Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht land van leuk. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht land van leuk. Sorteren op datum Alle posts tonen

dinsdag 14 juni 2011

HET LAND VAN LEUK


Wat te doen met een bewolkte Eerste Pinksterdag als je vriendin naar Sint Petersburg is? In het Vondelpark was de finale van een singer-songwriterswedstrijd, gevolgd door een optreden van Lucky Fonz III. Ik moet liedjes schrijven, en mijn liedjes schijnen nogal ouderwets te zijn. Dus het kon geen kwaad eens te gaan luisteren naar jonge collega’s – misschien konden ze me inspireren.
In en rond de schelp van het openluchttheater, waar ik zelf zo vaak heb gestaan, was het druk. De geur van rosé en witbier drong zich in mijn neus. Op het podium stond een meisje te zeuren boven twee of drie gitaarakkoorden. Dat soort litanieën van drie minuten hoorde je vroeger op verduisterde zolderkamers, nu waren ze blijkbaar salonfähig. Ze kreeg luid applaus, de presentator zei dat het prachtig was geweest. Ik keek om me heen en zag niets dan onduidelijke, tamelijk jonge mensen. De paar leeftijdsgenoten die er waren deden alsof ze jonger waren. Ik zag mannen met getrimde baardjes en brillen met donkere, namaakhoornen monturen, met dure arbeiderspetten of te kleine hoedjes op. Allemaal blank, zelfs bleek: dit was een witte aangelegenheid. Ik voelde een onberedeneerde ergernis opkomen jegens de generatie van hippe plezierzoekers die de zogenaamde stadsstranden en de parken bevuilt met wijnflessen en van festival naar festival dwaalt. Om dat nurkse cultuurpessimisme te bestrijden kocht ik een ijsje, misschien had ik een suikertekort. ‘Koekido?’ vroeg de verkoper. Ik zei maar ja, en zag even later dat ik Ben & Jerry’s Cooky Dough had besteld. Toen het bevroren bekertje zacht genoeg was om een paar hapjes te kunnen nemen klaarde mijn stemming iets op. Lekker ijsje, de zon kwam door, ik moest niet zo chagrijnig doen. Deze liedjesmakers waren misschien onbeduidend, maar Lucky Fonz III zou veel goed kunnen maken. Tenslotte kregen zijn cd’s uitstekende kritieken in Oor, en ik had wel eens een interview met hem gelezen, waaruit hij tevoorschijn kwam als een aardige, intelligente jongen.
Lucky Fonz III kwam op. En Lucky Fonz III ging af, wat mij betreft.
Ik heb zelden zoiets zouteloos gehoord. De man kan niet al te best zingen, zijn liedjes zijn niemendalletjes, zijn teksten melige verhaaltjes in hortend metrum en kreupel rijm. Kokette, ironische aankondigingen (‘Als je goed luistert, hoor je de clou al in de derde regel’) wekken de suggestie dat wij allemaal, Fonz en zijn publiek, deelnemen aan één grote grap. Deze jongen, die begon als een imitator van het imago van Dylan – wél zijn geneuzel en zijn onhandigheid, niet zijn inhoud en zijn engagement –, en in die tijd nog wel aardige folksongs schreef, bakt er nu hij op Nederlandstalig repertoire is overgegaan echt helemaal niks van, volgens de wetten van mijn bakkerij dan tenminste. Oudbakken suikerbrood. Camp en ironie, meer niet. Onvermogen als handelsmerk. Hoogstens kun je zeggen dat hij een soort onbekommerde vrolijkheid uitstraalt, voor wie daar gevoelig voor is. Ik niet. Ik word er treurig van. Ben ik nou gek? Ik kan me niet voorstellen dat de recensenten die zijn huidige werk prijzen dat werkelijk menen. Misschien zijn ze bang dat hun baan op de tocht komt te staan als ze zich te veel tegen de tijdgeest verzetten? Wel begrijp ik nu beter hoe het fenomeen Tim Knol kon ontstaan. Vergeleken bij de luchtige flauwekul van Lucky Fonz III zijn de liedjes van die Noord-Hollandse retromuzikant bijna de doorwrochte meesterwerkjes waarvoor de muziekpers ze aanziet. Knol doet hoorbaar zijn best bijzondere liedjes te maken. Fonz doet alleen maar leuk. Maar moeten we hem dat kwalijk nemen? Zijn act kan alleen gedijen in een cultuur die zichzelf niet meer serieus neemt, die elke noodzaak, elke ambitie en elke bezieling heeft verloren. De cultuur van het Land van Leuk.
Ik kon het niet langer aanhoren. Ik liep naar huis in de koppige overtuiging dat ik maar gewoon ouderwets moest blijven. Liever tien échte luisteraars dan duizend verveelde rosédrinkers die serieus naar Lucky Fonz III kunnen luisteren. Om Reve te parafraseren: liever geen muziek, dan Lucky Fonz III.

dinsdag 2 april 2013

KONINGSLIED


Er is nogal wat te doen over het lied dat bij de kroning van Willem-Alexander te horen zal worden gebracht. Iedereen mocht een compositie inzenden maar zoals verwacht werd er op safe gespeeld: de bal werd naar de ervaren liedjesschrijver en muziekproducent John Ewbank toe gekopt. Hij presenteerde zijn werkje in DWDD (De Waan van De Dag). Er rees een storm van protest, en niet alleen uit muzikantenhoek. Dit hadden we al eens gehoord! De titelsong van Shrek? The Chieftains? Relizanger Matt Redman? Zo ontstond de affaire Ewbank.
De kwestie van plagiaat is niet waar het mij hier om gaat. Componeren is mensenwerk. Het is een illusie te denken dat er iets als volstrekte originaliteit kan bestaan. De toonladder telt slechts iets meer dan twee handen vol noten (de halve meegerekend) en er zijn al oneindig veel muziekjes mee gemaakt. Ons oor is bovendien behoudzuchtig. Het is tonaal ingesteld en keurt niet alle combinaties goed. Bij iets dat goed in het gehoor moet liggen grijp je automatisch naar voor de hand liggende combinaties die hun werkzaamheid al lang en breed hebben bewezen, naar min of meer traditionele melodische bouwsteentjes. Wat je vervolgens als componist doet is die bouwsteentjes op je eigen manier ordenen, ze op ongebruikelijke wijze door elkaar husselen of net iets anders stapelen dan de luisteraar verwacht. Er op een uitgekiend moment een nootje van weglaten, of er slinks eentje toevoegen. Je verlegt accenten, goochelt met maatsoorten. Je bedenkt er een contrasterend motiefje bij, of herhaalt het patroon onverwacht in een andere toonsoort. Zo krijgt je liedje een eigen signatuur.
Ewbanks inschattingsfout (luiheid, writer’s block, cynisme?) is dat hij het gelaten heeft bij stap één, het zoeken naar een goed klinkende, traditionele combinatie van noten. Hoewel hij een bekwaam componist is doet hij er vervolgens niets mee, hij laat het bij die ene inval, alsof die zo geniaal is dat verdere uitwerking overbodig is. En ja, dan blijken meer mensen dat Iers aandoende, pentatonische motiefje al te hebben gebruikt. Natuurlijk! En word je vervolgens van plagiaat beschuldigd. Natuurlijk! Het is waarschijnlijk geen plagiaat, in de zin van vooropgezet jatwerk, maar ‘toevallige’ overeenkomst: ook de andere gebruikers van het wijsje putten uit dezelfde bron van eeuwenoude volksmuziek. Maar de smet kleeft ook zonder boze opzet, en je reputatie krijgt, terecht, een deuk.

Wat mij vooral bezighoudt is niet wát Ewbank heeft aangeleverd (slappe kitsch, wat mij betreft, zouteloze aanstekermuziek voor de Heinekendrinkende feestmassa), maar dát hij het überhaupt heeft mogen aanleveren. Dat verontrust me, al bevestigt het mijn culturele pessimisme met een vette, cynische knipoog.
Dat we in een populistische cultuur leven is bekend. Dit is het Land van Leuk. Op alle fronten wordt een knieval gemaakt voor de smaak van de grootste gemene deler. Moeilijke kunst, die de man van de straat niet kan begrijpen, is verdacht en elitair. Die beoefen je maar in het geheim, met een paar andere hooghartige en wereldvreemde trawanten. Wat ooit ‘hoge cultuur’ werd genoemd is verdrongen naar de achterkamertjes van luxueuze grachtenpanden en heeft op zijn best de status van een soort artistieke vrijmetselarij.
Ooit domineerde die hoge cultuur, en werd op lage of volkscultuur neergezien. Als je vooruit wilde komen in de wereld simuleerde je desnoods interesse in klassieke muziek of in literaire meesterwerken, net zoals je ABN moest leren spreken of met mes en vork moest zien om te gaan. Toen kwam er een boeiende tijd waarin hoge en lage cultuur elkaar gingen beïnvloeden en samen tot interessante resultaten kwamen. Dat tijdperk begon grofweg met Gershwins Rhapsodie in Blue en eindigde nog niet zo lang geleden. Op dit moment is de slinger definitief doorgeslagen naar de andere kant. Lage cultuur heerst, hoge cultuur zit in het verdomhoekje.

Niets toont dat beter aan dan de affaire rond het zogenaamde Koningslied. De hoogste instanties van het vaderland vieren een groots en symbolisch feest, ons koninkrijk krijgt een nieuwe vorst, de eerste mannelijke monarch sinds Willem de Derde na een interregnum van drie koninginnen (vier zelfs, als je koningin-regentes Emma meerekent). Bij de muzikale aankleding van zo’n feest laat je zien waar je staat, als culturele natie. Vroeger zouden onze belangrijkste klassieke componisten zijn aangezocht om die hymne te schrijven. Ook die zouden zich trouwens, het Wilhelmus en het Neêrlandse volk indachtig, gebaseerd hebben op folkloristische motieven, maar daar gaat het niet om.
Nu wordt aan klassieke componisten niet eens gedacht. Louis Andriessen, Theo Loevendie? Stel je voor dat ze er een rare maatsoort, een vreemde tweede stem of een moeilijk interval in zouden smokkelen! Doodeng.
Ook toondichters van een minder academisch maar even creatief kaliber worden schijnbaar vanzelfsprekend gepasseerd. Ik noem maar een paar namen: Maarten van Roozendaal (te ziek?), Corry van Binsbergen (te marginaal?), Kyteman (te hip?). Of, als het echt een liedje moet zijn, waarom niet onze vaderlandse oer-troubadour, Boudewijn de Groot?
Nee, John Ewbank wordt gevraagd. Boegbeeld van de muziekcommercie, hitproducent, verkoopcijferkanon. Blijkbaar is de man die Marco Borsato voorzag van zijn bekendste hits de grootste componist van onze tijd. Niets kwaads over Ewbank: hij is een vakman die op geraffineerde wijze even sentimentele als meeslepende liedjes schrijft waarop het fijn huilen is als je gedronken hebt. Maar het zegt wel iets over onze nationale cultuur. Alles voor de populariteit, alles voor de volksgunst.
Kees van Kooten zei in een interview dat onze vorst in spe en zijn lieftallige vrouw liever bij Jan Smit gezien worden dan bij het Schönberg Ensemble. Anders dan Beatrix en de betreurde Claus voelen ze blijkbaar niet de noodzaak om als vorstenpaar een opvoedende taak te verrichten of het goede voorbeeld te geven. De schijn van een culturele interesse hoeft bij ons eigentijdse koningshuis zelfs niet meer opgehouden te worden. En dat baart me zorgen.

[En wie schrijft eigenlijk de tekst voor Het Koningslied? De Dichter des Vaderlands, Anne Vegter? Nee, las ik vanmorgen: Acda en De Munnik, Guus Meeuwis en Daphne Deckers. Ik bedoel maar.]

dinsdag 23 juni 2015

BROEDPLAATS


Voor sommige aanbevelingen deins ik terug. Affiches zijn als verkeersborden, je kunt ze ook als waarschuwingen interpreteren. ‘Pas op, André Rieu op het Vrijthof! Niet naar Maastricht gaan!’
Zo lees ik wel eens in de krant dat iets een hot spot is, een plek waar het gebeurt. Ik weet dan dat ik er voorlopig beter niet kan komen, want ik ben meer op mijn plaats op plekken waar het ooit gebeurd is, of waar het altijd, rustig en vanzelfsprekend, gebeurt.
Maar je wilt niet altijd een dwarskont zijn. Dus toen mijn vriendin me in het kader van de Open Architectuurdagen mee wilde nemen naar de hippe noordelijke IJ-oever keek ik weifelend naar de lucht, trok een warm colbertje aan, zette een hoed op en stapte in de auto.

De Ceuvel (spreek uit ‘keuvel’) is een broedplaats op een voormalige scheepswerf. Een groep jonge ondernemers, landschapsarchitecten, ambachtslieden en kunstenaars heeft het sterk vervuilde terrein voor tien jaar in bruikleen gekregen van de gemeente. De bedoeling is het na dat decennium schoner terug te geven. Een ‘verboden tuin’ van grassen en wilgen onttrekt de giftige troep aan de grond, het gemaaide loof wordt benut als biobrandstof.
Een forse jongeman met een blozend gezicht leidde ons rond. Aanlegsteigers lopen er kronkelend over het terrein en slalommen om woonboten heen: die zijn voor een symbolische euro aangekocht, het land op gesleept en op betonnen bakken geplaatst, veilig hoog boven de zware metalen. Deze schepen op het droge worden als ateliers en kantoren verhuurd aan innovatieve bedrijfjes.
Het zag er aanlokkelijk uit, een soort jongensdroom, een dorpje dat door Robinson Crusoe in elkaar geknutseld was. Die speelse hippiesfeer was ten dele schijn want er was hier keihard gewerkt, dat kon je zien. Een gebouwtje van afgedankte systeemkasten maken is een leuk idee, maar het ook te realiseren vereist doorzettingsvermogen.
De tuin, in de plannen het speerpunt van de onderneming, zag er niet erg florissant uit in de regen die begon te vallen. De jongen gaf toe dat de resultaten nog niet aan de verwachtingen beantwoordden. Het ging niet zo snel als ze hadden gehoopt, met dat ontgiften. We bedankten hem voor zijn uitleg en haastten ons naar een droge plek.
Op het onverwarmde terras waren de zitbanken van gehalveerde roeiboten verlaten op een paar diehards na die bier van grachtenwater dronken, zelf gebrouwen zoals het hipsters betaamt. Binnen in het café-restaurant, gemaakt van oud hout en havenafval, was het gezellig druk. Het viel me op dat nergens vermeld werd dat iets ‘biologisch’ was – zo’n predicaat was hier overbodig, want vanzelfsprekend. Op een fair in Zuidoost-Beemster waar we onlangs waren werd je ermee doodgegooid: van de appeltaart tot de pioenrozen, alles was er ‘biologisch’. ‘Pas op! Biologisch!’ Hier begon men pas te labellen als er meer aan de hand was. Staande aan de toog hapte ik in mijn veganistische, glutenvrije taartje met politiek correcte chocolade en keek om me heen. Er heerste een opgeruimde, ontspannen sfeer, de bediening had geen haast maar werkte wel gestaag door. Het publiek was voornamelijk jong maar toch divers, een grijsaard als ik misstond er niet. De taart was lekker. Toch was ik niet helemaal op mijn gemak.
Mijn vriendin raakte in gesprek met een jongensachtige man van onze leeftijd, een stedenbouwkundig architect met een frisse, nieuwsgierige blik. Ze praatten geanimeerd over vernieuwende initiatieven en alternatieve urbanisatie. Ik was, zoals mijn vriend Karl dat noemt, ‘een beetje sip’ en zweeg, bestudeerde folders en menukaarten. Maar voor zoveel goedwillende belangstelling kon ik me niet verschuilen. De architect richtte zich rechtstreeks tot mij en vroeg: ‘En wat vind jij er eigenlijk van?’
Ik zei dat ik zulk innovatief bouwen en ondernemen geweldig vond als ik het zag op Tegenlicht op zondagavond, maar dat ik het in het echt toch minder leuk vond dan op tv. Al die ludieke utopieën op een postzegeltje braakliggend grond in Amsterdam-Noord, dat kwispelende jongehondengedoe, ik werd er ook een beetje treurig van.
Waarom kon ik niet uitleggen. Was het jaloezie, benijdde ik dat jonge volkje hun tomeloze dadendrang en hun geloof in een maakbare toekomst, hun vrolijke optimisme? Of voelde ik medelijden met hun dappere maar ongelijke strijd tegen de uiteindelijke zinloosheid van ieder streven? Was ik, kortom, een ouwe zak of een zwartkijker?
Het is wel vreemd. Want hoe sip ik ook ben, van een nest jonge katjes of een troepje donzige eendenkuikens word ik altijd vrolijk, en zelfs de puppies van de honden waar ik niet van houd kunnen mijn stemming behoorlijk opbeuren.

donderdag 29 augustus 2019

Klokken en menhirs

1. Natuurpoort, hotelinspectie en een Franse Loreley

We reden pas laat weg en hadden geen zin en ook geen enkele reden om ons te haasten. Mijn vriendin herinnerde zich dat bij Ossendrecht, vlakbij de Belgische grens, een natuurgebied ligt dat de Brabantse Wal heet. Zo klopten we anderhalf uur later aan bij de Volksabdij Onze-Lieve-Vrouw ter Duinen, een gebouwencomplex in neoromaanse stijl uit 1941 dat van alles geweest is, van werklozenproject en opvangcentrum voor dakloze monniken en NSB-kinderen via ambachtsschool, internaat en bezinningscentrum tot conferentieoord en hotel. Ernaast ligt restaurant de Blauwe Pauw. Er is een grote parkeerplaats en een bord roept dat het hier een Natuurpoort is. Een sculptuur van een omgekeerde sleutel (baard in de lucht) onderstreept die claim. Alsof je niet zonder deze voorzieningen het achterliggende natuurgebied zou mogen betreden.
We aten er goed, dronken er een lokaal trappistenbier bij, sliepen best in onze propere kloostercel en maakten de volgende ochtend, na een eenzaam ontbijt in de verlaten eetzaal, een volledig legale wandeling door een prachtig bos, langs vennetjes en heide. Alles was groen, rook lekker en het weer beloofde veel goeds.
We hadden op voorgaande reizen zoveel oponthoud op Belgische steenwegen gehad dat we het land nu zo snel mogelijk doorkruisten, nu en dan frontaal belaagd door een felle vlaag regen. In het achterland van Arras zochten we onze voetsporen van drie jaar terug. Maar in het aardige Hesdin was alles op deze maandag gesloten en doods ondanks de volle zon en de montere muziek uit speakertjes. We dronken wat in een van de weinige bars die open waren. Voor logies werden we naar het nabijgelegen Marconne gewezen. We vonden er een saai ogend hotel met een grote gazontuin vol schots en scheef verspreide witte plastic stoelen. Les trois fointaines heette het iets te poëtisch. Maar we werden er vriendelijk ontvangen, de kamer had een eigen zitje aan de tuin, en toen de regen ons naar binnen joeg bleken de eigenaars, twee heren met een genotzuchtig buikje, heerlijk te kunnen koken. Ik had de vorige dag heek gegeten en me voorgenomen om, bij gebrek aan serieuze vegetarische schotels, veel vaker vis te kiezen in plaats van vlees, en zeker nooit meer varken te eten, nadat laatst weer een schuur vol van die arme dieren was gestikt. Maar nu zwichtte ik toch voor een buitengewoon smakelijke stoofschotel van porc en chorizo in tomaten, gevolgd door een crème brûlée die Johannes van Dam (die restaurants vooral beoordeelde naar hun brood en hun gezengde roomvla) gelukkig zou hebben gemaakt.
 De volgende morgen zaten we te ontbijten toen er twee even kokette als kordate dames binnenkwamen die rolkoffers achter zich aan sleepten. Ik hapte in mijn croissant en vroeg me vaag af waarom ze na enig overleg de keuken in werden geloodst. Ondertussen dribbelde de baas nerveus af en aan. Het raadseltje werd algauw opgelost. Een van de vrouwen kwam terug uit de keuken in hygiënisch tenue. Kapje, beschermende kledij, plastic handschoenen, alsof ze rechtstreeks uit de operatiekamer kwam. Er werd een lijst uit een map gehaald. Een balpen tikte kritisch punten aan. De baas had blijkbaar het een en ander uit te leggen. Hij probeerde het ijs te breken maar zijn charmes ketsten af op een stijf bevroren masker. Het lachje dat de inspectrice zichzelf uiteindelijk toestond toen het mapje was opgeborgen en de OK-kleding in de rolkoffers teruggestopt, was o zo zuinig. Was alles goed gegaan met de controle, wilde ik bij het afrekenen weten. Mais oui, geen probleem, lachte hij ongemakkelijk. Ik prees nog maar eens zijn crème brûlée. Hij wuifde ons opgelucht uit.

Geen haast hebben betekent voor ons 'klein rijden': veel op verouderde kaarten kijken en twisten over de route en iedere gril gehoor geven. Een dorpje Willeman beloofde een kasteel en een kerk die de moeite waard waren. Bovendien was het schilderachtig verscholen in het groen. We vonden het, keken er een beetje rond. Motregen streelde ons, lauw, welwillend. Op een pleintje stond een afgedankte telefooncel gevuld met boeken; Bibliocab, stond erop. Ik neusde er dwangmatig in. Ik viste een slap wit deeltje tussen de Franstalige Konsaliks uit, de naam van de vorige bezitter stond in balpen op het voorplat: Julien Helin. Alcools, van Guillaume Apollinaire - hup, die ging in mijn zak. De titel sprak me aan, en ik heb het een en ander van Apollinaire gezongen, meestal getoonzet door Poulenc.



Rond lunchtijd zaten we in de auto en keken naar de grijze façade van een verweerde gotische abdijkerk, de zoveelste. De vriendelijke motregen had zich discreet teruggetrokken en zijn barse opvolger gutste meedogenloos neer. We aten een sandwich met sterke kaas. Links van ons zagen we de gevel van een hotel dat er leuk uitzag. Maar twijfel rees: moesten we nu echt de rest van de middag en de nacht doorbrengen in dit bedrijvige plaatsje Saint-Riquier (Sint-Rikiers in het Franse Vlaams), waar we eigenlijk helemaal niets te zoeken hadden? We hadden een eindbestemming, dat was zeker. In Normandië en in Bretagne wachtten ons een gereserveerd hotel en een vakantiehuis. Maar de dagen tot we daar terecht konden zomaar vullen met willekeurig welk aardig plaatsje, leek plotseling futiel. We overwogen even om alvast naar Bretagne door te stomen (het huis was al vrij) en van daaruit terug te gaan naar Normandië voor die hotelreservering. Maar dat voelde ook verkeerd. Waarom niet - overwogen we - stoer zijn en een paar dagen gaan kamperen op onze Geheime Camping bij M.-la V., - het zou toch niet blijven regenen? En wat was erop tegen om voor de vierde of vijfde maal naar een plaats te gaan, die ons beviel? Niets toch immers? Dat denkbeeld voelde steeds beter naarmate we het lieten indalen. We lieten de middagdrukte van het stadje achter ons en reden naar de kust. De camping was er nog, ondanks zijn geheime status, had plaats, en de zon brak door. 



Op een klapstoel voor de tent hoog boven de klif bladerde ik in de gedichten van Apollinaire, die eigenlijk Wilhelm Albert Włodzimierz Apolinary Kostrowicki heette. Beneden me ruiste de zee. Het was eb. Tot mijn grote verrassing bleek Apollinaire ten minste één maal in de voetsporen van Heinrich Heine te zijn getreden. In gedachten begon ik te vertalen.

De Loreley

In Bacharach woonde een fee met zulke blonde haren
Dat alle mannen reddeloos betoverd waren

De bisschop liet haar komen voor de kanselarij
Maar sprak haar om haar grote schoonheid vrij

O mooie Loreley met ogen vol juwelen
Wie leerde jou zo knap met mannenharten spelen

Ik ben moe van het leven en vervloekt mijn mooie ogen
Wie daarin kijkt wordt in de diepste put gezogen

Het zijn vlammen in mijn ogen bisschop geen juwelen
Laat vuur en vlammen met mijn toverkunsten spelen

Over jouw lot beslissen moet een ander man
O Loreley want ik ben reddeloos in jouw ban

U moet niet lachen bisschop bid maar tot de Maagd
Dat ik zal sterven en dat God uw wilskracht schraagt

Mijn liefste is vertrokken naar een heel ver oord
Ik ben verloren beter dat u mij vermoordt

Mijn hart doet me zo'n pijn ik kan maar beter sterven
Als ik mijzelf aankijk kan ik misschien wel sterven

Mijn hart doet me zo'n pijn sinds hij er niet meer is
Mijn hart doet me zo'n pijn sinds hij vertrokken is

De bisschop liet drie ridders met hun lansen komen
Breng deze vrouw naar het klooster weg met die boze dromen

Ga mijn dwaze Lore mijn Lore met ogen die beven
Jij moet in zwart en wit habijt als non gaan leven

Maar toen ze met hun vieren op weg waren gegaan
Heeft zij met glanzende ogen een verzoek gedaan

O ridders als ik beklimmen mocht die hoge rots
Om nog een keer mijn slot te zien zo schoon en trots

Om mij een laatste maal te spiegelen in de stroom
Voordat ik intreed in het klooster kuis en vroom

Daarboven liet de wind haar blonde haren vrij
De ridders schreeuwden Loreley Loreley

Beneden op de Rijn zie ik een scheepje varen
De schipper heeft me al gezien ik zie hem gebaren

Mijn hart wordt week wordt zacht dat moet mijn liefste zijn
Ze buigt zich ver omlaag en tuimelt in de Rijn

Want in het water wiegend zag ze haar gezicht
Haar ogen de kleur van de Rijn heur haar het middaglicht


(Schets. Maar het gebrek aan regelmaat en interpunctie zijn geheel op rekening van Apollinaire)

[Naschrift 10 december 2024: Mijn kennis schoot destijds tekort. Niet Heine was het voorbeeld van Apollinaire, maar diens voorloper Clemens Brentano. In Brentano's ballade "Zu Bacharach am Rheine" (1801) wordt voor het eerst de geheimzinnige en tragische vrouwenfiguur Lore Lay geïntroduceerd.  Haar verhaal (hier samengevat door Apollinaire) maakte indruk op tijdgenoten en vond zoveel navolging (onder meer in het populaire gedicht van Heine) dat men na verloop van tijd dacht met een oude sage te maken te hebben. Er was echter slechts sprake van een verzinsel van Brentano, losjes gebaseerd op diverse legenden rondom de voor schippers zo gevaarlijke rots. Die heette overigens wel al Die Loreley. Over de herkomst van die naam verschillen de taalgeleerden van mening.]




vrijdag 26 april 2019

Een Paasuitje

Ons reisje naar de Achterhoek pakte heel anders uit dan vorig jaar. Pasen viel erg laat. In plaats van fauteuils, een goed boek en een knappend haardvuur kregen we een voorproefje van de zomer. De natuur juichte, opgetuigd in felle kleuren; een zoele wind voorkwam dat het uitbundige gele licht van de zon te veel ging branden. We zaten tot laat buiten, tot de vleermuizen gingen vliegen en alles, na het vertrek van de dagjesmensen, gedompeld was in een dromerige stilte. Ik prees me gelukkig: zo zou het altijd moeten zijn. De volgende dag wandelden we op landgoed Hackfort bij Vorden en genoten van de zee van wilde bloemen en stinsenplanten. In het Lalique Museum in Doesburg waren de bloemen van goud en van zilver, dansten de fauntjes rondom glazen vazen, en rook het naar parfum, want de geurampullen die René Lalique ooit ontwierp zijn nog steeds in productie en het museumwinkeltje biedt ze, gevuld en wel, te koop aan; net als die geblazen vazen met saters trouwens: voor een kleine drieduizend euro had ik er een mee naar huis kunnen nemen. De namiddag brachten we door aan een schragen tafel onder een klapperende parasol, in de stille tuin van de Bronckhorst Brewing Company, midden in het lege land, groen met gele spikkels. Daarna waren er asperges, roseval aardappels, ham en eieren en grote glazen wijn op het terras van Herberg de Gouden Leeuw, tot het tijd werd om verzadigd kamer 1, de Dickens Suite op te zoeken. Die nacht sliep ik slecht en de volgende dag was ik moe. Zon, wind, geuren en kleuren, belevenissen, ontmoetingen, indrukken, drank en eten - het was wat veel geweest, zo samengebald in een minivakantie met Pasen aan het eind van een druk seizoen. Toen ik ook de dag erna gedeprimeerd opstond begon ik al een beetje spijt te krijgen van ons uitje. Quadrupel van 11.5 %, die sigaret die ik van de ober gebietst had... Het was misschien té leuk geweest, ik had me té lekker gevoeld, het was moeilijk om het gewone leven weer op te pakken; want het was nog geen zomer, het werk ging gewoon nog door.
 
Na de koorrepetitie liepen we door de regen naar huis. De natte stoep rook lekker, de natte bloesems roken lekker. Een bekende gestalte liep haastig voor ons uit. Mijn vriendin sprak hem aan voor hij de trap naar zijn huis kon beklimmen.
H. kreeg drie jaar geleden kanker maar genas na een ingewikkelde operatie. Onlangs kwam de ziekte helaas terug en wel dermate hevig dat de doctoren hem geen hoop meer gaven. De laatste berichten waren echter verrassend: de palliatieve bestraling pakte goed uit; zo goed dat het tij voorlopig gekeerd leek. Voorlopig.
'Hoe gaat het nu?' vroeg mijn vriendin.
'Fantastisch,' zei H. 'Ik voel me véél beter dan vorig jaar om deze tijd, toen ik genezen was verklaard. Maar: het komt terug, dat weet ik. Het zit daar,' hij wees in de buurt van zijn keel, 'en het gaat niet weg. Dus ik moet profiteren van elke dag dat ik me nog fit voel, ik wil nog zo veel doen. De tijd is mijn vijand.'
We namen afscheid, hij nam met flinke stappen de trap omhoog.
De tijd is ons aller vijand, dacht ik, onder de indruk. Dus we kunnen hem maar het beste goed gebruiken. Van mijn uitje had ik geen spijt meer. Sterker nog: ik schaamde me dat ik die gedachte had toegelaten.


dinsdag 18 februari 2014

AANGELIJND

Op de woorden die u nu gaat lezen heb ik me verheugd. Vannacht ben ik gaan slapen in het fijne vooruitzicht op een kop koffie, tabaksrook en een blank scherm. Zo gaat het altijd op de vooravond van de morgens die ik voor bloggen heb bestemd. En nu heb ik een uur of twee stille concentratie voor de boeg, waarin niets me kan deren en verleden en toekomst even niet bestaan. Dan een druk op de verzendknop, en laat het applaus, de snoepjes en de knuffels maar komen! Twee maal in de week ben ik jarig – wat een dankbaar vrijwilligerswerk is dit toch.

Zondag op het nieuws was er een item over de sterk toenemende gameverslaving. Ik keek met meer dan gewone belangstelling, want ik voelde me aangesproken. Steeds vaker merk ik dat ik me niet kan losrukken van het scherm. Dat mijn verjaardagen niet meer zo leuk zijn. Ik zal u beschrijven hoe het me soms vergaat als ik mijn stukje de wereld in heb gestuurd.
Ik zit aan het scherm vastgekleefd als aan een toverspiegel. Ik tuur en tuur tot het ding gaat zeggen: ‘Je bent de mooiste van het land.’ Maar dat gebeurt niet. De duimpjes en het aardige commentaar, dat ken ik nu wel. Ik wacht op iets groters. Ik ben verwend en niet gauw meer tevreden. Ik herlees dwangmatig wat ik geschreven heb, in de hoop er nog iets van de dopamine uit te puren die zo gul stroomde terwijl ik bezig was. Als ook het laatste restje genot verbruikt is en de loftrompetten verstomd zijn, moet ik me met geweld losrukken en me dwingen iets anders te gaan doen.
Maar dat is niet zo makkelijk! Er is van al dat ingespannen turen iets achtergebleven in mijn hoofd, een soort druk achter de ogen. Iets dat me belemmert helder te denken en mijn concentratie verstoort. Een soort droesem van de schrijfpret, een bezinksel dat mijn gedachten vervuilt. Het gaat hand in hand met een gevoel van dreiging, alsof ik ergens over zou moeten piekeren, alleen is me even ontschoten waarover. Ik herken het als de kater van te lang opgerekte euforie, deze donkere walm in mijn hoofd. Als ik niet oppas besmeurt die straks ook mijn eigenwaarde en ga ik walgen van dezelfde jongen die ik net nog zo leuk vond.
Kortom, u ziet het al: de symptomen van een verslaving. In de kliniek zou ik er goede sier mee kunnen maken.

Ik herinner me Louis Wu, de held uit Larry Nivens Ringworld-epos, die under the wire was: een sonde in zijn genotscentrum is ingeplugd in het stroomnet, een even abstracte als dodelijke verslaving. Die gamers en ik zijn niet ingeplugd maar wel aangelijnd, online vastgelijmd aan onze belonende spelletjes.
Want beloning, daarin schuilt de crux, beloning en aandacht. Ik noteerde laatst ergens: ‘Alles wat ik schrijf, wat ik zing en componeer, doe ik voor liefde en waardering. Als er iemand zou zijn, iemand die ik volledig vertrouw, zoals vroeger mijn moeder, die me regelmatig zou aaien, en ik dat zonder wrevel en mokken zou toelaten, dan zou ik al die kunstuitingen niet nodig hebben. Die iemand moet ik volgens de therapeuten zelf worden.’
Aaien doet de computer niet. Het optreden in de virtuele ruimte belooft veel maar bevredigt nooit echt omdat het niet fysiek is. En iets dat veel belooft maar zijn beloften uiteindelijk niet helemaal nakomt, dat kan verslavend zijn. Keer op keer pluggen we in voor een dosis dopamine, en nooit is het genoeg.
Ik herinner me ook de krant. Eeuwen geleden schreef ik muziekrecensies voor een middelgroot dagblad. ’s Ochtends bracht ik mijn kopij met de bus naar de redactie. Tegen vijven was er een gevoel van gespannen verwachting. Dan gleed de krant in de bus. Ik sloeg de kunstpagina op en las gretig mijn stukje. Gelukkig als het er goed in stond, geërgerd als er een zetfout in was geslopen. De tweede keer lezen was de lol eraf. Ik knipte het uit en legde het weg. De volgende dag werd ik er soms op straat over aangesproken maar eigenlijk ging me dat al niet meer aan. Oud nieuws. Een enkele keer was er een ingezonden brief, meestal met de strekking: ‘Wat denkt die jonge blaag wel?’ En gelijk hadden ze, maar dat terzijde. Dit alles was in het begin spannend maar werd later gewoon. Routine, een lauw plezier.
Hoe anders gaat dat met dit bloggen! De directheid ervan, de onmiddellijke reacties die je kamer binnenkomen via dat scherm ontnemen je de mogelijkheid even afstand te nemen van wat je geschreven hebt, even te landen op moeder aarde. Je blijft aangelijnd, want stel dat je een vleiend commentaar zou missen!

Als u dit leest ben ik er even niet. U mag gerust uw duim opsteken, graag zelfs, maar ik zit in het café en lees de stukjes van mijn professionele collega’s, die, zo stel ik me naïef voor, in zalige onverschilligheid verkeren over mijn respons en geduldig wachten tot de krant op de mat ploft.

vrijdag 29 april 2022

De dag na Koningsdag


Vroeger haatte ik nationale feestdagen. Het laatste decennium ben ik er milder tegenover gaan staan. Na die twee corona-jaren voelde ik zelfs voorpret, op de dinsdag voor Koningsdag. Ik zou weer losjes door de stad dwalen en een dag lang geestelijk vrij zijn. Ouwehoeren met vreemden, ondergaan in de feestende menigte. Ik werkte de hele morgen flink door om mijn dagportie af te krijgen en ging rond één uur naar buiten.
Al snel merkte ik dat het niet zou worden wat ik ervan verwacht had. Het was grijs en kil weer, al die kleuren detoneerden in plaats van te fonkelen. Ik was moe en zag niets dat me aantrok.
Mijn vriendin voegde zich bij me. Door haar positieve kijk op de wereld klaarde die van mij weer ietsjes op. Ik kocht een fluitvormig wijnglas waarvan de steel hol was en liet het vullen door een paar vrolijke studenten met roze koppen die met een welgevulde ijsemmer de regels trotseerden. Voor mij drie euro, want ik zag ernaar uit dat ik er wel van hield. Met dikke tong gezegd. Ik lachte mee en de ijskoude Grüner Veltliner smaakte best, maar leuk wilde het toch niet worden op straat. 

De volgende dag schudde ik de grauwheid van me af en ging een eind wandelen. Aan de rand van het wandelpad lag een plas opgedroogd oranje braaksel. Ik vroeg me af hoeveel oranjebitter je moest drinken om je hele maaginhoud zo te kleuren.
Het park was afgezien van die koningsgezinde kots al netjes opgeruimd. Een kraai was nestmateriaal aan het verzamelen. Hij had een bek vol oranje nepveren. Hier en daar stond een vergeten flesje en tussen de struiken lagen wat blikjes te glimmen. Verder was het er beeldschoon. Na de eerste, gele lente was de tijd van de witte bloesems aangebroken. Fluitenkruid en meidoorn en andere mij onbekende planten verspreidden, nog aarzelend, hun parfum. Hier en daar waaide daar de uiensoepgeur van een veldje daslook doorheen. Ik was in een tolerante bui. De schoonheid en de brute dissonanten mochten best naast elkaar bestaan, vond ik. 

Weer thuis zag ik een stapeltje 45-toeren plaatjes ("singeltjes") naast mijn pick-upje staan. Geen idee hoe die in mijn bezit waren gekomen. Vaag schoot me te binnen dat ik er eentje had willen kopen maar dat de verkoper had gezegd: neem dan de hele handel mee. Ik had geweigerd, meen ik. Nu zat ik daar met een obscure verzameling. Dat ene plaatje van Aafje Heynis, dat was schoonheid. Maar wat moest ik met Valentino en met Sylviane? De louche typen grijnsden me mediageil aan. 
Ik wilde de plaatjes al weggooien toen ik dacht aan alle moeite en liefde en hoop op roem die ongetwijfeld in hun vervaardiging was gestoken. Ook dacht ik aan alle chaos van de vrijmarkt om zes uur 's avonds. Al die zinloze spullen op straat, verwaaid, verweesd, al die lelijkheid. Ik besloot, als tegengif tegen de zinloosheid en de lelijkheid een paar van de plaatjes met aandacht te draaien.
Niet alles natuurlijk. Ze maken me niks van Thijs van der Molen ('Het leven is goed in m'n Brabantse land') en Seperate Ways van Maarten mocht ik weigeren van mezelf. Maar de Dubrovački Trubaduri en Redbone gaf ik een kans. Opdat ze niet voor niets gezongen en gespeeld hadden. 


PS: De troubadours uit Dubrovnik waren vreselijk. Maar Redbone ("Wovoka") was erg goed. Niet hun beste nummer, maar toch. Lekkere funky native American swamprock.


dinsdag 30 oktober 2018

BEDRIEGEN


Een dure zwarte auto draaide het zijstraatje in. Het raam schoof open en de bestuurder wenkte me met urgentie. Ik liep naar hem toe en zag een uiterst verzorgde jongeman met een zwart baardje. Hij vroeg me in het Engels de weg naar Schiphol. Ik legde hem uit hoe hij op de Ring moest geraken. 'Are you Italian?' vroeg hij. Nee. 'Have you ever been to Italy, you look just like an Italian!' Alsof dat land besmettelijk was.
Terwijl ik hem in het Italiaans vertelde dat ik daar weleens geweest was, ja, floepte het irritante knipperlichtje van een déjà-vu in mijn hoofd aan. Ik had dit al eens meegemaakt. En ook toen al eens.
De man leek een moment van besluiteloosheid te overwinnen en zei toen met een brede witte lach dat hij modeontwerper was, hij werkte voor Emporio Armani en Versace, hier is mijn kaartje. Hij schudde warm mijn hand, zei ciào, en reed verder, niet de kant van Schiphol op.

Ik dacht even over de ontmoeting na. Groef in mijn geheugen. Vorig jaar was me bijna hetzelfde overkomen. Twee Italianen toen, die urgent hadden gewenkt uit een dure auto in een zijstraat. Hen had ik meteen in het Italiaans geantwoord, en het was me opgevallen dat de bestuurder al na de eerste woorden ongeïnteresseerd zijn hoofd afdraaide. En hadden zulke dure auto's soms geen navigatie? Degene die me had aangesproken luisterde nog even beleefd naar mijn uitleg over de route naar de luchthaven. Toen was daar eveneens die hartelijke handdruk geweest.

Deze nieuwe ontmoeting was de schakel tussen die vreemde gebeurtenis en het verhaaltje dat ik eerder op dit blog publiceerde. Over een man die, op weg naar Schiphol, zijn dure Armanispul voor een zacht prijsje wilde slijten aan mij, midden op straat, omdat hij er anders invoerrechten op zou moeten betalen bij de douane. De drie gebeurtenissen vertoonden opvallende overeenkomsten. Zouden die twee mannen ook in de mode hebben gezeten? Maar waarom was dat dan niet ter sprake gekomen, en, waarom had deze derde verdoolde Italiaanse reiziger geen poging gedaan me iets te slijten, maar me tóch dat kaartje gegeven?

De enige oplossing die ik kon verzinnen was van taalkundige aard. De eerste kledingvertegenwoordiger was, toen hij me zijn waar begon te tonen in de geopende achterbak, schijnbaar zonder reden overgegaan van een volstrekt helder Italiaans op een vaag en rommelig Engels. Blijkbaar droeg het rookgordijn van linguïstische verwarring bij aan het welslagen van de truc. De twee mannen van vorig jaar hadden het bij voorbaat al vermoeid opgegeven toen ze merkten dat ik hun taal sprak. En deze derde ook, maar hij zat blijkbaar zo vast in zijn rol dat hij me toch nog dat kaartje gaf.

Thuis googelde ik de naam op het keurige visitekaartje. Geen overeenkomsten, de achternaam bestond niet eens in het Italiaans. Wel klopte het adres van de vestigingen van de grote modehuizen in Milaan en Florence. Verder zoekend vond ik enige waarschuwingen voor deze kledingfraude, her en der op de planeet. Altijd de gezochte luchthaven, parkeerterreinen, achterstraatjes, altijd die belasting, die omzeild diende te worden. De merkkleding in de kofferbak kwam uit China.

Afgelopen zomer ontmoette ik in het Portugese Sintra een Siciliaanse graaf. We hadden een leuk gesprek op het terras van een restaurant. Een ooit knappe, jongensachtige man wiens gezicht ontsierd werd door een grote wrat. Misschien mede daarom straalde hij iets eenzaams uit. Hij was polospeler, vertelde hij, had overal ter wereld gewoond en grote wedstrijden gespeeld, en uiteindelijk was hij in Sintra neergestreken, voorlopig: het beviel hem hier. Hij nam afscheid, maar kwam even later terug van zijn auto om me een flodderig kaartje te geven, zo bij de copyrette vandaan. Daar stond het, achter zijn naam: Conte di Valle dei Giunchi. We lachten een beetje om dat knullige kaartje, en ik zei tegen mijn vriendin dat hij zelfs voor een Siciliaanse graaf wel erg slordig Italiaans sprak -  en hij had de c uitgesproken als een scherpe s, zoals Portugezen doen.
Ook hem had ik gegoogeld. En tot mijn verbazing bleek er een Wikipedia-lemma aan hem gewijd te zijn, in het Spaans. Met foto. Hij was inderdaad een gevierd polospeler, maar hij kwam uit Afrika. Hij had zelfs een politiek boek over Mozambique geschreven. Hij had zitting gehad in het Olympisch comité van Zimbabwe. De adellijke titel stond er ook bij, maar geen woord over Sicilië, terwijl hij toch had verteld daarvandaan te komen.
Deze man was geen con man maar een echte conte geweest. Dat intrigeerde me. Waarom zou iemand die zijn sporen heeft verdiend en zo'n interessante achtergrond heeft (hij had in wel vijf Afrikaanse landen gewoond), een man die bovendien Wikipedia gehaald heeft, waarom zou zo iemand zijn eigen leven nóg mooier willen maken?
En wat zouden die gesoigneerde mannen in die dure auto's nou helemaal verdienen met die Chinese nep merkkleding, als je al hun aanzienlijke bedrijfskosten eraf trok?
Bedriegen is blijkbaar iets wat in het bloed zit.


(Illustratie: Meesteroplichter Joris Goedbloed, door Marten Toonder)


dinsdag 7 maart 2017

Een ritje met de tram

Omdat mijn auto bij de garage logeerde heb ik me een paar dagen per openbaar vervoer verplaatst. De treurigheid van een halflege tram van Oost naar Zuid, 's avonds laat! In haar hokje zit de conductrice zich te vervelen. Vrijwel alle passagiers doen dat ook, maar bestrijden de verveling met hun eeuwige mobieltje. Daarop zijn geweldig leuke spelletjes en filmpjes te zien, weet u. Sommigen zitten met de ogen gesloten en lijken te dutten, maar oordoppen bewijzen dat ze door middel van muziek de wereld grondig buitensluiten. Niemand behalve de verveelde conductrice en ik was werkelijk aanwezig in de tram die van Oost naar Zuid reed, gisteravond om tien uur. Niet dat er nou zoveel te beleven was. Ja, ik zag een jongen met een knotje die met een bierbrouwmachine zeulde, nog in de verpakking - goed voor vijfentwintig liter - en het ding nauwelijks door de tramdeur kreeg. En een andere bebaarde jongen wilde gaan zitten zonder een kaartje te hebben gekocht: hij werd door de conductrice, die blij was eens iets te doen te hebben, aangesproken via de intercom, en schafte zich alsnog een geldig plaatsbewijs aan, een beetje beschaamd; een buitenlander, blijkbaar uit een land waar het straatvervoer vrij toegankelijk is. Maar de lichten van een stad bij avond blijven altijd mooi, veel mooier en veel suggestiever dan de opflikkerende berichtjes op Facebook. Ze prikkelen de verbeelding: wat huist er in het donker achter die lichtjes, die evenzovele signalen zijn van leven? Elke verbeelding wordt bij voorbaat uitgesloten door wat we op de sociale media voorgezet krijgen, alles is al door iemands filter gegaan en op een of andere ingenieuze wijze leuk of grappig gemaakt. In mijn ene hand hield ik mijn kaartje. 'Don't forget to check out' had de intercom me met Amsterdams accent vermaand. De stad wemelt van de Britten en Amerikanen - er moet er toch wel een te vinden zijn die die teksten kan inspreken? In mijn andere hand hield ik mijn pijp, net aangestoken op de halte en meteen daarna weer gedoofd bij het betreden van de tram. Ik rook aan de kop. Geen pijp smaakt ooit zo lekker als de pijp die je in je verbeelding rookt. Geen leven is ooit zo boeiend als het ongeziene leven dat huist achter de lichten van een stad bij avond.


(Illustratie: 'Tired girl on the tube', Rosanne van Spaendonck)