maandag 10 januari 2011

IEREN

Vier Ieren komen in trage dronken processie de pijpenla binnen. Ze lopen alsof ze door een Iers weiland kuieren. Alle tijd van de wereld. Het is ook pas drie uur ’s middags. De voorste heeft een rood gezwollen gezicht, waterige ogen, een enorme buik, en een forse hangpijp, die hij losjes, middenvoor in zijn mond, tussen zijn lippen vasthoudt alsof het ding niks weegt. De geur van met rum gesausde tabak verspreidt zich. Hij geeft me een hand. ‘Good day sir, how are you?’ De mannen willen hun boerse drinkgelag in deze nieuwe huiskamer voortzetten. Maar de eigenares vindt ze al te ver heen. Even later lopen ze goedmoedig maar onverrichter zake naar de uitgang. Weer een hand: ‘There we meet again, sir…’ Een voorjaarsregentje begint te vallen. Ik zie ze de Warmoesstraat in verdwijnen met een plotselinge weemoed. Zet mij met een Ier in de kroeg en het gaat gegarandeerd mis. Dat ‘serieuze’ drinken dat voor mij nog iets onwenselijks heeft en, hoe vaak het ook voorkomt, toch een betreurenswaardige uitzonderlijkheid bezit, is voor een Ier heel gewoon. Hij accepteert zijn tekortkomingen en hij accepteert zijn katers met dezelfde melancholische gelijkmoedigheid. Mijn eerste Ierse ontsporing was op een zondag, lang geleden. De kinderen waren nog klein. Het was na het eten en ik had een aanval van ongedurigheid. Ik kon nog geen afscheid nemen van het weekend. Ik ging een eindje om. In een achterafstraatje in de Pijp vond ik een klein kroegje met een uithangbord waarop een glas Guinness was afgebeeld. The Dubliner. Alle ramen waren verduisterd, maar onder de saloondeuren door piepte licht. Ik ging naar binnen en kwam in een soort chaotische huiskamer. Er zaten twee andere mannen aan de bar, waarachter een bijna tandeloze kabouter stond met een bierbuik en een enorme rode baard. Ze stelden zich voor, vroegen wie ik was en wat ik deed, alsof we reizigers waren, op elkaar aangewezen in een gat in het achterland, in plaats van inwoners van de anonieme stad Amsterdam. Toen ze hoorden dat ik zong werd er een gitaar gehaald. Ik excuseerde me, ik had geen Ierse liedjes paraat, maar dat donderde niet. ‘Sing us one of your own songs,’ drongen ze aan. Zo stortte ik me in een onvaste uitvoering van Fenesta che lucive, waarvan ik ook na flink veel drank de woorden nog wel geloofde te weten. Hm. Maar ze vonden het prachtig, en mijn pint o’ Guinness kreeg gezelschap van een glas uit een speciale fles, of eigenlijk kruik, waarop in het Gaelic stond: Uisge Beatha, spreek uit 'ba', wat zoveel betekent als het ware water, of levenswater, werd me verteld, en waarvan het woord whisky is afgeleid. De meest zwijgzame van de twee nam de gitaar van me over en zong met gesloten ogen Carrickfergus, prachtig weemoedig en geconcentreerd, met veel meer coupletten dan ik ooit had gehoord, en zonder één tekstfout, hoewel hij tolde van de drank en even later met zijn kop op de toog in slaap zou vallen. De kastelein, Thomas, had als hippie door India gezworven voor hij zich in Amsterdam vestigde. Door overmatig drank- en hasjgebruik was zijn geheugen zo aangetast dat hij in de tijd die het bier nodig had om het bruine schuim te laten wegtrekken vergeten was wie de bestelling gedaan had, en het glas dus maar lukraak ergens neerzette. De stamgasten wisten dat allang en eisten luidkeels hun consumptie op, die hij dan grinnikend verplaatste. Nieuwelingen konden lang op hun bestelling wachten, tot ze de locale gewoonte leerden. Hetzelfde falende kortetermijngeheugen maakte dat Thomas gewoon door bleef schenken als zijn gedachten even afdwaalden, en dat je soms met een tot de rand toe gevuld glas uisge beatha in je hand zat. Hoe ik die avond ben thuis gekomen weet ik dus niet. Ik viel tegen deuren en meubels aan en mijn vrouw was boos. De volgende dag vond ik visitekaartjes in mijn zak van de kroegbaas, de zanger en zijn vriend, die Geoffrey bleek te heten, en artistic consultant was. Er zal wel iets afgesproken zijn. Minder goed liep het af toen ik voor het eerst ging stappen met Ray Graham. Ray is artiest, clown en entertainer. Onder zijn schmink kwam een fris, schoongeboend roze gezicht tevoorschijn, met een paar heldere en scherpe grijsblauwe ogen. Hij pakte zijn attributen rustig en zorgzaam in een koffer, en kondigde aan: ‘Zo. We hebben geld verdiend, Jan-Paul, jij en ik, nu gaan wij tweeën heerlijk dronken worden.’ Gloriously drunk. Handenwrijvend ging hij aan de bar zitten van het dure hotel waar we geschnabbeld hadden en bestelde voor ieder van ons een halve liter bier en een dubbele Jameson, als het geen Bushmill black label was, want het was op kosten van de zaak. Slantje! En daar ging het. Die nacht speelde mijn geheugen me parten. Niet met liedteksten dit keer. Ik klom op mijn fiets en donderde er meteen weer vanaf. Maar ik was dit onvermogen op hetzelfde moment vergeten en probeerde het nog een keer, met hetzelfde resultaat. En zo ging dat door. Mijn gitaar zat in een stevige koffer, maar mijn hoofd niet. Pas toen het bloed mijn wit zijden optreedblouse had doordrenkt en fel rood had gekleurd, drong het tot me door dat ik niet meer kon fietsen. Ik waggelde naar huis, fiets aan de hand. Ergens onderweg werd ik opgepikt door twee elegante, bezorgde en okselfrisse twintigers, rechtstreeks uit de disco. Ze gaven me een lift naar huis. Inmiddels was ik zo ver ontnuchterd dat ik weer wist waar dat was. De fiets liet ik achter. De volgende dag overpeinsde ik mijn zonden in een lauw bad, las een boekje van Leon de Winter of Koos van Zomeren, mijn voorhoofd en neusbrug met pleisters bedekt. De bloes was naar de stomerij. De dag daarna leefde ik weer en besloot ik toch maar eens te gaan zoeken naar mijn fiets. Ik nam de tram naar de Dam en liep de meest voor de hand liggende route naar huis vanaf de Nieuwe Zijds Voorburgwal, logisch zelfs voor een bezopen clown. En verdomd! Op het Rokin stond mijn fiets. Tegen een parkeermeter geleund. Van het slot af. De god der Kelten is goedertieren. (Uit: Dorst, een leven met en zonder drank)

zaterdag 8 januari 2011

GERRY RAFFERTY

Een nieuw tijdperk wordt zelden met bazuingeschal geïntroduceerd. Het sluipt erin als een virus. Pas achteraf kan het moment worden vastgesteld waarop de vernieuwing is begonnen.
Toen ik in 1978 Baker Street van Gerry Rafferty voor het eerst hoorde moet ik gedacht hebben: mooi liedje, maar waarom die saxofoon? Saxofoons waren passé. De saxofoon was de stem geweest van de jazz en was nu afgegleden naar het nachtclubcircuit, waarin de jazz haar laatste dagen sleet, aan de drank en verloederd. De saxofoon was fout, en toch was dit geen fout liedje.
Misschien was het juist dat vaudeville-aspect van de saxofoon dat de generatie na de hippies en de folkies aansprak: de jaren tachtig waren een bij uitstek foute periode, waarin artiesten zich persten in strakke, glimmende pakken en het lange onverzorgde haar van de 70-ties werd geknipt, gekamd, geverfd en geföhnd. Alles werd vals belicht, de muziek baadde in een holle echo, pathos, kitsch, glitter & glamour vierden hoogtij. En de saxofoon voer er wel bij. Die mocht zijn partijtje weer meeblazen.

Deze week las ik de verschillende stukjes die naar aanleiding van de dood van Gerry Rafferty, de baanbreker van de jaren tachtig, in de kranten stonden. Ellendig aan zijn eind gekomen door levercirrose, na een leven lang geworsteld te hebben met Koning Alcohol. Beroemd, rijk, creatief, getalenteerd, maar verlegen, geremd, depressief, drankzuchtig en ongelukkig. Er is niks romantisch aan zo’n leven van een dorstige artiest op leeftijd, dat u dat niet denkt! Uit hotels gegooid worden en alleen nog maar in het nieuws komen wegens alcoholmisbruik, terwijl je de wereld iets moois en blijvends hebt gegeven, is dat niet triest? Rock ’n’ roll is voor de jeugd. Een hotelkamer verbouwen en straalbezopen door de stegen van de rosse buurt kruipen als je twintig bent, oké. Maar als vijftig- of zestigjarige veroordeeld te zijn tot zo’n leven is iets anders. Je wordt belachelijk voor anderen, je zelfrespect is naar de kloten, en je doet je dierbaren veel pijn. Ik spreek uit ervaring (afgezien van dat ‘rijk’ en ‘beroemd’. Dat moet nog komen).
Wat ging er mis in het leven van Rafferty? Ja, alles natuurlijk, door de drank. Maar waardoor kon die drank zo’n vernietigende rol gaan spelen in zijn leven? Dat interesseert me, als tijdig geredde lotgenoot. Ik neem me voor om meer over deze man te weten te komen. En niet alleen als afschrikwekkend voorbeeld. Want toen ik op YouTube nog eens luisterde naar Baker Street viel me op dat er hier meer aan de hand is dan een leuk saxofoonthema. Het liedje is slim gecomponeerd (ik zal u niet met vaktaal vermoeien) en die stem heeft een prachtige, onderkoelde melancholie, een verlegen warmte, zo u wilt. Rafferty was bovendien ook de stem en het brein van Stealers Wheel, de Schotse band die bekend werd door intelligente en pakkende folkliedjes als Stuck in the middle en Late again. Ook bepaald geen doorsnee muziek. Ik las ergens dat hij uit faalangst een voorstel tot samenwerking met Paul McCartney heeft afgeslagen. Doodzonde.

Overigens zijn de jaren tachtig per ongeluk door Rafferty ingeluid: de gitarist, die het beroemde openingsthema van Baker Street zou spelen, kwam niet opdagen. Dus moest de saxofonist het maar eens proberen, een Schot met de fraaie naam Raphael Ravenscroft. Voor een ongedekte check van zevenentwintig pond blies die wereldgeschiedenis.

woensdag 5 januari 2011

DE GENERAAL

- Kom. We gaan.
- Ik ben de kolonel. Ik zeg wanneer we gaan. [korte pauze] We gaan.

(De Aristokatten, Walt Disney)

Om twaalf uur zou de veearts komen, en je had graag dat ik erbij was.
'Dus ik bleef', zou ik nu graag schrijven, maar zo vanzelfsprekend is dat niet: een paar maanden geleden zou ik me voor de kater uit naar mijn hol hebben teruggehaast, gedrogeerd met een stuk of drie tranxènes om de lege polderweg de baas te kunnen.
Het schaap, 'Nummer Twaalf' of 'De Generaal', was al lang ziek, een oud scharminkel met mottige vacht, maar haar levenswil was ongebroken. Een handje krachtvoer ging er altijd in. Nu kon ze niet meer op eigen kracht overeind komen. De andere schapen lieten haar links liggen, duwden haar omver bij de voederbak.
De bijnaam De Generaal dankt ze aan Maria. Als de schapen in de stoel vastgesnoerd werden om hun hoeven te laten bijsnijden, hield Nummer Twaalf haar kop altijd op een hautaine manier omhoog, de nek stram naar achteren.
Nu was van die trots weinig over. In afwachting van de veearts zat je in de stal bij het beest, dat zijn hoofd in je schoot legde.
Stipt om twaalf uur reed de Noord-Hollandse James Herriot voor, een hond kwispelend op de plaats van de bijrijder. Hij constateerde wat jij al wist. De Generaal had zijn tijd gehad. Hij deed het netjes. Eerst een spuit om slaperig te worden. Dan een spuit om het hart te laten stoppen. Hoewel de hoeveelheid 'genoeg voor een halve koe was', bleef Nummer Twaalf koppig doorademen. Een laatste spuit ging rechtstreeks in het hart. Een paar minuten later lag er een vlies over de ogen. We rolden het slappe schaap op een kleedje en tilden haar in een kruiwagen. Die moest 's avonds aan straat worden gezet voor de kadaverdienst.

(Uit: Dorst, een leven met en zonder drank, 2007)

zaterdag 1 januari 2011

DE POORT VAN JANUARI

Ik denk veel aan Lennaert Nijgh deze dagen. Dit was zijn tijd. Hij was dol op Kerstmis, gaf het nooit op te zoeken naar de betovering die dat feest voor hem als kind had gehad, zoals hij ook elk jaar weerloos in de belofte van de lente geloofde. Hij schreef Prikkebeen, het mooiste lied dat er over de jaarwisseling is gemaakt, en ook van de kale januarimaand hield hij: dan waarde de Wilde Jager rond, in het ledige hemelruim, ter aankondiging van zijn verjaardag op de negenentwintigste.
Lennaert maakte maar zevenenvijftig verjaardagen mee. De belofte van de lente werd nooit ingelost, want 'betere tijden' kwamen er niet. Toen hij in 2002 stierf, ziek en moe, droeg ik schoorvoetend een liedje aan hem op. Het belandde op de eerste van de kerst-cd's die we jaarlijks bij wijze van ansichtkaart aan intimi rondsturen. De Poort van Januari noemde ik het, en het gaat zo:

Gele bomen, een vale lucht
de laatste zwarte vogel vlucht
de hemel sluit zijn zware deuren
Het is buiten dag maar nauwelijks licht
en alles zit opeens potdicht
welk onheil staat er te gebeuren?

Op straat is het nat en behoorlijk koud
maar vreemd genoeg toch ook benauwd
geen adem krijg ik in november
En straks komt het verplicht plezier
verpakt in goud en rood papier
de grand finale van december

Ik wil weg ik wil hier weg
het is nog niet te laat
ik kan zolang niet wachten
tot de poort weer opengaat
tot de Poort van Januari
eindelijk opengaat
en de lege nieuwe maanden binnenlaat

De macht van deze maand is groot
een dwingeland die heerst en doodt
door in gezelligheid te smoren
En vrolijkheid zo onder dwang
maakt dat ik des te meer verlang
om nergens bij te hoeven horen

Het hele jaar was alles blank
gedachten waren vlug en rank
maar in de winter stopt het dromen
Dan blijkt opeens genadeloos
de richting die je al doende koos
en dat je niet meer weg kunt komen

En ik wil weg ik wil hier weg
het is nog niet te laat
ik kan zolang niet wachten
tot de poort weer opengaat
tot de Poort van Januari
eindelijk opengaat
en de onbeschreven maanden binnenlaat

woensdag 29 december 2010

WANNEER JE SCHUDT...

Volgens Xavier Guzman leef je als je niet meer drinkt voortdurend onder TL-licht. Een mooi beeld, maar het is eerder zo: je knippert met je ogen tegen het ongewend heldere licht van de dag.
Een paar jaar geleden heb ik mijn ogen gesloten en de wereld bewaard in mijn hoofd zoals ze op dat moment - nog net - was. Nu ik mijn ogen weer open zie ik dat er veel veranderd is, dat ik niet zag veranderen toen het zich afspeelde, ik had me er blind voor gemaakt.
Eerste kerstdag brachten we met onze beste vrienden door. De nestgeur rook goed, maar er was in het huis, waarin ik vroeger op de tast de weg kon vinden, wel het een en ander verschoven. De kinderen waren plotseling zo verschrikkelijk volwassen! Mijn vrienden hadden subtielere veranderingen ondergaan, maar die waren groot genoeg om me het gevoel te geven dat ik mijn plaats in deze wereld opnieuw moest bepalen.
De volgende dag was ik erg weemoedig. Om de blues af te schudden maakten we een autotochtje. De vlakke landen van Noord-Holland waren verlaten. Op de binnenwegen was het slecht gaan: als er een tegenligger naderde merkte je pas hoe glad het was, gestrooid was er nauwelijks. We stopten in Egmond en liepen met ijskoude voeten rondom de kolossale, stille abdij. 'Wanneer je schudt dan sneeuwt het op de Egmondse Abdij,' zong ik binnensmonds. Het duister viel, een kille wind stak op. Wanneer Lennaert eenmaal in mijn hoofd zit, is hij er zo gauw niet weer uit te krijgen.
In de serre van de strandtent waarin we asiel zochten keken we naar de witte schuimkoppen die het besneeuwde strand op rolden. Boven het silhouet van de duinen was de hemel rossig: de hoogovens. Ik herinnerde me dat Lennaert ooit de kerstnacht had doorgebracht op dat terrein, binnengesmokkeld door een maat, die er nachtdienst draaide. Ik nam me voor om thuis de bundel kerstverhalen waarin die nacht beschreven staat weer eens open te slaan. Lennaert was al bijna tien jaar dood, en ik mocht hem niet vergeten.
Een welkomstdrankje, een glas Prosecco, sloeg ik af. De amuses, frutseltjes van zalm en hert, liet ik me smaken. Paulien at een wildstoofpotje, maar ik nam genoegen met saté. Temidden van de feestelijke jonge gezinnen waren wij slechts op doorreis. Geen dessert, alleen koffie, fair trade, dat wel.
Weer buiten bleek de blues geweken, opgelost in de lege winternacht. Tevreden met de wereld reden we naar huis.

zaterdag 25 december 2010

DE LACHENDE KERK

Over sneeuw wil ik het niet hebben. De uitzonderlijke omstandigheden van deze winter zijn allang geen nieuws meer, zelfs het journaal wordt een beetje sneeuwmoe. Ook ga ik voorbij aan een concert van Russische lithurgische muziek dat ik bijwoonde in de prachtige Kapel van het GGZ te Heiloo, hoewel dat heel geschikt was geweest als stemmig onderwerp voor deze kerstmorgen. Er moet me iets anders van het hart.

Afgelopen zondag was ik in afwachting van een film aan het zappen. Op een lokale zender, Salto 1 of 2, werd ik vol getroffen door het beeld van een zwaar bebaarde oosterling. Deze grijsaard, in hemelsblauw gewaad en met een hemelsblauwe, glinsterende tulband op het hoofd, zat op een troon in een soort gymnastiekzaaltje, en sprak tot ons, recht in de camera. Vanonder een enorme hangsnor welde een trage stroom gebroken Engels op. Sinds de meditatiesessies in de kliniek heb ik meer interesse in spiritualiteit dan tevoren, en ik zapte niet meteen door. Gebroken was het Engels niet zozeer, het was eerder vreemd uitgesproken, alsof hij de taal uit een boek had geleerd; de grammatica was correct, de woordkeus zelfs zorgvuldig, op het pedante af. De goeroe, want dat was hij natuurlijk, sprak over de Innerlijke Stilte. Dat die angst en zelfs weerzin op kan roepen. Maar als we die barrière eenmaal achter ons hadden gelaten zou blijken dat het geen barrière, maar een brug was geweest, een brug naar verlichting. Ik had het allemaal wel eens eerder gehoord, maar niet de manier waarop: de goeroe haalde Einstein erbij, en Aldous Huxley. De laatste had zich uit nieuwsgierigheid eens in een stiltekamer van de NASA laten opsluiten, waar astronauten op de condities in de ruimte werden voorbereid; hij was er na vijf minuten in paniek uitgevlucht, totaal ontzet door de absolute afwezigheid van enige trilling. De schrijver had zich naakt gevoeld zonder het vertrouwde kleed van geluidsgolven, hoorbaar of niet. Zo hield de Oosterse mysticus met anekdotes zijn Westerse publiek bij de les.
Inmiddels was ik gefascineerd geraakt door iets anders: regelmatig kwam het voor dat hij midden in een zin verstarde, hoofd en bovenlichaam volmaakt roerloos, zijn blik naar binnen gekeerd, zijn rechterhand opgeheven in een illustratief gebaar, met duim en wijsvinger tegen elkaar aangevlijd. Zo'n stilte duurde onnatuurlijk lang. Heel beheerst hernam hij daarna zijn betoog en bewoog weer zachtjes. Eerst dacht ik dat de film haperde. Toen vermoedde ik Parkinson: ook lijders aan die ziekte kennen een startprobleem na een stop in hun beweging. Maar die start is schokkerig, abrupt. Tenslotte begreep ik dat hij tijdens zo'n verstilling naar het juiste woord zocht, en alléén maar dat deed. Hij was een levend voorbeeld van wat we bij mindfulness in de kliniek hadden geleerd: dat je alles wat je doet met aandacht moet doen.
Het begon me nu ook op te vallen dat zijn betoog niet alleen zonder overbodige woorden was, maar ook geweldig goed opgebouwd. Thema's werden gaandeweg uitgewerkt en mondden samen met op het eerste gehoor niet ter zake doende ter zijdes uit in overrompelend heldere rethorische finale. Je had het zó op kunnen schrijven, echt waar, en dan zou er nauwelijks iets geschrapt of veranderd hoeven worden.
Net toen ik moe werd en mijn vinger al op de afstandsbediening bewoog veranderde er iets in de blik van de wijsgeer terwijl hij zei:

'Een man zat in een Turks badhuis.'

Je voelde een onrust door het publiek gaan. Op dezelfde trage toon waarop hij over Einstein en de Innerlijke Stilte had gesproken vervolgde hij:

'Plotseling zag hij hoe een man zijn kleren pakte en ermee vandoor ging. De man hield zijn hoed voor zijn edele delen en rende de dief achterna. In de gang kwam hij twee meisjes tegen, die begonnen te giechelen en te wijzen. De man zei: "Als jullie dames waren, zouden jullie me niet zo bespotten." Een van de meisjes zei: "En als u een heer was, zou u uw hoed voor ons afnemen."'

Een lachsalvo klonk vanuit de gymzaal. De goeroe ging weer in stasis en laste toen hij begon te spreken de mop naadloos in zijn betoog in. Mijn dip was over en ik bleef kijken. Ik moest weten wie deze man was, naar wie ik nu al zonder het van plan te zijn geweest bijna een uur geboeid had geluisterd.
De lezing teneinde, verscheen de aftiteling. Geen informatie, behalve dat de uitzending een initiatief was van het Osho meditatiecentrum in Amsterdam. Daar moest ik meer van weten! Als ze daar zo'n charismatische goeroe in de aanbieding hadden... Ik googelde wat en vond hun site, en ook meteen een plaatje van de markante kop van de oosterling, met twee jaartallen. Ontgoocheld begreep ik dat hij niet meer leefde, het was een oud filmpje geweest. Zijn naam, Sri Rajneesh, leverde me een volgende hit op.

Mijn God! Ik had een uur lang naar de Baghwan zitten kijken.

woensdag 22 december 2010

THE RED SHOES

Gisteren ging ik naar de film. Dat is vrij ongewoon, maar het was dan ook geen gewone film. Het was steenkoud. Het Filmmuseum was een warme plas geel in het Siberische landschap van het Vondelpark. Een sprookjeskasteel. Anders dan in Rusland was het niet tot saunatemperatuur warm gestookt, maar tochtte het akelig in de museale bioscoopzaal waarin een gerestaureerde versie van The Red Shoes zou worden vertoond.
Deze ooit razendpopulaire Britse film uit 1948, door David Bowie aangehaald in 'Let's Dance', verraste me behoorlijk. In de eerste plaats omdat ik geen idee had dat hij op het programma stond: de informatie die via Paulien vanuit het clubje van cinematofielen dat elke dinsdag hun liefde in het openbaar bedrijft was doorgesijpeld behelsde dat we een documentaire over Serge Diaghilev zouden gaan zien. Dat trok me over de streep. Ik heb weliswaar een grondige afkeer van kunstzinnige dans, maar Diaghilev was een fascinerende figuur, en het culturele klimaat waarin hij ademde was het mijne: Stravinsky, Ravel.
De film werd aangekondigd door de hippe spreekstalmeester - twee uur en tien minuten zou hij duren! Ook dit was niet de afspraak: ik zou om half tien weer thuis zijn. Ik boog me naar Paulien over en bromde: 'Dank je wel. Nu moet ik dus ruim twee uur naar een dánsfilm kijken.'

Maar toen mijn verbazing over de platte technicolor beelden (de kleuren van oude theateraffiches) was geluwd en ik gewend was aan het real time uitspelen van scènes in heel lange shots, in een acteerstijl die meer toneel dan film was, nestelde ik me behaaglijk in mijn stoel en begon te genieten.
Je moet films nooit na vertellen, dus ik geef u een minuscule synopsis: tragische liefde van jonge ballerina en componist, gedwarsboomd door jaloerse en ambitieuze eigenaar van het balletgezelschap.
Vooraleerst: wat een muziek! Brian Easdale heeft een prachtige partituur geschreven in de geest van Ravel en Debussy, met een make over van Stravinsky; muziek met ballen, echt waar. Het stuk waar het verhaal om draait, het ballet The Red Shoes (naar het sprookje van Andersen) wordt integraal in de film uitgevoerd, een filmische tour de force waar de regisseur wonderwel mee wegkomt. Andreas, de initiatiefnemer van het filmclubje, sukkelde in slaap, maar ik was geboeid, nam zelfs de dribbeltjes en sprongetjes voor lief.
Wat me echter het meeste boeide was de rol van Boris Lermontov, de balletmanager. Anton Walbrook maakt er een buitengewoon gecompliceerd personage van. Een charmante, erudiete, op het oog gewetenloze, koel beheerste en tomeloos ambitieuze dandy, met een heerlijk scherpe tong. Dat er achter deze mondaine façade een hart schuilgaat dat borrelt van driften en gist van onhanteerbare liefde was voor mij duidelijk. Aan de minder sensitieven wordt het aan het slot geopenbaard, als Lermontov met verwilderde ogen, bijkans schuimbekkend en met rauwe stem de dood van de primadonna bekend maakt.
Ik had echt met deze man en zijn rücksichtloze overgave aan de Kunst te doen, en was verbaasd dat mijn medekijkers zijn personage ééndimensionaal en karikaturaal vonden. Volgens mij werden ze misleid door de ouderwetse manier van acteren en de theatergrime. Ze zagen wat ze verwachtten te zien: een attentional bias, noemen de psychologen dat.

Ik haalde mijn schouders op om hun lauwe reactie, draaide een logge pirouette en danste op mijn versteende tenen door de sneeuw naar huis.