Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht frank. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht frank. Sorteren op datum Alle posts tonen

dinsdag 19 februari 2013

Frank, tenslotte



Ik zat naast Frank op zijn wolk. We begonnen net aan een tweede kruik nectar en draaiden een sjekkie van bijbelpapier. Roken is, anders dan drinken, in de hemel nog niet zo lang in zwang en staat alweer onder druk, net als beneden: achter ons kuchte een engel demonstratief.
Frank vroeg hoe de begrafenis was geweest.
‘Het was dik in orde,’ zei ik. ‘Maar die vrienden waarmee je gebrouilleerd bent, die waren er wel, die konden ze niet passeren.’
Frank was niet geschokt. ‘Ach, ik was er toch niet bij. Wat zal het mij een rotzorg zijn? Het is toch meer iets voor de nabestaanden, zo’n herdenking. Ze zullen ook de Vier Letzte Lieder wel niet hebben gedraaid, toch? Dat kun je die mensen niet aandoen. Gaan ze met zijn allen een vreselijk potje zitten janken.’
‘Nee,’ zei ik, ‘die niet. Wel Beethoven…’
‘De Zevende?’
Ik onderbrak hem snel want hij zette zich al in postuur om koperpassages uit die symfonie te gaan imiteren. ‘Ja, de Zevende. En Dvořák. En de Gran Partita. Alleen, er was één ding…’
Frank keek me met zijn grote bruine ogen waaruit de pijn verdwenen was aan. ‘Ja?’
‘De muziek stond erg zacht.’
Hij liep rood aan en zette de kruik met een onhoorbare klap neer op de wolk. ‘Godverdomme! Godvergloeiendegoden!’
Een bliksemstraal schoot langs. ‘Sorry ouwe!’ riep Frank over zijn schouder. ‘Maar het gaat over Uw Heilige Kunst, weet U wel? Die hebben ze weer eens vertrapt en bespuwd, dat klootjesvolk daar beneden.’

In werkelijkheid lag ik platgeslagen door een krachtige griepaanval onder een stapel dekens toen Frank begraven werd. Toen mijn vriendin me ’s avonds door de telefoon verslag uitbracht zat ik meteen rechtop in de kussens toen de muziek ter sprake kwam. ‘Het amateurisme!’ hoestte ik. ‘Die ceremoniemeesters moeten toch weten dat oude cd’s een veel lager geluidsniveau hebben dan moderne opnamen? En zeker klassieke cd’s? Dan geef je de volumeknop toch meteen een zwieper? En dat uitgerekend bij Frank!’
Ik merkte dat ik de woede van mijn vriend overnam en dat dat me goed deed. Alsof hij er nog een beetje was.
Een van Franks grootste ergernissen (er waren er vele) was muzak. Hij kon en wilde maar niet begrijpen dat er mensen waren die muziek degradeerden tot een stemmig behangetje.
Hij vertelde vaak hoe hij met zijn toenmalige vrouw in het Amstelhotel had geluncht. Alles was top. Maar uit onzichtbare speakertjes werd een ondefinieerbaar geluidssausje over de tafel uitgegoten. Haydn of Mozart, dat was nauwelijks te onderscheiden, zo discreet was het volume afgesteld. Frank riep de gérant ter verantwoording en vroeg of het geluid harder mocht. Of anders uit. Dit misbruik van een groot componist was een schande, dat moest de goede man toch begrijpen. Frank klaagde altijd op hoge toon. Het moet voor de omstanders ongemakkelijk zijn geweest maar ik had het graag willen meemaken.
Ik vertelde dat ik ooit in datzelfde hotel had opgetreden, en dat me in de wc’s behalve de gouden kranen ook de discrete achtergrondmuziek was opgevallen.
‘Kakken met Vivaldi,’ zei Frank. ‘Dat is hier in Nederland het idee van beschaving.’
De toon was gezet. Ik begreep niet al Franks ergernissen. Je mocht bijvoorbeeld nooit ‘toetje’ zeggen. Toen ik ooit bekende dat wél te doen leek hij in verwarring, alsof hij zijn wereldbeeld in een fractie van een sekonde rigoureus moest bijstellen. Want ik behoorde bij de goeden en het was dus vanzelfsprekend dat ik ook dessert zei in plaats van het gehate ‘toetje’ dat hem onplezierig herinnerde aan zijn kleinburgerlijke achtergrond. Maar in deze muzikale irritatie kon ik meevoelen. Goed voor minstens een kwartier lekker schelden.
‘De mensen begrijpen niet, de mensen begrijpen niet…’ Die litanie lag hem in de mond bestorven. De laatste jaren kon de aanklacht worden teruggebracht tot één begrip: ‘een kopje thee’.
Dat kwam zo. Frank volgde met meer dan gewone belangstelling mijn strijd tegen de drank. Toen het erop begon te lijken dat mijn klinische opname geholpen had ondernam hijzelf ook actie. Hij belandde bij een therapeute van de Breider Stichting. Aan haar vertelde hij omstandig en ongetwijfeld innemend en welbespraakt hoe dat zat, met drinken en kunstenaars. Hoe hij na concerten altijd had moeten afkicken met een joint en een glas, bij moest komen van de sociale spanningen, tot zichzelf moest geraken. Dat hij anders niet kon slapen. Dat hij dronk om te slapen.
De dame had geduldig geluisterd, leek alles te begrijpen, en had toen gezegd: ‘Maar meneer Lindenaar, u kunt toch ook ontspannen met een kopje thee?’
Als Frank bij de pointe van dit verhaal kwam, dat hij eindeloos herhaalde, zo dwars zat het hem, snerpte zijn stem een hoog octaaf in: ‘Een kopje thee! Kun je het geloven? Een kopje thee! Beláchelijk!’

Wij artiesten hadden het zwaar op de aardkloot. Frank bleef drinken. Op zijn eigen dwangmatig geordende manier: uitsluitend ’s avonds na half negen. Dan stak hij ook pas zijn eerste sjekkie op. Als ik hem in een gulle bui de genoegdoening wilde geven van zijn gelijk en bekende dat ik soms de troost van de drank wel heel erg miste, zette hij een naief gezicht op, glimlachte zuurzoet en meesmuilde: ‘Een kopje thee?’
Daarin lag alles besloten. De dramatiek van Beethoven, de pijn en het lijden, de onmacht om een ander te begrijpen, het smartelijke contrast tussen onze dromen en de werkelijkheid, maar vooral dit: de gemene ironie van het bestaan.

DE WOEDE VAN MIJN VRIEND

De mensen die hem niet begrepen vond hij dom.
Hij was verbijsterd over zoveel onvermogen.
Geen empathie. Hij sloot in drift de som,
maar wist zich toch gekwetst, verraden en bedrogen.

Uit een conclusie die in woede was getrokken
was nooit een uitweg mogelijk. Het net stond strak.
Het ooit miskende kind in hem bleef almaar wrokken,
al was ’t vooral hemzelf die het ten dode stak.




Tenslotte.
Frank hield van vogels. Hij was een vogelaar. Zo een die er op uit rijdt met een kijker om een zeldzaam exemplaar te spotten. Eén verdwaalde Tartaarse Tureluur gesignaleerd en hij zat al in zijn witte Berlingo. Hij kende de vogels aan hun zang, vlucht en verenkleed, maar had ook de moeite genomen hun Latijnse namen te leren. Voor een zwaar dyslectische man die de havo niet af had kunnen maken een huzarenstukje. Hij demonstreerde vaak welke ezelsbruggetjes hij bij dat memoriseren gebruikte.
‘Boerengans. Anser domesticus. Dat is makkelijk. Gedomesticeerd. Maar dan de brandgans. Branta leucopsis. Dan denk ik aan de brinta die ik vroeger moest eten om aan te sterken. Die mijn moeder dan aan liet branden. Branta dus. En leuco. Leukemie. Dat moet bloed zijn?’
‘Leukos is wit in het grieks, Frank.’
‘Aha. En dan nog opsis, van optiek. Klopt, ze hebben een opvallend witte kop, de brandganzen.’
Met mensen had hij het moeilijker. Hij was zacht gezegd geen allemansvriend en liet maar weinigen toe in zijn kleine wereld. Thuis verschanste hij zich vaak als een kluizenaar en hij misleidde het dorp over zijn doen en laten met een ingenieus systeem van brandende lampen en een flikkerende televisie. Hij wilde met rust gelaten worden en onbesproken zijn. Voor een rasindividualist trok hij zich het oordeel van anderen erg aan.
De dodenakker waar hij begraven is lijkt dan ook speciaal voor hem ontworpen. Een natuurbegraafplaats aan de rand van de Hoge Veluwe. De veilige, eeuwige anonimiteit van ruisende bomen. Geen gedenktekens, geen namen, geen pottenkijkers.
Alleen vogels.

AFSCHEID

Vrienden, met de onnadrukkelijkheid
van reisgenoten. Want het doel was ver,
de thuishaven allang uit zicht. De tijd
strekte zich gapend uit van ster tot ster.

Toch was het afscheid plots zo vreemd formeel.
We gaven zelfs een hand, de mijne sterk,
de zijne zwak en onnatuurlijk geel.
Dat ging vroeger wel anders in zijn werk:

Hij viel orerend met de deur in huis,
verliet dat meestal midden in een zin.
Een opgestoken hand: tot ziens maar weer.

Maar nu wist hij, er was geen volgend keer.
Er was een eind zo goed als een begin,
en dat was nu. Hij kwam eindelijk thuis.



(Illustratie: Moritz von Schwind, fragment van 'Des Knaben Wunderhorn', circa 1850. Foto: Norbert Lourijsen)

dinsdag 12 november 2013

IN DEZE STAD


Toen ik ’s avonds eindelijk op de bank neerplofte stelde ik verbaasd vast dat ik nu toch eindelijk een beetje Zen geworden was. Want ik was blij en tevreden en verlangde alleen maar naar een leesbril, een boek en een bedlampje. Vroeger was dat wel anders geweest na grote optredens. De adrenaline gierde net zo hard als de gitaren en moest opgejaagd worden met wodka en bier en nog meer wodka en bier, steeds duizelingwekkender de bloedbaan door, tot de emoties hoog opliepen, door de schitterende oneindige ruimte wervelden en uiteindelijk in stuurloze vrije val raakten en met een doffe klap op de harde grond belandden. Au. Niets van dat alles nu. Het was goed zolang het duurde en het was goed dat het voorbij was.
De volgende dag liep ik doelloos over straat, schopte wat tegen de herfstbladeren en peinsde ordeloos na over de middag waar ik zo lang naar uitgezien had. Liedjes gingen door mijn hoofd, maar zachtjes, ze overstemden nauwelijks het suizen in mijn oren. De najaarswind hield zich stil.
Plotseling drong het tot me door dat Frank er niet bij was geweest. En opeens en onverwacht was mijn vreemde kalmte weg en sprongen de tranen in mijn ogen. Alsof er iets smolt binnenin me. Er waren wel meer dierbare mensen niet geweest, om uiteenlopende redenen, maar Frank had ik het meest gemist. Niet dat hij geen geldig excuus had, integendeel, hij had het beste excuus van allemaal. Hij is namelijk dood, hij is de afgelopen winter gestorven.
De doden zijn vogelvrij. Je kunt ze van alles in de mond leggen en ze van alles laten denken en voelen, ze zullen het je niet tegenspreken. Toch meen ik zeker te weten dat Frank van dit concert genoten zou hebben en dat hij het precies zou hebben begrepen. Als weinig anderen was hij gekwalificeerd om de paradoxale stijlen van onze muziek op waarde te schatten. Frank was hoornist geweest, voor hij door een overmaat aan zelfkritiek en daaruit resulterende faalangst zich al drinkend uit het orkestwereldje had teruggetrokken. Hij raakte zijn instrument nooit meer aan maar bleef erover praten. Ik wist dat hij een groot bewonderaar was van Lucas, onze saxofonist, en ik stelde me voor dat hij in de foyer met hem van gedachten zou hebben gewisseld over embouchure en ademsteun. Maar vooral kwam Frank uit Amsterdam. Hij had de scherpe tongval van Oud-West, een accent dat harder is dan Jordanees en grootsteedser dan dat van ons uit Geuzenveld: in het stadsdialect van de Westelijke Tuinsteden was veel van de omliggende provincie gesijpeld - wij zeiden vroeger ‘kaiken’ en ‘skop’, heel boers. Boers was Frank bepaald niet. Hij was de stad al jaren geleden ontvlucht maar bleef in zijn hart een stedeling. Een onverbeterlijke Mokumer uit een armelijke, grauwe wijk. De mentaliteit van onze stad zoals zij vroeger was, dat naar buiten toe brutaal harde, die scherpe humor, dat kleine, gauw geroerde hartje op de tong, die kreeg je er bij hem nooit meer uit, hoelang hij ook al in zelfgekozen ballingschap tussen de schapen en windmolens van de Eilander polder woonde.
Frank zou, bedacht ik, terwijl de wereld om me heen vervaagde en ik moest oppassen niet tegen passanten aan te botsen en door rood licht te lopen, genoten hebben van de ballades en misschien een traantje weggepinkt hebben nu en dan, maar vooral zou zijn hart opgesprongen zijn bij Jan van der Meij's ironische ode aan Amsterdam ‘In deze stad’.
Omdat ik tegen beter weten in wel eens denk dat hij dit blogje volgt vanuit het Nirwana dat hij eindelijk bereikt heeft doe ik een filmpje van dat nummer hierbij. Laat de wolken maar schudden Frank, deze is voor jou!

(Foto: Ruud Jurriaans. Filmpje: Fred Martin)

dinsdag 3 november 2015

ALLERZIELEN


De pastoor leest de namen op van de parochianen die de afgelopen twee jaar gestorven zijn. Twee bladzijden van het misboekje vullen ze. Ik lees mee. Achter iedere naam staat een cijfer. Een paar zijn te jong gegaan, maar de meesten hebben een acht of zelfs een negen vooraan in de optelsom van hun aardse jaren. Eén honderdjarige. Een misdienaar steekt een kaarsje aan voor hen allemaal, een voor een. Het duurt lang, ik moet geduld hebben. Ik denk aan mijn eigen doden. Als het laatste kaarsje aan de grote Paaskaars is aangestoken en op zijn plek is gezet worden we uitgenodigd om naar voren te komen en voor onze eigen gestorven dierbaren een kaarsje aan te steken. De koster heeft een arm vol waskaarsen, genoeg voor de hele kerk. De banken stromen leeg. Ik overweeg even om in de rij te gaan staan maar blijf zitten. Ik werk hier en wil niet dat ze zich dingen afvragen. Ik trek me nog steeds te veel aan van wat de mensen van me zullen vinden, die gewoonte is hardnekkig. Ik kijk naar de flakkerende vlammetjes en denk aan mijn katten, zeventien geworden allebei. Zou ik voor hen een kaarsje mogen branden? Vast wel. Volgens Reve heb je katholieke dieren, en de kerk is er tenslotte voor iedereen. Mijn moeder doemt op, en even het gezicht van mijn beide oma’s, frêle, stokoud, glimlachend. Dan mijn schoonmoeder, vorig jaar overleden. En natuurlijk is daar Frank, drie jaar geleden op 61-jarige leeftijd verdwenen. We kenden elkaar nog niet zo heel lang maar we waren zielsverwanten, broeders in het bloed van Christus, voor ons wijn geworden. Zijn sterven maakte ik op Fanta mee en het kwam hard binnen. Ik zie hem nog vaak voor me, heel levend, en kan niet begrijpen dat hij er niet meer is.
Twaalf jaar geleden organiseerden mijn vriendin en ik een Allerzielenconcert. Het was een van de eerste keren dat ik Frank ontmoette. Hij was nog dik toen, met een rooie kop. Het optreden was in een loods, boordevol opslag. Een bevriende kunstenaar had de bric-à-brac artistiek gerangschikt tot een spookachtig toneeldecor. De wind woei hard, het plaatijzeren dak klepperde. Straalkacheltjes gloeiden op en er brandden kaarsen. Het publiek zat in winterjassen op gammele stoeltjes. Ik zong mijn melancholische liedjes, begeleid door mijn zoon. Na afloop was er soep en wijn. Frank, zelf klassiek hoornist, prees ons gul - dat zou hij de jaren daarna nog vaak doen. Hij was een wantrouwig en kritisch mens maar kon zijn bewondering zonder terughouding uiten. Wie hij liefhad werd op een voetstuk gezet. Ik sta er nog steeds op, maar het wankelt in de ijle lucht – de man die het overeind hield is weg.
Als ik de kerk verlaat wil ik alsnog een kaarsje aansteken, voor het Maria-altaar. Maria is onze middelares, zij zorgt wel dat de intentie naar de juiste personen doorkomt. Ik loop in de richting van het licht maar zie een ongewoon tafereel: een familiegroepje heeft zich verzameld voor het altaar, armen om elkaars schouders. Ze lachen en poseren. ‘Iets meer naar rechts, anders staan de kaarsen er niet op.’ Een selfie. Allerzielen 2015.
Terwijl ik de deur opendoe hoor ik nog: ‘Ik zet het op facebook’.

vrijdag 18 september 2020

RITJE

Na het wekelijkse Zen-clubje had ik op het terras de krant gelezen. Het was mooi weer, wel wat fris. Daarna had ik een eind gewandeld, dit keer niet richting Vondelpark maar de andere kant op, via de Reijnier Vinkeleskade en de Jan van Goyenkade naar het Olympiaplein en vandaar met een wijde boog terug naar huis. Eenmaal weer boven beantwoordde ik mails en Appjes. Ik at wat zuurdesembrood met geitenkaas en tomaat en strekte me op bed uit. Eén uur, ik was al moe. Kat Snuf liet zich niet zien, maar zijn broer Snuitje sprong enthousiast naast me om in mijn oksel te gaan spitten. Ik had alleen een T-shirt aan en zijn nagels deden pijn. Ik duwde hem weg. Hij ging me van een afstandje liggen bekijken, spinnend. Zijn ogen knipperend in de zon. 

Toen ik wakker werd uit een gulzige sluimer was het kwart voor twee. Ik stond op, zette koffie en... wist het niet meer. Ik staarde met tegenzin naar toetsenbord en telefoon, sloeg een jengelend akkoord aan op de piano, zong een paar noten. Niets trok me aan, en ik moest ook niets - wat er op de agenda stond had geen enkele haast. Maar de tijdloze sfeer van de zomer lag achter me. Ik kon niet zomaar op het balkon gaan zitten lezen of niksen, er hing een zekere urgentie in de lucht.
Ik ging naar buiten maar op straat aarzelde ik. Zou ik toch niet liever gewoon weer een eind gaan wandelen? Nee, besloot ik, ik voelde me slap en had moeie voeten. Gewoon doorzetten dat plan!

Frank had me op het idee gebracht. Frank is alweer jaren dood. Hij was een gedisciplineerd alcoholist, vóór de avond viel geen druppel. Om de lege uren tot zijn eerste shagjes en glazen door te komen maakte hij vaak een ritje door de polder. Een kijker mee om vogels te bespieden. En een fles wijn, want je kon nooit zeker weten of je wel op tijd thuis was.
Ik startte de auto en reed weg. Het was druk. Een hortend ritje door de stad op een middag in de herfst is niet hetzelfde als een autotochtje door de Noord-Hollandse polder. Ik koos de minst drukke verkeersstroom en was algauw op weg naar Amstelveen. Niks bijzonders te doen of te zien daar. Maar ik had afleiding, er was beweging, gedoe, er waren mensen om op te reageren, ik moest alert zijn. Het viel me op, niet voor het eerst, hoe groot Amstelveen is. In mijn verbeelding is het een duur dorp van rood baksteen aan de grens van Amsterdam, in werkelijkheid een uitgestrekte gemeente met veel groen en hoogbouw en bijna 100.000 inwoners. Ik volgde de borden 'Stadshart'. Maar het vage plan om daar te parkeren stuitte op een intimiderende infrastructuur. In een Q-Park had ik geen zin. Via dwaaltochten kwam ik bij de Zuidas. Tijd niet gezien, groot geworden. Tussen de kantoorkolossen zag ik de zoveelste vestiging van Loetje. Om in de geest van deze dag te handelen reed ik langs een ongewone weg terug naar huis. 

Vier uur. Bij patisserie Arnold Cornelis kocht ik een ham-kaas-snack. Warm. Ik viste een boekje uit het weggeefkastje in mijn straat. Het had ooit toebehoord aan J.J. Kouwijzer, zag ik. Boven ging ik in mijn rode zetel bij het raam zitten. Misschien dat ik het nu wel kon, lezen en niksen, de middag was al goeddeels verstreken.
Somberman's actie (1985) van Remco Campert wist me eerst maar matig te bekoren maar na een tijdje werd ik meegezogen door de sobere, licht surreële stijl van de vertelling. Somberman is werkloos geworden en verzuipt in een zee van tijd. Hij besluit de deur uit te gaan en beleeft zo het een en ander. Hoe toepasselijk!

'Als hij niet blijft praten behoort hij binnenkort niet meer tot de mensen. Woorden kunnen hem redden. Maar waarvan? Ja, geef daar eens antwoord op. Zou een plant ongelukkig zijn? Er zijn mensen die beweren dat planten pijn kunnen lijden. - Er bestaan geen planten van vlees, mompelt Somberman, vooruit, opstaan, actie! Een greep op de wereld, daar gaat het om.'

Toen ik opkeek uit het vijftigste boekenweekgeschenkje kondigde de schemering zich aan, de lucht was kleurloos geworden. Ik kon met opgeheven hoofd al eten gaan koken. Daarna was ik met een dubbelaflevering van Midsomer Murders, het achtuurjournaal, de Keuringsdienst van Waarde en de rest van mijn boekje veilig onder de pannen.


vrijdag 8 februari 2013

CHIPKNIP

De brenger van slecht nieuws komt zelden op een gelegen moment.
Het was een stralende morgen. Er lag wat sneeuw. Ik manoeuvreerde door de straten van de Bos en Lommerbuurt op zoek naar een parkeermeter die wél op een pinpas werkte toen mijn telefoontje ging. Mijn vriendin. Frank was dood.
Hoewel ik sinds ons bezoek aan het hospice afgelopen zondag voorbereid was op een snel einde was het toch of ik een doffe klap kreeg. Ik zette de auto even aan de kant en hoorde in het kort het verhaal. We bleken die middag getuige te zijn geweest van zijn laatste opleving. De dag erna had hij bijna alleen maar geslapen. Van ons bezoek herinnerde hij zich niks. Hij kon niet meer slikken, de morfine kreeg hij per spuit.
Min vriendin zei: ‘Ik ben blij dat we hem nog relatief goed hebben gezien. Het was zelfs gezellig, af en toe.’
Ik kreeg een vreemd gevoel bij dat woord ‘gezellig’. Daar stel ik me toch iets anders bij voor. Maar mijn vriendin had gelijk, we hadden nog een paar uur echt contact met hem gehad, en Frank had zijn wrange humor ook op zijn doodsbed niet verloren. In het zwarte kader van het sterven moet je zoiets, neem ik aan, als een lichtpuntje beschouwen.
Ik reed terug naar het theater, parkeerde op de plek voor laden en lossen en begon de Bos en Lommerweg af te lopen op zoek naar een automaat om mijn chipknip op te laden. In een Turkse bakkerij kocht ik een amandelbroodje. Ik at het werktuigelijk op maar vond het toch lekker, denk ik nu. Ik geloof niet dat ik op dat moment iets dacht, er werd voor me gedacht.
Voor de deur van het theater nam ik een paar gulzige laatste trekken van mijn pijp. Binnen zocht ik eerst naar de koffiemachine. Met een dubbele espresso kwam ik de donkere zaal binnen. Het licht werd getest. We stemden onze instrumenten. Ik klampte me vast aan routinehandelingen en probeerde de dofheid voor de duur van die middag van me af te schudden. Achter de coulissen deed ik een paar ademoefeningen en schudde mijn armen en benen los.
De voorstelling ging goed. Ik had er zelfs een soort afstandelijk plezier in. Alsof ik met een sombere voldoening toezag hoe mijn automatische piloot zijn werk naar behoren verrichtte. Het is vreemd om te merken dat een mens als het moet niet alleen meerdere taken tegelijk kan verrichten, maar ook zulke tegenstrijdige gevoelens in zichzelf kan herbergen, zonder dat hij de gewaarwording heeft uit elkaar te vallen.
Misschien is dat wat ze levenskracht noemen.

vrijdag 10 oktober 2025

Hanenbalken en heldentenoren


Mijn vriend Frank was een leergierige man. Hij wist bijvoorbeeld alles van vogels, van koken, hoornspelen of van Leonardo Da Vinci. Maar zoals bij veel mensen met ASS waren zijn interesses even fanatiek als beperkt. In het jaar voor zijn dood kwamen we 's avonds uit een restaurant waar hij nog graag eens wilde eten. Er was een mooie sterrenhemel. Frank keek omhoog en zei met weemoedige verbazing dat hij na zestig jaar op aarde nog niets van de sterren wist. 'Nou ja, jammer dan,' besloot hij op z'n Amsterdams. 'Het is nu te laat.'
Ik geloof niet dat ik, wat mijn dochters en vriendin ook zeggen, iets van een autist heb. Een contactgestoorde hork kan ik zijn ja, en compulsief gedrag is me niet vreemd. Maar ik ben, in weerwil van alle verlegenheid, empathisch betrokken bij mijn medemens en heb eerder te veel dan te weinig interesses. Mijn leergierigheid is echter periodiek en manifesteert zich vooral als koorts of griep me dwingt tot malende eenzelvigheid. 
Dinsdagnacht lag ik lang wakker. Ik heb een nieuwe bank gekocht. De oude moet uit huis getakeld worden, de nieuwe op de een of andere manier naar boven. Ik stelde bezorgd vast dat ik deze gang van zaken niet onder controle had en me van de technische aspecten, ondanks eerdere ervaringen, geen voorstelling kon maken. Na bijna zeventig jaar op aarde wist ik niets van de kunst van verhuizen. In plaats van Franks Nou ja, jammer dan sloeg ik aan het piekeren. Soms stond ik op om oude dagboeken of foto's te raadplegen. De piano uit mijn eerste huisje werd vereeuwigd toen hij naar buiten werd getakeld met een hijskraan. Waren de kleine ramen van het boerderijtje uit hun sponningen gelicht? (En zo ja, hoe ging zoiets dan? Ik had niet goed opgelet en te veel op andermans expertise vertrouwd.) Ik herinnerde me hoe ik angstig toezag hoe de grote zwarte Yamaha midden in de lucht hing, licht slingerend, toen hij, vijf jaar later, naar vierhoog werd verhuisd. Ook mijn vleugel werd geloof ik nog met touw-en-blok omhoog gebracht maar latere verplaatsingen naar en van de wisselwoning gingen met een verhuislift. 
Niet helemaal tevreden maalde ik verder. Mijn vader oefende zijn eindexamenstuk, het pianoconcert in a van Edvard Grieg, op het zolderkamertje in de Rijnstraat waar hij, verloofd met mijn moeder, inwoonde. Dat kamertje (ik herinner het me nog goed: mijn opa's werkbank stond er later) lag aan de kant van de binnentuinen. Zelfs als de huizen daar aan de straatkant hijsbalken hadden (wat ik op dat moment betwijfelde) - hoe was die piano achter op zolder terechtgekomen? Via de steile trap? Door de nauwe kamertjes van de buren?
Ik vergat de slaap, deed het licht aan. Een halfuur later wist ik alles wat er zo gauw te leren viel over hijsbalken. Amsterdam telt nog zo'n 50.000 huizen met zo'n hanenbalk. Oorspronkelijk bedoeld voor pakhuizen breidde Amsterdam de handige functie uit naar woonhuizen, een in Nederland zeldzaam en in het buitenland vrijwel onbekend verschijnsel.
Maar... bij afwezigheid van de mogelijkheid om te hijsen, hoe kwam een piano dán boven? Ook in Parijs woonden op de zesde etage mensen die pianospeelden. Via de trap blijkbaar, die in dat geval breed genoeg moet zijn: brede trappenhuizen zijn in Parijs weer gewoner dan in het smal-gebouwde Amsterdam.
Ik dacht aan Laurel en Hardy die in The Musik Box (1932) als stuntelende verhuizers een pianola een enorm hoge trap op zeulen. Blijkbaar waren lichaamskracht en improvisatie een belangrijk onderdeel van verhuizen in het verleden. Je kon wel alles onder controle willen hebben maar zo werkte de wereld niet. Hoog in het gebouw wilde men een piano. Die kwam er, met veel duwen en trekken, als het enigszins kon, of hij kwam er niet... 
De volgende middag onderweg naar de griepprik keek ik met nieuwe blik naar de huizen in mijn buurt. Bijna overal hijsbalken, simpel functioneel of sierlijk decoratief. Was me nooit eerder opgevallen. Er was nog veel te leren, niet alleen over de sterren, maar zelfs over de meest alledaagse dingen. 

                                                                      *

De griepprik verdubbelde mijn verkoudheid. Om de een of andere reden (misschien omdat ik onderweg naar de dokter door de Wagnerstraat was gelopen?) zocht ik 's avonds de aria In fernem Land uit Wagners opera Lohengrin op, de zogenaamde Gralserzählung. Mijn vader had die ook graag gezongen, met zijn bescheiden maar dappere tenor.
YouTube gaf me meer versies dan ik aan kon. Ik vergeleek er uiteindelijk zes met elkaar. Kwam tot de conclusie dat de oude heldentenoren Lauritz Melchior (1890-1973) en Wolfgang Windgassen (1914-1974) vocaal soeverein en superieur waren, dat Peter Hofmann (1944-2010) en René Kollo (1937), wegens hun uitstapjes naar de lichte muze in de vorige eeuw vaak met opgetrokken neus besproken, imposant waren, evenals Siegfried Jerusalem (1940). Maar mijn keus ging toch, ondanks de moeilijke plekjes in zijn donkere stem, naar de junior van het gezelschap: Jonas Kaufmann (1969). Bij hem keek ik geboeid en ontroerd de zes minuten film helemaal uit. Een artiest, een kunstenaar zo goed als een zanger.


Naschrift: 's nachts googlede ik naar Wolfram von Eschenbach, de Zwaanridder en de troubadours en minnezangers. Al verder zoekend besefte ik dat ik toch heus véél te weinig wist van de middeleeuwen. Halverwege een derde artikel over de Kruistochten sprak ik mijzelf streng toe. 


woensdag 9 juni 2021

Karaoke in vertaling?


Wat hebben Frank Zappa, ABBA, Nick Drake, Jethro Tull, Gilbert Bécaud, Van Der Graaf Generator, Frank Sinatra, Janis Joplin, Paolo Conte, King Crimson, Cat Stevens, Tom Waits, Angelo Branduardi, Premiata Forneria Marconi, Melanie, Godley & Creme, Nina Hagen en Fairport Convention met elkaar gemeen, behalve natuurlijk dat het allemaal muzikanten zijn?
Niet veel. Behalve dit: dat hun werk grofweg uit dezelfde halve eeuw stamt en dat ze de soundtrack hebben geschreven voor het leven van twee vrienden.

Robert Eksteen (als blogger bekend onder de geuzennaam De dwarse man) en ik hebben de afgelopen stille winter een intense correspondentie gevoerd. Die ging over het juiste woord, de precieze uitdrukking, over rijm, over ritme, over punten en komma's.
Het plan was er zomaar. We werden vijfenzestig en we zouden vijfenzestig liedteksten gaan vertalen, uitgekozen om de rol die ze in ons leven hebben gespeeld. Daarvan zouden we een feestelijk boekje maken, in de eerste plaats als cadeau aan onszelf.

De tekst waaraan het boek zijn naam ontleent (een nummer van de door ons beiden bewonderde artrock groep Gentle Giant) deden we samen, om en om een strofe. De rest in principe ieder voor zich, elk tweeëndertig teksten, maar we bemoeiden ons naar hartelust met het werk van de ander. Daarbij pasten we er wel voor op om net niet zover te gaan dat de ander knettergek van onze fijnslijpende wijsneuzerij werd en er de brui aan zou geven. Tenslotte was een levenslange vriendschap belangrijker dan onze kunst, hoe hoog we die ook hebben zitten.

Met het resultaat zijn we gelukkig. Het is een fijn boekje geworden. 
En alle nummers zijn gegarandeerd honderd procent meezingbaar, noot voor noot.
Dus mocht u een karaoke-versie van Thick as a Brick (oftewel 'Stom als een rund') kunnen vinden: speel die af, zing luidkeels mee en waan u Ian Anderson.

U kunt het boek heel eenvoudig bestellen door HIER te klikken.


dinsdag 19 mei 2015

Sans rancune

De verkoudheid had zich al aangekondigd maar was zo attent om pas uit te breken ná het concert. Gisteravond maakte zij zich breed in mijn keel en stak daar met kleine naaldjes in het weke vlees, niet diep genoeg om pijn te doen, maar wel zo prikkelend dat ik, telkens als ik lekker weg leek te zinken in een verdiende slaap, hoestend wakker schrok. Ik was wonderlijk rustig en tevreden en had geen grote levenskwesties om te overdenken. Tijd voor een gedachtenspelletje.

Mijn Vlaamse collega Vitalski stelde me onlangs per mail een lastige vraag. Welke zaken of personen vond ik overschat, welke onderschat, en welke precies op waarde geschat? Ik had daar uit de losse pols op geantwoord. Nu kon ik de vraag wat nauwgezetter overdenken. Ik beperkte me eerst maar eens tot de makkelijkste categorie, die van de overschatte personen. Een paar namen kwamen al gauw boven. Brel, Bach, Grunberg. Eén ding werd me daarbij duidelijk.
Het is niet zozeer de overschatte persoon zélf die me ergert, het is de laffe houding van degenen die aan het overschatten meedoen. Als roem een zekere kritische grens overschrijdt wordt hij onaantastbaar. Niemand durft de eenmaal geheiligde reputatie meer in twijfel te trekken en zo zwelt die steeds monsterlijker op. Tot het neerhalen ervan voor de kritische geest welhaast een morele plicht wordt. Dan begint langzaam aan het onderschatten weer. Op waarde schatten is het moeilijkste wat er is.

Ik herinnerde me hoe geschokt mijn betreurde vriend Frank was toen ik hem vertelde dat ik Mozart maar een overschatte componist vond. Een muzikale banketbakker, een grossier in weeë speeldoosmuziekjes. Hijzelf schatte Haydn weliswaar nóg hoger, maar Mozart bezat voor hem toch een onweerlegbare status, Mozart was een held. Voor de hoornist Frank was de Gran Partita een soort muzikaal heiligdom. In de jaren daarna begon hij heel geleidelijk aan toe te geven dat je dat sanctum sanctorum niet ontwijdde als je kritisch genoeg was om vast te stellen dat Mozart ook héél lullige muziek heeft geschreven. En ik bond op mijn beurt in: zijn Requiem, ja, dat was toch wel meesterlijk. En sommige van zijn pianoconcerten, een enkele opera….
Een van mijn grootste literaire ergernissen betreft het verschijnsel Grunberg. Ik zeg opzettelijk ‘verschijnsel’ want ook hier is het vooral de blinde adoratie die me prikkelt. Als Arnon een schrijver in de marge zou zijn zou ik de productie van zijn eenmanspapierfabriek vermoedelijk schouderophalend negeren. Nu laait er een woest vuurtje van plezier in me op als ik – zeldzame - kritiek op hem lees. Een opmerking van Sylvain Ephimenco heb ik zelfs overgeschreven in mijn notitieboekje: ‘Arnon Grunberg schrijft met een klopboor. Zijn zinnen lijken op een verzameling gladde boorgaatjes zonder diepte.’
Zo’n zin maakt mijn dag goed! Maar waarom, vanwaar die rancune?
Reinbert de Leeuw donderde voor mij van zijn voetstuk toen hij na een urenlang pleidooi in Zomergasten voor moderne en goeddeels onbekende muziek eindigde met de Matthäus Passion. Met tranen in de ogen maakte hij een knieval voor de grootste gemene deler van de smaak van muzikaal Nederland. Iedereen vindt de Matthäus een onaantastbaar meesterwerk, een goddelijke compositie, en hij, De Leeuw, verwaardigde zich niet boven iedereen te staan. Plots was zijn kritische houding nergens meer te bekennen. Ben ik nou de enige, dacht ik bevreemd toen mijn held van de tegendraadse klanken daar sneuvelde, die durft te bekennen dat hij Bach vaak gewoon saai vindt? Prachtige muziek, de Matthäus, maar het kon ook best wat korter en minder heilig, het erin beleden piëtisme doet me gapen van vrome verveling. Waarom had de Leeuw zo’n kanttekening niet kunnen maken? Waarom moest het meteen zo kritiekloos, zo kwijlend, nu het over Bach ging?

Zelf je helden kiezen, liefst onbekende, en de smaak van de massa weghonen, dat is de attitude van de beginner. Daar groei je overheen, wist onze oude muzieklerares op school al, die vertelde dat ze in haar jeugd ook veel van Milhaud had gehouden maar nu Mozart ver boven hem stelde. Tot onze teleurstelling en verbijstering.
Nu ik zelf bijna haar leeftijd heb moet ik vaststellen dat ik begrijp wat ze wilde zeggen. Milhaud boeit me niet meer zo en aan Mozart ben ik bijna toe; maar ik geniet nog steeds van de heiligschennis van Ephimenco. Overschatten en onderschatten leer ik langzaam af. Maar sans rancune op waarde schatten blijft moeilijk.

dinsdag 8 december 2015

SINATRA 100


Door de VK werd ik, een paar dagen te vroeg, geattendeerd op de honderdste geboortedag van Frank Sinatra. Ik begon het artikel te lezen en was meteen terug in een andere tijd, in een andere wereld. Ik heb intens van Sinatra gehouden, en mijn liefde was blind en totaal: ik wist alles van hem, alles aan hem fascineerde me. Het begon in de platte jaren tachtig, als een soort escapisme, en duurde ruim een decennium; daarna verdween hij geleidelijk weer naar de achtergrond, maar nog steeds zijn het monumentale feiten, gekerfd in marmer: Hoboken, New Jersey, 12 december 1915, Francis Albert Sinatra.

Toen de punk woedde en lelijkheid mode werd zochten we naar iets dat het contemporaine moeras leefbaar kon maken, iets anders dan de etherische muziek van Skrjábin die de huiscomponist van onze ivoren toren was geweest: iets dat wereldser was, want we naderden de dertig en wilden leven, de tijd om ons op te sluiten in een droomkasteel was voorbij. Het werd de jazz van de jaren vijftig, complex, maar lekker louche en tegendraads, en je kon er fijn bij pokeren. We zoomden uit en ook andere muziek uit die periode kwam in zicht. In de uitverkoop bij de V&D kocht ik voor vijf gulden een plaat van Sinatra, In the Wee Small Hours. Het was overweldigend mooi, overrompelend goed. Ik was meteen verkocht en al gauw verslaafd. Binnen een paar jaar had ik een enorme stapel elpees, was ik lid van de Frank Sinatra Society, kon uren dromen boven fotoboeken en biografieën gewijd aan The Voice, probeerde hem na te zingen (wat nooit helemaal lukte) en noemde mezelf een kenner. Een minnaar was juister geweest.
Met die society betrad ik een vreemde wereld. Mijn neef de dierenarts was ook fan. Ik herinner me een avond dat we de vloer vol hadden gelegd met elpeehoezen, en dan om beurten kozen uit dit weelderig rijke aanbod, terwijl we net als de meester Jack Daniels dronken. Met mijn neef ging ik naar de Sinatra-dag, georganiseerd op 12 december in het Okura Hotel. Het was ver voor de tijd dat Sinatra opnieuw cool werd en je hem in grand cafés uit de speakers hoorde croonen. De meeste fans waren mensen van een ander slag, mensen die ik eigenlijk niet wilde kennen. Kroegbazen en poenige zakenmannen, voor de gelegenheid met een vlinderdasje getooid, die Las Vegas speelden. Maar ik ontmoette er ook een violiste met wie ik gestudeerd had, en die nu in een van de grote orkesten speelde – verbaasd lachten we elkaar toe: jij ook? Ja natuurlijk. We wisten allebei waarom. Niet om de vlinderdassen en Las Vegas, maar om de muziek, om die stem, om die man. Er werd filmmateriaal getoond. In de tijd voor YouTube was dat een zeldzame traktatie, we zagen de stem tot leven komen, zijn gebaren, zijn motoriek, onhandiger dan gedacht. Rita Reys en haar man Pim Jacobs speelden zijn repertoire. Ik was sceptisch geweest (Jacobs kende ik als gelikte tv-persoonlijkheid) maar ze waren geweldig. Jacobs deed leuk voor de camera maar hier toonde hij zijn ware gezicht, dat van een gedreven en virtuoze muzikant. Een vreemde broederschap was het, dit samenraapsel van mensen uit alle lagen van de bevolking, verenigd in de bewondering voor het blauwogige fenomeen uit Hoboken, die spijkerharde, boterzachte half-Italiaan met zijn onmiskenbare, eenmalige stem. Onze whiskyglazen vulden we in de wc bij uit een zakflakonnetje, want de barprijzen waren pittig.

Dit alles is lang geleden en de wereld ziet er nu heel anders uit. Ik drink niet meer en luister nog maar zelden. Maar de betrokkenheid blijft: als ik in DWDD Felix Maginn of Ruben Hein Sinatra hoor zingen rijzen mijn haren en verander ik in een brombeer. Het is een oude wrevel die ik van me af moet schudden als ik ze hoor praten over zijn techniek. Dat eeuwige gebazel over zijn timing! Laat ze eerst maar eens écht leren zingen. Want wat die mensen niet lijken te beseffen is dat Sinatra, al zijn roken en drinken en latere schorheid ten spijt, keihard heeft gewerkt, onvermoeibaar heeft gestudeerd, klassieke zangtechniek, jawel, dat hij toonladders zong en zijn adem trainde voor elk concert, dat zijn persoonlijke norm niet Bing Crosby of Billie Holiday maar eerder Caruso was. Met flair alleen red je het niet, jongelui! roept de brombeer voor de tv. Doorleefdheid is niet het resultaat van nachten doorhalen, en eigenlijk ook geen artistieke kwestie. Het verschijnsel Sinatra is gevormd met ijzeren discipline.

Volgende keer ga ik hier dieper op in met een lang stuk dat ik ooit, midden in mijn Sinatrafiele periode, voor het tijdschriftje Faun schreef: ‘De stemmen van Sinatra’.

dinsdag 21 juli 2015

Water in de wijn


De wind had ons naar binnen gejaagd. Borden, schalen en glazen waren verplaatst naar de eettafel, de aangetrokken sweaters en jasjes konden weer uit. Maar in onze gesprekken woei de wind onverminderd voort. Zes oude vrienden die elkaar niet zo vaak meer zagen en ieder veel te vertellen hadden.
Naarmate de avond vorderde en de wijn de tongen losmaakte sprongen de gesprekken roekeloos de diepte in om er lachend weer uit op te duiken. Dat laatste, dat lachen, daar heb ik lang moeite mee gehad.
Het was in de tweede of derde week van mijn klinische opname. Ik zat ’s avonds in mijn kamer en keek tv. Ik hoorde al die mensen druk praten over de dingen van de dag en voelde me er mijlenver vandaan, bijna alsof ik op een andere planeet zat. Al dat gebabbel, hoe konden ze dat serieus nemen? Ik was inmiddels gewend aan psychologische, therapeutische gesprekken, waarin het gevoelige achterste van de tong voorin was komen te liggen. Ik was gehospitaliseerd zonder het te beseffen.
In het eerste jaar ‘buiten’ deed ik mijn best alle menselijke contact geheel integer te houden. Ik deed zo weinig mogelijk concessies en was waarschijnlijk saai gezelschap, met mijn moeizaam geformuleerde eerlijkheid. Allengs begon ik water in de wijn te doen. Een sociaal gezicht trekken, een masker opdoen, mag best en is vaak gewoon handig – als je je er maar bewust van bent dat je het doet. Doe je het niet uit vrije wil, dan gaat het mis. Zo kreeg ik langzamerhand weer wat meer plezier in ‘gezelligheid’ en stelde ik mijn eisen een beetje naar beneden bij: het wereldraadsel hoeft niet altijd opgelost te worden, je kunt ook over ditjes en datjes praten en daar gelukkig mee zijn. Niet de inhoud van de woorden, maar het gevoel van saamhorigheid weegt dan het zwaarst.
Dat er toch nog wat te winnen valt bleek in de loop van ons etentje. Ik had een onderwerp aangesneden dat me belangrijk leek. Ik had de vorm van een open vraag gekozen: hoe gaan jullie om met….?
Plotseling kreeg ik de wind van voren van een dierbare vriendin. Een beetje opgewonden zei ze dat ook ‘normale’ mensen last van piekeren en sociale spanningen hadden. Dat is uiteraard waar, zei ik, maar bij de gevoelige typjes, de kliniektypjes om het zo te noemen, kwam dat allemaal harder binnen. Zij misten een stevige kern die hen overeind hield en waren eerder van slag. Mijn vriendin reageerde onverwacht fel. Dacht ik soms dat ik het alleenrecht had op dit soort ongemakkelijkheden?
Hier was iets uit zijn gewone orde verwrikt en omgekeerd, in stuitligging ter tafel gekomen: zij voelde zich blijkbaar geroepen om zich te verdedigen voor het feit dat zij het leven aankon zonder de psychologische back up van therapieën, mediteren of medicatie. Ik schrok een beetje, trok me terug achter een glazen wand, en besloot, gepikeerd én geamuseerd, het onderwerp verder maar te laten rusten.
Wat was er gebeurd? Was ik te veel gaan koketteren met mijn gevoeligheid, had dat irritatie opgeleverd? Was ik zo arrogant geworden dat ik mijn eigen kruidje-roer-me-niet-zieltje als norm was gaan stellen? Ik besloot het voorval maar als een nieuwe stap voorwaarts te interpreteren. Ik had open gesproken over wat me bezighield, zoals ik geleerd had, maar niet op een schuchtere toon. Ik had met flair en luide stem mijn zwakheden gedebiteerd. Misschien te luid: mogelijk had ik op de ijdele schrijver Frank Harris geleken die, bij een soortgelijk dinertje,‘was thinking about God at the top of his voice,’ zoals tafelgenoot Oscar Wilde later noteerde. Dat had geen meevoelende aai over de bol opgeleverd maar een gezonde reactie van weerzin. Twee gelijkwaardige mensen hadden even een aanvaring. Het ging hard tegen hard. Ik werd niet ontzien.
Als het waar is dat ik ooit gehospitaliseerd ben, dan was op dat moment de dehospitalisatie een feit.


(Illustratie: karikatuur van Frank Harris door Max Beerbohm)

dinsdag 25 januari 2022

SALES

 


Beste lezers,

In december verschenen: de eerste bundeling columns van dit blog. Alles van Rookzanger (toen nog zonder "voorheen"), van het prille begin in 2010 tot en met 2012.
Verschenen tussen aanhalingstekens, want ik heb dit fraaie boek in eerste instantie voor mijzelf en mijn nageslacht laten drukken. Niet in de winkel, geen ISBN, geen bol.com. Maar wie wil mag uiteraard meelezen. Graag! Stuur me in dat geval even een berichtje. Als u mij vervolgens 20 euro overmaakt geef ik de drukkerij opdracht om een exemplaar aan te maken, dat ik u laat toesturen.
Waarschuwing: deel II volgt al spoedig, en deel III en IV zullen in de loop van de komende maanden verschijnen. Dus als u aan verzamelwoede, volledigheidsdrang of een dergelijke compulsieve stoornis lijdt, bent u met één deel nog niet klaar. 
Een tevreden lezer stuurde me bovenstaande foto.
Kloek, ouderwets leesboek. 250 pagina's. Hardcover, 193 x 260 mm. Omslagontwerp naar een negentiende-eeuws voorbeeld door Rosanne van Spaendonck.

Ach, nu ik toch bezig ben: ik heb hier thuis nog enkele exemplaren liggen van de volgende boeken. Net als de winkels in deze tijd van het jaar wil ik ze voor een zacht prijsje van de hand doen. Zolang de voorraad strekt, 10 euro per stuk.
Voor meer informatie, klik op de titel.

Bankjeszomer
De sigarenwinkel

Ook van het prachtige, bibliofiel uitgegeven (met de hand gezette en gedrukte) boek met vertalingen van de liefdespoëzie van Louis Aragon heb ik nog (drie) exemplaren in de aanbieding. 30 euro per stuk. Daarna is het geheel uitverkocht. 

Mijn prachtig ongeluk

En natuurlijk, mijn veelgeprezen, ultieme boek over Koning Alcohol. Mag ook voor een tientje weg: 

Interesse? U kunt mij mailen: jpvanspaendonck@gmail.com


(Foto: Frank Bak)


dinsdag 3 mei 2011

GODEN

We zaten op het terras, mijn Italiaanse vriend en ik. We dronken koffie verkeerd, die hij latte macchiato noemde. Voor ons lagen een paar blikjes pijptabak. Mijn vriend was net naar mijn voormalige werkgever Davidoff geweest om in te slaan. Ik stopte een pijp van zijn Davidoff Royalty en stak er de brand in. Op straat passeerde een oude man met een stok. Ik herkende een medepijproker in hem, meneer A., en stak groetend mijn pijp op. Hij veranderde van koers en liep naar ons tafeltje toe. 
 Een jaar of vier geleden had ik het vuur onder mijn muzikale loopbaan laag gezet en zocht ik een bijbaantje, zover mogelijk van de muziekwereld vandaan. Zo kwam ik als zelfbenoemd pijprookexpert bij Davidoff terecht, waar meneer A. een van mijn vaste klanten was. Twee maal per week verliet hij zijn huis en liep hij de van Baerlestraat uit om zijn drugs te halen, zoals hij zijn pakje Voortrekker noemde. Hij was na een operatie blind en doof aan één kant en leed aan evenwichtsstoornis, dus het was een hele onderneming, die hij traag maar monter voortstappend aanging. Vief zwaaiend met zijn stok, in uitgaanstenue: een olijfgroen tweed colbertje, zijden choker, een wollen pet. Waterige ogen achter een stalen brilletje gericht op de weg voor zich. In de winkel maakte hij graag een praatje, liefst over filosofische onderwerpen. 

Meneer A. was een gepensioneerd leraar geschiedenis. Hij was belezen en welbespraakt, maar hield zich ook een beetje van de domme. Hij keek alsof hij uit hoger sferen was afgedaald en zich verwonderde over wat hij hier beneden allemaal aantrof. Misschien was dat ook wel zo, na die operatie. Hij hield van een beetje flauwe, rituele grappen. Als ik hem zijn pakje tabak had aangereikt zei hij steevast: ‘Nu moet ik wel oppassen, want ik zou er bijna een goed humeur van krijgen, en dat is gevaarlijk.’ 
 Op het terras keek hij ons een beetje onzeker aan. Ik vroeg me af of hij mij eigenlijk wel herkende. 
 ‘Zo heren, hard aan het werk, zie ik,’ besloot hij te zeggen. ‘Daar houd ik van, van hard werken. Ik kan er uren naar kijken.’ 
We gniffelden plichtmatig. ‘Ik heb u lang niet gezien,’ zei ik. ‘Hoe gaat het met u?’ 
Hij trok een verbaasd gezicht. ‘Ik zou het niet weten. Daar denk ik nooit over na. Met stemmingen en gezondheid is het immers zoals met het weer. Je hebt er geen invloed op. Het is in handen van de goden.’ 
Mijn vriend, die een pijp was gaan stoppen, keek geïnteresseerd op. 
 ‘U spreekt in het meervoud.’ 
‘Ja, natuurlijk. Ik houd het meest van de Griekse goden. Die hebben toch iets menselijks, vindt u niet?’
Hij aarzelde nog even, draaide toen een halve slag rond zijn stok, en kwam in de goede richting uit om zijn weg te vervolgen naar zijn dealer. 

 Een paar dagen later moest ik aan deze terrasscène denken. Ik was opgestaan in een kwade stemming en was aan het piekeren geslagen, hoewel ik in de kliniek geleerd heb dat ik dat nu juist niet moet doen. Waar kwam deze bui vandaan? Benarde dromen? Een geestelijke kater van Koninginnedag? De sombere slagschaduw van Dood en Drama op deze door Anne Frank geregeerde dagen, die zo scherp contrasteert met de vrolijke meimaand? De onrustige, koude wind en het felle licht? Of toch weer te weinig aan lichaamsbeweging gedaan, niet hard genoeg gewerkt, te veel toegegeven aan introspectie en mijmering? Loslaten moest ik het, dit zinloze gepieker, ik schoot er niks mee op. 
Maar wat ik ook probeerde, de zwarte nevel bleef omhoog walmen uit de put waarin hij was begonnen. Tot ik plotseling aan meneer A. dacht. 
Het is vreemd om te zeggen, maar ik voelde me op slag beter. Ik stopte mijn caballero zonder filter terug in het pakje en stak een mooie pijp op, die ik op de vrijmarkt had gekocht, voor een habbekrats. 
‘Daar denk ik nooit over na, dat is in handen van de goden.’ 
Ik moest lachen. Zo eenvoudig kan het zijn.

vrijdag 5 februari 2021

Vreemden in de nacht


 


Dezer dagen ben ik bezig om, samen met mijn goede vriend Robert Eksteen, een groot aantal liedteksten te vertalen. Vijfenzestig in totaal. De bedoeling is dat daarvan nog dit voorjaar een boekje wordt gemaakt, dat zal verschijnen ter gelegenheid van ons beider vijfenzestigste verjaardag. De teksten zijn afkomstig van zeer uiteenlopende artiesten en hebben slechts deze ene gedeelde eigenschap: dat we ze artistiek de moeite waard vinden en dat ze in ons leven iets betekenen of betekend hebben. Nu ik vanmorgen niet hoefde te bloggen van mezelf (zie mijn vorige stukje), kon ik de tijd vrij maken om me over mijn ooit innig geliefde Sinatra te buigen. Geen literair hoogstandje, deze gelikte tekst, maar het betekende wel de start van een nieuwe carrière voor de zanger die er al twee op had zitten. Popster in de sixties!



Vreemden in de nacht


Vreemden in de nacht

Ogen die glanzen 

Vragen aan de nacht

Wat zijn de kansen

Dat wij samen zijn

Nog voor de morgen gloort?

Iets in hoe jij kijkt 

Was zo verslindend

Iets in hoe jij lacht 

Was zo opwindend

Iets in mijn gevoel 

Zei me dat het zo hoort

 

Vreemden in de nacht 

Eenzame mensen, beiden vreemden in de nacht

Tot het moment kwam van die aarzelende groet 

Wisten we niet goed

Hoe de liefde lokken kan en adem zomaar stokken kan

En sinds die ene nacht

Voor altijd samen

Liefde onverwacht

Niet te beramen

Heeft zoveel gebracht

Voor vreemden in de nacht

 

JP

 

Strangers in the Night

Frank Sinatra, van het album Strangers in the Night (1966)

Auteurs: Bert Kaempfert, Charles Singleton, Eddy Snyder

 

(PS: hoewel ik dit liedje met veel plezier heb vertaald, ziet het er naar uit dat het de selectie niet gaat halen. Het valt een beetje uit de toon bij de rest van de teksten. Jammer dan. Doebidoebiedoe!)

donderdag 2 november 2023

Allerzielen 2003-2023


Het is Allerzielen. Ik brand een kaarsje of drie (waxinelichtjes in marmeren houdertjes) en denk aan mijn gestorven dierbaren, het worden er elk jaar meer.
Het stormt, een storm met een Ierse naam. Ook twintig jaar geleden: Allerzielen 2003 (een donkere, kille zondag), stormde het. Anoniem: stormen gingen toen nog naamloos door hun kortstondige, woeste leven.
Mijn vriendin en ik kenden elkaar pas een half jaar. We wilden iets moois smeden uit de chaos die ons omringde en organiseerden die dag een Allerzielenconcert. In haar klimop-overwoekerde loods, die voor de gelegenheid door een bevriende kunstenaar uit het dorp met kunst- en vliegwerk, droogbloemen, mottige opslag en bric-à-brac was omgetoverd tot een spookachtig theater. Ik schreef er eerder over op dit blog: De wind woei hard, het plaatijzeren dak klepperde. Straalkacheltjes gloeiden op en er brandden kaarsen. Het publiek zat in winterjassen op gammele stoeltjes. Ik zong mijn melancholische liedjes, begeleid door mijn zoon. Na afloop was er soep en wijn.
Een fijne herinnering, een knipogend baken in een moeilijke tijd.
Twee goede vrienden die er toen zo nadrukkelijk en vooral zo vanzelfsprekend bij waren zijn nu voorgoed weg. Mijn destijds meest recente, en mijn op een na oudste vriend.
Aan Frank wijdde ik al eens een sonnetDit is voor G.

Tekortschietend grafschrift 

Een halve eeuw waren we dik bevriend,
Het waren vijftig intensieve jaren.
We hebben veel gelachen - ook gegriend,
Al wilde jij ons dat het liefst besparen.

We waren als het moest best vooruitziend.
We zouden nog wat levenskracht bewaren
Voor als we ouder werden: ook bijziend
En gammel lustten we een ouwe klare.

Het grienen trof mij onverwacht en hard.
Het leven volgt zijn eigen wrede wetten.
Maar mettertijd verminderde die smart.

Jij kon nog zó loyaal mijn tranen betten,
Die om jouzelf zijn, ongedeeld, verstard.
Ik kan ze slechts in marmerletters zetten.


dinsdag 1 november 2011

MULISCH


Zoals iedere Amsterdammer ben ik Harry Mulisch wel eens tegengekomen. De eerste keer op een koude natte winteravond. Ik sloot aan bij een rij wachtenden voor een taxi op het Leidsebosje. Daar beende de beroemde schrijver de rij voorbij en stapte zonder een spoor van aarzeling in de zich openende auto. De laatste jaren zag ik hem vaak op maandag. Hij stapte uit tram 5 en liep kwiek naar Le Garage, waar zijn eetclub zich verzamelde. De grote markante kop bovenop een iel lichaampje, in spijkerbroek en tweed jasje. Een wandelende buste eigenlijk.
In mijn vriendenkring was Mulisch lezen not done. Wij waren meer van Reve (“Mulles, niets als vulles, Reve, da’s pas leven.”). Mulisch was te gelauwerd, te onaantastbaar, te succesvol. De dwarskonten die wij waren werden wantrouwig. Wat iedereen zo prijst, daar moet wel een luchtje aanzitten. Ik las nu en dan tòch wat van hem, iets kleins en behapbaars, en velde het oordeel: intellectuele charlatanerie. Inhoudloos geschitter.
Omdat ik tegenwoordig veel oordelen van vroeger moet herzien, hapte ik toe toen ik op mijn wandeling een kartonnen doos in een portiek zag staan. Er zaten boeken in, en een briefje: ‘gratis meenemen voor de geïnteresseerde’. Ik stak een boekje van Mulisch in mijn zak. Omdat de Nachttrein naar Lissabon abrupt tot stilstand was gekomen begon ik meteen te lezen. Het boekje heet De elementen. Op bladzijde één ergerde ik me al lichtjes aan de toon. ‘Neem het volgende’, begint het. Gevolgd door: ‘Stel...’. Aan het woord is de verteller, die zich richt tot zijn hoofdpersoon. Hij presenteert zijn verhaal als een hypothese: dit alles zou hem, de hoofdpersoon, kunnen overkomen. Wij, de lezers, mogen met dit onderonsje meelezen. Graag zelfs, want voor de duur van 154 pagina’s zijn we, door inleving, de hoofdpersoon. Volgt een verhaal dat heel kort samenvat als volgt luidt: een succesvolle reclamejongen is met zijn gezin op vakantie op Kreta. Bij het duiken wordt hij opgeschept door een blusvliegtuig dat een lading water gaat lossen op een bosbrand. Hij sterft.
Tot zover het raamwerk, ontdaan van symbolische krullen. Het eigenlijke onderwerp is de midlifecrisis van de carrièremaker, zijn slechte huwelijk, zijn ontluikende besef van de sterfelijkheid en de betrekkelijkheid van alle dingen. Omdat de verteller almachtig is in dit verhaal krijgen we en passant heel wat van zijn eruditie en zijn levensfilosofie mee, vaak vervat in kittige oneliners.
Maar nu: ergens halverwege het boek wordt het reclamegezin toevallig op een luxe jacht uitgenodigd. Het is een feestje van de zeer rijken, en aanwezig zijn onder meer Herbert von Karajan, Frank Sinatra, Henry Kissinger, Jackie Kennedy. U lacht nu, terwijl u dit leest, ongelovig. En terecht. Maar nu komt het gekke: door die verteltruc die Mulisch op bladzijde één al toepaste, is de passage niet ridicuul. Integendeel, ik las hem gefascineerd, bijna met rode oortjes, en liet me betoveren door de fonkelende woorden en de onaardse sfeer. Deemoedig moest ik vaststellen dat die Mulisch toch wel wat kon.
Maar toen ik het hoofdstuk de volgende dag herlas vond ik de betovering niet terug. En na het wegleggen van het boek verstomde de stem van de verteller definitief en viel alles uiteen tot de losse elementen die hij had gebruikt: mythe, filosofie, een vleugje exacte wetenschap, paradox, symbool, een fabel ter grootte van een krantenberichtje, nogal behaagzieke bellettrie. Tot losse woorden en beelden, kortom. Er restte mij alleen de herinnering aan een leeservaring. En een vraag. Want wat had Mulisch me nu eigenlijk willen zeggen? Ik had geen flauw idee.
Vroeger voelde ik me gesterkt als ik bevestigd werd in een vooroordeel, maar tegenwoordig ben ik eerder teleurgesteld.

vrijdag 28 mei 2021

BUCKET LIST


In de film The Bucket List legt Morgan Freeman desgevraagd aan Jack Nicholson uit wat hij daar op dat papiertje aan het krabbelen is. De beide zestigers zijn terminaal ziek en delen een kamer in het ziekenhuis. Freeman maakt, zegt hij, een bucket list. Een lijst van dingen die hij nog wil doen before he kicks the bucket - voor hij de pijp uitgaat. Blijkbaar was het tegenwoordig te pas en te onpas gebruikte begrip in 2007 nog zo ongewoon dat het een uitleg behoefde. Ik googelde, en inderdaad: deze specifieke verlanglijst bestond al wel, maar door de gelijknamige film is de term populair geworden.
The Bucket List is een tragikomedie met een nogal voorspelbaar verhaal. Maar wat er voorspelbaar (en sentimenteel) aan is wordt ruimschoots gecompenseerd door het fenomenale spel van de beide legendarische acteurs, die als verbale munitie een slim en scherp geslepen script meekregen. Ze zijn op hun best: Nicholson, die nogal eens wil schmieren, houdt zich in toom en zet een overtuigende excentrieke tycoon neer die onder invloed van zijn sympathieke kamergenoot zijn geharde cynisme uiteindelijk laat smelten en zijn hart opent voor de dochter van wie hij vervreemd is. Freeman is een erudiete en zachtaardige automonteur die eigenlijk historicus had willen worden; maar ja, hij was pas vader geworden, young, black and broke, er moest brood op de plank komen, dus het liep anders. Nicholson haalt de aarzelende Freeman over om woorden in daden om te zetten. Gesteund door zijn onmetelijke kapitaal trekken ze, zolang het nog kan, de wereld in. Ze skydiven, autoracen, bezoeken exotische plaatsen en hebben het geweldig naar hun zin, getuige hun jongensachtige geschater. Wij lachen met ze mee, want de twee veteranen hebben een aanstekelijke lach. 
Dit geluk kan natuurlijk niet duren, dat is de essentie van een bucket list. Freeman krijgt er na een ruzie genoeg van en gaat terug naar vrouw en kinderen. Het einde verklap ik niet voor het geval u de film nog niet gezien hebt. Maar zoals het hoort in dit genre is het droevig en troostend tegelijk. 

Mijn vriend Frank had, toen hij zijn vonnis ('hooguit een jaar') had gehoord ook een bucket list, zonder het overigens zo te noemen. Een vrij bescheiden lijstje. Hij wilde nog een keer met zijn dochter naar het Zwitserse dorp waaraan hij zulke goede herinneringen had. En er waren wat culturele dingen die hij nog wilde doen. Een bezoek aan het verbouwde Stedelijk Museum bijvoorbeeld, en aan het Haarlemse Teylers, waar hij nog nooit geweest was.  Het was een mengsel van oud en nieuw, dat hij gelukkig nog ruimschoots wist te realiseren.
Zelf denk ik, als ik me zo'n to do lijstje voorstel, eigenlijk vooral aan dingen die ik nóg een keer wil doen. Iets nieuws ontdekken om te moeten vaststellen dat je het niet op een later tijdstip kunt herhalen heeft iets droevigs. Had ik maar eerder... Het realiseren van dromen wordt dan een bevestiging van de eindigheid van elke droom. Stel, ik ga uiteindelijk toch een keer naar Athene of Tokyo, en ontdek dat het de stad is waar ik altijd al had willen wonen... spijt is dan het onvermijdelijke gevolg van de actie, en dat is nu juist niet de bedoeling. Je hebt aanpakkers en mijmeraars. Ik behoor tot het laatste type en zou eerder kiezen voor een lijstje met herhalingsoefeningen die het verleden belangrijker maken en dus de tijd minder vluchtig doen schijnen, dan voor al die sensatie van verre landen en gedurfde ondernemingen. Een rendez-vous met Florence liever dan een expeditie naar New York. Eerder dan bengelend aan een elastiek onderaan een brug of aan een pas op het laatste moment openspringende parachute zou je me kunnen terugvinden op een terrasje aan een rivier, in een slaperig Luxemburgs stadje. Ik zou er roemers Elbling drinken en misschien zelfs zo'n lelijk oudroze pakje Maryland sigaretten aanschaffen, als die nog bestaan. En ik zou er een beetje denken aan vroeger natuurlijk, maar niet te veel. De vertrouwdheid van de plaats, de schaduw van het vroegere geluk, dat is genoeg.


zondag 27 maart 2011

CLASSIC ALBUMS


‘Verlaag je niet naar je publiek maar til het op naar je eigen niveau.’ Aan die woorden van Frank Zappa moest ik denken toen ik gisteravond naar een aflevering van Classic Albums keek. In die voortreffelijke serie wordt de ontstaansgeschiedenis van telkens een ander toonaangevend popalbum getoond. Er wordt uitgebreid en rustig ingegaan op compositie, arrangement, opnametechniek en andere technische aspecten. Voor muzikanten razend interessant, maar gezien de kijkcijfers ook voor leken. Die voelen zich serieus genomen en kijken graag mee in de keuken; ook al kennen ze niet alle ingrediënten, het is een genot om de kok aan het werk te zien.
Gisteravond was het de beurt aan een Nederlands vervolg op de oorspronkelijke Britse serie. Shpritsz (1978) van Herman Brood and the Wild Romance kwam aan bod. En wat gebeurde er, nu onze landgenoten het overnamen? U raadt het al, het ging vooral over Broods middelengebruik en levenswandel. Voor de vorm speelde gitarist Danny Ladenmacher een enkel stukje gitaar, deden de dames van de Bombita’s nog een keertje doowap, blies Bertus Borgers een fraaie riedel op zijn sax, en werd een draaiende spoel in beeld gebracht, maar daar bleef het zo’n beetje bij. Toegegeven, er is over die muziek niet zo heel veel te zeggen (in elk geval niet zo heel veel goeds, wat mij betreft), maar op zijn minst hadden de makers toch een serieuze poging kunnen wagen. Want er moet toch meer te melden zijn dan wat we allemaal al wisten: die Herman Brood, dat was me er eentje.

vrijdag 5 juni 2020

ZOMERBOEK


Daisy Ashford schreef The Young Visiters in 1890, toen ze negen jaar oud was. Ze deed in die tijd niets liever dan lezen én schrijven. Hele schriften vulde ze met alinealoze, nauwelijks van leestekens voorziene pagina's in potlood; ademloos genoteerd alsof ze bang was de draad van haar fantasie te verliezen.
In 1917, Daisy was inmiddels 36, vond ze het schriftje terug in een la. Schrijven deed ze allang niet meer, al niet meer sinds haar tienerjaren. Ze leende haar jeugdige novelle aan een vriendin die herstellende was van de griep. Het schriftje ging door verschillende handen en belandde uiteindelijk in die van Frank Swinnerton, redacteur bij uitgeverij Chatto and Windus. Die was zo enthousiast dat hij besloot het boekje uit te geven - precies zoals het was; dus zonder interpunctie, en met de talloze spellingfouten van het negenjarige meisje. 
J. M. Barrie, auteur van Peter Pan, schreef desgevraagd het voorwoord. Het was een onmiddellijk en doorslaand succes. Alleen al in 1919, het jaar van verschijnen, werd het boekje 18 keer herdrukt. Omdat de auteur verder onbekend was, werd Barrie lange tijd aangezien voor de echte schrijver ervan - het zou om een literaire hoax gaan.

Ik heb The Young Visiters, or Mister Salteena's Plan gevonden in een bak van antiquariaat Feniks in de Pijp. Zevende druk. De rood-gemarmerde kaft en de rug van bruin linnen onderscheiden het van de omliggende paperbacks. Ik sla het open. Achter een bruin geworden blad vloeipapier zie ik het portret van een mollig meisje, ze kijkt nogal koket en eigenwijs weg van de lens. De bladzijden zijn ongelijk van grootte, ze zijn ooit opengesneden. Ik verwonder me over de rare spelling (rarther flabergasted?), lees een paar aanbevelingen van Barrie en besluit tot aanschaf. Voor een euro mag het mee.

Mr Salteena was an elderly man of 42 and was fond of asking peaple to stay with him. He had quite a young girl staying with him of 17 named Ethel Monticue.

Zo. De oude viespeuk. Tweeënveertig nota bene! Jonge meisjes te logeren, eh? Ik zit op een bankje aan de Jozef Israëlskade, aanvankelijk een beetje verveeld maar algauw geboeid door wat ik lees. Het is warm. Een eerste vermoeden begint te dagen over het waarom van dit literaire succes. De Victoriaanse wereld, high society, gezien door de ogen van een kind. Een vrolijke boel, lang niet zo vormelijk als we dachten. Wij volwassenen begrijpen de werkelijke drijfveren van de personages, die Ashford als in een sprookje beschrijft, en gniffelen vertederd om wat we lezen. Die maatschappelijk omhoogstrevende Salteena, die les krijgt in het heer-zijn (wat vooral neerkomt op het bezitten van de juiste zwart-satijnen knickerbockers), en die hitsige Bernard Clark, die niet kan wachten om het mooie meisje Ethel te, eh... huwen. Next morning while imbibing his morning tea beneath his pink silken quilt Bernard decided he must marry Ethel with no more delay. Ik leg het boek die middag een paar keer weg, op de verschillende bankjes van mijn lange wandeling, omdat ik er een beetje melig van begin te worden, maar uiteindelijk lees ik het toch uit, op mijn balkon. Een geslaagd zomerboek. Menig Suske en Wiske-album brengt het zover niet.

Of Daisy een wonderkind mag heten weet ik niet. Ze schreef leuk, kleurig, had een levendige verbeelding, gevoel voor humor en een goed oog voor detail. En het is natuurlijk een wonder dat een meisje van negen een novelle niet alleen begint, maar ook voltooit. Barrie: '[...] for when children turn author they usually stop in the middle, like the kitten when it jumps.'
Maar vooral had het boekje de tijd mee. Het was 1919. De Great War was net voorbij. De Spaanse griep woedde over de wereld, snel verspreid door de massale feesten waarmee de terugkerende troepen werden verwelkomd, en zou alleen al in Engeland 400.000 slachtoffers eisen. Een beetje kinderlijke onschuld, een beetje simpele nostalgie naar die goeie ouwe hoge-hoeden-tijd, dat kwam wel van pas. 

Daisy Ashford overleed in 1972. Als oude dame pakte ze nog een keer de pen op om haar autobiografie te schrijven. Maar anders dan bij haar grootste succes stopte die sprong in het midden.


woensdag 23 juni 2010

GIFT

Ik heb gisteren een pijp weggegeven.
Nu zult u zeggen: o ja? En? Wat dan nog?
Maar voor mij was het een doorbraak.
Ik heb pijpen gekregen van vrienden. Geerten heeft me drie pijpen gegeven. Een als cadeau, twee, die waren aangeschaft in een impuls die naderhand verkeerd bleek.
Frank, een andere broeder in de pijpwereld, wel vier. Pijpen die hem niet bevielen, die bij mij in betere handen waren.

Maar ik kon dat niet. Een pijp, eenmaal in mijn bezit, hoort bij mij. Een pijp is een verlengstuk van, of zo je wilt een deel van je persoonlijkheid. Vraag me niet dat uit te leggen, ik kan het niet.
Het enige wat ik weet is dat ik in mijn vorige pijprookperiode, zo rond mijn twintigste, vaak droomde over pijproken. En altijd had het roken van een pijp iets te maken met mijn wezen, mijn identiteit. Het klinkt idioot en dat is het ook, ongetwijfeld, en ik heb het zelf ook nooit begrepen, maar het is niettemin waar. Nog steeds: ik kan minuten lang dubben over de keuze van de pijpen die meegaan als ik het huis verlaat. Gekte? Waarschijnlijk wel. Maar dan toch een gekte die op de een of andere manier iets te maken heeft met de essentie van mijn leven. Ma pipe, c’est moi.

Daarom was het een krankzinnig en tegelijk veelzeggend gebaar, om gisteren een Savinelli ‘Oscar Tiger’, toch zo’n 80, 90 euro, weg te geven.
Mijn collega Vincent en ik zaten in de auto. We hadden een concert gegeven.
Had ik sigaren bij me? Nee, maar steek een pijp van me op. En ach ja, jongen, houd hem maar.

Ik was weer enthousiast voor La Passione, waarin ik zoveel energie en liefde heb gestopt, - god, wat hebben we niet een goeie tijd gehad! Optreden voor het Koninklijk Huis, Concertreizen naar Napels, 7 cd’s, afijn, ga zo maar door... en ik vond Vincent opeens ook weer zo aardig. Alle bedenkingen en problemen van de afgelopen jaren waren opeens verdwenen!

Dus, die pijp is een symbool van een doorstart, laten we het daar maar op houden. Het gat in mijn pijpenrekjes wordt wel weer gevuld, daar ben ik niet bang voor.

dinsdag 4 augustus 2020

Farmhouse Fest

'Hippies!' - 'Een padvinderskamp.' - 'Alternatief hoor.' - 'Wat krijgen we nou? Vikingen.' - 'Kijk mama, mensen uit de middeleeuwen!'
Zo maar wat reacties van voorbijfietsende dagjesmensen. Soms geamuseerd, soms afkeurend. Een enkele keer draaiden ze hun hoofd zo ver naar ons toe om te zien wat zich daarbeneden in dat weitje rond de appelboomgaard afspeelde, dat ze het gevaar liepen om op een naderende tractor of melkwagen te botsen.
Wat zich daar afspeelde, drie, vier dagen lang, deed mij nog het meest denken aan mijn dagen als - inderdaad - hippie. Toen we met alle langharige blowers rond een vuur zaten te kletsen, giechelen en zingen bij onze Hut op het Vogeleiland. Ver van de gewone burgermanswereld, in een wereld die we zelf improviseerden op een braakliggend stuk land in Tuinstad Slotermeer. 
Geblowd werd er nu niet, de ijskast in de bijkeuken was volgestouwd met blikken bier (dat uit koeienhorens werd gedronken) en de dozen met gember-, kastanje- en dennenmede bleken amper toereikend. Gepraat, gelachen en gezongen werd er wel, en zelfs gedanst: een rondedans op de soundtrack van een 'Hardcore Medieval Party Mixxx' die via Bluetooth over het terrein klonk. 
En gegeten! Frank, net terug van een foto-opdracht in Stonehenge (geen grap!) bereidde op bewonderenswaardige wijze een monsterlijk grote zalm, gewikkeld in bladeren: de ene helft in een met plaggen toegedekte kuil waarboven een vuur van rokende houtblokken brandde, de andere vastgespijkerd aan een plank die naast het vuur stond. Hij had er ervaring mee en we hebben zelden of nooit een malsere, sappigere zalm gegeten. Verder waren er knoflookbrood met vele toespijzen, zelfgemaakte wedges, gepofte zoete aardappelen en pizza's. Het ontbijt bestond uit eigengemaakt zuurdesembrood, fruit en gebakken eieren.
Als oude man werd ik niet alleen gedoogd, maar ik mocht ook gewoon meedoen. Met een archaïsch Scandinavisch behendigheidsspel getiteld Kubb bijvoorbeeld, waarbij je met stokken paaltjes moest omgooien volgens ingewikkelde regels. En als ik soms rustig wilde zitten lezen dan was dat vanzelfsprekend, want mijn jonge vrienden deden dat ook. 
Een haas huppelde het veld op en sloeg ons verbaasd maar rustig gade voor hij via de tenten in het weiland van de buren verdween. De zwaluwen en de vleermuizen vlogen af en aan, ganzen gakten en snaterden, het weer was ons goed gezind - alleen op de dag van vertrek brak er een onweer los, gelukkig nadát de tenten waren ingepakt. Thor aan het werk, net voor de Godenschemering.
'En was het niet vermoeiend, waren vier dagen niet wat te veel?', wilde mijn broer vanuit Zeeland weten.
Ja en nee, antwoordde ik. Ik geef toe dat ik, toen we de laatste avond op de verlaten provinciale weg naar de maan stonden te staren, die op een haartje na vol was, dat ik toen - ik aarzel het te bekennen - twee manen zag, die alleen teruggebracht konden worden tot één enkele, als ik een van mijn ogen sloot. Dat was de vermoeidheid, zullen we maar zeggen.
Maar ik zou het meteen overdoen, dit kleine zusje van het geannuleerde Castlefest, als dat kon: geen zorgen - even geen Coronapraat, geen mondkapjes, geen Tozo, geen Amsterdam, geen wereldnieuws. 
Escapisme, zo u wilt, maar wat was het fijn.