vrijdag 22 december 2017

ZELFMEDELIJDEN


Voorheen Rookzanger twijfelde zwaar aan de zin van alles. Dat de schepping geen enkele zin had, dat wist hij wel. Hij was aan die gedachte gewend geraakt. Soms, als hij in een meditatieve bui was, kon hij er zelfs een troostrijke draai aan geven: als het allemaal toch niet uitmaakt, waarom dan niet een beetje plezier maken, dacht hij dan. En voor even smoorde hij zijn altijd zacht zeurende schuldgevoel in overmoedige zang en dans - het was misschien niet genoeg wat hij deed, bij lange na niet genoeg, maar meer kon hij niet doen; hij deed zijn best, heus waar.
Maar dat zijn eigen schepping geen zin had, dat was erger. Toch was het die overtuiging die hem vandaag plaagde en die zich niet wilde laten weerleggen, welke argumenten hij ook in het midden bracht en welke zelfhulptechnieken hij ook toepaste. Je moest lijstjes maken van je eigen verworvenheden bijvoorbeeld. Hij somde op wat hij allemaal had geschreven, gezongen en gedaan, het afgelopen jaar. Een tamelijk indrukwekkend lijstje, zelfs voor de laatbloeier die hij in sommige opzichten was. Maar wat baatte het? Als je ervan overtuigd bent dat wat je doet futiel is wordt zelfs het mooiste lijstje een opeenstapeling van futiliteiten.
Hij had koorts en een gemene keelpijn. Van het roken kon dat niet meer komen. Sinds hij gestopt was met roken en zich geen Rookzanger meer mocht noemen was zijn conditie verbeterd, zeker: hij wandelde als vanouds uren achtereen zonder op bankjes uit te rusten en rende weer de trap op. Maar hij was nu al voor de tweede keer binnen een paar maanden flink ziek. En voor zijn stem had hij het roken niet hoeven laten, die was na een aanvankelijke opleving weer net zo wisselvallig als toen hij nog zijn fijne pijpen rookte. Ach, wat miste hij die!

In het zaaltje van de bibliotheek zaten zes mensen. Altijd nog meer dan de vorige keer, toen het personeel er zelf maar bij was komen zitten om de vertoning nog een beetje geloofwaardig te maken. Ze kregen koffie uit plastic bekertjes en krentenbrood zonder spijs. Toen hij aan de beurt was las hij een paar columns voor en zong er wat toepasselijke liedjes bij - het scherpe randje van zijn keelpijn tijdelijk bot gemaakt met een flinke dosis paracetamol. Het handjevol publiek keek hem nogal blank aan - vriendelijk, maar ook afstandelijk. Alsof ze hem niet goed konden duiden, die vreemdeling die beweerde een van hen te zijn. Of lag dat aan zijn eigen koortsige, licht onwerkelijke waarneming? Feit is dat zijn collega's meer respons oogstten, met hen gingen de luisteraars in geanimeerd gesprek. Hij pakte de onverkochte exemplaren van zijn verhalenbundel in het achterste vak van zijn gitaarhoes, ritste die dicht, deed zijn warme jas aan, zette zijn misplaatste hoed op, en na zijn collega's te hebben gegroet liep hij naar zijn auto.
'Geen sneeuw en ook geen regen, het is onverschillig weer,' bromde Voorheen Rookzanger voor zich uit met zijn zieke maar geschoolde bariton. Als vanzelf liet hij de regels van het liedje overgaan in een nukkige alleenspraak, terwijl hij zijn besmeurde en gedeukte maar evengoed geliefde auto opende en zijn gitaar op de achterbank legde.
'Weet je wat? Van mij kunnen jullie allemaal het ik weet niet wat krijgen. Ik doe even lekker niet meer mee. Ik neem vakantie. Misschien neem ik wel een sabbatical. Misschien stop ik wel voorgoed, wie weet. Geen hond die mijn kunstjes zal missen.'
En vol zelfmedelijden maar vreemd genoeg ook in harmonie met zichzelf en de wereld reed hij naar zijn etage in de oude stad, waar de feestelijk verlichte kerstboom hem opwachtte. Hij aaide zijn poezen die geen weet hadden van enige zingeving en zette zich achter zijn computer. 'Nou vooruit, nog één stukje dan, om het af te ronden,' waren de laatste verstaanbare woorden die zijn biograaf opving. 

Zalig kerstfeest en een Gelukkig Nieuwjaar!


(Illustratie: Marten Toonder)



dinsdag 19 december 2017

WILD

Aan het einde van een doodlopende weg parkeerden we de auto. We liepen de Eilandspolder in. Anders dan de omliggende droogmakerijen is dat een lappendeken van drassig land, doorsneden door sloten en meertjes, bijeengehouden door houten bruggetjes - een soort bruingroene quilt. Minder geometrisch en leeg dan Schermer of Beemster, maar toch weids genoeg: als je om je heen kijkt zie je in de verte de spijkers die de lappendeken op zijn plek houden: de kerk van de Rijp, het spitse torentje van West-Beemster, de vuilverbranding van Alkmaar.

Een haas schoot weg en verdween uit het zicht. Ik vroeg me af waar hij zich in deze leegte verborgen kon hebben. Het gesprek kwam op pleinvrees. Hier ging het wel, zei ik, door de intieme aard van het landschap. Maar toch, er was nergens beschutting in zo'n polder, licht ongemakkelijk voelde ik me dan altijd wel, op zijn minst op mijn hoede. Mijn vriendin vroeg zich af waarvoor je dan bang moest zijn. Wat was er zo angstaanjagend aan de leegte? Ik herinnerde me dat mijn vader me die vraag ook eens gesteld had, precies zo, toen ik hem verteld had over mijn agorafobie. Ergens in de auto op de terugweg van Den Haag was dat geweest, meer dan dertig jaar geleden.

We kwamen langs een bergje afgekloven botten. Het leek of iemand de resten van zijn pannetje hazenpeper had weggegooid. Maar dan wel iemand die het wild ter plaatse had geplukt en verorberd: de grond was bezaaid met plukjes donzig bont.

Ik keek omhoog en stelde me voor hoe in dit stille binnenland, dat er vanuit de auto zo vredig uitzag, een drama had plaatsgevonden.  Een roofvogel had zijn prooi geslagen na een bliksemsnelle duikvlucht. Een snerpende gil, het kraken en scheuren van vlees en bot. En al die tijd het onverschillige suizen van de wind in het lege landschap.
Ik huiverde.



vrijdag 15 december 2017

v.h. Rookzangers notitieblog (23)


De gevreesde smartphoneverslaving laat op zich wachten. Nu het nieuwtje eraf is kijk ik er af en toe op, niet meer dan ik vroeger op mijn horloge keek. Het is precies wat het moet zijn: een luxe telefoon, een lulijzer met extensies.
Ik wil nog verder gaan: het lijkt zelfs (ik zeg dit voorzichtig) of mijn internetgedrag minder  compulsief is geworden door de nieuwe telefoon, in plaats van meer, zoals verwacht. Ik breng minder tijd door achter het beeldscherm van mijn pc, sinds ik het internet ook elders kan ontvangen. Het high tech doosje heeft me immers 's morgens al in een oogopslag laten zien wat ik aan nieuwe mails en berichten heb. Het spannende aanzetten  - in blijde verwachting - van de computer, koffie erbij, is verleden tijd: the thrill is gone. Ik doe hem nog wel aan, want helemaal vertrouwen doe ik het telefoontje nog niet; zeker de eerste dagen was het échte internet toch dat van mijn pc. Bovendien heb ik er andere dingen op te doen dan berichtjes lezen. Maar er komt een moment, denk ik, dat ik de rituele ochtendhandeling zal vergeten te verrichten. De ooit zo gretig verbeide kick van mijn eerste pijp, mijn eerste cafeïne, mijn eerste toverlantaarnplaatjes zal me dan net zo vreemd voorkomen als het onmiskenbare maar onvoorstelbare feit dat ik ooit, in een heel slecht jaar, meteen na het opstaan een halve liter bier soldaat maakte. Ik kan tenminste één reden bedenken voor dit onverwachte effect van de smartphone: nu ik op twee apparaten internet heb heeft het zijn exclusiviteit verloren, en daarmee zijn zuigkracht. Het is geen lokkend raampje meer waardoor ik gespannen blijf turen, het is overal in huis, op elk gewenst moment, net zo 'gewoon' als water, warmte en licht.

****************************************************************************

De feestdagen naderen. Met een beetje geluk betekent dat: een luie stoel bij de haard, en een glas binnen handbereik dat fonkelt in het kaarslicht. Omstandigheden die vragen om een fijn boek. Maar Het meisje met de zwavelstokjes, A Christmas Carol en Bezorgde Ouders hebt u al gelezen. Op zoek naar een ander winterboek, een echte seizoensroman, waarin de dagen korten en de sneeuw dwarrelt en knispert? Probeer De sigarenwinkel. Maak € 19,50 over op NL85 INGB 0680 2522 15 ten name van W.S. Huberts te Nijmegen, onder vermelding van 'Sigaar’ en met opgave van uw naam en adres. Let op, dit bedrag is inclusief verzendkosten.








dinsdag 12 december 2017

Kerstboom kopen


De kerstbomenverkoper lijkt op A. L. Snijders. Zijn wenkbrauwen zijn hooguit iets minder borstelig. Hij kijkt ons eens goed aan, herkent ons ondanks mutsen en kragen, en groet vriendelijk. We zijn laat, er zijn nog maar een paar bomen. Om ons heen duizelt de sneeuwjacht. Onze boom gaat de worstmachine in en wordt in een net gegoten. Ik tel mijn geld: net geen veertig euro. 'Vijfendertig is ook goed,' zegt Snijders. 'Ik heb het pinautomaatje al ingepakt.' We bedanken en zwaaien. 'Tot volgend jaar maar weer!'
Als we met onze aankoop door onze straat zeulen spreekt een voorbijganger ons aan: 'Wat zien jullie er kerstig uit!'
Mijn dochter zingt Weet u ook de weg naar Osdorp, een liedje dat ik bijna vergeten was, over een andere legendarische sneeuwstorm, die van precies zeven jaar geleden. Even later draaien we het plaatje, terwijl de boom staat uit te druipen.
De tekst van het liedje kan ik nergens meer vinden, het blogverhaaltje waarop het is gebaseerd wel. Zie HIER.


(Foto: Maria van Spaendonck)

vrijdag 8 december 2017

De wonderen der moderne telephonie

Groter contrast dan dat tussen de meisjes van de telefoonwinkel kon moeilijk bestaan. De een vlasblond en wasbleek, flegmatisch, de ander levendig en zwart als de in opspraak geraakte knecht van een katholiek weldoener. Maar allebei waren ze klein, slim, behulpzaam en goedlachs. Ze keken met grote ogen naar het antieke telefoontje dat ik hun voorhield en lachten verrukt  toen ik vertelde op de smartphone over te willen stappen. Ik was overstag gegaan, het mobiele celibaat was niet meer vol te houden geweest.
'Waar komt u vandaan?' vroeg de een. Ik zei dat ik vlakbij woonde, maar zag op hetzelfde moment mezelf door hun ogen: een oudere heer in een stemmige winterjas met een gleufhoed en een witte sinterklaasbaard. Waarschijnlijk had ze bedoeld te vragen of ik wel van deze planeet afkomstig was.
Thuisgekomen liet ik me door mijn dochters onderwijzen in de noodzakelijke vaardigheden die een smartphonegebruiker moet hebben. Ik merkte al gauw dat het internet dat je op deze dingen ontvangt van een gevaarlijker en agressiever soort is dan het internet dat mijn computer bezielt. Een eindeloze vloed reclame en andere nonsens spoelde over de Facebook-wall en door mijn mailbox. Ik zat daar met een geldig toegangsbewijs voor de Chaos in mijn hand.
Toen ik even later op bed ging liggen voor een middagdutje, als de bedaagde zestiger die ik ben, keek ik niet zoals gewoonlijk naar de wolken, maar scrolde ik langs YouTube-filmpjes. Met het excuus, voor mezelf, dat ik toch eens moest zien hoe mijn eigen video's het deden op een telefoontje: een gewoonte zou ik daar natuurlijk niet van maken - nee, ik niet!
Na het avondeten werd het onderwijs vervolgd. Gezellig op de bank naast mijn dochter leerde ik WhatsAppen, of eppen, zoals de volksmond zegt. Algauw werd mijn zoon op afstand in het complot betrokken. Lacherig (dat konden we zien aan de emoticons) en enthousiast uitte hij zijn bewondering voor zijn flexibele vader. Had ik een speciaal groot lettertype voor 44-plussers ingesteld? Nee natuurlijk, antwoordde ik, met een paars duiveltje erbij. Er klonk een fluittoon (mijn smartphone fluit schalks, zoals bouwvakkers heel vroeger deden naar een passerende vrouw) en - floep! - daar was een nieuwe groeps-chat geboren, de Gulden Groepsapp. Een familieberaad, al snel ging het over het aanstaande kerstdiner. Na een half uurtje kreeg ik er genoeg van en kondigde ik aan dat ik me terugtrok. Vanuit mijn bed hoorde ik in de verte het kokette fluittoontje nog lange tijd klinken, terwijl ik me in mijn boek probeerde te verdiepen. Ik had nu al heimwee naar mijn oude rode telefoontje, dat alleen maar simpele tekstberichtjes kon weergeven, en dat ik rustig op mijn nachtkastje durfde te leggen.
Vanmorgen verliet ik, tamelijk laat, in badjas en sloffen mijn slaapkamer. Ik trok de gordijnen open, gaf de katten te eten en knipte mijn pc aan. Maar lang voordat de vooroorlogse technologie van die machine op stoom was gekomen had ik op mijn wakkere telefoontje al gezien hoeveel mails en berichten ik had. Bovendien was er terwijl ik sliep een nieuwe groep aangemaakt, voor de opa's en oma's, met foto's van mijn kleindochter. En een vriend 'zwaaide' naar me, via Messenger, ik zag zijn fotootje rechts bovenin, hij lachte me toe. Toen het scherm van mijn pc eindelijk zover was dat ik ermee aan de slag kon gaan leek het allemaal oud nieuws wat dat apparaat te bieden had. Mijn blik dwaalde verveeld af, naar buiten. Daar begon het te sneeuwen. Voorwaar, de wereld is vol wonderen voor wie een Samsung Galaxy Grand Prime bezit.

donderdag 7 december 2017

Een winterboek


De feestdagen naderen. Met een beetje geluk betekent dat: een luie stoel bij de haard, en een glas binnen handbereik dat fonkelt in het kaarslicht. Omstandigheden die vragen om een fijn boek. Maar Het meisje met de zwavelstokjes, A Christmas Carol en Bezorgde Ouders hebt u al gelezen. Op zoek naar een ander winterboek, een echte seizoensroman, waarin de dagen korten en de sneeuw dwarrelt en knispert? Probeer De sigarenwinkel. Maak € 19,50 over op NL85 INGB 0680 2522 15 ten name van W.S. Huberts te Nijmegen, onder vermelding van 'Sigaar’ en met opgave van uw naam en adres. Let op, dit bedrag is inclusief verzendkosten.

‘Halverwege die maand begon het te sneeuwen. Het was daarmee het tweede opeenvolgende jaar met een ouderwetse winter, van het soort dat hij zich herinnerde uit zijn kindertijd. Dat zulke winters toen even zeldzaam waren geweest als ze nu waren besefte hij wel -  het geheugen is een zeef waarin alleen achterblijft wat substantie genoeg bezit. De mening van de man in de straat was evenwel dat klimaatpessimisten en andere globale doemdenkers voor niks paniek gezaaid hadden, en de omstandigheden leken de stem des volks grootmoedig gelijk te geven. Een gure wind blies sneeuwstorm na sneeuwstorm over het land, de wegen waren dichtgeslibd met files en de treinen reden volgens een krakkemikkige nooddienstregeling. Er heerste een mengsel van anarchie en saamhorigheid dat het ontregelde openbare leven in de stad bijna dorps gemoedelijk maakte.’

(De sigarenwinkel, hoofdstuk XI: De verbouwing)


dinsdag 5 december 2017

Heerlijk avondje


"We stonden in een rij te bibberen op de trap. De kolenkachel was nog niet aan en het was donker. Mijn vader ging voorop om te kijken of er niet nog een Zwarte Piet was achtergebleven. Als hij het plotseling niet meer vertrouwde huis voor veilig verklaarde haastten we ons naar beneden. Het komende half uur waren we elkaar en alles om ons heen vergeten en gingen we helemaal op in de cadeaus die op tafel stonden. Nooit zijn cadeaus mooier geweest dan toen: zonder pakpapier, strikken of linten in het halfdonker van de decembermorgen open en bloot en tastbaar uitgestald op een tafel waar gisteren nog niets had gestaan - een wonder."

(Uit: Sint, 6 december 2013)

vrijdag 1 december 2017

Geen kannetjes


Een kort, schor getinkel gaf aan dat de sessie afgelopen was. Hier in ons tot zendo omgetoverd buurthuis klinkt niet de zuivere, nazinderende toon van een klankschaal; de Zenmeesteres stelt weinig eisen, een bronzen belletje van beperkte capaciteit voldoet. Ik deed mijn ogen open en ving met mijn blik een meesje, dat druk zat te doen op een boomtak. Gefascineerd bleef ik kijken, al het andere vergeten. Om me heen klonken de geluiden van rekken en strekken. 'Maak bewegingen waar je behoefte aan hebt,' zei de Zenmeesteres. Ik bleef koppig zitten. 'En als ik nou toevallig behoefte heb om naar dit meesje te kijken?' dacht ik. Meteen daarna dacht ik dat ik een moment van onthechting had gekend, zo'n kostbaar moment waarnaar wie mediteert op zoek is; maar het eeuwige commentaar in mijn hoofd had er korte metten mee gemaakt.

Aan het eind van die sombere, druilerige en stille dag sms'te mijn vriendin. Of ik zin had ergens te gaan eten, ze was voor haar werk bij mij in de buurt.
Even later stonden we voor het raam van het restaurant van Yannis de Neus. Aarzelend: zouden we dat nou wel doen? Dit was een geliefd adres van vroeger, van mijn natte tijd. Sinds mijn 'bekering' waren we er nooit meer geweest. Een regenvlaag sloeg ons in het gezicht. 'Kom,' besloot mijn vriendin, 'als je belooft niet tot het gaatje te gaan. Geen kannetjes.' Ik beloofde het lachend. Ze doelde op de gewoonte van Yannis om als de zaken uit de hand liepen en er woest werd gedanst, met een kannetje rond te gaan waarmee hij de raki rechtstreeks in je mond goot. 'Die man drinkt zelf ook allang niet meer,' opperde ik.
We hadden gedacht dat de alcoholische Kretenzer ons na al die tijd niet meer zou kennen, maar hij omhelsde ons en begroef zijn enorme gok, die hem op een stripfiguur doet lijken, met een zoen in het rode haar van mijn vriendin. We kregen om te beginnen een salade, brood en wijn. Yannis warmde zich achter de bar op met een bel Metaxa, zong, zachtjes nog, mee met de rebetica.
Ik voelde me een beetje schuldig, bekende ik. Het was een gewone doordeweekse dag. Ik bedierf de standaard soberheid met dit uitstapje. Ik moest nog twaalf repetities en drie uitvoeringen leiden tot kerstmis, had ik uitgerekend, dan was ik vrij. Het meesje van die morgen nam de gedaante aan van mijn vriendin en sprak: 'Als je die adventskalender van jou netjes afgaat, al je werk doet en alles op alles zet tot je eindelijk een weekje vakantie hebt met kerst, dan rust daar al bij voorbaat veel te veel druk op. Dan kan dat alleen maar tegenvallen. Je moet toch ook van dit moment kunnen genieten? Beschouw het als een onverwacht cadeautje.'
Yannis kwam met borden konijn en kip. Op zijn T-shirt stond: 'Δεν ελπίζω τίποτα, δεν φοβούμαι τίποταείμαι λέφτερος.' 
Ik hoop niets, ik vrees niets, ik ben vrij.
Vrij is wie noch aan verslaving, noch aan verlangen, noch aan beperking gehoorzaamt. 

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Nog op zoek naar een Sinterklaascadeau? Een prachtig prentenboek voor jong en oud? Bestel: De meermin, het monster en de maan !



dinsdag 28 november 2017

Rochelend heen, gatkrabbend en krom


Vandaag precies vijftien jaar dood: Lennaert Nijgh. Ik blader in zijn brieven, denk aan hem zoals ik me hem had voorgesteld, denk aan hem zoals ik hem heb leren kennen, denk aan hem zoals ik hem nadien ben gaan begrijpen. Vergeten is hij allerminst, de mottige nachtuil Nijgh: zijn nagedachtenis is zelfs levendiger dan vijf, dan tien jaar geleden. Het boek Tobia, zijn enige roman, is voor de derde keer uitgebracht, er zijn een theatervoorstelling en een hoorspel naar gemaakt. 'Moet dat nou?' verzuchtte mijn vriend Karl, met wie ik ooit het boek deelde. Het voelt niet altijd prettig om het erfgoed van je jeugdhelden, dat ooit jouw persoonlijk bezit leek, zo uitgemolken te zien. Ofwel, in Karls woorden: 'Waar wij ooit, voetje voor voetje onze weg vonden, rijden nu de bussen toeristen af en aan, alles plettend.'
Overmorgen wordt een nieuw boek gepresenteerd van biograaf Peter Voskuil dat tot nog toe onbekend materiaal bevat. Er staan onder meer een paar brieven in die Lennaert aan mij schreef. Brieven die als volgt konden eindigen:

"Niettemin, laat er hoop zijn. Is het niet werkelijke hoop, dan maar uit de macht der gewoonte.
Ik doe van mij horen. Drink, heb lief en leef in vrede.

w.g. Oud & Ziek, & alle dagen Zat.

(rochelend heen, gatkrabbend en krom)"

of:

"Met sombere groet en mompelend in het duister weg strompelend, verdwijnt hij, de wonderlijke oude. Barrevoets en aangeblaft door de honden.
Mompelt: 'Kut!' Mompelt: 'Klote!'
En gaat, de winter tegemoet."

Ik kan deze vijftiende sterfdag, een dag waarop de hagel met knekelvingers op de ramen roffelt (vrij naar L.N.), niet laten passeren zonder iets over Lennaert te schrijven. Maar ik voel me machteloos; wat ik ook verzin, het wil maar niets worden, het blijft armoedig en overbodig. 'Gemompel van bedelaars', meer niet. Beter over Lennaert schrijven als de lente weer regeert en alles groen is, ook de herinnering.
Ik volsta met het citeren van het stukje dat ik hier vijf jaar geleden plaatste.
"Vandaag tien jaar geleden werd ik gebeld door Anja Bak. ‘Als je Lennaert nog wilt zien, moet je snel zijn.’
Ik sprong in de auto en reed naar Haarlem. In het Kennemer Gasthuis ving Anja me op. ‘Je bent net te laat, hij is een kwartier geleden overleden.’ Ik wilde naar zijn sterfkamer gaan. Ze hield me met zachte drang tegen maar kon niet verhinderen dat ik op de gang een brancard zag die werd weggereden. Daarop lag een uitgemergeld wassen beeld. Aan de gouden zeemansoorring herkende ik onmiddellijk mijn vriend.
Even later zat ik met de andere intimi in een kamer. Ze leefden al een dag of langer met zijn onafwendbare dood, dus waren een stap verder dan ik. Het gesprek had een gedempte opgewektheid. Boudewijn vroeg me iets over inzingen, hoe deden klassieke zangers dat? Lennaerts drie ex-vrouwen zaten zusterlijk bijeen en praatten over praktische zaken. Astrid zuchtte af en toe, pinkte een traantje weg en baste: ‘Die goeie Len. Arme jongen.’ Een verre neef zat er zwijgend bij. Hij wist zich niet goed een houding te geven. Hij was de erfgenaam maar kende zijn familielid volgens mij nauwelijks.

Mijn vriendschap met de Haarlemse dichter was een merkwaardige. Als we elkaar ontmoetten was het of daar twee afgezanten van onze werkelijke persoonlijkheden zaten, elkaar aftastend en verlegen met de situatie. Ik werd gehinderd door de bewondering voor mijn jeugdheld. Op mijn best maakte ik mezelf groter dan ik was en speelde met bravoure de man van de wereld. Op mijn slechtst voelde ik me volkomen misplaatst in de bruine cafés waarvan Lennaert zijn huiskamer had gemaakt, een kleine jongen tussen zware mannen.
Een enkele keer nam hij me mee naar een restaurant, om zonder het laconieke commentaar van zijn meeluisterende kroegmaten van gedachten te wisselen. Maar ook dan was het gesprek moeizaam. Nijgh kon zich slecht uiten en was bovendien moeilijk te verstaan: ‘Geheimzinnige Ziekte aan de stembanden’. Veelbetekenende korte opmerkingen en expressieve kreetjes, daar moest ik het veelal mee doen. Vaak was alles Zwaar Kut. Waarom precies, dat zou hij me in zijn volgende brief wel uitleggen. Ondertussen dwaalde zijn blik afwezig door de ruimte. Soms keek hij me even oplettend aan, maar ook dan was het of hij eigenlijk met een ander praatte en ik het toevallige onderwerp van gesprek was, dat hij eens goed moest observeren.
Die ander was hijzelf. Nijgh was een verlegen man, een eenzame wolf, die in zijn hart niets liever wilde dan liefde, warmte en wederzijds begrip, maar niet bij machte was die levensbehoeften te vervullen. Daarbij zat hij vooral zichzelf in de weg, want als ras-romanticus legde hij de lat hoog. De norm waaraan het leven moest voldoen was ergens in een ver verleden vastgelegd. Van zijn jeugddromen kon en wilde hij geen afstand doen. Dus vertoefde het meest wezenlijke deel van hem elders, in een binnenwereld, onbereikbaar voor zijn tijdgenoten.
Echte gesprekken met Lennaert had ik alleen op papier. In zijn brieven kon hij gevoelens die onder vier ogen onbespreekbaar waren makkelijker uiten en was hij soms pijnlijk openhartig. Vermomd met ironie en zelfspot, dat wel, of, als hij in een literaire bui was, zwaar aangezet met archaïsche frasen. Prachtige brieven waren dat, die me beurtelings tot tranen roerden en deden schaterlachen.
Toen die brieven in de laatste jaren steeds korter en droger werden wist ik dat hij zich uiteindelijk geen illusies meer maakte. Zijn dromen waren op, net als zijn lichaam."

vrijdag 24 november 2017

DE SIGARENWINKEL

Eindelijk is het zover. Het boek lag lang te sluimeren, eerst op mijn harde schijf, toen op die van de uitgever, maar nu mag het naar buiten. Het wordt losgelaten en is vanaf nu vogelvrij, iedereen mag erop schieten. En daarmee op mij - op de pijn die dat misschien gaat doen hoop ik voorbereid te zijn.

Waarom schrijft een mens een roman, als hij geen romanschrijver is? Omdat het een soort meesterproef is?
Liefhebbers van mijn manier van schrijven hebben vaak gezegd: 'Wanneer komt je boek?'
Er kwam een boek, maar dat bedoelden ze niet; een boek, dat is een roman, geen verzameling stukjes. Ik antwoordde dat ik geen roman in me had, geen roman ambieerde te schrijven. Sommige mensen zijn geboren voor de heldhaftige verfstreek op een paar vierkante meter linnen, andere voor het arceren met een tekenpennetje. Ik behoorde tot de laatste categorie.
Maar het kriebelde, het jeukte. En op een dag deden aanleiding en onderwerp zich voor. Ik liep langs de sigarenwinkel waar ik in slechte dagen had gewerkt en zag een advertentie. Zo'n zelfde advertentie had me er destijds doen solliciteren. De beginscène van het boek was er, samen met het euforische maar ook onzekere gevoel, dat ik op het punt stond een nieuw en spannend traject te beginnen.
De start bleek verrassend gemakkelijk. Jarenlang kalenders schrijven hadden me de juiste omgang met een omvangrijk werk bijgebracht: gewoon maar beginnen, niet te veel vooruitkijken en elke dag trouw een portie doen - op zeker moment is het dan klaar; vooropgesteld dat je structuur en grote lijn van meet af aan duidelijk voor je ziet.
Welnu, die zag ik. De geschiedenis die ik ging vertellen was immers waar gebeurd? Een afgeronde periode in mijn leven, een vertelling met kop en staart, die niet echt prettig was om aan terug te denken maar als boek, als roman, tenminste nog ergens voor zou deugen.

Maar na een paar hoofdstukken ontdekte ik dat ik vast zat. Hoezeer de werkelijkheid ook de richting aanwees, ik kwam niet verder in mijn verhaal. En toen nam ik een dapper besluit. Ik zou gaan verzinnen. Ik zou gaan liegen. Dat was toch waarin de fictie zich onderscheidde van de werkelijkheid, nietwaar? Een nieuwe hoofdpersoon deed haar intrede. Ik leende het uiterlijk van iemand die ik van gezicht kende en vulde dat in met een mengsel van vrouwen die ik beter gekend had. Toen ik mijn eerste regels van deze nieuwe verhaallijn intikte gaf me die handeling een duizelig gevoel. Dit was macht, dit was doodenge verantwoordelijkheid. Alles was mogelijk! Dus zo voelde de romancier zich...
Daarna schreef het boek zichzelf weer, het was vrij; het kon, binnen de beperkingen die de grote dramatische lijn stelde, alle kanten op. Aan het eind gekomen herschreef ik de eerste hoofdstukken, om ze meer te laten rijmen met de latere.

Het schrijven van De sigarenwinkel was pijnlijk. Ik heb weinig reden om trots te zijn op de beschreven periode en die werd genadeloos opgerakeld. Maar vanaf het moment dat ik nadrukkelijk (autobiografische) fictie schreef was het toch minder pijnlijk dan in het begin, toen het verhaal gelijk op ging met de werkelijkheid. Ik kon de toon lichter houden, humor een plaats blijven geven en de complexe situatie waarin ik toen verkeerde wat simpeler maken door een paar belangrijke personages weg te houden uit de vertelling. Uiteindelijk heeft het boek de herinnering voor een deel verdrongen: ik weet soms niet meer hoe het 'écht' ging; en heb meer vrede met die troep van toen. Je moet iets - met dank aan Ingrid Hoogervorst - eerst 'naar je toe schrijven' om het uiteindelijk toch 'van je af' te kunnen schrijven.

Hieronder citeer ik de reclametekst van de uitgever. Ik hoop natuurlijk dat u allemaal dit boek bestelt, al zou ik tegelijkertijd willen, dat niemand het las, echt waar. Tegen alle meewarige blikken bescherm ik me op voorhand door hard te roepen: 'Het is allemaal verzonnen hoor, het is maar een roman! Zo erg was het heus allemaal niet!'

"De sigarenwinkel is een psychologische roman vol zwarte humor. De neergang van de drankzuchtige hoofdpersoon wordt beschreven tegen het decor van het tabaksbedrijf met al zijn eigenaardigheden. Daarmee is het boek ook een zedenschets van een specifiek milieu, die in zijn satire hier en daar herinnert aan Voskuils Het Bureau. De hoofdpersoon, operazanger Pascal van Raemsdonck, besluit zijn vastgelopen leven een nieuwe wending te geven. Hij wordt verkoper in een chique sigarenwinkel. Maar anders dan hij verwacht zijn daarmee zijn zorgen zeker niet voorbij. Integendeel: zijn laatste beetje zelfrespect sneuvelt in de dagelijkse strijd met grotere ego’s dan hijzelf. De sigarenwinkel is na Rookzanger (2012) en Bankjeszomer (2014) het derde boek van Jan-Paul van Spaendonck (1956) dat bij Flanor verschijnt. Het is het romandebuut van de Amsterdamse musicus en auteur, die verder o.a. columns, verhalen, vertaalde poëzie en een kinderboek publiceerde."

Ik zou hier zelf nog aan willen toevoegen, dat het boek een klein monument heeft opgericht voor een verdwijnend tijdperk: dat van de roker. Het speelt in de tijd dat het rookverbod in de horeca er zou komen. Ik vond dat toen bizar en schandalig; en moet je nu zien: ik rook zélf niet meer!

De prijs van De sigarenwinkel (ingenaaid, 16 x 23 cm en 180 pagina’s) bedraagt EUR 19,50. Het boek is te verkrijgen door overmaking van EUR 19,50 op bankrekening NL85 INGB 0680 2522 15 ten name van W.S. Huberts te Nijmegen, onder vermelding van 'Sigaar’. Als u betaalt via elektronisch bankieren, vergeet dan niet uw adresgegevens toe te voegen. Na ontvangst van de betaling wordt uw bestelling zonder verdere kosten bij u thuis afgeleverd. Bij afleveradressen in het buitenland zullen de extra verzendkosten in rekening worden gebracht.


(Omslagontwerp: Rosanne van Spaendonck)



dinsdag 21 november 2017

LEPELAARS




















Mijn goede vriend De dwarse man publiceerde onlangs op zijn blog een gedicht. Lepelaars, heet het. Het gaat zo:


Een jongeling die wegvluchtte in dromen
ontdekte dat, een schoolse donderdag
terwijl de juf vertelde van een slag,
een lepelaarsgezin was aangekomen.

De schoorsteen van het gymlokaal, benest
door spatelsnavelige droomexoten,
staande op hun hoge, kromme poten
werd voor die vale trekkers een gevest.

Wat hij niet wist toen, is dat lepelaars
maar zelden uit hun eigen land van kassen
en drassig rietland naar de steden trekken.

Ze waren vreemd: verwaten klepperaars.
Hij zag hun nest, maar ook de zon, de plassen.
Hij zag de kuikens met hun korte nekken.

Strikt genomen laat het gedicht in het midden of deze gebeurtenis werkelijk heeft plaatsgevonden, of dat de schooljongen, van wie immers gezegd wordt dat hij wegvluchtte in dromen, haar heeft verzonnen. 'Droomexoten' staat er verderop, en dat pleit voor het tweede.
Maar de auteur zweert bij de historiciteit van het voorval. Tot mijn verbazing - want nog voordat er een strenge en letterlijke vogelaar langskwam die in een commentaar op het blog stelde dat lepelaars niet nestelen in schoorstenen en bovendien niet klepperen, bevreemdde het verhaal me al: ik zat bij de dichter in de klas, en kon er me niets van herinneren.
Maar... dat zei op zichzelf niet zoveel, want toen ik mijn geheugen afgraasde op zoek naar herinneringen uit die tijd, kwam ik tot de ontluisterende ontdekking dat er daar niet erg veel van te vinden waren. Mijn geheugen begint pas flink van zich te doen spreken zo rond de vijfde klas van de lagere school, de prepuberteit: met het schaamhaar kwam ook het zelfbewustzijn, en daarmee het isolement: denken werd een manier om greep op het leven te houden, het geheugen werd een belangrijk wapen in een verwarrende wereld. Daarvóór had ik maar wat gedobberd op de lauwe golfslag van het bestaan. Als je je veilig voelt heb je geen behoefte aan mentaal houvast - herinneringen en gedachten kunnen komen en gaan wat ze willen.
Ik heb altijd gedacht dat de afwezigheid van herinneringen aan die vroege jaren iets negatiefs inhield - iets van verdringing? - maar terwijl ik tevergeefs in mijn hoofd naar het beeld van een lepelaar zocht, besefte ik dat die vormeloze mist misschien wel een teken was van zorgeloos geluk.
Een zalige mentale staat, waarin zomaar lepelaars kunnen neerstrijken op de schoorsteen van het gymlokaal.


vrijdag 17 november 2017

Weersomslag en muziekpapier

Na dagen in een klamme, half verduisterde, gecapitonneerde kamer opgesloten te zijn geweest, een kamer die zich uitstrekte waar ik ook maar ging en geen deur naar buiten leek te hebben, voelde ik vannacht de muren van mijn gewatteerde gevangenis meegeven en openbreken. Ik had het benauwd gehad, nadat ik uit mijn eerste slaap wakker was geworden; de zenuwen die de hele treurige dag al gespannen waren geweest dreigden te knappen; ik wierp me van de ene zij op de andere. Ergens tijdens die worsteling moet er iets gebeurd zijn. Ik denk dat de weersomslag waarvan in het achtuurjournaal melding was gemaakt toen ingezet heeft. De stuwing van nutteloze energie, bonkend, kloppend op zijn ingesloten plaats, vond tastend een uitweg, een kanaal.
Ik had liggen denken aan de theaterproductie die we in juni op de planken gaan zetten. Angstige gedachten: zouden we het allemaal wel voor elkaar krijgen, en had ik wel voldoende tijd om te componeren, met al mijn drukke bezigheden? Ergens in dat wakkere, woelende uur sloeg die angst om in durf, begon ik kansen te zien en mogelijkheden te overwegen. Ik liet gedachten toe die ik tot dan toe uit de weg was gegaan (uit angst om teleurgesteld te worden, uit een huivering me te snel te veel te binden), en speelde ermee; ik stelde me scènes voor, droomde me er muziek bij. Nog een slapeloos uur verder en ik zat midden in een aria. Ik knipte het lichtje aan: halfzes. Zou het niet verstandig zijn om mijn idee op te schrijven, voor de slaap, die ooit toch weer moest komen, het zou uitwissen? Ach nee, dit onthield ik zo ook wel, meende ik. Maar ik werkte verder door met gesloten ogen en innerlijk gespitste oren, verzon details, tegenstemmen, contrapunt. Weer knipte ik het licht aan. Ik liep naar de vleugel, pakte een vel muziekpapier, en in bed liggend noteerde ik het lied.
Carmiggelt beschrijft ergens, in een brief aan Reve, hoe hij - halverwege de derde of vierde fles wijn - nachtelijke invallen noteert, die dan de volgende ochtend wartaal blijken te zijn.
Het eerste wat ik vanmorgen dan ook deed (hoewel van wijn geen sprake was geweest), was het haastig bekrabbelde vel muziekpapier op de vleugel zetten. Een paar stukjes bleken klinkend niet zo effectief te zijn als in mijn hoofd, daar zou ik nog wat aan moeten schaven. Maar verder was het een deugdelijk en bruikbaar stuk muziek, veelbelovend, vond ik zelf.
Ik trok de gordijnen open en zag hoe dat natte, grijze floers dat de wereld dagenlang had bedekt en bedrukt plaats gemaakt had voor een droge blauwe hemel.


dinsdag 14 november 2017

Koekjes, kroketten en worst

Voor de voorstelling zou beginnen liep ik nog even door de straat waar ooit mijn jeugdliefde Mirjam woonde. Het was toen al geen vrolijke straat. Op deze grauwe zondag in het najaar van 2017 vond ik haar ronduit deprimerend.
Terug in de bibliotheek waren mijn collega's gearriveerd. Maar hoe de wijzers van de klok ook tegen halfdrie aankropen, van enig publiek was nog geen spoor. Ja, één man in een hertjestrui, net als ik. Bij navraag bleek dat er aan promotie nauwelijks iets gedaan was, het was allemaal zo kort dag geweest. We stonden fronsend bijeen. Wat te doen? Cancelen? Mijn vriendin was er inmiddels ook. En het personeel. En nog een paar verdwaalde mensen die richting stoelen werden gelokt met een koekje en koffie. Toch maar wat lezen dan. Kort. Beknopt. Zonde van het geld, de tijd, de moeite, anders - we waren hier nu toch.
Mijn collega's namen het niet zo nauw met dat 'kort'. De man in de hertjestrui was een goede luisteraar, en misschien zagen ze in hun schrijversfantasie hele massa's toehoorders voor zich. Maar mij was, toen ik als laatste aan de beurt was, de moed een beetje in de schoenen gezakt, en ik besloot het bij een paar liedjes te houden. Na het monster van de Sloterplas en het Rieteiland waren de kroketten van een kwartje aan de beurt: 'Jaren later, in een trattoria, of in een sushibar, ver weg van West en van die dagen, lijkt alles soms bizar. Dan kan je plotseling verlangen, moe van al die chic, naar zo'n vette zak met vier kroketten voor een piek.'

Om troost te zoeken zouden mijn vriendin en ik wild gaan eten in Bak, een biologisch restaurant in het voormalige pakhuis het Veem, met uitzicht op de oude houthavens. Maar dat ging pas om zeven uur open, en het was halfzes. Ze verwezen ons naar wijncafé Worst, een paar straten verder.
Zo zaten we even later in de wijnkelder/eetkeuken van een gastheer met een rieten hoedje en een grote oorring. Een zwijgzame man met een grote zwarte roversbaard en een gekrulde snor zat aan een snijplank een pompoen te slachten. Tripel hadden ze niet, maar wel een Belgisch bier dat 'tripelish' was.
Maar koken konden ze, deze hipsters. Varkenspoot met cavolo nero, wildzwijnworst in komijn-kaneelsaus, bruschetta met artisjokkenpuree, geroosterde inktvis met piment d’Espelette, aubergine en tomaat, chocolade-notensalami. Het was heerlijk allemaal en ik voelde me mijlenver verwijderd van de Bos en Lommerweg. Die kroketten konden me gestolen worden.

vrijdag 10 november 2017

Dwarrelende bladeren

Mijn neef sms'te me dat hij eindelijk in Bankjeszomer begonnen was. En hij vond het erg geestig; opmerkzaam en geestig.
Ik was blij met de waardering, al kwam die wat laat. Ik antwoordde dat de meeste mensen het verhaal nogal deprimerend vonden; goed, zelfs meeslepend geschreven, maar deprimerend.
Mijn neef bleef bij geestig. Misschien omdat hij het beter begreep dan de meesten, zei hij.
Buiten hadden de bomen precies dezelfde okergele kleur als op de kaft van dat boek, zag ik. Jan Kusters moet zijn schilderij 'Rotonde met pijproker' rond deze tijd van het jaar gemaakt hebben.

Begin volgende maand komt mijn nieuwe boek uit. De sigarenwinkel. U kunt het alvast bestellen bij de uitgever, ik zet alle gegevens hieronder. Hoewel de komst van dit boek, mijn eerste roman, langverwacht was, ben ik er met mijn hoofd nog niet helemaal bij. Ik ben nog druk bezig ons kinderboek, De meermin, het monster en de maan aan de man te brengen. Gisteren liep ik nog als een vertegenwoordiger in bedrukt papier door de gele en natte herfst, met onder mijn arm een tasje met drie boeken, om die bij kinderboekenwinkel Casperle aan het Sarphatipark langs te brengen. Het was op dat moment dat die sms van mijn neef binnenkwam.
Vanmiddag ga ik voorlezen in de bieb in Osdorp, samen met een paar andere auteurs. Ik weet nog niet uit welk boek of welke boeken. De OBA kondigt het evenement aan als een muzikaal/literaire middag, dus ik neem aan dat van me verwacht wordt dat ik er ook een liedje bij zing. Ik ga me, als ik dit blogbericht heb afgerond, maar eens beraden over de selectie van vanmiddag. Het is natuurlijk pure luxe, dat ik kan kiezen uit verschillende publicaties. Maar met maximaal een paar honderd verkochte exemplaren per titel heeft het ook iets futiels, in dit jaargetijde. De bladeren vallen. Waartoe toch al dat ambitieuze geschrijf? Ik ben geen Astrid Holleeder en zelfs geen Astrid Nijgh, er zijn hooguit een paar mensen nieuwsgierig naar wat ik te melden heb, en zelfs die kunnen nog wel even wachten. De bladeren laten los, dwarrelen, vallen omlaag. Ik probeer het niet te zien, nip van mijn zwarte koffie en geef mezelf een por: vooruit, aan de slag, stem je gitaar, smeer je stem! De wereld wacht, zij wil bestormd worden!
"De sigarenwinkel is een psychologische roman vol zwarte humor. De neergang van de drankzuchtige hoofdpersoon wordt beschreven tegen het decor van het tabaksbedrijf met al zijn eigenaardigheden. Daarmee is het boek ook een zedenschets van een specifiek milieu, die in zijn satire hier en daar herinnert aan Voskuils Het Bureau. De hoofdpersoon, operazanger Pascal van Raemsdonck, besluit zijn vastgelopen leven een nieuwe wending te geven. Hij wordt verkoper in een chique sigarenwinkel. Maar anders dan hij verwacht zijn daarmee zijn zorgen zeker niet voorbij. Integendeel: zijn laatste beetje zelfrespect sneuvelt in de dagelijkse strijd met grotere ego’s dan hijzelf. De sigarenwinkel is na Rookzanger (2012) en Bankjeszomer (2014) het derde boek van Jan-Paul van Spaendonck (1956) dat bij Flanor verschijnt. Het is het romandebuut van de Amsterdamse musicus en auteur, die verder o.a. columns, verhalen, vertaalde poëzie en een kinderboek publiceerde."

De prijs van De sigarenwinkel (ingenaaid, 16 x 23 cm en 180 pagina’s) bedraagt EUR 19,50. Het boek is te verkrijgen door overmaking van EUR 19,50 op bankrekening NL85 INGB 0680 2522 15 ten name van W.S. Huberts te Nijmegen, onder vermelding van 'Sigaar’. Als u betaalt via elektronisch bankieren, vergeet dan niet uw adresgegevens toe te voegen. Na ontvangst van de betaling wordt uw bestelling zonder verdere kosten bij u thuis afgeleverd. Bij afleveradressen in het buitenland zullen de extra verzendkosten in rekening worden gebracht.


(Ontwerp boekomslagen: Rosanne van Spaendonck)



dinsdag 7 november 2017

Geschoolde stemmen, oudere oren

Ik zat naast de tenor. De tenor is aangetrouwd aan de vereniging, zijn vrouw zingt bij de sopranen, en hij is altijd van de partij. Hij ziet er met zijn vlinderdasje en zijn lichte wandelkostuum uit om door een ringetje te halen. Gesoigneerd, elegant, als een personage dat zo uit de boeken van Couperus komt stappen. Hij heeft tot zijn pensioen bij het koor van de Nationale Opera gezongen en heeft mijn vader nog gekend.
We hadden het over helden die we in het echt gehoord en gezien hadden. De akoestiek in het te kleine restaurant was erg slecht, de stemmen konden niet wegkomen en verdrongen elkaar. De tenor en ik konden elkaar maar nauwelijks verstaan. Geschoolde stemmen, maar oudere oren.
'..., ... FRITZ WUNDERLICH,' ving ik op. Ik knikte. Namen, dat ging nog wel.
HERMANN PREY, riep ik terug, was een van zijn beste vrienden geweest. Hermann Prey, die in Nederland nooit voor vol werd aangezien omdat hij ook operette en televisieshows deed. De ogen van de sopraan schoten vuur en de tenor zei iets dat ik niet kon verstaan, het ging verloren in een lachsalvo achter ons.
Inmiddels waren de tortelloni met salie en venkel opgediend, geserveerd in een plens botersaus waar mijn maag al na enige kussentjes van ging protesteren. Ik liet nog maar een glas wijn komen. Ik voelde een hand op mijn schouder. De tafel achter me vroeg mijn aandacht. Mijn hoofd maakte een spagaat.
Na het toetje, een sissend en pruttelend warm chocoladetaartje, gebeurde er wat ik bij de vorige gelegenheid ten onrechte had gevreesd. Er werd op een glas getikt. Het hels weergalmende mengsel van lachen en roepen nam af tot een geroezemoes. Of ik wat wou zeggen. De voorzitster gaf een voorzetje en daar ging ik. Het waren fijne concerten geweest, stelde ik vast. Ik ben geen groot voor-de-vuist-weg-spreker, maar de penningmeester wreef het me wel erg in: 'Het is goed dat je beter dirigeert dan dat je praat.' Amsterdamse humor, ik heb daar altijd moeite mee. Je lacht mee, een beetje zuur, maar valt stil daarna, tóch gekwetst, ondanks je poging om grootmoedig te zijn.
De volgende dag was ik volkomen gevloerd. Vermoeidheid en wijn speelden daarbij zeker een rol, maar de voornaamste reden was geloof ik toch de herrie, waarin ik me drie uur lang had proberen staande te houden. Mijn hersenen voelden beurs aan van al die prikkels en indrukken. Restaurants zouden niet alleen op de kwaliteit van eten en bediening, maar ook op de akoestiek beoordeeld moeten worden.


zaterdag 4 november 2017

Een vallende ster en een nieuwe planeet

Ik zat in mijn stamcafé, dronk een Duvel en las de krant. Het ging over Kevin Spacey. Ik vond het een troost voor Bill Cosby dat hij niet meer de enige gevallen ster is, maar dat terzijde en onder ons. Dat mag je misschien even, speels en dwars, denken of zeggen, maar niet opschrijven.

Is kunst automatisch fout als de maker ervan fout is? Een oude vraag, die ik lang geleden voor mezelf heb beantwoord, na veel getob. Nee, vind ik. Carl Orff was een hielenlikker van Hitler, maar de Carmina Burana is een eeuwig jong meesterwerk. Anders zou het geweest zijn als deze liederen een lans hadden willen breken voor het gedachtegoed van de nazi's. Dan krijg je het Céline-dilemma: de abjecte mens resoneert nadrukkelijk mee in het geschapene, dat daardoor medeschuldig lijkt te worden. Minder makkelijk op te lossen. Maar de Carmina draagt niet de sporen van de politieke standpunten van de componist. We mogen ze niet zomaar boycotten omdat de maker ervan fout is, dat is mijn mening. Dan zou de kunst het verliezen van de mens. En de kunst is superieur aan de mens, de kunst is het gesublimeerde mens-zijn, het beste wat we als soort te bieden hebben; ons Ideaal, ontdaan van onze dagelijkse zwakheden, ontrukt aan de zwalkende stroom van ons willekeurige leven.
Goed. Er is dus, in mijn gedachtegang, foute kunst, pijnlijk door en in zichzelf - en er is kunst die in wezen goed is, maar gemaakt werd door een foute maker. Als toneel, als film, als tv échte kunst is, en vergelijkbaar is met muziek, literatuur en schilderkunst, dan moeten deze disciplines langs dezelfde ethische meetlat worden gelegd waarmee we uiteindelijk Wagners Ring des Nibelungen het fiat hebben gegeven, en Shakespeare’s The Merchant of Venice, ondanks alles. En mogen we genieten van American Beauty of House of Cards zonder schuldgevoel. En kunnen we de mens Kevin Spacey verfoeien, terwijl we de acteur Kevin Spacey bewonderen. Zonder daar iets tegenstrijdigs in te zien.
Ik was grieperig, het was herfst. Omstandigheden die mijn geest altijd op een heel speciale manier beïnvloeden: een soort dromerigheid treedt in, een romantische belangstelling voor willekeurig wat, die gemakkelijk in fascinatie overgaat. Ik sloeg de pagina van mijn krant om en kwam in een artikel terecht over Proxima Centauri. Er was bij die meest nabije ster een planeet ontdekt, die mogelijk leven had voortgebracht. Er zijn plannen om een expeditie te sturen, die er dertig jaar over zou doen om daar te komen. Mijn blik zoomde uit, ver weg van MeToo en Kevin Spacey. Sciencefictionschrijvers worden versleten voor fantasten, maar zijn misschien wel de enige mensen op aarde die de realiteit onder ogen zien: dat de kans dat wij uniek en alleen zijn uiterst klein is. In dit machtige universum krioelt het waarschijnlijk van leven. Hoeveel MeToo-kwesties spelen er op dit moment, heelalwijd? Hoeveel Kevin Spaceys worden er aan de morele schandpaal genageld? Of hebben wij op aarde het alleenrecht op de ethica en het politiek-correcte denken? Wat is er algemeen aan onze conditie en wat is toevallig, specifiek?
Dertig jaar… ik zou de uitkomst nog nèt mee kunnen maken, als het naar huis zenden van de data tenminste dertigmaal zo snel gaat als de reis.

vrijdag 3 november 2017

Op een kotter het verleden in

Ik aarzelde lang of ik wel moest gaan. Ik was nog steeds zwaar verkouden, en daarbij: werd het niet eens tijd om het verleden te laten rusten? Lennaert was nu bijna vijftien jaar dood; bij de presentatie van de heruitgave van zijn roman Tobia, eerder dit jaar, had ik ook al gemengde gevoelens gehad. De nogal plichtmatige weemoed waarmee zijn gedachtenis kunstmatig in leven werd gehouden, de machteloze woorden die bij zo'n gelegenheid gebruikt werden, steeds dezelfde, het vergrijzende publiek, het ons-kent-ons-gevoel - het leek of ik aanwezig was bij een liturgie van een krimpende sekte: de boekhandel was hun schuilkerk, de zoutjes en nootjes hun hosties. Anderhalf uur voor aanvang hakte ik de knoop door. For old times' sake dan maar weer, en ik moest toch een beetje onder de mensen komen. Hoestend reed ik naar Haarlem.
In De Waag aan het Spaarne, bakermat van de Nederlandse folkscene, was het druk, je kon er je kont niet keren. Ik zag veel bekende gezichten, maar zagen ze mij ook? In Haarlem voel ik me een eeuwige buitenstaander. Ik had in februari toch nog een tijdje met Janwillem Schrofer staan praten, nu keek hij dwars door me heen. Ook oud-burgemeester Pop, die me bij menige gelegenheid heeft horen zingen, herkende me niet. Ik stapte op Astrid af, om wie het allemaal draaide vandaag: haar boekje Varen met de Jonge Jacob werd gepresenteerd. 'Weet je nog wie ik ben?' vroeg ik maar voor de zekerheid. We zoenden. 'Ik had je niet herkend, met die eh... hoed,' improviseerde ze. Ik weet niet wat dat is, ik geloof toch niet dat ik zo'n doorsnee kop heb; het zal een zekere afhoudende uitstraling zijn, die me parten speelt. 'Kom niet te dichtbij, ik ben hier wel, maar wil er liever niet zijn'. Of: 'Ik ben hier incognito, als anonieme verslaggever voor mijn eigen privékroniek; u wordt geacht mij te negeren'. Kijkt u maar naar de foto hierboven: daar staat een toeschouwer, een verdwaalde gast, per vergissing aanwezig, hoewel niet ongenood.
De ceremonie ging van start. Kees de Bakker, de sympathieke baas van uitgeverij Conserve, sprak. Astrid zong. Pop sprak. We kregen een glas en Astrid signeerde onze zojuist aangeschafte boekjes. Het was allemaal heus gezellig, en toch had ik dat gevoel weer: dat ik bij een ritueel aanwezig was. Onderweg naar huis kon ik iets beter duiden wat me dwars zat. Ik heb die mens gekend, die Nijgh. Vrij goed zelfs, voor zover iemand hem kón kennen. Iedere keer dat er zo'n monumentje voor hem wordt opgericht, met de bedoeling hem te eren, heb ik het gevoel dat hem tekort wordt gedaan: elke steen die er bij komt lijkt iets weg te halen van de levende Lennaert zoals hij nog in mijn hoofd woont. Monumenten zijn er voor de doden. En ik wil niet dat Lennaert dood is. Ik wil niet dat hij gemummificeerd wordt, dat zijn raadselachtige hoofd wordt versimpeld omwille van het begrip. Dat zijn vloeibare trekken worden gefixeerd. Ik had graag gehad dat ze een echt standbeeld van hem hadden gemaakt, in plaats van dat knullige ding met die letters achter de Sint Bavo. Maar zijn nagedachtenis mocht niet verstenen, en dat gebeurde onwillekeurig, iedere keer dat er zo in officiële sfeer het glas op hem werd geheven, voor een steeds ouder publiek van insiders. Zo ongeveer gingen mijn gedachten, terwijl het silhouet van Haarlem vervaagde en ik Amsterdam naderde.
De volgende morgen zette ik me met koffie en boekje in mijn stoel bij het raam. Ik merkte al gauw dat ik hier niet met een literair werk in handen zat. Astrid schrijft zoals ze praat. Maar toen ik daar eenmaal aan gewend was werd ik meegenomen, op het ritme van haar grillige zinnen, naar heel vroeger, naar de tijd waarin zij en Lennaert, pasgetrouwd, op hun kotter door IJsselmeer en Waddenzee voeren. Ik leerde nieuwe dingen. Ik begreep sommige dingen beter. Dit was geen grafmonument, integendeel: de aarde rond de marmeren sokkel werd weggegraven en de wortels van de keurige cipressen werden blootgelegd, en daar wriemelde van alles.
Ik pakte de biografie Testament erbij. Het was geen weemoed die me dreef - ik werd meegezogen in het verleden en wilde weten, wilde begrijpen. Het leven sinds 2002 vervaagde zoals het silhouet van Haarlem zich in mijn achteruitkijkspiegel had teruggetrokken. Om vier uur sloot ik beide boeken. Het begon te schemeren. Mijn dochter kwam beneden en ik klaagde tegen haar dat ik nog niets nuttigs gedaan had met deze dag. 'Je hebt toch gelezen?' antwoordde ze.
Ja, ik had gelezen. Zeker. Als een raaf.
En niemand kan beweren dat ik op deze Allerzielen de doden niet heb herdacht.

PS: Is er iemand die de storende fouten uit dat Wikipedia-lemma over Lennaert kan halen? Hij was niet de 'vaste vertaler' van Brel, als die zijn liedjes in het Nederlands zong - dat was toch echt Ernst van Altena. En zijn doodsoorzaak was heel wat complexer dan 'nierstenen' - men zie Testament.


(Foto's nr. 3 & 4: Ben van der Kooy, nr. 2: Hennie Harinck, nr. 5: Cor Mulder)

dinsdag 31 oktober 2017

BELASTINGCONSULENT


Elk jaar rond deze tijd bezoek ik mijn belastingconsulent.
Elk jaar als ik daar ben schrik ik van de snelheid waarmee de tijd verstrijkt.
'Weer een jaar voorbij,' stellen we lacherig vast als we elkaar een hand geven.
We zitten tegenover elkaar, de belastingconsulent en ik, en buigen ons over mijn inkomsten en uitgaven, net als een jaar geleden. In de tussentijd heb ik niet of nauwelijks aan de belastingconsulent gedacht. Pas als ik hem zo weer bezig zie denk ik aan onze laatste, vrijwel identieke ontmoeting, die gisteren plaatsgevonden lijkt te hebben.
Ik speur naar tekenen van veroudering in zijn gezicht, dat misschien iets dikker is dan de vorige keer. Het leek me dat hij zojuist iets strammer de trap opliep dan anders, maar misschien heeft hij zich geblesseerd bij het zondagse hockey. Want hij doet aan hockey, dat is een van de weinige persoonlijke dingen die ik van hem weet. Niet veel, na al die jaren.
Van mij heeft hij in het voorbijgaan heel wat meer meegekregen. Want bij het uitspitten van iemands financiële status komt het nodige boven tafel. Hij heeft mijn scheiding meegemaakt, mijn periode als sigarenverkoper, mijn klinische opname en mijn terugweg, de berg op: dat alles vertaalde zich in fluctuaties in de geldstroom.
Onze verhouding is niet meer hetzelfde. Vroeger kon hij me nog weleens de les lezen. Hij leek plezier te hebben in zijn superieure positie. 'Ik zal jou weleens even op je plaats zetten, zelfingenomen kunstenaartje!' leek hij te denken. Daar is in de loop der jaren niet veel van overgebleven, we zitten daar als gelijken, hij toevallig aan de ene, ik aan de andere kant van de tafel. Zijn rol in het systeem benut hij om mij zo goed mogelijk door het oerwoud van regeltjes te gidsen. Over elk behaald voordeel verheugen we ons beiden. Alleen als ik een precair onderwerp aanroer mag hij de stilte nog graag een beetje rekken totdat die dreigend wordt, en stelt hij het moment dat hij me het verlossende antwoord geeft zo lang mogelijk uit. Eerst roept hij zwijgend allerlei sites op, bladert in paperassen, tikt getallen in op zijn rekenmachientje, fronst moeilijk de wenkbrauwen, zuigt lucht aan tussen zijn tanden, trommelt nerveus op tafel. Hij laat me bungelen aan het koord dat zijn overwicht in kennis hem in handen geeft. Net als ik begin te vrezen dat het dit jaar wel op de gevangenis uit zal draaien strijkt hij met de hand over zijn hart. Een knipoog en een glimlachje. Het zal wel loslopen, het zal wel meevallen, het komt allemaal goed.
Een klein uur later schud ik zijn hand. 'Tot volgend jaar maar weer,' zeg ik, en ik voeg er sinds kort aan toe: 'bij leven en welzijn.'


vrijdag 27 oktober 2017

Het boek en het bed, en het park

Op het moment dat de koorts verdween ging het bed me tegenstaan. Ik had het er best fijn gehad, drie dagen lang. Mijn griepje ontsloeg me van verplichtingen en zorgde voor een ontspannen, zij het ook wat surrealistisch verblijf onder de allengs klammere dekens, waarin de tijd haar orde en betekenis verloor. Buiten ging het tellen der uren door zoals op andere dagen; de werklui begonnen als het nog net geen licht was en stopten als de schemering voorzichtig inzette. Ook hun pauzes kende ik inmiddels. Maar ik kon net zo goed om halfvier 's nachts als om halfvier 's middags mijn boek pakken om weer een minuut of wat te verdwijnen in de vreemde wereld van The Sirens of Titan. Even lezen, ogen die gaan branden, weer slapen. Dit eindeloos herhalen. Net zolang tot het over was.
Goed, toen was het over. Ik had althans geen koorts meer. En ook geen zin meer in mijn bed. Ik douchte, kleedde me aan, deed mijn gewone routine, mediteerde weer eens, schraapte mijn rauwe keel en probeerde een paar tonen te zingen. Er kraakte iets. Een hol geloei op kaboutervolume kwam uit de verstopte buizen. Hm. Voor zingen was het blijkbaar nog te vroeg; ik moest oppassen om, met het verlaten van mijn bed, niet meteen weer in die ongeduldig draaiende tredmolen te stappen: geef het de tijd, zei ik tegen mezelf, geef het nog een paar dagen de tijd.
Naar het park ging ik. Om te zien of ik wat herfst op kon snuiven. En met het idee, op een bankje of terrasje eens rustig op een rijtje te zetten hoe het afgelopen jaar geweest was. Hoe het allemaal zo gekomen was, dat ik hier zo moe en ontmoedigd rondliep. Wat er gebeurd was en niet gebeurd was sinds, precies een jaar geleden deze dag, mijn vader stierf.
Op deze catharsis had ik mijn zinnen gezet. Het denkbeeld, literair schoon schip te maken had me het gevoel gegeven dat ik nog iets zinnigs en nuttigs kon doen, in deze verder totaal onnuttige en zinloze week. Maar zo werkt het natuurlijk niet, zo is het leven niet, zoiets is fictie.
Er brak iets van zon door en ik schreef wat in mijn schriftje. Maar mijn hoofd werkte nog niet goed, zoals ook mijn longen nog hadden gepiept van benauwenis tijdens de wandeling. De eerste zinnen gingen nog wel - daarna ontaardde mijn schrijven in snel tempo in slap geouwehoer. Somber sloot ik het schriftje. Wilde ik te veel, te snel?
Thuis kroop ik, ook zonder koorts, mijn bed maar weer in. Maar nu ik The Sirens of Titan uit had wist ik niet goed meer wat ik daar moest doen.

dinsdag 24 oktober 2017

Ziek, zonder snoertjes

Ik had me de herfstvakantie toch iets anders voorgesteld - boswandelingen, paddenstoelen, gepofte kastanjes uit een papieren puntzak, ter plekke bereid op een plein in Keulen.
Helaas lig ik al twee dagen met koorts en een explosieve verkoudheid onder dikke lagen beddengoed. Alles ligt daarmee noodgedwongen stil. Alleen mijn boek, een vreemd boek van Kurt Vonnegut, dat vlot goed in dit slaap-waak-lees-ritme: steeds kleine porties van alles.
En ik doe nu iets wat ik nog nooit eerder deed: ik heb mijn laptop losgekoppeld van alle snoertjes waarmee hij normaal aan de wereld vastzit en tik dit in bed, zonder muis.
Zo levert ook deze malaise nog een nieuwtje op.
Ik wilde wel, voor de gezelligheid, een leuk plaatje hierbij zetten, van Bommel met een thermometer in zijn mond of zo, maar kan niets vinden dat me bevalt.
Ik dank u voor uw onuitgesproken wensen en groet u gammel, tot later!

vrijdag 20 oktober 2017

Egyptische duisternis

Ik liep over straat en vergaapte me. Maar toen ik steun zocht in mijn omgeving viel me op, dat de mensen die samen met mij de stad bevolkten onverschillig hun weg gingen en nog geen blik omhoog wierpen. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, dat de zon onderging, midden op de dag. Een oranje bol was het, in een koude, asgrauwe hemel; en als er geen wolkenslierten over trokken en de bol intact was, kon je hem glashard in het ronde gezicht staren; een maan, eerder dan een zon, een maanzon.

Een zinnetje kwam op in mijn hoofd: 'Maar de volgende dag kwam er geen dageraad...' Dagen waarop de nacht zich niet door het licht laat verdringen en de zon als een machteloze, bloedrode dwergster aan de spookachtige hemel staat... In het werk van Tolkien zijn ze de voorbode van de grote strijd tussen de machten van het goede en het kwade die op handen is.

Ik dacht aan de Apocalyps en speurde de hemel af op zoek naar paarden met muilen als leeuwen, waaruit vuur, rook en zwavel kwam. De Quatuor Novissima, de Vier Laatste Dingen van de christelijke eschatologie: Dood, Laatste Oordeel, Hemel en Hel. De Eindtijd. Zitten we daar middenin? Of stevenen we daaropaf?

De sfeer van verdoemenis en ondergang paste in elk geval goed bij mijn stemming van de afgelopen week. Ik lees Poe en Schemeringen van de dood van Felix Timmermans. Het is alsof er zich sinds ik met roken ben gestopt een waterscheiding heeft afgetekend. Er moet iets nieuws komen, het oude is voorbij. Maar wat dat nieuwe gaat worden, daar heb ik nog geen zicht op. Ik ben blind voor de toekomst en zie alleen wat verdwenen is.

In een poging om steun te vinden in het verleden (waarin ik hoopte iets belangrijks terug te vinden, een verdwenen gezichtspunt, een uit het oog verloren positieve mentaliteit) bladerde ik door de pagina's van mijn eigen blog, dat ik niet voor niets onlangs herdoopt heb.
Zoals vaker werd ik daar aanvankelijk blij en trots van maar al gauw, nadat de gebruikelijke oververzadiging van al dat verbale lekkers had plaatsgevonden, treurig. Ik heb op een behaaglijke toon van 'tuttut' en 'komkom' zoveel bezworen, betoogd, gebiecht, geschetst, gekroniekt... Maar gaandeweg, was mijn indruk, ben ik het vertrouwen in de evocatieve kracht van de woorden een beetje kwijtgeraakt. Vroeger liet ik de stilte zo nodig spreken en wist ik me te beperken tot een handvol taal; de laatste jaren werden een of twee A4'tjes al snel werktuigelijk gevuld. Schuilt dáár soms een les in?

De term maanzon is van Guus Luijters. Veel beter en beknopter dan ik het zou kunnen beschrijft hij het fenomeen in zijn column in het Parool van gisteren, in de serie Klein geluk. Maar Guus Luijters is dan ook dichter.

Dat hij ook weersgevoelig of zoals ik het graag op z'n Italiaans noem 'meteofoob' is, en dat hij, indien ik hem op straat had ontmoet afgelopen dinsdag, zeker ook omhoog zou hebben gekeken, bewijst het slot van zijn stukje: 'Toen ik naar huis fietste zag ik aan het einde van de Lutmastraat de maanzon nog een keer hangen, groot en rond en rood als de voorbode van een Egyptische duisternis.'


(Foto: Patrick van Rhedenborg)

dinsdag 17 oktober 2017

De meermin, het monster en de maan - trailer



Deze video werd door Rosanne gemaakt ter promotie van ons boek. Muziek: Martijn van Spaendonck, met medewerking van Voorheen Rookzanger en Jenny van de Wateringen.

Het boek is te bestellen via de site van Stichting de Driehoek: HIER! €13,90 plus verzendkosten. Even naar beneden scrollen en op de bestelknop drukken...



vrijdag 13 oktober 2017

Adellijke bloemstukken

Als geboren Amsterdammer ervaar ik nog altijd een plezierig schokje als ik mijn naam aantref buiten de familiekring. In mijn jeugd stonden er twee of hooguit drie Van Spaendoncks in het telefoonboek. Meer niet. Wij waren alleen, wij waren bijzonder. Het eerste wat ik deed toen ik als puber op doorreis in Tilburg belandde (waar onze naam vandaan komt), was een telefooncel binnenstappen en de gids openslaan bij de s: bladzijde na bladzijde, in alle mogelijke spellingen! Het was dus waar, er waren er meer, veel meer!
Voor een geboren Tilburgenaar van die naam (en er wonen er tegenwoordig aardig wat in Amsterdam) moet het dan ook heel wat minder bijzonder zijn dan het voor mij is, om die grote affiches van het Van Gogh Museum te zien, die nu overal in de stad hangen:

Nederlanders in Parijs 1789-1914. Van Spaendonck, Jongkind, Van Gogh, Van Dongen, Mondriaan. Vanaf 13 oktober 2017.

Ach, Gérard en Corneille, de bloemenschilders. Mijn ooit zo beroemde naamgenoten. Vooral Gérard, de oudste (1746-1822), spreekt tot mijn verbeelding: hij was miniaturist aan het hof van Lodewijk XVI, mocht zijn hoofd op zijn nek laten staan tijdens de Revolutie, werd hoogleraar bloemschilderen aan de Jardin des Plantes, en mocht zich, dankzij Napoleon, uiteindelijk Comte, 'Graaf', noemen. Graaf van Spaendonck! De biografie van zijn jongere broer Cornelis (1756-1840), precies 200 jaar voor mij geboren, is iets minder indrukwekkend, vind ik. Zijn werk is ook wat zoetiger; het telt veel roze bloemen, pioenrozen en dergelijke. Hij studeerde net als zijn broer in Antwerpen voor hij naar Parijs vertrok, en bracht het tot directeur van de porseleinfabrieken in Sèvres, waarvoor hij de bloemmotieven ontwierp.

Het is geen familie. Nou ja, niet echt. Ik mag graag zeggen dat de beide ongetrouwde en kinderloos gebleven heren tot mijn voorgeslacht behoren. Dat mijn tak ontstaan is uit de lendenen van een van hun broers. Maar in werkelijkheid was mijn stamvader eerder een neef of zelfs achterneef, ik moet het weer eens nazoeken.
Mijn opa kon dat niks schelen - je spelde het met 'ae' en 'ck', dus was het familie. Een Van Spaendonck was een Van Spaendonck.

In 1980 was er een grote overzichtstentoonstelling in het Noord-Brabants Museum. In de familie herinneren we ons hoe mijn opa zich direct na binnenkomst pontificaal in postuur zette voor het eerste het beste schilderij. Het was de tijd voordat we dwangmatig elk moment begonnen te vatten in foto’s (om het evengoed te vergeten), dus we moeten het met onze herinnering doen. Daar stond hij, met zijn buik vooruit, trots alsof hij al die prachtige bloemstukken zelf bij elkaar had geschilderd.

Het is een mooi toeval dat deze nieuwe expositie vandaag opent, op de tweeënnegentigste geboortedag van mijn vader. Mijn vader was buitengewoon a-visueel - hij heeft het als tekenaar nooit verder dan koppoters gebracht. Maar de bloemstukken van de bewierookte naamgenoten kon hij nog net aan, al hield hij meer van Anton Pieck.
Ik neem me voor om met mijn broers en zuster en alle kinderen naar de tentoonstelling te gaan. En dan bij een van de schilderijen te gaan poseren, gezicht in een fiere plooi, buik schaamteloos vooruit, net als mijn opa. Tenslotte ben ik nu een soort clanhoofd, als oudste nog levende man van onze eigen kleine tak van die grote Tilburgse familie.

dinsdag 10 oktober 2017

Een langzaam en prettig ontwaken



Toen ik vanmorgen beetje bij beetje uit een donzige slaap ontwaakte waren ze buiten bezig een motor warm te laten draaien. Maar in de wereld binnen in mijn hoofd, op dat moment nog oneindig veel groter en werkelijker dan het storende geroezemoes buiten, stond ik op het punt een camper binnen te gaan. Een witte camper, een beetje vuil, die stond in de sneeuw. Ik was hiernaartoe gevlucht uit weidse onherbergzame berglandschappen, uit ontzaglijke canyons met gruwelijke vergezichten. Die auto, geparkeerd in het straatje in Geuzenveld waar ik kind was, beloofde veiligheid. De deur was van het slot. Daarbinnen, in de lauwe schemer, wachtte mijn moeder op me, ik hoefde mijn hand maar uit te steken.
Eenmaal wakker en vaststellend dat het nog heel vroeg was, draaide ik me nog eens om. Algauw overmande de slaap me weer en droomde ik dat ik een boekwinkel dreef op de zolder van mijn huis in datzelfde Geuzenveld. Uiteindelijk kwam er een klant, die niets wilde kopen, maar een selfie wilde maken, met als decor de boeken van Conan Doyle.
De motor buiten loeide weer aan.
In de halfslaap die volgde op de boekwinkeldroom kreeg ik de geruststellende gedachte, dat ik me 'winterklaar' moest of liever mocht maken. Vergeet al je zenuwen en je zorgen, maak het thuis gezellig, trek de gordijnen dicht, steek de kaarsen aan, leg de boeken klaar, laat de winter maar komen. Ik dacht aan winters van vroeger en verbond dat beeld met ziek in bed liggen. Te ziek voor school, maar niet te ziek om te genieten van thee, beschuit, koffie en koek die mijn moeder me kwam brengen op geregelde intervallen die de stille, slaperige uren markeerden. De buitenwereld had zich teruggetrokken. Zij bestond nog wel, ging gewoon door, maar ging mij niet meer aan: een ver gerucht aan mijn horizon, veel verder dan die motor aan de overkant.
Nog jonger, nog langer geleden, en ik werd voorgelezen - daar hoefde je niet eens ziek voor te zijn. Dat kwam je gewoon toe, als kind. Ik lees deze dagen een paar keer voor uit mijn boek, en dat vind ik fijn om te doen. Als iets niet meer voor jou gedaan wordt, moet jij het maar voor anderen doen. Dat is bijna net zo leuk.

Voorlezen of voorgelezen worden? Bestel: DE MEERMIN, HET MONSTER EN DE MAAN. Klik HIER.

(Foto: Fred Martin)


vrijdag 6 oktober 2017

HERFST

We zaten een beetje ongemakkelijk tegenover elkaar, Saphier en ik. Of misschien gold dat alleen voor mij: Saphier was stil maar leek daar vrede mee te hebben. Hij speelde met een bierviltje en glimlachte een beetje weemoedig. Moet een mens per se praten?
We hadden overigens alle redenen om bedachtzaam te zijn. Want wij tweeën zaten hier aan een tripel terwijl onze beste vriend, al sinds de schooldagen onafscheidelijk met Saphier en later ook met mij verbonden, zijn eten en drinken niet kon binnenhouden. Gelukkig ging het nu weer ietsje beter, vertelde Saphier, nu de chemo's achter de rug waren; maar gezellig een tripeltje drinken zat er voorlopig nog niet in voor onze onfortuinlijke vriend.
Een tijdperk was voorbij, zei ik, om uiting te geven aan mijn bedrukte stemming. Saphier is niet bepaald een melancholicus maar hierin kon hij meegaan. Hij knikte. Zoals vroeger zou het niet meer worden, nee. We moesten maar proberen om de fase die we waren ingegaan te accepteren en er met humor iets van te maken. We praatten nog wat over onze kinderen, besloten geen derde glas meer te nemen. Saphier moest vroeg weer op de volgende dag.

Buiten overwoog ik wat hij had gezegd. Met humor er iets van zien te maken, accepteren. Theoretisch was ik het daar helemaal mee eens. Ik zag alleen niet zo gauw hoe dat moest.
Ik liep door het park naar huis. De storm was gaan liggen maar de bomen zwaaiden nog flink. De wolken joegen langs de oktoberhemel, waarin een bijna volle maan scheen.
Ik herinnerde me hoe het vroeger was, in dat andere, voorbije tijdperk. Hoe sterk we waren geweest en hoe zorgeloos en Bourgondisch we hadden geleefd. Ik dacht aan onze gezamenlijke vakanties in de winterse Ardennen. Drie oude schoolvrienden met vrouwen en kinderen, eerst klein, later pubers. Ik zag onze vriend in de keuken staan, roerend in dampende pannen, een Gauloise in zijn mondhoek, een glas binnen handbereik. Ik hoorde zijn zware lach.
Ik moest even blijven staan om het beeld te laten inzinken, want de roerige wereld om me heen wilde me met alle geweld vooruit hebben.



dinsdag 3 oktober 2017

Een vliegende kraai


Het werd de Varkensbaai genoemd en het was een modderig stadsstrandje aan de Sloterplas, waar vooral veel werd gebarbecued en nauwelijks werd gezwommen. Twee jaar geleden kreeg het een make-over: met opgespoten zand werd het vijf keer zo groot gemaakt. Bij een nieuw uiterlijk hoort een nieuwe naam, en sinds afgelopen zomer heet het officieel het Sloterstrand. Quaggamosselen zijn ingezet tegen blauwalg en zorgen voor schoner zwemwater.

Aan de rand van het zandstrand ligt Hotel Buiten, dat vanaf 8 oktober officieel open is. Hotel Buiten (slogan: 'Het is hier geen hotel!') mikt op een jong en hip publiek, zeg maar gerust hipsters, dat hier op 'het mooiste stukje urban nature van Amsterdam' vooral slow moet komen chillen. 'Hotel Buiten is een creatieve en inspirerende plek,' lees ik op hun mooie website, 'voornamelijk opgebouwd uit hergebruikte materialen. Aan drie kanten omringd door water, misschien dat we daarom zo graag een vuurtje stoken. In de houtkachel, vuurkorf of de barbecue. Vuur verbindt en verwarmt.'

Afgelopen zaterdag laaide dat vuur hoog op om afscheid van de zomer te nemen en de herfst in te luiden. Vrijwilligers van het hotel dat geen hotel is hadden de hele zomer het strand gerund. Vanuit een winkeltje (de Share Your Beach Shop) hadden ze gratis opblaaskrokodillen, parasols en strandstoelen rondgedeeld, en ze hadden er de omgang van de zeer diverse badgasten in goede banen geleid - niet altijd even gemakkelijk daar in Nieuw-West. Zaterdag werd het strandseizoen afgesloten met een borrel: marshmallows, appels en wijn.

Waarom was ik daar? Natuurlijk heb ik een meer dan gewone belangstelling voor alles wat in die contreien gebeurt, u weet het, ik kom uit Nieuw-West en schrijf en zing erover. Maar in dit geval was er meer aan de hand. Ik had een mail gekregen van de organisatie. Bij het feestje zouden twee mannen hun visie geven op de legende van het Monster van de Sloterplas. Verhalenverteller Godfrey Lado en dichter Chihad Ozcan. Daarna zou Joep Pelt wat liedjes zingen.
Ik lees dat en moet slikken. 'Waarom ik niet?' is mijn eerste jaloerse reactie. 'Ik, die dat monster zowat heb uitgevonden! Het zou allang niet meer bestaan als ik het niet met mijn liedjes en teksten had gesommeerd om uit de diepten te komen!'
'Nou ja,' is mijn tweede, mildere reactie, 'begrijpelijk dat ze eens wat anders willen. "Altijd maar die witte baardmans met zijn gitaar en zijn jeugdsentiment," zullen ze denken. "Laten we eens kijken wat mensen met een heel andere achtergrond te reflecteren hebben op deze urban myth."'

Maar het was de derde reactie die me uiteindelijk deed besluiten door de regen naar de Plas te gaan.
'Ho! Maar wat nou, als ze daarginds helemaal niet weten, dat ik besta? IJdeltuit, heb je dáár weleens aan gedacht?' Ik kreeg dat mailtje niet voor niets op de valreep doorgestuurd.
Het Monster, bedacht ik, is blijkbaar weer een eigen leven gaan leiden, zijn naam spreekt opnieuw tot de verbeelding. Ik heb een steentje opgeraapt en het in het water gegooid en de kringen komen uiteindelijk bij me terug.
En dat vond ik wel een mooi idee. Net zoals het een mooi moment was toen Godfrey Lado, voormalig kindsoldaat, vluchteling uit Zuid-Soedan, mijn boek erbij pakte om uit voor te lezen. Geamuseerd, een beetje gegeneerd en een beetje ontroerd hoorde ik mijn woorden naar me terugkomen, getint met zo'n exotisch accent dat ze niet altijd begrijpelijk waren. Een snelle research had Godfrey naar dat boek geleid, en de organisatie had toen haar best gedaan de makers op te speuren, zo was het gegaan. Misschien was dat eigenlijk nog wel bevredigender dan zélf gevraagd te worden om voor te lezen. Mijn kindje kon op eigen benen staan en was de wijde wereld ingetrokken.
En het was hartverwarmend om zo gul ontvangen te worden als 'de schrijver van het boek'. Mijn coauteurs Holslag en Martin waren er niet, dus ik mocht alle eer in mijn eentje opstrijken. Ik kreeg een glas Kroatische wijn aangereikt en werd uitgenodigd om iets vertellen over mijn nieuwe boek, waarin de wáre geschiedenis van het monster voor het eerst onthuld wordt. Ik vertelde wat, zong a capella een strofe, maakte wat rommelige reclame; men bewonderde de tekeningen, ik verkocht het exemplaar dat ik bij me had. 'Een vliegende kraai vangt altijd wat,' zei mijn vriendin. 'Je moet onder de mensen komen, je gezicht laten zien. Ze kunnen niet ruiken wat je allemaal maakt, als je er geen ruchtbaarheid aan geeft.' Ik knikte braaf en nam me voor daar beter in te worden.

Ondertussen zit ik een paar dagen later wel met een gemengde gevoelens. Ik gun de wijk een beetje aantrekkingskracht, een beetje bloei. Ik juich het theoretisch zelfs toe dat Slotermeer een hotspot zou worden, hoe onwaarschijnlijk dat ook lijkt. Maar het mooiste van de Sloterplas vond ik nou juist, dat het er zo stil en zo wild was. Waar picknicktafels staan en gebeachvolleybald wordt, waar hipsters verbinding voelen door vuurkorven terwijl ze genieten van Amsterdams biologisch schepijs, natuurdesembrood en local craft beer, daar laten geen monsters zich nog zien.



Pas verschenen: 'De meermin, het monster en de maan'. Rijk geïllustreerd, gebonden. € 13,90. HIER te bestellen.