Afgelopen zondag werd het me, om redenen die er voor dit verhaaltje niet toe doen, duidelijk, zonneklaar duidelijk, dat ik iets aan mijn telefoonverslaving moest doen. We zaten aan tafel in het dijkhuis van mijn vriendin. Het begon al te schemeren. De kinderen plukten onder haar leiding brandnetels in verwilderde hoeken van de tuin om daar soep van te maken. Het landleven.
Ik luchtte mijn hart, over mijn sterk toegenomen nervositeit, het ziekelijk haken naar prikkels, de FOMO en de andere ellende die de geweldige moderne techniek ons heeft gebracht. Mijn zoon hoorde mijn klachten aan en vertelde hoe hij er zelf mee omgegaan was. Hij was overgegaan op een dumbphone, op ouderwets bellen en sms'sen, op alleen de hoogstnodige communicatie. Een smartphone had hij wel maar die lag thuis. Die mocht niet mee als hij ging wandelen, niet mee naar bed. Hij keek er op gezette en streng gelimiteerde tijden naar. WhatsApp had hij op zijn laptop geïnstalleerd.
Na soep, stokbrood en pizza ging de familie naar huis. Ik probeerde op de bank nog iets van Dwars door de Pyreneeën en Metropolis mee te krijgen maar een grote vermoeidheid maakte een vroeg bed noodzakelijk.
De volgende morgen vroeg al appte mijn zoon.
. Telefoon niet mee naar bed
. Telefoon op vaste plek in huis (niet naast je)
. Telefoon niet meenemen tijdens wandelen
. Tijdens TV kijken niet óók telefoon
. In gezelschap: telefoon in zak of tas
. Vaste momenten waarop het wel mag
. Onnodige apps die extra onrust geven verwijderen
. Mindful zijn met deeldrang
. Niet neurotisch van elk leuk moment foto nemen maar even bewust stilstaan en kijken naar het leuke moment (hier voegt zoon een smiley met uitgestoken tong toe)
. Als iemand niet snel genoeg reageert naar je zin, even bellen
Bij dat bellen plaatste ik een vraagteken. Ik ben geen groot beller, nooit geweest. Maar vooral die 'deeldrang' wreef zout in een wond. Ik ben lang zo erg niet als andere verslaafden maar dat is geen excuus. Ik beloofde instant beterschap.
Vier dagen later bespeur ik eigenaardige maar noodzakelijke afkickverschijnselen. De eerste dag op mijn bankje in het Vondelpark zonder mails, Facebook, Google, foto's, appjes en Wordfeud was kaal en onwennig. Geen aanvullende informatie kunnen googelen bij wat de tv me vertelde voelde raar. Ik troostte me met de gedachte dat ik al die dwangmatig verzamelde informatie zelden onthoud: hoe heette de eerste man van die en die nieuwslezeres ook weer? Je kunt het net zo goed niet opzoeken. Een nachtkastje zónder ging makkelijk maar misschien waren mijn slechte nachten vol nachtmerries geen toeval.Vanmiddag zat ik aan de Reijnier Vinkeleskade (wie dat precies was hoefde ik gelukkig niet meer op te zoeken). Ik had drie boeken van Vestdijk gescoord in de boekenpoort aan de Gerard T. straat. Er scheen een milde oktoberzon. Vier soepganzen (de grootste zuiver wit, de andere met wat grijze veren) waggelden nasaal mompelend om me heen. Ik zag hoe ze om hun kleine blauwe ogen een oranje ringetje hadden in de kleur van hun snavel en zwemvliezen. Behoedzaam zoals ganzen zijn plukten ze wat gras terwijl de grootste naderende honden in de gaten hield.
Mijn hand tastte naar mijn telefoon. Vestdijk moest erop, en de ganzen. Een gedenkwaardig moment! Dat gedeeld moest worden!
In plaats daarvan richtte ik mijn aandacht op de rimpelingen in het water en op mijn ademhaling. Mediteren was er ook veel te weinig van gekomen de afgelopen tijd.
Een halfuur later (of zoiets - ik had geen horloge) zag ik dat de ganzen nog steeds rondom mijn bankje stonden. Die roerloze, telefoonloze man waren ze als een onschuldig deel van het stadslandschap gaan beschouwen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten