank had voor een verschuiving in de kamer geleid). Liever dan daar nu een oplossing voor te verzinnen dacht ik op YouTube terecht te kunnen. Ik verdwaalde eerst in allerlei oude video's van prog-bandjes van mijn zoon en vakantiefilmpjes van onze familie voor ik welgeteld één video van Toos Onderdenwijngaard vond, een bandrecorderopname uit de jaren zeventig. Erg mooi, dat wel. 

                                                                        *

In het boekenkastje in mijn straat vandaag: Handschrift, van Jean Pierre Rawie. Hij is de bestverkopende dichter na Annie M.G. Schmidt en Toon Hermans, las ik, en zo zag dit deeltje van Prometheus er ook uit: in feestelijk goud en rood gevat, alsof het alvast vooruitliep op zijn status als kerstcadeau. 
Thuis begon ik er zonder veel verwachting in te bladeren maar ik werd desondanks gepakt, vooral door de uitmuntende vertalingen uit Engels, Russisch en Portugees waarmee het boekje eindigt. En ik dacht aan de gedichten van Simon Vestdijk, die zo hemelsbreed verschillen van deze J.C. Bloem 'light'. Voor ik het wist dichtte ik twee kwatrijnen, ongetwijfeld geïnspireerd door JPR, die deze versvorm ook hanteert, naast het sonnet. 

Jean Pierre Rawie

Zijn verzen, in gewone mensentaal
en dus verstaanbaar voor ons allemaal,
zijn door die klare eenvoud zeer weldadig -,
maar soms ook wel een tikkeltje banaal.

Vestdijk

‘k Raak over zijn romans niet uitgepraat,
terwijl zijn dichtwerk me Siberisch laat.
’t Is niet dat hij niet mooi en knap kan rijmen -,
maar ik begrijp gewoon niet wat er staat.


Illustratie: 'Het toverpaard', Edmund Dulac (1882-1953)