zaterdag 20 april 2013

Koningslied, conclusie


Het had een polderhymne moeten worden. Een verbroederende meezinger. Maar het blijkt een splijtzwam. Dat de intelligentsia zich er neerbuigend over uitlaat (‘zwakzinnig’, ‘schokkend’) was nog te verwachten, maar dat ook de doelgroep kritisch is verrast me toch wel: de oranje achterban vindt het moeilijk mee te zingen en mist een pakkend refrein.
Mijn rijke en beroemde collega Ewbank krijgt wel wat over zich heen, sinds de release van zijn Koningslied gisterenmorgen. Maar hij heeft het er dan ook naar gemaakt, met zijn gemakzuchtige mix van musical en kampvuurfolk.
Ik mengde me aanvankelijk verheugd in de algemene verontwaardiging op Facebook, tot ik na een tijdje genoeg kreeg van de negatieve energie die het medium doorzinderde. Ik had ook niet zoveel meer te vertellen. Mijn gram had ik al eerder gespuid, na het horen van een veelzeggend voorproefje, en eerlijk gezegd viel het uiteindelijke resultaat me nog mee. Suffer dan verwacht. Geen hitsig tegen elkaar op jodelende en kwinkelerende R&B-zangeresjes tijdens een pompeuze climax, waar ik toch wel op gerekend had. Het lied sterft, teleurgesteld in zijn eigen mogelijkheden, na een te lange vijf minuten.
Dat zette een streep door mijn rekening: ik was van plan geweest om op deze plaats Ewbanks compositie musicologisch te fileren met een gemeen scherp mesje, maat voor maat, maar er zit niet genoeg vlees aan, slechts wat dunne graten en een beetje ranzig vet. Een stuk van mijn aanstaande tirade had ik zelfs al geschreven, omdat ik zeker wist dat ergens halverwege het lied (‘en nu meezingen!’) een halve toon omhoog zou gaan:

'Ha! Alles een halve toon omhoog! Natuurlijk! Wagner paste deze kunstgreep voor het eerst toe; toen was dat een schokkende noviteit. Vreemd genoeg werd de truc vooral in de amusementsmuziek gemeengoed. Het kan een leuk stapeleffect hebben: denk aan Peggy Lee’s Fever, elk couplet een graadje hoger op de thermometer. Maar tegenwoordig is deze transpositie zozeer een cliché geworden dat het gebruik ervan vooral de onmacht van de componist aantoont om op andere wijze drie minuten lang te blijven boeien.'

Maar wat bleek? Het lied gaat weliswaar eenmalig omhoog, een verrassende héle toon nog wel, maar dat gebeurt na een rap-passage waarin we de toonsoort sowieso al even kwijt zijn. Dus die ‘modulatie’ is behalve cliché ook nog eens zinloos: er ontstaat geen harmonische spanning of verrijking.
Verder valt op dat de productie haastig gedaan is, meldde een bevriende producer. Ik zou eraan willen toevoegen: haast en nonchalance tekenen het gehele resultaat. In de vijf jaar dat Ewbank het in de kast had liggen, wachtend op deze speciale gelegenheid waarop het voor gewoon gebruik ‘te grote’ lied triomfantelijk tevoorschijn gehaald kon worden, had hij er toch wel wat aan mogen polijsten. Dat ook de kromme tekst, de plichtmatige uitvoering en het slappe arrangement sporen van slordigheid en haast vertonen is gezien de tijdsdruk wat vergeeflijker, hoewel Nelson Riddle in dezelfde periode wel vijf van zijn magistrale Sinatra-elpees van arrangementen had kunnen voorzien, en we nota bene een heel volk hadden om mee te denken over de juiste woorden.
Maar wat mij betreft genoeg over deze kwestie. Het zal gezongen worden. Tenzij de revolutie uitbreekt, zal het zelfs massaal méégezongen worden, al of niet ironisch. Er zullen mensen zijn aan wie het gekrakeel nagenoeg voorbij is gegaan, en die het wel een aardig liedje vinden. Er zullen vast ook mensen zijn die het als ontroerend zullen ervaren.
Ik zal proberen het voortaan te vermijden, als dat tenminste mogelijk is zonder dat ik me uit het openbare leven moet terugtrekken of slechts nog met oordopjes in de supermarkt kan betreden. Want één keer was meer dan genoeg. Het zat nog uren in mijn hoofd, en niet als een fijn Abba-refreintje, waarvan je vrolijk nageniet terwijl je het fluit op de fiets, maar als een irritante kleuterdreun, een oorwurm, die je niet uit je kop krijgt, hoe hard je ook schudt. Het Koningslied is als een moddervet slagroomsoesje: het ligt zwaar op de maag en de weeë, zoete smaak blijft nog lang op de tong hangen.

(Aan dit alles zit toch ook een positieve conclusie vast: muziek is blijkbaar belangrijk. Als je de monarchie serieus neemt moet je zorgen voor een serieuze muzikale celebratie van de koninklijke hoogtijdagen, anders roert het volk zich.)

vrijdag 19 april 2013

WATERBALLET


We hadden het over de vakantie. Mijn dochter zei dat ze nog niet wist wat ze zou gaan doen. Ze was al twintig, en hoewel ze het heus erg gezellig vond met ons, was het misschien tijd om haar eigen weg te gaan. De terloopse mededeling daalde langzaam in en verspreidde een dofheid die me van minuut tot minuut minder spraakzaam maakte. De avond tevoren hadden we nog een ijsje gegeten in de zoele schemering en naar de vleermuizen gekeken die boven Landgoed Frankendael fladderden. Ik verlangde naar de zomer en dacht aan onze laatste reizen. Het ijsje bracht me terug in het drukke Ventimiglia, de vleermuizen voerden me naar de landelijke stilte van Le Berry. Ik vroeg me af waar dit jaar ons zou brengen. Misschien wel nergens dus. Althans, niet ergens samen. De wijsgeer George Harrison zei het al: All Things Must Pass.
Ik besloot een eind te gaan lopen, hoewel wat ik uit mijn raam zag niet erg uitnodigend was. Wolken joegen voorbij door een kille blauwe hemel en de takken van de bomen zwaaiden korzelig heen en weer. Ik deed mijn winterjas maar weer aan.
Een uur lang marcheerde ik door Amsterdam-Zuid. Ademde diep, telde mijn passen, keek om me heen. Her en der lagen omgewaaide fietsen. De wind was fel maar minder koud dan gevreesd. De zon had kracht. De zwaaiende takken waren met lichtgroene knopjes bedekt.
Op een bankje aan de Reijnier Vinkeleskade ging ik zitten. Ik keek naar het voorbijstromende water en probeerde nergens aan te denken. Ik zag hoe de zon en de wind een spel speelden. Op het water fonkelden diamantjes, steeds op andere plekken schitterden ze op, ze vormden een uitwaaierend patroon van aan en uit flitsende lichtjes dat niet met de stroom meedreef maar er net boven leek te hangen, alsof de lichtjes van golf naar golf huppelden, altijd een andere kant uit, maar nooit met de stroom mee. Kwam er een windvlaag, dan verduizendvoudigden de sterretjes zich en ruiste er even een kralengordijn van licht over het water, dat even snel weer oploste en alleen de diamanten primadonna’s overliet. Het was een hypnotiserend gezicht dat ik goed in me op probeerde te nemen, al wist ik meteen dat ik er zelfs als het beeld op mijn netvlies zou beklijven geen woorden voor zou kunnen vinden, behalve tamelijk machteloze beeldspraak. Een waterballet kwam nog het dichtst in de buurt, maar dat had al een andere betekenis.
Toen ik me losmaakte van het feeërieke spel van licht, wind en water zag ik op mijn mobiel dat er een uur voorbijgegaan was sinds ik op het bankje was neergestreken. Als iemand me had gevraagd hoe lang ik daar gezeten had aan de kade, zou ik ‘een paar minuten, hooguit tien’ hebben geantwoord. Ik moest denken aan het oude Ierse verhaal over de man die danst met de fairies. Als hij zich losrukt uit de rondedans en terugkeert naar zijn dorp blijkt er niemand van zijn generatie meer in leven te zijn.
De weg naar huis legde ik opvallend lichtvoetig af. Het was of mijn benen voor mij liepen: ik hoefde alleen maar ontspannen achterover te leunen terwijl zij het zware werk deden. Ik werd vervoerd in de koets van mijn eigen lichaam. Ik keek omhoog naar de lucht, naar de zachte wolken en de lichtgroene knoppen aan de takken van de zwaaiende bomen en het denkbeeld kwam bij me op dat ik één was met de wind.
Maar dat verwierp ik onmiddellijk als een romantische gedachte.


(Illustratie: William Sullivan: 'Fairy Dance', 1882)

dinsdag 16 april 2013

PIJP


Op een dag brak ik een pijp. Niet zomaar een pijp, maar mijn eerste, de pijp die mijn dochters voor me hadden uitgezocht op de Gentse vlooienmarkt. Niet alleen om die reden mijn lievelingspijp: hij past tussen mijn kiezen alsof hij er speciaal voor gesneden is en hij bevalt me nog steeds beter dan al die andere, vaak heel dure pijpen die ik sindsdien heb gekocht. Het gebeurde in een oogwenk. Hij gleed uit mijn jaszak, kletterde op de harde vloer van een repetitielokaal en lag daar in twee stukken uiteen. Ik zag meteen dat het mis was. De tap, het verbindingsbuisje tussen steel en kop, was afgebroken. Geen reparateur die daar nog aan begint. Dan koop je toch een nieuwe? Om te rouwen was er geen tijd. Ik stopte de twee plotseling zinloos geworden stukken terug in mijn zak, zette mijn kiezen op elkaar en haalde mijn gitaar uit zijn foedraal.
Later op de dag herinnerde ik me het ongeluk. Ik liet de restanten van mijn pijp aan Lucas zien. Lucas bouwt zijn eigen instrumenten, prachtige, minutieus afgewerkte barokhobo’s. Hij draaide het ebonieten mondstuk en de wortelhouten kop in zijn hand rond, tuurde aandachtig naar het breukvlak en doorgrondde met kennersoog het wezen van een pijp. ‘Ik denk dat ik dat wel kan maken,’ zei hij. ‘Maar het wordt wel na Pasen.’
Ik gaf hem de stukken mee en sliep gerust. Op de draaibank van Lucas was mijn pijp in goede handen.
Na een tijdje belde hij me op. Hij had nog een paar ebbenhouten pianotoetsen liggen. Daarvan zou hij een busje maken dat hij in de steel zou lijmen. Het probleem was alleen het uitboren van de kop en de steel, waarin de resten van de gebroken tap nog zaten. Hij moest nog een manier vinden om die fijne dingetjes in zijn draaibank vast te zetten.
De volgende dag stuurde hij me een paar foto’s waarop ik kon zien dat hij daarin geslaagd was. Ik had weer een pijp. En nog wel één met een ebben tap! Die zou nooit meer kapot kunnen vallen.
Nu had ik een probleem. Hoe moest ik hem dit vergoeden? Het was een vriendendienst, en Lucas had me verzekerd dat hij het een leuke klus vond, een uitdaging voor zijn vindingrijkheid. Van geld kon geen sprake zijn. Een fles drank? Mwa, te gewoontjes. Deze bijzondere dienst moest met een bijzonder geschenk beloond worden.
Plotseling kreeg ik een lumineus idee. Lucas is een verstokt Bommellezer. Onze gesprekken zijn doorspekt met verwijzingen naar de Bommelsage. We zijn beiden groot geworden met Tom Poes en delen de wereld van Rommeldam zoals oud-Indiëgangers de Gordel van Smaragd: aan een half woord genoeg om een glimlach vol heimwee op te roepen.
Mijn oma was ooit, toen ik een jaar of twaalf was en mijn eerste Bezige Bij-reuzenpocket had gekocht, begonnen de strookjes Tom Poes voor me uit te knippen, uit het Brabants Dagblad. Het was elke keer als we op bezoek kwamen een feest om het lopende verhaal te zien groeien. Soms vergat ze het wel eens, en de lacunes maakten het sprookje nog geheimzinniger. Wat kon er toch gebeurd zijn op strookjes 6589 en 6591 van Tom Poes en de de astromanen? Ik kon er uren over peinzen.
Ik bewaarde die verhalen in een oude verhuisdoos. Soms haalde ik ze tevoorschijn en rook aan het droge, vergeelde papier, las hier en daar wat, bekeek de plaatjes. De laatste keer was alweer jaren geleden. Nu klom ik op een stoel, tilde de doos van de kast, blies het stof eraf, haalde het stapeltje enveloppen met strookjes eruit en legde ze een voor een voor me op tafel. Ik las de namen van de verhalen, geschreven met Oost-Indische inkt in mijn jongenshandschrift, en wikte en woog. Hier kon ik geen afstand van doen. En dat was precies wat ik zou doen.
Toen Lucas de pijp kwam brengen en ik hem met enig theater mijn geschenk overhandigde was hij niet zo verrast als ik gehoopt had.
Want – ik had het kunnen weten - hij had ook zo’n oma gehad.


(Foto's: Lucas van Helsdingen)

vrijdag 12 april 2013

MEDITATIE


Als ik vertel dat ik regelmatig mediteer wekt dat bij veel mensen weerstand op. De vooroordelen tegen meditatie zijn hardnekkig. Omdat ik die vooroordelen zelf ook heb breng ik de boodschap dat ik er ‘aan doe’ aarzelend over, vaak met ironie. Dat helpt niet echt om een serieuze reactie uit te lokken. Mijn gesprekspartner gniffelt wat, ik gniffel mee. Een klap van de hamer en over naar een volgend onderwerp.
De zaak is dat alles wat er aan meditatie vastzit me tegenstaat. Alleen het pure geluid van een aangetikte klankschaal, dat vind ik mooi. Maar de hutspot van bijeengeraapte elementen uit wat met een vaag gebaar ‘het Oosten’ wordt genoemd maakt me misselijk. Vooral de ingrediënten uit het voormalige hippie-Mekka India, wriemelend, overvol, chaotisch land van collectieve wansmaak, godsdienstwaanzin, zieke tradities en bijtende armoede. Verder oostwaarts wordt het al iets beter, met de oceaan in zicht die ons weer bij Amerika brengt, als we de aarde ronden. Ik hou van klassieke Chinese poëzie, van haiku, van de muziek van Toru Takemitsu en van Japanse houtsneden.
Een tweede gevoelsbarrière is juist door het moderne Westen opgeworpen. De vercommercialisering van de mystiek én van de praktijk. Met de armoedige kermisboeddhabeeldjes voor drop-outs en dwepers aan de ene, en de design yogamatjes van duurzaam materiaal voor trendgevoelige welgestelden aan de andere kant.
Ik was dan ook erg blij met het boek Teach us to sit still van Tim Parks. Ik las het in één adem uit, in het verheugende besef dat ik een medestander had gevonden, een mediteerder waar je mee voor de dag kan komen als moderne sceptische intellectueel. Want Parks is wel de meest onwaarschijnlijke persoon die je je kunt voorstellen om aan meditatie te doen en er een vuistdik boek over te schrijven. Een cerebrale Brit die sinds jaar en dag in Italië woont met vrouw en kinderen, een succesvol schrijver van moeilijke boeken, een man van taal en logica, een harde werker, sportief, gespeend van dweep- of drankzucht en wars van mystiek. Ik had al eerder een toegankelijk, even helder als relativerend boek over meditatie gelezen: De lege spiegel, van JanWillem van de Wetering. Dat rekent lichtvoetig (maar niet lichtvaardig) af met alle valse romantiek die rondom Zen hangt en toont de vaak onthutsend harde praktijk. Maar Van de Wetering was een existentialist, een ongelukkige zoeker naar de zin van het leven. Parks niet.
Parks heeft pijn. Jarenlang. Hij ondergaat de vermorzelende molen van klinisch onderzoek. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Niets te vinden, Parks is gezond. Maar de pijn blijft. Uiteindelijk komt hij via een op internet besteld zelfhulpboek uit bij adem- en ontspanningsoefeningen. Hij gaat aan de slag en er treedt enige verbetering op. Daardoor aangemoedigd zoekt hij verder. Het einde van dit meeslepende verhaal vol zelfonderzoek en zelfspot toont ons de nuchtere Parks als vlijtig discipel van een meester in de Vipassana-meditatie, de oervorm van wat modieus mindfulness heet. Nog steeds een westerse intellectueel, maar één die wat heeft bijgeleerd. En één zonder pijn.
Leer ons stil te zitten, dat óók een literair boek is, al noemt Parks het geen roman, stimuleerde me om mijn eigen halfslachtige meditatiebeoefening nieuw leven in te blazen. Iedere avond als ik mezelf losrukte van de bladzijden en het licht uitdeed wreef ik in gedachten mijn handen. Ik had er zin in! Morgenochtend meteen het matje op.
Maar lezen over mediteren is iets anders dan het daadwerkelijk doen. ’s Ochtends was mijn enthousiasme danig geluwd. Eerst maar eens koffie, roken, mail beantwoorden, douchen. Daarna eisten een voor een andere dingen me op, routines, plichten, impulsen. Als ik aan mijn voornemen van de avond ervoor dacht voelde ik weerzin. De dag was net een beetje lekker op gang, moest ik die nu alweer onderbreken en stil gaan zitten op de harde vloer?
Hoewel… Aan dat laatste kon natuurlijk iets gedaan worden.
Door de zachte regen van de aarzelend beginnende lente liep ik de Ceintuurbaan af. Ik herinnerde me daar zo’n trendy yogawinkel gezien te hebben. Daar zou ik een officieel matje met bijbehorend zitkussentje kopen. Mijn vooroordelen moest ik maar opzij zetten.
Diep in en uitademend op het ritme van mijn pas legde ik de weg af. Ik zette mijn voeten bewust neer, een voor een, en voelde hoe mijn beenspieren hun werk deden. Opkomende gedachten monsterde ik even op nut en wenselijkheid om ze daarna te laten schieten. Ik liep en ademde en zocht die winkel. Meer niet.
Dat mijn herinnering me had bedrogen liet me in deze stemming onaangedaan. Op de Ceintuurbaan verkopen ze veel, maar geen yogamatjes. Rustig doorademend liep ik terug. De intentie was er. En Parks lag op mijn nachtkastje, vol potloodstrepen in de kantlijn om me aan mijn voornemens te blijven herinneren.



dinsdag 9 april 2013

BAARD

Ik heb het grootste deel van mijn volwassen leven een baard gedragen. Vroeger zeiden ze dat je daarmee iets verborg, dat het een teken was van verlegenheid of onzekerheid. Misschien beperkt mijn gezichtsbeharing zich de laatste jaren om die reden tot een klein kinbaardje. Want veel heb ik niet meer te verbergen. En bovendien: onzekerheid moffel je niet zomaar weg, verlegenheid leg je met een scheermes niet bloot.
Een week of twee geleden besloot ik me niet meer te scheren. Uit protest. Niet tegen de gevestigde orde zoals in de jaren zestig, maar tegen de winter. Pas als de lente zou komen zou ik mijn gezicht weer coifferen. Tot die tijd zou ik erbij lopen als een holenbeer. Gisterenmorgen zag ik mijn onverzorgde witte baard in de spiegel en aarzelde. De hegemonie van kou en oostenwind leek voorbij. Maar ik besloot toch nog een paar dagen te wachten, tot dat beloofde weekend met 20 graden. Pas dan gaan mijn coltruien de kast in en zal ik met rituele precisie mijn gezicht restylen.
Ik moest denken aan een lente van lang geleden. Ik gaf samen met mijn vader een recital in Grosskrotzenburg, een vriendelijk plaatsje onder de rook van Frankfurt am Main. Schubert, Schumann, Liszt. Mijn moeder ging mee, mijn vrouw, en mijn driejarige zoontje. De gemeente betaalde twee nachten hotel en al onze onkosten, naast een bescheiden honorarium. Je kon veel van de Duitsers zeggen, maar een warm hart voor de cultuur hadden ze! We hadden er onder het mom van werk een paar prachtige dagen.
Mijn moeder is dood, mijn vrouw is bij me weg, en mijn zoon is een volwassen kerel van zevenentwintig die zijn eigen concerten geeft. Mijn weemoed begrijpt u zo ook wel, die zal ik u besparen. Wel wil ik u vertellen over Schwarzer Willy.
De plaatselijke kroegbaas was een voormalige Amerikaanse militair die in Duitsland was blijven hangen. Volgens mijn dagboek (waarvoor ik me wel excuseer) ‘een spectaculair lelijke, enorm dikke neger die een raar mengsel van Duits, Frankisch en Bronx’ praat, welks verstaanbaarheid nog eens bemoeilijkt wordt doordat dit mengsel vanuit een speekselrijke, nooit sluitende mond met Sjors en Sjimmielippen wordt gesproeid’. Omdat hij destijds de enige zwarte in een verder blank stadje was noemden ze hem eenvoudig Schwarzer Willy. Hij vatte het op als geuzennaam. Zijn kroeg heette ook zo.
De morgen na het concert zaten we er aan de bar. We hadden een Paasmarkt bezocht, ik was op de foto gezet met de burgemeester en we hadden een paar heerlijke uren doorgebracht aan de Main, lezend, turend over het water, luisterend naar echo’s van het dorpsleven verderop, ‘ruikend aan een bloesemtakje dat me het geheim van de eeuwige lente belooft te verraden.
Terwijl we geduldig wachtten tot het trage Dortmund getapt was begon mijn vader een gesprek met de plaatselijke onderwijzer over het archetype van de Loreley. Mijn vader houdt niet van smalltalk. De organisator van het optreden toonde de kroegbaas het lokale sufferdje met een foto van mijzelf, gemaakt in een zeldzame gladgeschoren periode, om te bewijzen dat er twee buitenlandse beroemdheden hoogstpersoonlijk bij hem aan de toog zaten. Schwarzer Willy keek naar de foto, keek naar mij, en zei lachend: ‘Bhezzer mid bbahrd.’

vrijdag 5 april 2013

JULIUS RÖNTGEN


Pong! Pong! Pong! Mijn Facebook chatbox vroeg dringend mijn aandacht.
Tweeduizend kilometer verderop had Beniamino Cuomo mijn hulp nodig. Ik liet mijn bezigheden in de steek en probeerde zijn vraag te beantwoorden. Beniamino is een ongeduldig man en kan soms een dwingeland zijn, maar hij heeft me onvergetelijke concerten in Napels bezorgd en ik ben hem graag van wederdienst.
Dit keer ging het om de componist Julius Röntgen (1855-1932).
U heeft waarschijnlijk een bepaald beeld van Napolitanen, net zoals zij dat van ons hebben. Op een afstand kloppen die beelden aardig, maar van dichtbij bekeken verbrokkelen ze tot verwarrende details. Beniamino heeft lichtgrijze ogen, geeft niets om wijn en is gefascineerd door onze noordelijke cultuur. Hij begon met Beethoven maar groef steeds dieper. Via de Leo Smit Stichting maakte hij kennis met de Joodse componisten van het interbellum. Af en toe vraagt hij me muziek voor hem te bestellen. Die wordt dan ginds, aan de onaangedaan glinsterende baai van Napels, door muzikanten van het San Carlo Theater uitgevoerd. Wat zijn meer stereotype streekgenoten daarvan vinden weet ik niet. Die vonden waarschijnlijk mijn Napolitaanse canzoni mooier.
Beniamino heeft zo zijn eigen beeld van ons land. Om klompen en tulpen smaalt hij. Nederland bestaat uit Joden en verzetshelden. Uit mensen die geleden hebben onder de Mof en mensen die de Teutoonse tyran dapper weerstreefden. Dat er hier verhoudingsgewijs meer Joden zijn aangegeven dan in Italië en dat onze verzetsbeweging een jongensclubje was vergeleken bij de Italiaanse Resistenza verzwijg ik maar liever. Ik laat hem zijn illusies. Want Beniamino houdt oprecht van ons land maar aan de complexe werkelijkheid is hij nog niet toe.
En nu heeft hij zijn verrekijker dus gericht op Röntgen. Nederlander, Duitse naam, auteur van negen bundels Kriegslieder. Past perfect in zijn straatje. Er is een dissertatie over Röntgen van de musicoloog Jurjen Vis. Ik moet hem benaderen, het boek bestellen, de passages vertalen over die ‘Kriegslieder’ e la sua dramma familiare durante la guerra 1914/1918, zijn familiedrama in de Eerste Wereldoorlog. Dat Nederland in die grote, wrede oorlog neutraal was weet Beniamino blijkbaar niet.
De dissertatie staat op internet en ik ben er voor ik het weet een morgen mee kwijt. Als een spons zuig ik informatie op. Ik lees over het duo dat Röntgen vormde met de bariton Johannes Messchaert, pupil van de legendarische Julius Stockhausen. Over hun samenwerking, Messchaerts indisposities en afzeggingen. Over Mahler en Brahms, over het concertleven in Wenen en Amsterdam. En er vormt zich langzaam een polaroidplaatje van Röntgen. Die ondanks zijn nationalisatie Duitser bleef in hart en nieren, die onze taal na een heel leven tussen Amsterdammers nog steeds niet beheerste, omdat de intellectuele en artistieke elite waarin hij verkeerde natuurlijk gewoon Duits sprak (er bestond toen nog onderwijs). Die conform de geest van de tijd gematigd maar overtuigd antisemiet was, hoewel hij (liberale) Joden onder zijn vrienden had. Die in de Eerste Wereldoorlog vooral met Duitsland begaan was en koorwerken schreef ter opmontering van de Duitse moraal. Die kind aan huis was in Huize Doorn, waar hij thee dronk met de Kaiser in ballingschap, en zich druk maakte om de vernedering van Duitsland na de vrede van Versailles. Die ook daar weer opbeurende gezangen voor schreef. Die Kriegslieder waren niet de linkse verzetsliederen waarvoor Beniamino ze ongetwijfeld houdt, maar toonzettingen van Duitse oorlogspoëzie. En het dramma familiare, ja, dat was er wel: Röntgen kon na de oorlog fluiten naar zijn Duitse beleggingen.
Heus geen foute man, deze componist van behoudende en altijd goed klinkende muziek, maar een man die gevangen was in het ingewikkelde web van zijn tijd.
Pong! Pong! Pong! Beniamino, aan zijn zoveelste espresso en getergd door ongeduld. Ik schakel snel de pc uit, trek mijn jas aan en loop door de ijzige wind naar het café. Om slecht nieuws te kunnen brengen moet je even moed verzamelen.


[Naschrift: 'Mannaggia!' opende Beniamino zijn antwoord: 'Verdorie!'. Maar hij stelde wel mijn kennis bij over het familiedrama: één van Röntgens zonen was, omdat zijn vader in die tijd nog officieel Duitser was, opgeroepen voor Duitse militaire dienst, en krijgsgevangen geraakt; dat had de dissertatie in het betreffende hoofdstuk niet vermeld. Overigens siert het Beniamino dat zijn interesse in Röntgens muziek na mijn ontmoedigende informatie overeind is gebleven; ik moet nu achter de altvioolsonate in A aan. 'Die 'Kriegslieder', laat die maar zitten.']

dinsdag 2 april 2013

KONINGSLIED


Er is nogal wat te doen over het lied dat bij de kroning van Willem-Alexander te horen zal worden gebracht. Iedereen mocht een compositie inzenden maar zoals verwacht werd er op safe gespeeld: de bal werd naar de ervaren liedjesschrijver en muziekproducent John Ewbank toe gekopt. Hij presenteerde zijn werkje in DWDD (De Waan van De Dag). Er rees een storm van protest, en niet alleen uit muzikantenhoek. Dit hadden we al eens gehoord! De titelsong van Shrek? The Chieftains? Relizanger Matt Redman? Zo ontstond de affaire Ewbank.
De kwestie van plagiaat is niet waar het mij hier om gaat. Componeren is mensenwerk. Het is een illusie te denken dat er iets als volstrekte originaliteit kan bestaan. De toonladder telt slechts iets meer dan twee handen vol noten (de halve meegerekend) en er zijn al oneindig veel muziekjes mee gemaakt. Ons oor is bovendien behoudzuchtig. Het is tonaal ingesteld en keurt niet alle combinaties goed. Bij iets dat goed in het gehoor moet liggen grijp je automatisch naar voor de hand liggende combinaties die hun werkzaamheid al lang en breed hebben bewezen, naar min of meer traditionele melodische bouwsteentjes. Wat je vervolgens als componist doet is die bouwsteentjes op je eigen manier ordenen, ze op ongebruikelijke wijze door elkaar husselen of net iets anders stapelen dan de luisteraar verwacht. Er op een uitgekiend moment een nootje van weglaten, of er slinks eentje toevoegen. Je verlegt accenten, goochelt met maatsoorten. Je bedenkt er een contrasterend motiefje bij, of herhaalt het patroon onverwacht in een andere toonsoort. Zo krijgt je liedje een eigen signatuur.
Ewbanks inschattingsfout (luiheid, writer’s block, cynisme?) is dat hij het gelaten heeft bij stap één, het zoeken naar een goed klinkende, traditionele combinatie van noten. Hoewel hij een bekwaam componist is doet hij er vervolgens niets mee, hij laat het bij die ene inval, alsof die zo geniaal is dat verdere uitwerking overbodig is. En ja, dan blijken meer mensen dat Iers aandoende, pentatonische motiefje al te hebben gebruikt. Natuurlijk! En word je vervolgens van plagiaat beschuldigd. Natuurlijk! Het is waarschijnlijk geen plagiaat, in de zin van vooropgezet jatwerk, maar ‘toevallige’ overeenkomst: ook de andere gebruikers van het wijsje putten uit dezelfde bron van eeuwenoude volksmuziek. Maar de smet kleeft ook zonder boze opzet, en je reputatie krijgt, terecht, een deuk.

Wat mij vooral bezighoudt is niet wát Ewbank heeft aangeleverd (slappe kitsch, wat mij betreft, zouteloze aanstekermuziek voor de Heinekendrinkende feestmassa), maar dát hij het überhaupt heeft mogen aanleveren. Dat verontrust me, al bevestigt het mijn culturele pessimisme met een vette, cynische knipoog.
Dat we in een populistische cultuur leven is bekend. Dit is het Land van Leuk. Op alle fronten wordt een knieval gemaakt voor de smaak van de grootste gemene deler. Moeilijke kunst, die de man van de straat niet kan begrijpen, is verdacht en elitair. Die beoefen je maar in het geheim, met een paar andere hooghartige en wereldvreemde trawanten. Wat ooit ‘hoge cultuur’ werd genoemd is verdrongen naar de achterkamertjes van luxueuze grachtenpanden en heeft op zijn best de status van een soort artistieke vrijmetselarij.
Ooit domineerde die hoge cultuur, en werd op lage of volkscultuur neergezien. Als je vooruit wilde komen in de wereld simuleerde je desnoods interesse in klassieke muziek of in literaire meesterwerken, net zoals je ABN moest leren spreken of met mes en vork moest zien om te gaan. Toen kwam er een boeiende tijd waarin hoge en lage cultuur elkaar gingen beïnvloeden en samen tot interessante resultaten kwamen. Dat tijdperk begon grofweg met Gershwins Rhapsodie in Blue en eindigde nog niet zo lang geleden. Op dit moment is de slinger definitief doorgeslagen naar de andere kant. Lage cultuur heerst, hoge cultuur zit in het verdomhoekje.

Niets toont dat beter aan dan de affaire rond het zogenaamde Koningslied. De hoogste instanties van het vaderland vieren een groots en symbolisch feest, ons koninkrijk krijgt een nieuwe vorst, de eerste mannelijke monarch sinds Willem de Derde na een interregnum van drie koninginnen (vier zelfs, als je koningin-regentes Emma meerekent). Bij de muzikale aankleding van zo’n feest laat je zien waar je staat, als culturele natie. Vroeger zouden onze belangrijkste klassieke componisten zijn aangezocht om die hymne te schrijven. Ook die zouden zich trouwens, het Wilhelmus en het Neêrlandse volk indachtig, gebaseerd hebben op folkloristische motieven, maar daar gaat het niet om.
Nu wordt aan klassieke componisten niet eens gedacht. Louis Andriessen, Theo Loevendie? Stel je voor dat ze er een rare maatsoort, een vreemde tweede stem of een moeilijk interval in zouden smokkelen! Doodeng.
Ook toondichters van een minder academisch maar even creatief kaliber worden schijnbaar vanzelfsprekend gepasseerd. Ik noem maar een paar namen: Maarten van Roozendaal (te ziek?), Corry van Binsbergen (te marginaal?), Kyteman (te hip?). Of, als het echt een liedje moet zijn, waarom niet onze vaderlandse oer-troubadour, Boudewijn de Groot?
Nee, John Ewbank wordt gevraagd. Boegbeeld van de muziekcommercie, hitproducent, verkoopcijferkanon. Blijkbaar is de man die Marco Borsato voorzag van zijn bekendste hits de grootste componist van onze tijd. Niets kwaads over Ewbank: hij is een vakman die op geraffineerde wijze even sentimentele als meeslepende liedjes schrijft waarop het fijn huilen is als je gedronken hebt. Maar het zegt wel iets over onze nationale cultuur. Alles voor de populariteit, alles voor de volksgunst.
Kees van Kooten zei in een interview dat onze vorst in spe en zijn lieftallige vrouw liever bij Jan Smit gezien worden dan bij het Schönberg Ensemble. Anders dan Beatrix en de betreurde Claus voelen ze blijkbaar niet de noodzaak om als vorstenpaar een opvoedende taak te verrichten of het goede voorbeeld te geven. De schijn van een culturele interesse hoeft bij ons eigentijdse koningshuis zelfs niet meer opgehouden te worden. En dat baart me zorgen.

[En wie schrijft eigenlijk de tekst voor Het Koningslied? De Dichter des Vaderlands, Anne Vegter? Nee, las ik vanmorgen: Acda en De Munnik, Guus Meeuwis en Daphne Deckers. Ik bedoel maar.]