vrijdag 12 april 2013

MEDITATIE


Als ik vertel dat ik regelmatig mediteer wekt dat bij veel mensen weerstand op. De vooroordelen tegen meditatie zijn hardnekkig. Omdat ik die vooroordelen zelf ook heb breng ik de boodschap dat ik er ‘aan doe’ aarzelend over, vaak met ironie. Dat helpt niet echt om een serieuze reactie uit te lokken. Mijn gesprekspartner gniffelt wat, ik gniffel mee. Een klap van de hamer en over naar een volgend onderwerp.
De zaak is dat alles wat er aan meditatie vastzit me tegenstaat. Alleen het pure geluid van een aangetikte klankschaal, dat vind ik mooi. Maar de hutspot van bijeengeraapte elementen uit wat met een vaag gebaar ‘het Oosten’ wordt genoemd maakt me misselijk. Vooral de ingrediënten uit het voormalige hippie-Mekka India, wriemelend, overvol, chaotisch land van collectieve wansmaak, godsdienstwaanzin, zieke tradities en bijtende armoede. Verder oostwaarts wordt het al iets beter, met de oceaan in zicht die ons weer bij Amerika brengt, als we de aarde ronden. Ik hou van klassieke Chinese poëzie, van haiku, van de muziek van Toru Takemitsu en van Japanse houtsneden.
Een tweede gevoelsbarrière is juist door het moderne Westen opgeworpen. De vercommercialisering van de mystiek én van de praktijk. Met de armoedige kermisboeddhabeeldjes voor drop-outs en dwepers aan de ene, en de design yogamatjes van duurzaam materiaal voor trendgevoelige welgestelden aan de andere kant.
Ik was dan ook erg blij met het boek Teach us to sit still van Tim Parks. Ik las het in één adem uit, in het verheugende besef dat ik een medestander had gevonden, een mediteerder waar je mee voor de dag kan komen als moderne sceptische intellectueel. Want Parks is wel de meest onwaarschijnlijke persoon die je je kunt voorstellen om aan meditatie te doen en er een vuistdik boek over te schrijven. Een cerebrale Brit die sinds jaar en dag in Italië woont met vrouw en kinderen, een succesvol schrijver van moeilijke boeken, een man van taal en logica, een harde werker, sportief, gespeend van dweep- of drankzucht en wars van mystiek. Ik had al eerder een toegankelijk, even helder als relativerend boek over meditatie gelezen: De lege spiegel, van JanWillem van de Wetering. Dat rekent lichtvoetig (maar niet lichtvaardig) af met alle valse romantiek die rondom Zen hangt en toont de vaak onthutsend harde praktijk. Maar Van de Wetering was een existentialist, een ongelukkige zoeker naar de zin van het leven. Parks niet.
Parks heeft pijn. Jarenlang. Hij ondergaat de vermorzelende molen van klinisch onderzoek. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Niets te vinden, Parks is gezond. Maar de pijn blijft. Uiteindelijk komt hij via een op internet besteld zelfhulpboek uit bij adem- en ontspanningsoefeningen. Hij gaat aan de slag en er treedt enige verbetering op. Daardoor aangemoedigd zoekt hij verder. Het einde van dit meeslepende verhaal vol zelfonderzoek en zelfspot toont ons de nuchtere Parks als vlijtig discipel van een meester in de Vipassana-meditatie, de oervorm van wat modieus mindfulness heet. Nog steeds een westerse intellectueel, maar één die wat heeft bijgeleerd. En één zonder pijn.
Leer ons stil te zitten, dat óók een literair boek is, al noemt Parks het geen roman, stimuleerde me om mijn eigen halfslachtige meditatiebeoefening nieuw leven in te blazen. Iedere avond als ik mezelf losrukte van de bladzijden en het licht uitdeed wreef ik in gedachten mijn handen. Ik had er zin in! Morgenochtend meteen het matje op.
Maar lezen over mediteren is iets anders dan het daadwerkelijk doen. ’s Ochtends was mijn enthousiasme danig geluwd. Eerst maar eens koffie, roken, mail beantwoorden, douchen. Daarna eisten een voor een andere dingen me op, routines, plichten, impulsen. Als ik aan mijn voornemen van de avond ervoor dacht voelde ik weerzin. De dag was net een beetje lekker op gang, moest ik die nu alweer onderbreken en stil gaan zitten op de harde vloer?
Hoewel… Aan dat laatste kon natuurlijk iets gedaan worden.
Door de zachte regen van de aarzelend beginnende lente liep ik de Ceintuurbaan af. Ik herinnerde me daar zo’n trendy yogawinkel gezien te hebben. Daar zou ik een officieel matje met bijbehorend zitkussentje kopen. Mijn vooroordelen moest ik maar opzij zetten.
Diep in en uitademend op het ritme van mijn pas legde ik de weg af. Ik zette mijn voeten bewust neer, een voor een, en voelde hoe mijn beenspieren hun werk deden. Opkomende gedachten monsterde ik even op nut en wenselijkheid om ze daarna te laten schieten. Ik liep en ademde en zocht die winkel. Meer niet.
Dat mijn herinnering me had bedrogen liet me in deze stemming onaangedaan. Op de Ceintuurbaan verkopen ze veel, maar geen yogamatjes. Rustig doorademend liep ik terug. De intentie was er. En Parks lag op mijn nachtkastje, vol potloodstrepen in de kantlijn om me aan mijn voornemens te blijven herinneren.



dinsdag 9 april 2013

BAARD

Ik heb het grootste deel van mijn volwassen leven een baard gedragen. Vroeger zeiden ze dat je daarmee iets verborg, dat het een teken was van verlegenheid of onzekerheid. Misschien beperkt mijn gezichtsbeharing zich de laatste jaren om die reden tot een klein kinbaardje. Want veel heb ik niet meer te verbergen. En bovendien: onzekerheid moffel je niet zomaar weg, verlegenheid leg je met een scheermes niet bloot.
Een week of twee geleden besloot ik me niet meer te scheren. Uit protest. Niet tegen de gevestigde orde zoals in de jaren zestig, maar tegen de winter. Pas als de lente zou komen zou ik mijn gezicht weer coifferen. Tot die tijd zou ik erbij lopen als een holenbeer. Gisterenmorgen zag ik mijn onverzorgde witte baard in de spiegel en aarzelde. De hegemonie van kou en oostenwind leek voorbij. Maar ik besloot toch nog een paar dagen te wachten, tot dat beloofde weekend met 20 graden. Pas dan gaan mijn coltruien de kast in en zal ik met rituele precisie mijn gezicht restylen.
Ik moest denken aan een lente van lang geleden. Ik gaf samen met mijn vader een recital in Grosskrotzenburg, een vriendelijk plaatsje onder de rook van Frankfurt am Main. Schubert, Schumann, Liszt. Mijn moeder ging mee, mijn vrouw, en mijn driejarige zoontje. De gemeente betaalde twee nachten hotel en al onze onkosten, naast een bescheiden honorarium. Je kon veel van de Duitsers zeggen, maar een warm hart voor de cultuur hadden ze! We hadden er onder het mom van werk een paar prachtige dagen.
Mijn moeder is dood, mijn vrouw is bij me weg, en mijn zoon is een volwassen kerel van zevenentwintig die zijn eigen concerten geeft. Mijn weemoed begrijpt u zo ook wel, die zal ik u besparen. Wel wil ik u vertellen over Schwarzer Willy.
De plaatselijke kroegbaas was een voormalige Amerikaanse militair die in Duitsland was blijven hangen. Volgens mijn dagboek (waarvoor ik me wel excuseer) ‘een spectaculair lelijke, enorm dikke neger die een raar mengsel van Duits, Frankisch en Bronx’ praat, welks verstaanbaarheid nog eens bemoeilijkt wordt doordat dit mengsel vanuit een speekselrijke, nooit sluitende mond met Sjors en Sjimmielippen wordt gesproeid’. Omdat hij destijds de enige zwarte in een verder blank stadje was noemden ze hem eenvoudig Schwarzer Willy. Hij vatte het op als geuzennaam. Zijn kroeg heette ook zo.
De morgen na het concert zaten we er aan de bar. We hadden een Paasmarkt bezocht, ik was op de foto gezet met de burgemeester en we hadden een paar heerlijke uren doorgebracht aan de Main, lezend, turend over het water, luisterend naar echo’s van het dorpsleven verderop, ‘ruikend aan een bloesemtakje dat me het geheim van de eeuwige lente belooft te verraden.
Terwijl we geduldig wachtten tot het trage Dortmund getapt was begon mijn vader een gesprek met de plaatselijke onderwijzer over het archetype van de Loreley. Mijn vader houdt niet van smalltalk. De organisator van het optreden toonde de kroegbaas het lokale sufferdje met een foto van mijzelf, gemaakt in een zeldzame gladgeschoren periode, om te bewijzen dat er twee buitenlandse beroemdheden hoogstpersoonlijk bij hem aan de toog zaten. Schwarzer Willy keek naar de foto, keek naar mij, en zei lachend: ‘Bhezzer mid bbahrd.’

vrijdag 5 april 2013

JULIUS RÖNTGEN


Pong! Pong! Pong! Mijn Facebook chatbox vroeg dringend mijn aandacht.
Tweeduizend kilometer verderop had Beniamino Cuomo mijn hulp nodig. Ik liet mijn bezigheden in de steek en probeerde zijn vraag te beantwoorden. Beniamino is een ongeduldig man en kan soms een dwingeland zijn, maar hij heeft me onvergetelijke concerten in Napels bezorgd en ik ben hem graag van wederdienst.
Dit keer ging het om de componist Julius Röntgen (1855-1932).
U heeft waarschijnlijk een bepaald beeld van Napolitanen, net zoals zij dat van ons hebben. Op een afstand kloppen die beelden aardig, maar van dichtbij bekeken verbrokkelen ze tot verwarrende details. Beniamino heeft lichtgrijze ogen, geeft niets om wijn en is gefascineerd door onze noordelijke cultuur. Hij begon met Beethoven maar groef steeds dieper. Via de Leo Smit Stichting maakte hij kennis met de Joodse componisten van het interbellum. Af en toe vraagt hij me muziek voor hem te bestellen. Die wordt dan ginds, aan de onaangedaan glinsterende baai van Napels, door muzikanten van het San Carlo Theater uitgevoerd. Wat zijn meer stereotype streekgenoten daarvan vinden weet ik niet. Die vonden waarschijnlijk mijn Napolitaanse canzoni mooier.
Beniamino heeft zo zijn eigen beeld van ons land. Om klompen en tulpen smaalt hij. Nederland bestaat uit Joden en verzetshelden. Uit mensen die geleden hebben onder de Mof en mensen die de Teutoonse tyran dapper weerstreefden. Dat er hier verhoudingsgewijs meer Joden zijn aangegeven dan in Italië en dat onze verzetsbeweging een jongensclubje was vergeleken bij de Italiaanse Resistenza verzwijg ik maar liever. Ik laat hem zijn illusies. Want Beniamino houdt oprecht van ons land maar aan de complexe werkelijkheid is hij nog niet toe.
En nu heeft hij zijn verrekijker dus gericht op Röntgen. Nederlander, Duitse naam, auteur van negen bundels Kriegslieder. Past perfect in zijn straatje. Er is een dissertatie over Röntgen van de musicoloog Jurjen Vis. Ik moet hem benaderen, het boek bestellen, de passages vertalen over die ‘Kriegslieder’ e la sua dramma familiare durante la guerra 1914/1918, zijn familiedrama in de Eerste Wereldoorlog. Dat Nederland in die grote, wrede oorlog neutraal was weet Beniamino blijkbaar niet.
De dissertatie staat op internet en ik ben er voor ik het weet een morgen mee kwijt. Als een spons zuig ik informatie op. Ik lees over het duo dat Röntgen vormde met de bariton Johannes Messchaert, pupil van de legendarische Julius Stockhausen. Over hun samenwerking, Messchaerts indisposities en afzeggingen. Over Mahler en Brahms, over het concertleven in Wenen en Amsterdam. En er vormt zich langzaam een polaroidplaatje van Röntgen. Die ondanks zijn nationalisatie Duitser bleef in hart en nieren, die onze taal na een heel leven tussen Amsterdammers nog steeds niet beheerste, omdat de intellectuele en artistieke elite waarin hij verkeerde natuurlijk gewoon Duits sprak (er bestond toen nog onderwijs). Die conform de geest van de tijd gematigd maar overtuigd antisemiet was, hoewel hij (liberale) Joden onder zijn vrienden had. Die in de Eerste Wereldoorlog vooral met Duitsland begaan was en koorwerken schreef ter opmontering van de Duitse moraal. Die kind aan huis was in Huize Doorn, waar hij thee dronk met de Kaiser in ballingschap, en zich druk maakte om de vernedering van Duitsland na de vrede van Versailles. Die ook daar weer opbeurende gezangen voor schreef. Die Kriegslieder waren niet de linkse verzetsliederen waarvoor Beniamino ze ongetwijfeld houdt, maar toonzettingen van Duitse oorlogspoëzie. En het dramma familiare, ja, dat was er wel: Röntgen kon na de oorlog fluiten naar zijn Duitse beleggingen.
Heus geen foute man, deze componist van behoudende en altijd goed klinkende muziek, maar een man die gevangen was in het ingewikkelde web van zijn tijd.
Pong! Pong! Pong! Beniamino, aan zijn zoveelste espresso en getergd door ongeduld. Ik schakel snel de pc uit, trek mijn jas aan en loop door de ijzige wind naar het café. Om slecht nieuws te kunnen brengen moet je even moed verzamelen.


[Naschrift: 'Mannaggia!' opende Beniamino zijn antwoord: 'Verdorie!'. Maar hij stelde wel mijn kennis bij over het familiedrama: één van Röntgens zonen was, omdat zijn vader in die tijd nog officieel Duitser was, opgeroepen voor Duitse militaire dienst, en krijgsgevangen geraakt; dat had de dissertatie in het betreffende hoofdstuk niet vermeld. Overigens siert het Beniamino dat zijn interesse in Röntgens muziek na mijn ontmoedigende informatie overeind is gebleven; ik moet nu achter de altvioolsonate in A aan. 'Die 'Kriegslieder', laat die maar zitten.']

dinsdag 2 april 2013

KONINGSLIED


Er is nogal wat te doen over het lied dat bij de kroning van Willem-Alexander te horen zal worden gebracht. Iedereen mocht een compositie inzenden maar zoals verwacht werd er op safe gespeeld: de bal werd naar de ervaren liedjesschrijver en muziekproducent John Ewbank toe gekopt. Hij presenteerde zijn werkje in DWDD (De Waan van De Dag). Er rees een storm van protest, en niet alleen uit muzikantenhoek. Dit hadden we al eens gehoord! De titelsong van Shrek? The Chieftains? Relizanger Matt Redman? Zo ontstond de affaire Ewbank.
De kwestie van plagiaat is niet waar het mij hier om gaat. Componeren is mensenwerk. Het is een illusie te denken dat er iets als volstrekte originaliteit kan bestaan. De toonladder telt slechts iets meer dan twee handen vol noten (de halve meegerekend) en er zijn al oneindig veel muziekjes mee gemaakt. Ons oor is bovendien behoudzuchtig. Het is tonaal ingesteld en keurt niet alle combinaties goed. Bij iets dat goed in het gehoor moet liggen grijp je automatisch naar voor de hand liggende combinaties die hun werkzaamheid al lang en breed hebben bewezen, naar min of meer traditionele melodische bouwsteentjes. Wat je vervolgens als componist doet is die bouwsteentjes op je eigen manier ordenen, ze op ongebruikelijke wijze door elkaar husselen of net iets anders stapelen dan de luisteraar verwacht. Er op een uitgekiend moment een nootje van weglaten, of er slinks eentje toevoegen. Je verlegt accenten, goochelt met maatsoorten. Je bedenkt er een contrasterend motiefje bij, of herhaalt het patroon onverwacht in een andere toonsoort. Zo krijgt je liedje een eigen signatuur.
Ewbanks inschattingsfout (luiheid, writer’s block, cynisme?) is dat hij het gelaten heeft bij stap één, het zoeken naar een goed klinkende, traditionele combinatie van noten. Hoewel hij een bekwaam componist is doet hij er vervolgens niets mee, hij laat het bij die ene inval, alsof die zo geniaal is dat verdere uitwerking overbodig is. En ja, dan blijken meer mensen dat Iers aandoende, pentatonische motiefje al te hebben gebruikt. Natuurlijk! En word je vervolgens van plagiaat beschuldigd. Natuurlijk! Het is waarschijnlijk geen plagiaat, in de zin van vooropgezet jatwerk, maar ‘toevallige’ overeenkomst: ook de andere gebruikers van het wijsje putten uit dezelfde bron van eeuwenoude volksmuziek. Maar de smet kleeft ook zonder boze opzet, en je reputatie krijgt, terecht, een deuk.

Wat mij vooral bezighoudt is niet wát Ewbank heeft aangeleverd (slappe kitsch, wat mij betreft, zouteloze aanstekermuziek voor de Heinekendrinkende feestmassa), maar dát hij het überhaupt heeft mogen aanleveren. Dat verontrust me, al bevestigt het mijn culturele pessimisme met een vette, cynische knipoog.
Dat we in een populistische cultuur leven is bekend. Dit is het Land van Leuk. Op alle fronten wordt een knieval gemaakt voor de smaak van de grootste gemene deler. Moeilijke kunst, die de man van de straat niet kan begrijpen, is verdacht en elitair. Die beoefen je maar in het geheim, met een paar andere hooghartige en wereldvreemde trawanten. Wat ooit ‘hoge cultuur’ werd genoemd is verdrongen naar de achterkamertjes van luxueuze grachtenpanden en heeft op zijn best de status van een soort artistieke vrijmetselarij.
Ooit domineerde die hoge cultuur, en werd op lage of volkscultuur neergezien. Als je vooruit wilde komen in de wereld simuleerde je desnoods interesse in klassieke muziek of in literaire meesterwerken, net zoals je ABN moest leren spreken of met mes en vork moest zien om te gaan. Toen kwam er een boeiende tijd waarin hoge en lage cultuur elkaar gingen beïnvloeden en samen tot interessante resultaten kwamen. Dat tijdperk begon grofweg met Gershwins Rhapsodie in Blue en eindigde nog niet zo lang geleden. Op dit moment is de slinger definitief doorgeslagen naar de andere kant. Lage cultuur heerst, hoge cultuur zit in het verdomhoekje.

Niets toont dat beter aan dan de affaire rond het zogenaamde Koningslied. De hoogste instanties van het vaderland vieren een groots en symbolisch feest, ons koninkrijk krijgt een nieuwe vorst, de eerste mannelijke monarch sinds Willem de Derde na een interregnum van drie koninginnen (vier zelfs, als je koningin-regentes Emma meerekent). Bij de muzikale aankleding van zo’n feest laat je zien waar je staat, als culturele natie. Vroeger zouden onze belangrijkste klassieke componisten zijn aangezocht om die hymne te schrijven. Ook die zouden zich trouwens, het Wilhelmus en het Neêrlandse volk indachtig, gebaseerd hebben op folkloristische motieven, maar daar gaat het niet om.
Nu wordt aan klassieke componisten niet eens gedacht. Louis Andriessen, Theo Loevendie? Stel je voor dat ze er een rare maatsoort, een vreemde tweede stem of een moeilijk interval in zouden smokkelen! Doodeng.
Ook toondichters van een minder academisch maar even creatief kaliber worden schijnbaar vanzelfsprekend gepasseerd. Ik noem maar een paar namen: Maarten van Roozendaal (te ziek?), Corry van Binsbergen (te marginaal?), Kyteman (te hip?). Of, als het echt een liedje moet zijn, waarom niet onze vaderlandse oer-troubadour, Boudewijn de Groot?
Nee, John Ewbank wordt gevraagd. Boegbeeld van de muziekcommercie, hitproducent, verkoopcijferkanon. Blijkbaar is de man die Marco Borsato voorzag van zijn bekendste hits de grootste componist van onze tijd. Niets kwaads over Ewbank: hij is een vakman die op geraffineerde wijze even sentimentele als meeslepende liedjes schrijft waarop het fijn huilen is als je gedronken hebt. Maar het zegt wel iets over onze nationale cultuur. Alles voor de populariteit, alles voor de volksgunst.
Kees van Kooten zei in een interview dat onze vorst in spe en zijn lieftallige vrouw liever bij Jan Smit gezien worden dan bij het Schönberg Ensemble. Anders dan Beatrix en de betreurde Claus voelen ze blijkbaar niet de noodzaak om als vorstenpaar een opvoedende taak te verrichten of het goede voorbeeld te geven. De schijn van een culturele interesse hoeft bij ons eigentijdse koningshuis zelfs niet meer opgehouden te worden. En dat baart me zorgen.

[En wie schrijft eigenlijk de tekst voor Het Koningslied? De Dichter des Vaderlands, Anne Vegter? Nee, las ik vanmorgen: Acda en De Munnik, Guus Meeuwis en Daphne Deckers. Ik bedoel maar.]

donderdag 28 maart 2013

BERNARD KRUYSEN (1933-2000)

Vandaag precies tachtig jaar geleden werd Bernard Kruysen geboren.
Kruysen was een groot artiest en een kleurrijk mens. Ik heb hem goed, zij het eenzijdig gekend: hij is een tijd lang mijn leraar geweest en ik bewonderde hem zeer. In april 1986 publiceerde ik onder de titel ‘Je moet goed gek zijn’ een portret van hem in het amateurtijdschrift Faun, dat ik ter ere van zijn verjaardag hieronder in zijn geheel laat volgen. Ik heb het wel een beetje opgepoetst. Hij was toen 53, ik was net 30. Bepaalde feiten die me nu buitenissig voorkomen kon ik niet natrekken. Ik heb geen idee waar ik ze destijds vandaan haalde. Misschien van Kruysen zelf? Dan zijn ze mogelijk onbetrouwbaar. Google geeft niet thuis: er is geen Nederlandstalig Wiki-lemma over hem. Daarvoor moet je naar de Franse Wikipédia, en ook die is beknopt. Foto’s? Veel meer dan de paar plaatjes bij dit artikel kon ik niet vinden. Onbegrijpelijk! Iedereen die in de finale van TVOH heeft gestaan heeft zijn eigen lemma in de online-encyclopedie, maar de misschien wel grootste liederenzanger die ons land ooit heeft voortgebracht niet. Wél zijn vader en grootvader overigens, de tamelijk middelmatige Brabantse schilders Jan en Antoon Kruysen. Aan hen is zelfs in Oirschot een museum gewijd. Ik neem me voor aan die lacune iets te gaan doen. Er is nog zoveel meer over hem te vertellen.




Toen ik Bernard Kruysen voor het eerst ontmoette wist ik meteen dat ik les van hem wilde hebben. Het was tijdens een masterclass gewijd aan het Franse lied, waarvoor hij, als onze nationale specialist, was aangetrokken.
Ik was één van de proefkonijnen. De zaal zat vol met zangpedagogen en studenten. Als je een niet vlekkeloze passage zong, zag je beneden je een woud van afkeurend knikkende hoofden. Potloden krabbelden notities in partituren. Vond de meester dat er vooruitgang was te bespeuren na zijn aanwijzingen, dan bewogen diezelfde hoofden instemmend. Ik had al eerder zo’n cursus meegemaakt (van Elly Ameling) en was toen wat uit het veld geslagen door de academische sfeer. Doctor Ameling zat achter een katheder, met een microfoon en een glaasje water voor zich. Ze ontleedde de liederen met een fijn scalpel. Om iets te ontleden moet het eerst dood zijn.
Kruysen was alles wat zij niet was. Wat hij ook aanpakte kwam onder zijn handen tot leven. Alles aan hem was plastisch. Bij hem geen microfoon, katheder en chirurgie. Als hij les gaf bespeelde hij evengoed het publiek. Hij dook onder in een lied en gaf het al acterend – dramatisch en clownesk – gestalte, voortdurend gespitst op de indruk die hij op zijn gehoor maakte. Ik vond hem behalve een rasechte artiest ook een heel aardige man; hij was met een aura van charme omgeven. Hij had een aanstekelijke lach, een schaamteloze sensualiteit, een ontwapenend soort eigenliefde, en hij praatte met een raar accent, een mengsel van Frans en plat Haags. Het was duidelijk dat hij anders was.

Later ontdekte ik de herkomst van het afwijkende dat hij uitstraalde. Zijn vader en grootvader waren schilders geweest, in de tijd voor de BKR. Dat kwam neer op een zwervend bestaan zonder vaste inkomsten en sociale zekerheid. Bernard groeide in het wild op aan de Franse zuidkust. Het bracht hem een vloeiende beheersing van het Frans, een bohémienachtige onaangepastheid en een levenslange fascinatie voor de zee. Zijn leven is erin gedrenkt: hij maakte voor de BBC een documentaire over diepzeeduiken en werd drie keer Europees kampioen harpoenvissen. Het voor de meeste zangers lege zomerseizoen is de tijd waarin hij professioneel bezig is met het bergen van gezonken schepen.
Een naar schatten duikende bariton? Het is een beeld dat Kruysen zelf zorgvuldig in stand houdt. Toen ik voor het eerst bij hem thuis kwam lag er op de vleugel een tot imposante proporties opgeblazen foto van een diep gebruinde Kruysen die, breed lachend, omspoeld door de azuren zee, een gigantische rog omhoog houdt aan een harpoenhaak. Mogelijk lag die foto er nog met het oog op aantrekkelijke vrouwelijke leerlingen, maar het verdere interieur was al even maritiem. In de donkere, tropisch verwarmde krocht van zijn huiskamer bevonden zich stukken fossiel hout die hij had opgedoken. Hij hing er zijn handdoeken aan te drogen.
Een andere opvallende aanwezigheid was die van wapens, goed gevulde patroonriemen, literatuur over pistolen. Ze wezen op zijn tweede passie: wedstrijdschieten. Op een morgen dat ik onverwacht (hij was de afspraak vergeten) bij hem aanbelde trof ik hem in ochtendjas aan, bezig met het vullen van patroonhulzen.
Niet alleen een schatduiker dus, maar ook een cowboy? Op de dag dat hij voor het eerst een met hanekam getooide punk door Den Haag had zien lopen, zei hij met gespeelde verbazing: ‘Dat kan allemaal tegenwoordig. Maar dan moeten ze ook voor de gevolgen ervan instaan: dat ik ze vastbind aan een boom en mijn Luger trek.’ Hij liet er een kakelende schaterlach op volgen.

Dit soort verhalen kwam meestal los bij het theedrinken, dat een belangrijk ritueel was tijdens de les. Want die bestond voor de helft uit zingen; de andere helft werd gevuld met gezelligheid.
Hoe wezenlijk dit was begreep ik pas later. Voor Bernard Kruysen is een vorm van musiceren zonder persoonlijk contact ondenkbaar. Het meest opvallende aan zijn zingen is de intense warmte; ook in zijn omgang, als docent, met andermans stem kent hij geen ‘pure techniek’, geen loskoppeling van stem en persoonlijkheid. Elke les is een klein optreden, het welslagen ervan afhankelijk van zijn inspiratie en de respons bij zijn toehoorders. Hij zingt alles wat hij voordoet heel dicht in de microfoon (ik nam de lessen op), en drukte me op het hart datzelfde te doen, omdat ik anders bij het terughoren mijn eigen stem te klein zou vinden in vergelijking met die van hem. Zo is hij beurtelings bezig je voor hem in te nemen en je te imponeren.
Bij de thee nam dat vaak de vorm aan van een narcisme dat zo kinderlijk was dat ik hem nooit zag als een opgeblazen man, eerder als een glunderende jongen.
Hij liet me dan zijn fotoalbums en plakboeken met recensies zien, of las passages voor uit een boek (over zichzelf, waarover anders?) dat hij aan het schrijven was. Ik herinner me dat hij aan de hand van die foto’s vertelde over zijn debuut in de Metropolitan Opera in New York, in de Soldatenmis van Martinu. Zijn tweede vader, zelf operazanger, was daarbij aanwezig. Hij had hem jaren niet gezien. Kruysen was zo ontroerd door de gelegenheid dat hij de oudere man omarmde en in tranen uitbarstte.

Dit soort onverbloemde emoties is in onze wereld niet meer zo gewoon, tenzij kunstmatig teruggefokt. Maar Kruysen is in onze wereld niet zo gewoon. Hij is een tegendraadse persoonlijkheid. Hij is zozeer zichzelf en zo overtuigend een geheel, dat ik hem zou willen omschrijven, met een van Marten Toonder geleende term, als een ‘elementaal’, een enkelvoudig natuurwezen, niet versnipperd, niet ten prooi aan een schisma van intentie en aanleg.
Kruysens aanleg is heel lichamelijk. Alles aan hem, niet alleen zijn zingen maar ook zijn manier van leven, is gedrenkt in erotiek. Het zou te ver voeren sommige van de verhalen die in zangerskringen de ronde doen hier aan te halen, maar vast staat dat hij een ‘vrouwenman’ is. Hij geeft zich met gulzige schaamteloosheid over aan deze kant van zijn karakter. Het eerste dat ik te horen kreeg, lauw bij hem binnen, was de stand van zaken in zijn liefdesleven. Een andere maal vertelde hij me dat zijn vrouw, uit wanhoop over zijn promiscuë gedrag, was weggelopen, en dat hij van plan was geweest in zijn bootje de oceaan op te varen:
‘Als maar door…! Dan zou ze spijt hebben gehad!’
Hij vertelde zo’n verhaal zonder gêne en zonder zelfspot, eerder goedgehumeurd omdat die ellende achter hem lag, en met een aanstekelijke vrolijkheid over de grilligheid van het bestaan. Bij dezelfde gelegenheid liet hij me een loden kistje zien waarin zijn vrouw de papieren bewaarde die ze mee had willen nemen; hij had het in zijn woede met zijn Luger open geschoten.

Ik heb altijd plezier gehad in de tegenstelling tussen zijn sjeuïge levenswandel en zijn gevierde rol als Christus in Bachs Matthäus Passion. De christelijke oratoriumverenigingen die hem jaarlijks als solist aantrekken zouden geschokt zijn als ze wisten hoe weinig hij in hun uitgestreken wereld past. Ze zouden waarschijnlijk moeilijk kunnen begrijpen dat hij alleen zo’n prachtige, doorleefde Christus neerzet, ómdat hij zo’n vreemde vogel is. Kunst en leven zijn voor iemand als Kruysen niet te scheiden; in elke regel die hij zingt klinkt zijn diepe levensdrift door. Zo kan hij volkomen oprecht overkomen zonder een tekst naar de letter te interpreteren.
Maar niet alleen zijn intensiteit en zijn warmte maken zijn zingen uniek. Het is ook de rijke en vlugge fantasie die zijn liedvertolkingen kleurt. Niet voor niets stamt hij uit een geslacht van kunstenaars en wilde hij zelf aanvankelijk ook schilder worden. Als hij me probeerde uit te leggen hoe de sfeer van een lied naar zijn idee moest zijn, schoot hem onmiddellijk een heel arsenaal van beelden te hulp. Toen we aan L’Horizon chimérique werkten schilderde hij in een paar lapidaire zinnen de sfeer van oneindigheid en reislust die Fauré’s cyclus ademt. De slotfrase van het eerste lied: ‘Les goëlands perdus les prendront pour des leurs…’ zong ik te zuinig naar zijn smaak. ‘Goëlands,’ zei hij, ‘dat zijn gooilanders. Dat zijn niet van die kleine Hollandse meeuwtjes. Joekels zijn dat, oceaanvogels, die wieken op de storm. Heb je die wel eens gezien?’
Kruysen de piraat aan het woord. Door de tekst met zijn eigen ervaring in te vullen bracht hij hem dichterbij.
Die eigenheid hoor je op willekeurig welke plaat van hem. Nooit klinkt er een keurig geplaatste zangstem die alleen zichzelf heeft mee te delen. Bij Bernard Kruysen is de stem volledig dienstbaar aan de expressie. Wat niet wil zeggen dat hij een domme zanger is die over de fijne details heen walst en met het schuim op de lippen zijn diepste emoties blootlegt. Integendeel. Een fijner uitgewogen en preciezere weergave van de hoogtepunten uit het werk van Debussy en consorten dan die van Kruysen is moeilijk voorstelbaar. Adeldom en poëtisch raffinement staan stralend in zijn blazoen, maar die worden nooit – en daar gaat het om – zuiver cerebraal. Elke noot blijft stevig verankerd in het lichaam en de hele mens resoneert letterlijk en figuurlijk mee.
Een nadeel van deze alles-of-niets-mentaliteit is dat hij soms te laag intoneert. De stuwkracht van zijn duikerslongen is fenomenaal. Maar er is veel ballast mee te nemen en de stem wordt moe die steeds op de gewenste hoogte te houden. Zij die koud blijven onder Kruysens kunst vinden deze tekortkoming onvergeeflijk. Zijn bewonderaars verdragen haar met iets wat bijna vertedering is.


De tijd heeft natuurlijk wel het een en ander veranderd. In zijn beginperiode was Kruysen een typische lyrische bariton op zijn Frans: hoog, elegant, licht van kleur. Zelf zegt hij daarover: ‘Ik vond me op m’n vroegere plaatopnamen altijd zo’n lulletje rozenwater.’
Latere jaren hebben zijn stem sterk verdonkerd. Hij heeft zich Caruso als – voor een bariton ongebruikelijk – voorbeeld gekozen en steeds gezocht naar een brede, donkere toon die ook in de hoogte mannelijk blijft. Het resultaat daarvan is te horen op zijn recente platen: een kernachtig geluid dat weliswaar heeft ingeboet aan souplesse en verfijning in literair-artistieke zin, maar de weelde biedt van een rijpe en sonore uitdrukkingskracht. Een weelde die, zoals elke overdaad, op den duur de luisteraar wel eens kan vermoeien.
Zelf lijkt hij niet zoveel te geven om zijn sterkste kanten, om wat hem beroemd heeft gemaakt. Hij sprak tijdens zijn lessen eigenlijk alleen over operazangers en scheen het te betreuren zelf nooit een heldenbariton te zijn geworden. Een fors geluid etaleren en imponeren op puur vocale gronden, dat is wat hij het liefste wil. Juist misschien ómdat al het andere bij hem zo vanzelf komt.
Zijn verhalen zijn doorspekt met wapenfeiten op dit gebied. Zo vertelde hij me van een Matthäus waarin hij de Christus zong en Wout Oosterkamp de bas-aria’s.
‘Daar kwam Oosterkamp, die had net resonans gestudeerd bij Theresa Berganza in Spanje… man, dat klonk! Ik dacht, ik kan wel inpakken.’
Kruysen kromp ineen met een uitdrukking van diepe verslagenheid.
‘Maar wat doet-ie? Hij zingt de hele partij met zo’n verfijnd baroktoontje. En ik zet daar een Christus neer…’
Zijn stem daalde een terts en begon te schallen.
‘…met een brede, forse toon, daar hadden ze niet van terug. Ha!’
Bij zo’n verhaal keek hij me een beetje schuins en slim aan, de wat gele ogen vol spot over zo’n stommiteit.
Want Kruysen houdt niet van gekwezel, en voor de femelige koketterie van de nieuwe castraten heeft hij evenmin begrip als voor punks met hanekam. Het liefst trok hij zijn Luger! Zijn eigen zingen is altijd compromisloos. In de praktijk komt dat er bijvoorbeeld op neer dat hij de hele Dichterliebe in de oorspronkelijke tenorligging heeft opgenomen. Na de opnamesessies was hij een week van stem af, maar daar maalde hij niet om. Alleen kleinburgelijke zangers sparen hun stem voor de oude dag. Vaak was hij schor tijdens onze lessen, en excuseerde zich voor de barsten in zijn stem: ‘Gisteren een Paulus gezongen… ik heb me helemáál gegeven… En daarna die airco in de auto... Afijn, zing jij maar! Ik kan het vandaag niet voordoen.’ Wat hij vervolgens toch deed natuurlijk, krakerig maar evengoed prachtig. Want: elke prestatie moet maximaal zijn en zich ontzien betekent half werk afleveren. Au fond een houding van artistieke integriteit die me in de zangerswereld als bijzonder en inspirerend heeft getroffen.

Diezelfde integriteit maakt hem minder geschikt voor een carrière in conventionele zin. Over roem heeft Kruysen nooit te klagen gehad. Al in 1961 kreeg hij voor zijn opname van liederen van Debussy de Grand Prix du Disque. Een zeer uitzonderlijk feit, een Hollandse bariton die op Frans grondgebied gelauwerd wordt door een commissie waarin onder meer Darius Milhaud, François Mauriac en Jean Cocteau zitting hadden. Daarna kregen ze er slag van en gaven ze hem de prijs nòg vier keer. Hij geldt dan ook in Frankrijk zo goed als in Nederland als toonaangevend op het gebied van het Franse liedrepertoire. Over de grens is hij bovendien minstens zo beroemd om zijn vertolking van het Duitse repertoire; in Nederland, land van de hokjesgeest, is het natuurlijk onmogelijk dat iemand in verschillende stijlen even goed thuis is. Kruysen zal hier tot in de eeuwigheid ‘de zanger van het Franse lied’ blijven, tot zijn grote wrevel. Een terechte wrevel overigens, zoals iedereen die zich verbaasd heeft over zijn adembenemende colloratuurtechniek in de cantates van Bach of gegrepen is door zijn Winterreise zal toegeven.
Over roem gesproken: Kruysen voerde de liederen van Poulenc uit met de componist zelf aan de vleugel. Zo trad hij in het voetspoor van zijn leraar, de legendarische Pierre Bernac. Meer nog dan zijn Franse evenknie Gérard Souzay werd hij daarmee in feite diens opvolger. Ook buiten Europa is hij een gevierd interpreet van vocale kamermuziek. Hij kreeg wereldwijd juichende recensies, trad op alle belangrijke festivals op, maakte zo’n 60 (!) LP’s voor Duitse en Franse maatschappijen, - kortom, bereikte alle roem die je je als musicus maar kunt wensen.

Toch klaagt hij vaak over gebrek aan erkenning. Het zit hem dwars dat hij overvleugeld wordt door jonge baritons; dat – o gotspe!- zij speciaal een lesje bij hem komen halen om concerten voor te bereiden die tot zijn eigen territorium behoren en waarvoor men hem natuurlijk had moeten vragen. Zijn platenmaatschappij boort hem royalties door de neus via trucjes met sub-labels; zijn impresario schuift protégés naar voren, ten koste van hem. Her en der wordt hij gepasseerd.
Nu is het een gevleugeld woord dat je van de liedkunst niet rijk wordt. Het grote geld zit in de operabusiness, een fatsoenlijk burgermansloon in het oratorium. Maar voor iemand met Kruysens staat van dienst zou financieel succes toch voor de hand moeten liggen.
De waarheid is dat Kruysen door dezelfde kwaliteiten die hem tot zo’n rasartiest maken een slecht zakenman is. Het ontbreekt hem ten enen male aan planning, orde en koele berekening. Ooit zocht hij na de les vruchteloos naar het honorarium dat hij de vorige avond had ontvangen: hij wist toch zeker dat hij het in zijn rokkostuum had gestopt, maar de zakken daarvan gaven slechts gebruikte tissues, verkleefde dropjes en een enkel aspirientje prijs. Hij zou verpauperd en vergeten kunnen sterven, deze grote zanger, als de Nederlandse maatschappij niet zo prettig onartistiek was ingericht. Want onze wereld zorgt wel voor haar armen maar gedenkt haar groten niet, tenzij die van zichzelf een BV maken en hardnekkig hun aanwezigheid blijven rondbazuinen, net zo lang tot niemand daar meer omheen kan.
Hoewel ik vermoed dat de helft van Kruysens lamentaties over verwaarlozing en geldgebrek overdreven zijn, een melodramatische bohémienpose, staat vast dat hij geen Marco Bakker is. Toch is hij zowel een beter zanger als een beter sportman. De schaduwzijden van wereldvreemdheid zijn duidelijk.


Tot slot laat ik Bernard Kruysen zelf aan het woord.
We behandelden het eerste lied van Don Quichotte à Dulcinée van Ravel, het lied waarin Don Quichote zegt wat hij allemaal voor zijn aanbeden Dulcinée wil doen. Ik had het een keer helemaal uitgezongen. Nog wat ongeïnspireerd: het uur was vroeg, het Haagse verkeer buiten was lawaaierig, het pedaal van de aftandse vleugel klonk hinderlijk ongeölied. Kruysen had wat ongedurig heen en weer gelopen tijdens mijn poging.
‘Nou ja. De noten zijn er, hè? Die zijn er vaak niet. Alleen… je moet gek worden, hè? Je bent Don Quichote. Het is te nuchter, hè? Die man gelooft, gelooft op zo’n danige wijze dat die vrouw een koningin voor hem wordt, terwijl het een sletje is… hè, die door de boerenknecht gepakt wordt, hè, maar hij ziet haar… godin. En, het is me wat om tegen een vrouw te zeggen: je hoeft maar te zeggen dat de boel je hier verveelt en dan laat ik de aarde stilstaan, of de zon, of wat ook. Ik kan het allemaal. Dan moet je goed gek zijn. Je moet volledig geloven, vollédig d’r achter staan. ’t Is geen kilo patat wat je aanbiedt; want dan kun je ’t natuurlijk zo zingen: ik geef je dit, ik geef je dat. Hè? Maar dit zijn onmogelijke dingen, dingen die niet kunnen. Dus dat moet uit je stralen. Alsof je een god bent die dat wél voor haar kan doen. Het moet dromerig klinken, terwijl het Don Quichote is die een windmolen te pletter slaat, zo’n reus, hè? Dat zijn onmogelijke dingen. Dus je moet goed gek zijn. Na, probeer ’t nog een keer.’


('Je moet goed gek zijn', Faun, april 1986)



[Naschrift: Nu ik dit teruglees valt me op dat het geschetste portret wel erg door mijn bewondering is ingekleurd. Ik zag in de veel oudere Kruysen een man die in harmonie met zichzelf leefde, een sterk en gelukkig mens. Aan drank had hij bijvoorbeeld geen behoefte. Toen ik hem ooit vertelde dat mijn vader (die hij van de opera kende) wel van een slok hield, vroeg hij verbaasd: 'Waarom? Is hij niet gelukkig dan?' Over de afstand van bijna dertig jaar heen terugkijkend vraag ik me af of hij niet ook veel onzekerheid en eenzaamheid in zich verborg. Hij zocht duidelijk voortdurend naar bevestiging en bewondering, en die lessen duurden toch niet voor niets een hele middag? Maar misschien is dat denkbeeld wel weer ingegeven door mijn eigen huidige status. Kan een mens een ander mens ooit helemaal begrijpen? Een retorische vraag.]

dinsdag 26 maart 2013

DE WIND DER VERANDERING


Hoe vaak ik ook ‘koest!’ riep, het windbeest was niet van plan te gaan liggen. Maar ik begon al een beetje aan het lichaamloze gedrocht te wennen. ’s Middags had ik het recht in de ogen gekeken. We stonden op de dijk bij Edam, waar een bizar oeverlandschap van aangeblazen ijs was ontstaan dat basaltblokken en rietpluimen tot kristallen sculpturen had omgetoverd. Onder mijn ijsmuts gloeiden mijn wangen, mijn broekspijpen werden langs mijn scheenbeen strak naar achteren getrokken.
De dag stierf in matte kleuren. Op de rumoerige hooizolder ’s avonds zagen we hoe licht de hemel was. De maan was al bijna vol.
Ik trok mijn dubbele dekbed op tot onder mijn neus en zei omfloersd dat het einde der tijden wel nabij moest zijn. Deze storm kondigde de Apocalyps aan. We lagen allebei te luisteren. Slaap hadden we nog niet. We begonnen een klein, rustig gesprek over grote thema’s. De toestand van de wereld. De wenselijkheid van een wereldregering zoals die in sciencefictionboeken bestaat. Verder nog waagden onze woorden zich, diep het heelal in. Mijn vriendin vertelde iets over de oerknal. Daar wist ik van mee te praten. Ik had dat nieuwsitem ook gezien en er zelfs een soort gedichtje over geschreven, dat ik in de marge van een huis-aan-huisblad had genoteerd.

De oerknal
is in beeld gebracht.
Het was op het achtuurjournaal.
Een wetenschapper legde uit
dat wij maar vier procent
van deze wereld kennen.
De rest is zwarte energie
en donkere materie.
Onverwacht
kreeg ik een warm gevoel:
alsof er toch een god bestond.
Met zoveel onbegrepen duisternis
om zich in te verbergen
kan dat best.


Mijn vriendin zei dat het haar tegen was gevallen. Dat ze er niet veel aan vond. Hoe heette die hoogleraar ook weer van die fraude? Huub Stapel? Zou hier ook niet mee geknoeid zijn? Die oerknal zag er volgens haar veel te ordelijk uit op die computersimulatie. Dat kon toch nooit kloppen? In elk geval had het als spectaculair gepresenteerde nieuws haar koud gelaten. Ik moest daar even over nadenken. Hoe kon zoiets kosmisch je koud laten? Toen besloot ik dat we allebei op onze eigen manier, ik met mijn gedicht en zij met haar schouderophalen, uiting gaven aan hetzelfde gevoel: dit was te groot voor ons begrip.
De volgende morgen hadden we yoga. Tijdens de meditatie leek het stiller te worden, buiten, hoewel de boomtakken nog net zo heen en weer zwaaiden. Na afloop vouwden we onze matjes op en maakten nog een praatje. De yogajuf zei dat deze storm alles schoonblies. Het was de wind der verandering, die een nieuw tijdperk inluidde. Wij moesten ons openstellen en er klaar voor zijn. ‘En wij moeten meewaaien, meewaaien…’ zei ze zangerig. Plotseling lachte ze. Haar ernstige ogen werden ondeugend. Ze fladderde meisjesachtig met haar armen. Even vloog mijn ziel ondanks haar zware ballast op.


(Illustratie uit 'Heer Bommel en de wind der verandering', Marten Toonder 1975)

zondag 24 maart 2013

BEEST


Voor mijn zevenenvijftigste verjaardag kreeg ik van mijn dochter een nieuw portret. U ziet het hierboven. Het vorige is gemaakt toen ik tweeënvijftig was en de wat bolle kop van iemand die flink in de wijn hapt was aan een update toe. De nieuwe Rookzanger toont een ascetischer versie van mezelf. De krachtige lineatuur van pen, penseel en Oost-Indische inkt versterkt die indruk.
Het is een kracht waarin ik mezelf op dit moment niet erg kan herkennen, helaas. Mijn gevoeligheid voor het weer is de regelmatige lezer van deze kolommen wel bekend. Misschien kan een empatische volger zich voorstellen hoe ik me bij de huidige, extreme omstandigheden voel. Maartangst? Laat dat 'maart' maar gerust weg. Toen die poolwind maar bleef waaien werd wat eerst nog een gevoel van ongemakkelijkheid was langzaam bijgevijld tot een aan paniek grenzende spanning. Was mijn oma maar geen zenuwpatiënte geweest, zoals dat toen werd genoemd: het is allemaal genetisch bepaald, moet u weten. Mijn oma moest van haar zenuwarts, de bekende paragnost Croiset, elke dag in de namiddag een paar borrels nemen, en ze kreeg tevens het advies om te gaan roken. Inderdaad zijn er foto's waarop ze, zichtbaar onwennig, een sigaret in haar hand heeft. Noch het roken, noch de alcohol sloeg aan. Het bleef bij een gril. Zenuwlijder zou ze haar hele leven blijven.
Waar is de arts die mij borrel en tabak voorschrijft? Ik moest het zaterdag, toen mijn yogaoefeningen niet meer baatten en ik er niettemin op uit moest om in Zaandam een concert bij te wonen, doen met wat kleuterpilletjes van Valdispert. Mijn echte grotemensenpillen, bestemd voor noodgevallen, waren al een tijdje op. Ik had in een vlaag van overmoed besloten dat ik die niet meer hoefde bijbestellen. Het ging immers zo goed? Nu betreurde ik dat onzinnige besluit, dat van weinig zelfkennis blijk gaf.
Enfin, ik redde het concert met een beetje hulp en was er heimelijk trots op dat ik ook dit evenement weer niet had hoeven afzeggen, zoals ik vroeger, in mijn dranktijd, bij talloze gelegenheden verstek had moeten laten gaan.
Bij mijn vriendin gierde de wind om het dijkhuis. De sloot was stijf bevroren. Op de hooizolder zette ze de elektrische deken op drie en drapeerde extra dekens op het bed, dat er uit begon te zien als de gezinsslaapplaats in een yurt.
We kropen tegen elkaar aan. Lepeltje lepeltje. Toch duurde het lang voor ik me enigszins behaaglijk begon te voelen. Want daarbuiten, veel te dichtbij, raasde de storm als een wild beest. Het vloog klapwiekend op en dook bloeddorstig neer, keer op keer, scheerde rakelings langs het arme dak van ons schulpje of beukte er vol tegenaan. Alles piepte, rammelde, knarste en floot. Storm in november kan gezellig zijn, vooral als het regent en het vuur knettert in de houtkachel. Maar nu, in deze zogenaamde lente, vind ik het alleen maar unheimisch. 'Het is net als met mensen die te vroeg dood gaan,' zei mijn vriendin. 'Dat is erger, omdat het niet hoort.'


(Illustratie door Rosanne van Spaendonck. Ter gelegenheid van het driehonderdste stukje op dit blog heeft ze ook de opmaak maar eens verfrist)