dinsdag 15 oktober 2013

ROER


Op tien november moeten er tien mensen samen op een toneel staan en mijn muziek spelen. Mensen die elkaar nu nog niet kennen en uit allerlei muzikale disciplines komen. Ieder met zijn eigen drukke agenda, waarin alleen deze datum en die van de paar repetities die we hebben elkaar overlappen. Wie in de zaal zit, die middag, zal dat hopelijk niet merken, maar zoiets gaat niet vanzelf. Het kost heel veel voorbereiding en organisatie.
Voor organisator ben ik niet in de wieg gelegd. Ik kan het wel, omdat ik ondanks de schijn van wijsgerige berusting eigenlijk een vrij secuur mens ben, bijna een controlefreak zelfs, maar het kost me slapeloze nachten. Ik stel me levendig voor wat er allemaal mis kan gaan en probeer dat met noodscenario’s te ondervangen. Ik voel me voor al die mensen verantwoordelijk en kan niet denken: ze zijn volwassen en professioneel, laat maar aan hen over, komt wel goed. Ik zit er bovenop en kan het niet loslaten. Zo leef ik al half in de toekomst, terwijl ik met mijn kont in het hier en nu zou moeten zitten.

Twee jaar geleden wist ik zeker dat ik klaar was met al dit soort ambitieuze zaken, en dat ik me zo goed en zo kwaad als dat ging zou wijden aan een contemplatief leven. Het bleek een misvatting – de stroom van het leven besloot nog een paar watervalletjes mee te pikken en ik had maar te volgen. Nu probeer ik als roerganger rustig te blijven te midden van het kolkende water om me heen. Maar o, wat is dat moeilijk! Niks geen pijpje roken en mijmerend naar de golven staren.
Een paar dagen geleden kreeg ik een waarschuwing. Een kunstenaar die ik ken heeft een hartinfarct gehad. De spanning van het openbare kunstleven was hem te veel geworden. Je zag van buiten niks aan hem, want hij lijkt de rust zelve, een ware Zenmeester zelfs die hele Japanse theeceremonies verricht zonder een drupje te morsen, maar achter die filosofenbaard ziedde het. Hij wil nu, als de komende exposities zijn beëindigd, net als vroeger voor zichzelf kunst gaan maken, achter de gesloten deuren van zijn atelier. Het nieuws deed me weer ernstig twijfelen aan de juistheid van mijn eigen koers. Ik word duizelig in al die stroomversnellingen, houd met moeite het roer recht en dreig wel eens overboord te vallen. Kon ik niet beter aan wal blijven?

Maar weet u wat het is, als alles goed gaat en op zijn plek valt, en we staan daar eindelijk op dat podium en maken samen muziek alsof we nooit anders gedaan hebben, als een echt bandje, dan zijn al die zorgen en die jachtige dagen en slapeloze nachten vergeten, leert mijn ervaring. Dan val ik eindelijk weer samen met het moment en leef ik in een glorieus nu. Het eeuwige, schitterende, vloeiende nu dat muziek heet, dat inzet als de dirigent zijn stokje heft of de drummer zijn vier tellen vooraf geeft. En daar doe ik het voor. Nog steeds en ondanks alles.

(Erbij zijn op 10 november? Bestel nu uw kaarten op www.meervaart.nl)

vrijdag 11 oktober 2013

ROMANTISCH

Weemoed is een fijn sentiment. Bitterzoet. Tenminste, als je jong bent. Wanneer je een ‘zekere leeftijd’ hebt bereikt, zoals de Fransen dat zo kies zeggen, en de massa tijd die voor je ligt kleiner is dan die achter je en bovendien steeds sneller lijkt te slinken, wordt het alsmaar bitterder, tot het zoetje alleen nog ergens achter op de tong is te proeven.
Vroeger hield ik van de herfst. Nu niet meer. Ik probeer te zien wat er mooi aan is, die kleuren van de vuurdoorn en de kardinaalsmuts enzo, en zie dat ook wel, maar het genot blijft beperkt tot een streling van de oogzenuw. Voorbij is het vermogen om er via een alchimistisch proces een soort geluksgevoel uit te destilleren.
Wat echter onveranderd is gebleven is de invloed die het seizoen van de vallende bladeren op mijn gemoedsrust heeft. Voorbeeld: ik loop over straat en probeer te kijken naar dat rood van die kardinaalsmutsen, maar onderwijl word ik bestormd door levendige herinneringen, zo levendig, dat ik eigenlijk in twee tijden tegelijk loop. Ik kan ze niet afschudden, ze komen steeds terug. Erin zwelgen lukt me ook niet meer, zoals vroeger, want wat ik daar herbeleef bevalt me maar matig. Ik zie een turbulent, drankzuchtig, uit het lood geslagen leven, waarin ik als speelbal van stemmingswisselingen, driften, lusten, angsten en verlangens hulpeloos de goede richting zocht. Dat is de zwarte bril die het seizoen me opzet, want evengoed zou ik me dat leven als rijk, vol en kleurig kunnen herinneren, het is maar net hoe je het bekijkt. Ik probeer mijn blik nog wel die positieve kant op te draaien, maar dat is moeilijk: het zicht wordt ernstig belemmerd door wolken en de vroeg inzettende duisternis.

Ooit las ik met instemming de vele gedichten die J. C. Bloem aan het najaar wijdde. U kent ze wel, althans de van hun context los gezongen regels van het standaardrepertoire: ‘Van het najaar keren weer de schone dagen…’ en: ‘Het regent, en het is november…’
Ik vond ze toen romantisch, die verzen, net zo romantisch als ik het vond dat Bloem één à twee flessen jenever per dag dronk. Nu kan ik de woorden niet anders dan letterlijk nemen, en wat ik daar lees bevalt me niet - het verontrust me. Ik heb medelijden met de dichter omdat hij zoveel jajem nodig had om het leven aan te kunnen, en vind daar niets romantisch meer aan. Het enige ‘romantische’ schuilt in de manier, bloemrijk en zangerig, waarop hij die zwarte sentimenten verwoordde. Dat is het zoet waarmee hij zich probeerde te verzetten tegen de opdringerige bitterheid. Voor mij is het niet meer genoeg: zijn Verzamelde gedichten, die ik vroeger bij de snorrende kachel las, me verlustigend in melancholie terwijl ik glimlachend naar de regen luisterde en mijn glas nog eens volschonk, laat ik nu maar liever ongeopend in de kast.
Kunst maak je vooral voor anderen, denk ik wel eens. Ik heb vroeger van Bloems ellende genoten, omdat het de mijne niet was. Nu komt het allemaal te dicht bij, wat ik daar lees. Het herinnert me te veel aan een voorbije periode in mijn leven waarin ik net als hij mijn angst en onmacht smoorde in alcohol en mooie woorden.
Smoren doe ik niet meer, en ik vind verloedering en verval nu vooral deprimerend en naar. Het is heus zo leuk niet, dat alles voorbijgaat en uiteindelijk dood moet, of vindt u soms van wel? Geen versje of liedje kan dat vergoelijken.
Ik ben blij dat ik geen romanticus meer ben, maar dit seizoen biedt weinig alternatieven: de boeddhistische gelijkmoedigheid die ik nastreef ligt zwaar onder vuur nu de vuurdoorn rood kleurt.

dinsdag 8 oktober 2013

SLOTEN


‘Ik geloof dat jij veel beter met spanning omgaat dan ik. Jij hebt toch ook soms momenten dat alles je te veel wordt. En dan heb je dit.’
‘Ja. Iets meer naar links.’
‘Ik bedoel… jij hebt ook sociale spanningen. Laatst nog…’
‘Naar links! Er staat te veel druk op.’
‘Hm. Laat het me toch op mijn manier doen.’
‘Ja maar straks breekt hij. Hij moet er recht in.’
‘Zo dan?’
‘Ja. Ga door.’
‘Wat ik wilde zeggen, jij gaat dan naar buiten en aan de slag, en zo reageer je dat af.’
‘Dat helpt wel, ja. Wacht even, ik val bijna in de sloot.’
‘Ik heb dat wel met flink muziek maken met andere mensen. Dat ontspant me, trekt me uit mezelf en pept me op.’
‘Begin dan een bandje! Voorzichtig nu, ja, we zijn er bijna.’
‘Maar dat is de pest als je beroeps bent. Ik ken alleen muzikanten die voor geld spelen, en die gaan niet voor de lol een beetje muziek maken, als er geen concert aan vast zit.’
‘Heb je het dan wel eens geprobeerd? Nee toch? Jij vult alleen maar in wat je zelf verwacht. Ja daar komt-ie. We zijn er!’
De zaag schoot soepel door de laatste witte nerven heen. De boom brak. We trokken de zwarte, slijmerige stam uit de sloot en sleepten hem de kant op.
De laatste nevels boven het weiland kleurden goud in de doorbrekende zon.
‘Pas op, ga niet op de zaag staan!' zei mijn vriendin.
Ik stapte met een wijde boog om het scherp getande instrument heen, dat gevaarlijk lag te blinken in het natte gras.
’s Avonds bij het pianospelen merkte ik dat ik mijn pols geforceerd had. Het voelde als een muisarm.
‘Watje,’ dacht ik.


zaterdag 5 oktober 2013

ERWINDAG


5 October 2007

Het vliegtuig had de Schrijver tijdelijk thuisgebracht,
maar zijn CX stond ver weg in een opslagloods.
Ik heb hem er naartoe gereden, en daarna
op ’t pennenlikken van de ambtenaar gewacht.

Uiteindelijk in zijn huis boven de trambaan-laan
dronken we iets, en heb ik hem gelukgewenst.
Hij was het voor het eerst in al die tijd vergeten:
‘Ach! Erwindag!’ Hij keek me stomverwonderd aan.

Al die jaren sedert ‘72
had hij die dag gepast in weemoed doorgebracht:
een weemoed die door drank en dochter werd verzacht.

Het weer was bijna goed: misschien al iets te koud.
Hoe vierden we dit mythische, beladen uur?
Hij lachte slim: hij had nog wat in de frituur.

Voor G.M.

vrijdag 4 oktober 2013

GEZIEN


Tegenover het terras waren ze bezig met de trambaan. Er scheen een vriendelijk oktoberzonnetje en ik keek met belangstelling naar de werkzaamheden, die door nijvere mannen in oranje plastic werden verricht vanuit een heel wagenpark van dril- en graafauto’s: twee grote legergroene waarop VRIJBLOED stond, een kleinere gele en een kittig oranje dingetje met een knipperbol bovenop. De herrie was aanzienlijk.
Er stopte een wit bestelbusje waaruit twee vrouwen kwamen met microfoonhengel en camera. Ik keek om of ik Hans Teeuwen ergens zag, maar die was er vandaag niet. Toen ik me weer terugdraaide staarde ik recht in een microfoon, met daarboven een fris meisjesgezicht, onopgemaakt.
‘Zit u lekker van uw kopje koffie te genieten meneer?’
Ik beaamde dat. Ze vroeg of ik geen last had van het lawaai. Ik ontkende dat. Ze zijn de stad blijkbaar winterklaar aan het maken, zei ik, want overal zijn wegen afgesloten. Ze vroeg of ik in de buurt woonde. Daarna zoomde de camera in op mijn half opgedronken glas koffie. De microfoon werd weggehaald. Het gezicht van het meisje ontspande.
‘Waar is het voor?’ vroeg ik, geroutineerd. ‘AT5,’ zei ze. ‘Het Verkeer. Komt elke dag voorbij de komende week, maar u kunt het ook op onze website zien.’ Ze groette vriendelijk en de vrouwen verdwenen weer in hun fout geparkeerde busje.

Ik trok vergenoegd aan mijn pijp. In roemruchtere dagen ben ik naar schatting een dozijn keren op tv geweest, de lokale zenders niet meegerekend. Maar dat was als beloning voor mijn ambitieuze streven en ging gepaard met bloed, zweet en tranen. Dit soort optredentjes, die bijna iedereen tegenwoordig wel eens meemaakt met zoveel tv om ons heen, zijn natuurlijk van een ander kaliber. Strikt genomen tellen ze niet.
Het is me een paar keer eerder overkomen dat ik werd uitverkoren om de stem van de man in de straat te zijn. Ik heb ooit tijdens een folkfestival in Vlaanderen voor de Belgische televisie mijn ongezouten commentaar op Laïs (de meidengroep, niet de chips) gegeven, wat gretig opgepikt werd. En wat deed een Hollander, een Amsterdammer nog wel, zover van huis, helemaal in het West-Vlaamse Deerlijk? Kwam ik echt speciaal voor de muziek? Mijn internationale roem verspreidde zich daarna snel. In datzelfde topjaar 2007 werd ik in de van Baerlestraat staande gehouden door een ploeg van de BBC, die me vroegen wat ik dacht van de overname van ABN-AMRO door The Royal Bank of Scotland, toen een hot item. De adrenaline deed me op de juiste Engelse woorden komen en ik zei dat ik het wel spijtig vond dat een zo typisch Nederlandse traditie in vreemde handen belandde. Wat natuurlijk idioot was, want de hele kwestie kon me geen zak schelen. Maar ’s avonds zag ik me trots terug op het Nine O’Clock News: my finest hour. Een groep Japanners die me in het Anne Frankjaar 1995 voor de camera wilden hebben verwees ik naar een ander slachtoffer. Ik voelde me niet bekwaam om namens mijn landgenoten daar iets over te zeggen.
Terwijl ik me deze voorvallen met plezier herinnerde besefte ik dat het, voor de bevrediging van de eigen ijdelheid, eigenlijk helemaal niks uitmaakt of je zomaar op tv komt of als bevestiging van je professionele status. Sterker nog, ik vind die snapshots leuker, die kan ik zonder kromme tenen terugzien. Zo leerde ik iets over mezelf dat waarschijnlijk zo algemeen is dat ik het wel met u wil delen. Ik wil in de eerste plaats als méns gezien worden, en de muziek, althans het podiumaspect daarvan, is niet meer dan een middel daartoe. Deze onvoorbereide instantaneetjes zijn als een vrolijke, onbezorgde toegift.

(te bekijken op site van AT5, Werkzaamheden aan de weg, Roelofhartplein)

dinsdag 1 oktober 2013

LAZARUS


Ik werk als pianist en dirigent in de kerk, hoewel ik op milde dagen agnost ben en op principiëlere momenten fel atheïst. Dat ze daar in het godshuis een adder aan hun borst koesteren houd ik uit schaamte verborgen. Het ideologische en politieke bolwerk dat de kerk wereldwijd is zou ik het liefst steen voor steen slopen, maar tegenover de praktijk van alle dag kan ik niet volharden in mijn harde stellingname – het zijn allemaal integere mensen hier aan de basis van het instituut, die het goede willen en voor wie het begrip naastenliefde nog echt iets betekent, ik kan daar niet ironisch over doen.
Afgelopen zondag, tijdens het lied Breng ons naar huis, op de melodie van Sloop John B van The Beach Boys, kwam er een man het altaar op lopen. Verward, vermagerd, een junk zo te zien, op sterven na dood. Het thema van de dienst was de opwekking van Lazarus, dus dat kwam mooi uit. Hij werd door de priester met zachte hand naar zijn bankje teruggeleid.
Toen ik even later naar mijn auto liep kwam hij op me af. Hij gaf me een beverige hand. Hij had zachte bruine ogen, hondenogen, en sprak met nauwelijks hoorbare stem, hees en wankel. Blijkbaar was hij hard aan een fix toe, maar tot mijn verbazing vroeg hij niet om geld.
‘Ik kom uit Geuzenveld,’ zei hij. ‘Waar ben ik hier?’
‘Ver van huis,' antwoordde ik verrast. 'Dit is de Watergraafsmeer.’
Hij keek me hulpeloos aan, maar vroeg niks.
‘Ik kom ook uit Geuzenveld,’ zei ik. Ik besloot even tijd te nemen voor het gesprekje. ‘Welke straat heb je gewoond?’
‘Daam van Harenstraat.’
Dat was vlak bij mij vroeger. Om de hoek.
’Bij de paarden.’
Ik wist meteen waar hij het over had – de manege op het Geuzeneiland, later Kindereiland herdoopt.
‘Weet je hoe oud ik ben?’ vroeg hij. Hij antwoordde zelf: ‘Drieënvijftig.’ Of hij daar trots op was of dat het hem bang maakte kon ik niet zien. Ik probeerde te berekenen welke mensen we dan allebei zouden kennen, maar hij greep naar zijn oor. ‘Hé, jij hebt ook een ringetje,’ zei hij. ‘Het mijne is nep hoor.’ Het was inderdaad fel rood, van plastic zo te zien.
Ik wilde het onderwerp niet zo gauw verlaten en deed nog een poging. ‘Ik kom uit de Willem van Hembyzestraat, we waren praktisch buren.’
Hij knikte vaag.
‘En later heb ik in de Kinkerstraat gewoond, en de Witte de Withstraat,’ zei hij, alsof hij een lesje opzegde.
Ik keek hem nog eens aan. Zijn hoofd was slecht getrimd. Misschien ontluisd. Er zat hard slijm in zijn mondhoek. Ik vroeg me af of ik hem een lift naar Geuzenveld moest aanbieden, naar huis. Maar hij draaide zich al om, ging zitten op het trapportaal van de kerk en begon een shagje te draaien.
Ik stapte mijn auto in, stak een sigaret op, keek naar de helderblauwe hemel en aarzelde nog even voor ik de motor startte.

vrijdag 27 september 2013

SINTERKLAAS


Ik mocht voorlezen en zingen in de bibliotheek en zou bovendien geïnterviewd worden, een scenario dat me deed denken aan tv-programma’s als Dit is uw leven. Het was nieuw voor me en ik wist niet goed hoe ik me er op moest voorbereiden. Een beetje inzingen en de geselecteerde stukjes hardop lezen om de juiste klemtonen te zoeken en grammaticale hobbels bij voorbaat te effenen, verder kwam ik niet. Ik was niet nerveus en vreemd genoeg maakte dat gebrek aan de gehate maar vertrouwde plankenkoorts me onzeker. Ook de zenuwen zijn een soort houvast, op een perverse manier. Nu moest ik laten zien wat ik waard was als zenleerling en alles maar in goed vertrouwen op zijn beloop laten.
Ik mediteerde een half uurtje terwijl ondertussen de bel ging, mijn vriendin binnenkwam en met mijn dochter in druk gesprek ging. Ik hoorde de oven aangaan en even later klonk het discrete gerinkel van mijn kookwekkertje. Ik groette zoals het betaamt mijn kussentje en even later mijn dierbaren. We aten pizza, ik trok een nieuw zwart jasje aan, en met gitaar, antieke lezenaar en een tas vol boeken vertrokken we naar Oud-West.
De avond was – vergeeft u mij het cliché - als een warm bad. De interviewster gaf me zachte voorzetjes de goede kant op en ik liet me drijven op mijn woordenstroom. Voorlezen was fijn, wist ik weer; het was te lang geleden dat ik het voor mijn kinderen had gedaan. Voor me zag ik de glimlachende gezichten, vreemd en bekend, van een aandachtig en welgezind publiek. Ik voelde me een beetje als Sinterklaas in die rode Ollie B. Bommelfauteuil - als er iemand bij me op schoot was gaan zitten had ik dat heel gewoon gevonden. Als cadeautje deelde ik mijn liedjes uit.
Weer thuis zei ik tegen mijn vriendin: ‘Ik voel me geloof ik een beetje gelukkig.’ ‘Jammer dat er geen band meeloopt,’ lachte ze. ‘Zie je nou wel! Onthoud dit nou toch eens, als je weer zit te zenuwen voor een optreden.’

Midden in de nacht schrok ik wakker.
‘Ik heb Simenon niet genoemd! Het moet over!’
Er was me gevraagd naar mijn literaire voorbeelden en ik was, stamelend, niet veel verder gekomen dan een paar voor de hand liggende iconen – Reve, Nescio, Mulisch en Meijsing. Zo’n vraag kan je onder een soort examendruk zetten en tot paniekreacties leiden. Als eerstejaars had mijn leraar me ooit naar mijn zingende helden gevraagd en ik kon, koortsachtig maar vruchteloos nadenkend, alleen Dietrich Fischer-Dieskau noemen, wat in die tijd een zo voor de hand liggende naam was dat het me een klein maar onmiskenbaar smalend glimlachje opleverde.
Simenon, die in twee simpele zinnen meer kan zeggen dan menig schrijver in een hoofdstuk, Sim, mijn lievelingsschrijver, de bewaarengel op mijn nachtkastje! Vergeten!
Ook had ik met een mond vol tanden gestaan toen me gevraagd was naar vrouwelijke auteurs; niet één wist ik er te verzinnen, terwijl ik toch wekelijks de columns van Esther Gerritsen met bewondering en zelfs enige jalousie de métier lees.
Ik had me zo lekker laten drijven op die lauwe stroom en nu bleken er scherpe stenen op de bodem te liggen - ik kreeg alsnog last van een zucht tot perfectie en stootte me pijnlijk aan mijn eigen foutjes.
Mijn vriendin mompelde slaapdronken: ‘Dan doe je het toch gewoon nog een keer over?’
En ik moet toegeven, dat zou ik best willen. Want hoewel ik me de volgende dag moest verzetten tegen de schimpscheuten van een opspelend kwaad geweten en de vraag of ik al die aandacht wel waard was zich onuitgesproken in me roerde, god en Freud weten waarom, was ik toch een avond lang helemaal op mijn plek geweest, daar in die Sinterklaasstoel.




(Foto's: Andreas Strubin)