vrijdag 14 december 2012

STEDELIJK

Omdat F. nog het een en ander wil zien voor het niet meer kan gingen we samen naar het eindelijk heropende Stedelijk. Voor ons in de kunsttempel te begeven bezochten we het restaurant. Een gerant leidde ons naar onze plaats. Dat gaf hoop. Het broodje vitello tonnato dat we vervolgens bestelden sloeg die hoop meteen morsdood. Op een taai pistoletje lagen een paar plakjes kalfsfricandeau, het slablad eronder moest er massa aan geven. Een veegje naar tonijn smakende mayonaise met een paar te zoute kappertjes erop: negen euro en vijftig cent. Ik weet dat je zo niet mag rekenen, maar ik doe het toch: dat is negentien oude Hollandsche Florijnen! Als dat maar niet representatief is voor het hele museum, kon ik niet nalaten te denken.
We betraden de eerste zaal, met werken van rond de vorige eeuwwisseling. Ik zag een Ensor, een vroegere favoriet van mij, niet een van zijn beste trouwens.
‘Dat lijkt wel een kindertekening!’ flapte F. eruit.
De beschaafde kunstgenieters om ons heen keken even minzaam glimlachend op van hun brochures. Wij bleven enige tijd staan voor Breitners schilderij van de Dam. Een voorbij tijdperk doemde op uit het donkere doek. Veel mooier zou het niet worden, dacht ik stiekem. We genoten glimlachend van een paar oude favorieten. The Beanery van Kienholz, waar de glazen die voor de klokhoofden op de bar stonden nog hetzelfde niveau hadden, geen slokje was ervan genomen, hier had de tijd meer dan ooit stil gestaan. De vrolijke wandschilderingen van Appel. De warme doeken van De Kooning. We verbaasden ons over de sympathieke knulligheid van de Mondriaans, en mijmerden over de discrepantie tussen de huidige impact van die simpele lijntjes en vlakken en hun in geld omgezette historische betekenis.
F. had graag nog eens Who’s Afraid of Red Yellow and Blue III gezien, maar uitgerekend dat bleek in depot, terwijl er nu toch ruimte genoeg is. Als pleister op de wonde waren er andere reusachtige kleurvlakken van Newman’s navolgers, maar dat was niet hetzelfde, daar kleefde de Goldreyer-affaire niet aan.
Naarmate we onze eigen tijd naderden werd het ons steeds vreemder te moede. Zelfs F., die altijd al het hart op de tong heeft en zich zeker nu geen blad voor de mond neemt (‘Ik heb kanker, ik mag kankeren!’) zweeg verbouwereerd.
We zagen een lege zaal waarvan twee muren gedeeltelijk zwart waren geverfd; een monsterlijk groot luchtkussen met spikkeltjes; een opgeblazen kitschfoto van een toekan; een perspex kist die eruit zag of hij van binnen beslagen was; en, voor mij het hoogtepunt, de glazen tuindeuren van een doorzonwoning, waarachter een tuintje van plastic vegetatie was aangelegd. Waarom toch, waartoe? Allemaal dingen die je nooit in je huis zou willen neerzetten, gesteld dat je over de ruimte beschikte om het oppervlak van een gemiddelde gezinswoning te vullen met één enkel kunstwerkje. Dingen van een dergelijk meeslepend formaat dat ze niet eens in een galerie zouden passen. Het was duidelijk dat we hier te maken hadden met een decadent verschijnsel, iets wat ik bij gebrek aan beter metakunst of museumkunst noem. Installaties en monstruosa die de artiest in het museum mag realiseren. Daarmee is een museum geen collectioneur meer van bestaande kunst die zichzelf al bewezen heeft, en waaruit met zorg het beste gekozen wordt, maar verheft het zichzelf tot kunst. En op grond van welke verdiensten mogen de makers van deze zaalvullende nonsens aan de slag? Vermoedelijk omdat ze de juiste mensen kennen, de juiste brillen en pakken dragen, precies de goede babbel hebben en de door jaren lobbyen verkregen sleutelpositie hebben verworven om voor ons te bepalen wat belangrijke kunst is (namelijk de hunne). Naar geld smakende ijdeltuiterij, intellectueel divertissement voor een bevoorrechte bovenlaag, dat is het en meer niet, als u het mij vraagt, en dan graaft dat intellect nog niet eens al te diep. Het gedachtegoed dat veel goed zou moeten maken van wat het beeld ontbeert blijft meestal steken in platitudes over de perceptie van de werkelijkheid. Wat kunst ook moge zijn, iets wezenlijks moet het toch bezitten, zou je denken, iets dat raakt en roert. Het enige dat hier geraakt wordt is de hoofdstedelijke portemonnee, en geroerd wordt slechts de mond. Blabla. Blablabla.
Terwijl we het museum verlieten zei F.: ‘Van mij mogen ze die badkuip er weer afslopen en zichzelf opheffen. Ze geven die paar echt mooie dingen aan het Van Gogh, verzinnen een nieuwe bestemming voor het oude gebouw, schuren de latex van de Gamma eraf, en het geld dat de gemeente jaarlijks overhoudt steken ze in beter kunstonderwijs.’
Thuis was mijn dochter bezig de kerstboom op te tuigen. De rode en gouden ballen en slingers fonkelden in de elektrische lichtjes, het dennengroen glansde alsof het van kunststof was. Het was prachtig. Als ik de juiste mensen zou kennen, de juiste bril zou dragen en precies de goede babbel zou hebben, kon het zò in het Stedelijk.

dinsdag 11 december 2012

NATTE VOETEN

De eerste sneeuwval is me niet goed bekomen. En dat is mijn eigen schuld. Het was weer het oude liedje, ik had me er te veel van voorgesteld. Ik wil daar toch eens een paar gedachten aan wijden, want er is een patroon in te ontdekken dat misschien verhelderend is. Voor mijzelf in de eerste plaats, maar misschien bent u wel net zo onvolwassen als ik.
Ik verheug me niet zo vaak meer op evenementen. Niet uit cynisme, maar noodgedwongen. Als je niet meer drinkt zijn feesten en partijen lang niet meer zo leuk, moet u weten. Het vooruitzicht eens helemaal los te komen van je alledaagse werkelijkheid en misschien in een mooiere terecht te komen maakte ze vroeger onweerstaanbaar. Nu zie ik er eerder tegenop. Ik ben uit mijn doen op een feest, ik ben geen groepsmens. Een socialere alter ego nam altijd de honneurs voor me waar, eentje die zich moed indronk en daar erg van hield, en juist die afsplitsing van mijn persoon heb ik ergens in de bossen van Limburg ten grave gedragen.
Nee, dan het onderschatte ‘gewone doen’. Dagen zonder bijzonderheden, zonder grote vreugde en opwinding maar ook zonder ziekte, zonder speciale treurigheid, zonder twijfel of angst die aan je knagen, soepele dagen van werk en regelmaat waarop de omgang met je medemens vanzelfsprekend is, in het voorbijgaan als het ware: je loopt samen ergens naar toe, bent samen iets aan het doen, en het contact is als een werkoverleg in de wandelgangen: je gaat er niet voor zitten, hoeft het niet te forceren, het ontstaat gewoon, als een bijproduct van je bezigheden.
Aan het eind van zulke gewone dagen vul je de lauwe leegte van je hoofd nog even met andermans woorden en fantasieën voor je het leeslampje uitknipt en tevreden gaat slapen. Maar hoe gewoon zijn ze precies, die dagen? Hoe vaak komen ze eigenlijk voor? Het gaat er net zo mee als met het moeizame begrip ‘geluk’: je merkt pas dat je het gekend hebt als het voorbij is.
Maar ik dwaal af. Ik wilde zeggen dat ik het heb afgeleerd om me te verheugen. Het grootste plezier van alles is de voorpret, en die ken ik nauwelijks meer. Deels uit het groeiende besef dat ik beter af ben met de gewone dagen dan met de bijzondere, deels natuurlijk omdat ik een ouwe zak ben. Kleine dingetjes, ja (de eerste koffie en nicotine, elke dag), maar grote? Waar zou ik me op moeten verheugen? Zo leuk is het heus niet om ouder te worden, dat zult u toch met me eens zijn.

Zo was de situatie tot afgelopen donderdag. Maar toen kwamen de weersvoorspellingen. Er was een sneeuwstorm in de maak. We moesten ons voorbereiden op barre omstandigheden. En daar ging ik weer. Weerloos tegen een woest gevoel van verwachting. Het kind in me drong naar voren en duwde al mijn levenswijsheid en cynisme gretig opzij. In het verschiet lagen dagen van ontregeling, van vrijheid, van anarchie, waarop je plichten gerust mag verzaken en je met toestemming van de weergoden in je cocon mag terugtrekken om je tegen een sprookjesachtig decor aan je oudste dromen over te geven; of waarop je zorgeloos op straat loopt en met voorbijgangers (lotgenoten!) je verwondering deelt over de vreemde wereld waarin we nu weer terecht zijn gekomen: die gedachte was te verleidelijk.
Voor ik ging slapen trok ik al een paar keer het gordijn opzij om te kijken of het al begonnen was, maar nee, het was nog te vroeg. Ergens tijdens mijn slaap zou het wonder zich voltrekken.
De volgende morgen was ik licht teleurgesteld dat de straten al modderig belopen waren en dat de sneeuw natter was dan beloofd. Maar dit was nog maar het begin, het zou de hele dag blijven sneeuwen.
Ik had me voorgesteld in Wildschut te gaan zitten om zonder haast naar het winterse panorama te kijken, terwijl ik de kranten las en hete koffie dronk of misschien zelfs chocolademelk, en daarna een eind te gaan wandelen. Maar al terwijl ik naar mijn stamcafé toe liep merkte ik dat mijn bergschoenen het droge seizoen niet goed waren doorgekomen. Een barst in de zool. Ik zat aan de leestafel en wreef mijn koude tenen langs elkaar om ze droog te krijgen. Ik had geen geduld voor de krant. Al snel ging ik terug naar huis om van schoeisel te wisselen. Mijn goeie schoenen kon ik aan die witte blubber niet toevertrouwen, gympies dan maar. Ik ging voor de tweede keer de straat op. IJswater drong door de poreuze stof langs de naden. Halverwege gaf ik het op en keerde om.
Binnen deed ik opnieuw verse sokken aan. Mismoedig keek ik uit het raam. De vlokken waren al kleiner en schaarser aan het worden.

vrijdag 7 december 2012

LIJM

Ik had graag de eerste sneeuwval bewust meegemaakt, maar ik werd in beslag genomen door een aanval van scheppingsdrift. Op het net had ik een gedicht van een Italiaanse amateurpoëet gevonden dat me plotseling inspireerde tot een lied. Tot diep in de nacht putte ik dorstig uit de bron van mijn inspiratie. Wat daaruit tevoorschijn komt is lang niet altijd bruikbaar. Rare akkoorden en kromme wijsjes vormen de bijvangst van die ene mooie structuur. Het is aan de nuchtere artifex in me om te schiften, te knippen en te plakken en zo nodig mooie glinsterende dingetjes meedogenloos terug te gooien in de donkere poel van waaruit ze opgedoken zijn.
Ergens in mijn ooghoeken zag ik de dwarrelende vlokjes wel, maar ik was te stevig aan mijn pianokruk vastgelijmd om op te staan, eens goed naar buiten te kijken en van dat feestelijke schouwspel te genieten.
De volgende morgen werd ik vroeg wakker van mijn dochter die zich klaarmaakte om naar haar stage te gaan. Ik wisselde een paar woorden en zei haar gedag en besloot nog even terug te gaan naar bed. Toen ik opnieuw wakker werd was dat van een indringend gemiauw voor mijn slaapkamerdeur. Ik wilde wel opstaan om de bakjes met Felix Senior Sensations te gaan vullen maar merkte dat ik aan mijn matras was vastgeplakt zoals eerder aan de pianokruk. Het gemiauw verdween huilend naar de achtergrond en ik zonk terug in een wereld waar ik eigenlijk helemaal niet wilde zijn.
In een gezellige woonkeuken zat de man bij wie ik laatst een huisconcert heb gegeven met zijn vrienden aan tafel. Maar direct om de hoek van de keuken strekte zich een enorme langwerpige eetzaal uit waarin tientallen mensen rumoerig aanzaten. Nadat ik net op tijd en met veel moeite mijn te krappe optreedblouse had dichtgeknoopt zette ik me in postuur tussen beide ruimtes, de woonkeuken en de eetzaal, in, zodat iedereen me zou kunnen horen. Ik stemde mijn gitaar. Even verderop zat een flamencogitarist, zijn vingers ratelden over de snaren. Ik durfde mijn instrument nauwelijks te beroeren, struikelde over mijn intro, en begon onvast aan mijn eerste lied. Niemand luisterde, de flamencogitarist speelde er gewoon doorheen.
Toen ik me eindelijk had weten te ontrukken aan mijn bed en de droom zo goed als ik kon had afgeschud liep ik, op weg naar de douche, toch nog even mijn werkkamer in om te kijken wat ik de vorige nacht allemaal had genoteerd.
Het was al tegen de middag toen ik mijn bestand sloot, me aankleedde en mezelf dwong naar buiten te gaan. Daar stelde ik tot mijn verbazing vast dat het een heldere, blauwe winterdag was, en dat de sneeuw op de daken en op de auto’s was blijven liggen. Ik schraapte een beetje van een voorruit af en wreef het uit over mijn verhitte voorhoofd.

dinsdag 4 december 2012

KANKER


Ik zat slaperig achter de piano en probeerde de preek te volgen. De pastor sprak over de dagen van Koning David, over het mythische rijk van vrede. Plotseling vond ik dat een vreemd woord, vrede. Het wordt in de eerste plaats gebruikt om het tegendeel van oorlog aan te duiden. In die zin leven wij in vrede. Maar alleen heel oude mensen zullen dat nog zo ervaren, de meesten zullen zeggen dat wij in onvrede leven. Hetzelfde globalisme dat onze enige hoop is om nog iets te redden van onze planeet is daar deels schuld aan: we zijn ons sinds de komst van wat vroeger massacommunicatie heette voortdurend bewust van de ellende elders. Internet heeft dat bewustzijn tot de pijngrens opgejaagd.
Mijn gedachten volgden een kronkelig spoor van associaties, het was nog vroeg moet u maar denken. Berggorilla’s, zo zag ik in een programma van David Attenborough, leven in vrede. Ze brengen hun dagen al luierend en vlooiend door, zich slechts zo nu en dan loom verplaatsend om een nieuwe malse boom te vinden. Maar dat is dan ook een bedreigde diersoort. Neefje bonobo, de boschimpansee, ook al niet erg succesvol, kent wel onvrede maar heeft daar iets op gevonden: iedere dreigende sociale spanning wordt onmiddellijk met snelle seks onschuldig gemaakt. De gewone chimpansee lijkt meer op ons, die voert stammenoorlogen en doodt zijn soortgenoten puur om het bevredigen van een ingeboren lust naar macht. Ook de mens heeft die expansiedrift in zijn genen, een voorwaarde voor succes maar tevens de kiem voor zelfdestructie. Ik dacht aan het door de mens bedachte concept ‘economie’. Deze uit de hand gelopen ruilhandel tussen autonome leefgemeenschappen leidde uiteindelijk tot een abstracte geldstroom die zijn eigen wetten is gaan dicteren. Economie moet alsmaar groeien, zeggen de geleerden. Waarom begrijp ik niet, daar ben ik vermoedelijk te dom voor. Ik hoorde een tijdje geleden iemand uit de groene sector zeggen: groei om de groei noem je kanker. En dat kon ik begrijpen.

***

De dag erop bevond ik me op de zevende verdieping van een van de torens van de VU. Ik vergezelde mijn vriend F. We luisterden naar de oncoloog, die de mogelijkheden van een experimenteel behandeltraject uit de doeken deed. Ze deed dat heel rustig, heel persoonlijk, en heel reëel. De wildgroei die kanker heet, leerden we, is door het immuunsysteem niet van gewone groei te onderscheiden: de cellen lijken te veel op elkaar. Chemotherapie lijkt op oorlogvoering. Het chemisch bombardement doodt woekercellen maar ook gezonde. Kostbaar DNA gaat verloren in de strijd. In het geval van F. was de kanker sterker dan de napalm. Dat bracht haar op de enige eufemistische frase waarop ik haar kon betrappen: zijn vooruitzichten waren door het falen van de chemo ‘wat somber’. Zelf had ik meer aan rampzalig, zwaar kloten of kut gedacht, maar misschien pasten die woorden niet in het vocabularium van een christelijk ziekenhuis. Over de experimentele therapie, die iets met eiwitten te maken had en voorzichtig veelbelovend leek op de lange duur, was ze duidelijker. F. moest zich daar niet te veel van voorstellen, en het was helemaal aan hem of hij de belasting die de intensieve deelname aan het onderzoek met zich meebracht en de lichamelijke ongemakken die het veroorzaakte vond opwegen tegen de mogelijke voordelen. Slechts vijf, hooguit tien procent van de proefkonijnen zou er misschien baat bij hebben, en dan liet ze nog in het midden of het in dat geval om genezing ging of om het vertragen dan wel stationair maken van de ziekte.
Ik zag F. opleven. Hij zei dat hij de angst voor de medische stand die hem altijd had gekweld helemaal kwijt was sinds de fatale diagnose begin dit jaar. Een dagje ziekenhuis, grapte hij, was een uitje. Autoritje, van alles te doen, kopje koffie na. En die bijwerkingen, ach, een beetje koorts en grieperigheid, als het erger niet was, daar viel wel mee te leven.
In het restaurant waar we na afloop nog wat dronken zei hij dat hij opgelucht was en weer een straaltje hoop had. Ik begreep dat heel goed, maar was tegelijkertijd verwonderd over de variabele maatstaven waarmee wij mensen ons levensgeluk meten. Hooguit tien procent! Wat mij als gezond persoon een inktzwarte prognose leek was voor hem, de zieke, een hoopvol scenario. De menselijke geest is lenig en taai, als het erop aan komt.

vrijdag 30 november 2012

CD-PRESENTATIE

Als je de Jan Evertsenstraat helemaal uitrijdt, diep de jungle van de Westelijke Tuinsteden in, kom je uiteindelijk bij The Colour Kitchen. In dat gebouw was vroeger een ambachtsschool gevestigd; ik kwam er elke dag langs als ik via de Sloterplas naar school fietste. Nu parkeerde ik langs diezelfde route mijn auto. Het schemerde. Ik huiverde door de natte kou terwijl ik met enige moeite de zware deur openduwde.
Binnen hoorde ik mijn eigen stem, mijn eigen muziek. Dat geeft me altijd een tweeslachtig gevoel: warm en welkom, maar ook wat ongemakkelijk en onvrij, alsof mijn persoonlijkheid vastgelegd en gestold is, en ik daar niet meer van af kan wijken.
Achterin de grote ruimte zag ik rond een tafel van blank hout, onder een hoog plafond van stalen buizen die aan het technische verleden van de ruimte herinnerden, de gezichten van de acteurs met wie ik lief en leed had gedeeld op de bühne en in het repetitielokaal. We begroetten elkaar hartelijk. Een kleine, glanzend zwarte jongen bracht me een ijskoude Fanta in een mooi flesje. Op tafel stonden mandjes met vers gefrituurde papaya- of guavechips en reepjes brood die smaakten als hartige cake. Even later werden er kroketjes rondgedeeld die gevuld waren met een rijke, geurige groentemousse, en iets wat er uitzag als viscanapeétjes, maar verrassend naar kruidnagel bleek te smaken.
Joch, de vierentachtigjarige actrice die zo mooi met de bijna uitgestorven, onvervalste Jordanese snik mijn lied In de oude stad had gezongen, nipte aan een jonge jenever. Ze bekeek glunderend haar eigen beeltenis op het schijfje dat zojuist was uitgedeeld. Fred Martin, penningmeester van het Tuinstadtheater en voorzitter van Stichting de Driehoek die de cd heeft uitgegeven, hield een sympathiek speechje waarin hij refereerde aan onze lange samenwerking. Ik knikte appreciërend. We praatten wat heen en weer over mogelijke vervolgvoorstellingen. Toen de cd voor de derde keer van voor af aan begon besloot ik dat het tijd was om te gaan; er is een grens aan mijn eigenliefde.
Buiten keek ik nog eens om naar het logo van The Colour Kitchen dat straalde op het zakelijke, wat sombere gebouw waarin vroeger machines hadden gedreund. Ik moest aan Rotterdam denken. In die stad heb je veel van die hippe horeca die bloeit op voormalige industriële locaties.
Ik startte de motor en tuurde door mijn beslagen voorruit naar de tegemoet komende lichten, wachtend op een kans om te keren. Mijn gedachten waren de wereld en dit stukje ervan in het bijzonder welgezind. Ik kauwde op de steel van mijn pijp en bromde: ‘Het wordt nog wel eens wat, dat Nieuw-West.’

(De cd 'Ze vroegen arbeid, er kwamen mensen' is hier te bestellen)

woensdag 28 november 2012

Lennaert Nijgh, 1945-2002

Vandaag tien jaar geleden werd ik gebeld door Anja Bak. ‘Als je Lennaert nog wilt zien, moet je snel zijn.’
Ik sprong in de auto en reed naar Haarlem. In het Kennemer Gasthuis ving Anja me op. ‘Je bent net te laat, hij is een kwartier geleden overleden.’ Ik wilde naar zijn sterfkamer gaan. Ze hield me met zachte drang tegen maar kon niet verhinderen dat ik op de gang een brancard zag die werd weggereden. Daarop lag een uitgemergeld wassen beeld. Aan de gouden zeemansoorring herkende ik onmiddellijk mijn vriend.
Even later zat ik met de andere intimi in een kamer. Ze leefden al een dag of langer met zijn onafwendbare dood, dus waren een stap verder dan ik. Het gesprek had een gedempte opgewektheid. Boudewijn vroeg me iets over inzingen, hoe deden klassieke zangers dat? Lennaerts drie ex-vrouwen zaten zusterlijk bijeen en praatten over praktische zaken. Astrid zuchtte af en toe, pinkte een traantje weg en baste: ‘Die goeie Len. Arme jongen.’ Een verre neef zat er zwijgend bij. Hij wist zich niet goed een houding te geven. Hij was de erfgenaam maar kende zijn familielid volgens mij nauwelijks.

Mijn vriendschap met de Haarlemse dichter was een merkwaardige. Als we elkaar ontmoetten was het of daar twee afgezanten van onze werkelijke persoonlijkheden zaten, elkaar aftastend en verlegen met de situatie. Ik werd gehinderd door de bewondering voor mijn jeugdheld. Op mijn best maakte ik mezelf groter dan ik was en speelde met bravoure de man van de wereld. Op mijn slechtst voelde ik me volkomen misplaatst in de bruine cafés waarvan Lennaert zijn huiskamer had gemaakt, een kleine jongen tussen zware mannen.
Een enkele keer nam hij me mee naar een restaurant, om zonder het laconieke commentaar van zijn meeluisterende kroegmaten van gedachten te wisselen. Maar ook dan was het gesprek moeizaam. Nijgh kon zich slecht uiten en was bovendien moeilijk te verstaan: ‘Geheimzinnige Ziekte aan de stembanden’. Veelbetekenende korte opmerkingen en expressieve kreetjes, daar moest ik het veelal mee doen. Vaak was alles Zwaar Kut. Waarom precies, dat zou hij me in zijn volgende brief wel uitleggen. Ondertussen dwaalde zijn blik afwezig door de ruimte. Soms keek hij me even oplettend aan, maar ook dan was het of hij eigenlijk met een ander praatte en ik het toevallige onderwerp van gesprek was, dat hij eens goed moest observeren.
Die ander was hijzelf. Nijgh was een verlegen man, een eenzame wolf, die in zijn hart niets liever wilde dan liefde, warmte en wederzijds begrip, maar niet bij machte was die levensbehoeften te vervullen. Daarbij zat hij vooral zichzelf in de weg, want als ras-romanticus legde hij de lat hoog. De norm waaraan het leven moest voldoen was ergens in een ver verleden vastgelegd. Van zijn jeugddromen kon en wilde hij geen afstand doen. Dus vertoefde het meest wezenlijke deel van hem elders, in een binnenwereld, onbereikbaar voor zijn tijdgenoten.
Echte gesprekken met Lennaert had ik alleen op papier. In zijn brieven kon hij gevoelens die onder vier ogen onbespreekbaar waren makkelijker uiten en was hij soms pijnlijk openhartig. Vermomd met ironie en zelfspot, dat wel, of, als hij in een literaire bui was, zwaar aangezet met archaïsche frasen. Prachtige brieven waren dat, die me beurtelings tot tranen roerden en deden schaterlachen.
Toen die brieven in de laatste jaren steeds korter en droger werden wist ik dat hij zich uiteindelijk geen illusies meer maakte. Zijn dromen waren op, net als zijn lichaam.

Om deze bijzondere man te gedenken neem ik hieronder integraal een brief van 31 januari 1994 op. Lennaert was toen net 49 geworden. Hij meende in die tijd een Nieuwe Liefde gevonden te hebben en het oude vuur laaide nog één keer in alle hevigheid in hem op, voor het allengs zou doven. Namen hoef ik niet onherkenbaar te maken, want dat deed Lennaert zelf altijd al, met epische pseudoniemen. Ook daarin kleurde hij de banale wereld met zijn eigen romantische fantasie.



Haarlem,
maandag 31 januari 1994
a/b Jonge Jacob

Amice,

Chambolle-Musigny. Een rode bourgogne uit 1972 met dat vermoeden van een frambozengeur, dat na blijft ijlen op je tong. Daar had ik van te voren mijn zinnen op gezet. De rest van het menu kon daar zonder al te veel moeite omheen worden gebouwd.
Volgens De Groot ben ik gek. Wie neemt er nu een dame met wie het toch niets zal worden mede naar De Bokkedoorns, een twee sterren-Alliance restaurant dat alleen maar leuk is als een ander het betaalt? Ik voel althans dat hij zoiets denkt, maar hij zegt het niet hardop. Hij kijkt wel uit. Ik ben er toch in geslaagd om hem een klein beetje op te voeden.
Nee, het valt niet uit te leggen. Ik zou Die Schöne Müllerin niet voor zoiets uitnodigen als ik niet wist dat het aan haar besteed was. Ik zou het ook niet doen als ik wist dat ze achterover zou vallen van een dergelijke invitatie. Dat ware immers een ijdel gebaar geweest, de vergeefse bluf waarmee het zoontje van een rijk geworden automobielverkoper probeert een mooi meisje plat te krijgen. Ik doe het en vraag me niet af waarom. Waarom nam ze me mee, een jaar geleden? Ik ben niet de man die ze zoekt, maar ik ben haar heel dierbaar, zegt ze. Ze heeft prachtige ogen als ze ernstig kijkt. Ze zou mijn dochter kunnen zijn.
In onze fantasie dansen we op een nevelige lente-ochtend een traag en vergeefs ballet door de lege zalen van een Italiaans palazzo, de camera rijdt mee en volgt de twee silhouetten die zich tegen het witte licht aftekenen als ze de hoge ramen voorbij glijden, des doodgravers beeldschone dochter en de dichter.
Ga dat maar eens uitleggen aan het morrend landvolk dat in onbegrip bijeen schuilt, gatkrabbend en over geld pratend.

Thuis, weer alleen. Een gevaarlijk moment, voor je het weet slaan zelfmedelijden en eenzaamheid toe.
Een bleek gezicht kijkt mij in de spiegel aan, met een lichte zweem van spot: Ludovic Praetorius.

Waarlijk, het wordt tijd. Die Winterreise wacht.

Met schrijversgroeten,

Lennaert Nijgh




Noot: Ludovic Praetorius is een personage uit Nijghs satirische sleutelroman ‘Tobia, of de ontdekking van het masturbariaat’ (Swan & Partners, 1971). In 1991 werd het boek door Conserve opnieuw uitgegeven in een (te) rigoureus herziene versie. Beide edities belandden al gauw bij De Slegte. Ludovic Pretorius was de enige figuur in de roman die niet gebaseerd was op een bestaand persoon; deze ironische en flegmatieke telg uit een oud patriciërsgeslacht vertegenwoordigde de 'verstandige' kant van Nijghs karakter.


dinsdag 27 november 2012

VOETSTUK

Het doet pijn als je een jeugdheld van zijn voetstuk ziet vallen. Liever dan in gruzelementen om je heen op de vloer, had je hem je hele leven daarboven op die piëdestal willen houden, versteend in een heroïsche houding.
Min zuster overkwam het afgelopen weekend. Ze las een stuk in de Volkskrant over de pas verschenen biografie van Jean Dulieu en had meteen spijt. Die aardige pijprokende meneer met zijn montere vlinderdasje bleek in werkelijkheid een onsympathieke zwakkeling te zijn, een neurotische dweper en een verbitterde driftkop. De in prachtige pasteltinten geschilderde wereld van Paulus de Boskabouter was voor haar na het lezen van dat ene artikel voorgoed besmeurd. In je jeugd lees je zonder enige argwaan, dus zo’n vlek komt hard aan, die poets je nooit meer weg.
Mij deed het van zijn sokkel donderen van Jan van Oort, zoals hij in het echt heette, gek genoeg niet zo veel, hoewel zijn magnum opus Paulus en de eikelmannetjes toch zowat het summum van jeugdsentiment was, ik verdween in dat boek. Misschien komt dat doordat Dulieu’s boeken toch echt kinderboeken zijn; en illusies over mijn kindertijd heb ik allang niet meer.
Moeilijker had ik het met de menswording van Marten Toonder, maar die ging gelukkig geleidelijk. Stukje bij beetje leerde ik in de loop van mijn volwassen leven dat de bouwmeester van de Bommelwereld minder prettige kanten had, dat hij lang niet alles zelf tekende en schreef, en dat hij bepaald niet de milde en wijze oude meester was, de alwetende en alles kunnende opa, waarvoor ik hem gehouden had. Toch was ik nog behoorlijk ontdaan toen ik de briefwisseling tussen Toonder en Dick Matena las en meer dan een glimp kreeg in het maar al te menselijke, tekortschietende brein van de mijn voormalige held.
Nee, van jeugdhelden kun je maar beter niet te veel te weten komen.
Met idolen die je op latere leeftijd leert kennen gaat het heel anders. Waarom?Misschien omdat je als volwassene al een gezonde dosis scepsis hebt en iemands werk niet werktuigelijk met zijn persoon vereenzelvigt. Ik ben pas laat een Maigretlezer geworden. En toen ik zo verslingerd raakte aan die boekjes dat ik de auteur erachter wilde ontmoeten was ik eerder gefascineerd dan teleurgesteld toen ik een heel merkwaardige man leerde kennen, een erotomanische sfinx, een overkokend vat vol tegenstellingen, een door en door egocentrische man met een groot hart. Ik kon niet genoeg over hem lezen, en hoewel hij me niet sympathiek was werd hij me dierbaar: de wereld was rijker geworden doordat Simenon erop rond gelopen had.
Dat ook hij me teleur kon stellen had ik niet verwacht. En toch gebeurde het, bij het lezen van Maigret in New York. Dat boek viel zo uit de toon bij de rest dat ik iets moest wegslikken. Het was jolig, melig en breedsprakig. Niets van de korzelige, in zijn eenvoud suggestieve no nonsense-stijl die de Maigrets zo goed maakt. Bij de herlezing, een tijdje geleden, kreeg ik opeens argwaan. Zou soms de vertaler schuldig zijn aan deze leutigheid? Ik kon me eigenlijk niet voorstellen dat Simenon voor één boek de kneuterige toon van de jaren vijftig had overgenomen. Ik keek voorin. ‘Vertaling Dick Bruna’, stond er. Aha! De tekenaar van Nijntje had prachtige omslagen voor de reeks Maigrets ontworpen. Zou hij soms ook eens zijn hand op een vertaling hebben willen proberen, en door zijn vader, de uitgever van de serie, in staat zijn gesteld iets te doen waartoe hij eigenlijk niet capabel was? Zou hij het boek brutaalweg hebben herschreven in de stijl van de toen populaire Havank? Simenon hebben opgeleukt?
In een antiquariaat vond ik het Franse origineel, Maigret à New York. Ik kon niet wachten om mijn vermoeden te verifiëren. Thuis zocht ik een willekeurige passage die me had geërgerd op en vergeleek die met het oorspronkelijke Frans. Eerst laat ik u gruwen van de versie van Dick Bruna:

‘En toen begon hij weer te knipogen wat Maigret zo’n smeuiïge uitdrukking deed produceren, waarvan wij zouden zeggen dat er geen woord Frans bij is, maar dat zullen ze in Parijs wel anders noemen. Griesmeelpudding grijnsde zoet-zuur.’

En wat staat er in het Frans?
Welnu: helemaal niets. De hele passage is erbij verzonnen, inclusief dat jolige bijnaampje ‘griesmeelpudding’, dat tot kotsens toe verwijst naar een dikke New Yorkse inspecteur.
En als, op dezelfde bladzij, Bruna schrijft: ‘Op dat moment begon de griesmeelpudding weer te glunderen en blies Maigret een donderwolk’, noteert Simenon eenvoudig: ‘Maigret grommela en allumant sa pipe: Non.
‘Nee, bromde Maigret terwijl hij zijn pijp aanstak.'
Zo ken ik Simenon weer. Helden mogen wat mij betreft best van hun voetstuk vallen, maar vertalers mogen hen daar niet bij helpen.


(Morgen leest u, ter gelegenheid van zijn tienjarige sterfdag, iets over een andere jeugdheld van mij, Lennaert Nijgh)