vrijdag 6 april 2018

De behaaglijkheidsfabriek

Ik kende het alleen als eigennaam. Toen onze voortreffelijke impresario Peter Paul Tobi ermee stopte, beloofde hij ons in goede handen te geven. Vriend en collega Frans van Bronkhorst was de juiste man, verzekerde hij ons, en we maakten kennis: zwierig, bourgondisch type, met fluwelen hoed. Tobi was zuinig geweest, vrekkig op zijn talenten: zijn portefeuille bestond uit enkele artiesten, die hij bewaakte als een jaloerse schoonmoeder. Hij was berucht bij de theaters: kwam hij binnen, dan kreeg je hem niet zo gauw weer weg. Hij deed niets per telefoon af, hij was de persoonlijke brenger van aanbiedingen die moeilijk geweigerd konden worden. En zijn praktijken waren geslepen: ze mochten die populaire Jos Brink-show best boeken, graag zelfs, maar dan moesten ze wel het aanstormende duo La Passione op de koop toe nemen. Zo kwamen wij aan een lekker volle agenda. Bij Frans ging het anders. Hij beloofde veel, maar de telefoon bleef stil; optredens druppelden aanvankelijk nog wel binnen, maar na enkele drupjes viel de kraan droog. Toen we op de Uitmarkt zijn stand bezochten, bleek zijn brochure uit te puilen van de artiesten - half Nederland kon je bij hem boeken - , maar wij stonden er niet bij.

Vorig jaar Pasen hadden we doorgebracht in De Gouden Karper te Hummelo. De streek, de Achterhoek, was ons uitstekend bevallen, en dit jaar boekten we er wederom een hotel met een aanlokkelijke naam: Herberg de Gouden Leeuw, in ja: Bronkhorst. Het kleinste stadje van Nederland, amper een paar straatjes, en met een jaloers bewaakt stadsgezicht: het merendeel van de huizen is rijksmonument.
We hoopten maar dat het hotel het huiselijk comfort dat van de foto's uitstraalde waar zou maken, want mijn vriendin had haar enkel verstuikt en kon weinig anders dan strompelen, dus van lange wandelingen door het coulisselandschap zou niets komen, en die Paasvuren konden we ook wel vergeten. Nee, we moesten het hebben van de herberg. Hooguit konden we een autotochtje maken: een oud deeltje Van Egeraat ging mee in de bagage.
We hobbelden het miniatuurstadje binnen over kinderhoofdjes, passeerden geknotte bomen, lantaarns, wegwijzers in de vorm van wijzende vingers (fingerposts zegt de Brit zo mooi) en eerbiedwaardige bakstenen woningen; geen nieuwbouw te zien. Het was een kille dag met nog nauwelijks een zweempje voorjaar in de lucht, maar ik kon me voorstellen dat het hier in de zomer wel erg toeristisch zou zijn, als de druipende rieten kuipstoelen allemaal bezet zouden zijn door grijze reizigers die op de elektrische fiets een dagtocht maakten en hier zouden verpozen met koffie en gebak. De twee bloeiende restaurants pal tegenover elkaar spraken boekdelen, in de zomer was dit een soort openluchtmuseum.
We schelden aan en werden naar onze kamer geleid.
De Dickens Suite! Ik wist dat er in Bronkhorst een Dickens Museum was geweest, tot vorig jaar: toen had het zijn deuren gesloten. Deze kamer 1, met uitzicht op het nu onttakelde pand, was daar een residu van. De koperen beeltenis van de schrijver sierde de deur, een stapel van zijn romans in bijzondere edities lag op een tafeltje. Ik keek uit het raam en betreurde het dat we hier niet een jaar eerder waren gekomen. Maar mijn vriendin strekte zich met een zucht van verlichting op het weelderige bed uit, stak de bezeerde poot omhoog en vleide die neer op een kussen, en keek goedkeurend om zich heen. Beneden hadden we de haard zien branden in de Gelagkamer. Overal stonden, ter decoratie of als uitnodiging, rijen flesjes lokaal bier, met op de fleurige etiketten nét iets te leuke namen - Hop into Winter, Hoptimist. Obers en diensters draafden af en aan om iedere wens te honoreren.
Even later warmden we ons aan de knetterende vlammen. Ik dronk een Brok in de Keel, een zwaar en donker bier met tonen van laurier en rozijnen. De Gelagkamer was aardig vol, ook de eetzaal ernaast begon al vol te raken. Dat er nog een ruime lounge met een tweede vuurplaats was wisten we toen nog niet. Mijn vriendin raakte in gesprek met een vrouw die een hondenkapsalon dreef en vertelde dat je hier nog gewoon met de auto over zangweggetjes door het bos mocht rijden.
Ik voelde hoe een lauwe wolk van veiligheid en welbehagen op me neerdaalde en me omhulde. Alles was er hier in de herberg op gericht om me te behagen en me behaaglijk te doen voelen. Het was hier een behaaglijkheidsfabriek. Kom jij maar hier met je stadsstress, zeiden de vuren, de meubels, de schemerlampen, de balken van glanzend gewreven donker hout, de fonkelende glazen, we zullen jou weleens even verwennen. Ik liet ze begaan. Ik dacht: het zou altijd vijf uur moeten zijn in de gelagkamer van een herberg, op de eerste dag van je vakantieverblijf.


1 opmerking:

Hans Valk zei

Bronkhorst. Ik ben er meerdere keren geweest, de laatste keer vorig jaar augustus. We kwamen steeds met de fiets en de pont, vanuit Gelderland.
Om je de waarheid te zeggen vind ik het dorp net iets té popperig. Men heeft er alles aan gedaan om niets uit de toon te laten vallen en het kan inderdaad zó als decor dienen van een televisieserie die in de 19e eeuw, of nog eerder, speelt.
Maar voor het overige deel ik je gevoelens over het oosten van ons land. Aan de overkant van de IJssel, in Brummen of Eerbeek, heb je dezelfde sfeer al, maar wat minder 'picture-perfect'

Wij waren in het paasweekeinde in het Sauerland, in de buurt van Hallenberg. We overnachtten en aten in pension Schnorbus, een etablissement van het type waar mijn vader en moeder tijdens hun latere vakanties, toen ik al niet meer met ze meeging, meestal bivakkeerden. Er leek sinds de jaren zeventig ook weinig veranderd in het pension. In die zin ook eigenlijk heel authentiek. Eén van de twee broers Schnorbus, een gemoedelijke baas die ik tussen de zestig en zeventig schatte, verwelkomde ons met de woorden "hier ist alles noch in ordnung"
Na ons eerst nachtje moesten we concluderen dat hij gewoon gelijk had.