dinsdag 11 juni 2013

SLOOT


Amsterdam Nieuw-West: half stad, half polder. Zo was het er vroeger en iets daarvan proef je er nog. Neem nu die sloot waaraan ik afgelopen zaterdag zat. Geen gracht, meer een boerenwetering met een betonnen bruggetje erover. Omdat ik nog een kwartiertje had voor de repetitie in het wijkgebouw zou beginnen had ik het er me gemakkelijk gemaakt. Verscholen voor de acteurs die zich een voor een verzamelden en al druk stonden te praten zat ik tegen het muurtje waarin de brug eindigde. In het gras naast me stond mijn gitaar. De zon scheen en ik dacht aan vroeger. Hoe ik mijn vrije middagen had doorgebracht aan dergelijke slootjes, uitgerust met een schepnetje en een paar jampotjes. In sloot en plas van Heimans en Thijsse kende ik uit mijn hoofd.
Aan de waterkant liep een jongetje. Hij was in zichzelf verzonken in een spel verdiept, dat kon je zien aan de ongrijpbare doelgerichtheid waarmee hij zich bewoog. Hij kwam op me af en klauterde vlak naast me op de brugleuning. Hij was van het soort dat totaal niet afgeschrikt wordt door de nabijheid van volwassenen. Die grote man met die gitaar was er gewoon niet. We bestonden allebei in een eigen universum en op deze plaats raakten die werelden elkaar even, zonder in elkaar over te gaan.
Kinderen die zich bewust zijn van de volwassenen in hun buurt zien er anders uit. Je neemt ze waar in hun relatie tot de volgroeide mens en daardoor lijken ze onhandig en aandoenlijk. Ze passen in onze wereld maar zijn daar nog niet helemaal voor toegerust.
Dit jongetje, dat daar vlak onder mijn neus zo lenig bewoog stond los van elke referentie en leek een soort op zichzelf. Een volmaakt miniatuurmensje, met bruine en soepele armpjes en beentjes en een kalme, wijze gezichtsuitdrukking waarin geen spoortje angst of eenzaamheid te lezen was.
Dergelijke kinderen bezitten een oude, krachtige magie die de meesten van ons al heel jong verloren hebben. Ze kunnen met het grootste gemak van universum wisselen. Het jongetje keek me aan, zijn gezicht vlak bij het mijne, en - Shampamparash! - daar stond hij ineens in mijn wereld, voor zolang als hij dat wilde.
‘Is daar een speeltuin?’ vroeg hij, over de brug heen wijzend.
‘Nee, ik geloof het niet,’ zei ik.
‘Ik dacht dat daar een speeltuin was. Mohammed zegt het. Mijn broer.’
Hij maakte een sierlijke draai vanuit zijn bekken en keek intens naar de sloot.
‘Kun je daar zwemmen, is het diep in het midden?’
Ik gaf iets aan met mijn handen, een meter of anderhalf.
‘Dieper dan jij bent.’
‘Dieper dan alles?’
‘Nee, niet dan alles.’
‘Heeft het een bodem?’
‘Ja,’ zei ik, verbaasd en verrukt om de vraag, ‘het heeft een bodem.’
‘Maar is die dieper dan het riool? Het riool, weet je, het rióól stroomt erdoorheen.’
Ik hoorde echo’s van opvoeders die wilden voorkomen dat hij in Amsterdamse slootjes zou zwemmen en wilde iets zeggen over de bedenkelijke kwaliteit van het water.
Maar de verbinding tussen onze werelden werd plotseling verbroken. Hij klom razendsnel over de reling van de brug en rende weg. Ongetwijfeld op weg naar de speeltuin die daar ergens moest zijn volgens zijn broer, een grotere autoriteit dan ik.

vrijdag 7 juni 2013

DAG


De dag begon met een schaap.
Of nee, hij begon ermee dat mijn vriendin een gesprek van de vorige avond voortzette terwijl ik nog half bewusteloos was, iets waar ik altijd wat moeite mee heb.
Toen kwam het schaap. Ze zag het, al op weg naar haar werk, bij de vuilnis en haar hart van schapenhoedster kon het daar niet achterlaten. Of het even binnen mocht staan, ze kwam het later met de auto ophalen. Het was van vuilwit kunststof, levensgroot, met gestileerde krullen en amberen oogjes, had een gat in de rug en miste een poot. De katten snoven er bevreemd aan.
Ik werd wakker met koffie op het balkon, deed de zaken van de ochtend, douchte me, kleedde me zomers en ging naar buiten. Alles was volmaakt. Een fluwelen lucht, een lekkere warmte. De bomen waren fris groen en de stad was nog niet te druk zo vroeg in het seizoen. Nog niets van de stoffige hitte en de geprikkelde vermoeidheid die de zomer later in het jaar kan hebben. Ik besloot een stukje te trammen naar de oude stad. Via de wallen liep ik naar het Centraal. Weinig sekstoerisme, geen junk te zien. Het oudste stukje Amsterdam sluimerde in de zon. Ik zag hoe mooi de grachtjes, bruggetjes en gevelhuisjes eigenlijk waren als het schuim eraf was geschept.
Op het Stationsplein zocht ik tevergeefs naar een bankje. Niets. Was dat om zwervers en alco’s te ontmoedigen? Ik kocht een flesje water, ging op een metalen paaltje zitten en wachtte rustig in de volle zon tot de stationsklok een kwartier verder was. Halverwege trok ik mijn sokken uit, rolde ze tot een balletje op en deed ze in de zak van mijn linnen jasje. Ik luisterde naar een paar straatmuzikanten die een trage blues speelden, met veel galm. De soundtrack van een toeristisch filmpje over Amsterdam.
Toen mijn vriend Peter B. er was liepen we samen terug naar de Sint Olofspoort. Op rieten stoeltjes aan het water dronken we koffie en praatten een uur lang over liedteksten en literatuur. Ik merkte dat ik vloeiend en moeiteloos sprak en hoopte maar dat het contact dat ik voelde er ook werkelijk was, en hij niet werd overspoeld door mijn goedgehumeurde woordenstroom.
Weer thuis werkte ik een tijd geïnspireerd aan een liedje, schreef een stuk tekst voor een project in wording. Op een schoorsteen aan de overkant floot onafgebroken een merel.
Ik werd gebeld voor een interview over mijn overwonnen afhankelijkheid van de drank en de therapeutische werking van het schrijven, voelde me gevleid maar bleef er rustig onder, maakte een afspraak. Plop! deed mijn computer. Mijn petekind Aurora, terug van Sicilië. Het ging haar goed, mij ook? Ja, misschien wel té goed, tikte ik: op zulke dagen waren er altijd vlagen van wantrouwen – was deze levensvreugde niet overmoedig, zou ik niet gestraft worden met een dipje, straks? Zij herkende dat. Maar hier en nu was alles goed. We besloten dat we het verdiend hadden, deze dag, dit weer, dit humeur, en er vreesloos van zouden genieten. Ciào! En weg was de chat.
Later ging ik er nog even uit, deed een paar boodschappen. De merel op de schoorsteen juichte onvermoeibaar. Hoorden die dat niet alleen in de schemering te doen, en bij zonsopgang? Bestonden er soms manische merels?
Ik at die avond te veel zonder dat het me echt smaakte. Ik had het vage gevoel dat er nog iets moest komen om deze mooie dag in stijl af te ronden. Het verlangen naar slagroom op de taart, een hardnekkig restant van mijn drinkende jaren. Een beetje suffig keek ik naar een BBC-programma over vogels in Wales.
Om precies zeventien minuten over tien vloog de merel weg van de schoorsteen. Het was plotseling stil, koeler en donker.
In bed wachtte me het herfstige Den Haag van een eeuw geleden. Couperus: Van oude mensen de dingen die voorbij gaan. Ik had er zin in. Zoals je na een dag aan het strand naar een koude douche kunt verlangen.
In de donkere gang schrok ik even van een spookachtige vorm die daar wittig opdoemde. Glimlachend gaf ik het schaap een aai over zijn glazige kop.

dinsdag 4 juni 2013

DANSEN


Toen mijn oudste dochter eenentwintig werd maakten we een cd’tje voor haar. Een paar eigen liedjes en een medley van nummers met haar naam in de titel. Dus toen haar jongere zuster vorige week diezelfde leeftijd bereikte moest er ook zo’n plaatje komen, wilden we geen scheve ogen maken. Omdat ze op het moment veel thuis is, mijn oudste dochter in Maastricht studeert en mijn zoon een druk bezet muzikant is, werd er telefonisch en per mail een samenzwering op touw gezet. De gaatjes in de agenda’s werden vergeleken en net zo lang over elkaar heen geschoven tot ze samenvielen. In het diepste geheim werkten we aan de nummers, poseerden voor de hoesfoto en zongen de liedjes in.
Op de dag dat we haar verjaardag zouden vieren was mijn dochter aan het werk in de vogelopvang. Wij kraaiden thuis ‘Maria’ in allerlei toonzettingen. Nu en dan liep er iemand, plotseling ongerust, naar beneden om te kijken of ze toch niet wat eerder thuis was gekomen op deze speciale dag. Maar het weer zat mee: veel jong vogelgebroed op mooie dagen dat verongelukt en door dierenliefhebbers naar de Toevlucht wordt gebracht. Toen ze in de namiddag uitgevloerd thuiskwam was alles net klaar.
We aten een lang en goed maal en gaven haar tussen de paddestoelenlasagne en de zelfgebakken chocolate cheesecake haar cadeautjes. Ze pakte alles blij uit, maar toen mijn zoon geheimzinnig het schijfje van achter zijn rug vandaan haalde en ze het hoesje zag barstte ze in lachen uit. Mijn oudste dochter had onze gezichten, zwaar opgemaakt, gemonteerd in een foto van haar zusters favoriete J-Rockband. Ik herkende mezelf alleen nog aan mijn baard. Een van de nummers was namelijk een pastiche van die Japanse muzieksoort, een soort romantische metal, als dat u iets zegt. Mijn zoon had zich een heroische knödl-bariton aangemeten en het uit diverse bronnen bijeengejatte Japans omlijst met razendsnelle tweestemmige gitaarriffs. Heel overtuigend.
We draaiden het cd’tje op vol volume en zagen tevreden haar enthousiasme. De uitdrukking ‘uit je dak gaan’ kreeg plotseling betekenis voor me; ouderwets gezegd sprong ze een gat in de lucht, die verzadigd was van kreten als awesome!. Toen we de precieze toedracht van onze samenzwering hadden onthuld (altijd een fijne bezigheid) en het plaatje nog eens hadden gedraaid kwam het gesprek op muziek van vroeger. Vroeger, dat wil zeggen de jaren negentig. Mijn zoon sloot zijn laptop aan op mijn installatie en speelde voor deejay. Youtube toverde alle verzoeknummers tevoorschijn. Zo dansten mijn dochters even later op de klanken van hun eigen nostalgie - Toni Braxton, Janice Jackson, No Doubt, Ricky Martin. Un dos tres! Met uitgelaten ironie imiteerden ze de nu in hun ogen bespottelijke danspasjes die toen in de mode waren.
Ik werd teruggevoerd in de tijd. Op diezelfde plaats in deze kamer hadden ze, lang geleden, op diezelfde nummers net zo staan dansen, toen zonder ironie. Kleine meisjes, mijn jongste nog maar een kleuter.
Maar voor ik weemoedig kon worden schoot me te binnen dat ik nooit helemaal ontspannen naar dat aandoenlijke schouwspel had kunnen kijken. We hadden lastige onderburen in die tijd en ik moest mijn kinderen altijd manen niet te veel te stampen. Als zo’n uitbarsting van vrolijkheid te hevig was en te lang duurde kwam er de gevreesde nijdige klop op de deur. Ik was altijd op mijn hoede.
Nu nam ik kleine trekjes van mijn pijp en keek rustig glimlachend toe hoe twee volwassen vrouwen, al bonkend en stampend, weer dansende kleuters werden.


(Foto(shop): Rosanne van Spaendonck)

vrijdag 31 mei 2013

VERDI



Ik had me verheugd op een zacht wegglijden in vergetelheid maar de slaap wou niet komen.
De dag was druk geweest. Misschien toch te veel koffie gedronken her en der? Of was het soms volle maan? Nee – ik herinnerde me dat die een week geleden vreemd en groot aan de hemel had gestaan toen ik met Leon uit het muziektheater was gekomen na een uitvoering van La Traviata. We kregen op de terugweg ijsregen op onze kop, snelwandelden gebukt naar de tramhalte.
Het was een mooie voorstelling geweest, La Traviata. Misschien dat de tenor wel erg hard was vergeleken bij de langoureus gevoileerde sopraan; en de bariton, een robuuste Griek met een geweldige stem, wilde soms Italiaanser dan de Italianen zijn: er is een grens aan hoeveel opsleepjes zelfs Verdi kan verdragen. Maar toch: prachtig. En wat had het koor goed gezongen, het orkest verfijnd gespeeld! Ik had genoten en bewonderd. Zelfs over de enscenering niets dan goeds, mijn vooroordelen over regisseurs mochten lekker even thuis blijven.
Een paar dagen later verkeerde ik in kringen van Oude Muziek-liefhebbers. Ik ving een gesprek op over de voorstelling. Die was verschrikkelijk goed, meende ik te horen zeggen. Ik mengde me in het gesprek en beaamde dat, blij ergens over mee te kunnen praten. Topniveau, zei ik. De renaissancezanger die aan het woord was geweest draaide zich naar me om en keek me verbijsterd aan over zijn leesbrilletje. ‘Vond je? Ik vond het ver-schrik-ke-lijk,’ zei hij met gif op de tong en een kwaadaardig lachje.
Oeps, verkeerd verstaan. Ik kleurde en haastte me uit te leggen dat ik de sopraan bedoeld had. Ja, nee, die tenor, inderdaad, natuurlijk, véél te hard. Als een hondje ging ik op mijn rug liggen. Ik registreerde dat met verachting maar kon er op dat moment niet veel meer aan doen: voer voor latere evaluatie.
Toen mijn gesprekspartner de bariton een zielloze brulboei noemde probeerde ik mijn acute gebrek aan karakter nog goed te maken door tegen te werpen dat die Griek toch een echte ouderwetse heldenbariton was zoals die nu eenmaal thuishoren in Italiaanse opera’s. Mooi toch? Ik wou dat ik het kon!
Maar het kwam er te veel als een grapje uit. Als ironie van intellectuelen onder elkaar. Hij wist niet wat hij aan me had, en ik wist het ook niet meer. Ik dacht: wat had je dán gewild, een barokspecialist of een kamerzanger in La Traviata? Dat zou stilistisch vloeken, gesteld dat je hem al had kunnen horen.
Maar ik zei het niet.
En ik dacht, langzaam opwarmend tot irritatie: waarom ga jij dan ook naar een Verdi-opera? Alleen om je te ergeren? Wat heb jij daar te zoeken? Houd jij het nou maar bij countertenoren, blokfluiten en a-capellakoortjes, als je zulke tere oortjes hebt.
Maar ik zei het niet.
Van slapen kwam voorlopig niets.

dinsdag 28 mei 2013

DEMOSTHENES


Ik zat op de stenen omheining van een perkje een Luikse wafel te eten. Zachtgroene blaadjes twinkelden in de zon die lekker scheen uit een serene blauwe hemel. Het weer was eindelijk, eindelijk omgeslagen en ik was er voor de verandering eens klaar voor. Meestal moet ik rustig wennen aan nieuwe omstandigheden, maar in ons huidige klimaat is dat een luxe die we ons niet langer kunnen permitteren. Ik zat daar en beet in mijn wafel. De kandijsuiker knarste tussen mijn tanden. Ik dacht voor zover dat mogelijk is aan niets. Hoogstens dat ik te warm gekleed was. De radio in mijn hoofd stond wel aan, maar heel zachtjes, op een vriendelijk station.
Opeens viel er een schaduw over me heen. Ik keek op. Een jongen stond tussen mij en de zon. Forse knaap, breed gezicht, roze wangen, kort blond haar. Blikje energiedrank in zijn hand. Hij keek even op me neer, richtte zijn blik toen naar de hemel, kneep zijn ogen half dicht, ademde diep in en zei na een lange aarzeling, alsof hij moed verzamelde: ‘Pardon meneer, mag ik u misschien iets vragen?’
Ik bromde goedmoedig, verrast om zulke nadrukkelijke goede manieren: ‘Ja natuurlijk, ga je gang.’
Weer een diepe inademing. Ik zag nu dat hij zijn vrije hand op zijn middenrif had gelegd, alsof hij daar steun zocht. De houding van een redenaar.
‘Weet u ook hoe ik van hier naar het Centraal Station kom?’
Het kwam er traag en overdreven bedachtzaam uit, als betrof het een filosofische kwestie.
‘Ja, tram 24. Daar is de halte…’ Ik wees naar de straat vlak achter ons waar de tram net zijn deuren sloot. ‘Maar die haal je niet meer.’
Hij volgde mijn hand niet, maar bleef naar de lucht turen. Ik vroeg me af of hij misschien iets had, een paniekstoornis, een verkeerd gevallen pil. Maar de jongen snoof gulzig, knipperde nog eens tegen de lucht en zei, vloeiend nu: ‘Dank u wel meneer. Ik ben aan het oefenen om van mijn stotteren af te komen.’
Ik knikte bemoedigend. Ik heb zelf gestotterd als kind en weet ervan. Op warme toon zei ik: ‘Heel goed. Middenrifademhaling hè?’
Maar hij was al weg. Niet naar de halte, maar naar een paar vrienden met wie hij even later vrolijk over straat struinde, terwijl hij nu en dan een teug van zijn Euroshopper Energy Drink nam.
Even kwam de gedachte in me op dat hij me in de maling genomen had, maar zoiets verzin je niet.


(Illustratie: Jean Lecomte du Nouÿ, 1842-1923)

vrijdag 24 mei 2013

NIEUW(S)


Teleurgesteld ben ik.
Niet boos, wel bedroefd. Een stille, bittere traan viel vanmorgen in mijn koffie. Tegen mijn gewoonte in moest ik een klontje suiker toevoegen.
Het dagblad Trouw, dat ik als het even kan elke morgen in het café lees, is gezwicht voor de dwingeland die ‘met-de-tijd-meegaan’ heet en heeft zijn opmaak rigoureus veranderd.
Denk daar niet te min over: de opmaak heeft wel degelijk invloed op de inhoud. Het succes van een tekst is het resultaat van de gezamenlijke inspanning van schrijver en lezer, en de instelling van de lezer verandert onder invloed van een veranderde opmaak.
Trouw was als een gezellig volle tafel in een knus, ouderwets restaurant. Zo’n zaak met een verleden, waarvan elk element een organische uitbreiding is van de oervorm. Het was er druk maar de innerlijke samenhang van alles was dwingend. Trouw was als een letterkundige herenclub, met patina op het koper, butsen in het eikenhout en glimplekken in het leer. Nu is er een frisse jonge binnenhuisarchitect op los gelaten, want alles moest nieuw en anders.
Het resultaat van deze make-over? Ik trek mijn vergelijking even door. Designmeubelen. Gesausde muren. Van de rijk beladen tafel die de krant tot voor eergisteren was koos je eerst met zorg je favoriete lekkernijen uit, kleine, smakelijke hapjes op een enorm blad vol tapas en antipasti, voor je je aan de hoofdgerechten waagde. Je proefde die met intens plezier, je blik goedkeurend gericht op alles wat er nog omheen uitgestald lag.
Nu worden ze elk apart op een groot bord opgediend, de columns en cursiefjes, met veel wit eromheen. Zo’n pretentieus bord uit de nouvelle cuisine. De aandacht die ze op die manier krijgen doet ze geen goed. Iets wat zo is uitgelicht moet wel heel bijzonder zijn. Je gaat automatisch kritischer lezen.
Ik ben een groot bewonderaar van columnisten Rob Schouten, Sylvain Ephimenco en Wim Boevink. De eerste benijd ik zijn goedmoedige, geheel eigen toon, de tweede zijn messcherpe intellect en de laatste zijn gave om poëzie in het alledaagse te vinden. Vandaag merkte ik dat hun stukjes me tegenvielen. Het grote witte kader blies ze op en inflatie was het gevolg. Ik stelde onbewust mijn leesgedrag in op het proeven van exquise literatuur, en tja, het blijft natuurlijk journalistiek wat de heren bedrijven. De binnenhuisarchitect was zijn doel ronkend voorbij geschoten. In plaats van dat het ruime kader hun kwaliteit benadrukte haalde het die onderuit. Of, om een andere vergelijking te maken: het verging ze als salonzangers die plotseling op een operabühne worden neergepoot: hun stem bleek te klein en verzoop in de ruimte.
Ik kon me al bladerend maar niet aan de indruk onttrekken dat de krant in zijn nieuwe vorm naast helderder en doorzichtiger ook dunner, leger en oppervlakkiger is geworden. En die schreeuwende advertentiepagina’s, waren die er altijd al? Eigenlijk lijkt Trouw nu uiterlijk sprekend op het Parool, dat ik juist om vergelijkbare redenen heb opgezegd, een paar jaar geleden. Ook kwelde me deze vraag: waarom zou een krant die in 2012 tot het mooist opgemaakte dagblad van Europa is uitgeroepen krap een jaar later zijn vormgeving overhoop willen gooien? Dat is de goden verzoeken.
Ik vouwde krant terneergeslagen op en legde hem op de stapel Metro’s. Ik weet niet wat je voor Trouw in de winkel betaalt, maar mij kost hij de prijs van een koffie verkeerd in Wildschut, te weten twee euro tachtig. Voor de dagelijkse oase van ouderwetse rust en kwaliteit waarin hij me tot voor kort bracht was dat een schijntje. Nu vond ik het aan de prijs.
Plotseling kreeg ik een lumineus idee. Ik schrok van de vermetelheid ervan en moest van de schrik nog een koffie bestellen, waarin ik gedachteloos twee klontjes suiker dumpte. Ik ga het voorleggen aan alle traditionele instituten, of het nu kranten, musea, journaalredacties of bibliotheken zijn. Ik ben benieuwd of ze de innoverende gewaagdheid ervan aankunnen. Hier komt het:
Als iets mooi en goed is zoals het is, misschien moeten we het dan voor de aardigheid eens een keer juist niet veranderen!?

dinsdag 21 mei 2013

PARAPLU


Als kind kon ik soms dagenlang met mijn vriendjes buiten spelen. Ik was dan het middelpunt, de bedenker en aanjager van ons spel. Van onze geheime jongensbendes was ik altijd de baas. Ik bedacht de regels en gaf de opdrachten. Maar lang duurde dat nooit. Altijd kwam er een morgen dat mijn vriendjes gretig aanbelden en teleurgesteld weer afdropen. Mijn moeder had ze op mijn verzoek afgewimpeld. Ik trok me terug op de bank en las, intens gelukkig om alleen te zijn. Er was geen sprake van dat ik me liet overhalen om toch als indiaan of roverhoofdman de straat op te gaan: ik kon het gewoon niet.
Achteraf herken ik het patroon heel goed. Ik was beurtelings introvert en extravert. Ik wisselde als een hagedis van huid. Bipolair, zou ik nu zeggen - als het niet zo was, dat ik me in beide stemmingen, de teruggetrokken en de uitbundige, als een vis in het water voelde.
Als volwassene ligt dat allemaal veel ingewikkelder. Zeker in deze wereld van virtueel schijncontact. De afgelopen dagen heb ik als een bezetene zitten tikken. Vrijwel in isolement. Een tekstklus met een krappe deadline. Tussentijds mailde ik verwoed en mengde me vurig in het publieke debat. Woorden bleven stromen. Zeg maar spuiten: een idee plopte tevoorschijn en hup, daar was weer een stuk tekst. Weggezogen uit mijn omgeving oreerde ik druk voor een onzichtbaar auditorium. Toen opeens was het op. Dat mijn hoofd moe was is een understatement. Eerder voelde het beurs en mishandeld.
Ik dwong mezelf de computer uit te zetten en concentreerde me een half uur op mijn ademhaling, in kleermakerszit op mijn meditatiekussentje. Daarna was het razen van mijn gedachten wel over, maar te zeggen dat ik sereen was zou een leugen zijn; ik voelde me leeg, uitgewrongen.
‘Weet je het nou nog niet?’ zei ik verwijtend tegen mezelf. ‘Jij deugt niet voor polemiek en publiek debat. Je laat je meeslepen en houdt er een kater van over. Zit deze overvolle wereld soms te wachten op de opinies van de zelfbenoemde cultuurfilosoof Rookzanger? Nee toch? En zeg nou eens eerlijk, kan het je diep in je hart écht iets schelen, al die kwesties waar je je zo druk om maakt?’
Ik moest het antwoord schuldig blijven en trok me in bed terug met een boek. Ik koos opzettelijk voor een saaie thriller van Donna Leon.
De volgende morgen regende het. Mijn vriendin arriveerde, we zouden een kunstroute op de Westelijke Eilanden gaan lopen. Terwijl ik haar koffie met hete melk gaf zei ik: ‘Ik weet nog niet hoe mijn stemming zich vandaag zal verhouden tot de buitenwereld.’
Daar moest ze erg om lachen, hoewel ik het serieus bedoeld had.
Voor we weg gingen bekeek ik, verslaafd als ik ben, nog even mijn mail. Op Facebook was een vreemd bericht. Madelon, dierbare kliniekgenoot in het verre Maastricht, had zonder commentaar het liedje Gold van Spandau Ballet op mijn muur geplaatst. Ik klikte het YouTube-filmpje aan en hoorde: ‘Gold, always believe in your soul.’
Terwijl we onder een te krappe paraplu van atelier naar atelier liepen spookte dat liedje als soundtrack door mijn hoofd. Ik dacht aan wat de kliniek ons had proberen bij te brengen, aan innerlijke kracht, aan geloof in jezelf. Always believe in your soul. Jaja, maar waar zat die ziel dan? Waar ik haar meende te kennen voelde ik nog steeds een lege plek. Ondertussen wandelden we door. Mijn vriendin loopt snel, ik rustig. Onder één paraplu is dat lastig. Je stelt je pas bij en past je aan. Je bent daardoor wel erg samen. Onderweg zagen we de kleurige, pietepeuterige binnenwereld van menig kunstenaar. Vooral zagen we de grootse grauwe uitzichten op de oude houthavens. De ateliers waren bij de mensen thuis en je woont daar mooi, op het Prinsen- of Bickerseiland. Maar de regen bleef stromen en uiteindelijk waren we moe en prikkelbaar en wilden we naar huis. We reden nog even langs de Albert Heijn, ik kookte, we aten, mijn vriendin bracht mijn dochter naar het station.
Ik had niet bepaald het gevoel iets zinnigs gedaan te hebben die dag. En toch merkte ik, toen ik weer alleen was, dat die akelige holte daarbinnen weer gevuld was. Ik nestelde me in een stoel en voelde me veilig en behaaglijk. Ik klikte de tv aan en belandde in een documentaire over Lee Towers. Ik vond het een geweldige kerel. Hij ontroerde me. Glimlachend zag ik de film uit.
Verwonderd zag ik mezelf daar zitten, rozig monkelend zonder dat ik één drup wijn had gedronken. Waar was in ’s hemelsnaam mijn cultuurpessimisme gebleven?
Ik zal het u zeggen: op de vuilnisbelt waar ik ook mijn ontevreden eenzaamheid had achtergelaten. Naast de hagedissenhuid van mijn virtuele schijngestalte.