Het uitje beviel goed en met Pasen op hotel werd een traditie, ook toen de drukte na Corona geluwd was doordat de zieltogende operetteclub er na ruim 100 jaar de brui aan gaf.
Dit jaar besloten we na zes keer Twente of Achterhoek en twee keer Zuid-Limburg iets verder van huis te gaan. Tijdens een kleine herfstreis afgelopen november hadden we Waldschlöschen ontdekt, een rustieke en ouderwets betaalbare oase van rust aan de rand van een beboste berg in het Teutoburgerwoud. Daar zouden we Pasen doorbrengen.
De voortekens waren goed. Het weer zat mee, we hadden geen sluimerend griepje zoals vorig jaar en de auto was in goede staat, zodat de kans op een kapotte distributiekabel, die ons vorige uitje op de valreep een nare bijsmaak had gegeven, zeer klein was. De verrekijker ging mee, natuurlijk, een paar vogelboeken, een roman waarin waarschijnlijk zeer weinig gelezen zou worden, en een bundel Duitse romantische poëzie voor de sfeer; deze keer had ik voor Eichendorff gekozen. Geen regenjas, een warm colbertje volstond, tenslotte was het lente. Ik had op Google ontdekt dat onze oosterburen nog meer aan paastradities hechten dan wij. Er waren overal vuren daar, en in Bad Iburg was een grote paasmarkt in middeleeuwse stijl. Dat bleek een variant op ons vaderlandse Castlefest te zijn, met verklede vrouwen met elvenoortjes en mannen met bijlen, mede van het vat en elkaar luide treffende geharnaste ridders in een toernooi.
Bij het watervalletje zag ik maar liefst drie grote gele kwikstaarten. Mijn vogelweekend was al goed maar zou nog beter worden. Op de terugweg naar het hotel zong ik Schubert, Der Jäger, uit de Schöne Müllerin. Als de toon eenmaal gezet is krijgt zo'n vakantietje algauw een soundtrack mee, en die bestond dit jaar uit met bejaarde bariton gebromde Wanderlieder en uit het blaffende geknor van de Raven - mijn eerste officiële waarneming - die ik de volgende morgen boven de woudrand zou zien scheren op de thermiek; ook mijn vogel-app aarzelde niet en wist het zeker: common raven.
Iets minder tevreden was ik over mijn zelfbeheersing. Na de eerste avond overvloedig gedineerd te hebben besloot ik de maag de volgende dag te ontzien en het bij gebraden oesterzwammen op een bed van stamp van zoete en gewone aardappel te houden. Digestieven streng verboden, zelfs geen Alte Marille, hoe lekker die abrikozenbrandewijn ook had gesmaakt, en op de kamer hooguit nog één nachtmutsje. Maar na drie grote glazen Grauburgunder in de zon sneuvelde dat voornemen over paddenstoelen en zwichtte ik weer voor de verleiding van een schnitzel ter grootte van een deurmat. Tenslotte ben je niet elke dag in Duitsland. Dat het de foute keus was besefte ik de volgende morgen toen ik het ontbijtbuffet vrijwel onaangesproken moest laten.
(Illustratie: een tamelijk foute, waarschijnlijk met AI gemaakte 'visualisering' van Schuberts lied, door de Duits-Russische pianiste Evgenia Fölsche)



Geen opmerkingen:
Een reactie posten