Vandaag, de dag van mijn zeventigste verjaardag, waag ik me weer eens aan een stukje zelfonderzoek, zoals ik het tegenwoordig zelden meer op schrift beoefen; in de beginjaren van dit blog, toen ik pas uit de kliniek was, was het juist schering en inslag: de analyse van mijn gedrag en gedachten, zo mogelijk afgerond met een passende, geruststellende conclusie. Mild zelfonderzoek en mooi "rondgeschreven", zoals iemand ooit zei. De laatste jaren heb ik daar niet zo'n zin meer in. Het is allemaal te ingewikkeld, de mens, de wereld, wie ben ik om met oplossingen te komen? Sfeerimpressies, anekdotes, snippers essay, daar hield ik het maar liever bij. Niet iedereen zal dit onderschrijven en zeker mijn vertrouwde critici zullen honend lachen als ze dit lezen. Maar naar mijn gevoel is het waar en daar gaat het om, op mijn zeventigste verjaardag.
Mijn zoon noemt het buongiorno. De stemming waarin je zelfverzekerdheid uitstraalt, die met présence en stemverheffing gepaard gaat. Het Italiaans en de stemverheffing zullen verband houden met de jaren waarin ik als belcantozanger aan de weg timmerde.
Pieken en dalen, daar ben ik vanaf mijn kindertijd aan gewend. Dagen van inkeer en dagen van naar buiten gericht zijn wisselden elkaar altijd af. Pas veel later, toen het minder onschuldig werd, had ik daar een naam voor: bipolair. Licht bipolair. Als ik in een 'opgetogen' fase was beland merkte ik het vaak het eerst aan de reacties van anderen. Ik werd op straat aangekeken of aangesproken door passanten, vrouwen zagen opeens meer in me dan een bedaarde, baardige wandelaar. 'Het was een dag, bien luné...' schreef ik ergens in een dagboek over zo'n dag waarop ik blijkbaar iets uitstraalde dat opgepikt werd door de wereld om me heen.
Het buongiorno werd handelsmerk, ik maakte er mijn beroep van. Ieder optreden moesten we, Vincent en ik alias La Passione, die gepassioneerde buitenkant aan de wereld tonen. Ook als je niet lekker in je huid stak en je het liefst met een boekje bij de haard had gezeten, gordijnen dicht. Het buongiorno werd iets dat oproepbaar was, een masker dat je kon opzetten als het werk erom vroeg. Uiteindelijk een niet zo gezond procedé. En beroepsmatige extraversie valt al snel door de mand. Na een optreden benaderen mensen je vol verwachting, maar als blijkt dat die podiumpersoonlijkheid precies dát is: iets voor de bühne, haken ze al snel af, knikken je vriendelijk toe, negeren je verder en praten rustig keuvelend met hun achterban.
Ik heb me vaak afgevraagd hoe een mens écht, dat wil zeggen permanent charisma kan hebben. Als jojoënde stemmingswisselaar heb of had ik hoogstens een soort parttime charisma, al beweert mijn vriendin dat ik altijd de aandacht naar mezelf toetrek door wie ik ben of lijk te zijn (misschien is dat wel zo, maar dan merk ik het zelf toch niet, doordat de onzekere man die in mijn innerlijk woont me het zicht belemmert).
Op de carroussel van foto's die op mijn beeldscherm rouleert komt soms een plaatje voorbij dat me aan het denken zet over deze dingen.
In 2009 brachten we een week door in Ortigya, het op een eiland gelegen historische centrum van de zuidelijke havenstad Syracuse. De aanleiding was een bezoek aan mijn vriend Geerten, die daar toen woonde. Ik probeerde in die tijd onder begeleiding van de Jellinek te stoppen met drinken maar dat ging op en af, en als het niet lukte dook ik steeds dieper onder in een alcoholisch bassin. Op Sicilië, die eerste keer (het jaar daarop kwam ik er in een droge periode) was het goed raak. Ik dronk de hele dag door. Biertje bij het ontbijt om bij te komen, wijn bij de lunch, en vanaf het middaguur was er nauwelijks meer een halt. Mooie maar chaotische tijd, de dagen buitelden door elkaar en liepen in elkaar over - mijn dagboekje, naderhand aangevuld, staat vol vraagtekens. Enfin, ik zal u de details besparen - we misten het vliegtuig terug naar huis. Verkeerd op de tickets gekeken. We boekten voor veel geld een nieuwe vlucht een paar dagen later en klopten na een nacht bij Geerten op de vloer bij ons hotel aan, dat gelukkig nog plaats had. Ik herinner me die toegift als iets rustiger. Ik las mijn vriendin La sirena van Lampedusa voor op de hotelkamer, en... ik ging naar de kapper.
Daar is dat plaatje van. De kapper, een aardige rustige baas, kwam uit Uruguay (een derde van de Uruguayaanse bevolking heeft Italiaanse wortels). Algauw zaten we samen Figaro te zingen. Het toeval wilde dat er een televisieploeg van de Uruguayaanse tv in de kapsalon was om een documentaire te maken over onze barbier. Ze snoven mijn buongiorno gretig op en algauw snorde de camera. Op die foto zie ik hoe charisma werkt. Vooral de jongste tv-man kijkt me zonder terughouding bewonderend aan. Later die middag aten we op een pleintje spaghetti met zee-egels. Het had geonweerd maar al snel daarna was de lucht opgeklaard. Ik zong voor het terras: Che bella cosa... Wat een prachtig iets, een zonnige dag, de heldere hemel na een onweersbui. 'O Sole Mio!!!
Normaal is er na zo'n uitbundige bui een diepe schaamte over de eigen aanstellerij. Maar tijdens dat verblijf op Sicilië bleef die achterwege. Ik vermoed nu dat ik uit zelfbehoud in die manische stand bleef volharden, omdat ik wist dat, als ik eenmaal tot bezinning kwam, de put te diep zou zijn - veiliger was het voorlopig maar even uit te razen, met mijn vastgeklonken buongiorno-masker op.
Ik geloof niet dat iemand me sindsdien zo naar de ogen heeft gekeken als die jongen uit Uruguay. Maar ik ben ook nooit meer zo diep gevallen als daarna, terug in Amsterdam, en ik heb me nooit meer zo hoeven oprapen - of laten oprapen - als toen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten