Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen

vrijdag 23 oktober 2026

LESSENAAR



Op mijn lessenaar, een ruw getimmerd geval van goedkoop hout dat uit de inboedel van een kerkkoor afkomstig is, staat een verzameling papieren die in de loop der tijd zo gegroeid is, en geen ander doel dient dan mij een plezierig gevoel te geven. Een geplastificeerde aankondiging van Schuberts Schwanengesang, fraai ontworpen door mijn vriend Ger, met de tekst Lennaert Nijgh leest, Jan-Paul van Spaendonck zingt, Jan van Spaendonck speelt; een flyer voor La Vie Parisienne, mijn tweede voorstelling als dirigent bij operettevereniging Thalia; de bladmuziek in roze kaft van Chanson de la mort de Don Quichotte van Jacques Ibert; een schets in houtskool van mijn duo La Passione, tijdens een optreden gemaakt door Carla Baarspul; een ingelijste foto van mij en mijn vader achter de piano, waarschijnlijk genomen in 1986, in de Jasonstraat. Te veel namen op dit vuren altaartje hebben betrekking op personen die niet meer onder ons zijn.
Deze week had een leerling de vellen op tafel gelegd om haar eigen bladmuziek op de lezenaar te plaatsen. Ze had alles keurig teruggezet maar omdat de ordening nét anders was dan ervoor keek ik met frisse blik naar het geheel. Ik dacht aan mijn vader, aan Lennaert, aan Ger. Mijn vader is volgende week tien jaar dood. Ger ook alweer vijf jaar. Lennaert maar liefst vierentwintig jaar. Ger en Lennaert waren een dag na elkaar jarig, eind januari, onder het Teken van de Waterman.
Thalia, de Amsterdamse muze waar mijn vader ook nog eens als invaller heeft gewerkt, stopte in 2022 na 106 jaar met ademen en zingen.
Buiten trok de wind aan. De Wilde Jager was nog niet op pad door het luchtruim met zijn bloeddorstige gevolg maar het scheelde niet veel. Mijn gedachten namen een vertrouwde loop, die met het ouder worden alleen maar vertrouwder wordt.
Hoho! Ik dacht bijtijds aan mijn vriendin die onlangs nog zei, dat je zulke doemscenario's niet klakkeloos hoeft te aanvaarden, dat je ze een beetje kunt ombuigen, dat je niet willoos overgeleverd bent aan je negatieve gedachten: een beetje tegengas kan een mens toch wel geven. Een versje welde in me op. 

Alles gaat voorbij, maar in 't voorbijgaan
Komt er heel wat moois op onze weg. 



Illustratie: "
De Walkure' (1865) van de Noorse schilder Peter Nicolai Arbo (1831-1892)

vrijdag 28 augustus 2026

LIJSTJE

Dinsdag brak ik met mijn ingebakken weekindeling. Die slaat nergens meer op voor een pensionado en heeft sowieso nooit ergens op geslagen - ik ben immers mijn eigen baas. Ik stapte in de auto en reed naar de polder om mijn vriendin te verrassen.
De wind woei flink door de nazomers blauwe hemel. Eilandenweer, zei mijn vriendin. We plukten een uur lang distels uit het weiland, daarna spoelde ik het zweet af en las in een tuinstoel Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit; in de schaduw, glas verantwoorde Riesling van de Ekoplaza binnen handbereik.
Mijn vriendin had nog wat andere klussen te doen. Werk voor twee, op de boerderij, ook als je geen schapen meer hebt. We aten een salade met stokbrood en wat overgebleven stukken pizza. Toetje met pruimen uit eigen tuin toe.
's Avonds ging de wind liggen, de vleermuizen kwamen, en we keken lang naar de sterren. Twee steelpannen, groot en klein, Poolster.

De volgende morgen reed ik terug naar de stad. Las op het balkon in Wim Hazeu's biografie van Marten Toonder. Sufte even op bed met de katten.
Daarna had ik een ingeving die de dreigende landerigheid doorbrak.
Hoe ik erbij kwam, geen idee, - maar die oude gitaar van het eerste decennium La Passione, die al twintig jaar lag te verstoffen in haar gehavende koffer met stickers fragile erop, een verminkt en incompleet instrument: stemmechaniek kapot, een barst in het bovenblad, vier ontbrekende snaren, - daar moest iets mee gebeuren en waarom niet nu?
Het eerdere plan, dat ik dit product uit de werkplaats van Ricardo Sanchis in Valencia maar gewoon moest wegdoen, desnoods bij het grofvuil, leek me nu bizar. Ik schoot in mijn slippers en droeg de koffer door de zwoele middag naar de winkel waar ik de gitaar ooit gekocht had, gaf mijn wensen te kennen en ging met een licht gevoel naar huis om een was te draaien of iets dergelijks; maar eerst zat ik nog een tijdje op een bankje aan de kade en keek naar de flonkeringen in het water.

Als ik grip op de dingen verlies ga ik lijstjes maken. Meestal gebeurt dat als ik druk ben met verplichtingen die te veel van elkaar verschillen en me zorgen maak of het allemaal wel op tijd af komt.
Maar die behoefte aan orde op zaken stellen kan ook ontstaan, als je juist te weinig om handen hebt. In het grote drijfzand van een lange zomer bijvoorbeeld. Als je ontevreden bent en naar structuur begint te verlangen. 
Ik stuurde mijn zoon een foto van de gitaar in de werkplaats. Ah ja, ik hou ervan, antwoordde hij. Frisse wind. Wat je in huis hebt ook daadwerkelijk KUNNEN gebruiken en in orde maken.
Het succes van de gitaar smaakte naar meer. Daar kwam het lijstje. Eerst in mijn hoofd, later als mail aan mezelf, in bed. 

Dat schilderijtje van Ger, vlak voor zijn dood aan mij geschonken, moet nu toch eindelijk een mooi, romantisch lijstje krijgen. Die oude geïnfecteerde computerschijfjes met brieven en verhalen, al jaren klaarliggend op mijn bureau, moeten naar een bedrijf worden gestuurd, dat ze, schoongemaakt, van WordPerfect naar Word kan overzetten. Enzovoorts, genoeg te doen, ook zonder schapen.
Zaak is wel, het voor het eind van de zomer te doen. Want als de routine van koren, lessen, concerten en missen weer begint verdwijnt de urgentie. Dan is het oplappen van een oude gitaar de minste van mijn zorgen.


vrijdag 21 augustus 2026

Rembrandt, Vestdijk, en... Rens


In de jaren 70 kochten mijn ouders van een colporteur de Rembrandt Bijbel. Zouden er nog ergens op de wereld mannen langs de deur gaan om een luxe boekwerk te slijten aan overrompelde burgers die gestoord worden in hun after dinner dip? 

Het was een mooi boek, in een cassette, boordevol etsen en tekeningen, die de sprookjes van de Heilige Schrift beter weergaven dan de anonieme schrijvers van dat Boek.
Het inspireerde mijn vader om na het eten een stukje eruit voor te lezen, naar oude traditie. Hoewel hij die traditie nooit had gekend, want katholieken hebben niet zoveel met de Schrift, zeker niet met het OT, buiten de verplichte uurtjes in de kerk. Maar goed, mijn vader dacht op die manier tegengas te geven aan de chaos waarin het gezin met opgroeiende pubers was beland. Een moment van saamhorigheid en inkeer. Hij hield het niet lang vol.

Aan dat boek, aan de deur gekocht, moest ik denken toen ik deze week in het weggeefkastje in mijn straat een rode linnen band met goudopdruk zag: Rembrandt en de Engelen, twaalf gedichten en een acrostichon. Auteur S. Vestdijk, uitgeverij Stardust Theatre B.V.
Geïntrigeerd opende ik het. Het bleek te gaan om een herdruk van Vestdijks cyclus uit het jubileumjaar 1955: het 350ste geboortejaar van Rembrandt. In het 400ste geboortejaar, 2005 dus, kwam er, geheel naar de geest van onze tijd, een musical. Rembrandt de Musical. De producenten daarvan, onder wie Henk van der Meijden, zochten naar inspirerende teksten en vonden in een antiquariaat de vergeten gedichten van S. Vestdijk. Diens weduwe (en de beheerder van zijn nalatenschap), de 30 jaar jongere Mieke Vestdijk (1938-2018), gaf toestemming om citaten daaruit te gebruiken in het libretto.
En er kwam dus dat rijk geïllustreerde boek, met een voorwoord van Mieke en een portret van SV door Paul Citroen.

Heus een mooi boek hoor, degelijk, verzorgd, en smaakvol vormgegeven; maar ik blijf me toch afvragen wat Simon, een begaafd amateurpianist en muziekkenner van het meer verfijnde soort, Bruckner, Debussy, Mahler, Pijper, gevonden zou hebben van Rembrandt de Musical. 
En zou hij zijn wenkbrauwen niet hebben opgetrokken bij die uitgeverij - geen Arbeiderspers of Bezige Bij, maar Stardust Theatre B.V.?
Soms is het goed dat een mens niet alles weet; de eigen nalatenschap kan men nog min of meer beheersen, maar het Nachleben van ons werk moeten we overlaten aan hen die na ons komen.

                                                                     

                                                                                *

Kortgeleden werd ik benaderd door de zoon van "Rens". Hij wil een boek over zijn vader gaan schrijven. Of ik nog aanvullingen had op het blogje dat ik in 2015 aan hem wijdde?
Ik zette mijn geheugen aan het werk en omdat het nog zomer is en ik alle tijd heb sloeg ik er oude dagboeken op na.
Wat ik in dat blogje schreef was qua chronologie niet juist, dat bleek al gauw. Ik zocht verder en vond genadeloze correcties op mijn herinnering, die weer eens een mooi rond verhaal had gemaakt van wat in werkelijkheid veel rommeliger was.
Zoon V. en ik maakten een afspraak. Ergens moest ik nog een foto hebben van Rens, die, bleek uit mijn dagboek, een tijd in mijn koortje I Dodici had gezongen. Die zou ik om hem een plezier te doen meenemen.

Ik open de laatjes van de smalle archiefkast van roodgeverfd hout die meestal veilig gesloten de wacht houdt naast de deur van mijn cockpit. Dat is gevaarlijk werk. Ik ben wel gewend aan de confrontatie met het gefotografeerde verleden van de afgelopen 25 jaar, het digitale tijdperk. Die plaatjes rouleren als schermbeveiliging op mijn computer. Er is veel veranderd in die kwarteeuw, maar de spelers zijn dezelfde gebleven.
Met dit rode kastje is het anders. Elk laatje herbergt oude foto's die al heel lang wachten op een betere plek. Vooral uit de jaren 90 en het begin van deze eeuw. Een andere vrouw, vertrouwd en vreemd, vergezelt mijn andere zelf.
Dit is gif. De verleiding is groot, lezer, om stil te blijven staan bij elk verrassend residu van een lang vervlogen jaar, elke vergeten gebeurtenis of gelegenheid. Maar ik blader snel door, stapel na stapel, map na map, met het verstand op nul. Ik neem me streng voor er nu helemaal niets mee te doen, met dit toxische archief, en er later eens serieus, liefst met een chaperonne erbij of onder andere veilige begeleiding, naar te kijken, - de hele zooi te ordenen en zéér, zéér uit te dunnen. Al was het maar voor mijn kinderen later. Dat zij niet hoeven te verzuipen, in een toch al moeilijke tijd, in die overstelpende overvloed van een voorgoed verdwenen wereld.

Die foto van Rens als koorzanger was er niet bij.


vrijdag 17 juli 2026

Ich habe die Ehr, Ihr Rezensent zu sein

In jeugdige overmoed solliciteerde ik eind jaren 70 naar de positie van muziekrecensent bij de Amersfoortse Courant, toen nog een zelfstandig dagblad. Ik kwam uit een muzikaal milieu, had een vaardige pen, wist veel van muziek en beoefende die zelf als hobby: ik achtte mijzelf dus best gekwalificeerd. De krant vond dat ook: ik ging met de trein naar een zangrecital in Harderwijk, schreef een proefkritiekje en werd aangenomen. Vijf tientjes per stukje, een vetpot was het niet.
Ik zou het blijven doen tot ik zelf het podium op ging. Het leek me niet kies om anderen de maat te nemen die feitelijk jouw collega's zijn. Mijn verleden als criticus leidde weleens tot pijnlijke momenten. Een dirigent met wie ik kwam samen te werken was mijn recensie over zijn Lucas Passie van Telemann ("bloedeloos") nog niet vergeten en het kostte wat tijd om de kreukels in onze relatie glad te strijken -  gelukkig had ik ook vleiende dingen over hem geschreven, bij een andere gelegenheid. 

Op 29 januari 1980 schreef ik:

Onlangs nog las ik in een landelijk ochtendblad, dat een bepaalde uitvoering "er best mee door kon", dat het resultaat "wel aardig" was, en dat men zich "er niet eens zó zwaar aan had vertild". Afgezien van het onbeschaamd cynisme van deze vakbroeder, ligt die gevoelsafstomping, die waterige halfslachtigheid niet aan de muziek zelf, noch waarschijnlijk aan de uitvoerders, maar aan het dovend vuur binnen de luisteraar. Ik herinner me hoe ik, met vrienden, vol genotvolle hartenpijn kon dwepen bij Puccini of Rachmaninoff, - de mandfles Chianti op tafel; die intensiteit is helaas vaak tot een "wel aardig vinden" verworden. 

Dat zou mijn credo worden. De uitvoerders deden hun best. Als het allemaal niet zo fijn overkwam kon dat net zo goed aan de luisteraar liggen. Mildheid was het die me leidde.
Alleen in het geval van de authentieke uitvoeringspraktijk (toen nog relatief nieuw) schoot die mildheid nogal eens tekort. Want mijn vader was fout geweest in de barokoorlog (zoals bas-bariton Lieuwe Visser ooit grapte over bas-bariton Henk Smit) en die halve musicologen waren in zijn ogen allemaal cerebrale opportunisten die uit gebrek aan talent naar de historisch verantwoorde vedel of kromhoorn grepen. Als ik die stukjes teruglees schaam ik mij diep. Om het goed te maken speel ik nu luit, zo zacht mogelijk. 

Vanmorgen was ik bij mijn vriend Geerten Meijsing. Hij was zichtbaar ontdaan door een recensie van Carel Peeters in VN. Voor Geerten Meijsing is mislukken een verdienmodel. Een kop om je dag bij voorbaat kapot te maken.
We deelden onze gedachten over het wezen van literaire kritiek. Als je een boek of een schrijver écht niet lust moet je er niet over schrijven, daarover waren we het eens. De tijd van de kunstpausen die bepalen welk leesvoer goed is voor ons gewone mensen is voorbij. Reich-Ranicki en Zeeman zijn dood. Wat heb je aan critici die, vaak met persoonlijke motieven, soms met drijfveren, geboren uit rancune, geen groter genoegen kennen dan een auteur, die jaren aan een boek heeft gewerkt en daaraan zijn beste vermogens heeft gewijd, te kleineren en zelfs te ridiculiseren? Wie is daarbij gebaat, behalve het ego van de criticaster of de handenwrijvende vijanden van betreffende auteur? De lezer nooit. Zelfs als die welwillend is zal er een smet op zijn verwachting blijven - waar rook is, is vuur. 
En voor de kunstenaar kan de schade ernstig en langdurig zijn. Bovengenoemde Rachmaninoff was zo kapot van een vernietigende recensie van zijn eerste symfonie dat hij jarenlang tot niets meer kwam; pas na psychotherapie en hypnose raakte hij er bovenop, en nam glorieus wraak met zijn nog steeds geliefde Tweede Pianoconcert.

De Nederlandse literaire productie is, afgezien van een paar verkoopcijferkanonnen, qua commerciële baten marginaal. De lezerskring van "moeilijke boeken" is niet groot. Een zaak van serieuze, loyale liefhebbers. Die liefhebbers hebben niets aan een negatief uitgangspunt en zitten niet te wachten op een negatieve conclusie. Ze willen zélf bepalen wat ze van het boek vinden en hoeven dat niet voorgekauwd te krijgen. Het enig overgebleven bestaansrecht van de kritiek lijkt mij dan ook in het neutrale verlengde te liggen van de promotie. Herren und Damen Rezensent! Doe de literatuur een lol en probeer door goede informatie meer zieltjes te winnen voor het boek dat u heeft uitgekozen om te bespreken. Denk aan de jonge Van Spaendonck, en wees daarbij mild en respectvol!

Dat het ook anders kan dan de zure, tendentieuze stukken van Carel Peeters, Jack van der Weiden en consorten bewees het stuk van Theo Hakkert in het online magazine VersTwee. Journalistiek goed onderbouwd, informatief, helder en wervend. HIER te lezen. 
Ja, ik ben bevooroordeeld. Maar ik deel zijn conclusie: een schitterend boek.


[Illustratie: Peter Muzeniek (1941). Titel: uit "Abschied" van Eduard Mörike]


vrijdag 26 juni 2026

TITANIA


Mijn vader wilde zijn witte wijn goed koud toen dat nog niet gangbaar was. Als hem de temperatuur niet beviel vroeg hij de ober rustig om ijsblokjes. Ik schaamde me dan: stijlloos! Maar hem kon het niet zoveel schelen wat ze van hem dachten. Conventies waren maar conventies. Voor innerlijke beschaving ging hij door het vuur maar de zogenaamde goede smaak lapte hij aan zijn laars. Toch kon hij onverwachts op goede omgangsvormen staan. Dat wil gedaan zijn, zei hij dan.

Dinsdag besloten we tijdens de jaarlijkse vergadering van bestuur en dirigent om de repetitie op de woensdag af te blazen. Een tropenrooster of liever hitteplan ging in. Ik denk niet dat we dat hadden gedaan als we niet zo bang werden gemaakt door alarmerende kleurcodeberichten en overheidsoekazes. Van een beetje zingen in een redelijk koele sacristie is nog nooit iemand doodgegaan, denk ik. Mij kwam het wel goed uit: de vakantie begon de volgende dag. Rustig aan leven, tempo comodo, lezen bij de ventilator, op slippers en in korte broek naar de Appie slenteren, de dagelijkse parkmars hoefde even niet, ik was door de omstandigheden geëxcuseerd.
Prompt raakte ik in een creatieve stemming. Ik had tijdens de vergadering nieuwe koorliederen aangekondigd om de aanstaande jubileumuitvoering van de Linnaeus Cantate mee in te leiden. Ik sloeg een boek open dat ik ooit van straat had meegenomen, waarin ik alleen wat lusteloos had gebladerd maar dat ik te mooi uitgegeven vond om weg te doen: een echt koffietafelboek. Britain in Verse, glimmend papier, panoramische foto's van groene landschappen, een voorwoord van John Gielgud. Ik zocht op met name genoemde bloemen en vogels en koos na wat aarzelingen voor een fragment uit A Midsummer Night's Dream van Shakespeare. De cadans beviel me, ik ging aan de vleugel zitten en nog diezelfde dag had ik het in potloodschets op papier. 

Scheppingsroes is voor mij een heel gewoon woord. Ik heb het alleen al op dit blog verschillende keren gebruikt, in de zorgeloze overtuiging dat ik goed Nederlands bezigde. Maar de Van Dale kent het niet (wel -drang, -drift of -vreugde) en als je het op Google intikt krijg je nul hits. 
De volgende morgen was de eerste vlaag van scheppingsroes voorbij maar ik wilde mijn nieuwe lied nog niet loslaten. Ik bracht alles over in Dorico, nam er lekker de tijd voor, en verbeterde nog flink wat; daarmee zou ik ook de volgende dag doorgaan, want je moet ze nooit te snel de deur uit doen, deze geesteskindjes. 

Vanmorgen toen ik voor de genadeloze 37 graden zou toeslaan naar buiten ging om spullen voor een spaghetti alla puttanesca te halen en ampel witte wijn om ijskoud te drinken (proost pa!) merkte ik hoe de hitte mijn enthousiasme nog een tandje hoger zette. Al op het snikhete en beendroge Museumplein had ik mompelend de eerste twee verzen vertaald. Zomaar. Voor de lol. 

Titania

Ik ken een plek waar tijm uitbundig bloeit,
Waar sleutelbloem en ’t teer viooltje groeit;
Door kamperfoelie-weelde overdekt,
Met egelantier en rozen bont bevlekt:
Titania slaapt alle nachten hier,
Rust uit in ’t bloembed van haar dansplezier;
Een slangenhuid, glinsterend afgeschud,
Dekt ruim haar toe als ze is ingedut.


Illustratie: Titania Sleeps (1928) door Frank Cadogan Cowper (1877-1958)


vrijdag 15 mei 2026

WASROL


Een van de tenoren van mijn koor vond dat ik The History of Sound moest gaan zien. Hoewel de synopsis me verwarde (een mengsel van romantisch drama en volksmuziekregistratie op de wijze van Alan Lomax? Wat een vreemd uitgangspunt!) had ik belangstelling - maar het kwam er niet van, de film ontliep me: hij draaide alleen als ik niet kon, en waar ik niet was.
Deze week lukte het alsnog, in Rialto aan de Ceintuurbaan, op een woensdagmiddag met een koorrepetitie in het vooruitzicht. Mijn vriendin kwam ermee en ik stemde in een onbewaakt ogenblik toe. Zelf zou ik zo'n moment nooit gekozen hebben.

Ik sloot mijn ogen voor de reclame, keek naar de grond tijdens de trailers voor andere films, en concentreerde me fris op het doek toen het begon. Eén ding was al snel duidelijk: ik zou bepaalde eisen aan waarachtig- en waarschijnlijkheid overboord moeten gooien wilde ik van het gebodene genieten. 
In een voice-over vertelt de ik-persoon, de Ierse acteur Paul Mescal alias Lionel Worthing, dat hij als jongetje opgroeide op een boerderij in Kentucky, begin 20e eeuw. Hij leerde volksliedjes van zijn vader en viel op het plaatselijke schooltje op door zijn zuivere stem. Ook had hij een absoluut gehoor en had hij de gave van de synesthesie: hij zag muziek in kleur,- een D was geel, etc. We moeten dit maar van hem aannemen, voorbeelden zien en horen we niet.
Hij wordt aangenomen op het conservatorium van Boston, afdeling zang. Weer moeten we het voor zoete koek slikken: áls hij gaat zingen, in een rokerig café, is het een liedje uit zijn jeugd, met halve stem. De film focust op zijn homo-erotische relatie met kettingrokende compositiestudent Josh O'Connor alias David White. Er wordt veel verliefd gekeken, weinig gezegd. Dit zal de rest van de film zo blijven.
De Eerste Wereldoorlog breekt uit, David moet naar de loopgraven, Lionel gaat terug naar de boerderij, want de school sluit voortijdig. 
Na de oorlog keert David terug uit België, op het oog ongeschonden. Hij vraagt Lionel per brief om hem te vergezellen op een studiereisje. De twee trekken, gewapend met een tent en een fonograaf, door de wildernis van Maine. In afgelegen dorpen verzamelen ze volksmuziek, die op wasrollen wordt vastgelegd. Mooie natuurbeelden, prachtige liedjes, en wat klinken die wasrollen goed! En wat zingen die locals prachtig, niks van de rauwheid die je verwacht, anno 1920 in het achterland; en al die fijne Keltische trillers en versieringen, nét Sandy Denny of The Chieftains - Woody Guthrie, Muddy Waters, eat your heart out!
Na de trip gaat Lionel naar Europa. Zijn ene jaar conservatorium blijkt genoeg om hem een positie in Rome te bezorgen in een prestigieus ensemble in het Vaticaan. Hoewel hij er maar kort woont spreekt hij vloeiend Italiaans met zijn nieuwe minnaar, een jonge cellist. Het koortje verveelt hem (mi annoia questo coro...), en hij krijgt een positie aangeboden in Oxford. Daar zien we hem een universiteitskoor dirigeren en een liefdesaffaire hebben met een mooie, rijke vrouw (ook de hetero's in de zaal moeten aan hun trekken komen nietwaar), voor hij terug naar de boerderij gaat waar zijn moeder op sterven ligt.
Overvallen door heimwee reist hij naar Maine om David weer te zien. Hij vindt er slechts diens weduwe. David heeft zelfmoord gepleegd, hij kon de gevolgen van de shellshock niet meer verdragen. Nu snappen we waarom zijn hand even trilde in een close-up en waarom hij zo weinig over de oorlog kwijt wilde.
De weduwe belooft de wasrollen op te sturen, maar Lionel vergeet in zijn verdriet om zijn adres achter te laten. Lionel treurt nog een tijdje, zoekt plekken op in het Lake District waarover David hem lyrisch had verteld.
In een laatste scene ontmoeten we de bejaarde Lionel (andere acteur, Chris Cooper). Inmiddels een beroemd etnomusicoloog. Hij promoot zijn nieuwste boek in een tv-interview, we schrijven 1980. Niet veel later wordt er een kist bij hem thuis bezorgd: de wasrollen! De nieuwe bewoonster van het voormalige huis van David had ze op zolder gevonden en wist niet wat ze ermee aan moest. Ze zag hem op tv, hoorde hem vertellen over zijn studiereis, en 1 en 1 was 2. Lionel speelt een rol af en hoort ontroerd een boodschap van David, over de tijd heen aan hem gericht, opgenomen op de dag van zijn dood. Einde.

U vindt misschien dat ik cynisch klink - was het dan geen mooie film?
Jawel, bij vlagen. De sfeer was goed, de acteurs prima, muziek en beelden mooi. Alles zeer esthetisch, en de recensent van The Guardian had wel gelijk toen hij schreef dat de film te veel ontzag had voor zijn eigen droefheid ('bloedeloos, pijnlijk smaakvol', 'verlamd onder het vernis van zijn verfijning' -  u dacht dat IK cynisch was?!). 
Maar: ik kan best tegen een hoge dosis romantiek, zelfs als die zoet is en de pulp benadert. Waarom ontroerde het vergelijkbare romantische drama Loch Ness (wetenschappelijke excursie, landschap, liefde) me twintig jaar geleden mateloos en liet deze film me onberoerd? Toch niet alleen wegens het opvallende, totale gebrek aan humor?
Deze norse muzikant zou de makers alle onwaarschijnlijkheden hebben vergeven, als er een sprookje verborgen was onder het dunne verhaal, als er, zoals in Loch Ness, sprake was van een allegorie, een levenswijsheid verpakt in een scenario. Precies dát was het wat ontbrak: een substraat, een diepere laag van betekenis. The History of Sound is een tamelijk summier uitgewerkte liefdesgeschiedenis in een snel en oppervlakkig geschetst tijdbeeld. Voor het verhaal had het niets uitgemaakt als die twee jongemannen cowboys waren geweest in plaats van musici. De wasrollen en hun muziek voegen iets toe aan de film, zeker, maar niet iets wezenlijks. 

Nu komt het en toch, maar dat is zuiver persoonlijk, en geen verdienste van regisseur Oliver Hermanus.

Sinds ik AOW ontvang vind ik dat ik ook maar eens het leven van een pensionado moet gaan leiden. Vergeet die weekend-werkweek-tweedeling: je kunt toch net zo goed doordeweeks iets leuks gaan doen, naar de film, naar een museum? Ik bleef dat maar associëren met vrije dagen, met aansluitend café- en restaurantbezoek, met uitgaan. Op een gewone dinsdag of donderdag mocht dat niet, van een of ander duivels en ingesleten arbeidsethos. Misschien heeft dit filmbezoek, vlak voor een koorrepetitie, me geholpen me maar eens minder achterlijk compulsief te gaan gedragen.

De dag na de bioscoop gingen mijn gedachten uit naar liedjes die ik vroeger heb gemaakt maar nooit heb uitgevoerd, of althans héél zelden, en heel lang geleden. Misschien heeft het met de fonograaf te maken, misschien ook niet. En passant kwam ik een oude tekst tegen, twintig jaar terug op muziek gezet. De muziek ben ik allang kwijt, geen idee hoe die klonk. Maar toen ik me nieuwsgierig achter de piano zette kwamen er flarden terug. En de rest maakte ik opnieuw, in de geest ván. Mijn dochter kwam onder de douche vandaan en vroeg: wat was dat voor liedje? Mooi was het, vond ze. En heel anders dan ik meestal maakte. Bluesy.
Ik dankte mijn innerlijke fonograaf en speelde de wasrol nog maar eens af.



vrijdag 8 mei 2026

KOLIBRIE (een gitaarpraatje)


Omdat ik er voortaan mijn brood mee verdiende moest het wat zijn en mocht het wat kosten. Mijn eerste serieuze klassieke gitaar, een Ricardo Sanchis uit Valencia, kostte me flink meer dan duizend gulden; niets vergeleken bij Vincents cello, maar toch, voor een jonge schnabbelende bariton een hele som. Toen de zaken goed gingen en er wat puntjes op de i gezet moesten worden (het stabiel en zuiver stemmen was een beetje een probleem) schafte ik een met de hand gebouwde gitaar aan, uit het atelier van de Beierse meester Hans Hanika, een prijzig maar mooi instrument; ik speel er nog steeds met veel plezier op, als het Napolitaanse lied zo nu en dan weer op mijn pad komt.
Tijdelijk kwam er een vederlichte, witgele flamencogitaar bij maar die werd op een avond doorverkocht aan een liefhebber; hij is op een of twee cd's te horen maar werd me nooit echt dierbaar: geen diepgang.

Vreemd genoeg stelde ik aan mijn staalsnaren veel minder eisen. Mijn eigen Nederlandstalige liedjes begeleidde ik op budget gitaren - vooral de kleine Taylor van nog geen 500 euro was favoriet, met zijn lichte zuivere toon en zijn handzame toegankelijkheid. 
Toen we eind '22 met ons Boudewijn en Lennaert-programma begonnen en ik veel akoestische gitaar ging spelen deed ik de Taylor van de hand en kwam er een groter model, een Eastman, een stoere cutaway, ook alweer bizar goedkoop voor de kwaliteit.
Maar hoe gaat dat? Als een programma keer op keer gaat, volle zalen trekt, steeds beter wordt, maar niet echt verrassingen meer biedt, ga je naar andere dingen omzien om het spannend te houden. Ik werd verliefd op een romantische gitaar met de kleur van robijnrood abdijbier en een siermotiefje op de slagplaat dat een kolibrie in een plantenguirlande voorstelt: de Epiphone Hummingbird, een betaalbare replica van de beroemde Gibson van die naam. Mijn zoon vond haar na enig geduld op Marktplaats, verstelde iets aan de hals, zette er nieuwe snaren op en kocht er een pedalboard en een vouwstandaard bij want als je toch aan het professionaliseren bent, dan ook maar helemaal. Papa kon zich niet meer verschuilen achter zijn klassieke achtergrond en moest voortaan zelf zijn instrument inpluggen en afstellen.

Afgelopen dinsdag, op een vrolijk, chaotisch en zonnig, tot overprikkeling verleidend 5 mei-festivalletje in het verre westen van onze hoofdstad, debuteerde de Kolibrie. Het is een zwaar instrument, gemaakt van massief hout vóór en achter en aan de zijkant, respectievelijk vuren en mahonie. En hoewel de snaren laag op de hals liggen ("lage actie" heet dat), misschien wel te laag voor wie met stugge Spaanse gitaren is opgegroeid, had ik er moeite mee. Alles voelde onwennig en anders, ik tastte soms mis, alsof mijn vingers niet meer automatisch wisten, op spiergeheugen, waar de g-snaar zich bevond. 
Was ik niet gezwicht voor ijdelheid, romantiek en uiterlijk? Mijn zoon opperde dat ik voortaan maar weer gewoon op de Eastman moest spelen - met dat instrument kan ik immers lezen en schrijven. Maar nee! Dat is toch mijn eer te na. En eerlijk is eerlijk: de toon van de Hummingbird is ronder, warmer en subtieler dan die van de gelikte maar ook grove Amerikaan uit Beijing.
Zo heb ik weer een reden om elke dag te oefenen op materiaal dat ik dacht slapend nog te kunnen ophoesten.


vrijdag 10 april 2026

Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?

Onze Paasreisjes begonnen ooit toen ik het heel druk had. Ik had juist een derde koor erbij genomen, een operettevereniging, en was bijna alle avonden op pad om te repeteren, en de weekenddagen ook, als de voorstelling naderde. Om even bij te komen, dat eerste jaar, boekten we een hotel, dat, zo stelde ik me voor, een ouderwetse naam en dito uitstraling moest hebben en zich liefst in het Oosten van het land moest bevinden. Het werd de Gouden Karper in Hummelo, nog net niet de Gebraden Haan uit de Bommelverhalen, maar het kwam in de buurt.
Het uitje beviel goed en met Pasen op hotel werd een traditie, ook toen de drukte na Corona geluwd was doordat de zieltogende operetteclub er na ruim 100 jaar de brui aan gaf.
Dit jaar besloten we na zes keer Twente of Achterhoek en twee keer Zuid-Limburg iets verder van huis te gaan. Tijdens een kleine herfstreis afgelopen november hadden we Waldschlöschen ontdekt, een rustieke en ouderwets betaalbare oase van rust aan de voet van een beboste berg in het Teutoburgerwoud. Daar zouden we Pasen doorbrengen. 

De voortekens waren goed. Het weer zat mee, we hadden geen sluimerend griepje zoals vorig jaar en de auto was in goede staat, zodat de kans op een kapotte distributiekabel, die ons vorige uitje op de valreep een nare bijsmaak had gegeven, zeer klein was. De verrekijker ging mee, natuurlijk, een paar vogelboeken, een roman waarin waarschijnlijk zeer weinig gelezen zou worden, en een bundel Duitse romantische poëzie voor de sfeer; deze keer had ik voor Eichendorff gekozen. Geen regenjas, een warm colbertje volstond, tenslotte was het lente. Ik had op Google ontdekt dat onze oosterburen nog meer aan paastradities hechten dan wij. Er waren overal vuren daar, en in Bad Iburg was een grote paasmarkt in middeleeuwse stijl. Dat bleek een variant op ons vaderlandse Castlefest te zijn, met verklede vrouwen met elvenoortjes en mannen met bijlen, mede van het vat en elkaar luide treffende geharnaste ridders in een toernooi.

Na het introductie-bier in het hotel, zondagmiddag, met een vrieskoude Korn ernaast, maakten we een wandelingetje naar een kleine waterval. Onderweg smeulde op een bergweide een vuur, door een paar mannen aangewakkerd of uitgetrapt, dat was niet meteen duidelijk. Mijn vriendin dacht dat het misschien een nog levend restant van gisteren was, maar ik zag de schragen tafels met flessen en was niet zeker. Door de schnapps onbevreesd geworden stapte ik op de mannen af. Neen, zojuist aangestoken, zei een toeschietelijke meneer. We praatten een tijdje over de toenemende regelgeving (ik kon niet op het woord voor formaliteiten en formulieren komen maar hij begreep me best) die dit soort leuke dingen steeds verder in het nauw brengt, ook in het wat ruimere buurland, en zo kwam het gesprek op de jacht. Hij monsterde mijn mosgroene truitje, mijn bruine tweedjasje, mijn hoed, mijn baard, mijn verrekijker, en vroeg: Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?
Bij het watervalletje zag ik maar liefst drie grote gele kwikstaarten. Mijn vogelweekend was al goed maar zou nog beter worden. Op de terugweg naar het hotel zong ik Schubert, Der Jäger, uit de Schöne Müllerin. Als de toon eenmaal gezet is krijgt zo'n vakantietje algauw een soundtrack mee, en die bestond dit jaar uit met bejaarde bariton gebromde Wanderlieder en uit het blaffende geknor van de Raven - mijn eerste officiële waarneming - die ik de volgende morgen boven de woudrand zou zien scheren op de thermiek; ook mijn vogel-app aarzelde niet en wist het zeker: common raven. 

Iets minder tevreden was ik over mijn zelfbeheersing. Na de eerste avond overvloedig gedineerd te hebben besloot ik de maag de volgende dag te ontzien en het bij gebraden oesterzwammen op een bed van stamp van zoete en gewone aardappel te houden. Digestieven streng verboden, zelfs geen Alte Marille, hoe lekker die abrikozenbrandewijn ook had gesmaakt, en op de kamer hooguit nog één nachtmutsje. Maar na drie grote glazen Grauburgunder in de zon sneuvelde dat voornemen over paddenstoelen en zwichtte ik weer voor de verleiding van een schnitzel ter grootte van een deurmat. Tenslotte ben je niet elke dag in Duitsland. Dat het de foute keus was besefte ik de volgende morgen toen ik het ontbijtbuffet vrijwel onaangesproken moest laten.


(Illustratie: een tamelijk foute, waarschijnlijk met AI gemaakte 'visualisering' van Schuberts lied, door de Duits-Russische pianiste Evgenia Fölsche)


vrijdag 27 maart 2026

Grijze lente


Je kunt op verschillende manieren slecht wakker worden. Een goede vriend van me zegt dat zijn dag bedorven is als hij mooi heeft gedroomd. De werkelijkheid (der graue Alltag zoals de Duitser zegt) valt dan zo tegen. Mijn betreurde vriend G. zag dat anders. Na een mooie droom was hij de hele dag licht melancholisch gestemd, een niet onprettige toestand. Ikzelf neig naar het laatste maar begrijp het eerste ook. Hoe dan ook zijn beide scenario's op mij niet erg van toepassing want ik droom vrijwel nooit mooi, waarom weet ik ook niet - het is niet dat ik zo ongelukkig ben of dat ik geen fantasieën en herinneringen koester die stof voor mooie dromen zouden kunnen geven; ik houd het er maar op dat het iets fysieks is, iets banaals: benauwdheid in de slaap door een verkeerde houding, met kattenharen dichtgeslibde bronchiën, of een niet gediagnostiseerde apneu. 

Vanmorgen werd ik bovengemiddeld somber wakker na een extra slaapje ("nog éven!") dat eerst niet wilde lukken en me, nadat ik eindelijk was ingedommeld, diep onder de gezonde niveaus van bewustzijn sleurde waar de mens het best gedijt, op een zeebodem waar verdwenen gestalten uit mijn leven in een bontere dan levensechte vorm rondscharrelden, verwikkeld in een complex spel waarvan ik de regels niet kon begrijpen, hoewel de omstandigheden bedrieglijk veel leken op wat ik had meegemaakt. Mijn moeder, een jaar of veertig, schatte ik na het ontwaken (tijdens zo'n droom schat of denk je niks, je valt volledig samen met wat er gebeurt), wilde nog koffie, hoewel ze volgens mij nog een warm kopje koffie met veel melk had staan. Ik bood aan die voor haar te zetten. Ik wilde zelf espresso maken in mijn eenkopsmoka, maar om haar een plezier te doen gebruikte ik haar koffiezetapparaat. Meer kan ik me bij het schrijven van dit blog niet herinneren en het lijkt me erg vreemd om hier zo ontdaan van te raken en toch was ik dat bij het opstaan. 

Ik volgde mijn dagelijkse routine. Na de yoghurt en de gymnastiek zette ik me met een tweede koffie in mijn stoel bij het raam en keek met tegenzin naar de dichte grijze lucht. Ik scrolde wat op mijn telefoon, die, geheel overeenkomstig mijn beste voornemens, de hele nacht buiten de slaapkamer had doorgebracht, en opeens kwam daar Liesbeth List langs. Grijze Lente - meteen na een of twee regels herkenbaar als een tekst van Lennaert. Ik kende die tekst wel uit zijn in de Pluche-reeks verschenen verzamelbundel, maar niet het bijbehorende liedje van Boudewijn, gekleed in een classy arrangement van Bert Paige, wat deftig maar handwarm gezongen door de dochter van de vuurtorenwachter. Het is te vinden op de plaat Pastorale uit 1968. Ik vond het een wonderlijk liedje, met zijn korte, kale refrein en zijn onregelmatige, maar wél op vertrouwde clichés berustende akkoordenschema. Even later zou ik van mijn telefoon leren dat Boudewijn zélf er niet zoveel in ziet en dat hij zich zelfs nogal schaamt voor wat hij en Lennaert destijds hebben geleverd aan la List, in de tijd dat zij 'de Van Gend & Loos van de Nederpop' waren: ze werkten op bestelling en soms was Boudewijn (aldus zijn eigen woorden in het Boudewijn de Groot Oeuvreboek) 'muzikaal volkomen de weg kwijt'.
Ik snap wat hij zegt. Het niveau van de zojuist afgeronde plaat Picknick wordt, afgezien van het befaamde titelnummer Pastorale, nergens gehaald en de composities lijken wat stuurloos rond te dobberen, vergeefs op zoek naar een pakkend refreintje - de arrangementen van Paige geven ze een flower power cachet maar als je ze alleen met een gitaar zou begeleiden zou er weinig van overblijven.

Maar toch, maar toch! Wat raakte Grijze Lente me vanmorgen, wat pakte de oude weemoed me, hoe troostend was het om het oude en zo vertrouwde idioom van Lennaert te horen, met zijn onveranderlijke thema's en zijn zo herkenbare taal. 
Een opwellende traan van ontroering luchtte op, en een wandeling door het park waar de kille grijze lente de magnolia's deed huiveren verdreef de schijngestalte van mijn moeder die me zonder het te willen ongelukkig had gemaakt, eenendertig jaar na haar dood. 


vrijdag 27 februari 2026

VOORJAARSSCHOONMAAK


Het plotselinge uitbreken van de lente laat vermoedelijk niemand onberoerd. Iedereen zal het op zijn of haar eigen manier ervaren. Je ziet mensen (vele) die, meteen omgeschakeld, een ijsemmer vol wit of rosé bestellen op een hip terras. Anderen aarzelen welk soort jas te dragen (of helemaal geen?) en moeten nog even wennen aan al het gekwetter en lichtgeschitter. Ik was met mijn vriendin in Amsterdam Nieuw-West bij een Turkse winkel om inkopen te doen, want we hebben iets te vieren; we kochten meer dan we normaal zouden hebben gedaan, het zag er allemaal zo feestelijk uit, wat daar in bakken en schalen lag opgetast.
In de auto neuriede ik, tussen happen van een lahmacun door, Mahler: Der Trunkene im Frühling. Thuis sloeg ik er mijn vertaling op na, en daarna het origineel van Hans Bethge, dat nogal afwijkt van Mahlers versie. Zoals altijd vroeg ik me af waarom ik het iconische eerste vers niet gewoon had vertaald als: Als slechts een droom het leven is. Vroeger vond ik die één op één vernederlandsing heel gewoon. Toen ging ik twijfelen: het was toch écht een germanisme, die rare woordvolgorde. Ook mijn voorganger, dichter-vertaler Hélène Swarth (1859-1941), durfde ruim een eeuw geleden een letterlijke vertaling niet aan in De chineesche fluit (Meulenhoff, 1921) en maakte ervan: Zoo 't leven meer niet is dan droom... 

De drinker in de lente

Het aards bestaan is slechts een droom  – 
Wat maken we ons druk?
Ik drink totdat ik niet meer kan,
In ongestoord geluk.

En als ik niet meer drinken kan,
Gevuld van buik tot mond,
Dan val ik in een slaap die duurt
Tot aan de morgenstond.

Wat hoor ik als ik wakker word?
Een vogel in een boom.
Ik vraag hem of het voorjaar is – 
Het is alsof ik droom.

De vogel kwettert: ja, het is
Al lente, sinds vannacht.
Ik slaak ontroerd een diepe zucht,
De vogel zingt en lacht.

Ik vul mijn glas opnieuw en zet
Het gulzig aan mijn mond,
En zing totdat de maan verschijnt
Aan ’t zwarte hemelrond.

En als ik niet meer zingen kan,
Is slapen wel weer fijn.
Want wat gaat mij de lente aan!
Laat mij toch dronken zijn!

Hans Bethge, naar Li Bai (Li T'ai Po), vertaling JPvS

                   *

Der Trinker im Frühling

Wenn nur ein Traum das Dasein ist,
Warum dann Müh und Plag?
Ich trinke, bis ich nicht mehr kann,
Den ganzen lieben Tag.

Und wenn ich nicht mehr trinken kann,
Weil Leib und Kehle voll,
So tauml ich hin vor meiner Tür
Und schlafe wundervoll!

Was hör ich beim Erwachen? Horch,
Ein Vogel singt im Baum.
Ich frag ihn, ob schon Frühling sei – 
Mir ist als wie im Traum.

Der Vogel zwitschert, ja, der Lenz
Sei kommen über Nacht, 
Ich seufze tief ergriffen auf,
Der Vogel singt und lacht.

Ich fülle mir den Becher neu
Und leer ihn bis zum Grund
Und singe, bis der Mond erglänzt
Am schwarzen Himmelsrund.

Und wenn ich nicht mehr singen kann,
So schlaf ich wieder ein.
Was geht denn mich der Frühling an!
Laßt mich betrunken sein!



Ik houd momenteel voorjaarsopruiming. Vele, veel te lang bewaarde boeken verdwijnen naar straatbiebjes om plaats te scheppen voor nieuwe aanwinsten. Ook mijn verzameling eigen werk moet maar eens uitgedund worden. Ik heb nog een bescheiden doosje vol met exemplaren van De Chinese fluit, door de Avalon Pers in 2014 liefdevol met de hand gezet en gedrukt op fraai, dik crèmekleurig papier en voorzien van een pentekening door mijn dochter Rosanne. 

Wie wil kan er een voor 13,50 inclusief verzendkosten bestellen. Ik zet er handtekening en opdracht in.
Mail naar: jpvanspaendonck@gmail.com. 

vrijdag 6 februari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 68: vondsten


Twee weken geleden, op een koude zondagmiddag, liepen mijn vriendin en ik vanuit haar huis op de dijk naar het nabijgelegen dorpje. We hadden er iets te doen. In het kerkje aldaar, de Noordeinder Vermaning, gingen we naar binnen om het boekenaanbod te bekijken. Het boekenkerkje is de bijnaam van dat altijd geopende, niet meer in gebruik zijnde godshuis sinds er, buiten evenementen om, op grote schaal boeken tweedehands te koop zijn, voor wat de gek ervoor geeft. Die vrijwillige gift gaat in een schoenendoos, men is er goed van vertrouwen, niet altijd terecht, heb ik begrepen. Ik heb er al menig mooi exemplaar gevonden, van een uitgave van Duizend en één nacht uit 1939 met 50 prachtige platen van Edmund Dulac tot een cassette met romans van Simenon. Toen ik een keer geen contant geld bij me had heb ik later een bedragje overgemaakt, eerlijk is eerlijk. 
Dit keer was er vooral veel crime fiction, al of niet literair. Ik liet Nicci French en consorten voor wat ze waren en boog me over een stapeltje grammofoonplaten. Ik besloot kritisch te zijn. Ik draai weleens een plaat (vinyl zoals dat tegenwoordig heet) op mijn kleine pick-upje met ingebouwde luidsprekers, maar vaak is het niet; en ik heb stapels en stapels platen thuis omdat ik na de overstap op cd, eind vorige eeuw, mijn collectie niet kon en wilde wegdoen. Dus bladerde ik de hoezen werktuiglijk door zonder de verwachting dat er iets bij zat, de eerste platen waren niet veelbelovend.
Toch! Daar was een keurig in plastic verpakt grijsblauw album met de beeltenis van Franz Liszt erop. Transcripties van stukken uit Wagner-opera's en op kant twee late pianostukken, die interessante, sobere en verstilde stukken dus, die mijn vader het vermoeden deden uiten dat de oude Ferenc licht aan het dementeren was geraakt. Toos Onderdenwijngaard was de pianiste. Die naam kwam me onmiddellijk bekend voor en onderweg naar huis vertelde ik mijn vriendin wat ik me herinnerde.
Ze was een succesvol concertpianiste maar bij ons thuis vooral bekend als een der oprichters van de Franz Liszt Kring. Daar werd mijn vader in de late jaren 70 lid van, ik herinner me nog dat hij met deze Toos belde. Hij wilde meedoen als voorvechter van de ouderwetse romantiek, op de bres springen om het erfgoed te verdedigen tegen het in die tijd woedende barokvirus. Op gezette tijden viel er een tijdschrift in de bus en hij ging naar concerten die door de Kring werden georganiseerd.
Ik opende de plaat. In de hoes stak een handgeschreven opdracht. Een briefje van een dankbare patiënt aan de afdeling "F.3.Z." voor 'hun kennis en kunde en hun warme benadering van de mens, of die nu patiënt, diens bezoeker of Uw collega betrof'. Blijkbaar had de staf van afdeling F.3.Z. niet zoveel op met de esoterische 'late Liszt' want de plaat was in nieuwstaat, glanzend zwart, elektrisch geladen en ongeschonden.

Vanmiddag was het moment waarop ik Toos, een generatiegenoot van mijn vader, 1926-2019, slechts een jaar na hem geboren en drie jaar later dan hij overleden, zou gaan beluisteren. Een druilerige februarimiddag, rustige dagen voor de boeg, kaarsje aan, tripeltje ingeschonken.
Maar het pick-upje kon geen verbinding maken met het stopcontact, het snoer was te kort (de nieuwe bank had voor een verschuiving in de kamer geleid). Liever dan daar nu een oplossing voor te verzinnen dacht ik op YouTube terecht te kunnen. Ik verdwaalde eerst in allerlei oude video's van prog-bandjes van mijn zoon en vakantiefilmpjes van onze familie voor ik welgeteld één video van Toos Onderdenwijngaard vond, een bandrecorderopname uit de jaren zeventig. Erg mooi, dat wel. 

                                                                        *

In het boekenkastje in mijn straat vandaag: Handschrift, van Jean Pierre Rawie. Hij is de bestverkopende dichter na Annie M.G. Schmidt en Toon Hermans, las ik, en zo zag dit deeltje van Prometheus er ook uit: in feestelijk goud en rood gevat, alsof het alvast vooruitliep op zijn status als kerstcadeau. 
Thuis begon ik er zonder veel verwachting in te bladeren maar ik werd desondanks gepakt, vooral door de uitmuntende vertalingen uit Engels, Russisch en Portugees waarmee het boekje eindigt. En ik dacht aan de gedichten van Simon Vestdijk, die zo hemelsbreed verschillen van deze J.C. Bloem 'light'. Voor ik het wist dichtte ik twee kwatrijnen, ongetwijfeld geïnspireerd door JPR, die deze versvorm ook hanteert, naast het sonnet. 

Jean Pierre Rawie

Zijn verzen, in gewone mensentaal
en dus verstaanbaar voor ons allemaal,
zijn door die klare eenvoud zeer weldadig -,
maar soms ook wel een tikkeltje banaal.

Vestdijk

‘k Raak over zijn romans niet uitgepraat,
terwijl zijn dichtwerk me Siberisch laat.
’t Is niet dat hij niet mooi en knap kan rijmen -,
maar ik begrijp gewoon niet wat er staat.


Illustratie: 'Het toverpaard', Edmund Dulac (1882-1953)


vrijdag 16 januari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 67: oninteressante tijden



Met de sneeuw verdween ook de echte geborgenheid van de eerste week van het nieuwe jaar. In het grijze, dooiende en al snel weer groene park was het uit met de winterpret. De toekomst werd beetje bij beetje zichtbaar, het niemandsland werd voorzichtig ingevuld met coördinaten. 
Wel was ik nog steeds in de ban van die roes, die zoveel productiever was dan de bedwelming van de feestdagen: mijn compositie in wording slokte me op. Het aanvankelijke idee, een "glanzende kiemcel" om met S. Vestdijk te spreken, groeide uit tot wat toch wel een kleine cantate genoemd mag worden. Ik haastte me om zoveel mogelijk te profiteren van deze bui van scheppingsdrang; de buitenwereld klopte al aan de deur en verzocht om mijn inbreng, voordat het zover was moest ik in elk geval alle koorpartijen op papier hebben. 
Ik maalde, overeenkomstig een van mijn voornemens, niet om het nieuws; dat heeft me genoeg dwarsgezeten de laatste jaren. Ik begreep dat de oranje clown nu echt alle redelijke proporties uit het oog aan het verliezen is. Maar er is één vaderlandse militair naar Groenland gestuurd, de clown zal sidderen in zijn Capitoolse bed. Verder probeerde ik mijn ogen en oren zoveel mogelijk te sluiten voor wat er tot me doordrong uit de boze buitenwereld. 
Vriend Robert postte een gedichtje op Facebook van Brian Bilston. Ik kende hem niet, het bleek een pseudoniem van Paul Millicheap te zijn, geboren in 1970 te Birmingham. Deze Poet Laureate of Twitter publiceerde online poëzie, vooral light verse, die hem 400.000 volgers opleverde. Die populariteit leidde tot reguliere, papieren uitgaven. 
Eergisteren deed ik mijn middagdutje met de katten maar mijn brein stond na een morgen componeren nog te veel aan om weg te dutten bij het beschouwen van de wolken die langs het raam dreven. Ik herinnerde me het gedichtje dat mijn vriend had gepost, hem, en ook mij, uit het hart gegrepen. Ik deed een vertaalpoging die ik me voornam later te zullen verfijnen.

Gebed voor oninteressante tijden

Geef me een geen-nieuws-dag,
Een ingetogen dag,
Met niets in 't bijzonder in zicht
Dan de tijd die verstrijkt,
Een glas dat leeg blijkt,
Een herhaling van Flikken Maastricht.

Gun me een goed-nieuws-dag,
Een ik-heb-geen-mening-dag,
Een dag die alleen wordt besteed
Aan tijd met zijn twee,
Wat lokale teevee,
Een dag die je snel weer vergeet.

(Prayer for Uninteresting Times, Brian Bilston)

                                                                     *

Met Ierse nachten heeft Vestdijk bepaald niet zijn beste boek geschreven, al waren tijdgenoten een andere mening toegedaan: er werd zelfs gesproken van "zijn absolute meesterwerk". Mij kon het boek in elk geval niet erg boeien, het eerste boek van deze wonderlijke schrijver waarover ik dat moet zeggen. De materie, het Ierland van de negentiende eeuw, zwaar zuchtend onder het Engelse juk, ben ik ontgroeid. Magie, folklore, whiskey en Keltische romantiek bekoorden me mateloos toen ik decennia jonger was, nu is dat niet genoeg om een roman te kunnen dragen. De schuld ligt misschien bij de hoofdpersoon. Door de ogen van deze opgroeiende jongen zien we alles gebeuren zonder dat hijzelf gestalte krijgt. Reisgids Vestdijk had zoveel te melden, zoveel couleur locale te schilderen in taal, dat hij aan de invulling van de protagonist niet toekwam, die blijft een lens waardoor we de gebeurtenissen waarnemen, niet veel meer. Dat maakt dat de lezer niet erg betrokken raakt bij het fictieve Ballyvourney en zijn inwoners. De moeder van de jongen, een tragisch personage in haar gefrustreerde talent en haar betrokkenheid bij het arme, onderdrukte dorp, komt beter uit de verf maar de roman is te fragmentarisch om haar drama voelbaar en aangrijpend te maken.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo laat, pas in mijn negenenzestigste levensjaar, een Vestdijk-lezer ben geworden. Vanmiddag, wandelend door de lenteachtige straten, nadat ik in de weggeefbieb in de Ter-B.-straat maar liefst drie boeken van hem had gevonden, viel me een voorzichtig antwoord in.
Vroeger had ik geen boodschap aan die manische woordenvloed, aan die openingspassages die rumoerig met de deur in huis vallen; ik wilde boeken die begonnen met Er was eens of In het jaar 18.., in de goede stad A., ik zocht in mijn boeken een bezonnen oordeel over de wereld, ik hield van de maximen van de wijzen, waaraan ik me kon vastklampen als het leven me te chaotisch was. Nu ik tamelijk oud aan het worden ben en enige wijsheid heb verworven (haha, jaja) verlang ik van een boek soms dat het me drenkt in de wilde levensstroom. Overzicht en geruststellende routine heb ik al genoeg in het echte leven, in mijn literatuur wil ik iets anders: weer jong zijn, desnoods ten koste van mijn gemoedsrust. 

vrijdag 9 januari 2026

IJsvrij, Bruch en Frost

In het park zag ik kindjes die op een gierend sleetje voortgetrokken werden, flink ingepakt, met rode wangen; die zullen later, over twintig, dertig jaar, zeggen, net als wij dat doen: in mijn jeugd sneeuwde het altijd. 
Ik maakte deze week opnieuw kennis met een heel oud fenomeen: ijsvrij. De besturen van mijn beide koren vonden het niet verantwoord om 's avonds naar de repetitie te gaan. Kwieke mensen, die zangers, maar op leeftijd, en hardnekkige fietsers, anders dan hun dirigent; en die malle maar verstandige helmpjes beschermen je niet tegen een gebroken heup. 
Zo werd het een week zonder afleiding van buitenaf. Ik kon me helemaal wijden aan het componeren van nieuwe muziek, een klein requiem op teksten van onder meer Rimbaud, voor de aanstaande dodenherdenking. Mijn dagelijkse wandeling door het park was vooral woensdag sprookjesachtig mooi. Maar zelfs toen het gisteren flink ging dooien bleef het sneeuwdek ginds onverlet, door de koude ondergrond. De vogels hadden honger, er werd flink gekrijst. Ik hoopte maar dat de roerdomp en de ijsvogels nog een wak konden vinden.
Na die welbestede dagen trok ik me terug in de veilige kuip van mijn oudroze zetel. Ik betreurde het wel een beetje dat ik uitgerekend nu, in deze zeldzame omstandigheden, geen sfeervol glas wijn of nog liever cognac kon drinken; eigen schuld: als ik een wat matiger mens zou zijn hoefde ik me na de feestdagen niet zo te straffen met strenge onthouding en kon ik met gerust hart een uitzondering maken.
Ik herinnerde me hoe mijn vriend E. en ik vele jaren geleden in de huiskamer van zijn ouderlijk huis (de ouders waren blijkbaar elders) op meeslepend volume het vioolconcert van Bruch hadden gedraaid. We dronken er cognac bij. Buiten woedde een sneeuwjacht en we waren romantisch gestemd. De oude, dikke kat, die van E.'s vader aan tafel mocht zitten en lekkere hapjes rosbief of vis toebedeeld kreeg, hoorde er niet van op, van die luide violen; hij sliep rustig door. Maar als er iets tikte in de potkachel spitste hij alert de oren; wij verwonderden ons daarover. Selectief luisteren, het buitensluiten van als onwenselijk beschouwde geluiden -  is dat hoe je met tinnitus moet leren omgaan? Mijn eigen oorsuizen was aan het eind van de decembervieringen op schrikbarend hoog niveau geraakt, parallel met het opgejaagde ritme van mijn hart. Al na een paar dagen sober leven werd het suizen weer normaal, een schelp vol wind en branding, en ook het hart hervond zijn gewone slag.
Ik herinnerde me nog een avond met vriend E., die net als ik door de kunsten gefascineerd was: deze avond was bij mij thuis, in Slotermeer, ook mijn ouders waren uithuizig. Het moet een paar jaar voor die sneeuwavond zijn geweest. We zaten aan de eettafel en tekenden met pen en Oost-Indische inkt. E.'s tekening heette Des pas sur la neige, naar de pianomuziek van Debussy die op stond. Of het die avond ook sneeuwde weet ik niet meer, misschien is de associatie uitsluitend op rekening van de muziek te schrijven. Ik vraag me af of hij die tekening nog heeft; de mijne, Glupo de Zeebold genaamd, bezit ik nog. 
Bij gebrek aan stemmige drankjes ontspande ik me na de arbeid met de televisie. Vier dagen exact dezelfde programma's op NPO2 en NPO 2 Extra, afgerond met een half uurtje luit spelen en de lezing,  in bed, van Vestdijks Ierse nachten en iedere avond een verhaaltje uit Dubliners van James Joyce als slaapmutsje.
We lieten de kerstboom nog maar even staan. Jammer dat de timing van dit winter wonderland niet beter was gedaan door de Natuur.
Wel dik in orde was de timing van het verschijnen van mijn nieuwe bundel vertalingen. Frost, Robert Frost. Toen ik vanmiddag op weg ging naar Lokaal 't Loosje waar ik uit handen van uitgever Jaap Schipper het eerste exemplaar zou ontvangen, regende het nog, een kille, miezerige regen. Op de terugweg joegen dikke vlokken sneeuw wanordelijk door de asgrijze lucht, de eerste bleven alweer liggen op bomen en autodaken. In de tram keek ik beurtelings naar de door Breitner geënsceneerde stad en naar de prachtig bedrukte bladzijden van het in terracottakleurig papier ingenaaide boekje. Het komt binnenkort officieel uit. Als u interesse heeft, laat het me gerust weten. 

Robert Frost:
Aan de wind die dooi brengt
Gedichten gekozen en vertaald door Jan-Paul van Spaendonck
Statenhofpers, Den Haag


vrijdag 21 november 2025

WIJK AAN ZEE


De vroege morgen, het was nog donker, moest wat van me. Ik vertrouwde op mijn levende wekkers en ze lieten me niet in de steek: om tien over zeven slopen ze over het bed, zoveel mogelijk onrust verspreidend. Snorrenbaarden streken langs mijn wang, mijn zij was een ligplaats die, als ik moest afgaan op het vele kontdraaien en verplaatsen, niet echt comfortabel was. Ik knipte mijn lampje aan en tot verbazing van de katten kregen ze zonder morren zo vroeg al hun voer, waar ik normaal een schijnmanoeuvre zou uithalen: naar de gang, met in mijn kielzog Snuf en Snuitje, en terug in bed, met hermetische sluiting van de slaapkamerdeur achter me. Gefopt! 
Na een douche, koffie en een speltbol met ham en kaas was het licht. Lichter dan anders. Buiten was de lucht winters fris. Ik moest mijn ramen flink schoonkrabben voor ik kon gaan rijden. Dat, en de dreigende noodzaak om te tanken, zorgde voor enig oponthoud maar het tankstation was dicht, het verkeer was fluide en stipt op de door de dame van Maps beloofde tijd was ik op het industrieterrein bij Beverwijk. Ik liet de auto achter in handen van de garagisten en begon een beetje te wandelen door die altijd vreemde wereld van bedrijven, loodsen en straten die meestal parallelweg, ventilatorpad en monitorlaan heten. Maar het was koud en mijn vriendin appte dat ze door het onvoorziene  krabben wat later kwam. Ik ging terug naar de garage, kreeg koffie en een krantje en wachtte tot ik werd gehaald. 
We reden naar Wijk aan Zee. In hotel Zonnevanck waar ik ooit had meegedaan aan de singer-songwriterwedstrijd van het Juttersfestival (tweede geworden, Maarten van Roozendaal prees mijn voordracht maar lachte een beetje om mijn archaïsche taalgebruik) dronk ik een verrassend goede latte van loeihete melk en at ik een lekker stuk appeltaart zonder slagroom. Het dieet had vrijaf. We wandelden over het strand, het zand was hard en glad, de zee was blauw als de lucht met wat wit schuimende golfjes. De kou was lekker, het waaide niet.

Terug in de stad beantwoordde ik een mail van Vaughan, die de Linnaeus Cantate persklaar maakt. Meteen was ik weer in de flow van de afgelopen dagen. Ik heb vaker concerten met het koor en met V. als pianist, en ook maakt hij vaker mijn partituren netjes. Maar dit keer is het anders. Die cantate, mijn eerste serieuze werk als componist, alweer 13 jaar geleden, is onze signature song. En ik moet erin aantreden als baritonsolist, met noten die me een decennium later minder makkelijk afgaan. Toch is dát het niet, wat me in een lichte, tintelend actieve roes van werklust en nerveuze opwinding brengt: het is, denk ik, vooral het feit dat ik dit niet alleen doe, dat ik niet alleen als baasje voor dat koor sta, maar dat iemand anders zo serieus meedenkt en het tot zijn eigen verantwoordelijkheid heeft gemaakt. Dat doet me denken aan de oude dagen van La Passione, waarin Vincent en ik samen (nos contra mundum) het beste uit alles haalden, vanuit ons gemeenschappelijk geloof in het Belang van de Zaak en in het ongetwijfeld ongehoord prachtige en onontkoombare eindresultaat. Ik vind zo intensief samenwerken fijn en doe het te weinig. Dat besef daalde in toen ik meteen na de strandwandeling me boog over maatnummers, notenwaarden, metronoom-aanduidingen, verbindingsboogjes en dynamische tekens, alsof er niets anders bestond op de wereld.
De garage belde. Maar zelfs de schadeanalyse, het feit dat ik mijn auto een week moest missen en de gepeperde rekening konden mijn goede humeur niet bederven.


Vrijdag 28 november 2025, 20:30 uur:

Linnaeus, een botanische cantate

Linnaeuskoor Amsterdam o.l.v. Jan-Paul van Spaendonck
Met onder anderen Vaughan Schlepp, piano en Lucas van Helsdingen, sopraansax en basklarinet

Café Belcampo, OBA
De Hallen, Amsterdam (Hanny Dankbaarsteeg 10)
Toegang 15 euro
Reserveren: cafebelcampo.nl/agenda


vrijdag 14 november 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog 64: een najaarslied


Vrijdag, de 14e november van ons jaar 2025: van alle herfstige dagen van de afgelopen maand was dit de herfstigste. Een dikke grijze lucht vol motregen, een lichte maar strenge wind die ook hardnekkige blaadjes liet dwarrelen, een palet van kleuren die niet meer vlamden maar tot een harmonieus roodbruin versmolten. Het seizoen had een verzadigingspunt bereikt. Hierna zouden er gaten in de wereld vallen waardoor je de winter zag liggen. 
Ik zat op een bankje. Natte kont, ik had niet de moeite genomen een stukje bank droog te wrijven. Het park was praktisch van mij, net als tijdens de pandemie, lang geleden. Een reiger vloog op, ging klapwiekend over de sloot linksaf, bedacht zich, maakte een lompe draai en verliet mijn zichtveld over rechts. Een aalscholver dook onder, kwam een paar meter verder met lege snavel boven. Het water zag er koud uit. 
Voor mijn rechteroog danste een vlek, een lasso die werd uitgeworpen als ik van kijkrichting veranderde, de lus miste altijd doel. Het was begonnen met lichtflitsen en geschitter in mijn ooghoeken, de volgende dag was de dansende vlek er. Een tweede ring van Weiss, de oogarts beaamde het. De eerste was nog zichtbaar op mijn netvlies zei ze - dat ik die bijna nooit meer zag kwam door het corrigerend vermogen van ons brein: nutteloze visuele informatie wordt weggefilterd op den duur.
Hoewel ik niet blij was met deze nieuwe blijk van veroudering vond ik het een bevredigend idee dat de fantoomring op mijn linkeroog links in Amsterdam, in OLVG-West, en die op mijn rechteroog rechts in de stad, in OLVG-Oost was gediagnostiseerd. Als je dan toch iets mankeert dan maar liever symmetrisch. Jazeker, als kind telde ik stoeptegels.

                                                                                *

Gisteren was ik bij Vaughan. Hij begeleidt het Linnaeuskoor bij veel van onze concerten. Soms neemt zijn eveneens prachtig spelende partner Felicity het van hem over. Op de repetities speel ik zelf piano maar bij openbare optredens besteed ik dat het liefste uit aan bekwamere handen zodat ik de mijne vrij heb om te dirigeren.
Vaughan was bezig geweest de cantate die ik voor het 20-jarig bestaan van het koor heb geschreven te zuiveren van onhandigheden (het was mijn eerste ervaring met het notenprogramma Finale geweest) en er een doorlopende, professioneel ogende partituur van te maken. Ik zat naast hem en keek mee op het grote scherm van de Mac. Verwonderd over al die noten die ik dertien, veertien jaar geleden had bedacht. Linnaeus, een botanische cantate heet het stuk voluit. En het moest klinken als een boeket veldbloemen. De teksten zijn een polyglotte verzameling uit diverse bronnen en de muziek is eclectisch, zéér eclectisch. Ik heb er alles ingestopt wat ik kende. Van Latijnse hymnen alla Orff, via folk, belcanto, hoogromantiek, een Zweeds kinderliedje en het neoclassicisme van Stravinsky tot recitatieven die pendelden tussen Bach, Puccini en Monteverdi. Ik weet nog dat ik destijds twijfelde of dit wel kon. Ik heb in het beginstadium een stukje laten horen aan een in de kunsten geletterde vriend en hem die vraag voorgelegd; hij was van mening dat er niets aan de hand was en dat ik gewoon moest doorgaan met dit huzarenstukje. Zo ontstond een hommage aan de Zweedse arts, plantkundige, zoöloog en geoloog die ons koor zijn naam heeft gegeven. (Puur toeval trouwens: het koor repeteert op het Linnaeushof).
In de loop der jaren hebben we de 'Linnaeus Cantate' een goede handvol keren uitgevoerd, meestal op een plantkundige locatie, in een hortus of palmenkas. 
Dit najaar bezingen we de grondlegger van de biologische taxonomie op onze vaste stek: de OBA in de Hallen. Kom luisteren!




vrijdag 10 oktober 2025

Hanenbalken en heldentenoren


Mijn vriend Frank was een leergierige man. Hij wist bijvoorbeeld alles van vogels, van koken, hoornspelen of van Leonardo Da Vinci. Maar zoals bij veel mensen met ASS waren zijn interesses even fanatiek als beperkt. In het jaar voor zijn dood kwamen we 's avonds uit een restaurant waar hij nog graag eens wilde eten. Er was een mooie sterrenhemel. Frank keek omhoog en zei met weemoedige verbazing dat hij na zestig jaar op aarde nog niets van de sterren wist. 'Nou ja, jammer dan,' besloot hij op z'n Amsterdams. 'Het is nu te laat.'
Ik geloof niet dat ik, wat mijn dochters en vriendin ook zeggen, iets van een autist heb. Een contactgestoorde hork kan ik zijn ja, en compulsief gedrag is me niet vreemd. Maar ik ben, in weerwil van alle verlegenheid, empathisch betrokken bij mijn medemens en heb eerder te veel dan te weinig interesses. Mijn leergierigheid is echter periodiek en manifesteert zich vooral als koorts of griep me dwingt tot malende eenzelvigheid. 
Dinsdagnacht lag ik lang wakker. Ik heb een nieuwe bank gekocht. De oude moet uit huis getakeld worden, de nieuwe op de een of andere manier naar boven. Ik stelde bezorgd vast dat ik deze gang van zaken niet onder controle had en me van de technische aspecten, ondanks eerdere ervaringen, geen voorstelling kon maken. Na bijna zeventig jaar op aarde wist ik niets van de kunst van verhuizen. In plaats van Franks Nou ja, jammer dan sloeg ik aan het piekeren. Soms stond ik op om oude dagboeken of foto's te raadplegen. De piano uit mijn eerste huisje werd vereeuwigd toen hij naar buiten werd getakeld met een hijskraan. Waren de kleine ramen van het boerderijtje uit hun sponningen gelicht? (En zo ja, hoe ging zoiets dan? Ik had niet goed opgelet en te veel op andermans expertise vertrouwd.) Ik herinnerde me hoe ik angstig toezag hoe de grote zwarte Yamaha midden in de lucht hing, licht slingerend, toen hij, vijf jaar later, naar vierhoog werd verhuisd. Ook mijn vleugel werd geloof ik nog met touw-en-blok omhoog gebracht maar latere verplaatsingen naar en van de wisselwoning gingen met een verhuislift. 
Niet helemaal tevreden maalde ik verder. Mijn vader oefende zijn eindexamenstuk, het pianoconcert in a van Edvard Grieg, op het zolderkamertje in de Rijnstraat waar hij, verloofd met mijn moeder, inwoonde. Dat kamertje (ik herinner het me nog goed: mijn opa's werkbank stond er later) lag aan de kant van de binnentuinen. Zelfs als de huizen daar aan de straatkant hijsbalken hadden (wat ik op dat moment betwijfelde) - hoe was die piano achter op zolder terechtgekomen? Via de steile trap? Door de nauwe kamertjes van de buren?
Ik vergat de slaap, deed het licht aan. Een halfuur later wist ik alles wat er zo gauw te leren viel over hijsbalken. Amsterdam telt nog zo'n 50.000 huizen met zo'n hanenbalk. Oorspronkelijk bedoeld voor pakhuizen breidde Amsterdam de handige functie uit naar woonhuizen, een in Nederland zeldzaam en in het buitenland vrijwel onbekend verschijnsel.
Maar... bij afwezigheid van de mogelijkheid om te hijsen, hoe kwam een piano dán boven? Ook in Parijs woonden op de zesde etage mensen die pianospeelden. Via de trap blijkbaar, die in dat geval breed genoeg moet zijn: brede trappenhuizen zijn in Parijs weer gewoner dan in het smal-gebouwde Amsterdam.
Ik dacht aan Laurel en Hardy die in The Musik Box (1932) als stuntelende verhuizers een pianola een enorm hoge trap op zeulen. Blijkbaar waren lichaamskracht en improvisatie een belangrijk onderdeel van verhuizen in het verleden. Je kon wel alles onder controle willen hebben maar zo werkte de wereld niet. Hoog in het gebouw wilde men een piano. Die kwam er, met veel duwen en trekken, als het enigszins kon, of hij kwam er niet... 
De volgende middag onderweg naar de griepprik keek ik met nieuwe blik naar de huizen in mijn buurt. Bijna overal hijsbalken, simpel functioneel of sierlijk decoratief. Was me nooit eerder opgevallen. Er was nog veel te leren, niet alleen over de sterren, maar zelfs over de meest alledaagse dingen. 

                                                                      *

De griepprik verdubbelde mijn verkoudheid. Om de een of andere reden (misschien omdat ik onderweg naar de dokter door de Wagnerstraat was gelopen?) zocht ik 's avonds de aria In fernem Land uit Wagners opera Lohengrin op, de zogenaamde Gralserzählung. Mijn vader had die ook graag gezongen, met zijn bescheiden maar dappere tenor.
YouTube gaf me meer versies dan ik aan kon. Ik vergeleek er uiteindelijk zes met elkaar. Kwam tot de conclusie dat de oude heldentenoren Lauritz Melchior (1890-1973) en Wolfgang Windgassen (1914-1974) vocaal soeverein en superieur waren, dat Peter Hofmann (1944-2010) en René Kollo (1937), wegens hun uitstapjes naar de lichte muze in de vorige eeuw vaak met opgetrokken neus besproken, imposant waren, evenals Siegfried Jerusalem (1940). Maar mijn keus ging toch, ondanks de moeilijke plekjes in zijn donkere stem, naar de junior van het gezelschap: Jonas Kaufmann (1969). Bij hem keek ik geboeid en ontroerd de zes minuten film helemaal uit. Een artiest, een kunstenaar zo goed als een zanger.


Naschrift: 's nachts googlede ik naar Wolfram von Eschenbach, de Zwaanridder en de troubadours en minnezangers. Al verder zoekend besefte ik dat ik toch heus véél te weinig wist van de middeleeuwen. Halverwege een derde artikel over de Kruistochten sprak ik mijzelf streng toe. 


zaterdag 6 september 2025

FRIARIELLI


Hij kende het repertoire van Boudewijn niet, de geluidsman van de Zaandamse Bullekerk, maar het deed hem denken aan Fabrizio De André. Dat verbaasde me. Vroege Boudewijn en vroege De André (1940-1999) hebben veel gemeen, beiden hebben goed geluisterd naar Georges Brassens en andere helden van het Franse chanson. Maar in Nederland kent niemand de Genuese troubadour. Vooralsnog sloeg ik de opmerking tot nader referentie op en ging verder met de soundcheck. Hij had een accent dat soms moeilijk te verstaan was maar ik was te veel met Boudewijn en Lennaert bezig om de optelsom te maken. Om halfzeven werd er een bord eten voor ons gebracht. Ook de technicus at mee. Ik wilde het wel vragen maar deinsde ervoor terug. Mijn zoon had minder scrupules: 'Waar kom jij vandaan?'
'Italië.'
Ach, natuurlijk. Een stroef maar door de adrenaline geolied schakelaartje ging om. 'Da dove?' vroeg ik meteen, 'wáár in Italië?'
'Napoli.'
Ik schoof wat dichter naar hem toe en at gedachteloos. We praatten een tijdje over de stad en omgeving. Ik vertelde over mijn Napolitaanse avonturen met La Passione. Gooide er af en toe een mondje Napolitaans doorheen. Dat ik over friarielli begon verbaasde hem net zo als zijn opmerking over De André mij had verbaasd.
Mijn schoondochter keek me verrast aan. 'Ik wist helemaal niet dat jij Italiaans sprak.'

Ik zweefde ouderwets door het optreden heen. Waar waren de zenuwen van die morgen, de twijfels, de sombere tegenzin? Misschien doordat de zomervakantie nog maar net afgelopen was voelde ik me minder gespannen dan in tijden. Mijn stem deed precies wat ik wilde en ook mijn gitaar voegde zich braaf naar mijn wensen, een enkel rebellerend akkoordje daargelaten. Binnenstebuiten gekeerd, ijl en zorgeloos, liep ik na afloop zonder er een seconde over na te denken naar het podium waar de technicus aan het afbouwen was. Ik pakte mijn gitaar en zong een coupletje 'Na sera 'e Maggio.
'Ik ken het repertoire niet zo goed,' zei mijn Napolitaanse vriend met een verlegen glimlachje. Ze luisterden thuis naar Pino Daniele, vertelde hij, de halfgod die Napels als rockstad op de kaart zette. Roberto Murolo, ja, die kende hij natuurlijk van naam. Maar verder moest hij zich verontschuldigen. Hijzelf was bezig met elektronische tarantella's.
Ik gaf hem een hand. 'Alla prossima.'
'Speriamo.' 

De volgende dag schaamde ik me een klein beetje. Vroeger was deze directe openheid zo geen dagelijkse, dan toch wekelijkse kost. Tegenwoordig overkomt me die vloeibare, lichtvoetige staat van bewustzijn alleen nog als ik met de knoet en karwats van een contractueel vastgelegd en dus niet te vermijden optreden uit mijn veilige hol ben gejaagd. 


Morgenmiddag rond 15.00 uur spelen we een keuze uit het repertoire van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh tijdens het Rembrandtpark Festival.