Rook pijp na pijp, maar vind geen rust.
't Is niet het roken dat me lust,
maar het drinken, langzaamaan verzinken
in de Lethe, onbewust.
(voorlopig geen nieuwe bijdragen, Rookzanger rookt een tijdje aan de voet van de Etna)
woensdag 4 augustus 2010
maandag 2 augustus 2010
INSJ'ALLAH
En? Heb je wat geleerd in de kliniek?
Antwoord: een volmondig 'ja'.
Eigenlijk niet eens zoveel over mijn hardnekkige neiging te diep in het glas te kijken, daar heb ik al zoveel over gelezen, gepraat en nagedacht, dat ik iedereen uitdaag me er een nieuwtje over te vertellen.
In een kliniek leer je iets dat veel belangrijker is. En ik excuseer me bij voorbaat voor het cliché: de overeenkomsten tussen mensen zijn oneindig veel groter dan de verschillen. Je kampt met hetzelfde probleem, met hetzelfde levensvraagstuk.
De eerste dag bekeek ik mijn lotgenoten, met wie ik de komende week lange dagen zou moeten doorbrengen met een wantrouwend oog: allemaal veel jonger dan ik. Een Palestijn, een Marokkaan, een Tunesische, een ex-punker uit de Staatsliedenbuurt. Allemaal worstelend met hash en/of coke, en niet met de fles zoals ik. Jezus, dat heb ik weer, was mijn eerste impuls. Wat moet ik hiermee?
Een week later vind ik mezelf terug op een bankje in de besloten kliniektuin, lachend, babbelend, hevig discussierend over de Islam, het Christendom, het Hiernamaals, het ouderschap, de liefde, sex, mores, politiek, volkshuisvesting, de opwarming van de aarde, enfin, noemt u nog zo maar wat issues op.
Na een laatste lunch samen nemen we afscheid, met het vaste voornemen elkaar te blijven zien, wij 'detox-matties': samen te gaan zwemmen, sporten, wat dan ook.
Insj'Allah, zeg ik. Achmed lacht en verbetert mijn uitspraak van het Arabisch.
Eigenlijk zou iedereen die de binnenkant van onze samenleving in al zijn gestalten en schijngestalten wil leren kennen, eens een verslaving moeten fingeren, als hij hem al niet heeft, en een weekje detox moeten doen.
Ik denk dat Job Cohen daar het theedrinken heeft geleerd.
woensdag 28 juli 2010
DE WILDE JAGER
Het ging na een moeilijk jaar niet zo goed. Problemen van allerlei aard stapelden zich op, die ik u verder zal besparen.
Toen kwam de Wilde Jager aanrijden op zijn spookpaard, waarde spiedend rond, en maaide met zijn zeis om zich heen.
Eerst stierf Henk Smit, waarover ik u eerder vertelde; ik was er kapot van. Toen volgden binnen een paar dagen de dierbare moeders van twee goede vrienden. Weliswaar op eerbiedwaardige leeftijd, maar toch.
Ik was aan het eind van mijn Latijn (dat toch al flink sleets was), en greep naar de enige zelfmedicatie die me vertrouwd is: drank. Binnen een week kon ik me alleen nog op de been houden en de dag onder ogen zien met de steun van de fles.
De meelevende maar kritische Bewaarengel die me op het rechte spoor houdt stelde me voor het blok: of nu meteen, voor het weer uit de hand loopt, de kliniek in, en NIET pas na je reis naar Sicilia, of anders ben je bij ons uitbehandeld.
Weinig keus, tenzij ik achterop het paard van de Wilde Jager wilde springen voor een dodenrit.
Vandaar dat u de komende week waarschijnlijk niets van me zult horen: na een dag detox ben je suf geluld.
Het ga u goed, en 'tot later',
Rookzanger
zondag 18 juli 2010
HENK SMIT
Dit wordt een moeilijk verhaal, want ik weet niet waar te beginnen en hoe te eindigen, en wil veel te veel zeggen.
Laat ik het maar zo simpel mogelijk houden.
Henk Smit is dood.
Henk Smit, de grootste Nederlandse operazanger van onze tijd, Henk Smit, de beste vriend, ooit, van mijn vader, Henk Smit, die ik 'Oom Henk' noemde vanaf mijn derde jaar en als puber 'Henk' mocht gaan noemen (het waren de jaren 70), wat me altijd moeite kostte, - Henk Smit, die ik het laatste jaar opnieuw heb leren kennen, bij toeval, nu als vriend, als maatje en mentor. Hij geloofde in mijn talent en wilde me coachen, me uit mijn muzikale dip helpen.
Henk, die op zijn 78e nog met onverminderde interesse naar de vrouwen keek en na een aantal wijntjes of whiskeys op een Amsterdams terras op de racefiets sprong als een jonge god, en huiswaarts reed, kaarsrecht.
Zijn laatste concert was de Winterraize, een Groningse versie van Schuberts magnum opus. Ik was erbij, en was verbijsterd over de fysieke kracht en de warme liefde voor het zingen en de muziek die iemand op die leeftijd nog kon hebben. Ik was erbij, gelukkig. Ik had die middag voor geen goud willen missen.
Gisteren belde zijn dochter: 'Ik heb een naar bericht voor je'. Ik voelde meteen al wat eraan de hand was en even later zat ik te huilen als een kind.
Het kind dat ik voor Henk nog steeds geweest moet zijn.
Hij had tijdens een vakantie in Parijs een hersenbloeding gekregen. Henk, de Hermann Scheij van onze tijd, die wel honderd had kunnen worden, nog steeds vitaal en goed bij stem.
Nog geen dag tevoren hadden we, Henk en ik, ge-smst over het plan, samen naar mijn oude vader te gaan. Mogelijke data genoteerd. Want Henk wilde zijn oude boezemvriend nog een keer zien, voor het te laat was.
Het was te laat.
Maar niet zoals Henk het bedoeld had.
Ik treur om een groot zanger, een levenskunstenaar, een mooie, moeilijke maar lieve man, en ook om een van de ijkpunten van mijn eigen leven.
Henk, dwarse, kranige, sterke kerel, adieu!
Ik wil nog een keer voor je zingen, natuurlijk uit Die Winterreise, 'Winterraize', zo je wilt:
Einen Weiser seh ich stehen, unverrückt vor meinem Blick; eine Strasse muss ich gehen, die noch keiner ging zurück, die noch KEINER ging zurück...
Laat ik het maar zo simpel mogelijk houden.
Henk Smit is dood.
Henk Smit, de grootste Nederlandse operazanger van onze tijd, Henk Smit, de beste vriend, ooit, van mijn vader, Henk Smit, die ik 'Oom Henk' noemde vanaf mijn derde jaar en als puber 'Henk' mocht gaan noemen (het waren de jaren 70), wat me altijd moeite kostte, - Henk Smit, die ik het laatste jaar opnieuw heb leren kennen, bij toeval, nu als vriend, als maatje en mentor. Hij geloofde in mijn talent en wilde me coachen, me uit mijn muzikale dip helpen.
Henk, die op zijn 78e nog met onverminderde interesse naar de vrouwen keek en na een aantal wijntjes of whiskeys op een Amsterdams terras op de racefiets sprong als een jonge god, en huiswaarts reed, kaarsrecht.
Zijn laatste concert was de Winterraize, een Groningse versie van Schuberts magnum opus. Ik was erbij, en was verbijsterd over de fysieke kracht en de warme liefde voor het zingen en de muziek die iemand op die leeftijd nog kon hebben. Ik was erbij, gelukkig. Ik had die middag voor geen goud willen missen.
Gisteren belde zijn dochter: 'Ik heb een naar bericht voor je'. Ik voelde meteen al wat eraan de hand was en even later zat ik te huilen als een kind.
Het kind dat ik voor Henk nog steeds geweest moet zijn.
Hij had tijdens een vakantie in Parijs een hersenbloeding gekregen. Henk, de Hermann Scheij van onze tijd, die wel honderd had kunnen worden, nog steeds vitaal en goed bij stem.
Nog geen dag tevoren hadden we, Henk en ik, ge-smst over het plan, samen naar mijn oude vader te gaan. Mogelijke data genoteerd. Want Henk wilde zijn oude boezemvriend nog een keer zien, voor het te laat was.
Het was te laat.
Maar niet zoals Henk het bedoeld had.
Ik treur om een groot zanger, een levenskunstenaar, een mooie, moeilijke maar lieve man, en ook om een van de ijkpunten van mijn eigen leven.
Henk, dwarse, kranige, sterke kerel, adieu!
Ik wil nog een keer voor je zingen, natuurlijk uit Die Winterreise, 'Winterraize', zo je wilt:
Einen Weiser seh ich stehen, unverrückt vor meinem Blick; eine Strasse muss ich gehen, die noch keiner ging zurück, die noch KEINER ging zurück...
zondag 11 juli 2010
COMIC RELIEF
Beschouwt u mijn vorige bijdrage maar als een grap. Ik had een goed, zelfs tintelend goed humeur, en zat te lachen achter de Mac. Dat gebeurt me niet zo vaak.
Het Sinterklaasrijm waarop deze 'hymne' gebaseerd is, het gedicht 'Oefening van berouw' van de onsterfelijke humorist en onovertroffen stilist Gerard Reve, heb ik altijd een buitenissig vreemde eend in de bijt van zijn oeuvre gevonden. Een oeuvre dat bol staat van de tegenstrijdigheden, dat wel, maar toch zelden tot zulke bizarre excessen verviel. 'Hallelujah, nix aan de handa!'
Ooit, nog niet zo heel lang geleden, het was een mooie zomer, weet ik nog, heb ik zijn gedicht 'Droom' op het jaarlijkse poeziefestival van het West-Vlaamse Watou voorgedragen, voor een klein, maar ontroerd publiek, en nooit heb ik de Roomsche meligheid van 'Oefening van berouw' kunnen rijmen met dat even sublieme als beknopte meesterwerk.
U kent het natuurlijk, net als ik, uit het hoofd, maar ik help u een handje op weg, en citeer het hier, in de hoop dat de auteursrechtenpolitie me genadig is:
DROOM
Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,
eindelijk eens goed gekleed:
boven het woud waarin zij met de Dood wandelde
verhief zich een sprakeloze stilte.
Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was
en uitgerust.
Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.
(1962)
Stilte.
Niets te lachen hier. Slechts te huilen. Ik had alleen dat 'goed' weggelaten, maar wie ben ik?
Goed; om mijn betoog te vervolgen, - gisterenmiddag werd er een geest over me vaardig van lichtzinnigheid, van zomerse luchtigheid. Het Olympische lachen van Mozart waarover Hesse in 'Der Steppenwolf' schrijft. (Ook nooit begrepen, vroeger!)
Waarom altijd zo zwaar op de hand? Is dat niet een vorm van zelfoverschatting? Van jezelf te serieus nemen?
Met dat bliksemende inzicht in het 'hoopht' (bliksemen zou het pas later gaan, vannacht, tijdens het meest spectaculaire onweer dat ik ooit heb meegemaakt) schreef ik, ver voor de vijfde december, dat koddige kreupelrijm.
Excuus voor wie zich eraan stoorde, een knipoog voor wie zich ermee amuseerde.
Ik beloof beterschap. Ik doe er vanaf nu een paar dagen het zwijgen toe, dat lijkt me wel zo goed.
Rookzanger
Het Sinterklaasrijm waarop deze 'hymne' gebaseerd is, het gedicht 'Oefening van berouw' van de onsterfelijke humorist en onovertroffen stilist Gerard Reve, heb ik altijd een buitenissig vreemde eend in de bijt van zijn oeuvre gevonden. Een oeuvre dat bol staat van de tegenstrijdigheden, dat wel, maar toch zelden tot zulke bizarre excessen verviel. 'Hallelujah, nix aan de handa!'
Ooit, nog niet zo heel lang geleden, het was een mooie zomer, weet ik nog, heb ik zijn gedicht 'Droom' op het jaarlijkse poeziefestival van het West-Vlaamse Watou voorgedragen, voor een klein, maar ontroerd publiek, en nooit heb ik de Roomsche meligheid van 'Oefening van berouw' kunnen rijmen met dat even sublieme als beknopte meesterwerk.
U kent het natuurlijk, net als ik, uit het hoofd, maar ik help u een handje op weg, en citeer het hier, in de hoop dat de auteursrechtenpolitie me genadig is:
DROOM
Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,
eindelijk eens goed gekleed:
boven het woud waarin zij met de Dood wandelde
verhief zich een sprakeloze stilte.
Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was
en uitgerust.
Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.
(1962)
Stilte.
Niets te lachen hier. Slechts te huilen. Ik had alleen dat 'goed' weggelaten, maar wie ben ik?
Goed; om mijn betoog te vervolgen, - gisterenmiddag werd er een geest over me vaardig van lichtzinnigheid, van zomerse luchtigheid. Het Olympische lachen van Mozart waarover Hesse in 'Der Steppenwolf' schrijft. (Ook nooit begrepen, vroeger!)
Waarom altijd zo zwaar op de hand? Is dat niet een vorm van zelfoverschatting? Van jezelf te serieus nemen?
Met dat bliksemende inzicht in het 'hoopht' (bliksemen zou het pas later gaan, vannacht, tijdens het meest spectaculaire onweer dat ik ooit heb meegemaakt) schreef ik, ver voor de vijfde december, dat koddige kreupelrijm.
Excuus voor wie zich eraan stoorde, een knipoog voor wie zich ermee amuseerde.
Ik beloof beterschap. Ik doe er vanaf nu een paar dagen het zwijgen toe, dat lijkt me wel zo goed.
Rookzanger
zaterdag 10 juli 2010
HYMNE
KOKEN VOOR EINDIGERS
Wie te veel zuipt moet blijven eten
en vooral de beta-vitamientjes niet vergeten,
want van al dat drinken ga je dood,
of raak je wauwelend in de goot.
Maar koken, voor jezelf, alleen?
Een uitgebalanceerd dieet voor een?
Het is veel moeite, veel meer dan voorheen,
zelfs het simpele pellen van een knoflookteen.
refrein:
Halleluja, nix aan de handa, etc, - zie Reve: 'Oefening van berouw'.
Ik knielde neer voor de schoorsteenschouw,
en toonde mijn oprecht berouw
voor een verkleurd Madonnabeeld
dat zich daar tijdeloos in gips verveelt.
Toen geschiedde er een wonder,
zachtjes, niet met hemelse bliksem en donder,
maar bijna ongemerkt,
zoals een werkelijk wonder werkt.
refrein:
Halleluja, nix aan de handa, etc...
Moeder Maria pakte liefdevol mijn hand
en trok me behoedzaam weg van de laatste rand.
Ze keek met mij in de ijskast mee, ze glimlachte fijn,
en wees me op een bak aardappelsla van Appie Heijn.
'Kijk', zei Zij, 'beleg een boterham met flink wat van dat spul,
en neem een handje pillen uit je B-ampul;
voeg wat zeezout en limoensap toe
(citroen en keukenzout mag ook, de kookpolitie kijkt niet toe)
en vul daarmee je maag, zonder gedoe.
Daarna mag je desnoods weer drinken,
als dat dan per se moet, en je in coma weg wilt zinken.
Mijn zegen heb je. Maar jongen, doe dit ene, luister goed:
Je bent nog niet verloren, nog niet, zolang je je maar voedt!'
Halleluja, nix... etc
Wie te veel zuipt moet blijven eten
en vooral de beta-vitamientjes niet vergeten,
want van al dat drinken ga je dood,
of raak je wauwelend in de goot.
Maar koken, voor jezelf, alleen?
Een uitgebalanceerd dieet voor een?
Het is veel moeite, veel meer dan voorheen,
zelfs het simpele pellen van een knoflookteen.
refrein:
Halleluja, nix aan de handa, etc, - zie Reve: 'Oefening van berouw'.
Ik knielde neer voor de schoorsteenschouw,
en toonde mijn oprecht berouw
voor een verkleurd Madonnabeeld
dat zich daar tijdeloos in gips verveelt.
Toen geschiedde er een wonder,
zachtjes, niet met hemelse bliksem en donder,
maar bijna ongemerkt,
zoals een werkelijk wonder werkt.
refrein:
Halleluja, nix aan de handa, etc...
Moeder Maria pakte liefdevol mijn hand
en trok me behoedzaam weg van de laatste rand.
Ze keek met mij in de ijskast mee, ze glimlachte fijn,
en wees me op een bak aardappelsla van Appie Heijn.
'Kijk', zei Zij, 'beleg een boterham met flink wat van dat spul,
en neem een handje pillen uit je B-ampul;
voeg wat zeezout en limoensap toe
(citroen en keukenzout mag ook, de kookpolitie kijkt niet toe)
en vul daarmee je maag, zonder gedoe.
Daarna mag je desnoods weer drinken,
als dat dan per se moet, en je in coma weg wilt zinken.
Mijn zegen heb je. Maar jongen, doe dit ene, luister goed:
Je bent nog niet verloren, nog niet, zolang je je maar voedt!'
Halleluja, nix... etc
DUBBELGANGER
Wel eens gehoord van het ‘dubbelgangersmotief’ in de literatuur?
Beroemde voorbeelden zijn natuurlijk te vinden in het werk van Edgar Allan Poe (ik meen in William Willson), Harry Mulisch (Archibald Strohalm) en in het meesterlijke gedicht van Heinrich Heine (Der Doppelgänger).
Het is nogal een schimmig begrip, dat ‘dubbelgangersmotief’, maar waarop het volgens mij neerkomt, kort door de bocht, is een soort, meestal duistere, maar soms heilzame dissociatie van het ‘zelf’. Je ziet iemand anders, al of niet in werkelijkheid, waarin jij jezelf genadeloos herkent. In het geval van Heine is het de jonge minnaar die smachtend staat voor het raam van het oude huis van zijn eigen, allang gestorven geliefde, waarvoor hij, Heine, zélf zo vaak, net zo smachtend, heeft gestaan, so manche Nacht, in alter Zeit. Ik kan die regel, zoals door Schubert getoonzet, nooit met droge ogen aanhoren. Wie hem ook zingt. Zelfs als ik het zelf doe.
Heine ziet zijn spiegelbeeld, een zwijgende maar veelzeggende schim van zichzelf, een essentieel maar voorgoed verloren aspect van zichzelf, uitgetekend in een levend, ander mens.
Over look-alikes hebben we het hier niet, dat is een ander verhaal, het gaat om iets veel subtielers.
Vanmorgen werd ik om half zes wakker. Ik kon niet meer slapen. Ik had een intense behoefte aan een downer, in de vorm van een glas alcohol, de vriend/vijand waartegen ik vecht, one up one down, op en af, met kans op overwinning, maar net als Nederland-Spanje blijft de uitkomst ongewis.
Ik rekte de tijd. Douchte me, schoor me, deed wat klusjes, maar toen het moment aanbrak dat de Albert Heijn open zou gaan, ging ik de straat op. De zomermorgen was stil en prachtig. Ik voelde me licht opgewonden en eigenlijk uitstekend. Zaterdag. Geen werk, de zomerdag lag wijd open.
Toch nog te vroeg voor de Appie, shit, maar ik herinnerde me een koffiehuisje aan de Albert Cuyp dat al heel vroeg open gaat, voor marktkooplui en alcoholisten. Dus dan maar marktwaarts.
Ik bestelde een biertje (Heineken, waarvan ik niet houd, zo uit de fles, aan glazen doen ze daar niet), en ging buiten op het miniatuurterrasje zitten. De markt kwam tot leven. Ik ook weer.
Naast me zat een man, die opvallend veel op mij leek. Ik keek in een licht vervormende spiegel. Dezelfde grijze, kortgeschoren baard, dezelfde donkere ogen, dezelfde Sean Connery wenkbrauwen, nog donker onder het verder grijze haar. Maar anders dan ik zat hij aan de koffie. Hij stond net drie weken droog, na een spoedopname in de kliniek.
Aangemoedigd door mijn uitstekende, naar buiten gerichte stemming, sprak ik hem aan. Iets wat ik normaal nooit doe, mensen zomaar aanspreken, bedoel ik. Het was kwart voor acht. ’s Morgens! Jezus!
Drie uur later zaten we er nog, in diep gesprek.
Alles, letterlijk alles, nou ja... ‘bijna’ alles (hij is ingenieur en schrijver, ik ben muzikant en schrijver, zoals u weet, en hij is acht jaar ouder dan ik, hoewel hij dat niet toont) bleken we gemeen te hebben, - behalve misschien dat zijn mediterrane uiterlijk van zijn Joodse komaf komt en het mijne vooral van de Spaanse rondneukers die half Brabant hebben bevrucht, tijdens het beleg van Den Bosch.
Het was gewoon eng. Ik meende even te hallucineren, en in een levend voorbeeld van het literaire ‘Doppelgänger-motief’ terecht te zijn gekomen.
Maar nee. Het was hier en nu. Het was Amsterdam, 10 juli 2010, de Cuyp. Mijn buurt.
In plaats van dat het vroege bier me naar het hoofd steeg, ontnuchterde het me. Ik sprak met een mens. Een echt mens, die ik begreep, en bovendien een medemens die mij begreep. Ik had geen drank meer nodig. Ik was opgetogen door het contact.
Hij bleek ook nog eens een blog te schrijven. Ik moet het hem nog vragen, ik heb zijn e-mail, op een stukje krant gekrabbeld met een geleende pen, maar misschien geef ik u het adres wel door.
Beroemde voorbeelden zijn natuurlijk te vinden in het werk van Edgar Allan Poe (ik meen in William Willson), Harry Mulisch (Archibald Strohalm) en in het meesterlijke gedicht van Heinrich Heine (Der Doppelgänger).
Het is nogal een schimmig begrip, dat ‘dubbelgangersmotief’, maar waarop het volgens mij neerkomt, kort door de bocht, is een soort, meestal duistere, maar soms heilzame dissociatie van het ‘zelf’. Je ziet iemand anders, al of niet in werkelijkheid, waarin jij jezelf genadeloos herkent. In het geval van Heine is het de jonge minnaar die smachtend staat voor het raam van het oude huis van zijn eigen, allang gestorven geliefde, waarvoor hij, Heine, zélf zo vaak, net zo smachtend, heeft gestaan, so manche Nacht, in alter Zeit. Ik kan die regel, zoals door Schubert getoonzet, nooit met droge ogen aanhoren. Wie hem ook zingt. Zelfs als ik het zelf doe.
Heine ziet zijn spiegelbeeld, een zwijgende maar veelzeggende schim van zichzelf, een essentieel maar voorgoed verloren aspect van zichzelf, uitgetekend in een levend, ander mens.
Over look-alikes hebben we het hier niet, dat is een ander verhaal, het gaat om iets veel subtielers.
Vanmorgen werd ik om half zes wakker. Ik kon niet meer slapen. Ik had een intense behoefte aan een downer, in de vorm van een glas alcohol, de vriend/vijand waartegen ik vecht, one up one down, op en af, met kans op overwinning, maar net als Nederland-Spanje blijft de uitkomst ongewis.
Ik rekte de tijd. Douchte me, schoor me, deed wat klusjes, maar toen het moment aanbrak dat de Albert Heijn open zou gaan, ging ik de straat op. De zomermorgen was stil en prachtig. Ik voelde me licht opgewonden en eigenlijk uitstekend. Zaterdag. Geen werk, de zomerdag lag wijd open.
Toch nog te vroeg voor de Appie, shit, maar ik herinnerde me een koffiehuisje aan de Albert Cuyp dat al heel vroeg open gaat, voor marktkooplui en alcoholisten. Dus dan maar marktwaarts.
Ik bestelde een biertje (Heineken, waarvan ik niet houd, zo uit de fles, aan glazen doen ze daar niet), en ging buiten op het miniatuurterrasje zitten. De markt kwam tot leven. Ik ook weer.
Naast me zat een man, die opvallend veel op mij leek. Ik keek in een licht vervormende spiegel. Dezelfde grijze, kortgeschoren baard, dezelfde donkere ogen, dezelfde Sean Connery wenkbrauwen, nog donker onder het verder grijze haar. Maar anders dan ik zat hij aan de koffie. Hij stond net drie weken droog, na een spoedopname in de kliniek.
Aangemoedigd door mijn uitstekende, naar buiten gerichte stemming, sprak ik hem aan. Iets wat ik normaal nooit doe, mensen zomaar aanspreken, bedoel ik. Het was kwart voor acht. ’s Morgens! Jezus!
Drie uur later zaten we er nog, in diep gesprek.
Alles, letterlijk alles, nou ja... ‘bijna’ alles (hij is ingenieur en schrijver, ik ben muzikant en schrijver, zoals u weet, en hij is acht jaar ouder dan ik, hoewel hij dat niet toont) bleken we gemeen te hebben, - behalve misschien dat zijn mediterrane uiterlijk van zijn Joodse komaf komt en het mijne vooral van de Spaanse rondneukers die half Brabant hebben bevrucht, tijdens het beleg van Den Bosch.
Het was gewoon eng. Ik meende even te hallucineren, en in een levend voorbeeld van het literaire ‘Doppelgänger-motief’ terecht te zijn gekomen.
Maar nee. Het was hier en nu. Het was Amsterdam, 10 juli 2010, de Cuyp. Mijn buurt.
In plaats van dat het vroege bier me naar het hoofd steeg, ontnuchterde het me. Ik sprak met een mens. Een echt mens, die ik begreep, en bovendien een medemens die mij begreep. Ik had geen drank meer nodig. Ik was opgetogen door het contact.
Hij bleek ook nog eens een blog te schrijven. Ik moet het hem nog vragen, ik heb zijn e-mail, op een stukje krant gekrabbeld met een geleende pen, maar misschien geef ik u het adres wel door.
Labels:
Amsterdam,
drank,
Heinrich Heine,
literatuur,
muziek
Abonneren op:
Posts (Atom)