Posts tonen met het label Charles Dickens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Charles Dickens. Alle posts tonen

vrijdag 17 januari 2025

VESTDIJK


'Ik praatte door, met een flux de bouche, waarop de wrakstukken wegdreven van tegenwerpingen, lachbuien, vloeken, en ophitsende stemmen achter mijn rug.'

Beethoven heb ik pas laat leren waarderen. Naar een vanzelfsprekende reputatie hoefde je niet om te zien, dat was al genoeg gebeurd. Liever zochten we de prikkels van het obscure. Dat er iets scheefs aan was om alle opusnummers van Skrjábin uit je hoofd te kennen maar niets van Haydn te weten heb ik pas later begrepen. Ik moet vaak denken aan onze muzieklerares. Op ons verzoek behandelde ze Le boeuf sur le toit van Darius Milhaud. Ze vond het wel aardig, maar, zei ze, op haar leeftijd hield ze steeds meer van Mozart. Toen beschouwde ik dat als een blijk van seniliteit, nu begrijp ik het heel goed.

Mijn kennis van de Nederlandse literatuur begon bij Wolkers en 'de grote drie': Mulisch, Reve en Hermans, schrijvers die tot wasdom kwamen in de tijd dat ik leerde lezen. De hele periode daarvoor sloeg ik over (Du Perron en Ter Braak waren slechts namen uit een lesboekje) en pas bij Nescio en Couperus was ik weer thuis. Zo kwam het dat ik Simon Vestdijk heb gemist. Die reputatie was net als die van Beethoven zo alles overschaduwend dat ik een geeuw niet kon onderdrukken. Later besefte ik de lacune in mijn opvoeding wel en als ik eens een boek van Vestdijk tegenkwam sloeg ik het nieuwsgierig open. De eerste bladzijden die ik op die vluchtige manier las bevestigden mijn vooroordeel. Ik had begrepen dat Vestdijk een veelschrijver was, een bijkans manische auteur die, als hij een boek voltooid had en het nog geen bedtijd was, gewoon aan een nieuwe roman begon. Zo troffen die eerste zinnen me ook: in medias res, met de deur in huis. Geen iconische, op zichzelf staande literatuur, maar een vrij willekeurig onderdeel van een oeverloos oeuvre. 

Onlangs lag er weer eens een boek van hem in het weggeefkastje in mijn straat. Ik nam het mee en begon in een luwte tussen twee andere boeken erin te lezen. En verdomd, daar raakte ik toch geboeid. Wat ik hier in handen had (De dokter en het lichte meisje) was bepaald geen Beethoven. Het was een vreemd, wild boek. Een bij vlagen gezellig uitdagend doktersromannetje met complexe monologue intérieur, onbegrijpelijke, op associatie drijvende passages, over elkaar heen buitelende, bijna hallucinante beelden, smoezelige en bepaald niet woke erotiek, oneliners van aforistische kwaliteit, in een stijl waarin alles kon en mocht: Dickensiaanse gelede zinnen, jargon en spreektaal, vlotte dialoog, hortende weglatingen (...) à la Simenon, lyrische beschrijvingen en buikige humor. Ik snapte lang niet alles, leerde nieuwe woorden (buspatienten, zachts) en na ruim honderd bladzijden was er nog steeds geen lijn of plot in te ontdekken, anekdote reeg zich aan anekdote, handig aan elkaar geluld. Had ik hier soms te maken met zowel een (nog steeds) moderne roman als met een voorloper van het postmodernisme?

Ik herinnerde me hoe het destijds met Mulisch gegaan was, met Conan Doyle en met Dickens. Als de lust me overviel om van deze nieuwe ontdekking meer te lezen, kon ik nog wel even voort. De rest van mijn leven misschien wel, want Vestijk was, als gezegd, met alleen al 52 romans, een veelschrijver.
Het was me inmiddels duidelijk geworden dat ik dit merkwaardige boek ging uitlezen en ik besloot een bezoek te brengen aan het grootste weggeefkastje van de stad. In de ...-straat bevindt zich, achter een poort en in een tunneltje dat leidt naar de binnentuinen, een ware bibliotheek van maar liefst twintig boekenkasten. Het is een buurt waar veel leraren wonen en dat is te zien aan de boeken, weinig pulp, veel literatuur. Dit keer ging ik met een bepaald doel en vlooide ik de twintig kasten systematisch door. Ik zag veel dat mijn begeerte wekte maar ik dacht aan de voor driekwart volle vuilniszak die thuis in mijn gang staat: sinds ik een pakje jeugdfoto's kwijt ben doorzoek ik mijn huis grondig en alles wat me treft als écht overbodig belandt in die vuilniszak; en mijn boekenkasten puilen sowieso uit. Zo versmaadde ik zelfs een mooie, in smetteloos linnen gebonden, vuistdikke uitgave van Ulysses in de vertaling van Paul Claes en Mon Nys.
Maar van Vestdijk geen spoor! Wat je zoekt vind je niet. De wet van de kringloopwinkel. 
Was Vestdijk zo geliefd dat niemand zijn boeken wegdeed? Was er vóór mij een verzamelaar geweest die de kasten had afgeroomd? 
Teleurgesteld ging ik naar huis met een troostrijke eerste druk, harde kaft, van Reve's Tien vrolijke verhalen en twee boekjes van Jack Vance, voor mijn broer. Van James Joyce had ik nu al spijt.


vrijdag 1 december 2023

Depressie, daadkracht en draperieën


Het was niet zozeer dat ik een writer's block had, of liever gezegd een blog-block, zoals mijn zuster dat noemt. Ik kon best woorden op het scherm tikken, zelfs in goede volgorde en in redelijke samenhang. Altijd nog beter dan AI dat doet, zo lang als dat duurt. Nee, het was eerder dat wat ik te tikken had me behalve zinloos ook nog eens onnodig somber leek. Niemand zat erop te wachten, de eventuele lezer niet en ikzelf nog het minst. Wrijf het niet in, laat het maar voorbijgaan!

Mijn slechte stemming was een combinatie van factoren die wel te achterhalen was maar daarmee nog niet verdween. De aanhoudende grauwe en zeiknatte herfst die een floers over alles legde, het aanhoudende bouwlawaai onder en naast me dat geconcentreerd werken of spelen op de luit onmogelijk maakte en mijn zenuwen gevaarlijk strak trok, de dood van een moederlijke vriendin die me meer raakte dan ik had verwacht, dat alles op een fond van weltschmerz en permanente gedachten aan de eindigheid van alles en de sterfelijkheid van mijzelf en mijn dierbare leeftijdsgenoten in het bijzonder dat zich stiekem op de bodem van mijn geest heeft neergelaten sinds de AOW mijn deel werd en ik daarmee mezelf officieel Ouwe Lul mocht noemen - ziedaar de redenen, voor zover ik ze kan analyseren en voor zover ze niet onderdeel vormen van een endogene dysthymie, van mijn depressie.
[Dat was een behoorlijk opgerekte en toch coherente volzin; Dickens draaide er zijn hand niet voor om, Reve ook niet, maar de Kunstmatige Intelligentie moet ik het nog zien doen.]
Hoe dan ook, lieve lezers, ik ben er weer, terug achter het toetsenbord, zoals jullie zien. De redenen daarvoor zal ik minder pompeus en wijdlopig noteren. 

Zondag hebben we een optreden met het koor. Mijn 'kleine' Tolkien Cantate The Road gaat in reprise, na 9 jaar. Het repeteren daarvoor, met het koor, met Lucas op zijn grote en kleine rieten, deed goed. Verbinding, heette dat in de terminologie van de Kliniek. Met mensen samenwerken. 
Het weer is van miezerig en drabbig naar glashelder en brisk-koud omslagen. Toen ik vanochtend naar pianist Vaughan reed en daar, omdat ik vroeg was, nog even door het Rembrandt Park wandelde, wreef ik me in de handen. Van de kou, maar ook omdat ik zin had om met hem de muziek door te spelen en door te praten. 
De werkzaamheden onder me worden rustiger nu het einde nadert. Stuken is minder opdringerig dan frezen en aan de non-stop roepende en lachende Bulgaren begin ik te wennen. 
De dood van mijn oude muze begint zijn plek te krijgen in mijn hoofd. Ze was op en het moest eens gebeuren.
Na tijden van onthouding ben ik weer begonnen met de dagelijkse inname van Valdispert Stemming (werkzame stof rhodiola rosea: rozewortel). Dat werkt. Ik merk het aan mijn dromen, die scherp en levendig zijn, soms op het onaangename af.

Ik merkte het ook vanmiddag, in het halfuur voor ik aan dit blog begon. Ik had bedacht dat ik, in het kader van duurzaamheid en isolatie, de blote ramen in mijn studeerkamer (mijn "cockpit") maar eens moest bekleden met een gordijn. Ik had er nog een liggen van dikke, luxe stof dat nu als omtrek van een oude leren fauteuil dienstdeed. Er liep nog een gordijnroede langs het plafond - waarom had ik dat nooit eerder gezien?
Normaal zou ik bij voorbaat moe geworden zijn bij de gedachte aan wat ik allemaal moest doen om zo'n plan te realiseren, en hebben gewacht tot de aanvechting voorbijging. Maar nu keek ik op de klok: nog een halfuur voor ik een bier ging inschenken, dat moest genoeg zijn. Ik trok het weelderige gordijn van de slaapkamerstoel, haalde mijn bureau leeg, schoof het meubelstuk opzij, sleepte de trapleer van het balkon, klom daarop, gordijn in handen, mijn rechtervoet steun zoekend op de radiator, en haakte de haakjes in de lopertjes.
Het resultaat was bevredigend. Ik had de draperie eigenlijk van stofnesten moeten ontdoen en hem moeten strijken, maar de praktijk leert dat je moet profiteren van een bui van plotselinge daadkracht als die zich aandoet.
De stof zou nog wel uithangen en het andere stof zou door open en dicht trekken wel verwaaien. 



woensdag 25 oktober 2023

BOON


'Het schijnt dat het, in deze vallende zondagavond, kermis is aan de 1e vuile huizen achter het niemandsbos. En de motregen die tegen de goesting langs uw venster zabbert, moet dan eveneens tegen de goesting de tentzeilen van de paardemolen en het schietkraam nat maken. Een avond dus waarin de wereld aan het nadenken is of zij nog moeite zou doen om verder te draaien.'

Ik was het experimentele proza van mijn jeugd vergeten of dacht dat die kunstvorm hopeloos achterhaald was door de tijd. Maar toen ik langs het weggeefkastje in mijn straat liep en daar De Kapellekesbaan van Louis Paul Boon zag staan sloeg ik het boek uit nieuwsgierigheid open. Boon is een grootheid in Vlaanderen, niet alleen daar trouwens. Het schijnt dat hij de Nobelprijs gekregen zou hebben, ware het niet dat hij de dag voordat hij naar Zweden zou afreizen achter zijn schrijftafel stierf. Boon is een grootheid, maar om de een of andere reden had ik nooit iets van hem gelezen, terwijl ik toch een zwak heb voor de twintigste-eeuwse literatuur van de zuiderburen, Claus niet meegerekend. Ik las de eerste bladzijde en een paar fragmenten van het vervolg, moest denken aan H. H. ter Balkts enige roman Zwijg en ook een beetje aan Mulisch voordat hij 'gewone' boeken ging schrijven en vermoedde dat Boon een grotere invloed moet hebben gehad op de literatuur van de jaren zestig en zeventig dan ik had gedacht. 

Thuis ging ik zitten in mijn fauteuil (vooral gebruikt voor televisiekijken, veel minder voor lezen, dat ik vooral in bed doe) en voor ik het wist had ik een bladzij of vijftien gelezen. Daarbij hielp het geweldig dat het boek bestaat uit heel korte hoofdstukjes. Je leest er een en denkt, vooruit, nog eentje dan, zoals je een pak koekjes leegeet. Maar ik merkte ook dat ik eraan toe was. Traditionele romans, met plot, solide opbouw en klassieke verteltrant vervelen me een beetje. Dickens, wiens laatste roman (na Little Dorritt heb ik ze allemaal gelezen) op mijn nachtkastje ligt boeit me vooral door de sfeer, de taal, de schildering van tijdgeest en personages, in het verhaal ben ik de draad regelmatig kwijt. Bij Dickens red ik nooit zomaar vijftien bladzijden ineens. Dickens heeft lange hoofdstukken, meestal zonder alinea's; als een passage me niet weet te boeien geef ik de moed vaak al snel op en knip het bedlampje uit.

Vanmorgen sloeg ik bij de eerste koffie het boek van Boon weer open. Maar de regen zabberde langs de ramen, de wereld was aan het nadenken of zij nog moeite zou doen om verder te draaien. Ik was moe en tegelijk onrustig. Voor ik me aan leesgenot mocht overgeven, vond ik, moest ik eerst een paar nuttige dingen doen. Mijn vriendin had geklaagd over het rode hoeslaken, dat te klein was en steeds loskwam. Een goedkoop ding, voor vijf euro gekocht op de markt in Le Tréport, een aantal jaar terug. Ik haalde het van mijn bed, gooide het in de wasmand, zette bij nader inzien meteen maar de wasmachine aan, want ik had te weinig presentabels meer om aan te trekken, speurde in de kast en vond zowaar meteen een degelijk, sober grijsblauw hoeslaken. Toen moest ook het dekbed in een schone hoes worden gestoken. Mijn vriendin zou verrast zijn. Ik haalde er een uit de kast, blauwwit gestreept, tweepersoons. Die om het dekbed krijgen was nog een hele kunst, maar toen ik met veel zwaaien en zwabberen de inhoud zover had weten te krijgen in de hoes te passen voelde ik een merkwaardige, kortstondige tevredenheid, bijna een huiselijk geluk. 
Nu mocht ik in mijn leunstoel gaan zitten snoepen van Boons korte hoofdstukjes, maar in plaats daarvan ben ik tot mijn verbazing en ondanks het herfsttij en de kwijlende regen, dit aan het tikken.


vrijdag 8 september 2023

HERSTART

Na afloop van de vakantie had ik ernstige startproblemen. Van het soort waarbij de ANWB (die me in Frankrijk nog zo goed had geholpen) machteloos staat. Een opfriscursus soberheid leverde niet veel op, qua animo. Ik maakte me stiekem een beetje zorgen. Zou ik mijn normale energie nog terugkrijgen, of moest ik de herfst (en in uitbreiding daarvan, de herfst van mijn leven) ingaan met deze ennui, dit gebrek aan motivatie, deze matte somberheid? Zelfs de dingen die ik zuiver voor mijn plezier doe, lezen, wandelen en Renaissancemuziek spelen, voelden aan als dwangmatig verrichte bezigheden. Meestal brengt, in zo'n dal na de zomerpiek, het koudere weer en de terugkeer naar de discipline van wekelijkse koorrepetities soelaas, maar nu zette ook nog eens een smoorhete nazomer in, een verstikkende, verpletterende hittekoepel waarvan de meteorologen schande spraken. 

Ik schrijf dit niet om te klagen. Integendeel: om iets wonderlijks vast te stellen, dat iedereen die dit leest en ook mijzelf, bij latere herlezing, een hart onder de riem moet steken.
Gisteren had ik stevig geoefend met mijn zoon voor een optreden dat we morgen hebben. Dat was fijn. Praten, koffiedrinken, lekker werken, alle tobberige sloomheid vergeten, opgaan in de muziek. Toen hij vertrokken was en ik alleen achterbleef (dochter past op katten van andere dochter) zakte ik terug. Zie je wel, dacht ik, 't is niks gedaan. En het wordt niks meer ook. Laat ook maar. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij... (Jacques Bloem, de onsterfelijke alcoholische dichter van het rijmende spleen troost me altijd in zo'n bui). Ik kookte berustend een pasta met herfstige zwammen, keek wat tv, zat nog een beetje buiten op het balkon naar het zoele duister te turen en ging nadat ik een halfuur had gelezen en het lichtje had uitgeknipt opgelucht slapen. Als dat tenminste zou lukken; het was te warm, veel te warm. Zelfs het enkele laken plakte aan mijn lijf. 

Vanmorgen stond ik op en stelde vast dat ik diep geslapen had en vlak na de slotzinnen van het hoofdstukje Little Dorrit in slaap moest zijn gevallen. Hier ga ik om het contrast dramatischer te maken in de hij-vorm over.
Voorheen Rookzanger gaf de katten hun brokjes, douchte, kleedde zich luchtig en opende een nieuw pak koffie. De geur was overweldigend. Op het balkon, nippend van de mok espresso, stelde hij vast dat de dag weliswaar te heet was, nu al, maar dat de omstandigheden (september, egaal blauwe lucht, gouden licht, windstil) ideaal waren. Hij mediteerde een kwartiertje op de mantra "zuivere leegte" en ging overeenkomstig zijn voornemen naar de kapper. Daar werd hij geholpen door een mediterrane jongen (misschien Grieks?) met een toren van zwarte krullen, die zijn hoofd monsterde, kordaat knikte en vaststelde: 'makkelijk'. Hij hield van wit haar en het zat zo precies goed, zei hij na de snelle knipbeurt. Voorheen Rookzanger keek in de spiegel en was het met de barbier eens. 
De Albert Cuypmarkt was zo vroeg in de morgen gezellig, ontspannen en fleurig. Hij passeerde het Gerard Douplein en begreep waarom de Pijp het Quartier Latin van Amsterdam genoemd wordt. Schilderachtig, schijnbaar bohémien en in werkelijkheid hip. Op de Ceintuurbaan passeerde hij een Blokker. Hij dacht aan zijn VVV-cadeaubon waarop nog twintig euro stond. Een impuls gehoor gevend ging hij naar binnen en kocht met bijbetaling een Philips baardtrimmer. Zijn vorige had het al vele jaren geleden begeven. Op het zonovergoten fietspad lag een bosje roze bloemetjes, door iemand verloren. Hij keek om zich heen en besloot het mee naar huis te nemen. Lathyrus was het, dacht hij, thuis moest hij de plantenApp er even op loslaten.

De trimmer moest eerst anderhalf uur opladen. Het was lathyrus, "pronkerwt", jawel. In de tussentijd ordende hij zijn luitmuziek en speelde alle stukken door die hij de afgelopen tijd had geoefend. Daarna trimde hij zijn baard. Een frisse witharige jongeman lachte hem toe vanuit de spiegel. Hij verruilde luit voor gitaar en studeerde het repertoire voor de volgende dag. 
Een beetje wantrouwig constateerde hij het volgende: hij had zin in de volgende dag. 
En deze mooie dag was nog niet eens afgelopen!
Waar had hij het aan verdiend.


 

vrijdag 5 mei 2023

HERHALING


Op de eerste echte lentedag van het jaar liep ik naar de binnenstad. De trams reden niet. Ik had mijn plechtige kleren al aan, een zwartfluwelen jasje met speldje van het 4 & 5 mei- comité, een stijve, zelfs steile blouse en een tailormade pantalon. Mijn Boss schoenen torste ik mee in mijn tas, met mijn bladmuziek en andere benodigdheden - lopen ging beter op mijn afgetrapte Ecco's met één bruine en één zwarte veter. 

Vorig jaar op deze dag hadden we ook in de Zuiderkerk opgetreden. Het programma was enigszins anders maar de gelegenheid hetzelfde. Dodenherdenking. Om de een of andere reden (voor wie geïnteresseerd is, zie mijn vorige blog) had ik, vanwege de vergelijkbare omstandigheden, de afloop ook alvast vastgelegd, in mijn hoofd. Natuurlijk moesten we net als in 2022 de nazit in de Engelbewaarder houden, het café van mijn studententijd. Net zoals toen moest ik Brugs Tripel van de tap drinken en me enorm opgelucht en vrij voelen, mijn eigen Bevrijdingsdag. En erna zou ik door de oude stad lopen en genieten van wat me opeens zo mooi toescheen, de grachten, de gevels.

Het optreden ging op zich prima. Foutje hier, foutje daar, maar who cares? Het jaar ervoor was de kerk bomvol geweest. Het eerste jaar na Corona, alles mocht weer, iedereen wilde weer. Adrenaline had gevloeid bij zoveel belangstelling. Nu was er een beschaafd publiekje. Met zulk mooi weer en de inmiddels genormaliseerde massale bijeenkomsten was de drang tot samenkomst eraf. Ik bespeurde een navenante lauwheid bij mijzelf. Ik zette me in maar vrij voelde ik me niet. Onderaan het podium stond ik te zwaaien terwijl ik het betreurde dat we de avond ervoor, bij de generale, nog zo geïnspireerd en saamhorig hadden gezongen en nu bij vlagen zo gespannen waren, zo terughoudend, hoe we ook ons best deden. Of was dat mijn perceptie? Een goede zevenenhalf, gaf ik het optreden na afloop tegen de penningmeester (die overigens prachtig had voorgedragen en elegisch mondorgel had gespeeld), terwijl ik in mijn herinnering de vorige keer als een absoluut hoogtepunt had ervaren.

In De Engelbewaarder leek het even of er ook sprake was van een herhaling van zetten. Dit had ik toch al eens meegemaakt, maar dan beter? Ik wil steeds vaker, uit zucht naar veiligheid, het verleden kopiëren, en verrassingen blijven dan vanzelfsprekend uit.

Maar aan tafel, waar we aanschoven bij drie van de alten, hoorde ik, terwijl ik een verrassend lekkere linguine met citroen en rauwe ham at, dat M. net als ik onlangs Nicholas Nickleby had uitgelezen, en alle Maigrets bezat. Kijk, dat had ik nou nooit gedacht en ik had er best wat verder over willen praten. Maar het gesprek waaierde uit, we rekenden af, en ik wandelde mijn drie kwartier terug door een nieuwe stad. Een stad waarin niemand nuchter was en de terrassen overvol. De katten waren eventjes blij met hun volle bakje maar werden toen al gauw volledig in beslag genomen door de veelbelovende geuren van het geopende balkon.


vrijdag 7 april 2023

Voorheen Rookzangers Notitieblog 45: Afwijzing


De bibliotheek moest ze niet. Voor deze titel verwachten wij te weinig belangstelling van de gemiddelde openbare bibliotheek. De twee recensie-exemplaren werden niet eens retour gestuurd, daar was met de huidige kosten niet meer aan te beginnen. Jammer, maar als je ziet wat de doorsnee bibliotheek tegenwoordig in de schappen heeft staan wel begrijpelijk. Thrillers, bestsellers. Met moeilijke of onbekende boeken wordt geen risico meer genomen. Die raak je alleen nog aan de straatstenen kwijt: aan de weggeefkastjes in de openbare ruimte kun je je naar literatuur dorstende hart ophalen, wat je smaak ook is - ik heb er laatst nog een schitterende in linnen gebonden uitgave van twee romans van Dickens gevonden, begin twintigste eeuw, loodzware boeken, ik voelde me als een dier dat zijn prooi mee naar zijn hol sleept.
Tien jaar geleden was dat allemaal - nog net - anders. Na een juichende recensie van wijlen Cees van der Pluijm sloegen de biebs 76 exemplaren van mijn blogbundel Rookzanger in. Beetje overmoedig misschien. Ik kom er weleens eentje tegen op Boekwinkeltjes.nl ('harde kaft, bibliotheek-exemplaar, in redelijke conditie') en heb dan altijd de neiging om het te bestellen. Niet dat ik om een boek verlegen zit, ik heb er nog een paar, maar gewoon, om de verweesde deeltjes thuis te laten komen. Kom maar terug bij papa, jongens.
Uit hetzelfde sentiment stuurde ik een mailtje naar Biblion. Kon ik de versmade boekjes misschien terughalen? Ja, dat kon, vernam ik. Als ik me twee dagen van tevoren meldde legde men ze klaar bij de receptie. Ah, dacht ik, ze gaan dus niet meteen de versnipperaar in. Zouden al die duizenden geweigerde boeken daar ergens opgeslagen liggen, in een soort treurig en stoffig depot? Ik streepte benzinekosten naar Zoetermeer weg tegen de winst van twee mogelijke verjaardagscadeaus en besloot er nog even over te denken.
Diezelfde middag bestelde iemand die Een klein verwend jongetje had gelezen twee van mijn eerdere boeken. Voor zijn verjaardag. Dat voelde, om in de geest van het boek te blijven, als een aai over mijn bol. 

Een klein verwend jongetje (242 pagina's, paperback) kost €17,82 en is via onderstaande link heel gemakkelijk te bestellen.

https://www.mijnbestseller.nl/shop/index.php/catalogsearch/result/?q=Een+klein+verwend+jongetje 

                                                

zondag 19 februari 2023

MANIE

Er moest een bende werk verzet worden. De pianopartijen voor de aanstaande kooruitvoering met liederen van Eichendorff had ik te lang voor me uitgeschoven. Vorig jaar had ik me het nieuwe notenprogramma Dorico tastenderwijs eigengemaakt maar wat je op die manier leert is ook gauw weer vergeten. Dus moest ik me opnieuw in de geheimtaal van het schrift verdiepen en daar had ik tegenop gezien. Eenmaal begonnen viel het mee. Ik kreeg er schik in en componeerde ook nog wat intro's en een enkel tussenspel. 
Toen ik diep in de donderdagnacht uit bed opstond en naakt achter de piano plaatsnam om een briljante vondst te noteren wist ik eigenlijk al hoe laat het was. De gretigheid waarmee ik me de volgende morgen nog voor het ontbijt achter het scherm zette bevestigde mijn vermoeden. 
Ik was weer eens in een hypomanische bui van werklust beland. Hard werken was lekker en gaf me een boost. Fysiek voelde ik me na landerige winterweken topfit. Ik zong Schumann en voelde me bijna weer jong. Gedreven. Warmbloedig. Geïnspireerd. En passant maakte ik ook de redactie van deel 8 van het literaire jaarboek voor Nieuw-West af: werken was te fijn om ermee te stoppen.
Wel paste ik op niet te veel door te bijten. Dat lesje heb ik geleerd. De dip na een vlaag van gretige concentratie is naar. Ik mediteerde dus extra lang, speelde op mijn rustgevende luit en vergat niet met de poezen een middagdutje te doen: zij zacht snurkend, ik ongeduldig wachtend tot ik weer aan de slag mocht.

Zaterdag waren ondanks mijn voorzorgsmaatregelen de geluksstofjes op, zoals mijn zoon dat noemt. Het woei hard. Op straat was het idioot druk. Alles maakte lawaai. Vliegtuigen kwamen laag over. Alle indrukken kwamen hard binnen.
Mijn oudste dochter kwam eten. We zouden samen The Crown kijken. Eerst wilde ze nog een filmpje maken voor TikTok, mijn nieuwe guilty pleasure. Ik blufte me door een slordige versie van Canson Englesa, "The Lusty Gallant" heen - en hup, het net op! TikTok geeft me een lesje in loslaten dat mijn zenklasje me niet kan leren: wat maakt het uit, het hoeft niet perfect, een snippertje hier en nu is genoeg als je er maar plezier aan beleeft.
We aten tagliatelle met paddenstoelen en veel knoflook. The Crown was erg goed. Mijn jongste voegde zich bij ons en we belandden in diepe gesprekken. Ik mocht één keer mijn ergernis uitspreken over de woke bewerking van Roald Dahl ('Als ze Dickens gaan kuisen, dan zeg ik internet en tv op en trek me terug uit de wereld') maar daarna ging het over familiedingen. Het was gezellig maar ik merkte een ongewone vermoeidheid. En, had de spiegel gelijk, en had ik wallen onder mijn ogen?
Zondagmorgen besloot ik maar eens ouderwets uit te slapen. 
En verdomd, dat hielp.
Misschien had ik het toch goed aangepakt met het managen van de manie.


vrijdag 6 januari 2023

JANUARI


Ik kocht een nieuwe weegschaal bij de Blokker. Er waren nog een kwart kerstbrood en twee bonbons van Holtkamp over. Die mochten op. Maar voor de rest wachtte me een tijd van reiniging, soberheid en droogstaan. Weg met genotzucht en vadsigheid, geen pardon.
Zoals altijd leidde die onthouding de eerste dagen na de jaarwisseling tot een drabbig mengsel van tegenzin, lamlendigheid en weemoed. Gelukkig hoefde ik niet ook nog eens met roken te stoppen want dat deed ik al niet meer. Ik wandelde door de natte grijze lauwe wereld van Niemandsland en voelde vooralsnog geen nieuw esprit, alleen een vage spijt.

De feestdagen. Wat ervan te zeggen? Gisteren ging ik op de koffie bij mijn dochter. We bekenden elkaar dat we een beetje ontevreden waren. Toch was het allemaal reuze leuk en gezellig geweest. Een beetje té gezellig misschien? De normaal zo goedige Dickensiaanse pret van eten, drinken, muziek en onbekommerde luidruchtigheid had iets gejaagds gehad. Een scherp randje. Een verborgen agenda van het donker voor willen blijven. Een gemis aan geborgenheid.
We weten het voorlopig maar even aan de impact die de pandemie heeft gehad. Covid heeft ons twee jaar lang tot rust en huiselijkheid gedwongen. 2022 heeft het oude normaal teruggebracht - op dubbele snelheid, lijkt het wel. Het is weer wennen aan de herrie en de drukte.
Later schoot de frase dansen op de rand van de vulkaan me te binnen. De oorlogsellende van het afgelopen jaar zal er ook iets mee te maken hebben gehad dat we zo gretig hadden gefeest.

We besloten maar dat ontevredenheid niet uitsluitend negatief is. Mijn scheurkalendergoeroes zeggen van wel, die beweren dat alles goed is precies zoals het is, altijd. Wijlen Willem de Ridder maakte het tot een kernpunt van zijn spiegelogie. Voorheen Rookzanger is een dissident discipel. Hij vindt dat je weliswaar moet accepteren dat het leven gelopen is zoals het is gelopen en er niet vruchteloos over moet piekeren, maar dat je best mag broeden over een betere versie van alles in de toekomst. Van jezelf en van je omstandigheden. Goede voornemens, nietwaar? Een mooie traditie, ook al komt er meestal geen fuck van terecht. Je stelt in elk geval je koers weer even bij.

Bovendien: zonder ontevredenheid geen creativiteit. Wat zou je nog schrijven, tekenen of componeren als je vond dat er aan de werkelijkheid niets toe te voegen viel?

De eerste sobere week zit er bijna op. Ik heb machtig veel trek in een croissantje. Er wacht me een weekend zonder wijn. Maar in het modderige donker om me heen is er af en toe een flakkerend lampje dat voor het uitdooft een glimp van een uitweg laat zien. Hernieuwde zin en inspiratie. Uit ervaring weet ik dat ze sterker zullen worden naarmate de dagen lengen.  

Dit wens ik al mijn lezers toe: een Gelukkig, Gezond en Geïnspireerd Nieuw Jaar!



dinsdag 8 november 2022

Voorheen Rookzangers Notitieblog (41)


Ik oefen mijn liedjes over Nieuw-West voor een optreden later deze week. Op het scherm van mijn computer toont de screensaver een hele reeks foto's van eerdere optredens in het stadsdeel van mijn jeugd. Was ik een wappie, ik zou geloven dat de laatste booster met Moderna me een vloeibare chip had ingespoten die zich met de algoritmen van mijn computer heeft verbonden. Toeval, lacht mijn dochter, die de kamer binnenloopt. Even later zet ik een lied van Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot op de lessenaar. Wat geweest is is geweest. Terwijl ik zing en speel zie ik uit mijn ooghoek op het scherm een scène uit de Haarlemse Philharmonie verschijnen. Begin februari 2013, het festival ter herdenking van Nijghs tiende sterfdag. We zingen Malle Babbe met de hele cast. Mylou Frencken leidt de troep. Ik zwier onwennig met Josee Koning aan mijn arm. Toeval!

                                                                      ***

Hoewel ik erg van vogels houd heb ik iets tegen duiven. Die ergernis zullen vele stadsbewoners met me delen. Vliegende ratten, de ratten van de lucht, worden ze genoemd. Hoewel overtuigd boeddhist waar het respect voor alle leven betreft heb ik met het van gemeentewege afschieten ervan weinig moeite. Hun borst, rattig of niet, is erg lekker. Vooral sinds het huis naast me leeg staat irriteren ze me. Ze beschouwen het als hun persoonlijk bezit. Ze maken de katten gek met hun uitdagend gekoer en onrustig gefladder en schijten het verlaten balkon onder. 
Maar voor één stadsduif maakte ik een uitzondering. Hij is dagelijks bij de ingang van de bakker te vinden. Daar zit hij onder het bankje tegen de gevel. Eén poot houdt hij pijnlijk opgetrokken. Immobiel als hij blijkbaar is aast hij op kruimels die de klanten laten vallen. Een mager scharminkel, aan het eind van de weg, doormodderend zolang het nog gaat, ik had met hem te doen. Gisteren heb ik hem zelfs toen de bakker niet keek een stukje van mijn croissant toegeworpen.
Maar nu is dat voorbij. Bij terugkomst van mijn wandeling vandaag rondde ik de hoek bij de bakkerij en liep bijna tegen het beest op. Het trok zijn manke landingsgestel in en vloog met grote vitaliteit naar de dakgoot aan de overkant. Ik moest aan Silas Wegg denken, de quasi-litteraire straatventer uit Dickens' Our Mutual Friend, wiens houten been een doortrapte levenswandel bepaald niet in de weg staat. Onder mijn adem gromde ik het wegvliegende beest na: 'Simulant! Opportunist! Vuile bedelaar! Waar is mijn luchtbuks?'

(Foto: Jos Fielmich)


vrijdag 7 januari 2022

LEESLIJST

 


Lezen in bed is een van de grote genoegens des levens, zeker als je ouder wordt. Er waren tijden dat ik gewoon één boek op mijn nachtkastje had liggen (het boek van dienst zeg maar) maar in de loop der tijd is het kastje een plankje geworden, en heeft het ene boek gezelschap gekregen van een hoop broers en zusjes. Die boeken staan en liggen daar om op een later tijdstip gelezen te worden. Soms zijn ze uit de kast gehaald ter inzage en daar tijdelijk neergezet. Maar wat tijdelijk ergens wordt neergezet heeft de neiging een blijvertje te worden. Sommige zijn nieuw, andere zijn zwerfvuil, uit mededogen van straat geraapt. Omdat ik zo vlak na de jaarwisseling nog in een inventariserende stemming verkeer, maak ik een lijstje.

We beginnen links. Dat dikke, slechts gedeeltelijk zichtbare boek is The Lord of the Rings, in een luxueuze uitgave. Het magnum opus van J.R.R. Tolkien. Het staat daar zoals bij religieuze mensen de bijbel: om altijd bij de hand te hebben, als naslagwerk. Of liever: als de lust me bekruipt om iets in dat boek te lezen (en dat gebeurt regelmatig) moet het binnen handbereik zijn.
- Bordewijk: Fantastische vertellingen, bij vlagen briljante verhalen in de traditie van Poe en Hoffmann. Een aan straat gevonden boek waar ik enorm enthousiast over was, voor driekwart gelezen op het balkon in de zomer van (ik schat) 2019; het wacht nog op een nieuwe Poe-bui.
- Julian Barnes, The Man in the Red Coat; evenals de buren: Daemon Voices van Philip Pullman en Mythos van Stephen Fry van mijn dochter gekregen, die bij American Book Center werkt. Kloeke boeken. Ze wachten geduldig op lezing.
- Het eerste deel van de Book of Dust, van dezelfde Pullman, heb ik half gelezen en voorlopig weggelegd. Het kon me niet half zo boeien als zijn beroemde Golden Compass trilogie.

Het liggende stapeltje links bestaat uit: 

- The Lizard's Bite van David Hewson: veelbelovende thriller, die wacht op een mooie, windstille zomerdag. 
- De avond is ongemak van M. L. Rijneveld (cadeautje bij een krantenabonnement. Sterke taal, maar nare sfeer: ik zal het niet lezen vrees ik).
- Het snoer der ontferming, Japanse verhalen van Couperus, uit een kringloopwinkel in Ommen. Alleen nog wat in gebladerd, misschien moet het maar naar de kast, bij de andere verzamelde maar ongelezen deeltjes Couperus.

Dan komen we bij een gedeelte waarbij nogal wat 'wijsgeerde en troep' zit, zoals Joop Schafthuizen (Matroos Vos) dat uitdrukte. Spirituele lectuur voor als ik daar behoefte aan heb en zelfhulpboeken. 
De Tao van de stress, bijvoorbeeld. Modieuze onzin. En een stel boeken van Janwillem van de Wetering, waaronder twee all time favorites:
- De lege spiegel en Het dagende niets. Persoonlijke journalistiek, informatief en spannend, voor de liefhebber nog even fris als 50 jaar geleden. 

Verder:

- James Joyce: Dubliners. Vind dat ik dat ooit eens moet lezen. 
- Felix Timmermans: Schemeringen van de dood. Nog een Poe-imitatie. Zeer bloemrijk van taal. Niet te veel ineens van lezen.
- Verhalen en curiosa van Dylan Thomas, zie Joyce.
- Gerald Walschaps De wereld van Soo Moereman (een jeugdliefde).
- Een schattig bundeltje met Chinese poëzie, veel in gebrevierd, veel uit geciteerd.
- Wonderlijke verhalen, E.A. Poe, uitgegeven door mijn vriend Peter Loeb.
- Ik Robot van Isaac Asimov, ooit als presentje van de bieb gekregen na een optreden. Moet eigenlijk weg. Mijn sciencefictiondagen zijn voorbij.
- Voorbije wegen, een bundel vol ronkende poëzij van A. Roland Holst.
- De psychologie van Maigret van Dr. W. A. 't Hart. Een kostelijke poging om geld te verdienen aan de Maigret-hausse van destijds. 
- Om een menschenleven, Georges Simenon, een mooie ouderwetse vertaling van La tête d'un homme, ook bekend als Maigret en de ter dood veroordeelde. Een van de betere Maigrets. Ik ken de zoon van de vertaler (Pierre Dubois). Die bezit een door Simenon gesigneerde pijp.
- Maigret en de varkentjes zonder staart (korte verhalen, nog steeds niet helemaal uit, Simenon was niet zo goed in dat genre).
- Het derde deel van de Korfoe-trilogie van Gerald Durrell: The Garden of the Gods, te laat in mijn leven ontdekt; ik kwam er tot mijn schrik niet meer doorheen, terwijl ik van de eerdere delen gesmuld heb (en dat is nog een understatement).
- Verhalen van Jo Boer. Een ten onrechte vergeten schrijfster met een geheel eigen, zinderende toon.
- Het ontstemde brein. Vakliteratuur. Over faalangst bij muzikanten.
- Nader tot U van Gerard Reve. Om dezelfde reden daar als LOTR.
- Een prisma bloemlezing Verhalen uit de Franse romantiek, opgeraapt en meegenomen.
- Nescio, Boven 't dal. Zie LOTR.
- The Monk and the Philosopher. Wijsgeerde.

Liggend, rechts van het midden:

- Death of a Hollow Man
, deel 2 van de Midsomer Murders Mysteries van Caroline Graham. Ligt daar al lang. Zo leuk als de tv-serie is, zo taai zijn de boeken. Veel te woordenrijk, traag, geforceerd leuk, en bovendien lastig door het (deels gedateerde) Britse middle class slang. Nee, dan...
- ... Dickens. Ben nu bezig in Our Mutual Friend. In een mooie gebonden uitgave uit de 19e eeuw, gekocht op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui, en daarnaast als hulpje een Prisma-vertaling, verkregen uit een legaat. Zeker niet Dickens' beste, dit late boek. De personages en hun lotgevallen wekken te weinig empathie en de plot is onsamenhangend. Maar ik ben blij dat ik nu weet waar Jenny Wren, hoofdpersoon van het geniale liedje van Paul McCartney, vandaan komt.
- Tussen het Barnaby-boek en Dickens ligt nog Hocus Pocus, een raar boek van Kurt Vonnegut. Weet nog niet wat ik daarmee ga doen. Terug naar de straat?

Liggend, middenachter: twee recente kerstcadeautjes van mijn dochter. Prachtig verzorgde uitgaven van Roverandum en Farmer Giles of Ham, minder bekende werkjes (sprookjes) van Tolkien. Mag ik graag een stukje in lezen na mijn dagelijkse portie Dickens.

Tot slot de stapel rechts. Die bevat naast twee delen Midsomer Murders en een boek van de Dalai Lama mijn eigen kalenders Mindfulness. Om niet te vergeten. Voor een portie rust in motto-formaat als ik daar behoefte aan heb. Dat Dalai Lama-boek is overigens bedoeld als materiaal voor een volgende kalender. Vakliteratuur, dus eigenlijk: ik ben geëxcuseerd. 


vrijdag 24 december 2021

GELOUTERD


Bij het verlaten van de Albert Heijn is er altijd, op de roltrap omhoog naar de uitgang, een moment dat mijn humeur heel lichtjes betrekt. Aanstonds zal ik de Daklozenkrantverkoper passeren. Altijd dezelfde, een kleine, vriendelijke donkere jongen met een zwart mutsje en een zwart masker, in een camouflagejas.  Ik koop zijn blaadje nooit, en kleingeld heb ik niet, slechts plastic. Hij blijft me desondanks groeten. Ziet in mij (oudere heer met hoed en witte baard) waarschijnlijk het prototype van een Amsterdamzuidse rijkaard, een verwende vrek, een Scrooge. Ik probeer steeds vaker de andere kant op te kijken maar dat is lastig als je iemand zo rakelings passeert. 

Vandaag heb ik de laatste van de kerstboodschappen gedaan. Mijn stemming is, na de gebruikelijke stress voorafgaande aan Kerst (zelfs tijdens deze sobere feestdagen is die jachtigheid er, dat zit erin gebakken blijkbaar), uitstekend. Dat wil zeggen - tot ik de roltrap op stap. Daar is het wolkje. Ik word zelfs een beetje boos. Jij bederft mijn serene hemel, jij bedelaar! Moet je per se op mijn geweten drukken? Kun je niet één dag ergens anders gaan posten? 

Maar dan wordt de geest van Kerstmis over me vaardig. Ik heb een tekst ingezongen, op onze Kerstclip. 'Denk aan hen daarbuiten die van honger en gemis...,' enzovoorts. 'Reik een arme vriend de hand...' 
Huichelaar! zeg ik tot mezelf. En ik houd mijn pas in, loop naar de zachtaardige commando en zeg: 'Doe mij vandaag maar zo'n krantje.' 
Ik pin het bedragje en voel me een weldoener.
Gelouterd, nog vóór Kerstmorgen.

Zalig kerstfeest in (vooral) 5/8 maat!

De kraai en de barre kou is een cover van Jack Frost and the Hooded Crow, van Jethro Tull. Geschreven door Ian Anderson. De vertaling plaatste ik een tijdje geleden al op dit blog. 


vrijdag 15 oktober 2021

VERTAALPERIKELEN



Ik lees graag boeken uit de negentiende eeuw. Soms is dat knap lastig, want er is het een en ander veranderd sinds die tijd. Bij de lectuur van een zwaargewicht als Charles Dickens is het dan ook prettig als er een notenapparaat bijgeleverd wordt, zoals in de Penguin-uitgaven. Mijn huidige leesproject, Our Mutual Friend (1865), Dickens' laatste voltooide roman, biedt dat gemak niet, maar gelukkig heb ik maar liefst twee vertalingen die ik kan raadplegen als ik er echt niet meer uitkom - de Prisma-pockets (twee delen) die niet lang na de Tweede Wereldoorlog werden uitgebracht, en een negentiende-eeuwse versie getiteld: Onze wederzijdsche vriend, uitgegeven door H.A.M. Roelants te Schiedam, in een vertaling van mevr. v. Westrheene. Dat laatste boek heeft een kloek formaat en staat in de kast, samen met zijn dunnere broertje Slechte tijden, tegen een klok geleund - meer als een sierobject, met al die krullen en gouden lettertjes. De in kolommen verdeelde bladzijden lezen niet zo lekker, en dan al dat stoffige 'ge' en 'gij'... Maar gisteren kon de Prisma me niet helpen en moest ik uit bed opstaan om die oude, onhandzame vertaling te raadplegen. 

Het begon al met de beschrijving van een spiegel, die het familiewapen van de parvenu Mr. Veneering (de verpersoonlijking van Nieuw Geld) weerkaatst. Dat wapen is: in gold and eke in silver, frosted and also thawed: "in goud en eveneens in zilver, bevroren en ook ontdooid". Frosted zeg je van glas dat opgeruwd is, dat wist ik nog wel. Het wapenschild zou van matglas kunnen zijn. Maar ontdooid? Prisma komt met een hoogst wonderlijke vertaling: "op scherp gezet en vurig". Huh? 
Mevrouw van Westrheene lost het op: "Mat, en ook gepolijst." Ah, dus Dickens speelde met de oorspronkelijke betekenis van frosted en zette daar thawed tegenover om niet geruwd aan te duiden. Mat-, en gewoon glas. Briljant.

Een bladzijde verder was het ernstiger raak. Het tweede hoofdstuk van dit boek is een bijtende sociale satire, en als Dickens satirisch wordt wil zijn taal nogal eens cryptisch zijn, anderhalve eeuw later. Vergezochte taalspelletjes buitelen over de bladspiegel die voor zijn slimme tijd- en landgenoten vast geestig waren maar voor een 21e-eeuwer uit een ander taalgebied evenzovele struikelblokken opwerpen. 
Ik las een passage waarvan ik helemaal niets begreep. De conversatie gaat over een onbekend heerschap uit Jamaica dan wel Tobago. Een dronken tafelgenoot mengt zich geheel onverwacht in het gesprek en zegt:

"Except our friend who long lived on rice-pudding and isinglass, till at length to his something or other, his physician said something else, and a leg of mutton somehow ended in daygo."

Prisma (Dr. J. B. van Amerongen) snapt het ook niet, die laat de passage gewoon weg. Mevr. van Westrheene gaat dapper de strijd aan en komt met: "Behalve onze vriend, die zoolang van rijstpudding en vischlijm leefde, totdat zijn dokter eindelijk tot zijn dit of zijn dát iets anders voorschreef en hij in één dag een schapebout opat."

De enige betekenis, volgens het woordenboek, van daygo is een afkorting van San Diego. Modern Amerikaans slang. Hoe kwam Dickens bij dat rare woord, dat als mevr. v. W. gelijk had (en ik had inmiddels groot vertrouwen in haar vaardigheden gekregen) iets betekende als "in het tijdsbestek van één dag"?

De volgende morgen googel ik toch nog maar eens op daygo, dit keer met de toevoeging "Dickens" erbij. En warempel. 
Ik beland op een website over limericks. Er komt er een aan bod waarvan en passant wordt gezegd, dat Dickens ernaar verwijst in het tweede hoofdstuk van Our Mutual Friend. Het gedichtje stamt uit een populaire, in 1822 uitgegeven bundel: Anecdotes and Adventures of Fifteen Gentlemen.

There was a sick man of Tobago
Liv'd long on rice-gruel and sago;
But at last, to his bliss,
The physician said this -
"To a roast leg of mutton you may go."

Kijk, zo komen we ergens. De dronken disgenoot pikt iets op over een man in Tobago, herinnert zich vaag de limerick, en parafraseert die onbeholpen; het "may go" veranderend in het neologisme "daygo". 

Mevrouw van Westrheene (1821-1900) was in haar dagen, lees ik, een beroemd literator. Ze heette eigenlijk Jacoba van Heijningen. Na haar veelgeprezen debuutvertaling uit 1866 (inderdaad: Onze wederzijdsche vriend!) volgden er veel meer, en ze schreef ook hele reeksen stichtelijke damesromans, met onverminderd succes. Haar zuivere en vloeiende stijl werd geprezen. En ja, afgezien van de plechtige tweede persoon enkelvoud doet haar vertaling eigenlijk minder gedateerd aan dan die van Prisma uit de jaren 40. 
Als mevr. van W. internet zou hebben gehad, bedenk ik, zou ze die limerick vast niet hebben gemist. En dan had ze zich vast ook, net als ik, gerealiseerd dat de passage in feite onvertaalbaar is, omdat de Nederlandse lezer de toespeling op het gedicht niet begrijpt, niet kan begrijpen, en er dus te veel uitleg, of te veel parafrasering nodig is.
Zou Dr. van Amerongen soms om die reden het dronken intermezzo hebben weggelaten?

[Datzelfde internet leert me inmiddels, dat er bij Athenaeum vorig jaar een nieuwe vertaling is verschenen van het boek. Peter Charles tekende ervoor. Benieuwd wat hij van de man van Tobago heeft gemaakt!]


vrijdag 18 december 2020

KERSTGEDACHTE



De Kerstman kwam langs, even later gevolgd door de Kerstvrouw. In het normale leven, dat al zo lang geleden lijkt, zijn ze penningmeester en voorzitter van 'mijn' Linnaeuskoor. Ze brachten me het jaarlijkse kerstpakket, een grote doos tot de rand gevuld met delicatessen. Ook aan de poezen was weer gedacht. Ik bekende dat ik me wel een beetje verlegen voelde om die verwennerij, waar ik anders dan andere jaren niets voor had hoeven doen. Of liever, niets voor had mogen doen. Ze wuifden dat weg - ik had toch al die mooie muziek voor ze geschreven? - en daar was ik ze dankbaar voor. We praatten over literatuur, Dickens, Trollope en Geerten Meijsing, wiens Zeven Kerstvertellingen onlangs zijn verschenen, over Midsomer Murders (waarvan ik de afleveringen nu eindelijk, dankzij de repetitiestop, in hun geheel kan zien) en over, natuurlijk, de Toestand. Toen ze na de koffie weer vertrokken bedacht ik dat ik ze weleens wat sterkers had mogen aanbieden. Het was nog geen borreltijd weliswaar, maar wat is de klok in deze dagen? Ik probeer alles zo normaal mogelijk te doen, te bloggen op vaste tijden, te wandelen op steeds hetzelfde uur. Leven volgens een prikklok van eigen makelij om niet weg te glippen in het uitzichtloze moeras waarop ons gesloten bestaan soms lijkt. Maar deze vrijdagmiddag in de opmars naar kerst zou een goed moment zijn geweest om te breken met gewoontes. Ik joeg, zwaaiend met een fles Barolo uit 2016,  kat Snuitje weg van de tafel, die daar hevig aan een dikke worst aux noisettes entières aan het ruiken was, en joeg daarmee ook de zinloze spijt uit mijn hoofd. 

's Ochtends had ik ook gebroken met een gewoonte. Op het uur waarop ik normaal mijn vrijdagse blog schrijf stond ik aan de oever van de Zaan met een elektrische gitaar in mijn handen. De zon scheen op het water, er blies een frisse maar milde wind, er kwam een roestige vrachtschuit langs. Mijn zoon en ik hadden zojuist een twin solo ingespeeld voor onze aanstaande kersthit, en mijn dochter filmde ons in allerlei woeste poses voor de bijbehorende video. Ik had geen elektrische gitaar meer aangeraakt sinds de dagen van mijn jeugd, toen ik met haar tot halverwege de rug in de band Lotos de leadguitar speelde. Nu had ik na een paar dagen oefenen blaren op mijn vingers van de ongewende harde stalen snaren maar ik moest vaststellen dat ik het beter deed dan vroeger; de lessen van mijn zoon waren niet voor niets geweest, zo hoog op de hals (of moet ik zeggen laag?) had ik nog nooit gedurfd.

Als deze ellendige tijd één voordeel oplevert dan is het toch dit: dat we met een beetje geluk loskomen van het beeld van onszelf dat samenhangt met onze maatschappelijke functie en dat we terug kunnen keren naar wie we lang geleden waren. Die ochtend was ik even weer zestien geweest. En 's middags was ik als een kind zo blij met mijn onverwachte kerstcadeau. 'Je bent iets vergeten,' zei ik tegen de voorzitter toen ze al met haar jas aan stond. Ik reikte haar het in bruin papier gehulde pakje aan dat op tafel was achtergebleven, naast de doos met lekkers. 'Nee, dat is voor jou,' zei ze. 'Ook dat nog,' stamelde ik, in gedachten blozend. Het was een hyacint, die misschien al snel gaat geuren naar de lente.


dinsdag 27 oktober 2020

MEDUSA


Gisteravond was er weer eens fijne televisie. Harry Mulisch, schepper van zichzelf, een portret van de Schrijver samengesteld uit oud beeldmateriaal en interviews met intimi. De laatsten waren vooral leden van de Herenclub, een elitair gezelschap dat elke maandagavond bijeenkwam in Le Garage, het restaurant van televisiekok Joop Braakhekke, verderop bij mij in de straat - ik heb er Mulisch, goed gekleed en broodmager, menigmaal uit de tram zien stappen. Men kwam er samen om te eten en te drinken maar vooral om, onder leiding van voorzitter Mulisch, over Grote Kwesties te praten. Vrouwen waren er niet bij, want 'vrouwen is moeilijk': erotiek gaat een rol spelen, de mannen gaan zich als haantjes gedragen en dat leidt maar af. De grijze koppen die in hun eigen bibliotheek of in de sacrale werkkamer van Mulisch zelf werden ondervraagd door Coen Verbraak herinnerden zich die tijd van mannelijke suprematie met weemoed, dat kon je meteen zien, hoewel het romantische clair-obscur waarmee de documentaire is belicht misschien ook een rol speelde.
Ik smulde ervan, maar had na afloop toch een vreemd onbevredigd gevoel. Ik keek in mijn huis rond, liep mijn werkkamertje, mijn geliefde 'cockpit', binnen. Wat was het armoedig, rommelig! Niets van die serene, stijlvolle rust waarin Mulisch zijn oeuvre wrochtte. Want Mulisch 'wrochtte een oeuvre', daaraan liet hijzelf geen twijfel bestaan. Ik hoorde hem niet voor het eerst zeggen dat het schrijverschap nooit een bijbaantje kan zijn. Een schrijver moest alles opofferen voor zijn werk. Gezin, kinderen, vrouwen kwamen op de tweede plaats. Op de derde misschien zelfs, na de herenvrienden. 'Naar de Efteling? Natuurlijk ben ik daar nooit geweest. En mijn kinderen dus ook niet.' Mulisch, lacherig, tegen Sonja Barend. 
Onder invloed van de sfeer die hing rondom deze soevereine auteur, die in de geest van Goethe en Mann troonde over een intellectueel rijk van eigen makelij, dacht ik met minachting aan de schrijvende BN'ers van onze tijd, die het ernaast doen omdat het zo gekleed staat een roman te publiceren, of aan die modieuze veelschrijvers voor wie een roman het klokhuis is waaromheen een hele vrucht aan journalistieke of publicitaire bezigheden zwelt. Ik dacht aan die jonge onderzoeksjournalist die onlangs meldde geen tijd te hebben voor de beloofde bijdrage aan onze jaarlijkse bundel over Nieuw-West omdat hij met zijn debuutroman bezig was. Hij ook al, dacht ik meteen. Maar (en dat was de reden voor de ontevredenheid waarmee ik door mijn huisje dwaalde) ik dacht ook in diezelfde termen aan mijzelf. De artiest die geen metier kan kiezen, die zingend zwalkte van opera naar pop en terug en ook zo graag schrijver wil zijn, - was ik niet de eeuwige dilettant?
Om mezelf te troosten toverde ik het beeld van Charles Dickens tevoorschijn, die in tegenstelling tot Goethe nog steeds gelezen wordt. Dickens de familieman, organisator, workaholic en amateur-toneelspeler, die ongetwijfeld wél met zijn kinderen naar de Efteling zou zijn gegaan, als er in de negentiende eeuw zulk vermaak was geweest.
Maar echt helpen deed het niet en het is dan ook met enige moedeloosheid dat ik dit stukje tik. Mulisch is een soort Medusa: als je te lang in dat gezicht kijkt krijg je als vanzelf een writer's block. 


Illustratie: De herenclub, Marike Bok (1995)


vrijdag 10 juli 2020

SCHOOLJONGEN

Het was niet de mooiste gaper van de stad, en inderdaad behoorlijk karikaturaal. Maar dat hij onder druk van de wereldverbeteraars weg moest verbitterde me. 
Er is een verhaal over Jacques Bloem. Het speelt in jaren veertig. De dichter zou zich in de kroeg scherp hebben uitgelaten over de Jodenvervolging. 'Maar Bloem,' zeiden zijn drinkebroers verbaasd, 'jij was toch antisemiet?' 'Wás,' antwoordde Bloem. 'De omstandigheden hebben mij prosemiet gemaakt.'
Ik stem al zo lang ik dat mag doen ver links van het midden. Maar de huidige golf van politieke correctheid heeft op mij een averechts effect. Ik moet oppassen dat ik door 'de omstandigheden' niet rechts word - noem het averechts - want dat wil ik niet.

Om het gif dat in me sloop eruit te werken liep ik naar het park. Het was er stil. Bij de ooievaars was ik de enige kijker. Ik bleef staan, want mijn vaste bankje was te nat. De drie jongen, bijna volgroeid, stonden besluiteloos op het hoge nest. Ze zagen er haveloos uit, meer als reigers dan als ooievaars. Verregend en verwaaid. Af en toe flapte er een met zijn vleugels, maakte een luchtsprongetje. Een eindje verderop stond de moeder in een boom. Haar aanwezigheid daar moest de jongen aanmoedigen om de vleugels uit te slaan, want het werd tijd. Genoeg gevoerd en gezorgd, er moest uitgevlogen worden. 
Toen ik zo een kwartiertje roerloos in de motregen had staan kijken merkte ik dat ik plassen moest. Ik liep verder, keek of ik niemand zag, en ging van het pad af, het bos in. Een donkere, glimmende intimiteit omhulde me daar. Verborgen in een grot van nat hout leegde ik mijn blaas tegen de wortels van een knoestige boom. Het was een heel oud gevoel dat over me kwam. De hutten van mijn jeugd. De dromerige, veilige stilte van een bos, dat je voor je alleen hebt. De buitenwereld, de mensheid, de gapers, dat alles leek ver weg.
Toen ik het park uitliep had ik even de illusie dat ik door de tijd zou reizen, als ik het monumentale hek zou passeren, en in een wereld terecht zou komen die beter bij me paste dan deze moeizame, nerveuze en geplaagde wereld van 2020.

In zekere zin kreeg ik gelijk. 's Middags op het balkon, naast het regengordijn, las ik mijn boek uit. Dombey and Son van Charles Dickens. Ik had er lang over gedaan, ik had bijna duizend bladzijden met de personages geleefd. Dickens is goed in zijn epilogen. Het verhaal is uit, de vertellersblik verlaat het heden en zwenkt naar de toekomst. We zien de hoofdrolspelers, gelouterd door alle avonturen, in hun milde ouderdom. De gebeurtenissen van het boek liggen ver achter hen maar hebben hen voorgoed getekend. Er zijn dierbaren overleden, er zijn kinderen geboren. Zij zullen hun eigen verhalen beleven, maar die blijven buiten het bestek van het boek. Het is een aangrijpend panorama dat de theatrale, romantische meesterverteller daar schildert, de tijd zelf wordt zichtbaar. Ik had rode ogen en algauw snotterde ik als de schooljongen die ik ooit was.

De komende week geen nieuwe bijdragen op dit blog. Voorheen Rookzanger trekt zich terug in een huisje in de oostelijke bossen, zonder tv of wifi.


vrijdag 31 januari 2020

TRUI


Midden op de weg stond een piano op wieltjes. Een man die eruitzag als een straatschoffie uit de jaren ’30 zong: ‘My Bonnie Lies over the Ocean…’ Mijn vriendin wilde hem een muntje gaan brengen en kwam lachend terug. ‘Er staat een pin op de piano. Hij doet het. Je kunt er pinnen.’
   North Laine, Brighton, is een ooit verpauperde straat die nu een alternatieve aaneenschakeling van kraampjes, winkels, boetieks en eettentjes is; ongeveer wat het Londense Camden Market was voordat het aan zijn populariteit ten onder ging. We gingen Snoopers Paradise in. Daar kom je niet zo gauw meer uit. Het is een Old Curiosity Shop die zich over meerdere panden, verdiepingen en binnenplaatsen uitstrekt en het begrip kringloopwinkel een totaal nieuwe dimensie geeft. Ik keek even verlangend naar het verzamelde werk van Dickens, in kloek leer gevat, een meter boeken minstens, dacht aan mijn bagagelimiet, en beperkte me tot een bloedmooi boekje in zachtgroen kalfsleer, waarop in gouden letters stond: Sonnets from the Portuguese. Ik twijfelde over een met parelmoer ingelegde wandelstok maar vond mezelf daar nog te jong voor.
   In een rek voor een winkel met ‘vintage’ kleding hing een trui. Tien pond. Mijn vriendin en mijn dochter vonden dat ik hem moest kopen. Hij was van zachte beige wol, Schots, versierd met symmetrische motieven in bloedrood en okergeel. Groene mannetjes met een hoed op en hetzij een hengel, hetzij een golfstick in hun hand liepen er rondom. Merkwaardig maar decoratief. Ik gaf toe dat hij mooier was dan de hertjestrui die ik droeg en ging naar binnen. Maar hier kon je dan weer niet pinnen. We liepen langzaam de markt uit, sloegen een paar hoeken om en trokken geld bij de automaat van de Tesco. Free Cash Withdrawal, stond er. Gratis geld! Op de terugweg aten we rijk gebak met sinaasappel en kruidnagel en dronken goede latte. In de tweedehandswinkel bleek mijn trui er nog te hangen. ‘It was ment to be,’ zei de verkoopster, zo te horen niet voor het eerst.

In The Royal Albion bracht ik onze aankopen naar de kamer en wisselde van trui. Terug in de lobby oogstte ik ‘oh!’ en ‘ah!’ van de dames. We begaven ons naar de pub en toen we honger kregen en de herrie zat waren zochten we een restaurant. Het werd een Mexicaan. Van de muren grijnsden kinderlijke, kakelbonte doodshoofden ons vrolijk aan. Het was hier altijd Allerzielen. Een jonge vrouw (midden twintig?) bracht onze drankjes, Frozen Margaritas voor mijn tafelgenoten en een large white wine, knisperend droge Spaanse, voor mij. Ze ging een eindje verderop staan en bekeek ons met een soort verlegen, dromerige gretigheid. Telkens als we de kaart neerlegden schoot ze hoopvol toe. Onder het eten ving ik haar blik een paar keer op. Mijn witte baard doet voor die van geen hipster onder. De laatste tijd merk ik soms dat jonge vrouwen me op straat glimlachend aankijken. Ik heb niet de illusie dat ik de mannelijke aantrekkingskracht terug heb uit de dagen dat ik nog als een jonge god door de wereld wandelde. Ik zie in die glimlach eerder een soort vertedering – ‘Ach, zo’n leuke opa…’ Ook goed, geen klacht. Een glimlach is een glimlach, bewondering is bewondering.
   Maar dit meisje staarde me toch wel érg hardnekkig aan. Toen we afrekenden vatte ze moed. Ze begon: ‘I like your…’ - zocht naar het juiste woord, kon dat malle Britse ‘jumper’ niet vinden, en besloot tot wat er het dichtstbij kwam – ‘…shirt!’
   I like your shirt. Op straat lachte ik wat zuur. De jonge god was zelfs geen charmante opa meer maar slechts de drager van een leuke trui.



woensdag 25 december 2019

Het verhaal van het kind


Door Charles Dickens

Er was eens, lang geleden, een man die op reis ging. Het was een magische reis, die heel lang leek toen hij op het punt van vertrekken stond, en heel kort toen hij halverwege was.
  Hij reisde enige tijd over een nogal donker pad, zonder iemand te ontmoeten, tot hij uiteindelijk bij een heel mooi kind kwam. En hij zei tegen het kind: ‘Wat doe jij hier?’ En het kind zei: ‘Ik ben altijd aan het spelen. Kom, speel met me mee.’
   Dus speelde hij met dat kind, de hele dag lang, en ze waren erg vrolijk. De lucht was zo blauw, de zon scheen zo helder, het water was zo sprankelend, de bladeren waren zo groen, de bloemen zo prachtig, en ze hoorden zoveel vogels zingen en zagen zoveel vlinders, dat alles verrukkelijk was. Dat was bij mooi weer. Als het regende, vonden ze het fijn om naar de vallende druppels te kijken, en de frisse geuren op te snuiven. Als het woei, was het heerlijk om naar de wind te luisteren, en je voor te stellen wat hij zei, als hij uit zijn huis kwam snellen – waar was dat, vroegen ze zich af! – terwijl hij floot en huilde, de wolken voor zich uit joeg, de bomen diep deed buigen, in de schoorstenen ratelde, het huis heen en weer schudde, en de zee opzweepte tot razernij. Maar het beste van alles was, als het sneeuwde; niets was fijner dan omhoog te kijken naar de witte vlokken die snel en dicht opeen neervielen, als het dons van miljoenen witte vogeltjes; en te zien hoe dik en ongerept het pak sneeuw was; en te luisteren naar de stilte op de paden en de wegen.
  Ze hadden het mooiste speelgoed van de wereld in overvloed, en de prachtigste prentenboeken: over kromzwaarden en sandalen en tulbanden, dwergen en reuzen en geesten en feeën, blauwbaarden en bonenstaken en schatten en grotten en wouden en alles nieuw en alles waargebeurd.
   Maar op een dag, plotseling, raakte de reiziger het kind kwijt. Hij riep het steeds maar weer, maar kreeg geen antwoord. Dus hervatte hij zijn reis, en liep een tijdje door zonder iemand te zien, tot hij uiteindelijk bij een knappe jongen kwam. En hij zei tegen de jongen: ‘Wat doe jij hier?’ En de jongen zei: ‘Ik ben altijd aan het leren. Kom, leer met me mee.’
   Dus leerde hij samen met die jongen over Jupiter en Juno, over de Grieken en de Romeinen, over ik weet niet wat allemaal, en leerde meer dan ik zou kunnen vertellen – of hij trouwens ook, want hij vergat er al snel een heleboel van. Maar, ze waren niet altijd aan het leren; ze deden de vrolijkste spelletjes die ooit gespeeld werden. Ze roeiden ’s zomers op de rivier, en schaatsten op het ijs in de winter; ze waren te voet en te paard druk in de weer; ze blonken uit in meer spellen en sporten dan ik kan bedenken; niemand kon hen verslaan. Ze hadden ook kerstvakanties, en driekoningentaarten, en feestjes waar ze tot middernacht dansten, en echte Theaters waar ze paleizen van goud en zilver zagen oprijzen uit de echte aarde, en waar ze alle wonderen van de wereld in een keer tegelijk zagen. Wat vrienden betreft - ze hadden zulke goede vrienden en zoveel daarvan, dat mij de tijd ontbreekt om ze op te noemen. Ze waren allemaal jong, net als de knappe jongen, en wisten zeker dat ze hun hele lange leven vrienden zouden blijven.
    Maar toch, op een dag, midden in deze pleziertjes, raakte de reiziger de jongen kwijt, zoals hij het kind was kwijtgeraakt, en na een tijdje vergeefs om hem geroepen te hebben ging hij verder met zijn reis. Hij liep door zonder iets te zien, tot hij bij een jongeman kwam. En hij zei tegen de jongeman: ‘Wat doe jij hier?’ En de jongeman zei: ‘Ik ben altijd verliefd. Kom, wees verliefd net als ik.’        
   Dus ging hij met de jongeman mee, en algauw kwamen ze bij een van de mooiste meisjes die ooit geleefd hebben – net als Fanny in het hoekje daar – en ze had ogen als Fanny, en haar als Fanny, en kuiltjes in haar wangen zoals Fanny, en ze lachte en kleurde net als Fanny doet nu ik het over haar heb. De jongeman was meteen tot over zijn oren verliefd – net als een zeker iemand die ik niet zal noemen toen hij hier voor het eerst kwam en Fanny zag. Goed! Hij werd soms geplaagd, net als een zeker iemand werd geplaagd door Fanny; en ze hadden weleens ruzie, net als een zeker iemand en Fanny ruzie hadden; en ze maakten het weer goed, en zaten in het donker, en schreven elkaar iedere dag brieven, en waren alleen gelukkig als ze bij elkaar waren, en zagen altijd naar elkaar uit en deden alsof dat niet zo was; en met kerstmis waren ze verloofd, en zaten dicht tegen elkaar aan bij het vuur, en ze zouden heel snel gaan trouwen – allemaal precies zoals een zeker iemand die ik niet zal noemen, en Fanny!
   Maar op een dag raakte de reiziger hen kwijt, zoals hij de rest van zijn vrienden was kwijtgeraakt, en, nadat hij had geroepen dat ze terug moesten komen, wat ze nooit deden, ging hij verder met zijn reis. En zo liep hij een tijdje zonder iets te zien, tot hij bij een middelbare meneer kwam. En hij zei tegen hem: ‘Wat doet u hier?’ En het antwoord was: ‘Ik ben altijd druk. Kom, wees druk, net als ik!’
   Dus begon hij het samen met die meneer heel druk te krijgen, terwijl ze door het woud trokken. De hele reis ging door een woud, maar het was open en groen geweest in het begin, als een bos in de lente; nu begon het dicht en donker te worden, zoals een bos in de zomer; sommige van de kleine boompjes die het eerst waren opgeschoten werden zelfs al bruin. De meneer was niet alleen, maar had een mevrouw van ongeveer zijn leeftijd bij zich, die zijn Echtgenote was, en ze hadden kinderen, die eveneens bij hen waren. Zo gingen ze met z’n allen door het woud, hakten bomen om, en baanden zich een pad door de takken en gevallen bladeren, terwijl ze hun last droegen en hard werkten. Soms kwamen ze bij een lange groene laan die een dieper woud in ging. Dan hoorden ze in de verte een stemmetje dat riep: ‘Vader, vader, hier is nog een kind, wacht op mij!’ En dan zagen ze een klein figuurtje, dat groter werd terwijl het aan kwam rennen om zich bij hen te voegen. Als het hen had ingehaald dromden ze er omheen, kusten het en heetten het welkom; en samen gingen ze verder.
   Soms kwamen ze bij meerdere lanen tegelijk, en dan stonden ze allemaal stil, en een van de kinderen zei: ‘Vader, ik ga naar zee,’ en een ander zei: ‘Vader, ik ga naar India,’ en een ander: ‘Vader ik ga mijn geluk zoeken waar ik het maar kan vinden,’ en een ander: ‘Vader, ik ga naar de Hemel!’ En zo gingen ze, onder veel afscheidstranen, alleen die laan in, ieder kind op zijn eigen weg; en het kind dat naar de hemel ging steeg op in de gouden lucht en verdween.
   Steeds als zo’n afscheid plaatsvond, keek de reiziger naar de meneer, en zag hoe hij naar de lucht boven de bomen staarde, waar de dag begon af te nemen, en de zonsondergang naderbij kwam. Hij zag ook dat zijn haar grijs begon te worden. Maar ze konden nooit lang stilstaan, want ze hadden hun reis om te voltooien, en ze waren verplicht om steeds heel druk te zijn.
   Uiteindelijk was er zo vaak afscheid genomen dat er geen kinderen meer over waren, alleen de reiziger, de meneer en de mevrouw waren nog op weg. En nu was het woud geel; en dan bruin; en de bladeren, zelfs die van de woudreuzen, begonnen te vallen.
   Zo kwamen ze bij een laan die donkerder was dan de andere, en ze haastten zich blindelings voort op hun reis toen de mevrouw stopte.
   ‘Lieve man,’ zei ze, ‘ik word geroepen.’
   Ze luisterden, en ze hoorden een stem, verderop in de laan, die zei: ‘Moeder, moeder!’
   Het was de stem van het eerste kind, dat had gezegd: ‘Ik ga naar de Hemel!’ En de vader zei: ‘Nog niet alsjeblieft. De zonsondergang is heel dichtbij. Alsjeblieft nog niet!’
  Maar de stem riep: ‘Moeder, moeder!’ zonder op hem te letten, hoewel zijn haar nu helemaal wit was, en er tranen over zijn wangen liepen.
   De moeder had haar armen nog om zijn hals geslagen toen ze de schaduwen van de donkere laan werd ingetrokken, en uit het zicht begon te verdwijnen. Ze kuste hem, en zei: ‘Mijn liefste, ik word geroepen en ik ga!’ Daarmee was ze verdwenen. En de reiziger en hij bleven alleen achter.
   En zo gingen ze alsmaar verder met z’n tweeën, tot ze dicht bij de rand van het bos kwamen: zo dichtbij, dat ze de zon rood konden zien ondergaan tussen de bomen.
   Toch raakte de reiziger, terwijl hij zich een weg baande door de takken, ook dit keer zijn vriend kwijt. Hij riep en riep, maar er kwam geen antwoord, en toen hij het bos achter zich had gelaten, en zag hoe vredig de zon onderging boven het wijde purperen landschap, kwam hij bij een oude man die op een omgevallen boom zat. En hij zei tegen de oude man: ‘Wat doet u hier?’ En de oude man zei met een kalme glimlach: ‘Ik denk altijd aan vroeger. Kom, denk met me mee!’
  En zo ging de reiziger zitten naast de oude man, oog in oog met de vredige zonsondergang; en al zijn vrienden kwamen zachtjes terug en stonden om hem heen. Het mooie kind, de knappe jongen, de verliefde jongeman, de vader, moeder en kinderen: ieder van hen was er, en hij had niets verloren. Hij hield van hen allemaal evenveel, en was lief en geduldig, en vond het een plezier om naar hen te kijken, en zij vereerden hem en waren dol op hem. En ik denk dat U die reiziger moet zijn, Grootvader, want dit is wat u met ons doet, en wat wij met u doen.


The Child's Story (1852) verscheen oorspronkelijk in A Round of Stories by the Christmas Fire 
© vertaling: Jan-Paul van Spaendonck, 2019


dinsdag 19 november 2019

MAREDOES

Het was koud, zonnig en onbewolkt. Een vleugje winter kruidde de lucht.
'Echt weer om de lege landen van het Hoge Noorden op te zoeken,' zei ik, terwijl ik mijn handen wreef. 'Met die pleinvrees moet het maar eens afgelopen zijn.'
Op de Afsluitdijk haalde ik mijn boeken tevoorschijn. Dapper probeerde ik te genieten van het glinsterende uitzicht, maar toen al die imposante weidsheid van lucht en ruimte en water me te machtig dreigde te worden sloeg ik Bomans open. Ik moest tenslotte een beetje oefenen. Ik las voor. Mijn vriendin lachte. 'Niet te oubollig?' wilde ik weten. 'Nee hoor, erg leuk.'
In Steenwijk waren ze al helemaal in kerstsfeer. Het koor van dertig vrouwen zong meerstemmig, onbegeleid en mooi zuiver. O Holy Night, Rudolph The Red-nosed Reindeer. Als verteller moest ik voor passende intermezzi zorgen, ik had voor de gelegenheid mijn hertjestrui aangetrokken. Ik las eerst een stukje Dickens, druipend van punch, kaars- en ganzenvet, en later mijn Bomans-verhaaltje. Het was muisstil. Pas aan het eind werd er zachtjes gegrinnikt. Een beetje onzeker over mijn keus vroeg ik de dirigente of ik niet beter iets moderners kon lezen, maar ze verzekerde me dat iedereen het prachtig had gevonden. Het taalgebruik van Bomans is misschien te ouderwets voor een directe respons: er is eerst de verwondering om de taal zelf, de betovering door de cadans van de woorden, en pas later de lach om de scènes en de beelden die door de woorden ('Rakker! Schavuit!') worden opgeroepen.
Na de repetitie reden we het stadje in. Volgens Google Maps waren de restaurants 'nu gesloten' maar gelukkig zijn we nog van een generatie die zijn ogen eerder vertrouwt dan zijn telefoon. Er was genoeg keus in het fraaie vestingsstadje in de kop van Overijssel, en alles was open. We kozen voor de Heren van de Rechter, aangetrokken door een schoolbord dat parelhoen als dagschotel aankondigde.
Er kwam een alleraardigst meisje naar ons tafeltje, met een vlijtig notitieblokje in haar hand. Ja, tripel had ze wel. 'Maredoes'. Ik dacht even na en begreep dat ze Maredsous bedoelde. Mogelijk was ze dyslectisch - mijn dochter zei als kind pasghetti met hakgebal.
Achter ons op het verlaten middeleeuwse plein murmelde een fontein dat paars aangelicht was. Het was warm en gezellig in het grand café in het voormalige gerechtsgebouw. Maredoes en parelhoen smaakten uitstekend. Alleen de cranberry-appelstroopsaus die er zo mooi traditioneel uitzag op papier deed in de praktijk denken aan limonade van gesmolten zuurtjes.
In het donker reden we terug. Bomans bleef dicht: van het weidse water was nu niets meer te zien.