Rondom een opengekrabde insectenbeet op de zijkant van mijn linkervoet verscheen een rode vlek die zich als een zeeanemoon uitbreidde. Een dag later kleurde de plek pimpelpaars. De huid was strak, maar niet warm, pijnlijk of gezwollen. Mijn dochter dacht aan een bloeduitstorting, maar mijn vriendin vond het er niet goed uitzien, herinnerde zich de teken in de Ardennen en op de Drentse camping en drong aan op een consult bij de huisarts.
Ik belde met de assistente. Het was erg druk op de praktijk maar als ik een foto stuurde kon ze samen met de dokter kijken of een afspraak nodig was. Ik maakte een plaatje van de donkere vlek (waarschijnlijk bloedvergiftiging, waarschijnlijk levercirrose) en stuurde die op. Even later werd ik gebeld: de dokter wilde me graag even zien. Schikte half twee?
Veel te vroeg was ik bij de huisartsenpost. Ik liep nog een rondje, Schubertstraat, Wagnerstraat, voor ik in de lege wachtkamer plaatsnam. Een kwartier verstreek. Nog eens een stil kwartier later keek er een vrouw om de hoek. Even een update. Het speet haar maar de dokter was weggeroepen voor een spoedgeval. Hoe lang wilde ik nog wachten? Ik zei dat ik nog wel even tijd had, en ik was hier nu toch. Een half uurtje later was ze er weer. Helaas! Het ging allemaal veel langer duren dan gehoopt, de afspraak moest naar de volgende dag verzet worden.
Ontevreden liep ik naar huis. Een uur zitten op een bankje in het park is plezierig. Diezelfde ledigheid in een wachtkamer voelt heel anders.
Vandaag was de anemoon duidelijk minder fel gekleurd. Het waaide flink en het regende. Ik ging toch, afspraak is afspraak. Stipt om halftwee verscheen een jongeman met blosjes op de gladde wangen. Hij keek eens goed, kneep wat en oordeelde: 'Lyme is het zeker niet. Ik kan er niets anders van maken dan een bloeduitstorting. Antibiotica hoeft niet, een zalfje heeft geen zin. Hou het in de gaten, maar het gaat vrijwel zeker vanzelf weer over.'
Ik trok mijn sok en schoen weer aan.
'Dus van amputatie is geen sprake?'
Hij had even tijd nodig om te schakelen van ernst naar scherts. Toen zei hij met een voorzichtig lachje: 'Nee. Maar dat kan altijd nog.'
vrijdag 4 september 2026
ANEMOON
zondag 30 augustus 2026
Maar stiekem snakken wij…
Subtiel, vernuftig, met verfijnde pracht,
Lijkt ons bestaan in lichte dans te draaien
Om ’t grote Niets dat wij aldus verfraaien,
Waaraan het zijn ten offer is gebracht.
O al die mooie dromen, speels en blij
Ons aangeblazen, harmonieus ontbloeid,
Diep onder jullie oppervlakte gloeit
De zucht naar nacht, naar bloed, naar barbarij.
In leegte wervelt zonder dwang of nood
Ons leven, altijd wel tot spel bereid,
Maar stiekem snakken wij naar werk'lijkheid,
Naar diepe moederschoot, naar pijn en dood.
Hermann Hesse, 1901 (in 1943 gepubliceerd in “Das Glasperlenspiel”)
Copyright vertaling: JPvS
Anmutig, geistig, arabeskenzart
Scheint unser Leben sich wie das von Feen
In sanften Tänzen um das Nichts zu drehen,
Dem wir geopfert Sein und Gegenwart.
Schönheit der Träume, holde Spielerei,
So hingehaucht, so reinlich abgestimmt,
Tief unter deiner heiteren Fläche glimmt
Sehnsucht nach Nacht, nach Blut, nach Barbarei.
Im Leeren dreht sich, ohne Zwang und Not,
Frei unser Leben, stets zum Spiel bereit,
Doch heimlich dürsten wir nach Wirklichkeit,
Nach Zeugung und Geburt, nach Leid und Tod.
vrijdag 28 augustus 2026
LIJSTJE
Dinsdag brak ik met mijn ingebakken weekindeling. Die slaat nergens meer op voor een pensionado en heeft sowieso nooit ergens op geslagen - ik ben immers mijn eigen baas. Ik stapte in de auto en reed naar de polder om mijn vriendin te verrassen.
De wind woei flink door de nazomers blauwe hemel. Eilandenweer, zei mijn vriendin. We plukten een uur lang distels uit het weiland, daarna spoelde ik het zweet af en las in een tuinstoel Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit; in de schaduw, glas verantwoorde Riesling van de Ekoplaza binnen handbereik.
Mijn vriendin had nog wat andere klussen te doen. Werk voor twee, op de boerderij, ook als je geen schapen meer hebt. We aten een salade met stokbrood en wat overgebleven stukken pizza. Toetje met pruimen uit eigen tuin toe.
's Avonds ging de wind liggen, de vleermuizen kwamen, en we keken lang naar de sterren. Twee steelpannen, groot en klein, Poolster.
De volgende morgen reed ik terug naar de stad. Las op het balkon in Wim Hazeu's biografie van Marten Toonder. Sufte even op bed met de katten.
Daarna had ik een ingeving die de dreigende landerigheid doorbrak.
Hoe ik erbij kwam, geen idee, - maar die oude gitaar van het eerste decennium La Passione, die al twintig jaar lag te verstoffen in haar gehavende koffer met stickers fragile erop, een verminkt en incompleet instrument: stemmechaniek kapot, een barst in het bovenblad, vier ontbrekende snaren, - daar moest iets mee gebeuren en waarom niet nu?
Het eerdere plan, dat ik dit product uit de werkplaats van Ricardo Sanchis in Valencia maar gewoon moest wegdoen, desnoods bij het grofvuil, leek me nu bizar. Ik schoot in mijn slippers en droeg de koffer door de zwoele middag naar de winkel waar ik de gitaar ooit gekocht had, gaf mijn wensen te kennen en ging met een licht gevoel naar huis om een was te draaien of iets dergelijks; maar eerst zat ik nog een tijdje op een bankje aan de kade en keek naar de flonkeringen in het water.
Als ik grip op de dingen verlies ga ik lijstjes maken. Meestal gebeurt dat als ik druk ben met verplichtingen die te veel van elkaar verschillen en me zorgen maak of het allemaal wel op tijd af komt.
Maar die behoefte aan orde op zaken stellen kan ook ontstaan, als je juist te weinig om handen hebt. In het grote drijfzand van een lange zomer bijvoorbeeld. Als je ontevreden bent en naar structuur begint te verlangen.
Ik stuurde mijn zoon een foto van de gitaar in de werkplaats. Ah ja, ik hou ervan, antwoordde hij. Frisse wind. Wat je in huis hebt ook daadwerkelijk KUNNEN gebruiken en in orde maken.
Het succes van de gitaar smaakte naar meer. Daar kwam het lijstje. Eerst in mijn hoofd, later als mail aan mezelf, in bed.
Dat schilderijtje van Ger, vlak voor zijn dood aan mij geschonken, moet nu toch eindelijk een mooi, romantisch lijstje krijgen. Die oude geïnfecteerde computerschijfjes met brieven en verhalen, al jaren klaarliggend op mijn bureau, moeten naar een bedrijf worden gestuurd, dat ze, schoongemaakt, van WordPerfect naar Word kan overzetten. Enzovoorts, genoeg te doen, ook zonder schapen.
Zaak is wel, het voor het eind van de zomer te doen. Want als de routine van koren, lessen, concerten en missen weer begint verdwijnt de urgentie. Dan is het oplappen van een oude gitaar de minste van mijn zorgen.
vrijdag 21 augustus 2026
Rembrandt, Vestdijk, en... Rens
In de jaren 70 kochten mijn ouders van een colporteur de Rembrandt Bijbel. Zouden er nog ergens op de wereld mannen langs de deur gaan om een luxe boekwerk te slijten aan overrompelde burgers die gestoord worden in hun after dinner dip?
Het was een mooi boek, in een cassette, boordevol etsen en tekeningen, die de sprookjes van de Heilige Schrift beter weergaven dan de anonieme schrijvers van dat Boek.
Het inspireerde mijn vader om na het eten een stukje eruit voor te lezen, naar oude traditie. Hoewel hij die traditie nooit had gekend, want katholieken hebben niet zoveel met de Schrift, zeker niet met het OT, buiten de verplichte uurtjes in de kerk. Maar goed, mijn vader dacht op die manier tegengas te geven aan de chaos waarin het gezin met opgroeiende pubers was beland. Een moment van saamhorigheid en inkeer. Hij hield het niet lang vol.
Aan dat boek, aan de deur gekocht, moest ik denken toen ik deze week in het weggeefkastje in mijn straat een rode linnen band met goudopdruk zag: Rembrandt en de Engelen, twaalf gedichten en een acrostichon. Auteur S. Vestdijk, uitgeverij Stardust Theatre B.V.
Geïntrigeerd opende ik het. Het bleek te gaan om een herdruk van Vestdijks cyclus uit het jubileumjaar 1955: het 350ste geboortejaar van Rembrandt. In het 400ste geboortejaar, 2005 dus, kwam er, geheel naar de geest van onze tijd, een musical. Rembrandt de Musical. De producenten daarvan, onder wie Henk van der Meijden, zochten naar inspirerende teksten en vonden in een antiquariaat de vergeten gedichten van S. Vestdijk. Diens weduwe (en de beheerder van zijn nalatenschap), de 30 jaar jongere Mieke Vestdijk (1938-2018), gaf toestemming om citaten daaruit te gebruiken in het libretto.
En er kwam dus dat rijk geïllustreerde boek, met een voorwoord van Mieke en een portret van SV door Paul Citroen.
Heus een mooi boek hoor, degelijk, verzorgd, en smaakvol vormgegeven; maar ik blijf me toch afvragen wat Simon, een begaafd amateurpianist en muziekkenner van het meer verfijnde soort, Bruckner, Debussy, Mahler, Pijper, gevonden zou hebben van Rembrandt de Musical.
En zou hij zijn wenkbrauwen niet hebben opgetrokken bij die uitgeverij - geen Arbeiderspers of Bezige Bij, maar Stardust Theatre B.V.?
Soms is het goed dat een mens niet alles weet; de eigen nalatenschap kan men nog min of meer beheersen, maar het Nachleben van ons werk moeten we overlaten aan hen die na ons komen.
Kortgeleden werd ik benaderd door de zoon van "Rens". Hij wil een boek over zijn vader gaan schrijven. Of ik nog aanvullingen had op het blogje dat ik in 2015 aan hem wijdde?
Ik zette mijn geheugen aan het werk en omdat het nog zomer is en ik alle tijd heb sloeg ik er oude dagboeken op na.
Wat ik in dat blogje schreef was qua chronologie niet juist, dat bleek al gauw. Ik zocht verder en vond genadeloze correcties op mijn herinnering, die weer eens een mooi rond verhaal had gemaakt van wat in werkelijkheid veel rommeliger was.
Zoon V. en ik maakten een afspraak. Ergens moest ik nog een foto hebben van Rens, die, bleek uit mijn dagboek, een tijd in mijn koortje I Dodici had gezongen. Die zou ik om hem een plezier te doen meenemen.
Ik open de laatjes van de smalle archiefkast van roodgeverfd hout die meestal veilig gesloten de wacht houdt naast de deur van mijn cockpit. Dat is gevaarlijk werk. Ik ben wel gewend aan de confrontatie met het gefotografeerde verleden van de afgelopen 25 jaar, het digitale tijdperk. Die plaatjes rouleren als schermbeveiliging op mijn computer. Er is veel veranderd in die kwarteeuw, maar de spelers zijn dezelfde gebleven.
Met dit rode kastje is het anders. Elk laatje herbergt oude foto's die al heel lang wachten op een betere plek. Vooral uit de jaren 90 en het begin van deze eeuw. Een andere vrouw, vertrouwd en vreemd, vergezelt mijn andere zelf.
Dit is gif. De verleiding is groot, lezer, om stil te blijven staan bij elk verrassend residu van een lang vervlogen jaar, elke vergeten gebeurtenis of gelegenheid. Maar ik blader snel door, stapel na stapel, map na map, met het verstand op nul. Ik neem me streng voor er nu helemaal niets mee te doen, met dit toxische archief, en er later eens serieus, liefst met een chaperonne erbij of onder andere veilige begeleiding, naar te kijken, - de hele zooi te ordenen en zéér, zéér uit te dunnen. Al was het maar voor mijn kinderen later. Dat zij niet hoeven te verzuipen, in een toch al moeilijke tijd, in die overstelpende overvloed van een voorgoed verdwenen wereld.
Die foto van Rens als koorzanger was er niet bij.
zondag 16 augustus 2026
MIDWEEK
Een diepe vermoeidheid volgde op ons verjaardagscadeau.
Toen we zeventig werden, mijn vriendin en ik, kregen we van de kinderen een vakantiereisje. De agenda's van mijn drukbezette nakomelingen werden vergeleken en er werd een ruim huis uitgekozen - niet te ver, want het ging om vier nachten, een midweek.
Het werden de vertrouwde Ardennen. Zoon en gezin planden hun vakantie de week ervoor in de buurt, zodat het mooi aansloot. Wij haakten de maandag van de tweede week van hun verblijf aan.
Het afgelegen huis was prachtig. Een typisch Belgische fantasie van natuursteen met een romantisch torentje met weerhaan en ingewikkelde, door riskante trappen verbonden verspringende kamers, die de feitelijk nogal kleine ruimte tot een koel labyrint maakten.
Vooral dat koele was welkom want het was bloedheet. Een grote bostuin eromheen met buizerds, vossen en vuursalamanders (naar verluid, de kreekjes waren drooggevallen). Een jeu-de-boulesbaan. De barbecue lieten we maar onaangeroerd. Die droogte, de natuurbranden; bovendien waren er veganisten onder ons.
Anders dan op vroegere vakanties werd er nauwelijks gedronken. Mijn jongste dochter en ik moesten het vaandel hooghouden en deden dat dapper maar met verstandige reserve. Althans, mijn jongste dochter. Ik deed mijn best en vermeed excessen maar al met al ging er toch flink wat (lichte, verkwikkende) Luxemburgse wijn doorheen.
Veel deden we ook overigens niet. De hete dagen werden ontspannen gevuld met familieplezier. Er was ruimte om te lezen of gitaar te spelen, er werd goed gekookt uit wat Delhaize en Carrefour te bieden hadden, de zeventigers hoefden niets te doen, wat fijn was, heel fijn, het eigenlijke cadeau.
De woensdag was bestemd voor toerisme dat een ritje naar een riviertje oversteeg. Kleinzoon N. was vlak voor onze aankomst jarig geweest en mijn vriendin had het briljante idee gehad hem mee te nemen naar de Abdij van Stavelot. Daar is in de gewelven een permanente tentoonstelling ingericht die gewijd is aan het naburige circuit van Francorchamps. Zalen vol legendarische racewagens: hij rende opgewonden rond en zijn vader, die ook van auto's houdt (als driejarig jongetje kon hij automerken aan hun wieldoppen herkennen - mij was het, toen 33, nooit opgevallen dat auto's verschillende wieldoppen hadden), - zijn vader deed drie keer de ronde met hem, terwijl wij in de bovenzalen van het Benedictijner klooster het leven van Guillaume Apollinaire bestudeerden, die als jongeling een tijd verbleef in Stavelot, en ons vergaapten aan Japanse houtsneden van Hokusai (de beroemde Grote golf van Kanagawa, eerste druk, met het originele houtblok) en Hiroshige (mijn favoriete Brug in de regen).
We aten op een terrasje in de schaduw en 's avonds keken we hoger op de heuvel, bij het helaas gesloten Relais des Pêcheurs, naar de zonsverduistering.
Daarna waren er vallende sterren.
De volgende dag was het weer tijd voor lezen, spelen en klooien.
Dus, waarom, vraagt u zich ongetwijfeld af, lezer: waarom die "diepe vermoeidheid" van de openingszin?
Welnu. Vrijdag vertrokken we vlot, deden nog wat boodschappen voor thuis (rauwe ham, koekjes, confiture, artisanale bieren, Riesling, etc.), hadden nog de overmoed om in het begin klein te rijden, - en kwamen, eenmaal op de snelweg, in een enorme file bij Luik terecht. Die was echter helemaal NIETS vergeleken bij de epische file bij Eindhoven, waar al het verkeer op de toch al gevoelige rondweg op één rijbaan geperst moest worden. We kropen auto voor auto voort, en stonden praktisch stil, ruim een uur lang. Toen kwamen er mysterieuze files na Den Bosch (we konden geen aanleiding ontdekken) en nog wat gewone vrijdagdrukte. Al met al duurde een ritje van ruim drie uur nu, inclusief een plas- en koffiepauze, mínstens dubbel zo lang. 's Nachts zag ik auto's flitsen in mijn ooghoeken, zoals vroeger, als ik lange dagen over autobanen had gejakkerd, en mijn benen waren slap van het optrekken en remmen.
Het volgende noteer ik om het niet te vergeten.
Blijkbaar was dit een zwarte vrijdag. Ik kende alleen de zwarte zaterdag. Die voortaan koste wat kost mijden! Google is your friend, check data!
En: moet er per se in hartje zomer naar die contreien worden gereisd op een riskante datum: ga via Nijmegen naar de Bundesbahn, zoef naar het Zuiden en sla ergens bij Verviers af naar België. MIJD DE A2!
[Ik wil een Zwartboek aanleggen van al die dingen die men zich voorneemt nooit meer te zullen doen, en die je gaandeweg toch weer vergeet. Valkuilen waarin je blijft trappen. Bepaalde gerechten in bepaalde restaurants eten bijvoorbeeld. Toch maar weer naar die en die oude held gaan kijken of luisteren van wie je weet dat hij of zij het niet meer kan, etc. En dan dat boekje regelmatig doorlezen.]
vrijdag 7 augustus 2026
SCHOENEN
Ik moest nodig nieuwe schoenen hebben. De oude gunde ik nog een laatste wandeling, samen liepen we door de zonnige ochtend naar de Leidsestraat, waar de Ecco-winkel is.
Wás: hoe ik ook keek, het vertrouwde logo wilde zich niet vertonen. Ik zocht op mijn telefoon en las dat er nu een Nelsonwinkel moest zijn op nr. 4, blijkbaar was die ook alweer verdwenen.
Door naar de Kalverstraat dan maar, een koopgeul die ik liever vermijd. Het was nog vroeg, de drukte viel mee. Inderdaad, op 101 was een Ecco-zaak. Het was er uitverkoop en er was weinig keus. De bruine variant van mijn vaste schoenen (ik begon ooit met zwarte, daarna werden het bruine, onlangs ben ik uit noodzaak naar zwart teruggekeerd) hadden ze alleen in maat 42, zei het meisje achter de kassa in het Engels. Zwarte, dan maar weer. Ik paste ze voor de zekerheid even, liet haar de plastic overtolligheden eraf knippen, zei dat ik ze aanhield, en betaalde. Nee, een tasje voor mijn oude paar hoefde ik niet, I'll throw them away. Ze keek me een beetje raar aan. Bij de eerste de beste afvalbak hield ik woord.
Opening soon, gesloten, hier komt binnenkort, verhuisd naar. Dat zie je veel in de Leidsestraat. Ik had honger en trek in koffie en zocht de Starbucks waar ik de vorige keer dat ik hier was zulk lekker bananenbrood had gegeten. Nergens te vinden. Dan maar de ouderwetse banketbakker Kwakman op de hoek van de Prinsengracht. Maar meteen na binnenkomst al zag ik dat het mis was. In de vitrines lag dezelfde herrie als overal elders in toeristengebied. In cellofaan geperste, te kort gebakken panini, grote koeken, American of stroop, droge brownies, fantasiegebak, aan het zicht onttrokken door dikke, veelkleurige room. Geen fatsoenlijk broodje te zien. Ergens achter de buitenlandse werknemers lag een mandje met verpieterde croissantjes. Ik verliet binnensmonds vloekend het pand.
Verderop in de Leidse was er wél een Starbucks. Ook hier sprak men geen Nederlands. Maar goed, ik spreek Engels, meestal beter dan het uit alle windstreken aangewaaide personeel. En het voordeel van een keten is de constante kwaliteit. De flat white en de bananencake waren hier net zo lekker als ik me van de regenachtige morgen in de afgelopen lente herinnerde, toen ik naar de paradontoloog heen en weer was gelopen en bij het verdwenen filiaal was neergestreken. Spotify stond op "blues". Ik at en dronk goedkeurend en keek om me heen. Dat deed verder niemand. De meeste twintigers en dertigers hier hadden oortjes in en waren in telefoon of laptop verdiept. Een jonge moeder verdeelde haar aandacht over minstens vier dingen: ze hield de baby stil die in een draagslinger op haar borst hing, ze dronk haar Matcha, voerde een indringend telefoongesprek én ze knikte driftig mee met het ritme van Howlin' Wolf. Ik vroeg me af hoe haar hoofd er vanbinnen uitzag.
Op het Leidseplein begon mijn rechter hiel te branden. Het strakke nieuwe leer was bezig zich in mijn huid in te vreten. Zou wel een blaartje worden. Ik stapte op tram 24, zowat de enige Amsterdamse tram die een onveranderd traject rijdt sinds de jonge honden van de gemeente het hele OV hebben omgegooid, god weet waarom, en liet me naar huis vervoeren. Op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui, gelukkig ook niets veranderd voor zo lang als het duurt, had ik niets gekocht; op dat moment vervulde me dat met een lauw soort trots maar nu had ik er spijt van. Als trofee om mee naar huis te nemen had ik alleen die knellende schoenen aan mijn voeten.
vrijdag 31 juli 2026
HARNS
vrijdag 24 juli 2026
Thuis bij Jan Steen
Op een van mijn favoriete Jan Steens zien we de schilder als violist. Zijn aandacht wordt afgeleid door een grijnzende feeks achter hem, die hem aanmoedigt om te drinken. Ondertussen steelt een blonde versie van Amy Winehouse het zojuist verdiende geld uit zijn beurs. De vedelaar is danig van haar gecharmeerd, zo maakt de stenen pijp die uit zijn gulp omhoog wijst ons duidelijk. In werkelijkheid zal Steen dit model ook wel graag gezien hebben, want ze komt op meer schilderijen voor, met name op de protestantse versie van Het Sint Nicolaasfeest; dat zegt althans mijn oog, ik heb er niks over gelezen en misschien heb ik ongelijk en zie ik wulpse spoken.
In De Lakenhal in Leiden vieren ze het vierhonderdste geboortejaar van Steen met een expositie: 'Thuis bij Jan Steen'. Een eeuw geleden telde de viering van Steens driehonderdste, eveneens in De Lakenhal, veel meer schilderijen: 78, uit binnen- en buitenland. Nu zijn het er 'slechts' 28, uitsluitend uit Nederlandse collecties; vervoer en verzekering van dit soort meesterwerken zijn vrijwel onbetaalbaar geworden.
Ik liep er rustig rond, bekeek sommige doeken aandachtig, andere met minder interesse, wat me tot de voorlopige conclusie bracht dat Steen een wat onevenwichtige schilder is die de goede middelmaat plotseling spectaculair ontstijgt met brutale humor, ongehoord levendige details en karakters die ons over de eeuwen heen aankijken alsof het Leienaars van nu zijn.
Zoals vaak bij tentoonstellingen moest mijn aandacht worden gewekt door iets onverwachts voor ik het geheel met enthousiasme kon bezien. Dit keer waren dat drie spelende kinderen.
De zalen zijn onderverdeeld door grote panelen waarop, naast tekst, details van de schilderijen zijn afgedrukt. Ik zag ze en was verrukt door die drie: een jongen en een meisje die aan het knikkeren zijn en een kleiner meisje met een pop in haar armen dat de meest geheimzinnige, donkere, ondoorgrondelijke ogen heeft die je je kunt voorstellen. Wat er in haar omgaat is een kosmisch raadsel. De oudere twee praten en lachen en opeens vroeg ik me af hoe het Hollands dat zij in de zeventiende eeuw spraken geklonken zou hebben: zo levend sprongen ze uit de verf dat ik ze meende te kunnen horen; kon ik de demper maar uitschakelen!
En vooral vroeg ik me af hoe het kon dat ik dit briljante schilderij had gemist! Ik ging de zalen nog eens rond, en nog een keer, een derde keer geassisteerd door mijn vriendin. Nergens!
Pas toen ik het slimme idee kreeg om op de reproductie te zoeken naar een naam had ik beet. Gewapend met "Laban zoekt de door Rachel gestolen terafim" ging ik ten vierde male door de zalen. En ja: daar hing het, een Bijbels tafereel uit 1661 dat me in eerste instantie niet zoveel had gezegd. Bijbelse taferelen, - och... Maar nu kon ik al die gekostumeerde mensen die iets bijbels aan het doen waren negeren en me focussen op de eerst niet opgemerkte spelende kinderen, en op dat vredig slapende hondje, die helemaal niets te maken hadden met dat volwassen gedoe om hen heen en in zalige afzijdigheid zich wijdden aan hun spel, hun slaap.
De onpeilbare blik van het poppenmeisje kwam beter uit de verf in de uitvergroting; die liet pas zien wat een begenadigd fijnschilder Steen was. Ook de afbeelding hieronder doet er geen recht aan. Via deze link kunt u een iets betere indruk krijgen.
Hongerig en dorstig geworden door al die uitbundige taferelen deden we de nagedachtenis van de schilderende kroegbaas eer aan op terras en in restaurant. De volgende morgen stond er na een ontbijt in Stadsbakkerij Water & Bloem Japanse kunst op het programma, in het SieboldHuis. Maar eer we daar aankwamen waren we al wandelend geheel doorweekt geraakt door een onverwachte, fijne maar o zo natte miezerregen die ons verlangen deed naar een warme auto.
Steen en Japan: misschien was het ook niet zo'n goede combinatie geweest.
vrijdag 17 juli 2026
Ich habe die Ehr, Ihr Rezensent zu sein
Ik zou het blijven doen tot ik zelf het podium op ging. Het leek me niet kies om anderen de maat te nemen die feitelijk jouw collega's zijn. Mijn verleden als criticus leidde weleens tot pijnlijke momenten. Een dirigent met wie ik kwam samen te werken was mijn recensie over zijn Lucas Passie van Telemann ("bloedeloos") nog niet vergeten en het kostte wat tijd om de kreukels in onze relatie glad te strijken - gelukkig had ik ook vleiende dingen over hem geschreven, bij een andere gelegenheid.
Op 29 januari 1980 schreef ik:
Onlangs nog las ik in een landelijk ochtendblad, dat een bepaalde uitvoering "er best mee door kon", dat het resultaat "wel aardig" was, en dat men zich "er niet eens zó zwaar aan had vertild". Afgezien van het onbeschaamd cynisme van deze vakbroeder, ligt die gevoelsafstomping, die waterige halfslachtigheid niet aan de muziek zelf, noch waarschijnlijk aan de uitvoerders, maar aan het dovend vuur binnen de luisteraar. Ik herinner me hoe ik, met vrienden, vol genotvolle hartenpijn kon dwepen bij Puccini of Rachmaninoff, - de mandfles Chianti op tafel; die intensiteit is helaas vaak tot een "wel aardig vinden" verworden.
Dat zou mijn credo worden. De uitvoerders deden hun best. Als het allemaal niet zo fijn overkwam kon dat net zo goed aan de luisteraar liggen. Mildheid was het die me leidde.
Alleen in het geval van de authentieke uitvoeringspraktijk (toen nog relatief nieuw) schoot die mildheid nogal eens tekort. Want mijn vader was fout geweest in de barokoorlog (zoals bas-bariton Lieuwe Visser ooit grapte over bas-bariton Henk Smit) en die halve musicologen waren in zijn ogen allemaal cerebrale opportunisten die uit gebrek aan talent naar de historisch verantwoorde vedel of kromhoorn grepen. Als ik die stukjes teruglees schaam ik mij diep. Om het goed te maken speel ik nu luit, zo zacht mogelijk.
Vanmorgen was ik bij mijn vriend Geerten Meijsing. Hij was zichtbaar ontdaan door een recensie van Carel Peeters in VN. Voor Geerten Meijsing is mislukken een verdienmodel. Een kop om je dag bij voorbaat kapot te maken.
We deelden onze gedachten over het wezen van literaire kritiek. Als je een boek of een schrijver écht niet lust moet je er niet over schrijven, daarover waren we het eens. De tijd van de kunstpausen die bepalen welk leesvoer goed is voor ons gewone mensen is voorbij. Reich-Ranicki en Zeeman zijn dood. Wat heb je aan critici die, vaak met persoonlijke motieven, soms met drijfveren, geboren uit rancune, geen groter genoegen kennen dan een auteur, die jaren aan een boek heeft gewerkt en daaraan zijn beste vermogens heeft gewijd, te kleineren en zelfs te ridiculiseren? Wie is daarbij gebaat, behalve het ego van de criticaster of de handenwrijvende vijanden van betreffende auteur? De lezer nooit. Zelfs als die welwillend is zal er een smet op zijn verwachting blijven - waar rook is, is vuur.
En voor de kunstenaar kan de schade ernstig en langdurig zijn. Bovengenoemde Rachmaninoff was zo kapot van een vernietigende recensie van zijn eerste symfonie dat hij jarenlang tot niets meer kwam; pas na psychotherapie en hypnose raakte hij er bovenop, en nam glorieus wraak met zijn nog steeds geliefde Tweede Pianoconcert.
De Nederlandse literaire productie is, afgezien van een paar verkoopcijferkanonnen, qua commerciële baten marginaal. De lezerskring van "moeilijke boeken" is niet groot. Een zaak van serieuze, loyale liefhebbers. Die liefhebbers hebben niets aan een negatief uitgangspunt en zitten niet te wachten op een negatieve conclusie. Ze willen zélf bepalen wat ze van het boek vinden en hoeven dat niet voorgekauwd te krijgen. Het enig overgebleven bestaansrecht van de kritiek lijkt mij dan ook in het neutrale verlengde te liggen van de promotie. Herren und Damen Rezensent! Doe de literatuur een lol en probeer door goede informatie meer zieltjes te winnen voor het boek dat u heeft uitgekozen om te bespreken. Denk aan de jonge Van Spaendonck, en wees daarbij mild en respectvol!
Dat het ook anders kan dan de zure, tendentieuze stukken van Carel Peeters, Jack van der Weiden en consorten bewees het stuk van Theo Hakkert in het online magazine VersTwee. Journalistiek goed onderbouwd, informatief, helder en wervend. HIER te lezen.
Ja, ik ben bevooroordeeld. Maar ik deel zijn conclusie: een schitterend boek.
[Illustratie: Peter Muzeniek (1941). Titel: uit "Abschied" van Eduard Mörike]
vrijdag 10 juli 2026
KREUPEL
Een heerlijke blauwe dag, geen wolkje aan de hemel, warm, maar met een lichte bries: volmaakt weer, volmaakte omstandigheden. Helaas loopt Voorheen Rookzanger niet in de pas met de wereld. Hij loopt eigenlijk helemaal niet, tenzij je pijnlijk strompelen zo wilt definiëren. Vanochtend vroeg moest hij zijn auto naar de garage brengen voor de jaarlijkse APK-keuring. De terugweg te voet was er een vol pijnscheuten, de cocktail van ibuprofen en paracetamol was net toereikend om de ergste pijn te onderdrukken. En lopen is, na zitten, nog het best te doen: liggen, waar uw blogger erg van houdt, niet alleen met lezen doorgebrachte avonden en lange nachten maar ook midden op de dag, is een moeizame bezigheid in plaats van de ontspannen horizontale nulstand: hij draait zich, wentelt zich, moeizaam van de pijnlijke zijde op de minder pijnlijke zijde. Valt nu en dan in slaap maar lang duurt zo'n slaapje nooit.
En dat allemaal door een misstap en een ongelukkige val, hoe en waarom doet hier niet ter zake maar één ding is duidelijk: VH Rookzanger is op zijn zeventigste geen soepele jongeman meer.
Het is bijna vier uur, de garage sluit officieel op dit uur haar deuren, dus ik heb waarschijnlijk nog een dag respijt en hoef niet nog een keer dat end naar de Van Ostadestraat te lopen (end? een rottig kwartiertje!) om het aanzienlijke bedrag te pinnen dat ik de monteurs schuldig ben; want een ongeluk komt zelden alleen: mijn karma, niet al te best op heden, voorzag naast een gekneusde ribbenkast ook in het vervangen van een distributieriem en nog een aantal volgens de garagist niet alleen aan te bevelen, maar eerder noodzakelijke ingrepen.
Daar staat dan weer tegenover dat er onverwacht een optreden op de agenda verscheen, volgende week donderdag; maar... of er gezongen kan worden met een torso waarin gewoon ademhalen al moeizaam gaat en bijvoorbeeld hoesten een felle pijnscheut oplevert, dat is nog helemaal de vraag.
En de binnenkort geplande vakantiereis? Ik herinner me die keer dat mijn vriendin - ik kende haar net - door een dol schaap werd aangevallen, terwijl ze over een toefje onkruid gebogen stond, de bot gehoornde schedel werd als een stormram in haar rug geplant, ze was daar weken, zelfs maanden zoet mee.
Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen, hopelijk valt het mee, ik wil niet voetstoots partij voor de zwartste scenario's kiezen.
Ik hoef de auto niet meer te besturen vandaag en schenk me een stevig bier in. Donker. Ondertussen vermaak ik me met de poëzie.
Een ziel
Van lijden vermoeid,In hoop echter rijk,
Met bladfrisse kijk,
In liefde ontbloeid,
Zou men bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.
Heeft jouw heugenis,
Mij zeer toegenegen,
Soms vleugels gekregen
Naar wat nog niet is?
Want ‘k zou bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.
Ben jij in de lucht
Als die mij wil aaien:
Of onrust wil zaaien
Met onweersgerucht?
Want ‘k zou bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.
"Une âme", Marceline Desbordes-Valmore (1786-1859)
© vertaling: JPvS
[Illustratie: Paulus geneest de kreupele in Lystra (1663), Karel Dujardin (1626-1678)]
vrijdag 3 juli 2026
CARILLON
De weg ging niet, zoals gevreesd, door open vlaktes, maar baande zich, niet eens al te recht, door stroken groen vol berenklauw in volle bloei en zelfs door bos; jong bos, maar toch: bos. Windmolens waren er wel maar lang niet zoveel als in het noordoosten van deze polder.
We reden Zeewolde binnen. Een tuinstad zo te zien, zoals ik ze ken uit mijn jeugd, het rook er zelfs naar liguster. Weinig mensen op de been, wel op de fiets of op de scootmobiel. Ik liet mijn dochter achter bij de fysiotherapeut, de enige, volgens haar second-opinion-orthopeed, die raad weet met de schouderblessure waaraan ze, na een ongelukkige val, nu al anderhalf jaar lijdt.
Wat te doen het komende uur? Ik had een boekje bij me - Maigret et le clochard; Meijsings Gissing R.I.P. wilde ik voor thuis bewaren om in alle rust te genieten. Ik keek weifelend naar de fietspaden, de woondozen, het Geuzenveldse groen. In de verte zag ik een toren, net zo nieuw als de hele polderstad, geen kerk, maar toch een soort baken, waarschijnlijk een carillon.
Mijn ingewand besliste voor mij. Ik had plotseling tamelijk hevige aandrang. Als ik moet dan moet ik, zei mijn vader soms met een verontschuldigende glimlach na zijn prostaatoperatie. Zover is het bij mij gelukkig niet. Op weg dan maar: bij die klokkentoren zou toch wel iets van horeca zijn?
Ik passeerde een school met speelplaats en kwam als snel bij een Vomar, en een Lidl. Ik was warm. Rond een pleintje waren niet een of twee, maar wel drie cafés. Ik koos voor Grand Café Mens, tegenover een Wibra, vlakbij de toren die inderdaad, dat had ik goed gezien, even later een liedje begon te spelen. Het personeel hield zich afzijdig dus ik kon rustig eerst naar de wc gaan. Daarna zette ik me opgelucht aan een tafeltje buiten en liet me, nadat ik een serveerster had losgeweekt uit haar conversatie, een beugelflesje Paix Dieu brengen (ze sprak het uit als Pa Dieu). Even later begon het zachtjes te regen op de luifel, ik werd Zeewolde meer en meer welgezind.
Ook mijn dochter was opgelucht: de therapeute had een gunstige prognose gesteld en haar een reeks milde oefeningen meegegeven om thuis te doen, haaks op de ruwe en averechts werkende aanpak van de fysio in Amsterdam. Pas over een maand hoeft ze terug te komen.
Ik zie er nu al naar uit.
vrijdag 26 juni 2026
TITANIA
Dinsdag besloten we tijdens de jaarlijkse vergadering van bestuur en dirigent om de repetitie op de woensdag af te blazen. Een tropenrooster of liever hitteplan ging in. Ik denk niet dat we dat hadden gedaan als we niet zo bang werden gemaakt door alarmerende kleurcodeberichten en overheidsoekazes. Van een beetje zingen in een redelijk koele sacristie is nog nooit iemand doodgegaan, denk ik. Mij kwam het wel goed uit: de vakantie begon de volgende dag. Rustig aan leven, tempo comodo, lezen bij de ventilator, op slippers en in korte broek naar de Appie slenteren, de dagelijkse parkmars hoefde even niet, ik was door de omstandigheden geëxcuseerd.
Prompt raakte ik in een creatieve stemming. Ik had tijdens de vergadering nieuwe koorliederen aangekondigd om de aanstaande jubileumuitvoering van de Linnaeus Cantate mee in te leiden. Ik sloeg een boek open dat ik ooit van straat had meegenomen, waarin ik alleen wat lusteloos had gebladerd maar dat ik te mooi uitgegeven vond om weg te doen: een echt koffietafelboek. Britain in Verse, glimmend papier, panoramische foto's van groene landschappen, een voorwoord van John Gielgud. Ik zocht op met name genoemde bloemen en vogels en koos na wat aarzelingen voor een fragment uit A Midsummer Night's Dream van Shakespeare. De cadans beviel me, ik ging aan de vleugel zitten en nog diezelfde dag had ik het in potloodschets op papier.
Scheppingsroes is voor mij een heel gewoon woord. Ik heb het alleen al op dit blog verschillende keren gebruikt, in de zorgeloze overtuiging dat ik goed Nederlands bezigde. Maar de Van Dale kent het niet (wel -drang, -drift of -vreugde) en als je het op Google intikt krijg je nul hits.
De volgende morgen was de eerste vlaag van scheppingsroes voorbij maar ik wilde mijn nieuwe lied nog niet loslaten. Ik bracht alles over in Dorico, nam er lekker de tijd voor, en verbeterde nog flink wat; daarmee zou ik ook de volgende dag doorgaan, want je moet ze nooit te snel de deur uit doen, deze geesteskindjes.
Vanmorgen toen ik voor de genadeloze 37 graden zou toeslaan naar buiten ging om spullen voor een spaghetti alla puttanesca te halen en ampel witte wijn om ijskoud te drinken (proost pa!) merkte ik hoe de hitte mijn enthousiasme nog een tandje hoger zette. Al op het snikhete en beendroge Museumplein had ik mompelend de eerste twee verzen vertaald. Zomaar. Voor de lol.
Titania
Ik ken een plek waar tijm uitbundig bloeit,
Waar sleutelbloem en ’t teer viooltje groeit;
Door kamperfoelie-weelde overdekt,
Met egelantier en rozen bont bevlekt:
Titania slaapt alle nachten hier,
Rust uit in ’t bloembed van haar dansplezier;
Een slangenhuid, glinsterend afgeschud,
Dekt ruim haar toe als ze is ingedut.
vrijdag 19 juni 2026
Pruikzwam, leeuwenmanen, engelenhaar
Kortgeleden werd ik op internet lekker gemaakt voor iets dat Lion's Mane heet. Ik had wat last van geestelijke vermoeidheid en hersenmist en mijn zenuwgestel was ontregeld, er huisde een onderdrukte snik in mijn keel die maar iets nodig had om los te breken. Deze pruikzwam, zoals de schimmel in het Nederlands heet, stimuleerde de hersenen, begreep ik na kritische studie (er waren althans aanwijzingen dát...), en de toegevoegde hoeveelheden ijzer en vitamine B12 zouden die zenuwtjes wel even stabiliseren.
Het potje kwam en ik slikte. Het effect was al snel merkbaar, en verbluffend. De mist trok op, de snik verdween en mijn concentratie was ongehoord: ik ontcijferde ingewikkelde akkoorden in een fractie van een seconde en sloeg alle noten goed aan nog voor ik me bewust was van wát ik speelde. Maar ook had ik het gevoel dat er iemand met me meeliep die me elk moment op mijn schouder kon tikken, en dat er gedachten waren die ik niet kon pakken. Ik kende dat nog van Prozac, vroeger. Toen ook die veel te heldere dromen kwamen gaf ik er de brui aan. Voor mij geen leeuwenmanen meer.
*
Mijn vaste kapper is verhuisd. Omdat ik geen zin had om met die warmte naar de Van Wou te lopen besloot ik vader en zoon Van Bolderick weer eens te bezoeken.
'Rook je nog sigaren?' vroeg ik. Senior was vroeger uit te tekenen met een bolknak, die hij op de vensterbank legde als hij moest knippen. 'Soms,' zei hij verontschuldigend. 'Maar in de zaak mag allang niet meer.'
De jongelui van Pieter Bas Kapsalons hebben iets met hoog haar. Wat ik ook zei, het bleef boven altijd te lang naar mijn smaak. Opscheren aan de zijkant moest ik ze juist weer streng verbieden.
Deze kapper, zelf kaal als een bruinverbrande biljartbal, had die scrupules niet. 'Goed kort,' had ik gezegd. Voor ik kon protesteren haalde hij een zoemende trimmer over mijn schedel en zag ik voor het eerst het stekeltjeskapsel zich aftekenen waarom ik nooit had durven vragen. Er kwam geen schaar aan te pas, wel tondeuses in soorten en maten. Toen ook mijn baard en snor met "een twee-tje" waren ingekort (stoppels ging me te ver) keek ik verbaasd in de spiegel en zei: 'Tien jaar jonger; nou ja, vijf.'
'Dat is op onze leeftijd al heel wat,' meende biljartbal.
Op de grond lag een ordeloze massa wit haar. 'Net een sinterklaasbaard,' vond ik.
'Meer iets voor in de kerstboom. Engelenhaar,' grinnikte hij.
Hij ging me voor naar de kassa. 'Doe maar vier tientjes,' zei hij goeiig, alsof hij me een persoonlijke gunst verleende. Een pin hadden ze niet. Hij riep zijn zoon, die buiten stond te bellen. 'Ries, een Tikkie!'
vrijdag 12 juni 2026
DUBBEL
In een van de boekenkasten in de G. t. B.-straat vind ik, verrast, een boekje dat ik thuis ook heb staan. Ik sla Bittere honing van Margreet Hirs open en zie de opdracht: Voor de heren van La Passione - con passione! - Margreet Hirs. Even duizelt het me en denk ik dat de wereld zich op geheimzinnige wijze heeft verdubbeld, tot ik me herinner dat ik Bittere honing uit huis heb geplaatst bij een poging om ruimte te scheppen in mijn bibliotheek. Ik had toen blijkbaar die opdracht niet gezien.
Wat nu te doen? Ik heb geen bijzondere herinneringen aan de boekpresentaties in Libreria Bonardi aan het Amsterdamse Entrepotdok die ik in de jaren '90 met kompaan Vincent opluisterde, en ik ga het boekje, een thriller, vrijwel zeker niet herlezen. Ik neem een foto van de titelpagina en zet het terug. Stoer.
(Het bescheiden gat in mijn boekenkast wordt ondertussen ruimschoots gevuld door de zwoel-spannende historische trilogie van Evert Zandstra: Het snoer en de kralen. Een boek dat ik als puber verslond, wel twee of drie keer. Nog niet lang geleden ontdekten we toevallig dat Zandstra (1897-1974) een buurman was van mijn vriendin, in Wageningen-Hoog: ze kwam er als kind over de vloer, in een romantisch huis in het bos met een rieten dak. Dat boek móest dus wel mee, niks aan te doen.)
Die duizelingwekkende magische verdubbeling van de dingen waarin ik een moment lang heb geloofd doet me denken aan onze Ierse reis van 1997. Ik pak er mijn dagboek bij.
'An Fairche, 20 juli 1997
... Bovenin het dorp, aan een klein pleintje, ligt Eddy's Guesthouse als een soort icoon van gastvrijheid in de middagzon. Het doet me denken aan een Frans plattelandshotelletje.
Op de kamer ervaar ik het soort voorteken, of synchroniciteit, waarop ik een beetje had gehoopt, hier op het betoverde groene eiland. Boven de wastafel staat een exacte replica van mijn lievelingsglas, dat ik destijds heb meegenomen uit ons vakantiehuis in de Charente maritime. Werk van de fairies natuurlijk, om me "thuis" te brengen. Nu is het gedaan met alle verdooldheid en wereldangst.
Ook hangt op de gang het klaarblijkelijke origineel (ik wist niet eens dat er zoiets wás) van het Parijse tafereel van Koos Grosman dat bij opa en oma in de eetkamer hing. Dat wil zeggen: een reproductie natuurlijk, dezelfde reproductie waarnaar Koos G. zijn quasi impressionistische paneel schilderde, dat ik altijd voor authentiek eigen werk had gehouden.'
Dat favoriete glas was een klein waterglas opgebouwd uit geslepen facetten, als een insectenoog. Het paneel van 'ome' Koos (Jacques) Grosman stelde de bloemenmarkt in Parijs voor. Het origineel is, ontdekte ik heel veel later, van de Dordtse schilder Daan Mühlhaus (1907-1981). Waarom en hoe Koos het heeft nageschilderd (van een kalender, een ansichtkaart?) moet altijd een raadsel blijven, net zo goed als de aanwezigheid van een Dordtse schilder in het hart van Keltisch Ierland.
vrijdag 5 juni 2026
JA
Op het bankje waar je tot voor kort zicht had op het ooievaarsnest zag ik Hans zitten. Die nestpaal is weggehaald - te scheef volgens de gemeente - en de ooievaars wonen nu een end verderop. Het bankje is sindsdien minder in trek en Hans had ik er dit jaar nog niet gezien. Ik weet dat hij een winterslaap houdt en pas 's zomers de hele dag in het park te vinden is. Ik was niet in de stemming voor bijpraten met andere flaneurs en lanterfanters en schoot een zijpaadje in.
In het rosarium ging ik zitten op een beschutte bank met uitzicht op een weelderige rode beuk en besloot een poging te doen om serieus te mediteren. Er moest afgerekend worden met een onbehagen dat me dezer dagen zo niet kwelde, dan toch bedrukte. Ik keek omhoog naar de opklarende lucht waardoor, steeds hoger, witte wolken dreven. Diep ademend liet ik er een mantra op los die me gisteren te binnen was geschoten. Een heel simpele: JA. Ik moest de wereld wat meer bejahen, dat was me wel duidelijk. En waarom dan niet letterlijk?
Een vrouw kwam aanfietsen, minderde vaart. Ik hoopte dat ze verder zou gaan maar ze stapte af, liep moeilijk naar het naburige bankje, zette haar fiets ertegenaan en ging zitten.
'Is die fiets van u?' hoorde ik dwars door het ja heen. Ik keek mee naar een lekke Swap-fiets die tegen het rozenperkje leunde.
'Nee,' zei ik. 'Hij stond er gisteren ook al,' voegde ik er geheel overbodig aan toe.
'Ah! Dus u was hier gisteren ook?'
Dat kon ik niet ontkennen. Ik was bang dat dit uit de hand ging lopen en bereidde me voor op een snelle aftocht. Maar ze vroeg niet verder, stond op en sleepte de fiets die haar hinderde naar een andere bank. Ik hervatte het ademen en zwijgen. Maar zo gemakkelijk kwam ik er niet vanaf.
'Ik wil een filmpje maken van deze plek, rondom, als panorama,' klonk het links van me. 'Dan komt u er ook op. Vindt u dat erg?'
Ik dacht even na maar zag geen kwaad in mijn aanwezigheid op de telefoon van een oudere, wat excentriek en triest uitziende vrouw. 'Nee hoor,' zei ik.
Ik voelde in mijn ooghoek de aanwezigheid van haar camera en probeerde bij mezelf te blijven en geen interessante smoel te trekken.
'Dank u wel,' zei ze. Ik knikte zwijgend.
Nadat we een tijd samen gezwegen hadden stond ik op en wenste haar een fijne middag.
'U ook, en nog bedankt,' zei ze.
Ik liep terug naar de ingang van de rozentuin en besloot nog even langs Hans te lopen.
vrijdag 29 mei 2026
Voorheen Rookzangers Notitieblog 71: 'Ommelen
Amsterdam zou gespaard blijven, of liever: overgeslagen worden; maar de lucht is vreemd donker - veel te vroeg -, ik heb een kaarsje aangestoken op mijn bureau zoals in de winter en in de verte klinkt toch echt het rommelen van de donder; die misschien geen slagregens zal brengen maar wel de mysterieuze sfeer van Nacht en Ontij oproept.
Gisteren was mijn jongste dochter jarig. Ze had een rijk gevulde groentesoep gemaakt, mijn kleindochter van tien had juist kookles op school gehad en tekende voor een voorafje: pasta met zelfgemaakte pesto. Ze wilde helemaal alleen in de keuken staan, als chef, maar in de praktijk was er te veel vreemd aan mijn spullen en apparatuur zodat haar moeder standby aan de zijlijn stond. Beide, pasta en soep, smaakten voortreffelijk.
(Er flitst nu zelfs bliksem, het donker licht wit op, het rommelen wordt indringender. Waarschuwing voor matige onweersbuien, zegt de app.)
Na het eten was er zelfgemaakte cheesecake voor wie dat nog niet had gegeten of voor wie een tweede keer wilde. Mijn zoon had een videorecorder meegenomen, mooi opgeknapt door de handige mannen van een repaircafé ('mijn nieuwe helden'). We zouden eindelijk die oude band met Ardennen-vakanties weer eens kunnen bekijken.
(Daar zijn de slagregens. Ik hoor ze ruisen op de grote esdoorn. Amsterdam moet eraan geloven. De katten vluchten met schrikogen naar binnen. Waardeloze app!)
De videorecorder deed niks. Mijn zoon haalde hem ongelovig uit elkaar om de vastgelopen band eruit te halen. Wat was er eigenlijk mis met onze oude recorder? Wás die wel stuk? Ik had laatst ook al de cd-speler kapot verklaard terwijl die alleen een stekkertje in de contactdoos nodig had om weer als een zonnetje te draaien. Wonder, o wonder: de Ardennen-tape ging erin en even later waren we dertig jaar terug in de tijd. Vijfendertig om te beginnen: de band startte met scènes uit 1991, mijn onlangs overleden schoonvader wandelde vief besnord door het bos, ik was nog een brave zanger, mijn jongste nog ongeboren.
Donkerslag. Een tijdssprong. In het vervolg golven mijn zwarte haren artistiek en spreek ik met sonore stem: de La Passione-jaren waren in volle gang - buongiorno!
Een scène bij de open haard. Buiten beeld vergelijken F. en ik de kwaliteiten van diverse filmregisseurs. De camera is gericht op mijn jongste dochter (34) en haar vriendin M. wier 33e verjaardag we onlangs vierden. Ze zijn in hun blootje en in opperste concentratie de afwas aan het doen.
Even later is mijn jongste ingepakt in vele lagen, het was een koude winter dat jaar. Ze staat te pruilen bij de schommels en barst huilend uit in een dramatisch: IK wil 'ommelen.... Drie jaar oud. Buiten beeld lacht iedereen vertederd.
Terwijl ik de laatste zin tik houdt het ruisen op. De lucht wordt helder. Alles gaat soms snel voorbij.
vrijdag 22 mei 2026
METAMORFOSEN
Omnia mutantur, nihil interit (alles verandert, niets vergaat) - Boek XV, Metamorfosen, Ovidius.
Op de valreep kochten we kaartjes voor de tentoonstelling Metamorfosen in het Rijks. Je denkt in zo'n geval altijd zeeën van tijd te hebben, want anders dan een opera of een film loopt een expositie al gauw máánden. En dan is het tóch ineens voorbij; zo heb ik heel wat belangwekkende en veelbesproken tentoonstellingen gemist, die iemand van de 'culturele sector' volgens de kenners nooit had mogen missen. Met de Metamorfosen maakte ik ernst, nu het nog nét kon, want als ik de media moest geloven was dit het nec plus ultra van het museale, het eindresultaat was veel meer dan de optelling der delen, het begrip expositie was hier tot kunstvorm verheven, er werd, in beeld en vorm, in steen en doek en diverse andere media een ontroerend verhaal verteld. Vijf sterren in de Volkskrant.
's Ochtends las ik op het zonnige balkon om erin te komen een paar fragmenten Ovidius, in de vertaling van M. (Marietje) d'Hane-Scheltema (1932), voortreffelijk gedaan in soepele zevenvoetige jamben. Het boek, in grijs linnen gebonden, in cassette gevat, in duotone gedrukt, is van mijn vader geweest, die op het eind van zijn leven een Ovidius-opleving had gekend, en bij zo'n renaissance van een oude interesse niet op een dubbeltje keek. Ik las over Narcissus en Echo. Bekende materie voor een classicus, maar de luchtige, ironisch-poëtische toon van P. Ovidius "de Neus" Naso (43 voor -17 na Chr.), was ik vergeten, of had ik als jongeling niet opgemerkt. Gesterkt door dit geestelijk voedsel ging ik naar het Museumplein. Het was zomers warm.
Daar kreeg ik een appje van mijn vriendin: razend druk overal, de brug bij Wormerveer open, werd wel een half uurtje later. Ik liep de tuin van het museum in, zocht een plekje in de schaduw, en begaf me in een licht meditatieve toestand. Deze stille beeldentuin met zandstenen monstruositeiten naar classicistische voorbeelden beviel me wel.
Het was redelijk rustig. Ik herinnerde me andere succes-tentoonstellingen waarbij je de indruk had je door de Kalverstraat op zaterdag te moeten wringen. Ook was het tamelijk kort. Al heel snel kwamen we bij het schitterende en wereldberoemde beeld van Bernini De slapende Hermaphroditus, en, de recensies indachtig, wist ik, dat het nu uit was. Ik vond het jammer want ik had veel moois gezien. Maar ik had ook veel gezien dat op zich minder interessant was en alleen in het kader van de vertelling, die een expositie van dit soort wil zijn, een ondersteunende, illustratieve functie heeft. De topstukken uit Wenen, Parijs en Florence waren imposant, jawel, en het was fijn om Cellini's Perseus met het afgehouwen hoofd van de Medusa weer eens te zien, nu niet in Firenze maar gewoon naast de deur. Maar helemaal bevredigd was ik toch niet. Te veel chic vulsel, te veel dat context nodig had, te weinig dat, kernachtig, op zichzelf kon staan. Die topstukken logen er niet om maar leken zelfs iets aan waarde in te boeten door de gulle aanwezigheid van hun minderbedeelde broertjes en zusjes: het bijkomend nadeel van een expo die in de eerste plaats een narratief wil zijn.
Ik opperde de hele ronde nog eens te maken, al was het alleen maar om deze unieke verzameling recht te doen, en ging inderdaad de eerste zaal in om de vioolspelende Apollo van Dosso Dossi voor de tweede keer te zien. Maar de geur van koffie dreef ons naar de coffee corner.
De audiotour was ingesproken door Stephen Fry, wiens boeken ook ampel voorradig waren in de winkel. Misschien had ik zo'n telefoontje moeten opzetten om meer doordrongen te raken van het belang van dit alles.
vrijdag 15 mei 2026
WASROL
Een van de tenoren van mijn koor vond dat ik The History of Sound moest gaan zien. Hoewel de synopsis me verwarde (een mengsel van romantisch drama en volksmuziekregistratie op de wijze van Alan Lomax? Wat een vreemd uitgangspunt!) had ik belangstelling - maar het kwam er niet van, de film ontliep me: hij draaide alleen als ik niet kon, en waar ik niet was.
Deze week lukte het alsnog, in Rialto aan de Ceintuurbaan, op een woensdagmiddag met een koorrepetitie in het vooruitzicht. Mijn vriendin kwam ermee en ik stemde in een onbewaakt ogenblik toe. Zelf zou ik zo'n moment nooit gekozen hebben.
Ik sloot mijn ogen voor de reclame, keek naar de grond tijdens de trailers voor andere films, en concentreerde me fris op het doek toen het begon. Eén ding was al snel duidelijk: ik zou bepaalde eisen aan waarachtig- en waarschijnlijkheid overboord moeten gooien wilde ik van het gebodene genieten.
In een voice-over vertelt de ik-persoon, de Ierse acteur Paul Mescal alias Lionel Worthing, dat hij als jongetje opgroeide op een boerderij in Kentucky, begin 20e eeuw. Hij leerde volksliedjes van zijn vader en viel op het plaatselijke schooltje op door zijn zuivere stem. Ook had hij een absoluut gehoor en had hij de gave van de synesthesie: hij zag muziek in kleur,- een D was geel, etc. We moeten dit maar van hem aannemen, voorbeelden zien en horen we niet.
Hij wordt aangenomen op het conservatorium van Boston, afdeling zang. Weer moeten we het voor zoete koek slikken: áls hij gaat zingen, in een rokerig café, is het een liedje uit zijn jeugd, met halve stem. De film focust op zijn homo-erotische relatie met kettingrokende compositiestudent Josh O'Connor alias David White. Er wordt veel verliefd gekeken, weinig gezegd. Dit zal de rest van de film zo blijven.
De Eerste Wereldoorlog breekt uit, David moet naar de loopgraven, Lionel gaat terug naar de boerderij, want de school sluit voortijdig.
Na de oorlog keert David terug uit België, op het oog ongeschonden. Hij vraagt Lionel per brief om hem te vergezellen op een studiereisje. De twee trekken, gewapend met een tent en een fonograaf, door de wildernis van Maine. In afgelegen dorpen verzamelen ze volksmuziek, die op wasrollen wordt vastgelegd. Mooie natuurbeelden, prachtige liedjes, en wat klinken die wasrollen goed! En wat zingen die locals prachtig, niks van de rauwheid die je verwacht, anno 1920 in het achterland; en al die fijne Keltische trillers en versieringen, nét Sandy Denny of The Chieftains - Woody Guthrie, Muddy Waters, eat your heart out!
Na de trip gaat Lionel naar Europa. Zijn ene jaar conservatorium blijkt genoeg om hem een positie in Rome te bezorgen in een prestigieus ensemble in het Vaticaan. Hoewel hij er maar kort woont spreekt hij vloeiend Italiaans met zijn nieuwe minnaar, een jonge cellist. Het koortje verveelt hem (mi annoia questo coro...), en hij krijgt een positie aangeboden in Oxford. Daar zien we hem een universiteitskoor dirigeren en een liefdesaffaire hebben met een mooie, rijke vrouw (ook de hetero's in de zaal moeten aan hun trekken komen nietwaar), voor hij terug naar de boerderij gaat waar zijn moeder op sterven ligt.
Overvallen door heimwee reist hij naar Maine om David weer te zien. Hij vindt er slechts diens weduwe. David heeft zelfmoord gepleegd, hij kon de gevolgen van de shellshock niet meer verdragen. Nu snappen we waarom zijn hand even trilde in een close-up en waarom hij zo weinig over de oorlog kwijt wilde.
De weduwe belooft de wasrollen op te sturen, maar Lionel vergeet in zijn verdriet om zijn adres achter te laten. Lionel treurt nog een tijdje, zoekt plekken op in het Lake District waarover David hem lyrisch had verteld.
In een laatste scene ontmoeten we de bejaarde Lionel (andere acteur, Chris Cooper). Inmiddels een beroemd etnomusicoloog. Hij promoot zijn nieuwste boek in een tv-interview, we schrijven 1980. Niet veel later wordt er een kist bij hem thuis bezorgd: de wasrollen! De nieuwe bewoonster van het voormalige huis van David had ze op zolder gevonden en wist niet wat ze ermee aan moest. Ze zag hem op tv, hoorde hem vertellen over zijn studiereis, en 1 en 1 was 2. Lionel speelt een rol af en hoort ontroerd een boodschap van David, over de tijd heen aan hem gericht, opgenomen op de dag van zijn dood. Einde.
U vindt misschien dat ik cynisch klink - was het dan geen mooie film?
Jawel, bij vlagen. De sfeer was goed, de acteurs prima, muziek en beelden mooi. Alles zeer esthetisch, en de recensent van The Guardian had wel gelijk toen hij schreef dat de film te veel ontzag had voor zijn eigen droefheid ('bloedeloos, pijnlijk smaakvol', 'verlamd onder het vernis van zijn verfijning' - u dacht dat IK cynisch was?!).
Maar: ik kan best tegen een hoge dosis romantiek, zelfs als die zoet is en de pulp benadert. Waarom ontroerde het vergelijkbare romantische drama Loch Ness (wetenschappelijke excursie, landschap, liefde) me twintig jaar geleden mateloos en liet deze film me onberoerd? Toch niet alleen wegens het opvallende, totale gebrek aan humor?
Deze norse muzikant zou de makers alle onwaarschijnlijkheden hebben vergeven, als er een sprookje verborgen was onder het dunne verhaal, als er, zoals in Loch Ness, sprake was van een allegorie, een levenswijsheid verpakt in een scenario. Precies dát was het wat ontbrak: een substraat, een diepere laag van betekenis. The History of Sound is een tamelijk summier uitgewerkte liefdesgeschiedenis in een snel en oppervlakkig geschetst tijdbeeld. Voor het verhaal had het niets uitgemaakt als die twee jongemannen cowboys waren geweest in plaats van musici. De wasrollen en hun muziek voegen iets toe aan de film, zeker, maar niet iets wezenlijks.
Nu komt het en toch, maar dat is zuiver persoonlijk, en geen verdienste van regisseur Oliver Hermanus.
Sinds ik AOW ontvang vind ik dat ik ook maar eens het leven van een pensionado moet gaan leiden. Vergeet die weekend-werkweek-tweedeling: je kunt toch net zo goed doordeweeks iets leuks gaan doen, naar de film, naar een museum? Ik bleef dat maar associëren met vrije dagen, met aansluitend café- en restaurantbezoek, met uitgaan. Op een gewone dinsdag of donderdag mocht dat niet, van een of ander duivels en ingesleten arbeidsethos. Misschien heeft dit filmbezoek, vlak voor een koorrepetitie, me geholpen me maar eens minder achterlijk compulsief te gaan gedragen.
De dag na de bioscoop gingen mijn gedachten uit naar liedjes die ik vroeger heb gemaakt maar nooit heb uitgevoerd, of althans héél zelden, en heel lang geleden. Misschien heeft het met de fonograaf te maken, misschien ook niet. En passant kwam ik een oude tekst tegen, twintig jaar terug op muziek gezet. De muziek ben ik allang kwijt, geen idee hoe die klonk. Maar toen ik me nieuwsgierig achter de piano zette kwamen er flarden terug. En de rest maakte ik opnieuw, in de geest ván. Mijn dochter kwam onder de douche vandaan en vroeg: wat was dat voor liedje? Mooi was het, vond ze. En heel anders dan ik meestal maakte. Bluesy.
Ik dankte mijn innerlijke fonograaf en speelde de wasrol nog maar eens af.
vrijdag 8 mei 2026
KOLIBRIE (een gitaarpraatje)
Omdat ik er voortaan mijn brood mee verdiende moest het wat zijn en mocht het wat kosten. Mijn eerste serieuze klassieke gitaar, een Ricardo Sanchis uit Valencia, kostte me flink meer dan duizend gulden; niets vergeleken bij Vincents cello, maar toch, voor een jonge schnabbelende bariton een hele som. Toen de zaken goed gingen en er wat puntjes op de i gezet moesten worden (het stabiel en zuiver stemmen was een beetje een probleem) schafte ik een met de hand gebouwde gitaar aan, uit het atelier van de Beierse meester Hans Hanika, een prijzig maar mooi instrument; ik speel er nog steeds met veel plezier op, als het Napolitaanse lied zo nu en dan weer op mijn pad komt.
Tijdelijk kwam er een vederlichte, witgele flamencogitaar bij maar die werd op een avond doorverkocht aan een liefhebber; hij is op een of twee cd's te horen maar werd me nooit echt dierbaar: geen diepgang.
Vreemd genoeg stelde ik aan mijn staalsnaren veel minder eisen. Mijn eigen Nederlandstalige liedjes begeleidde ik op budget gitaren - vooral de kleine Taylor van nog geen 500 euro was favoriet, met zijn lichte zuivere toon en zijn handzame toegankelijkheid.
Toen we eind '22 met ons Boudewijn en Lennaert-programma begonnen en ik veel akoestische gitaar ging spelen deed ik de Taylor van de hand en kwam er een groter model, een Eastman, een stoere cutaway, ook alweer bizar goedkoop voor de kwaliteit.
Maar hoe gaat dat? Als een programma keer op keer gaat, volle zalen trekt, steeds beter wordt, maar niet echt verrassingen meer biedt, ga je naar andere dingen omzien om het spannend te houden. Ik werd verliefd op een romantische gitaar met de kleur van robijnrood abdijbier en een siermotiefje op de slagplaat dat een kolibrie in een plantenguirlande voorstelt: de Epiphone Hummingbird, een betaalbare replica van de beroemde Gibson van die naam. Mijn zoon vond haar na enig geduld op Marktplaats, verstelde iets aan de hals, zette er nieuwe snaren op en kocht er een pedalboard en een vouwstandaard bij want als je toch aan het professionaliseren bent, dan ook maar helemaal. Papa kon zich niet meer verschuilen achter zijn klassieke achtergrond en moest voortaan zelf zijn instrument inpluggen en afstellen.
Afgelopen dinsdag, op een vrolijk, chaotisch en zonnig, tot overprikkeling verleidend 5 mei-festivalletje in het verre westen van onze hoofdstad, debuteerde de Kolibrie. Het is een zwaar instrument, gemaakt van massief hout vóór en achter en aan de zijkant, respectievelijk vuren en mahonie. En hoewel de snaren laag op de hals liggen ("lage actie" heet dat), misschien wel te laag voor wie met stugge Spaanse gitaren is opgegroeid, had ik er moeite mee. Alles voelde onwennig en anders, ik tastte soms mis, alsof mijn vingers niet meer automatisch wisten, op spiergeheugen, waar de g-snaar zich bevond.
Was ik niet gezwicht voor ijdelheid, romantiek en uiterlijk? Mijn zoon opperde dat ik voortaan maar weer gewoon op de Eastman moest spelen - met dat instrument kan ik immers lezen en schrijven. Maar nee! Dat is toch mijn eer te na. En eerlijk is eerlijk: de toon van de Hummingbird is ronder, warmer en subtieler dan die van de gelikte maar ook grove Amerikaan uit Beijing.
Zo heb ik weer een reden om elke dag te oefenen op materiaal dat ik dacht slapend nog te kunnen ophoesten.
vrijdag 1 mei 2026
Blogje, op een telefoon getikt
vrijdag 24 april 2026
Tijddeurtje en vrije meter
Een tijddeurtje klapte open als een kattenluik en we kwamen hard in de lente terecht.
Daarvoor was er wat regen geweest, merels in een schemering van donkere wolken, de geur van natte stoep, die, weet ik sinds kort, petrichor genoemd wordt.
De wereld was op slag helemaal anders. Het was nog fris maar het park was nooit zo lichtend groen geweest, de lucht was onbewolkt madonnablauw. Zwartkoppen kwetterden hun coloraturen. Lijsters riepen om het hardst. Kleine bruine vogeltjes vlogen af en aan, te snel om te determineren. Was het een braamsluiper, of toch een grasmus, die zojuist over mijn schouder de struiken in verdween?
In de koude nachten, onder de nieuwe maan, lig ik wakker en probeer me van alles te herinneren. Als ik eindelijk inslaap droom ik veel van mijn vader en mijn moeder. Wat dat te beduiden heeft?
Er fietst een man voorbij. Een magere, grauwe zeventiger met pluizig, slecht geverfd haar die, voorovergebogen over zijn racefiets, hardnekkig in de eeuwige jeugd wil geloven, of liever, in het niet bestaan van de ouderdom. Ik herken mijn jeugdvriend D. maar roep hem niet aan. Een tegenzin welt in me op als ik denk aan het toneelgesprek dat we gaan voeren nadat hij mij herkend heeft. Dit alles, herkenning, weerzin en de reden ervan, gaat in een woordeloze flits door me heen.
Ik vergeef het mezelf - wat zouden we elkaar moeten zeggen?
Mijn zus appt me, later ook mijn broer. Dat ik zo afwezig ben op de sociale media. Gaat alles wel goed? Ik bevestig het laatste en ontken het eerste. Maar inderdaad is de continuïteit van ons contact doorbroken de laatste weken.
Het lijkt lang geleden dat ik me het zuur dronk aan Grauburgunder tijdens het Duitse reisje waarvan ik het thuisfront uitvoerig verslag deed in woord en beeld. Het lijkt lang geleden dat ik zeventig werd. De wereld is veranderd sindsdien. Een tijddeurtje schoot open, een kattenluikje.
Over één ding had ik me geen zorgen hoeven maken: ze zijn op schema, de hardwerkende timmerlieden uit Emmeloord. Gisteren belde een van hen aan. Aanstaande dinsdag sta ik ingepland. Maar mochten ze soms ook maandag al een paar uur komen werken? We hebben toch niks met Koningsdag.
Ik moest daar even over denken; ik noteerde een 06-nummer, gaf even later groen licht. Het oorspronkelijke scenario was geweest: na een afwachtende feestdag voor dag en dauw wakker gemaakt te worden voor een lange dag van lawaai, stof en drukte. Nu kreeg ik éérst een voorproefje, op een verder - hopelijk - prettige dag. Ik kon even wennen, ik was al door. Mochten de katten te veel last hebben van hun opsluiting in slaap- en voorkamer, dan konden we die avond alsnog beslissen ze een paar dagen op mijn dochters zolderkamers te laten bivakkeren, wat Plan B was.
Die vrije meter, waarin ze moeten kunnen werken, de mannen, dat is nog even puzzelen, dat wordt slepen met bureau, vleugel, gitaren, schilderijen, boeken, planten, kastjes. Maar dat is een mooi taakje voor het weekeind. Het is te doen, het is te doen! Met een beetje geluk is half mei alles achter de rug en hervatten wij, katten en bazen, ons gewone stadse buitenleven.
vrijdag 17 april 2026
Voorheen Rookzangers Notitieblog 70: Gekregen en gevonden boeken
Van mijn dochter kreeg ik een boek. Deftig ingepakt. Een verlaat extraatje voor mijn verjaardag veronderstelde ik, maar ze zei: Er hoeft toch niet altijd een aanleiding te zijn? Je kunt toch ook weleens gewóón een cadeau geven? Omdat je denkt dat een ander het mooi vindt?
Ik knikte waarderend en bladerde het luxueus uitgegeven boek door. Galahad and the Grail, deel 1 van een hervertelling van de Arthur-legende in dichtvorm, door Malcolm Guite. Ik keek naar het getekende portret van de auteur, en er ging me een lichtje op. Die man kende ik toch? Was dat niet...? Ik ging naar YouTube en tikte zijn naam in. En ja: ik had, nog niet zo heel lang geleden - ik rookte al niet meer maar had er misschien heimwee naar - een filmpje gezien waarin hij een lezinkje houdt over de kunst van het pijproken en in het bijzonder over het blazen van rookringen. Een heerlijke excentriek, een hedendaagse Bilbo, in tweed en kleurige vestjes gekleed, een kruising tussen pijprookgoeroe Jan Kusters en mijzelf.
Het universum heeft atomen en moleculen gesorteerd en opeengestapeld op vergelijkbare wijze, en de resultaten van deze convergente evolutie bevinden zich aan beide zijden van het Kanaal. Guite (spreek uit met een ai-klank zodat het rijmt op kite) is ongeveer even oud als ik, ietsjes jonger zelfs. Hij heeft mijn witte baard en manen, mijn verzameling pijpen, mijn interesse in boeken, poëzie en Tolkien, en ook is hij singer-songwriter, actief als frontman van de lekker gruizige folk- en bluesband Mystery Train. Een vrolijke geleerde, een rare, sympathieke snuiter met een eigen YouTube-kanaal.
Enig punt van aandacht is dat hij tevens erg christelijk is, zelfs Anglicaans priester - daarin heeft de overzeese formatie van atomen anders uitgepakt. Op de filmpjes zie ik dat zijn baard geel uitgeslagen is terwijl de mijne sneeuwwit is. Ik had even een aanvechting mijn kromme Peterson-pijpen met zilveren ring in ere te herstellen toen ik hem zo smakelijk zag puffen, maar laat ze toch maar met rust.
*
De belabberde status van het Boek maakt van mij een belezen man. De hiaten in mijn eruditie bleven vroeger oningevuld: ik kende de generatie vóór de vaderlandse Grote Drie nauwelijks, maar om nou die boeken op de bonnefooi te gaan kopen terwijl er nog zoveel moois en dringends op mijn aanschaf wachtte? Mijn laatste bibliotheek-abonnement dateert van zeer lang geleden.
Met de komst van de straatkastjes veranderde alles. Ik neem iets mee wat ik niet ken, gewoon uit belangstelling; is het niets, dan zet ik het terug. Zo ontdekte ik laat in mijn leven dat ik een groot Vestdijk-liefhebber ben, zo las ik met veel plezier Het grijze kind van Theo Thijssen, zo maakte ik goed dat ik schandalig genoeg nooit The Wind in the Willows had gelezen. Et cetera, et cetera.
Deze week vond ik het verzamelde werk van Willem Elschot, gebonden in scharlakenrood linnen. Omdat ik de mannen van de bibliofiele kringen waarin ik verkeer altijd zo eerbiedig had horen praten over die Belgische schrijver nam ik het mee. Zelf had ik hem tot dan toe verwaarloosd en op één lijn gezet met F. Bordewijk. Kaas, Lijmen/Het been, Blokken, Bint: er is een schijnbare overeenkomst.
Zoals ik op dezelfde straatschuimerwijze Bordewijk allang heb gerehabiliteerd (zijn drie delen Fantastische vertellingen las ik op het balkon, een aantal zomers terug) zo is nu Alfons de Ridder aan de beurt. De Ridder, de echte naam van Willem Elschot (1860-1882), was het grote voorbeeld van Simon Carmiggelt. Lees de eerste zin van Lijmen en je snapt dat: Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken...
Veel verder dan zo'n pakkende introductie gaat de overeenkomst overigens niet want Elschot had een klare maar ironisch-literaire stijl - voor gezellig-weemoedige kroegverhaaltjes moet je bij hem niet zijn. Ik verwacht zijn gehele oeuvre, dat maar zo'n 750 bladzijden proza en wat poëzie beslaat, nog voor de zomer uit te krijgen.

























