vrijdag 10 april 2026

Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?

Onze Paasreisjes begonnen ooit toen ik het heel druk had. Ik had juist een derde koor erbij genomen, een operettevereniging, en was bijna alle avonden op pad om te repeteren, en de weekenddagen ook, als de voorstelling naderde. Om even bij te komen, dat eerste jaar, boekten we een hotel, dat, zo stelde ik me voor, een ouderwetse naam en dito uitstraling moest hebben en zich liefst in het Oosten van het land moest bevinden. Het werd de Gouden Karper in Hummelo, nog net niet de Gebraden Haan uit de Bommelverhalen, maar het kwam in de buurt.
Het uitje beviel goed en met Pasen op hotel werd een traditie, ook toen de drukte na Corona geluwd was doordat de zieltogende operetteclub er na ruim 100 jaar de brui aan gaf.
Dit jaar besloten we na zes keer Twente of Achterhoek en twee keer Zuid-Limburg iets verder van huis te gaan. Tijdens een kleine herfstreis afgelopen november hadden we Waldschlöschen ontdekt, een rustieke en ouderwets betaalbare oase van rust aan de rand van een beboste berg in het Teutoburgerwoud. Daar zouden we Pasen doorbrengen. 

De voortekens waren goed. Het weer zat mee, we hadden geen sluimerend griepje zoals vorig jaar en de auto was in goede staat, zodat de kans op een kapotte distributiekabel, die ons vorige uitje op de valreep een nare bijsmaak had gegeven, zeer klein was. De verrekijker ging mee, natuurlijk, een paar vogelboeken, een roman waarin waarschijnlijk zeer weinig gelezen zou worden, en een bundel Duitse romantische poëzie voor de sfeer; deze keer had ik voor Eichendorff gekozen. Geen regenjas, een warm colbertje volstond, tenslotte was het lente. Ik had op Google ontdekt dat onze oosterburen nog meer aan paastradities hechten dan wij. Er waren overal vuren daar, en in Bad Iburg was een grote paasmarkt in middeleeuwse stijl. Dat bleek een variant op ons vaderlandse Castlefest te zijn, met verklede vrouwen met elvenoortjes en mannen met bijlen, mede van het vat en elkaar luide treffende geharnaste ridders in een toernooi.

Na het introductie-bier in het hotel, zondagmiddag, met een vrieskoude Korn ernaast, maakten we een wandelingetje naar een kleine waterval. Onderweg smeulde op een bergweide een vuur, door een paar mannen aangewakkerd of uitgetrapt, dat was niet meteen duidelijk. Mijn vriendin dacht dat het misschien een nog levend restant van gisteren was, maar ik zag de schragen tafels met flessen en was niet zeker. Door de schnapps onbevreesd geworden stapte ik op de mannen af. Neen, zojuist aangestoken, zei een toeschietelijke meneer. We praatten een tijdje over de toenemende regelgeving (ik kon niet op het woord voor formaliteiten en formulieren komen maar hij begreep me best) die dit soort leuke dingen steeds verder in het nauw brengt, ook in het wat ruimere buurland, en zo kwam het gesprek op de jacht. Hij monsterde mijn mosgroene truitje, mijn bruine tweedjasje, mijn hoed, mijn baard, mijn verrekijker, en vroeg: Sind Sie vielleicht auch ein Jäger?
Bij het watervalletje zag ik maar liefst drie grote gele kwikstaarten. Mijn vogelweekend was al goed maar zou nog beter worden. Op de terugweg naar het hotel zong ik Schubert, Der Jäger, uit de Schöne Müllerin. Als de toon eenmaal gezet is krijgt zo'n vakantietje algauw een soundtrack mee, en die bestond dit jaar uit met bejaarde bariton gebromde Wanderlieder en uit het blaffende geknor van de Raven - mijn eerste officiële waarneming - die ik de volgende morgen boven de woudrand zou zien scheren op de thermiek; ook mijn vogel-app aarzelde niet en wist het zeker: common raven. 

Iets minder tevreden was ik over mijn zelfbeheersing. Na de eerste avond overvloedig gedineerd te hebben besloot ik de maag de volgende dag te ontzien en het bij gebraden oesterzwammen op een bed van stamp van zoete en gewone aardappel te houden. Digestieven streng verboden, zelfs geen Alte Marille, hoe lekker die abrikozenbrandewijn ook had gesmaakt, en op de kamer hooguit nog één nachtmutsje. Maar na drie grote glazen Grauburgunder in de zon sneuvelde dat voornemen over paddenstoelen en zwichtte ik weer voor de verleiding van een schnitzel ter grootte van een deurmat. Tenslotte ben je niet elke dag in Duitsland. Dat het de foute keus was besefte ik de volgende morgen toen ik het ontbijtbuffet vrijwel onaangesproken moest laten.


(Illustratie: een tamelijk foute, waarschijnlijk met AI gemaakte 'visualisering' van Schuberts lied, door de Duits-Russische pianiste Evgenia Fölsche)


Geen opmerkingen: