Posts tonen met het label Vestdijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vestdijk. Alle posts tonen

vrijdag 16 oktober 2026

DEELDRANG

Afgelopen zondag werd het me, om redenen die er voor dit verhaaltje niet toe doen, duidelijk, zonneklaar duidelijk, dat ik iets aan mijn telefoonverslaving moest doen. We zaten aan tafel in het dijkhuis van mijn vriendin. Het begon al te schemeren. De kinderen plukten onder haar leiding brandnetels in verwilderde hoeken van de tuin om daar soep van te maken. Het landleven.
Ik luchtte mijn hart, over mijn sterk toegenomen nervositeit, het ziekelijk haken naar prikkels, de FOMO en de andere ellende die de geweldige moderne techniek ons heeft gebracht. Mijn zoon hoorde mijn klachten aan en vertelde hoe hij er zelf mee omgegaan was. Hij was overgegaan op een dumbphone, op ouderwets bellen en sms'sen, op alleen de hoogstnodige communicatie. Een smartphone had hij wel maar die lag thuis. Die mocht niet mee als hij ging wandelen, niet mee naar bed. Hij keek er op gezette en streng gelimiteerde tijden naar. WhatsApp had hij op zijn laptop geïnstalleerd.
Na soep, stokbrood en pizza ging de familie naar huis. Ik probeerde op de bank nog iets van Dwars door de Pyreneeën en Metropolis mee te krijgen maar een grote vermoeidheid maakte een vroeg bed noodzakelijk.
De volgende morgen vroeg al appte mijn zoon. 

. Telefoon niet mee naar bed
. Telefoon op vaste plek in huis (niet naast je)
. Telefoon niet meenemen tijdens wandelen
. Tijdens TV kijken niet óók telefoon
. In gezelschap: telefoon in zak of tas
. Vaste momenten waarop het wel mag
. Onnodige apps die extra onrust geven verwijderen
. Mindful zijn met deeldrang
. Niet neurotisch van elk leuk moment foto nemen maar even bewust stilstaan en kijken naar het leuke moment
(hier voegt zoon een smiley met uitgestoken tong toe)
. Als iemand niet snel genoeg reageert naar je zin, even bellen 

Bij dat bellen plaatste ik een vraagteken. Ik ben geen groot beller, nooit geweest. Maar vooral die 'deeldrang' wreef zout in een wond. Ik ben lang zo erg niet als andere verslaafden maar dat is geen excuus. Ik beloofde instant beterschap. 

Vier dagen later bespeur ik eigenaardige maar noodzakelijke afkickverschijnselen. De eerste dag op mijn bankje in het Vondelpark zonder mails, Facebook, Google, foto's, appjes en Wordfeud was kaal en onwennig. Geen aanvullende informatie kunnen googelen bij wat de tv me vertelde voelde raar. Ik troostte me met de gedachte dat ik al die dwangmatig verzamelde informatie zelden onthoud: hoe heette de eerste man van die en die nieuwslezeres ook weer? Je kunt het net zo goed niet opzoeken. Een nachtkastje zónder ging makkelijk maar misschien waren mijn slechte nachten vol nachtmerries geen toeval. 
Vanmiddag zat ik aan de Reijnier Vinkeleskade (wie dat precies was hoefde ik gelukkig niet meer op te zoeken). Ik had drie boeken van Vestdijk gescoord in de boekenpoort aan de Gerard T. straat. Er scheen een milde oktoberzon. Vier soepganzen (de grootste zuiver wit, de andere met wat grijze veren) waggelden nasaal mompelend om me heen. Ik zag hoe ze om hun kleine blauwe ogen een oranje ringetje hadden in de kleur van hun snavel en zwemvliezen. Behoedzaam zoals ganzen zijn plukten ze wat gras terwijl de grootste naderende honden in de gaten hield.
Mijn hand tastte naar mijn telefoon. Vestdijk moest erop, en de ganzen. Een gedenkwaardig moment! Dat gedeeld moest worden!
In plaats daarvan richtte ik mijn aandacht op de rimpelingen in het water en op mijn ademhaling. Mediteren was er ook veel te weinig van gekomen de afgelopen tijd.
Een halfuur later (of zoiets - ik had geen horloge) zag ik dat de ganzen nog steeds rondom mijn bankje stonden. Die roerloze, telefoonloze man waren ze als een onschuldig deel van het stadslandschap gaan beschouwen.


vrijdag 21 augustus 2026

Rembrandt, Vestdijk, en... Rens


In de jaren 70 kochten mijn ouders van een colporteur de Rembrandt Bijbel. Zouden er nog ergens op de wereld mannen langs de deur gaan om een luxe boekwerk te slijten aan overrompelde burgers die gestoord worden in hun after dinner dip? 

Het was een mooi boek, in een cassette, boordevol etsen en tekeningen, die de sprookjes van de Heilige Schrift beter weergaven dan de anonieme schrijvers van dat Boek.
Het inspireerde mijn vader om na het eten een stukje eruit voor te lezen, naar oude traditie. Hoewel hij die traditie nooit had gekend, want katholieken hebben niet zoveel met de Schrift, zeker niet met het OT, buiten de verplichte uurtjes in de kerk. Maar goed, mijn vader dacht op die manier tegengas te geven aan de chaos waarin het gezin met opgroeiende pubers was beland. Een moment van saamhorigheid en inkeer. Hij hield het niet lang vol.

Aan dat boek, aan de deur gekocht, moest ik denken toen ik deze week in het weggeefkastje in mijn straat een rode linnen band met goudopdruk zag: Rembrandt en de Engelen, twaalf gedichten en een acrostichon. Auteur S. Vestdijk, uitgeverij Stardust Theatre B.V.
Geïntrigeerd opende ik het. Het bleek te gaan om een herdruk van Vestdijks cyclus uit het jubileumjaar 1955: het 350ste geboortejaar van Rembrandt. In het 400ste geboortejaar, 2005 dus, kwam er, geheel naar de geest van onze tijd, een musical. Rembrandt de Musical. De producenten daarvan, onder wie Henk van der Meijden, zochten naar inspirerende teksten en vonden in een antiquariaat de vergeten gedichten van S. Vestdijk. Diens weduwe (en de beheerder van zijn nalatenschap), de 30 jaar jongere Mieke Vestdijk (1938-2018), gaf toestemming om citaten daaruit te gebruiken in het libretto.
En er kwam dus dat rijk geïllustreerde boek, met een voorwoord van Mieke en een portret van SV door Paul Citroen.

Heus een mooi boek hoor, degelijk, verzorgd, en smaakvol vormgegeven; maar ik blijf me toch afvragen wat Simon, een begaafd amateurpianist en muziekkenner van het meer verfijnde soort, Bruckner, Debussy, Mahler, Pijper, gevonden zou hebben van Rembrandt de Musical. 
En zou hij zijn wenkbrauwen niet hebben opgetrokken bij die uitgeverij - geen Arbeiderspers of Bezige Bij, maar Stardust Theatre B.V.?
Soms is het goed dat een mens niet alles weet; de eigen nalatenschap kan men nog min of meer beheersen, maar het Nachleben van ons werk moeten we overlaten aan hen die na ons komen.

                                                                     

                                                                                *

Kortgeleden werd ik benaderd door de zoon van "Rens". Hij wil een boek over zijn vader gaan schrijven. Of ik nog aanvullingen had op het blogje dat ik in 2015 aan hem wijdde?
Ik zette mijn geheugen aan het werk en omdat het nog zomer is en ik alle tijd heb sloeg ik er oude dagboeken op na.
Wat ik in dat blogje schreef was qua chronologie niet juist, dat bleek al gauw. Ik zocht verder en vond genadeloze correcties op mijn herinnering, die weer eens een mooi rond verhaal had gemaakt van wat in werkelijkheid veel rommeliger was.
Zoon V. en ik maakten een afspraak. Ergens moest ik nog een foto hebben van Rens, die, bleek uit mijn dagboek, een tijd in mijn koortje I Dodici had gezongen. Die zou ik om hem een plezier te doen meenemen.

Ik open de laatjes van de smalle archiefkast van roodgeverfd hout die meestal veilig gesloten de wacht houdt naast de deur van mijn cockpit. Dat is gevaarlijk werk. Ik ben wel gewend aan de confrontatie met het gefotografeerde verleden van de afgelopen 25 jaar, het digitale tijdperk. Die plaatjes rouleren als schermbeveiliging op mijn computer. Er is veel veranderd in die kwarteeuw, maar de spelers zijn dezelfde gebleven.
Met dit rode kastje is het anders. Elk laatje herbergt oude foto's die al heel lang wachten op een betere plek. Vooral uit de jaren 90 en het begin van deze eeuw. Een andere vrouw, vertrouwd en vreemd, vergezelt mijn andere zelf.
Dit is gif. De verleiding is groot, lezer, om stil te blijven staan bij elk verrassend residu van een lang vervlogen jaar, elke vergeten gebeurtenis of gelegenheid. Maar ik blader snel door, stapel na stapel, map na map, met het verstand op nul. Ik neem me streng voor er nu helemaal niets mee te doen, met dit toxische archief, en er later eens serieus, liefst met een chaperonne erbij of onder andere veilige begeleiding, naar te kijken, - de hele zooi te ordenen en zéér, zéér uit te dunnen. Al was het maar voor mijn kinderen later. Dat zij niet hoeven te verzuipen, in een toch al moeilijke tijd, in die overstelpende overvloed van een voorgoed verdwenen wereld.

Die foto van Rens als koorzanger was er niet bij.


vrijdag 31 juli 2026

HARNS

Soms kan het voordelen hebben om niets te willen vastpinnen. Van die school is mijn vriendin. De datum hadden we na veel aarzeling en mild gekibbel bepaald. De locatie had tastenderwijs aan duidelijkheid gewonnen. Elzas, Vogezen. Hotels aan de Rijn met glanzend gepoetste glazen met groene voet.
Toen het zover was schrikten de extreme temperaturen ons af. Waar was het nog te doen? Het gebied rond de Wadden.
We mikten op de 21 graden in Harlingen, stad van Vestdijk die ik hoognodig eens moest zien.
Daarnaartoe via ons aangeraden mooie plaatsen en tot de verbeelding sprekende locaties in het Oosten van ons prachtige, niet al te hete en vooral niet brandende land.
Zodoende stuurt uw Blogger Voorheen Rookzanger u deze ansicht vanuit een hotelkamer in Harns, bakermat van de grote schrijver, die hier geëerd wordt met plaquettes, beeldhouwwerk en permanente museale tentoonstelling. Een mooie, hoogstens iets te toeristische historische havenstad, door zeewind gestreeld, waar de scheepshoorn van het veer naar Vlieland prettig loeit.


vrijdag 17 april 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 70: Gekregen en gevonden boeken


Van mijn dochter kreeg ik een boek. Deftig ingepakt. Een verlaat extraatje voor mijn verjaardag veronderstelde ik, maar ze zei: Er hoeft toch niet altijd een aanleiding te zijn? Je kunt toch ook weleens gewóón een cadeau geven? Omdat je denkt dat een ander het mooi vindt?
Ik knikte waarderend en bladerde het luxueus uitgegeven boek door. Galahad and the Grail, deel 1 van een hervertelling van de Arthur-legende in dichtvorm, door Malcolm Guite. Ik keek naar het getekende portret van de auteur, en er ging me een lichtje op. Die man kende ik toch? Was dat niet...? Ik ging naar YouTube en tikte zijn naam in. En ja: ik had, nog niet zo heel lang geleden - ik rookte al niet meer maar had er misschien heimwee naar - een filmpje gezien waarin hij een lezinkje houdt over de kunst van het pijproken en in het bijzonder over het blazen van rookringen. Een heerlijke excentriek, een hedendaagse Bilbo, in tweed en kleurige vestjes gekleed, een kruising tussen pijprookgoeroe Jan Kusters en mijzelf.
Het universum heeft atomen en moleculen gesorteerd en opeengestapeld op vergelijkbare wijze, en de resultaten van deze convergente evolutie bevinden zich aan beide zijden van het Kanaal. Guite (spreek uit met een ai-klank zodat het rijmt op kite) is ongeveer even oud als ik, ietsjes jonger zelfs. Hij heeft mijn witte baard en manen, mijn verzameling pijpen, mijn interesse in boeken, poëzie en Tolkien, en ook is hij singer-songwriter, actief als frontman van de lekker gruizige folk- en bluesband Mystery Train. Een vrolijke geleerde, een rare, sympathieke snuiter met een eigen YouTube-kanaal.
Enig punt van aandacht is dat hij tevens erg christelijk is, zelfs Anglicaans priester - daarin heeft de overzeese formatie van atomen anders uitgepakt. Op de filmpjes zie ik dat zijn baard geel uitgeslagen is terwijl de mijne sneeuwwit is. Ik had even een aanvechting mijn kromme Peterson-pijpen met zilveren ring in ere te herstellen toen ik hem zo smakelijk zag puffen, maar laat ze toch maar met rust. 

                                                                              *

De belabberde status van het Boek maakt van mij een belezen man. De hiaten in mijn eruditie bleven vroeger oningevuld: ik kende de generatie vóór de vaderlandse Grote Drie nauwelijks, maar om nou die boeken op de bonnefooi te gaan kopen terwijl er nog zoveel moois en dringends op mijn aanschaf wachtte? Mijn laatste bibliotheek-abonnement dateert van zeer lang geleden.
Met de komst van de straatkastjes veranderde alles. Ik neem iets mee wat ik niet ken, gewoon uit belangstelling; is het niets, dan zet ik het terug. Zo ontdekte ik laat in mijn leven dat ik een groot Vestdijk-liefhebber ben, zo las ik met veel plezier Het grijze kind van Theo Thijssen, zo maakte ik goed dat ik schandalig genoeg nooit The Wind in the Willows had gelezen. Et cetera, et cetera.
Deze week vond ik het verzamelde werk van Willem Elschot, gebonden in scharlakenrood linnen. Omdat ik de mannen van de bibliofiele kringen waarin ik verkeer altijd zo eerbiedig had horen praten over die Belgische schrijver nam ik het mee. Zelf had ik hem tot dan toe verwaarloosd en op één lijn gezet met F. Bordewijk. Kaas, Lijmen/Het been, Blokken, Bint: er is een schijnbare overeenkomst.
Zoals ik op dezelfde straatschuimerwijze Bordewijk allang heb gerehabiliteerd (zijn drie delen Fantastische vertellingen las ik op het balkon, een aantal zomers terug) zo is nu Alfons de Ridder aan de beurt. De Ridder, de echte naam van Willem Elschot (1860-1882), was het grote voorbeeld van Simon Carmiggelt. Lees de eerste zin van Lijmen en je snapt dat: Ik had de man, die één tafel verder tegenover mij zat, reeds een paar keer aangekeken...
Veel verder dan zo'n pakkende introductie gaat de overeenkomst overigens niet want Elschot had een klare maar ironisch-literaire stijl - voor gezellig-weemoedige kroegverhaaltjes moet je bij hem niet zijn. Ik verwacht zijn gehele oeuvre, dat maar zo'n 750 bladzijden proza en wat poëzie beslaat, nog voor de zomer uit te krijgen.


vrijdag 6 februari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 68: vondsten


Twee weken geleden, op een koude zondagmiddag, liepen mijn vriendin en ik vanuit haar huis op de dijk naar het nabijgelegen dorpje. We hadden er iets te doen. In het kerkje aldaar, de Noordeinder Vermaning, gingen we naar binnen om het boekenaanbod te bekijken. Het boekenkerkje is de bijnaam van dat altijd geopende, niet meer in gebruik zijnde godshuis sinds er, buiten evenementen om, op grote schaal boeken tweedehands te koop zijn, voor wat de gek ervoor geeft. Die vrijwillige gift gaat in een schoenendoos, men is er goed van vertrouwen, niet altijd terecht, heb ik begrepen. Ik heb er al menig mooi exemplaar gevonden, van een uitgave van Duizend en één nacht uit 1939 met 50 prachtige platen van Edmund Dulac tot een cassette met romans van Simenon. Toen ik een keer geen contant geld bij me had heb ik later een bedragje overgemaakt, eerlijk is eerlijk. 
Dit keer was er vooral veel crime fiction, al of niet literair. Ik liet Nicci French en consorten voor wat ze waren en boog me over een stapeltje grammofoonplaten. Ik besloot kritisch te zijn. Ik draai weleens een plaat (vinyl zoals dat tegenwoordig heet) op mijn kleine pick-upje met ingebouwde luidsprekers, maar vaak is het niet; en ik heb stapels en stapels platen thuis omdat ik na de overstap op cd, eind vorige eeuw, mijn collectie niet kon en wilde wegdoen. Dus bladerde ik de hoezen werktuiglijk door zonder de verwachting dat er iets bij zat, de eerste platen waren niet veelbelovend.
Toch! Daar was een keurig in plastic verpakt grijsblauw album met de beeltenis van Franz Liszt erop. Transcripties van stukken uit Wagner-opera's en op kant twee late pianostukken, die interessante, sobere en verstilde stukken dus, die mijn vader het vermoeden deden uiten dat de oude Ferenc licht aan het dementeren was geraakt. Toos Onderdenwijngaard was de pianiste. Die naam kwam me onmiddellijk bekend voor en onderweg naar huis vertelde ik mijn vriendin wat ik me herinnerde.
Ze was een succesvol concertpianiste maar bij ons thuis vooral bekend als een der oprichters van de Franz Liszt Kring. Daar werd mijn vader in de late jaren 70 lid van, ik herinner me nog dat hij met deze Toos belde. Hij wilde meedoen als voorvechter van de ouderwetse romantiek, op de bres springen om het erfgoed te verdedigen tegen het in die tijd woedende barokvirus. Op gezette tijden viel er een tijdschrift in de bus en hij ging naar concerten die door de Kring werden georganiseerd.
Ik opende de plaat. In de hoes stak een handgeschreven opdracht. Een briefje van een dankbare patiënt aan de afdeling "F.3.Z." voor 'hun kennis en kunde en hun warme benadering van de mens, of die nu patiënt, diens bezoeker of Uw collega betrof'. Blijkbaar had de staf van afdeling F.3.Z. niet zoveel op met de esoterische 'late Liszt' want de plaat was in nieuwstaat, glanzend zwart, elektrisch geladen en ongeschonden.

Vanmiddag was het moment waarop ik Toos, een generatiegenoot van mijn vader, 1926-2019, slechts een jaar na hem geboren en drie jaar later dan hij overleden, zou gaan beluisteren. Een druilerige februarimiddag, rustige dagen voor de boeg, kaarsje aan, tripeltje ingeschonken.
Maar het pick-upje kon geen verbinding maken met het stopcontact, het snoer was te kort (de nieuwe bank had voor een verschuiving in de kamer geleid). Liever dan daar nu een oplossing voor te verzinnen dacht ik op YouTube terecht te kunnen. Ik verdwaalde eerst in allerlei oude video's van prog-bandjes van mijn zoon en vakantiefilmpjes van onze familie voor ik welgeteld één video van Toos Onderdenwijngaard vond, een bandrecorderopname uit de jaren zeventig. Erg mooi, dat wel. 

                                                                        *

In het boekenkastje in mijn straat vandaag: Handschrift, van Jean Pierre Rawie. Hij is de bestverkopende dichter na Annie M.G. Schmidt en Toon Hermans, las ik, en zo zag dit deeltje van Prometheus er ook uit: in feestelijk goud en rood gevat, alsof het alvast vooruitliep op zijn status als kerstcadeau. 
Thuis begon ik er zonder veel verwachting in te bladeren maar ik werd desondanks gepakt, vooral door de uitmuntende vertalingen uit Engels, Russisch en Portugees waarmee het boekje eindigt. En ik dacht aan de gedichten van Simon Vestdijk, die zo hemelsbreed verschillen van deze J.C. Bloem 'light'. Voor ik het wist dichtte ik twee kwatrijnen, ongetwijfeld geïnspireerd door JPR, die deze versvorm ook hanteert, naast het sonnet. 

Jean Pierre Rawie

Zijn verzen, in gewone mensentaal
en dus verstaanbaar voor ons allemaal,
zijn door die klare eenvoud zeer weldadig -,
maar soms ook wel een tikkeltje banaal.

Vestdijk

‘k Raak over zijn romans niet uitgepraat,
terwijl zijn dichtwerk me Siberisch laat.
’t Is niet dat hij niet mooi en knap kan rijmen -,
maar ik begrijp gewoon niet wat er staat.


Illustratie: 'Het toverpaard', Edmund Dulac (1882-1953)


vrijdag 16 januari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 67: oninteressante tijden



Met de sneeuw verdween ook de echte geborgenheid van de eerste week van het nieuwe jaar. In het grijze, dooiende en al snel weer groene park was het uit met de winterpret. De toekomst werd beetje bij beetje zichtbaar, het niemandsland werd voorzichtig ingevuld met coördinaten. 
Wel was ik nog steeds in de ban van die roes, die zoveel productiever was dan de bedwelming van de feestdagen: mijn compositie in wording slokte me op. Het aanvankelijke idee, een "glanzende kiemcel" om met S. Vestdijk te spreken, groeide uit tot wat toch wel een kleine cantate genoemd mag worden. Ik haastte me om zoveel mogelijk te profiteren van deze bui van scheppingsdrang; de buitenwereld klopte al aan de deur en verzocht om mijn inbreng, voordat het zover was moest ik in elk geval alle koorpartijen op papier hebben. 
Ik maalde, overeenkomstig een van mijn voornemens, niet om het nieuws; dat heeft me genoeg dwarsgezeten de laatste jaren. Ik begreep dat de oranje clown nu echt alle redelijke proporties uit het oog aan het verliezen is. Maar er is één vaderlandse militair naar Groenland gestuurd, de clown zal sidderen in zijn Capitoolse bed. Verder probeerde ik mijn ogen en oren zoveel mogelijk te sluiten voor wat er tot me doordrong uit de boze buitenwereld. 
Vriend Robert postte een gedichtje op Facebook van Brian Bilston. Ik kende hem niet, het bleek een pseudoniem van Paul Millicheap te zijn, geboren in 1970 te Birmingham. Deze Poet Laureate of Twitter publiceerde online poëzie, vooral light verse, die hem 400.000 volgers opleverde. Die populariteit leidde tot reguliere, papieren uitgaven. 
Eergisteren deed ik mijn middagdutje met de katten maar mijn brein stond na een morgen componeren nog te veel aan om weg te dutten bij het beschouwen van de wolken die langs het raam dreven. Ik herinnerde me het gedichtje dat mijn vriend had gepost, hem, en ook mij, uit het hart gegrepen. Ik deed een vertaalpoging die ik me voornam later te zullen verfijnen.

Gebed voor oninteressante tijden

Geef me een geen-nieuws-dag,
Een ingetogen dag,
Met niets in 't bijzonder in zicht
Dan de tijd die verstrijkt,
Een glas dat leeg blijkt,
Een herhaling van Flikken Maastricht.

Gun me een goed-nieuws-dag,
Een ik-heb-geen-mening-dag,
Een dag die alleen wordt besteed
Aan tijd met zijn twee,
Wat lokale teevee,
Een dag die je snel weer vergeet.

(Prayer for Uninteresting Times, Brian Bilston)

                                                                     *

Met Ierse nachten heeft Vestdijk bepaald niet zijn beste boek geschreven, al waren tijdgenoten een andere mening toegedaan: er werd zelfs gesproken van "zijn absolute meesterwerk". Mij kon het boek in elk geval niet erg boeien, het eerste boek van deze wonderlijke schrijver waarover ik dat moet zeggen. De materie, het Ierland van de negentiende eeuw, zwaar zuchtend onder het Engelse juk, ben ik ontgroeid. Magie, folklore, whiskey en Keltische romantiek bekoorden me mateloos toen ik decennia jonger was, nu is dat niet genoeg om een roman te kunnen dragen. De schuld ligt misschien bij de hoofdpersoon. Door de ogen van deze opgroeiende jongen zien we alles gebeuren zonder dat hijzelf gestalte krijgt. Reisgids Vestdijk had zoveel te melden, zoveel couleur locale te schilderen in taal, dat hij aan de invulling van de protagonist niet toekwam, die blijft een lens waardoor we de gebeurtenissen waarnemen, niet veel meer. Dat maakt dat de lezer niet erg betrokken raakt bij het fictieve Ballyvourney en zijn inwoners. De moeder van de jongen, een tragisch personage in haar gefrustreerde talent en haar betrokkenheid bij het arme, onderdrukte dorp, komt beter uit de verf maar de roman is te fragmentarisch om haar drama voelbaar en aangrijpend te maken.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo laat, pas in mijn negenenzestigste levensjaar, een Vestdijk-lezer ben geworden. Vanmiddag, wandelend door de lenteachtige straten, nadat ik in de weggeefbieb in de Ter-B.-straat maar liefst drie boeken van hem had gevonden, viel me een voorzichtig antwoord in.
Vroeger had ik geen boodschap aan die manische woordenvloed, aan die openingspassages die rumoerig met de deur in huis vallen; ik wilde boeken die begonnen met Er was eens of In het jaar 18.., in de goede stad A., ik zocht in mijn boeken een bezonnen oordeel over de wereld, ik hield van de maximen van de wijzen, waaraan ik me kon vastklampen als het leven me te chaotisch was. Nu ik tamelijk oud aan het worden ben en enige wijsheid heb verworven (haha, jaja) verlang ik van een boek soms dat het me drenkt in de wilde levensstroom. Overzicht en geruststellende routine heb ik al genoeg in het echte leven, in mijn literatuur wil ik iets anders: weer jong zijn, desnoods ten koste van mijn gemoedsrust. 

vrijdag 9 januari 2026

IJsvrij, Bruch en Frost

In het park zag ik kindjes die op een gierend sleetje voortgetrokken werden, flink ingepakt, met rode wangen; die zullen later, over twintig, dertig jaar, zeggen, net als wij dat doen: in mijn jeugd sneeuwde het altijd. 
Ik maakte deze week opnieuw kennis met een heel oud fenomeen: ijsvrij. De besturen van mijn beide koren vonden het niet verantwoord om 's avonds naar de repetitie te gaan. Kwieke mensen, die zangers, maar op leeftijd, en hardnekkige fietsers, anders dan hun dirigent; en die malle maar verstandige helmpjes beschermen je niet tegen een gebroken heup. 
Zo werd het een week zonder afleiding van buitenaf. Ik kon me helemaal wijden aan het componeren van nieuwe muziek, een klein requiem op teksten van onder meer Rimbaud, voor de aanstaande dodenherdenking. Mijn dagelijkse wandeling door het park was vooral woensdag sprookjesachtig mooi. Maar zelfs toen het gisteren flink ging dooien bleef het sneeuwdek ginds onverlet, door de koude ondergrond. De vogels hadden honger, er werd flink gekrijst. Ik hoopte maar dat de roerdomp en de ijsvogels nog een wak konden vinden.
Na die welbestede dagen trok ik me terug in de veilige kuip van mijn oudroze zetel. Ik betreurde het wel een beetje dat ik uitgerekend nu, in deze zeldzame omstandigheden, geen sfeervol glas wijn of nog liever cognac kon drinken; eigen schuld: als ik een wat matiger mens zou zijn hoefde ik me na de feestdagen niet zo te straffen met strenge onthouding en kon ik met gerust hart een uitzondering maken.
Ik herinnerde me hoe mijn vriend E. en ik vele jaren geleden in de huiskamer van zijn ouderlijk huis (de ouders waren blijkbaar elders) op meeslepend volume het vioolconcert van Bruch hadden gedraaid. We dronken er cognac bij. Buiten woedde een sneeuwjacht en we waren romantisch gestemd. De oude, dikke kat, die van E.'s vader aan tafel mocht zitten en lekkere hapjes rosbief of vis toebedeeld kreeg, hoorde er niet van op, van die luide violen; hij sliep rustig door. Maar als er iets tikte in de potkachel spitste hij alert de oren; wij verwonderden ons daarover. Selectief luisteren, het buitensluiten van als onwenselijk beschouwde geluiden -  is dat hoe je met tinnitus moet leren omgaan? Mijn eigen oorsuizen was aan het eind van de decembervieringen op schrikbarend hoog niveau geraakt, parallel met het opgejaagde ritme van mijn hart. Al na een paar dagen sober leven werd het suizen weer normaal, een schelp vol wind en branding, en ook het hart hervond zijn gewone slag.
Ik herinnerde me nog een avond met vriend E., die net als ik door de kunsten gefascineerd was: deze avond was bij mij thuis, in Slotermeer, ook mijn ouders waren uithuizig. Het moet een paar jaar voor die sneeuwavond zijn geweest. We zaten aan de eettafel en tekenden met pen en Oost-Indische inkt. E.'s tekening heette Des pas sur la neige, naar de pianomuziek van Debussy die op stond. Of het die avond ook sneeuwde weet ik niet meer, misschien is de associatie uitsluitend op rekening van de muziek te schrijven. Ik vraag me af of hij die tekening nog heeft; de mijne, Glupo de Zeebold genaamd, bezit ik nog. 
Bij gebrek aan stemmige drankjes ontspande ik me na de arbeid met de televisie. Vier dagen exact dezelfde programma's op NPO2 en NPO 2 Extra, afgerond met een half uurtje luit spelen en de lezing,  in bed, van Vestdijks Ierse nachten en iedere avond een verhaaltje uit Dubliners van James Joyce als slaapmutsje.
We lieten de kerstboom nog maar even staan. Jammer dat de timing van dit winter wonderland niet beter was gedaan door de Natuur.
Wel dik in orde was de timing van het verschijnen van mijn nieuwe bundel vertalingen. Frost, Robert Frost. Toen ik vanmiddag op weg ging naar Lokaal 't Loosje waar ik uit handen van uitgever Jaap Schipper het eerste exemplaar zou ontvangen, regende het nog, een kille, miezerige regen. Op de terugweg joegen dikke vlokken sneeuw wanordelijk door de asgrijze lucht, de eerste bleven alweer liggen op bomen en autodaken. In de tram keek ik beurtelings naar de door Breitner geënsceneerde stad en naar de prachtig bedrukte bladzijden van het in terracottakleurig papier ingenaaide boekje. Het komt binnenkort officieel uit. Als u interesse heeft, laat het me gerust weten. 

Robert Frost:
Aan de wind die dooi brengt
Gedichten gekozen en vertaald door Jan-Paul van Spaendonck
Statenhofpers, Den Haag


vrijdag 19 december 2025

ROERDOMP


Het was goed weer voor vogels. Vlak bij het huis van mijn vriendin, verscholen in de Eilandspolder, liggen het Kerkemeertje en het Uilenbosje. Het eerste heeft een vogeluitkijkpost, het tweede weliswaar geen uilen, maar ik heb er ooit mijn eerste en enige beflijster gezien. Bovenal is het rondom dit laarzenpad erg stil; alleen het suizen van de wind, verder is er weinig te horen.
Om de vogels af te schrikken had ik mijn kijker meegenomen. Afgezien van een Grote Canadese Gans zagen we dan ook weinig. Toen we het zompige rondje door riet en struikgewas hadden gelopen vloog er een flinke zwerm vogeltjes op die zo snel bewogen dat ik ze niet scherp in beeld kon krijgen. Tegen de grijze lucht was er geen kleur te onderscheiden. Later determineerde ik ze op grond van hun dansende manier van vliegen en het geluid als overtrekkende kepen. Maar zonder ondersteunend bewijs van mijn ogen vond ik de waarneming toch niet helemaal bevredigend.


Dinsdagavond, ik wilde een productieve dag afsluiten met een hoofdstuk Ierse nachten, voelde ik bij het uitkleden opeens een onderhuids knobbeltje van een kleine centimeter op mijn rechterbovenbeen, net boven de knie. Googelen leverde een aantal scenario's op, van rooskleurig tot zwart. Ik besloot meteen de volgende dag de dokter te bellen en me verder niet te veel zorgen te maken. Maar ik sliep slecht en was de volgende dag onuitgerust.
In het park zag ik alles als door een floers. Ik was er wel, maar was er ook niet. De scenario's (de zwarte, niet de rooskleurige) domineerden mijn denken en ik leefde in een gevreesde toekomst in plaats van in het moment. 

Daar kwam R. aangereden op zijn scootmobiel. R. is een alerte, goedlachse, langharige vijftiger die elke dag zijn ronde maakt, uitgerust met een sigaartje, een joint en een flesje tripel. Hij weet veel, van van alles, en de andere lanterfanters van het park respecteren hem als een autoriteit op vrijwel ieder gebied. Volgens M. heeft hij uitgezaaide longkanker maar laat hij zich niet behandelen: hij ziet wel hoe het loopt, ooit zullen ze hem dood op straat vinden, tot dan toe maakt hij er het beste van.
R. wees naar het lege ooievaarsnest en vroeg of ik ze al gezien had. Ja, zei ik begrijpend, gisteren zat er een op het wiel. R. knikte en doceerde met zijn rauwe accent over het veranderende migratiegedrag van de vogels, opperde zijn vermoeden dat het jonge voorbijgangers waren geweest, niet de vaste bewoners van het park.
Vlak voor hij verder reed vroeg hij: 'Ga je nog naar de roerdomp?'

Daar schrok ik een beetje van. De Roerdomp is de naam van de kleuterschool waar ik mijn levenslange vriend Robert leerde kennen en naar verluid met Henk Poort in de zandbak heb gespeeld. Maar de weg terug daarnaartoe is er niet - Hier wird kein zweites Mal gelebt!
De verbazing moet op mijn gezicht te lezen zijn geweest want R. remde en nam de tijd voor uitleg. Er was in het park een roerdomp neergestreken, het was op het nieuws geweest. Vogelaars uit de wijde omtrek kwamen kijken, want de "rietreiger" is een zeldzame en vooral heimelijke vogel: ze zijn zo goed in camouflage dat de kans er een te zien klein is. En wat dit exemplaar hier in de stad deed was een raadsel waarover zelfs de stadsecoloog zich had gebogen. 
Ik bedankte R. voor zijn tip en liep naar het achterafpaadje aan het water dat hij me gewezen had. Inderdaad zag ik daar een samenscholing mensen m/v, gekleed in dekkende kleuren en uitgerust met camera's en kijkers.
En al snel zag ik, niet in de kenmerkende paalhouding, maar voorovergebogen over de sloot speurend naar vis, de roerdomp. Niet mijn eerste, heel lang geleden had ik er een in het voorbijgaan langs een vaart zien staan, in het riet, met de nek stijf gestrekt zoals het hoort. Zo rustig bekeken viel het me op hoe groot en lomp het dier was, op zijn dikke groene poten. Tegen de vogelaars naast me veinsde ik verbazing: 'Hé, maar... is dat... een roerdomp?' Ik kreeg een kijker in handen en we maakten een praatje. Ik bleef nog wat staan turen, groette, en ging verder.
Na een tijdje daagde het besef, dat ik al een kwartier niet aan de knobbel had gedacht. 


Illustratie: Henri Verstijnen (1882-1940)


vrijdag 12 december 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog (66)



De dinsdagmiddag was extreem lauw. Winderig ook. Een natte voorjaarswind woei in december. Maar we hadden deze middag bestemd voor aanschaf en optuiging van de kerstboom. Op straat haalden we herinneringen op aan die legendarische decemberdag in 2017 toen we in een sneeuwstorm naar de verkoper op het Roelof Hartplein liepen. Die man, een sigarenroker die met zijn overhuifde wenkbrauwen en zijn woeste snor op A. L. Snijders leek, is al een paar jaar met pensioen maar zijn kinderen zetten de handel voort. Even voorbij Wildschut kregen we argwaan. Waar waren de lichtjes, de mensen die met in netten geperste bomen over straat liepen? Een bordje bevestigde ons vermoeden: Geopend woensdag-zondag.
Teleurstelling! Mijn dochter leek zich er wel overheen te kunnen zetten en stelde met tegenzin vast dat we dan maar later in de week moesten gaan. Maar ik liet me door de omstandigheden zo gauw niet klein krijgen. Oftewel: ik voelde me slapjes en niet al te vrolijk en had me vastgeklampt aan dit jaarlijkse moment van heidendom (de ingrediënten voor warme wijn lagen al klaar, steranijs en alles). 
'We kunnen naar Davidsboom gaan,' zei ik. Ze keek bedenkelijk. Dat léék ver; maar vanaf de Apollolaan naar huis was het waarschijnlijk maar iets verder zeulen dan vanaf hier. Mijn bedenkingen waren anders. Apollolaan. Ik had deze verkoper altijd gemeden. De reuzensparren voor bedrijfspanden deden het ergste vermoeden voor de portemonnee. 
Omdat er geen keus was, wilden we geen Albert Heijnboompje kopen, betraden we het met een hek omsingelde terrein waarop Davidsboom in het seizoen heerst. Een joviale jongen met lang haar verwelkomde ons. Ik vroeg verstandig naar de prijs, hij wees op een bord. Daar stonden bedragen op, corresponderend met gekleurde lintjes aan de bomen, die lager waren dan de minimaal zestig euro die ik bij A. L. Snijders gewend was te betalen. 
We kozen een gezellige, korte, brede boom uit. De jongen keek misprijzend en zei, dat deze niet naar hun standaard was, het was geen echte Davidsboom. Zo'n boompje kon je bij de Gamma ook kopen. Dus voor 45 euro mocht hij mee. En wilden we een chocolaatje?
De boom werd ingesnoerd in zijn plastic net. 'Wat zullen we nu weer eens opzetten, Sinatra?' vroeg de collega. 'Nee, die draaien we de hele dag al,' antwoordde de jongen met het lange haar. 'Bing Crosby?' opperde ik. Nee, die hoorden ze ook al vanaf de vroege morgen. 'Wat denk je van Sinatra én Bing Crosby?' besloot ik gevat. Maar ook die plaat stond op de playlist. Ik at het chocolaatje, betreurde de Glühwein van Snijders, maar ging tevreden met mijn dochter huiswaarts, de Gammawaardige kerstboom tussen ons in. 

                                                                             *

Ik had de moed al bijna opgegeven toen ik onderaan een grijze linnen rug het welbekende bijtje zag. Ik trok het boek uit de kast, de laatste van de tweeëntwintig in de weggeefbieb in de G. t. B.-straat. Met het lichte ongeloof dat me altijd bekruipt als ik toch nog een vangst doe las ik: Het glinsterend pantser, S. Vestdijk. 
Pas op dat moment schoot me de droom weer te binnen die ik twee nachten geleden had. Ik zat met mijn vriend Robert, jeugdliefde Floor, Geerten Meijsing en George Harrison in de woonkamer van een op te leveren huis. Het huis lag in de laatste heuvels van onze stad, vlak bij de snelweg. Er lag sneeuw op de straten. Ik zei dat hier de sneeuw langer bleef liggen dan elders. Even later waren we in een antiquariaat zoals je ze ziet in het Welshe boekenstadje Hay-on-Wye: de ruimte in segmenten verdeeld door kasten zodat je door gangen van boeken loopt. We zochten ieder naar onze gading. Geerten ging zijn aankopen meteen inpakken in ouderwets grauw pakpapier om ze ter plekke te versturen naar drukker Jan Keijser. Ik had maar één boek uitgekozen, een reusachtig dik boek met een totaal onbekende titel van Simon Vestdijk. Elk boekje méér zou het bijzondere van mijn vondst bederven.

                                                                              *

Loyaliteit is een mooie maar soms lastige eigenschap die zich uitstrekt van de relaties met mensen tot de verhouding tot willekeurig welke bezigheid. Vroeger verbaasde ik me erover dat mijn vader halverwege een film kon weglopen. Dat leek me niet juist. Je was ten minste het respect aan de makers verschuldigd om hun product pas ná de laatste beelden te beoordelen. Met films verloor ik die houding al relatief snel in mijn leven. Ik kon ze vaak eenvoudigweg niet meer volgen en liet het kijken verder maar aan mijn familie over. Het daadwerkelijk uitzetten van de tv is pas van veel later.
Muziek was heilig en een lied of muziekstuk halverwege afzetten, nee, dat deed men niet. Stel je voor dat ze halverwege mijn Winterreise zouden weglopen? 'Wat ik niet wil dat mij geschiedt...' Het YouTube-tijdperk ontnam uiteindelijk dat sacrosancte aan mijn ooit dierbaarste Muze. Videootje kijken en luisteren werd een praktisch iets: tempo checken, akkoorden uitvissen, kennisnemen van andermans opvatting. Het geduld om een filmpje helemaal af te kijken heb ik al jaren niet meer. Je wordt ook zó overspoeld met prikkels, qua beeld en geluid - zelfbescherming kwam in de plaats van loyaliteit.

Literatuur bleef lang buiten spel. Een boek moest uitgelezen worden, punt. Je committeerde je aan een boek voor de duur van het lezen. Weliswaar liggen er niet uitgelezen boeken naast mijn bed, maar daar steekt een bladwijzer uit. Het is wel degelijk de bedoeling dat ik De Kapellekensbaan van Boon ooit nog ga uitlezen, evenals Fry's Mythos en nog zo wat verweesde, ooit enthousiast begonnen boeken.
Maar ook in de literatuur doet zich verandering voor. Het leven is gewoon te kort om slechte boeken te lezen. Na me een aantal avonden (en mijn bedleessessies zijn me dierbaar) geërgerd te hebben aan het melige en gedateerde geouwehoer heb ik na 200 pagina's Onder professoren van Hermans, waarom mijn vader in de jaren zeventig toch zó moest lachen, alsnog teruggezet aan de straat waar ik het had opgepikt. 


vrijdag 4 juli 2025

SNELSCHRIJVEN


Over deadline gesproken: dit is pas racen tegen de klok. Over een klein half uur komt mijn zoon deze computer ophalen. Google Drive werkt niet meer. Het wordt niet meer ondersteund door de software die draait op mijn type Mac. Zo dwingen de geldwolven bij Apple de gebruikers nieuwe apparatuur aan te schaffen. Mijn zoon heeft een list bedacht om hun strategie te omzeilen en terwijl hij die uitvoert zal hij ook de Mac opensnijden (schroefjes en boutjes hebben ze niet meer, die uit één stuk gegoten toverdozen) om een nieuwe harde schijf te installeren. Ondertussen krijg ik een laptop te leen. Maar omdat ik niet weet hoe een en ander zal verlopen tik ik dit blogje nu dus in vliegende haast. Want vrijdag moet er iets verschijnen, dat spreekt. Noem het een neurose. De dagen dat ik zomervakantie nam, anders dan tijdens buitenlandse reizen, zijn voorbij. 
De uitdaging bevalt me eigenlijk wel, merk ik. Ik stel mezelf zeer weinig literaire eisen vandaag. Er is maar één voorwaarde: dat dit af is voordat de bel gaat.
Collega-blogger en vriend De dwarse man heeft, alweer zo'n tien jaar geleden, een aantal gedichten geschreven over Turfman, een geheimzinnige afspiegeling van hemzelf die het schuurtje in zijn tuin bewoonde. De gedichten waren in principe rijmloos, maar hadden een sterk metrum. Het voornaamste vormvereiste was hun lengte: ze bestonden ieder uit exact acht regels. Het bijzondere aan de reeks, die hij op het hoogtepunt van het artistieke succes abrupt liet eindigen, wijzer dan Bob Dylan, Sinatra en Heintje Davids bij elkaar, was het ontstaan: elke woensdag om twaalf uur precies begon mijn vriend te tikken en om kwart over twaalf moest het vers klaar zijn. De gedichtencyclus heeft door die tijdsdruk iets van het ademloze van een jazz-improvisatie. 
Natuurlijk had ik kunnen anticiperen op de komst van mijn zoon en me vanmorgen in alle rust aan mijn wekelijks (vroeger tweemaal per week! Lui ben ik geworden...) blogje kunnen wijden. Maar ik had zin om naar buiten te gaan want het weer was mooi, helderblauw en niet te warm, en na die drukkende, abjecte en kwaadaardige hitte van eerder deze week was het een aantrekkelijk vooruitzicht om een eind te wandelen. Ik strekte de benen en liep naar de stad om de vrijdagse boekenmarkt op het Spui te bezoeken. Ik zocht niets bepaalds maar ik was er al een tijdje niet geweest.
Na de Leidsestraat met zijn verzameling onbegrijpelijke toeristenwinkels die uitsluitend plastic poppetjes of gekleurd snoep of slechte kaas verkopen was het een verademing de door een leven van boeken kromgebogen mannen te zien, sommigen inmiddels aardig tandeloos, een stok ter hand, een sjekkie in de mond. De ruggen van de boeken, leer, stof of papier, met de namen van schrijvers waarvan in elk geval de toeristen van de Nutella-straat nooit gehoord zullen hebben las ik op mijn gemak, mijn leesbril op het hoofd. Net als tijdens mijn vorige bezoek vond ik niets van Vestdijk, de vrijwel vergeten en door mij te laat ontdekte grootheid, - ja toch: drie prachtig uitgegeven dichtbundels. Maar voor de poëzie van Simon is het nog iets te vroeg. Als het me net zo vergaat als eerder met Simenon en Dickens zal ik, nadat ik alle romans heb gelezen, nieuwsgierig op zoek gaan naar méér. Ik zal dan spijt hebben dat ik die paar tientjes niet heb uitgetrokken om die mooie deeltjes verzen aan te schaffen; Thanatos aan banden, de titel alleen al! Wat maakt het uit dat de sectie poëzie in mijn boekenkasten overvol is (de bundels staan zo strak tegen elkaar aan geperst dat ik ze er slechts met moeite uit kan halen) - ik ben al begonnen te stapelen, dat kan best nog een tijdje zo doorgaan, tot ik de moed heb verzameld om onzinnige en nooit gelezen deeltjes weg te doen of totdat ik de enige stukken muur die nog vrij zijn met nieuwe planken heb bekleed.
De bel! Ik lees dit niet over. Hopelijk tot volgende week, lezer.


maandag 21 april 2025

MIMOSA




De namiddag is stil en grijs, vochtig. Er zingt een merel. Ik weet niets beters te doen dan wat schrijven over de afgelopen dagen. Schrijven tegen de blues die op de loer ligt. Ik vraag me af wat me ertoe gebracht heeft ons jaarlijkse paasuitje op zaterdag en zondag te plannen. Alle andere jaren gingen we Eerste Paasdag op pad, vulden Tweede met toerisme, en reisden dinsdag terug. Nu zit ik hier thuis, weer alleen, in die stille, grijze en een beetje vochtige namiddag.  

We waren allebei een beetje ziek. De thermometer wees 37.7 aan of liever gezegd 99.86, want mijn vriendin had te lang op een knopje gedrukt waardoor Celsius veranderd was in Fahrenheit. Gelukkig converteerde de telefoon probleemloos. Maar ziekig zijn in Hotel Bakker is beter dan ziekig zijn thuis, zeiden we. Het was mooi weer, we zaten op het ruime terras met uitzicht op de vijver waarin een eerste kikker plonsde en daarachter ons appartement. We zijn ons bewust van het oude-mensen-risico te veel op safe te willen spelen en proberen een balans te zoeken tussen nieuwe reisdoelen en oude favorieten. Dit jaar mochten we van onszelf in herhaling vervallen. Dus het werd Vorden, Hotel Bakker, met alles erop en eraan, vertrouwd en geliefd, hoewel er kleine verschuivingen waren: het bakkertje naar huiselijk recept waarmee ik de maaltijd afrondde was vorige keer nog vooroorlogs geprijsd geweest, onder de drie euro. Nu was het ijskoud geserveerde sinaasappelbittertje qua prijs genormaliseerd tot een kleine vier euro. Nog niet duur, maar tekenend voor de tijd: zelfs dit instituut van Gelderse gastvrijheid moet meedoen in de prijsstijging die de horeca steeds minder laagdrempelig maakt.
De kamer lokte. Ik wilde mijn roman van Vestdijk uitlezen. Dat lukte net niet. Mijn vriendin wilde een programma op tv zien maar kon de afstandsbediening nergens vinden. De volgende morgen bleek die onder het bed te liggen.

Na het weelderige ontbijt zaten we een tijdje in de grazige tuin die aan onze kamer grensde. Daarna wandelden we lang en prachtig over en rond landgoed De Wiersse. Ach, wat lagen de landerijen er sappig geel en roze bij, nooit eerder zagen we zoveel pinksterbloemen in bloei.
Lunch bij Bosloods 1873, naast Kasteel Vorden, ook een herhalingsoefening, net als de Bronckhorst Brewery in Rha. Brouwer Steve Gammage (een van zijn bieren heet Brain Gammage) herkende ons niet hoewel we er toch al vaak geweest zijn en mijn vriendin opvallend rood haar heeft.
Het Wapen van Baak had een volgende trip down Memory Lane moeten worden maar dat pakte anders uit. Nieuwe eigenaars, nieuwe uitstraling, nieuwe naam: Nostalgie, heet het restaurant nu, hoewel gelukkig "Het Wapen van Baak" niet van de gevel is verwijderd. Maar sommige veranderingen zijn ten goede. De kokende familie, aangevuurd door de negentienjarige kleindochter, net afgestudeerd aan de koksschool, verzorgde een vijf gangen Paasdiner dat superieur van kwaliteit was. Alles (behalve het pistachiopassion toetje) bereid met asperges. Oma had het tussengerecht gemaakt, de soep. Hotel Bakker kookt ook lekker, maar dat is puur professioneel, hier kwam liefde om de hoek kijken, en dat is toch net een slag beter. Bijzondere ervaring, vooral de vitello asparago met een hint van forel. Petje af, dames!

Daarna keerde het lot ons zijn andere wang, zijn mismaakte en duistere, toe. Het paasvuur in Baak begon vrolijk genoeg. Nog nagenietend van het asperge-feest warmden we ons aan de heidense vlammen. Kinderen speelden in de wei. Nog voor het donker werd gingen we weg, verlangend naar bed en boek, het was een lange dag geweest.

Wat volgde vat ik maar kort samen, ik wil dit 't liefst zo snel mogelijk vergeten.

Auto, die al raar had gerateld, startte niet. Telefoon was leeg. Teruggelopen naar het paasvuur, aan een van de vrijwilligers van de organisatie om hulp gevraagd. Kim was lief. Ze belde de ANWB voor ons. Ondertussen telefoon beetje opladen bij de bar. Ik dronk vieze wijn uit plastic om mijzelf op te laden voor wat komen ging. Terug naar de auto. Na uur of anderhalf kwam ANWB en vonniste: EINDE VERHAAL. Distributieriem kapot. Er zou een wegsleepdienst komen met een vervangende auto. Duurde ook uur, anderhalf uur. Het was begonnen te regenen. Ik ging in de wachtstand, een soort meditatieve stasis die ik van mijn katten heb afgekeken, hoofd leeg, ogen half geloken, tegemoetkomende koplampen inschattend op hulpdienstgehalte. Uiteindelijk, na middernacht, kwam Thomas. Vrolijke jongen. Mijn vriendin kreeg les in haar eerste automaat.
Half twee terug in Bakker. Twee schielijke tandenpoetsbekers pinot noir. Coma.

Volgende morgen extra veel ei met spek gegeten en me zelfs een "Mimosa" laten inschenken door de dienster. Volgend jaar maar weer iets nieuws verzinnen.




vrijdag 28 februari 2025

KWATRIJNEN


Het was een opgelucht gezelschap dat zich zaterdagavond in het Amsterdamse café Belcampo verzamelde. Het concert was uitstekend gegaan. Het Linnaeuskoor had overtuigend en gedisciplineerd gezongen, er was een talrijk en aandachtig publiek geweest, Felicity (vleugel) en Lucas (basklarinet en schalmei) hadden mooi gespeeld. Nu was de bar open. De buitendeur was op slot, dit was een besloten bijeenkomst. 
Zoals altijd bij dergelijke gelegenheden waren de gesprekken lekker speedy en open. Witte wijn smeerde de kelen en maakte de tongen los. Na een gesprek over de eigenaardigheden van het Nederlands, de eigenaardigheden van Simon Vestdijk en de gelijkzwevende temperatuur raakte ik met spreekstalmeester en penningmeester Nico aan de praat over het vervolg. Want ja, het enige nadeel van zo'n nazit is dat er stante pede vooruitgeblikt moet worden. Een oratorium-vereniging weet al weken of maanden vóór het concert wat er na de Matthäus op de lessenaar moet worden gezet (Die Jahreszeiten, het Requiem van Fauré?) - bij ons moet er ieder jaar een nieuw thema komen, waarbij passende teksten worden gezocht die door mij, dirigent en componist, op muziek worden gezet - want zo is het steeds gegaan sinds ik ooit de Linnaeus Cantate pasklaar voor dit, mijn geliefde koor, heb getoonzet. Tailor-made, customized. Ik wilde nooit meer anders en gelukkig (hopelijk) het koor ook niet. 

Jacob Israël de Haan dook op. De broer van een van Nico's favoriete schrijvers, Carry Van Bruggen. Het eerstvolgende optreden is ons jaarlijkse concert met Dodenherdenking, in de Zuiderkerk. Het repertoire daarvoor moet worden uitgezocht. Het plan rees om een selectie van De Haans kwatrijnen op muziek te zetten. 
De dag erna wandelde ik mee met onze tenor Hans. Als gepensioneerd stedenbouwkundige gidst hij regelmatig groepswandelingen door de stad. Terwijl we aanschouwelijk onderricht kregen in de Amsterdamse Art Nouveau, met zijn asymmetrische gevels en zijn sierlijke torentjes, herinnerde ik me een vorige wandeling. Door de Pijp. Hans vertelde toen over het boek Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan, en dat er tijdens de stadsvernieuwing van de jaren negentig alsnog een (dwars)straatje naar de schrijver was genoemd. Een handig straatje dat de buurtbewoners gelegenheid bood een stuk af te steken. 

Maandag las ik me in en ging ik zomaar ineens aan de slag. Inspiratie is een wonderlijk iets. Ik ben zacht gezegd niet dol op maandagen maar nu was er een drang in me om iets nieuws te gaan maken. Het eerste kwatrijntje, Onrust, stond algauw op papier.

Jacob Israël de Haan (1881-1924) kwam uit een groot Joods gezin. Zijn vader was voorzanger, chazan, in de Zaandamse synagoge. Hij doorliep de kweekschool, studeerde daarna rechten. Schreef poëzie en proza. Aanvankelijk was hij marxist en lid van de SDAP. Maar in de jaren 10 werd hij zionist. Hij emigreerde naar het toenmalige Palestina, waar hij correspondent was van het Algemeen Handelsblad. Inmiddels was hij van zionist fel anti-zionist geworden: niet om religieuze redenen (streng orthodoxe Joden waren tegen het zionisme gekant omdat er pas een Joodse staat kón en mócht komen, in hun ogen, als de Messias daadwerkelijk onder ons was), maar vanuit een geheel andere visie: hij pleitte voor een staat waarin Joden en Arabieren vreedzaam zouden kunnen samenleven. Hij zette zijn verbindende houding kracht bij door op portretfoto's te poseren in Arabisch kostuum. De orthodoxen in Jeruzalem waren niet blij met deze vrijgevochten Amsterdammer. En zoals hij de eerste was die een homo-erotische roman had gepubliceerd (het eerder genoemde Pijpelijntjes uit 1904) had hij ook de wrange eer, het eerste slachtoffer van een politieke moord in de regio te worden: op 30 juni 1924 werd hij bij terugkomst uit de synagoge met drie pistoolschoten om het leven gebracht. Niet zoals eerst gedacht de Arabieren, maar de zionistische organisatie Hagana bleek achter de moord te zitten. 

Naast Pijpelijntjes leeft De Haan vooral voort door zijn Kwatrijnen. Dat is een bundel, kort na zijn dood verschenen, van maar liefst 187 pagina's vol vierregelige gedichten. Het leest als een dagboek, gestart tijdens zijn reis, via onder meer Rome en Napels, naar Palestina. De verzen gaan vooral over zijn onrust, over het nieuwe leven daarginds, over jongens, over wijn, over heimwee, schuldgevoel, het dagelijks leven in den vreemde, over religie. Hoe wrang is het niet om, met de schrijnende beelden van het dagelijks nieuws op ons netvlies, het volgende te lezen:

Gaza

Hemel, wind en zwaluwen.
Wolken en hun schaduwen.
't Land, dat met zijn open pracht
Zoveel vrije zonen wacht.


vrijdag 7 februari 2025

Voorheen Rookzangers Notitieblog (57)

Vannacht had ik deze blog al geschreven. Plus een kortverhaal dat ik al lang in mijn hoofd had maar dat maar niet in de juiste vorm wilde schieten. Tot vannacht dus. Het enige wat ik nog weet van die woordenstromen die door mijn koortsige brein kolkten is dat ik met een gedetailleerde descriptieve precisie die deed denken aan het hoofdstuk van De ziener (Vestdijk) dat ik voor het slapengaan had gelezen, de verschillende fases van mijn slaap en halfslaap analytisch heb omschreven - een lappendeken van gedachten die buiten het normale tijdsverloop leken te vallen. Er is niets van over.
Ja toch: weinig overtreft het genot van eindelijk voelen dat je kunt slapen, gewoon, op je zij, en dan ook daadwerkelijk warm wegsuffen, als je eerst een tijd op je rug, hoofd door kussens ondersteund, hebt liggen wachten met dichtgeslibde neus en keel. Dat simpele genoegen van gewoon even dutten, gesteld tegenover de benauwdheid en het magisch realisme van de koortsdromen leek me een van de fijnste pleziertjes van de afgelopen tijd. 
Jammer is wel dat er zo weinig over is van al die openbaringen van vannacht. Dat verhaal was veelbelovend. Het speelde in de jaren zeventig, in een portiekflat in Nieuw-West, een tijd en een buurt die ik goed heb gekend. En het had een sobere toon die aan het vroege werk van Reve herinnerde, gemengd met een handvol surreële specerijen. De titel weet ik nog wel. Misschien dat ik het later, als de koorts weg is, weer kan reconstrueren. Wie weet.
Ik tik dit in ochtendjas en pyjama. Ik kan me niet heugen in ochtendjas en pyjama te hebben zitten tikken. De hele covid-periode ben ik kerngezond geweest en ook daarna was er weleens een klein ongesteldheidje, maar dat had nooit veel om het lijf. Zeker niet als je bedacht hoe er hevig aan serieuze kwalen werd geleden in mijn omgeving.
En nu is het dan toch zover.
Help, ik ben verkouden! 


vrijdag 31 januari 2025

KWANT

Hij zat een beetje onderuit in zijn stoel, handen op zijn buik, hoofd iets teruggetrokken in de nek, waardoor hij een onderkin toonde. Een echte boeddhistische houding zou je bijna zeggen, hoewel de juf juist aandringt op een rechte rug. Hij was vrijwel haarloos. Kale, witte schedel, geen wenkbrauwen. Forse, vlezige neus, een onderlip die uitstulpte als bij een pruilend kind. Om elke opmerking of gebeurtenis die buiten het strikt routineuze viel giechelde hij, een hoog nasaal gegrinnik. Ik kon niet bepalen of hij zich verveelde en een beetje melig zocht naar tamelijk willekeurige aanleidingen om te giechelen, of dat het een innerlijk ongemak was dat hij trachtte te verbloemen met deze blijk van vrolijkheid. Ik dacht toch het laatste. Zou hij wekelijks naar het zenklasje komen als hij een staat van verlichting had bereikt, van permanente verwondering en kinderlijke verrukking? Nee toch? En aan wie deed hij me toch denken, deze vreemde meneer?

Er was trammelant geweest. Drukte in mijn hoofd, en ook in mijn omgeving speelde er van alles. Volgens de astrologen kwam het door de conjunctie van maar liefst vier of vijf hemellichamen - die zou voor onrust zorgen. Voeg daarbij het stormachtige weer dat een periode van nevelige duisternis had opgevolgd en de meteopaat in mij had het moeilijk (zoals hij inmiddels door het bijna lenteachtige licht weer is opgevrolijkt).
Ik lees, terwijl ik deze 'aandoening' google om me te vergewissen van de juiste spelling, dat maar liefst 50 tot 70 procent van de Polen last heeft van stemmingswisselingen bij nadrukkelijke weersverandering. Aha! Mijn oma heette Grabijn, een vernederlandsing van Grabin. Haar oudst traceerbare voorvader moet via Friesland en Noord-Duitsland uit Polen zijn gekomen, waar verschillende plaatsen van die naam liggen. Mijn mete(re)opathie is dus een atavistische aandoening, een erfstuk!

Om soelaas te vinden liet ik 's avonds Vestdijk en andere zware kost voor wat die was en nam mijn toevlucht tot beproefde bedlectuur. Lezen kun je dat niet noemen. Het is meer brevieren. Ik lees Bommel zoals een priester kalmte in zijn gemoed brengt met flarden van de Heilige Schrift. Ik kijk vooral plaatjes en laat mijn fantasie de vrije loop, ongehinderd door de fabel (die meestal tegenvalt, vooral de doorwerking, na een veelbelovend begin) en me beperkend tot een alinea hier of daar waarin ik de betovering hoop terug te vinden die ik in mijn jeugd destilleerde uit de avonturen van Heer Ollie, Tom Poes, en al hun zwartwit getekende verhaalgenoten.  
Plotseling schoot me te binnen aan wie de giechelende Boeddha me deed denken. Aan het vreemde witte mannetje dat uit de aarde opduikt als Heer Bommel, na een indringende droom, een gat bij een mijlpaal heeft gegraven. Even later komt het kereltje voorrijden met de bus naar Goesting, een vakantieland dat elke fantasie mogelijk maakt zo lang je er maar in gelooft.
Een rare kwant inderdaad.

vrijdag 17 januari 2025

VESTDIJK


'Ik praatte door, met een flux de bouche, waarop de wrakstukken wegdreven van tegenwerpingen, lachbuien, vloeken, en ophitsende stemmen achter mijn rug.'

Beethoven heb ik pas laat leren waarderen. Naar een vanzelfsprekende reputatie hoefde je niet om te zien, dat was al genoeg gebeurd. Liever zochten we de prikkels van het obscure. Dat er iets scheefs aan was om alle opusnummers van Skrjábin uit je hoofd te kennen maar niets van Haydn te weten heb ik pas later begrepen. Ik moet vaak denken aan onze muzieklerares. Op ons verzoek behandelde ze Le boeuf sur le toit van Darius Milhaud. Ze vond het wel aardig, maar, zei ze, op haar leeftijd hield ze steeds meer van Mozart. Toen beschouwde ik dat als een blijk van seniliteit, nu begrijp ik het heel goed.

Mijn kennis van de Nederlandse literatuur begon bij Wolkers en 'de grote drie': Mulisch, Reve en Hermans, schrijvers die tot wasdom kwamen in de tijd dat ik leerde lezen. De hele periode daarvoor sloeg ik over (Du Perron en Ter Braak waren slechts namen uit een lesboekje) en pas bij Nescio en Couperus was ik weer thuis. Zo kwam het dat ik Simon Vestdijk heb gemist. Die reputatie was net als die van Beethoven zo alles overschaduwend dat ik een geeuw niet kon onderdrukken. Later besefte ik de lacune in mijn opvoeding wel en als ik eens een boek van Vestdijk tegenkwam sloeg ik het nieuwsgierig open. De eerste bladzijden die ik op die vluchtige manier las bevestigden mijn vooroordeel. Ik had begrepen dat Vestdijk een veelschrijver was, een bijkans manische auteur die, als hij een boek voltooid had en het nog geen bedtijd was, gewoon aan een nieuwe roman begon. Zo troffen die eerste zinnen me ook: in medias res, met de deur in huis. Geen iconische, op zichzelf staande literatuur, maar een vrij willekeurig onderdeel van een oeverloos oeuvre. 

Onlangs lag er weer eens een boek van hem in het weggeefkastje in mijn straat. Ik nam het mee en begon in een luwte tussen twee andere boeken erin te lezen. En verdomd, daar raakte ik toch geboeid. Wat ik hier in handen had (De dokter en het lichte meisje) was bepaald geen Beethoven. Het was een vreemd, wild boek. Een bij vlagen gezellig uitdagend doktersromannetje met complexe monologue intérieur, onbegrijpelijke, op associatie drijvende passages, over elkaar heen buitelende, bijna hallucinante beelden, smoezelige en bepaald niet woke erotiek, oneliners van aforistische kwaliteit, in een stijl waarin alles kon en mocht: Dickensiaanse gelede zinnen, jargon en spreektaal, vlotte dialoog, hortende weglatingen (...) à la Simenon, lyrische beschrijvingen en buikige humor. Ik snapte lang niet alles, leerde nieuwe woorden (buspatienten, zachts) en na ruim honderd bladzijden was er nog steeds geen lijn of plot in te ontdekken, anekdote reeg zich aan anekdote, handig aan elkaar geluld. Had ik hier soms te maken met zowel een (nog steeds) moderne roman als met een voorloper van het postmodernisme?

Ik herinnerde me hoe het destijds met Mulisch gegaan was, met Conan Doyle en met Dickens. Als de lust me overviel om van deze nieuwe ontdekking meer te lezen, kon ik nog wel even voort. De rest van mijn leven misschien wel, want Vestijk was, als gezegd, met alleen al 52 romans, een veelschrijver.
Het was me inmiddels duidelijk geworden dat ik dit merkwaardige boek ging uitlezen en ik besloot een bezoek te brengen aan het grootste weggeefkastje van de stad. In de ...-straat bevindt zich, achter een poort en in een tunneltje dat leidt naar de binnentuinen, een ware bibliotheek van maar liefst twintig boekenkasten. Het is een buurt waar veel leraren wonen en dat is te zien aan de boeken, weinig pulp, veel literatuur. Dit keer ging ik met een bepaald doel en vlooide ik de twintig kasten systematisch door. Ik zag veel dat mijn begeerte wekte maar ik dacht aan de voor driekwart volle vuilniszak die thuis in mijn gang staat: sinds ik een pakje jeugdfoto's kwijt ben doorzoek ik mijn huis grondig en alles wat me treft als écht overbodig belandt in die vuilniszak; en mijn boekenkasten puilen sowieso uit. Zo versmaadde ik zelfs een mooie, in smetteloos linnen gebonden, vuistdikke uitgave van Ulysses in de vertaling van Paul Claes en Mon Nys.
Maar van Vestdijk geen spoor! Wat je zoekt vind je niet. De wet van de kringloopwinkel. 
Was Vestdijk zo geliefd dat niemand zijn boeken wegdeed? Was er vóór mij een verzamelaar geweest die de kasten had afgeroomd? 
Teleurgesteld ging ik naar huis met een troostrijke eerste druk, harde kaft, van Reve's Tien vrolijke verhalen en twee boekjes van Jack Vance, voor mijn broer. Van James Joyce had ik nu al spijt.


vrijdag 11 oktober 2024

BOEKEN


Ik kreeg het eerste exemplaar van mijn jongste boekje in handen op dezelfde morgen dat de boekerij van drukker Boris Rousseeuw onder de hamer ging. Dat was even onvoorzien als symbolisch. Als het sierkabinetje met zijn eigen uitgaven deel van de veiling uitmaakte, waren daar ook titels van mij bij. De afgelopen vier jaar realiseerden Boris en ik vier deeltjes vertaalde poëzie. Heine, Aragon, Eichendorff, Hesse. Het vijfde deel, de Liederen van de gestorven kinderen van Friedrich Rückert, lag al klaar om gezet te worden. Maar eer Boris de loden letters kon selecteren stierf hij, vierenzestig jaar oud.

Ik vond Jaap Schipper, eigenaar van de Statenhofpers in Den Haag, bereid om de verweesde tekst alsnog te publiceren. Hij maakte er met zijn medewerkers een prachtig boekje van. Een delicaat, met de hand ingenaaid schriftje, dundruk, prachtig vormgegeven. Onderdeel van wat hij de Salden Cahiers noemt. Dat is een reeks boekjes van maximaal 55 pagina's waarvan het omslag gebruikmaakt van een markant lettertype, ontworpen door Helmut Salden (1910-1996). We kennen het vooral van de Russische Bibliotheek van Van Oorschot.
In Bodega de Posthoorn aan de Lange Voorhout vertelde Jaap dat hij het eerste deeltje had gezien als een hommage aan die beroemde Van Oorschot-uitgaven. Het bevatte immers verhalen en poëzie van Ivan Boenin, wiens verzamelde werk verscheen in de Russische Bibliotheek. Een knipoog naar het grote uitgevershuis - maar bij Van Oorschot waren ze not amused. Toch had Jaap het font keurig gekocht terwijl de Amsterdamse collega's het hadden laten natekenen. Het werd allemaal in der minne geschikt, en de inmiddels tot veertien deeltjes uitgegroeide reeks cahiers omvat nu ook de nooit eerder vertaalde gedichten van Friedrich Rückert.
Na een aangenaam uur rekende Jaap onze koffies af. Onder de herfstige bomen was een kleine boekenmarkt in bedrijf. Jaap moest eigenlijk werken maar kon de verleiding niet weerstaan nog even in de boeken te neuzen. Ik had een mooie uitgave van Een zwerver verliefd op de kop getikt voor een armzalige twee-euro-vijftig. Jaap en ik bleken een liefde voor Van Schendel te delen. In Vestdijk, een andere liefde van hem, beloofde ik me nog eens te zullen verdiepen, die heeft tot nog toe behendig aan mijn aandacht weten te ontsnappen.
Bij het afrekenen zag ik een Frans deeltje Maigret. Ik sloeg het open en het was verkocht. 'Quand Maigret arriva à Delfzijl'... wat een openingszin! 

Mijn vriendin en ik wilden er een dagje Den Haag van maken, een stad die ik veel te weinig ken. Het Mauritshuis lag om de hoek. Jaaps lievelingsschilderij hing er, het Stilleven met bosaardbeien van Adriaen Coorte.
Ik moet er ooit geweest zijn - ik herinner me de verrassing waarmee ik Het aardse paradijs met de zondeval zag, coproductie van Peter Paul Rubens en Jan Brueghel de Oudere, dat ik zo goed kende als kleine reproductie in mijn vaders studeerkamer. Blijkbaar was ik destijds nog niet zo geïnteresseerd in de Gouden Eeuw want verder herinner ik me weinig tot niets van dat bezoek. Voor Vermeer was ik tamelijk onverschillig, dat was voor de massa. Het Puttertje van Fabritius viel me tegen.
Nu is dat allemaal anders. Ik werd totaal overrompeld door die rijke, o zo rijke maar overzichtelijke collectie. Het Rijks? Laat me niet lachen. Als je van de zeventiende eeuw houdt moet je in het Mauritshuis zijn. Ik zou daar een apart blog aan moeten wijden. Voor nu moet u maar van me aannemen dat we er enige mooie uren doorbrachten. Als de ogen moe werden van al die pracht konden ze even rusten op de Hofvijver en het Torentje. 
We aten en dronken in de Haagsche Bierkluis.
Op de terugweg regende het. In mijn dashboardkastje lagen maar twee cd's. Het was Rachmaninovs Eerste Symfonie of een plaatje van mezelf. Achteraf zie ik het als een hommage aan Van Oorschot en de letters van Salden dat ik koos voor Rachmaninov. 


 Meer informatie volgt zodra de website van de Statenhofpers is bijgewerkt.

vrijdag 1 mei 2020

SCHATPLICHTIG

Ik zag een macaber nieuwsbericht over New York en vroeg me af (misschien omdat ik zijn portret net in de VPRO-Gids had zien staan) of Arnon Grunberg daar nog altijd woonde. Ik googelde hem en het eerste wat ik tegenkwam was een tweet met daarin de volgende woordengroep: "manuscript in een kliniek gevonden".

Ik schrok. Eerst nog met de woeste, plezierige schrik om de onwaarschijnlijkheid, dat het over mijn novelle Bankjeszomer ging. Daarvan is manuscript in een kliniek gevonden de ondertitel. Heel kort maar was die schrik, want in dezelfde zin al werd auteur W. F. Hermans genoemd. Toen volgde een grotere en blijvender schrik. Er blijkt een verhaal van die naam in zijn bundel Paranoia te staan. Een gewetensonderzoek was het gevolg. Kende ik dat verhaal, of althans de titel ervan, toen ik voor die ondertitel bij mijn novelle koos? Had ik bewust of onbewust plagiaat gepleegd?

Bij mijn beste weten had ik Poe geparafraseerd, MS. Found in a Bottle was mijn voorbeeld geweest. Eerst had ik mijn novelle Typoscript in een kliniek gevonden genoemd. Maar omdat de tekst in kwestie blijkens het verhaal genoteerd was in diverse schriftjes en aantekenboekjes had ik typoscript bij nader inzien vervangen door manuscript.
Ik weet nog dat ik geaarzeld heb. Was dat eigenlijk wel Nederlands, die rare woordvolgorde? Maar het deed me desondanks heel vertrouwd aan. Natuurlijk, dacht ik toen: mijn eerste kennismaking met Poe was de populaire vertaling van Simon Vestdijk geweest: Fantastische vertellingen, in die harde kartonnen kaft met de kleur van in thee gedrenkt papier, met steenrood als steunkleur, die bij ons thuis in de boekenkast stond, zoals hij in zovele ouderlijke boekenkasten stond in die tijd. En Vestdijk noemde het verhaal Manuscript, in een fles gevonden. Met komma, dat wel.

Natuurlijk, dacht ik nu, tobbend in bed, De merel in de tuin van Simenon geopend maar ongelezen op mijn borst: ik moet, op school of anderszins, de titel van Hermans ooit onder ogen hebben gehad, dat kan haast niet anders. Ik suste mijn geweten op drie manieren:
1. Hermans parafraseerde Poe, net als ik. Dus van plagiaat is niet echt sprake, we putten beiden uit dezelfde bron.
2. Je kunt de titel als generiek opvatten: er zijn meer manuscripten in een kliniek gevonden, blijkbaar. Een heel genre kan er nog uit groeien!
3. Als ik ooit nog beroemd word, en er een herdruk komt van het in kleine oplage verschenen en inmiddels uitverkochte boekje, voeg ik die komma toe, om mijn schatplichtigheid aan Poe te benadrukken, en die aan Hermans af te zwakken.

Ik heb zelf nog een stuk of wat exemplaren van Bankjeszomer in huis. In deze moeilijke tijden is elk beetje extra geld welkom, dus ik bied ze te koop aan - voor 20 euro, inclusief verzendkosten. Wie geïnteresseerd is kan me een berichtje sturen.






dinsdag 1 april 2014

CAFFETTIERA

‘Ik ben nu bijna zestig en ik heb het al zo vaak zien gebeuren, dat ik er blindelings op vertrouw,’ schrijft lezer Hans Valk in reactie op mijn vorige stukje. Ik wou dat ik dat kon zeggen. Om uw geheugen op te frissen: het ging over de zenuwen voor enge dingen in de toekomst, over de stress die nog te leveren prestaties met zich meebrengen. Mijn hoofd weet dat het allemaal hoogstwaarschijnlijk wel goed komt, zelfs mijn hart weet het. Maar een diepere laag waar ik geen vat op heb is een andere mening toegedaan en schreeuwt die er ongegeneerd uit. Tegen het kabaal van dat reptielenbrein is geen kruid gewassen – het angstige hagedisje diep binnenin me laat zich een beetje drogeren met valeriaan of als het te hard gilt met chlorazepinezuur, en wil ook wel in slaap gesust worden met een stief kwartiertje mediteren. Maar helemaal rustig krijg ik het nooit en op ongelegen momenten slaat het fel met zijn staart. Eerst zien dan geloven, is de hardnekkige opinie van de wantrouwige kern van mijn hersenen, en tegenover dat wantrouwen staan al die dikke en bezadigde schillen eromheen machteloos. Hun wijsheid blijkt nauwelijks een buffer als Amygdala, zoals de naam van het beestje luidt, het op zijn heupen krijgt.
Vanavond is de eerste van de enge dingen in de toekomst. Amygdala houdt zich vooralsnog wonderlijk gedeisd, maar de innerlijke rust voor een blog met kop en staart heb ik toch niet vandaag. Eerst de toekomst maar eens in verleden omgezet zien te krijgen.
Daarom vandaag een stukje van een week geleden. Toen moest het wijken voor het ooggetuigenverslag van het bezoek van Obama.

***************************************************************************************

Een stinkende walm kwam uit de keuken. Ik haastte me naar het fornuis maar was te laat. De rubberen onderdelen van mijn caffettiera waren gesmolten en het aluminium zwartgeblakerd. Het overkomt me eens in de paar jaar dat ik het apparaatje leeg op een brandende pit terugzet en het met pijn in het hart moet vervangen.
Het was schraal weer. Onderweg naar Duikelman kwam ik langs het antiquariaat. Tweedehandsboekwinkeltjes zijn een perfecte graadmeter voor mijn stemming. Soms vind ik het goudmijnen, schatkamers vol verstofte kleinodiën die al die jaren hebben liggen wachten om door mij opgepoetst te worden. Op andere dagen maken al die bandjes me ongelukkig. Hele levens liggen daar versmeten en vergooid. Geen betere illustratie van de vergankelijkheid van alle roem dan een oud deeltje Vestdijk in een bak van alles één euro. Een klinkende naam, vereeuwigd in de annalen van de literatuurgeschiedenis, maar wie leest hem nog? Vandaag was ik in zo’n bui. Lusteloos en treurig bekeek ik de ruggen. Prachtige boeken waren erbij voor wie ze zocht maar ik zag alleen oud papier en woorden die net zo goed in water geschreven hadden kunnen worden.
In Duikelman zocht ik precies dezelfde cafetière uit als altijd. Een éénkops Moka Express van Bialetti. Iets beters is er niet.
De zon brak door. De terugweg duurde net lang genoeg om mijn cultuurpessimisme, dat me overvallen had als een venijnige hagelbui, wat bij te doen draaien. Al die mensen die zich zo druk maken om een boek of een schilderij of een muziekstuk op de wereld te zetten - wat geeft het of het blijft of niet? Ze hebben zich met hart en ziel gewijd aan dat waar ze het best in zijn: het maken van mooie dingen. Dat is in zichzelf al een levensvervulling. Of er een straat naar ze genoemd wordt later is een heel andere kwestie. Zij zelf hebben daar bovendien geen plezier meer van. Een kunstenaar moet iets maken, bedacht ik, zo goed als hij kan; wat de wereld ermee doet valt buiten zijn verantwoordelijkheid. De waardering van anderen mag niet het doel zijn van zijn inspanning.
Thuis pakte ik mijn nieuwe espressopotje uit en las volkomen overbodig de gebruiksaanwijzing. Eerst in het Italiaans, toen in het Engels en in het Frans. Bij het Japans haakte ik af. Ik spoelde het om, vulde het en zette het op een laag vuur. Het glimmende aluminium toverde een heerlijk zwart brouwsel tevoorschijn dat me voor de duur van een paar minuten verzoende met de vergankelijkheid. Dat dit potje over een tijd dezelfde weg zou gaan als zijn voorganger deed niets af aan het genot dat ik er nu van had.


zondag 19 september 2010

LIGEIA

Ik lag ziek in bed. 'Wil je een glaasje sinaasappelsap?' vroeg mijn vriendin lief. 'Nee,' knorde ik. 'Wil je een aspirientje dan?' 'Hhrmpff.' 'Wat wil je dan, kan ik iets voor je doen?' Een blitslichtje. 'Ja, je mag me voorlezen.' Zo vlijde ik me even later tegen haar rug aan en sloot vredig de ogen terwijl zij een van mijn lievelingsverhalen voorlas. Ligeia, van Poe. Helaas in de vertaling van Vestdijk, want het Engelse origineel had ik hier niet bij de hand, in de polder. Het woei stevig en het regende, en Poe's woorden klonken, ook in de Vestdijkversie, bedwelmend. Maar gaandeweg begonnen me een paar vreemde zaken op te vallen. Waarom had ik vroeger, als jongen, nooit gemerkt dat Edgar zo'n enorm hysterische aansteller was? Mijn God, wat een onzin kraamt hij er soms uit! En die Ligeia, die vrouw, waarop we vroeger allemaal verliefd waren, die heeft geen vlees en bloed, die komt totaal niet uit de verf. Wat leren we eigenlijk over haar? Goed, ze heeft een diepe, welluidende stem, donkere ogen, een heerlijke mond, een enorme belezenheid, zeker, - maar verder? Ze blijft ondanks de vele bladzijden die Poe nodig heeft om haar volmaaktheid te beschrijven een schim, een naam, een mooie naam, dat wel. Afgeleid van het Griekse ligus (vrouwelijk ligeia) dat meen ik 'helder klinkend' betekent. Poe kruidde zijn verhalen graag met wat eruditie, al is die lang niet altijd betrouwbaar en vaak gebaseerd op briljante bluf. Charlatanerie was hem niet vreemd, die dronken fantast. Wat maakt dat deze Ligeia voor ons jonge gymnasiasten een icoon was? Precies dat, schoot me de volgende morgen te binnen, nog in halfslaap de voorleessessie overpeinzend. Een icoon. Dat ze dat was. Een leeg plaatje dat we in mochten kleuren naar eigen inzicht. Waarop we onze heethoofdige fantasie mochten loslaten. Ieder maakten we, meegesleept door de kolkende woordenstroom van Poe onze eigen Ligeia. Op mijn leeftijd heb ik niet zo'n aanleg meer om op andermans stroom, vurig bruisend of niet, mee te varen. Het is een tijd van pane e vino, deze late levensfase (de lonesome latter years, in Poe's woorden), niet van ideaalbeelden, hoe prachtig ook. Daar kan die goede Poe niks aan doen.