vrijdag 2 september 2011

LOS

Voor me stopte een man. ‘Meneer, mag ik wat vragen?’ Hij kwam op me af. Onder het licht van de lantaarnpaal zag ik dat hij nog heel jong was. Halflang haar, een lip piercing in een wat bleek, kinderlijk gezicht. ‘Hoe kom ik in Amsterdam-Zuid?’ Ik wees naar de grond. ‘Dat is hier.’ ‘Ik zoek het station. Als ik dat zie, weet ik de weg verder wel. Ik moet naar Uilenstede.’ Ah! Verse eerstejaars, feestje gehad en de weg kwijt! Ik dacht aan mijn dochter in het verre Maastricht en wees hem de handigste route. Hij bedankte me en fietste een beetje slingerend verder. Het was kwart over drie, ’s nachts. Een kwartier geleden was ik wakker geworden uit een droom waarin ik koffie had gezet, me aan had gekleed, en naar de auto was gelopen. Precies als nu. Maar die student was er niet bij geweest. Alleen de stoplichten van de hoofdkruispunten deden het nog. Ik was de enige op de weg, op twee Marokkaanse jongens op een scooter na. Mijn jongste dochter wachtte me onuitgeslapen op. We zeulden haar reiskoffer naar de auto, zwaaiden naar haar moeder, en reden de stad uit. De A 10 was verlaten. Dit moment hoorde niet bij gisteren en niet bij morgen. Een soort niemandsland in de agenda. Op Schiphol parkeerde ik langszij van de vertrekhal. Alle mensen die ik in de stad en op de weg had gemist leken zich hier op te houden. De sfeer was gespannen. Er werd veel afscheid genomen. Toen ik aan de beurt was omhelsde ik mijn dochter. ‘Ik kom je over een maand opzoeken!’ Ze wuifde. ‘Tot later!’ Door het raam van de hal zag ik haar intens omhoogkijken naar alle borden terwijl ze gehaast voortstapte. Ze leek onzeker over waar ze moest zijn. Ik liep een stuk met haar mee, aan de andere kant van het glas. Ze zag me niet. Ik overwoog haar te bellen, maar besloot dat maar niet te doen.

Geen opmerkingen: