vrijdag 8 mei 2026

KOLIBRIE (een gitaarpraatje)


Omdat ik er voortaan mijn brood mee verdiende moest het wat zijn en mocht het wat kosten. Mijn eerste serieuze klassieke gitaar, een Ricardo Sanchis uit Valencia, kostte me flink meer dan duizend gulden; niets vergeleken bij Vincents cello, maar toch, voor een jonge schnabbelende bariton een hele som. Toen de zaken goed gingen en er wat puntjes op de i gezet moesten worden (het stabiel en zuiver stemmen was een beetje een probleem) schafte ik een met de hand gebouwde gitaar aan, uit het atelier van de Beierse meester Hans Hanika, een prijzig maar mooi instrument; ik speel er nog steeds met veel plezier op, als het Napolitaanse lied zo nu en dan weer op mijn pad komt.
Tijdelijk kwam er een vederlichte, witgele flamencogitaar bij maar die werd op een avond doorverkocht aan een liefhebber; hij is op een of twee cd's te horen maar werd me nooit echt dierbaar: geen diepgang.

Vreemd genoeg stelde ik aan mijn staalsnaren veel minder eisen. Mijn eigen Nederlandstalige liedjes begeleidde ik op budget gitaren - vooral de kleine Taylor van nog geen 400 euro was favoriet, met zijn lichte zuivere toon en zijn handzame toegankelijkheid. 
Toen we eind '22 met ons Boudewijn en Lennaert-programma begonnen en ik veel akoestische gitaar ging spelen deed ik de Taylor van de hand en kwam er een groter model, een Eastman, een stoere cutaway, ook alweer bizar goedkoop voor de kwaliteit.
Maar hoe gaat dat? Als een programma keer op keer gaat, volle zalen trekt, steeds beter wordt, maar niet echt verrassingen meer biedt, ga je naar andere dingen omzien om het spannend te houden. Ik werd verliefd op een romantische gitaar met de kleur van robijnrood abdijbier en een siermotiefje op de slagplaat dat een kolibrie in een plantenguirlande voorstelt: de Epiphone Hummingbird, een betaalbare replica van de beroemde Gibson van die naam. Mijn zoon vond haar na enig geduld op Marktplaats, verstelde iets aan de hals, zette er nieuwe snaren op en kocht er een pedalboard en een vouwstandaard bij want als je toch aan het professionaliseren bent, dan ook maar helemaal. Papa kon zich niet meer verschuilen achter zijn klassieke achtergrond en moest voortaan zelf zijn instrument inpluggen en afstellen.

Afgelopen dinsdag, op een vrolijk, chaotisch en zonnig, tot overprikkeling verleidend 5 mei-festivalletje in het verre westen van onze hoofdstad, debuteerde de Kolibrie. Het is een zwaar instrument, gemaakt van massief hout vóór en achter en aan de zijkant, respectievelijk vuren en mahonie. En hoewel de snaren laag op de hals liggen ("lage actie" heet dat), misschien wel te laag voor wie met stugge Spaanse gitaren is opgegroeid, had ik er moeite mee. Alles voelde onwennig en anders, ik tastte soms mis, alsof mijn vingers niet meer automatisch wisten, op spiergeheugen, waar de g-snaar zich bevond. 
Was ik niet gezwicht voor ijdelheid, romantiek en uiterlijk? Mijn zoon opperde dat ik voortaan maar weer gewoon op de Eastman moest spelen - met dat instrument kan ik immers lezen en schrijven. Maar nee! Dat is toch mijn eer te na. En eerlijk is eerlijk: de toon van de Hummingbird is ronder, warmer en subtieler dan die van de gelikte maar ook grove Amerikaan uit Beijing.
Zo heb ik weer een reden om elke dag te oefenen op materiaal dat ik dacht slapend nog te kunnen ophoesten.


Geen opmerkingen: