Een van de tenoren van mijn koor vond dat ik The History of Sound moest gaan zien. Hoewel de synopsis me verwarde (een mengsel van romantisch drama en volksmuziekregistratie op de wijze van Alan Lomax? Wat een vreemd uitgangspunt!) had ik belangstelling - maar het kwam er niet van, de film ontliep me: hij draaide alleen als ik niet kon, en waar ik niet was.
Deze week lukte het alsnog, in Rialto aan de Ceintuurbaan, op een woensdagmiddag met een koorrepetitie in het vooruitzicht. Mijn vriendin kwam ermee en ik stemde in een onbewaakt ogenblik toe. Zelf zou ik zo'n moment nooit gekozen hebben.
Ik sloot mijn ogen voor de reclame, keek naar de grond tijdens de trailers voor andere films, en concentreerde me fris op het doek toen het begon. Eén ding was al snel duidelijk: ik zou bepaalde eisen aan waarachtig- en waarschijnlijkheid overboord moeten gooien wilde ik van het gebodene genieten.
In een voice-over vertelt de ik-persoon, de Ierse acteur Paul Mescal alias Lionel Worthing, dat hij als jongetje opgroeide op een boerderij in Kentucky, begin 20e eeuw. Hij leerde volksliedjes van zijn vader en viel op het plaatselijke schooltje op door zijn zuivere stem. Ook had hij een absoluut gehoor en had hij de gave van de synesthesie: hij zag muziek in kleur,- een D was geel, etc. We moeten dit maar van hem aannemen, voorbeelden zien en horen we niet.
Hij wordt aangenomen op het conservatorium van Boston, afdeling zang. Weer moeten we het voor zoete koek slikken: áls hij gaat zingen, in een rokerig café, is het een liedje uit zijn jeugd, met halve stem. De film focust op zijn homo-erotische relatie met kettingrokende compositiestudent Josh O'Connor alias David White. Er wordt veel verliefd gekeken, weinig gezegd. Dit zal de rest van de film zo blijven.
De Eerste Wereldoorlog breekt uit, David moet naar de loopgraven, Lionel gaat terug naar de boerderij, want de school sluit voortijdig.
Na de oorlog keert David terug uit België, op het oog ongeschonden. Hij vraagt Lionel per brief om hem te vergezellen op een studiereisje. De twee trekken, gewapend met een tent en een fonograaf, door de wildernis van Maine. In afgelegen dorpen verzamelen ze volksmuziek, die op wasrollen wordt vastgelegd. Mooie natuurbeelden, prachtige liedjes, en wat klinken die wasrollen goed! En wat zingen die locals prachtig, niks van de rauwheid die je verwacht, anno 1920 in het achterland; en al die fijne Keltische trillers en versieringen, nét Sandy Denny of The Chieftains - Woody Guthrie, Muddy Waters, eat your heart out!
Na de trip gaat Lionel naar Europa. Zijn ene jaar conservatorium blijkt genoeg om hem een positie in Rome te bezorgen in een prestigieus ensemble in het Vaticaan. Hoewel hij er maar kort woont spreekt hij vloeiend Italiaans met zijn nieuwe minnaar, een jonge cellist. Het koortje verveelt hem (mi annoia questo choro...), en hij krijgt een positie aangeboden in Oxford. Daar zien we hem een universiteitskoor dirigeren en een liefdesaffaire hebben met een mooie, rijke vrouw (ook de hetero's in de zaal moeten aan hun trekken komen nietwaar), voor hij terug naar de boerderij gaat waar zijn moeder op sterven ligt.
Overvallen door heimwee reist hij naar Maine om David weer te zien. Hij vindt er slechts diens weduwe. David heeft zelfmoord gepleegd, hij kon de gevolgen van de shellshock niet meer verdragen. Nu snappen we waarom zijn hand even trilde in een close-up en waarom hij zo weinig over de oorlog kwijt wilde.
De weduwe belooft de wasrollen op te sturen, maar Lionel vergeet in zijn verdriet om zijn adres achter te laten. Lionel treurt nog een tijdje, zoekt plekken op in het Lake District waarover David hem lyrisch had verteld.
In een laatste scene ontmoeten we de bejaarde Lionel (andere acteur, Chris Cooper). Inmiddels een beroemd etnomusicoloog. Hij promoot zijn nieuwste boek in een tv-interview, we schrijven 1980. Niet veel later wordt er een kist bij hem thuis bezorgd: de wasrollen! De nieuwe bewoonster van het voormalige huis van David had ze op zolder gevonden en wist niet wat ze ermee aan moest. Ze zag hem op tv, hoorde hem vertellen over zijn studiereis, en 1 en 1 was 2. Lionel speelt een rol af en hoort ontroerd een boodschap van David, over de tijd heen aan hem gericht, opgenomen op de dag van zijn dood. Einde.
U vindt misschien dat ik cynisch klink - was het dan geen mooie film?
Jawel, bij vlagen. De sfeer was goed, de acteurs prima, muziek en beelden mooi. Alles zeer esthetisch, en de recensent van The Guardian had wel gelijk toen hij schreef dat de film te veel ontzag had voor zijn eigen droefheid ('bloedeloos, pijnlijk smaakvol', 'verlamd onder het vernis van zijn verfijning' - u dacht dat IK cynisch was?!).
Maar: ik kan best tegen een hoge dosis romantiek, zelfs als die zoet is en de pulp benadert. Waarom ontroerde het vergelijkbare romantische drama Loch Ness (wetenschappelijke excursie, landschap, liefde) me twintig jaar geleden mateloos en liet deze film me onberoerd? Toch niet alleen wegens het opvallende, totale gebrek aan humor?
Deze norse muzikant zou de makers alle onwaarschijnlijkheden hebben vergeven, als er een sprookje verborgen was onder het dunne verhaal, als er, zoals in Loch Ness, sprake was van een allegorie, een levenswijsheid verpakt in een scenario. Precies dát was het wat ontbrak: een substraat, een diepere laag van betekenis. The History of Sound is een tamelijk summier uitgewerkte liefdesgeschiedenis in een snel en oppervlakkig geschetst tijdbeeld. Voor het verhaal had het niets uitgemaakt als die twee jongemannen cowboys waren geweest in plaats van musici. De wasrollen en hun muziek voegen iets toe aan de film, zeker, maar niet iets wezenlijks.
Nu komt het en toch, maar dat is zuiver persoonlijk, en geen verdienste van regisseur Oliver Hermanus.
Sinds ik AOW ontvang vind ik dat ik ook maar eens het leven van een pensionado moet gaan leiden. Vergeet die weekend-werkweek-tweedeling: je kunt toch net zo goed doordeweeks iets leuks gaan doen, naar de film, naar een museum? Ik bleef dat maar associëren met vrije dagen, met aansluitend café- en restaurantbezoek, met uitgaan. Op een gewone dinsdag of donderdag mocht dat niet, van een of ander duivels en ingesleten arbeidsethos. Misschien heeft dit filmbezoek, vlak voor een koorrepetitie, me geholpen me maar eens minder achterlijk compulsief te gaan gedragen.
De dag na de bioscoop gingen mijn gedachten uit naar liedjes die ik vroeger heb gemaakt maar nooit heb uitgevoerd, of althans héél zelden, en heel lang geleden. Misschien heeft het met de fonograaf te maken, misschien ook niet. En passant kwam ik een oude tekst tegen, twintig jaar terug op muziek gezet. De muziek ben ik allang kwijt, geen idee hoe die klonk. Maar toen ik me nieuwsgierig achter de piano zette kwamen er flarden terug. En de rest maakte ik opnieuw, in de geest ván. Mijn dochter kwam onder de douche vandaan en vroeg: wat was dat voor liedje? Mooi was het, vond ze. En heel anders dan ik meestal maakte. Bluesy.
Ik dankte mijn innerlijke fonograaf en speelde de wasrol nog maar eens af.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten