dinsdag 19 mei 2020

DOURO


Zondag verloor ik even de moed. Ik had de tekst waaraan ik hard had gewerkt ingeleverd en in de leegte die zoiets altijd achterlaat, keek ik naar de toekomst. Ik zag het gehavende maatschappelijke landschap voor me, dat zich snel aan het aftekenen is: de culturele en economische malaise, de verlaten concertzalen en kerken, de zieltogende theaters, de angstig afgevinkte feesten en festivals, de ingeperkte vrijheid om je te verplaatsen, om te reizen. De ruïnes en de kaalslag van wat ons lief en vertrouwd was vormden een deprimerend uitzicht. Waar stevenden we op af, en hoe was deze negatieve tendens nog terug te draaien? Want een vaccin tegen massale angst, gebrek aan maatschappelijk zelfvertrouwen en mondiale moedeloosheid is nog niet gevonden, wat je verder ook allemaal weet te vaccineren.
Ik keek naar Maurice de Hond, die de moed erin probeert te houden met koele cijfers en data, en strijdvaardig zijn missie tegen de angstcultuur van de anderhalvemetersamenleving doorzet, nauwelijks gehoord door virologen en beleidsmakers. Maar hij kon me bepaald niet geruststellen op het punt waar mijn zorgen zich deze mooie lentemiddag vooral op richtten: want het werkelijke gevaar schuilt volgens de statisticus in grote groepen mensen die gedurende langere tijd dicht bij elkaar verblijven in slecht geventileerde ruimtes. En dat betekent dat ik en al mijn dierbare collega's ons werk voorlopig niet zullen kunnen uitoefenen op de manier waarop we dat gewend waren. En dat betekent dat ruim de helft van mijn inkomen wegvalt. 
'En niet alleen dat,' zei ik tegen mijn vriendin, 'ik voel me ook knap nutteloos worden. Ik had natuurlijk lang niet altijd zin om avond aan avond het huis uit te gaan om groepen mensen in hun samenzang aan te sturen, maar nu dat wegvalt merk ik hoe ik de interactie met mensen mis. Het samen muziek maken. En ook het zelfvertrouwen en de voldoening die het geeft, om een vak te beheersen en dat uit te kunnen oefenen.'
Ik schonk ons een goede Portugese wijn in, die ik nu nog kon betalen. Portugal wordt booming de komende tijd, als wijnland, had de jongen van de Gall & Gall gezegd, en ik was blij voor de Portugezen. Ik had die jongen trouwens niet meteen herkend, want hij was naar de kapper geweest en had een fantasievolle hipstercoupe in plaats van de gewone mannenbeharing die hij tijdens de volgens De Hond niet zo heel intelligente lockdown had gehad. We aten een pizza volgens een merkwaardig recept, met groene asperges, aardappelschijfjes, uiringen en Munsterkaas, op een bodem die van bieten was gemaakt. Ik vergat even al mijn zorgen terwijl we in de paarse pizza hapten en onze groengele Douro dronken. Er was een leuk programma over Japan op tv en nog voor het opiniekoor van de talkshows en de ellende van de 'frontberichten' begon trok terug ik me terug in bed.
De volgende morgen verdween mijn vriendin naar de voorzichtig weer opgestarte yoga. Ik monsterde het weer en besloot in de tuin te gaan mediteren. Het is een goed vogeljaar en de vele kleine zangvogels waarvan ik de namen meestal niet weet deden erg hun best. De zon werd gefilterd door de liguster. Het rook lekker naar vlier en meidoorn. Ik zat daar goed en terwijl ik langzaam en ritmisch in en uit ademde daagde het besef, dat ik een heel belangrijke les aan het vergeten was. Onder indruk van de omstandigheden was ik me uitsluitend gaan focussen op alles wat wegviel. Wat er overbleef, aan muzikale activiteiten, aan uitjes en pleziertjes, leek zo weinig, vergeleken daarbij. Maar als ik die restjes nu eens afzonderlijk beschouwde, zonder ze tegen dat grote donkere decor te zien? Spanje zat er dit jaar niet in, maar we gingen al snel een paar dagen naar de Veluwe. En concerten heb ik niet, maar ik was toch met mijn zoon een aantal mooie liedjes aan het opnemen. En zo waren er meer lichtpunten. Die kwetterden algauw als vogeltjes in mijn hoofd.


vrijdag 15 mei 2020

BELSAZAR


Het kralenspel van Herman Hesse (Das Glasperlenspiel, 1943) is een 'utopische bildungsroman'. Het verhaal speelt in de 23e eeuw, in een afgescheiden republiek waar vergeestelijkte intellectuelen zich bezighouden met het spel uit de titel. Wat dat kralenspel precies is, en wat de regels zijn (behalve dat die te ingewikkeld zijn om uit te leggen of zelfs maar te begrijpen) komen we niet te weten. De spelers troeven elkaar af in het leggen van zo origineel mogelijke, liefst abstracte dwarsverbanden tussen de data uit hun kennisgebied, dat vooral muziek, wiskunde en cultuurgeschiedenis behelst.

Ik had, voor een boekje waar u hopelijk te zijner tijd meer over zult horen, de romantische ballade Belsazar van Heinrich Heine vertaald. Het gedicht inspireerde me, en toen de vertaling af was, wilde ik er nog geen afscheid van nemen. Ik zocht de Bijbelse passage op waarop het gebaseerd is, staarde bewonderend en geamuseerd naar Rembrandts Belsazars feest, luisterde naar de meesterlijke toonzetting van het gedicht door Robert Schumann, vergeleek die met sfeer en ritme van Heine's origineel. Ik vergeleek ook verschillende interpretaties met elkaar, Quasthoff, Dieskau, Kruysen. Enthousiast geworden poetste ik mijn operastem op en zette me achter de vleugel om daar mijn eigen visie aan toe te voegen, een toontje lager dan vroeger. Zo speelde ik heel genoeglijk mijn eigen kralenspel. In een versie voor beginners, zonder regels, en vooral zonder wiskunde.

Belsazar

Het was op slag van middernacht;
En Babylon sliep diep en zacht.

Maar in het koninklijk paleis,
Daar flakkert licht, daar klinkt gekrijs.

Daarboven in de koningszaal,
Hield Belsazar zijn koningsmaal.

De menigte dronk in de vlammenschijn
De glanzende bekers met bloedrode wijn.

Ze dronken zich juichend een stuk in hun kraag;
Zo zag de weerbarstige koning het graag.

Zijn wangen kleurde een diepe gloed;
De wijn verhitte zijn trots gemoed.

Zijn moed gaat met hem aan de haal;
En hij lastert de godheid met zondige taal.

En hij snoeft brutaal, en lastert wild!
De meute juicht hem toe en brult.

De koning riep, met rechte rug;
Een dienaar snelt weg en komt terug.

Hij droeg veel gouden gerei op zijn hoofd;
Dat was uit Jehova’s tempel geroofd.

En de koning greep met misdadige hand
Een heilige beker, gevuld tot de rand.

En hij leegt hem haastig, kijkt in het rond,
En roept dan luid met schuimende mond:

‘Jehova! Ik spuug op jou zonder pardon, -
Ik ben de koning van Babylon!’

Maar nog terwijl die vloek verklonk,
Bespeurde de vorst hoe de moed hem ontzonk.

Het gillende lachen verstomde meteen;
Het werd angstwekkend stil om hem heen.

En zie! En zie! Aan de witte wand
Verscheen iets als een mensenhand;

En schreef, en schreef op ‘t witte steen
Letters van vuur, en schreef en verdween.

De koning zat daar, versteend naar het leek,
Met knikkende knieën en dodelijk bleek.

De meute was verlamd van schrik,
Men zat doodstil en gaf geen kik.

De magiërs kwamen en hebben gegist,
Maar geen die het schrift te ontcijferen wist.

Belsazar werd echter diezelfde nacht
Door zijn bedienden omgebracht.


https://www.youtube.com/watch?v=HiKarHAPtBc


dinsdag 12 mei 2020

GRIJS

We zijn in een grijze zone beland. Alles gaat langzaam, en tot nader order, weer open. Er zijn dagen dat ik helemaal niet aan Covid-19 denk - al blijft de pandemie me als een fluïdum omringen: als de tijdgeest, waarmee we maar moeten zien te leven.
Een grijze zone is per definitie onduidelijk. Het koor van opinies, onderlegd of het tegendeel, is chaotisch. Economische en medische belangen lopen door elkaar heen. De pandemie wordt politiek. De ene viroloog zegt dit, de andere dat. Ben je net blij dat het voorzichtig voorspoedig gaat met het ontwikkelen van een vaccin, en dan komt er weer een gerespecteerde longarts die in een veel gedeelde video zijn zorgen uit over de mogelijke waarheid achter allerlei complottheorieën. Bill Gates, Big Pharma, money en macht. Gelukkig zegt hij erbij uit 'onderbuikgevoelens' tot zijn boodschap te zijn gekomen, dus ik kan hém tenminste negeren. De onderbuik is er voor de vertering van voedsel en voor de voortplanting en nergens anders voor, opinies dienen uit het koele hoofd te komen, hoogstens mag het hart een beetje meespreken.
Grijs is ook de situatie in mijn werk. Nu groepen mensen weer toegestaan zijn, nadert het moment waarop de koren weer van start zullen gaan. Maar hoe dat moet is nog erg onduidelijk. Met mondkapjes zingen gaat niet, plexiglas is ook geen optie. En zingen is net als hoesten, schreeuwen en hard lachen een goede manier om virussen de lucht in te jagen. We zullen creatief en praktisch moeten zijn, en er maar vrede mee moeten sluiten dat juist de onschuld die zo typerend is voor samen zingen er een tijd lang vanaf zal zijn; alles wat de mensen dicht bij elkaar brengt is nu eenmaal verdacht in deze tijd, en virtueel bij elkaar komen is net zo'n goed alternatief voor de warmte van een koorrepetitie als porno dat is voor vrijen.
Soms verlang ik bijna terug naar het begin van de lockdown. Vadertje staat greep in, we werden kort gehouden en moesten allemaal aan een noodgedwongen sabbatical. Dat was in elk geval duidelijk. De bijbehorende angst en ongerustheid vergeet ik gemakshalve maar even. Alles was anders en we moesten ons overgeven aan de omstandigheden, die we zelf niet langer in de hand hadden. Dat gaf naast al het andere toch ook een vakantiegevoel, zeker toen de eerste schrik geweken was. Nietsdoen was niet erg, het kon nu eenmaal niet anders. Ik vertaalde negentiende-eeuwse poëzie, componeerde liedjes, en voelde me een gezegend hobbyist. Nu begint, in deze grijze zone, een licht schuldgevoel alweer aan me te knagen. En, met de hervatting van de koorrepetities in het mogelijke verschiet, begin ik ook te verlangen naar werk - echt, fysiek werk, met mensen, dat vermoeit en voldoening geeft.


vrijdag 8 mei 2020

SPEELDOOSJE

Ik zat op een bankje in het Beatrixpark, waar de doodsbeenderenboom en de metasequoia groeien, met uitzicht op een groene weide waarop jong en oud heel rustig, paarsgewijs, van de zon zat te genieten. Af en toe liep er een zakenman langs, een van de laatste die de Zuidas nog bemannen. Gesport werd hier niet, het hijgerige rennen van het Vondelpark ging aan me voorbij, of juist niet, liever gezegd. Ik kreeg een appje van mijn broer. Op mijn verzoek had hij het speeldoosje van mijn vader gefotografeerd, dat De Lorelei klingelt, traag en roestig inmiddels. Ik was verbaasd over het plaatje op het deksel. Een bekend schilderij, maar waarom ontbrak de bovenste helft van het gezicht? Een iets andere uitsnede zou dat makkelijk hebben verholpen. Ik opperde dat mijn onhandige vader de afbeelding er zelf op had geplakt, maar nee, zei mijn broer, daar zag het niet naar uit. Ik googelde de maker, de Zwitserse firma Reuge. Hoogwaardig spul allemaal, vaak exorbitant geprijsd. Zou het mechaniekje door een lokale ondernemer in dit klunzige kistje zijn gezet? Was het in opdracht in Taiwan gemaakt? Op internet vond ik alleen dergelijke Loreley-speeldoosjes annex juwelenkistjes met versierd houtsnijwerk, zonder plaatje. Het was een raadsel waarvan ik de oplossing nooit meer zal kunnen achterhalen, vrees ik.

Die nacht was het volle maan en ik lag wakker. Nu mijn Heine-vertalingen op het punt staan mijn huis te verlaten om gedrukt te gaan worden houd ik een laatste kritische inspectie. En vooral dat iconische gedicht, Die Lorelei, hield me uit mijn slaap. Een zo bekend gedicht verdraagt eigenlijk geen compromissen. Het moet exact zo iconisch zijn als het origineel. Dat is natuurlijk een hopeloze opgave voor een vertaler. Normaal zou ik met het gedicht niet zoveel moeite hebben gehad, maar ik was bezig Malle Babbe te vertalen, iedereen kent dat lied, parafraseren was uitgesloten, er moest staan wat er bij Heine staat en niks anders. Het gaat vooral om het laatste couplet:

Ich glaube, die Wellen verschlingen
Am Ende Schiffer und Kahn;
Und das hat mit ihrem Singen
Die Lore-Lei getan.

Er moesten twee dingen per se in: het typerende laconieke voorbehoud Ich glaube, en natuurlijk het zingen. Dat was een heel gepruts, over mijn eerdere versie was ik niet langer tevreden.
Tot diep in de nacht duurde mijn gepuzzel. Me van de ene op de andere zijde werpend scandeerde ik dwangmatig in mijn hoofd. Als ik meende gevonden te hebben wat ik zocht knipte ik het bedlampje aan, pakte een notitieboekje en hoopte na mijn verlossende krabbel eindelijk te kunnen gaan slapen. Dat herhaalde zich. De volgende morgen las ik onder meer: Ik meen dat zijn wilde verlangen/de boot op de rotsen doet slaan/hem kopje onder doet gaan/aan 't eind hem te pletter laat slaan/ hem reddeloos onder doet gaan, etc.
Onuitgeslapen begon ik nog voor de koffie opnieuw te malen. Ik besloot aanvankelijk mijn oude versie ('Hij kon zich aan 't eind niet bedwingen/en is in de golven vergaan') te behouden. Maar ik had niet voor niets slapeloos gepiekerd - dat voorbehoud, ich glaube, dat moest er toch echt in. Dat werd immers in allerlei analyses van het gedicht aangehaald als een typisch staaltje van Heine's ironie. En het moest in de tegenwoordige tijd, net als de rest van het gedicht.
Onder de douche kwam ik tot:

Ik meen, dat de golven hem dwingen
Met schip en al onder te gaan;
En dat heeft met haar zingen
De Lorelei gedaan.

Daarover was ik wel tevreden, zo lang als het duurt. Nou nog het ritme van de voorlaatste regel goed zien te krijgen, zonder de eenvoud van het origineel aan te tasten. (Dat heeft met haar lieflijk zingen? En dat heeft met al haar zingen?)
Wordt vervolgd, als ik ondertussen niet te pletter sla op klippen van woorden en verdrink in een stroom van taal.


dinsdag 5 mei 2020

Voorheen Rookzangers notitieblog (27)

Ik kwam een hoogbejaarde maar nog zeer vitale actrice tegen, met wie ik een paar jaar geleden gewerkt had. Bij de vraag 'hoe gaat het' is tegenwoordig impliciet, dat we die op onszelf betrekken in relatie tot de omstandigheden, lees: de pandemie. 'Ik word er flauw van,' zei ze. Dat moet ik niet meteen hebben begrepen, want ze verduidelijkte toeschietelijk: 'Het is zo saai.' We praatten nog even over de theater- en museumsluiting, waar ze op doelde, maar ik dacht: Wat stoer, om het alleen maar saai te vinden.

De mussen waren allang onduidelijk bezig rond het nestkastje dat onder de klimop hangt. Waren ze echt aan het nestelen, of gebruikten ze het kastje als 'pretkastje' zoals mijn vriendin zei? Ik opperde dat het misschien een illegaal café of een bordeel was. Maar gisteren was er opeens verhoogde activiteit waar te nemen. Een iets kleinere mus, lichter van tint ook, was tevoorschijn gekomen uit de opening. Zij vloog meteen naar de rand van het dak en sperde haar bek open. Het mannetje voerde haar iets. We bleven nog lang in opperste concentratie staan turen vanuit het keukenraam, maar er gebeurde niets meer. Ofwel de mussen hadden een bescheiden gezin, ofwel we hadden het uitvliegen van de rest gemist. Maar we waren blij dat we dit hadden meegemaakt. Om de gebeurtenis zelf, maar ook om de duidelijkheid die geschapen was over de status van het kastje.

In het straatkastje voor verweesde literatuur lag een oud, hardgekaft boek. Die bekijk ik altijd even. Het bleek een uitgave van Oscar Wilde's Het portret van Dorian Gray te zijn, in de serie 'Bibliotheek voor ontspanning en ontwikkeling'. Bruinig, dik papier, zeer verbleekte kaft, stoffen rug. Geen jaartal, ik schatte jaren 20 à 30. Ik besloot het te laten liggen. Mijn boekenkasten puilen uit en ik heb dat boek al, in het oorspronkelijke Engels.
Maar de volgende dag lag het er nog, en sloeg ik het opnieuw open. Ik las de eerste bladzijde en werd getroffen door het uiterst negentiende-eeuwse taalgebruik - stond daar echt trachteden? Ik bladerde terug naar de Franse pagina maar vond geen vertaler vermeld. In deze goedkope volksuitgaven werden vaker oude vertalingen zonder naamsvermelding hergebruikt, wist ik. Ik nam het boek mee naar huis, het was me al iets dierbaarder geworden. Thuis googelde ik op vertalingen van Dorian Gray en vond algauw wat ik wilde weten. Dit was de eerste Nederlandse versie, van de hand van Elisabeth Couperus-Baud, de echtgenote ván. Ze had de vertaling in 1893 (ze was zesentwintig toen) uitgegeven onder de bescheiden auteursnaam 'Mevrouw Louis Couperus'. Dat zat zo: Wilde had Footsteps of Fate gelezen, de Engelse vertaling van Couperus' Noodlot, en was daar zo van onder de indruk dat hij de auteur een exemplaar van A Picture of Dorian Gray toestuurde, 'gebonden in een hoogst artistieke grijs-blanken band, versierd met vergulde granaatappels'. Betty las mee, vond het prachtig en probeerde enthousiast haar hand op de omzetting naar het Nederlands; haar man wist die onder te brengen bij zijn uitgeverij, L.J. Veen.
Ik las een stukje en was geamuseerd door de fraaie maar gedateerde stijl. Het had Wilde in die tijd vast modieus gemaakt, deze weergave in het jargon van de Tachtigers, maar nu werd hij er taai en ouderwets door - terwijl zijn Engels nog altijd springlevend en vlot leesbaar is. Dat heeft natuurlijk ook iets te maken met de spelling: in het Engels is die onveranderd gebleven, wij zitten met een moeilijk te overbruggen kloof, veroorzaakt door al die spellingherzieningen - tussen trachtten en trachteden bijvoorbeeld.
Elizabeth Couperus stierf in 1960 in een Haags pension. Berooid en vergeten, want het werk van haar man was in die tijd niet populair meer. Ze werd tweeënnegentig


vrijdag 1 mei 2020

SCHATPLICHTIG

Ik zag een macaber nieuwsbericht over New York en vroeg me af (misschien omdat ik zijn portret net in de VPRO-Gids had zien staan) of Arnon Grunberg daar nog altijd woonde. Ik googelde hem en het eerste wat ik tegenkwam was een tweet met daarin de volgende woordengroep: "manuscript in een kliniek gevonden".

Ik schrok. Eerst nog met de woeste, plezierige schrik om de onwaarschijnlijkheid, dat het over mijn novelle Bankjeszomer ging. Daarvan is manuscript in een kliniek gevonden de ondertitel. Heel kort maar was die schrik, want in dezelfde zin al werd auteur W. F. Hermans genoemd. Toen volgde een grotere en blijvender schrik. Er blijkt een verhaal van die naam in zijn bundel Paranoia te staan. Een gewetensonderzoek was het gevolg. Kende ik dat verhaal, of althans de titel ervan, toen ik voor die ondertitel bij mijn novelle koos? Had ik bewust of onbewust plagiaat gepleegd?

Bij mijn beste weten had ik Poe geparafraseerd, MS. Found in a Bottle was mijn voorbeeld geweest. Eerst had ik mijn novelle Typoscript in een kliniek gevonden genoemd. Maar omdat de tekst in kwestie blijkens het verhaal genoteerd was in diverse schriftjes en aantekenboekjes had ik typoscript bij nader inzien vervangen door manuscript.
Ik weet nog dat ik geaarzeld heb. Was dat eigenlijk wel Nederlands, die rare woordvolgorde? Maar het deed me desondanks heel vertrouwd aan. Natuurlijk, dacht ik toen: mijn eerste kennismaking met Poe was de populaire vertaling van Simon Vestdijk geweest: Fantastische vertellingen, in die harde kartonnen kaft met de kleur van in thee gedrenkt papier, met steenrood als steunkleur, die bij ons thuis in de boekenkast stond, zoals hij in zovele ouderlijke boekenkasten stond in die tijd. En Vestdijk noemde het verhaal Manuscript, in een fles gevonden. Met komma, dat wel.

Natuurlijk, dacht ik nu, tobbend in bed, De merel in de tuin van Simenon geopend maar ongelezen op mijn borst: ik moet, op school of anderszins, de titel van Hermans ooit onder ogen hebben gehad, dat kan haast niet anders. Ik suste mijn geweten op drie manieren:
1. Hermans parafraseerde Poe, net als ik. Dus van plagiaat is niet echt sprake, we putten beiden uit dezelfde bron.
2. Je kunt de titel als generiek opvatten: er zijn meer manuscripten in een kliniek gevonden, blijkbaar. Een heel genre kan er nog uit groeien!
3. Als ik ooit nog beroemd word, en er een herdruk komt van het in kleine oplage verschenen en inmiddels uitverkochte boekje, voeg ik die komma toe, om mijn schatplichtigheid aan Poe te benadrukken, en die aan Hermans af te zwakken.

Ik heb zelf nog een stuk of wat exemplaren van Bankjeszomer in huis. In deze moeilijke tijden is elk beetje extra geld welkom, dus ik bied ze te koop aan - voor 20 euro, inclusief verzendkosten. Wie geïnteresseerd is kan me een berichtje sturen.






dinsdag 28 april 2020

TUINCENTRUM

Mijn vriendin stelde voor naar een tuincentrum te gaan. Ze had wat fleurige plantjes en geurende kruiden nodig. Best, zei ik, waarom niet. Maar ik had me weleens beter gevoeld. De dag ervoor had ik met mijn zoon een liedje opgenomen. Het was de eerste activiteit buitenshuis sinds de liberale lockdown begon en ik was er moe van. Moe van de kick die het me gaf, om weer te werken met anderen, om weer echt muziek te maken. Kick is kater achteraf. Bovendien had ik lichte verhoging en een subtiel ontstoken bijholte aan de rechterkant, niet bepaald alarmerend, maar in deze tijd is elk symptoompje van lichamelijk ongemak een mogelijk signaal van iets ergers, zeker als je geneigd bent tot hypochondrie - en welke man is dat niet? Mijn zus schreef laatst in haar blog over haar ex, die terminaal op bed ging liggen bij elk hoestje of streepje te veel op de thermometer. Zelf heb ik ooit eens een heel ernstige ziekte doorleefd toen ik negenendertig graden koorts bleef hebben, dag na dag. Het was tijdens een meivakantie in Callandsoog. Geestelijk was ik er beroerd aan toe, maar mijn vrouw verwonderde zich over mijn koel aanvoelende voorhoofd en besloot de proef op de som te nemen. Ook zij bleek 39 te scoren. We gooiden de kapotte thermometer weg en gingen vrolijk verder met ons strandvertier.
We vonden het tuincentrum aan de zonnige rand van Purmerend en vulden een laatste gaatje in de parkeerplaats. Een jongen zat winkelwagens te desinfecteren. Ik wilde achter mijn vriendin aan lopen, maar hij riep me aan. Ieder een eigen karretje. Ik gehoorzaamde braaf en, vastbesloten het ding alleen te gebruiken als buffer tussen mij en de gevaarlijke anderen, sjokte ik de kassen in.
Al gauw dwaalden we tussen de geurige overdaad aan fris uitziende heesters, planten en bloemen. Ergens bij de pelargoniums moet het gebeurd zijn. In een impuls laadde ik wat balkonplantjes in mijn wagentje, een fuchsia, een wuivende, lichtgroene varen, een paar potjes 'Million Bells', heel aandoenlijke minipetunia's met gele klokjes. Buitengekomen stelde ik verwonderd vast, dat de vermoeidheid weg was. En die holtes? Ach, beetje hooikoorts, anders niet.
Thuis legde ik een Westmalle in het vriesvak. Mijn vriendin ging wat in de tuin werken. Terwijl ik wachtte tot mijn tripel koud zou zijn las ik haar de vrolijke circusgedichten voor van Don Vitalski, die de vorige dag per post waren aangekomen. De zon scheen hartverwarmend en de vogeltjes tjilpten als in een lied van Robert Schumann. Het was bijna mei.