vrijdag 10 mei 2013

DIKKIE


Dinsdag hebben we onze kat Dikkie moeten laten inslapen. Blaasgruis, verstopping en nierfalen zijn hem fataal geworden. Mijn neef de dierenarts heeft er alles aan gedaan om het tij te keren maar kon de optredende complicaties niet meer de baas.
Dikkie, bijgenaamd de Dikke, werd geboren op 11 juli 2000. Van het oorspronkelijke nest van vier overleefden twee het niet: een zwart-wit scharminkeltje met als werknaam Napoleon werd door moeder Tijger doodgeplet en door ons aan de Reinier Vinkeleskade begraven; een schildpadkatje met een waterhoofd en lodderoogjes brak zijn nek toen hij van een stoel viel. Wij waren op vakantie en hoorden het van de kattenoppas.
Toen de keus ging tussen de twee overgebleven kittens kozen we voor de grovere Dikkie in plaats van voor zijn elegante zusje, omdat we dachten dat Tijger een mannetje makkelijker naast zich zou dulden. Zusje ging naar een vriendje van mijn zoon en leeft bij mijn weten nog. Minous heet ze. Een krengetje geworden, dus onze keus was de juiste.
Dikkie was het verzamelpunt van alle gezonde genen van zijn klassiek cyperse moeder en zijn oranje vader. Groot en sterk, breed van borst, lang van staart, glanzend van vacht, met een mooie heraldische tekening van symmetrische zwarte strepen. Helaas erfde hij van vaderskant een beperkte intelligentie. Waar die dikhoofdigheid bij zijn verwekker niet opviel omdat die zich stil hield, zo ver mogelijk uit de buurt van zijn eenmalige sekspartner die na de paring een diep wantrouwen tegen hem was gaan koesteren, trad die in Dikkie opvallend naar voren. Hij leerde traag. Na veel, heel veel afkijken deed hij zijn moeder na, zonder echter de redenen van haar gedrag te begrijpen. Tijger schoof met het waterbakje om ons te waarschuwen dat het leeg was. Dikkie klepperde ermee als hij honger had, of zomaar, uit onvrede. Het water klotste er overheen. Tijger is kieskeurig en heeft een gevoelig ingewand. Als zij een ongewoon merk brokjes uitkotste deed hij dat ook, met volle overtuiging, hoewel hij een maag als een ijzeren pot had.
Omdat we in zijn vormende weken, toen het nest rond begon te scharrelen, buitenslands waren en er alleen eenmaal daags een meisje langskwam om te voederen en te verschonen, was Dikkie schuw voor mensen. Hij richtte zich op vader en moeder en negeerde ons zoveel mogelijk. Daardoor leek hij nogal karakterloos: karakter in een dier ervaren we door het contact dat we ermee hebben, het is toch vooral een menselijke projectie, een menselijk concept.
Dikkie was bang voor ons en voor alles wat ongewoon was. Niet alleen bij onweer, maar ook bij een fikse regenbui, zelfs bij sneeuwval schoot hij onder het bed. Na Oud en Nieuw zag je hem minstens een dag niet. Als Tijger de nacht op mijn bed doorbracht zwierf hij verloren door het huis en riep als een oversized baby om zijn moeder. Mrauw, mrauw! Die spitste dan geïrriteerd haar oren.
Maar langzaam, heel langzaam, naarmate hij ouder werd, overwon hij zijn schichtigheid en zijn distantie. Ook daarin besloot hij zijn moeder te imiteren. Die is praatgraag. Hij begon net als Tijger terug te miauwen als je hem toesprak. Toen hij een welgedane heer op leeftijd was geworden had hij voldoende moed verzameld en begon hij aarzelend te experimenteren met affectie. Als je hem aaide schoot hij niet meer weg maar reageerde eerst welwillend, dan zelfs enthousiast. Met de juiste vorm wist hij zich alleen nog geen raad. In plaats van de streling rustig en fier te ondergaan zakte hij slaafs door zijn rug. Later verloor hij dat laffe hondjesachtige, maar keerde uit pure opwinding uitnodigend zijn kont naar je toe, keer op keer, terwijl het toch de kop was waarop we het gemunt hadden.
Ik mocht hem graag plagen. Hij was het ideale slachtoffer van hilarische spelletjes, in zijn klunzige argeloosheid. ’s Ochtends miauwden de katten in koor voor mijn slaapkamerdeur, als mijn ontwaken ze te lang duurde. Opende ik de deur, dan schoot Dikkie met een gespierde boog mijn kamer in. De deur te sluiten terwijl ik veinsde de anderen te gaan voeren was dan erg verleidelijk. Liet ik hem na een paar angstige tellen vrij, dan rende hij in blinde paniek naar de voederplek, om verbijsterd te ontdekken dat de bakjes nog leeg waren. Zijn impulsen moesten onmiddellijk bevredigd worden, daarin leek hij wel wat op zijn baas, toen die nog dronk. Als ik het pak brokjes boven zijn bakje hield duwde hij het met een ongeduldige kopstoot opzij, waardoor hijzelf en de vloer onder het neerstromende kattenbrood kwamen te zitten.
In al zijn stunteligheid en aandoenlijke onvolmaaktheid was hij er toch het bewijs van dat dieren bij kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen, karakter kunnen vormen waar dat eerst ontbrak. Een echte schootkat is Dikkie nooit geworden maar een lieve huisgenoot wel. Eentje die goeiig met zich liet sollen, en behalve als hij honger, dorst of pijn had tevreden en lui lag te slapen, alleen even met zijn snor ritselde als je zijn naam noemde.
Het is stiller in huis, we zullen hem missen, de Dikke.

dinsdag 7 mei 2013

ZONNE-DYADE


\
Mijn vriendin kondigde aan dat ze nog even zou wachten met maaien tot na mijn bezoek. Want de paardebloemen stonden er zo mooi bij.
Inderdaad, toen ik aan kwam rijden over de dijk was het weiland bevlekt met spetters geel. Geen gezonder, vitaler, warmer en stralender geel dan dat van de paardebloem. Zelfs de zonnebloem kan daar niet tegenop.
Ik was blij dat ze me gewaarschuwd had. Vroeger toen ik klein was stond de bloeiperiode van de paardebloem voor een heel tijdperk, een onbestemd interregnum van eindeloos en doelloos in het malse gras liggen, praten, lachen, vrijen en dromen, vervuld van de belofte van eeuwigheid die de eerste zomerse dagen ons influisterden. Nu gaan er jaren voorbij dat ik ze alleen in mijn ooghoek langs zie schieten. Als ik omkijk zijn ze alweer uitgebloeid.
Terwijl ik keek hoe de schapen van mijn vriendin op hun wandeling naar een andere wei de sappige bloemen gulzig uitrukten bedacht ik dat het vreemd gesteld is met de paardebloem.
Hij heeft iets ordinairs, alsof hij te snel en te goedkoop geproduceerd is; de stelen zijn dik maar voos, holle buizen die een brutaal schreeuwende kleurexplosie moeten ondersteunen. Maar hij heeft ook iets onmiskenbaar poëtisch. De gezamenlijke inspanning van alle bloemen kleurt de wereld vrolijk en uitbundig geel; kinderen maken er bloemenkransen van, je mag een wens doen als je de pluisjes wegblaast.
Die dubbelzinnige status van de plant vind je ook terug in de naamgeving.
Sommige dingen vallen precies samen met hun naam. Andere zijn te groot of juist te klein voor hun naam. Bij de paardebloem zou ik zeggen dat het tweede het geval is: ze zijn een betere benaming waard. De Engelsen hebben dat goed begrepen en de gele bloempjes de dichterlijke naam dandelion gegeven.

Veilig weer thuis uit de natuur en achter mijn laptop gezeten googelde ik wat informatie op. Ik kwam een hoop interessants te weten. Vooral de internationale aarzeling in de naamgeving (dichterlijk, of toch ordinair?) trof me. De Fransen kennen naast het mooie dent de lion (waarvan dat Engelse dandelion een verbastering is) het boertige pissenlit, ‘pis in bed’; de Duitsers hebben vele namen, maar naast Hunde- en Kuhblume valt ook hier die majestueuze leeuw op in het heraldisch klinkende Löwenzahn. Ook het Spaans kent diente de leone, en het Italiaans, naast soffione (‘grote blazer’) en radicchio di campo (‘veldwortel’) eveneens: dente di leone.
Bij ons, leerde ik tot mijn verrassing, is de naam ‘paardebloem’ een twintigste eeuws bedenksel. Er waren zoveel lokale benamingen, van pisbloem tot hondsbloem, dat een commissie van botanici in 1906 de knoop doorhakte en voor het algemene ‘paardebloem’ koos, waarvan de betekenis waarschijnlijk ‘nutteloze of waardeloze bloem’ is, naar analogie van ‘paardekastagne’ (oneetbaar, dus zinloos).
De paardebloem, waardeloos? Ik liep van mijn computer naar mijn boekenkast en haalde Tom Poes en de toornviolen tevoorschijn. Daarin staat namelijk de ware aard van de paardebloem beschreven.
Ik fris uw geheugen even op: Heer Bommel wil op een bloemententoonstelling goede sier maken met een heel bijzonder exemplaar. De dwergen Kweetal en Pee Pastinakel hebben een tip voor hem. Ze weten een plek in het bos waar een bijzonder fraaie zonne-dyade staat. Bommel is gecharmeerd van die exotische naam en volgt de twee hoopvol. Bij een open plek in het woud aangekomen roept Pee trots: ‘Kijk, hier groeit de dyade! Een héél mooi soort met een kleine schrompel en een sterke pippeling.’
Teleurgesteld ziet Bommel een gewone paardebloem.
De mannetjes begrijpen zijn minachting niet. En Pee Pastinakel vraagt: ‘Waarom moet iets zeldzaam zijn om mooi te wezen?



(Illustratie uit: 'Tom Poes en de toornviolen', Marten Toonder, 1960)

vrijdag 3 mei 2013

MEI


U hebt mij horen klagen over de somberheid van de herfst, over de verschrikkingen van de lange winter, u hebt mijn smachtend verlangen naar de lente aangehoord. Maar was die eenmaal in zicht, dan was er weer de voorjaarsmoeheid of de angstige onrust van maart om over te zeuren. En niet te vergeten de nationale hysterie die rond Koningsdag ons land in bezit neemt. Is het dan nooit goed?
Ja, toch wel. In mei. Het is ook dan wel even doorbijten, want er is eerst nog een reeks oorlogsherdenkingen waar we doorheen moeten, met halfstokke vlaggen en deprimerende documentaires, maar dan is het dan toch eindelijk zover. Het nieuwe jaar is begonnen.
Het komt hierop neer, volgens de kalender van Rookzanger, die een andere is dan die van Gregorius XIII of van de Maya’s: de lente speelt, ieder jaar opnieuw, een wreed spel met de mens. Althans met de mens die ik ben. Ik verlang er zo naar dat hij alleen maar kan tegenvallen. De winter heeft mijn verwachtingen te heftig opgehitst. Een nieuw begin moet het zijn, de lente, een soort mythische wedergeboorte, maar ik kan het punt waarop die renaissance precies plaatsvindt nooit goed vaststellen, en schuif het in gedachten steeds vooruit. Vandaag is nog niet alles optimaal, maar morgen misschien? De kalender gaat verder, blad na blad sla ik om. En uiteindelijk komt er een dag waarop ik teleurgesteld moet aanvaarden dat het ook dit jaar weer niks geworden is met die magische nieuwe lente; dat alles bij het onvolmaakte, rommelige oude gebleven is. Aan de geuren van gras en bloesems ben ik inmiddels gewend, het zingen van de merel hoor ik al niet meer, dat het ooit koud was ben ik vergeten. Ik haal mijn schouders op en leg mijn heilsverwachtingen terug in de la bij de andere kinderwensen. Hiermee moeten we het doen.
En op dat precieze moment, juist als je het niet verwacht, als je integendeel de hoop hebt laten varen, dan kan het toeslaan. Dan, en alleen dan, is het plotseling Rokjesdag. De eerste echte bewust beleefde dag van de lente, de eerste echte dag van het nieuwe jaar.
Het overkwam mij afgelopen woensdag. Ik stond laat op en ging naar buiten. Ik moest de auto gaan halen die ik de vorige dag ergens heel ver weg had moeten parkeren. Het was prachtig weer, het was stil op straat. En vredig! Het leek of alle chaos en gekte van kroning en vrijmarkt nooit hadden plaatsgevonden. De gemeentelijke reinigingsdienst had zijn werk uitstekend gedaan, als in een niet al te democratische republiek. Maar niet alleen de straten waren schoon, ook de ziel van de mensen leek gepurificeerd. Alle spanning leek verdampt. Niemand zeulde meer met kratten bier, niemand droeg meer oranje. De stemmen waren een terts gezakt, het spreektempo gehalveerd.
Ik bedacht dat dit nog het meeste leek op zo’n morgen in mijn kindertijd waarop de eerste sneeuw was gevallen en de wereld stil, betoverd en rein, en vooral nieuw was. Een morgen als vers wittebrood.
Maar die vergelijking kwam slechts vluchtig in me op en riep geen nostalgie of ander onrustig verlangen naar iets anders dan dit ene moment in me wakker. Want voor het eerst dit jaar was alles precies goed zoals het was.
Ik reed neuriënd terug naar huis en besloot die lang uitgestelde voorjaarsschoonmaak maar eens te gaan beginnen.


Illustratie: “Der Mai is gekommen”, Georg Mühlberg (1863-1925)

dinsdag 30 april 2013

MIN


Ach, lezers, dit is voor mij het grootste raadsel: waarom raak ik tòch ontroerd als het Koningslied, waartegen ik zoveel heb gefulmineerd, op het moment suprême wordt uitgevoerd? Ik moet met vakantie, dat zal het zijn.
Het mooiste van alle ceremonieën van deze dertigste april vond ik, taalgevoelig als ik ben, het plechtige Nederlands dat klonk uit de geoefende mond van de diverse officiële sprekers. Mijn dochters zaten naast me op de bank. Mijn ogen werden rood. Ik schaamde me en veinsde een opkomende verkoudheid. Voor één keer werd er hier in het openbaar sans gêne afgeweken van de modieuze eis dat je als gezagsdrager de taal van de straat moet spreken. Er klonk in de Nieuwe Kerk een bijna vergeten, ouderwets soort Nederdiets. En dat troostte me, stelde me gerust en maakte me kinderlijk blij. In mijn geëlateerde stemming van dat moment nam ik me voor om voortaan geen concessies meer aan de tijdgeest te doen, en gewoon weer mijn linguïstische hart te volgen.
U moet weten, ik probeer op deze plek altijd, de vinger benattend, een moeizame maar hopelijk vanzelfsprekend ogende middenweg te bewandelen tussen een literair getint en grammaticaal correct soort Nederlands en de vloeiende, beknopte en soms platte taal van de straat en alledag. Het spanningsveld daartussen boeit me. Soms lukt het me die toon te treffen, vaak tast ik ernaast.
Vanaf heden zal ik mijzelf, gedurende minstens een week, neem ik mij voor, het plezier gunnen om mijn oude liefde voor het hecht doortimmerde Nederlands van Godfried Bomans en de zijnen schaamteloos te belijden. Het schrijft namelijk zo lekker, dat Nederlands, als men zich de behendigheid om het te hanteren eenmaal eigen heeft gemaakt.
Als ik dan niet mee kan juichen om onze verjongde monarchie, dan kan ik misschien toch op een andere manier uiting geven aan een geloof in de waarde van onze vaderlandse traditie.
Hoezee!

Maar op het moment dat ik dit schrijf, zie ik het Koninklijk Concertgebouw Orkest spelen onder leiding van de geniale maestro Riccardo Chailly. De Bolero van Ravel. Want je kunt die kersverse koning toch niet meteen opzadelen met iets moeilijks. Alle begrip voor. Maar waarom staat ons muzikale exportproduct Armin van Buuren, de koning van de antimuziek die house heet, daarbij te grijnzen en te swingen, godzijdank (‘Zoo waarlijk helpe mij God almachtig’) vooralsnog zonder hoorbare inbreng?
Even later gaat alles los en schudt Koning Willem Alexander zijn collega Van Buuren de hand. Riccardo Chailly krijgt er ook een.
Ooit hadden we geen Armin, maar een Armand, die profetisch zong: 'Ben ik te min?' Dat was hartverwarmend. Maar of hij het zo had bedoeld?

Ach Bomans, laat ook maar.

maandag 29 april 2013

GITAARJONGENS


Ach, de gitaarhelden van de jaren zestig! Technisch waren ze op een paar uitzonderingen na helemaal niet zo goed, de gemiddelde conservatoriumstudent van nu is beter. Maar er was toen nog geen conservatorium voor pop of rock. Er was geen YouTube. Er waren geen instructievideo’s, tabs, of partituren. Wat je hoort als je naar hen luistert is het spel van de omhoog geworstelde muzikantenziel, van dappere pioniers die eigenhandig, ploeterend en bloedend, hun weg op de stugge gitaarhals hebben gevonden, met alleen een paar krakende Amerikaanse bluesplaten als voorbeeld. En precies dat maakt ze zo goed, de gitaarhelden van toen: hun solo’s zijn hun persoonlijke triomf over de materie. Ze zijn misschien slordig, maar ze staan ergens voor.
Wij hadden er twee in Nederland, Jan Akkerman en Eelco Gelling. Ik bewonderde de geniale maar grillige Akkerman mateloos, maar Gelling, de gitarist van Cuby & the Blizzards, was mijn held. Misschien juist omdat de verlegen Gelling de flair miste van zijn beroemde overzeese collega’s. Bij het enige optreden dat ik van hem zag bespeelde hij zijn rode Gibson met zijn rug naar het publiek. Bij hem geen theater, geen bekkentrekkerij, geen geile poses, maar ernst, muzikale elegantie en een romantische liefde voor de blues: daar wilde ik me wel mee identificeren. Ik kleedde me zoals hij, probeerde zijn gitaarstijl te imiteren en vernoemde onze nieuwe borstelcavia naar hem. Het beest stierf aan longontsteking nadat hij op dierendag mee naar school was genomen. Achteraf een slecht voorteken.
Zaterdag was er een programma op tv met de titel Gitaarjongens, gevolgd door een optreden in Carré van ‘de twaalf beste gitaristen van Nederland’. Ik keek wie dat dan wel waren, die beste gitaristen van Nederland, en had zo mijn twijfels. Maar mijn weerstand smolt toen de organisator van het gitaarfeest, de altijd wat fatterig en pedant overkomende Henny Vrienten (die toch écht geen jongen meer is, hoe graag hij dat ook zou willen) naar Rotterdam reisde om Eelco Gelling op te sporen. Het leven is niet vriendelijk voor de Drentse virtuoos geweest. Na een decennialange worsteling met de heroïnedraak, die de man en zijn muziek met huid en haar heeft opgevreten, vonden we hem terug in een naargeestige woonkazerne. Een schuwe en lieve kale zonderling, die met zijn versleten rode Gibson een flatje deelt als met een verlepte maar trouwe maîtresse. Vrienten probeerde de gitaarlegende over te halen om mee te spelen in Carré. Een briefje van Jan Akkerman moest hem over de streep trekken. Maar weer buiten zei Vrienten in de camera: ‘Ik denk niet dat hij het zal doen.’
Ik had geen geduld en ging op YouTube. Daar vond ik een filmpje van een duet tussen Gelling en Akkerman, de twee iconen van mijn jeugd. Gelling had het dus toch gedurfd. Akkerman, een oersterke kerel, mentaal door en door gezond op een drankverleden na, begint een simpel bluesje en gunt Gelling het podium. Er is duidelijk niet gerepeteerd. Gelling staat veilig dicht tegen Akkerman aan en speelt een lange solo, waarbij hij onzeker glimlacht naar de robuuste Volendammer. Een trage, onhandige solo met nogal wat lacunes maar ook een paar briljante momenten voor wie er oor voor heeft. Als een ruïne waarin enkele in tact gebleven ornamenten nog herinneren aan de glorie van het gebouw. Als Akkerman het overneemt spelen zijn vingers zonder het te willen Gelling volledig weg. Het filmpje ontroerde me, maar ik had het liever niet willen zien.
Ik ging terug naar de tv om te kijken of het duet de uitzending had gehaald. Ik zag twee mij onbekende gitaristen die weinig te melden hadden. Ik zag vooral Vrienten en Fay Lovksy. Wat die op een avond gewijd aan gitaarhelden deed was me niet duidelijk. Toegegeven, ze deed een uitstekende imitatie van Robert Plant in Whole Lotta Love, maar waarom bekroop me dan toch het gevoel dat dit alles ironisch bedoeld was? Jazzgitarist Anton Goudsmit kwam op, trok bij elk ruisend akkoord kunstig vibrerend aan zijn gitaarhals, schudde expressief met zijn hoofd en mummelde mee met elk subtiel nootje. Ik begon hevig naar de onopgesmukte stijl van de gitaarjongens van vroeger te verlangen. Toen Lovsky haar theremin ging bespelen en zich met Goudsmit in een artsy-fartsy versie van een Frans chanson stortte zette ik de tv uit. Alleen een oude plaat van Cuby & the Blizzards kon mijn avond nog redden.

vrijdag 26 april 2013

NEEF

Gisteren had ik een lunchafspraak met mijn neef. Een broodje in Wildschut, smartphone uit, een uurtje rustig bijpraten, en omdat mijn neef dierenarts is zou hij daarna even met me meegaan om naar de kat te kijken. Die lag al sinds een dag vormeloos ineengezakt in een hoekje achter een stoel, achterpoten een beetje uit elkaar, staart omhoog. Blaasgruis, waarschijnlijk. Zijn ogen stonden donker. Nu en dan kermde hij. Mijn dochter maakte zich zorgen.
Mijn neef is net zo oud als ik, zelfs ietsje ouder, maar onze gevorderde leeftijd schijnt geen vat op hem te hebben. Of misschien moet ik zeggen dat hij anders oud wordt dan ik. Ik oog bezadigd en grijs. Hij behoort tot dat jongensachtige type dat bij het verstrijken der jaren onveranderd jongensachtig blijft, alleen een beetje indroogt. De huid wordt hier wat strakker, daar wat losser, er verschijnen rimpels en kraaienpootjes, er doemen wat grijze haren op tussen de weelderige krullen. Daarbij kleedt hij zich als een alternatieve twintiger, en ook zijn lach en zijn loop hebben de losheid die bij die generatie hoort, snel en voortvarend, maar toch een beetje dromerig en onzeker, alsof het leven hem ieder moment een andere kant op kan sturen.
Mijn neef runt twee dierenklinieken, woont in een verbouwde boerderij met zwembad in het Gooi en heeft een huis of wat in Spanje. Al zolang als ik me herinner heeft hij status en geld geambieerd en succes nagejaagd. Maar het ging hem daarbij vooral om het spel. Bij het verbouwen stond hij zelf op het dak en zat hij onder het gruis en de metselspecie. Zodra hij zijn doel bereikt had zocht hij rusteloos een nieuwe uitdaging. Met die status wil het dan ook maar niet lukken, daar moet je zitvlees voor hebben. Hij is er de man niet naar om om zijn gat te gaan zitten en van zijn positie te genieten. Tussen de opgeblazen ego’s van zijn domicilie bleef hij een charmante buitenstaander, een jongen met een volle portemonnee, verdwaald in de grotemensenwereld.
Het liefst maakt hij liedjes, mijn neef. In zijn tuinhuis heeft hij een studio. Daarin werkt hij al jaren aan de Wereldhit. Eens in de zoveel tijd belt hij me op. ‘Ik denk dat ik nu iets heb.’ Dan spreken we af. Ik luister, denk mee, doe een suggestie, maak een tekst, of zing wat in. Tot nu toe is het niks geworden maar mijn neef geeft de moed niet op. Zonder de muziek hadden we elkaar waarschijnlijk allang uit het oog verloren.
In Wildschut spraken we over de wisselvalligheden van het leven. De laatste gooi naar de Wereldhit was alweer een jaar of twee geleden, dus we hadden heel wat bij te praten. Hoewel het leven soms merkwaardige streken uithaalde en ons steeds meer begon te ontzeggen waren we goed te spreken. De zon was warm en de bloesems bloeiden. Ik at appeltaart met slagroom, mijn neef moest aan zijn cholesterol denken en nam een broodje caprese.
We liepen naar de bar om af te rekenen. Mijn neef was in zijn portefeuille aan het rommelen op zoek naar de goede creditcard, zijn krullen vielen over zijn gezicht. Toen vroeg de ober, een jongen van een jaar of vijfentwintig: ‘Zijn jullie vader en zoon?’
Ik lachte verrast. ‘Nee, we zijn neven. Kun je de familiegelijkenis zien?’ Het was een raar moment. Ik voelde ongemakkelijk mee met die jongen, maar hijzelf leek niet in het minst onder de indruk. Voor hem was het misschien moeilijk om nuances te onderscheiden in een leeftijdscategorie die zo ver van hem af lag. Allemaal één pot nat. Je moet je vasthouden aan herkenningspunten. Wit haar en pijp duiden op bejaard, mager, lange krullen en jeugdige kleren zijn jong – voor een oud iemand dan. Ik 65, hij 45, het zou kunnen.
Thuis bekeek mijn neef eerst mijn gitaren en toen de kat. Op het moment dat hij het beest kordaat en geconcentreerd in de buik greep veranderde hij van een jongen in een door de wol geverfde professional. Hij constateerde een ernstige verstopping. Dikkie moest mee, onder het mes. We stopten hem in een reistas, hij spartelde nauwelijks tegen. Ik liep mee naar de auto om te helpen dragen: Dikkie heet niet voor niets zo. Terwijl mijn neef knipperend tegen de zon zijn vintage jeep uitparkeerde stak ik mijn hand op. ‘Dag zoon!’

dinsdag 23 april 2013

COMMOTIE


Ik kijk weinig tv. Praatprogramma’s mijd ik als de pest. En radio vind ik de hel op aarde. De mensen lullen te veel. Het voortdurende wespengegons van het publieke debat maakt me chagrijnig en moedeloos. Ik wacht meestal rustig af wat er van de waan van de dag na zifting en samenvatting overblijft en lees dat in de krant, in mijn eigen tempo, nu en dan opkijkend om even na te denken. Ik heb op dit blog in de loop van bijna drie jaar hooguit een handvol stukjes aan de actualiteit gewijd. Dat ik me de afgelopen dagen heb gemengd in de Ewbank-affaire is dan ook uitzonderlijk. En het is me niet goed bekomen: ik werd er eerst nerveus en toen somber van.
Waarom dan toch die gretige betrokkenheid, Rookzanger, als je er last van hebt?
U moet begrijpen, het gebeurt niet vaak dat mijn eigen vakgebied in opspraak is. Tekstschrijvers en liedjesmakers, ach, die vervullen aan de rand van de samenleving hun onschuldig ambt. Niemand maakt zich druk om de minstreel. Als er geld is wordt hij betaald. Zijn de tijden moeilijk, dan werpen de tafelende edelen hem een bot toe om af te kluiven.
Maar nu blijkt dat zijn lied de gemoederen op kan hitsen. Muziek is belangrijker dan gedacht werd. Bij het naderen van een nationale plechtigheid duikt een bijna vergeten eergevoel op, en het artistiek populisme dat anders vrij spel heeft wordt een verontwaardigd halt toe geroepen. Op zich is dat verheugend. Maar Nederland zou Nederland niet zijn als het bij serieuze bezwaren en oprechte onlustgevoelens zou blijven. Het onvermijdelijke gebeurt, bliksemsnel: de massa stort zich verlekkerd op de discussie. Aangemoedigd door de grove satire van criticasters als de ‘beroepsamateur’ Nico Dijkshoorn begint het schelden. Liefst anoniem, liefst op de man af, liefst intimiderend.
En dan maakt de publieke opinie weer een radslag. Dit loopt uit de hand, zo was het nou ook weer niet bedoeld. Het lied en Ewbank worden meegesleurd in die wervelstorm van over elkaar heen buitelende opinies en komen er verfomfaaid en geschonden weer uit. Ewbank komt op zijn stoere abdicatie terug en het lied zal tòch gezongen worden, ongeacht al het vuil dat er inmiddels aan kleeft. Hoe kan dat anders dan met ironie? Maar dat is niet zo’n punt, ironie, want ondertussen is een ander typisch Nederlands fenomeen in volle gang. Al die haat blijkt maar een spel, geboren uit verveling. De bijtende kritiek verandert na een alchimistische polderprocedure in vertedering. ‘Ze blijven met hun rotpoten van onze rotjoden af’ hoorde je in de oorlog. Zo zullen we nu massaal het geminachte lied omarmen. De beruchte taalfouten zijn al een running gag op internet geworden. Je kunt een oranje T-shirt bestellen met de tekst: ‘Het shirt die je wist dat zou komen’. Trots als vette pauwen zullen we onze eigen onvolmaaktheid vieren, joelend, met malle hoofddeksels op, zwaaiend met blikjes bier. ‘Daar sta je dan’ wordt ons geuzenlied. Het is een rotlied, maar het is óns rotlied.
En daarmee zijn de mensen die oprecht verontwaardigd waren buiten spel gezet. Ik ken een zangeres die aangeslagen op de bank lag, afgelopen zondag: persoonlijk belang dwong haar tot een stellingname vóór Ewbank en ze kreeg een golf van digitale haat over zich heen. Drummer Janco, met wie ik het afgelopen jaar veel heb gespeeld, postte vandaag: ‘Ik zal mijn uiterste best doen om zo min mogelijk energie aan het koningslied te verspillen.’
Die opmerking trof me. Want makkelijk is het niet om als muzikant je schouders over al die commotie op te halen, je moet er wel je best voor doen.
Ik neem me dan ook voor om vandaag minstens drie keer op mijn voor veel te veel geld aangeschafte kussentje van Yogisha te gaan zitten en de wereld niet één, maar drie vingers te geven. De W van wind. Het waait allemaal wel weer over. Over dik een week is het voorbij, en wie weet er over vijftig jaar nog wie John Ewbank was? De W van wijsheid. Ik zal me concentreren op het stromende niets dat adem heet en proberen onverschillig te worden. Oplettend, dat wel, maar onaangedaan. Als een uil. Ik zal er een kaarsje bij branden. Een Boeddha bezit ik niet, maar een Mariabeeldje zal ook wel goed zijn.


(Illustratie: grisaille van Jan Kusters)