zondag 19 mei 2013

SCHAKERINGEN


Soms moet een mens eens lekker uitrazen. Mijn eruptie van afgelopen vrijdag was natuurlijk niet helemaal serieus. Niet voor niets zei ik dat het de boze gedachten voor het inslapen waren die ik eigenlijk liever voor me wilde houden. Helemaal samenhangend waren ze ook niet, die gedachten. ‘Sluit de grenzen tussen hoge en lage cultuur weer hermetisch’ is een merkwaardige opmerking voor iemand als ik die garen heeft gesponnen bij de vermenging van die beide uitersten, daar zelfs aan heeft bijgedragen: met ons ensemble La Passione werkte ik vrolijk mee aan de toen nog niet zo gangbare cross-over van klassiek en populair. En volgens mijn eigen dictum zou ik als klassiek geschoold bariton mijn eigen popliedjes dus niet meer mogen zingen.
Door zo te keer te gaan in mijn blog beet ik grommend en grauwend de hand die me altijd gul gevoed heeft.
Laat ik het daarom genuanceerder stellen: wat ik haat is de culturele vermenging die voortkomt uit een populistische agenda. Door alles veilig af te stemmen op een niet erg ontwikkelde, op zijn best gemiddelde smaak en alles vooral ‘leuk’ te maken, door de smakeloosheid ruim baan te geven in een streven naar piekende verkoop- en kijkcijfers zijn de ingrediënten van de beoogde allemanshutspot respectloos gebruikt. Resultaat: een vaalbruine drab, die naar niks meer smaakt.
Culturele vermenging en disciplinaire kruisbestuiving met als bedoeling het slim en smaakvol gebruiken van de beste elementen van verschillende culturen om daarmee iets moois en nieuws te scheppen, daar stond én sta ik helemaal achter. Hoe meer kunst hoe beter, hoe meer kleurschakeringen hoe beter. Als de kleuren maar sprankelen en zichtbaar blijven!
Collega-blogger Hans Valk zei in een commentaar op mijn stukje dat een zo ruim mogelijke blootstelling van de massa aan de hogere cultuur vroeg of laat zieltjes kan winnen. Dat lijkt me een sympathiek, maar wel wat idealistisch sociaal democratisch standpunt. Muziekonderwijs is een groot goed, maar of een Bach-zingende Wolter Kroes daaronder ressorteert vraag ik mij af.
Toch, zoals Bas Heijne vandaag op nrc.nl schreef, na de algemene verontwaardiging over het Koningslied en de atypische kandidaatstelling van Anouk voor het songfestival is er wel degelijk enige hoop. Is het verzadigingspunt van de artistieke verloedering misschien bereikt? Zijn we de pulp allemaal opeens zat?
Misschien ben ik te cynisch. Wie weet heeft Wolter Kroes wel helemaal niet uit publiciteitsgeilheid meegedaan aan die Matthäus-masterclass, maar uit een diep verlangen om zichzelf te verheffen.

vrijdag 17 mei 2013

REEHUIS



Zojuist las ik dat de acteur Jérôme Reehuis is overleden. Hij werd 73 jaar. Het nieuws riep ogenblikkelijk enige haarscherpe beelden op en bracht me een hilarische anekdote in herinnering.
Zoals Reehuis beroepsmatig nogal scharrelde, van zijn geweldige rol in Mulisch’ toneelstuk Tanchelijn tot, uiteindelijk, de stemmetjes bij tekenfilms, zo schreed hij in het dagelijks leven. Hij was de vleesgeworden acteur: flambard, wapperende cape, wandelstok. Ik zag hem wel eens bij mij in de buurt. Aan het eind van de brede en rechte Joh. M. Coenenstraat doemde zijn gedrongen gestalte op, onmiddellijk herkenbaar aan de artistieke parafernalia. Hij liep vanuit een ver punt in de ruimte op me toe, maar leek geen meter te vorderen. Als ik hem uiteindelijk passeerde had hij nog slechts een fractie van de straat afgelegd, hoofd omhoog, blik op de horizon, waar onaardse visioenen zichtbaar moesten zijn die wij, gewone stervelingen, er niet ontwaarden.
Van een vriend hoorde ik ooit het volgende verhaal.
Reehuis bevond zich in een café. Dat was niet ongewoon. Iemand gaf een rondje, wuifde om zich heen om het beoogde gezelschap aan te duiden, en wees en passant op Reehuis: ‘En doe Jérôme er ook eentje!’
Reehuis stond furieus op, bracht zijn borst vooruit, priemde met geschoolde vinger naar de besteller en riep op hoge toon: ‘Schelm! Schavuit! Je moet vrágen of ik iets wil drinken! Vrágen!’
De rondjesgever haalde lakoniek de schouders op en ging zitten.
Reehuis stond daar nog steeds waardig rechtop, maar werd, toen een vervolg van de scène uitbleef, en de glazen der anderen werden gevuld, steeds nerveuzer. Uiteindelijk richtte hij zich met hoge, geknepen stem weer tot de man: ‘Vráág dan! Vráág dan!’

SUIKERZIEK



Om mezelf niet onnodig te kwellen heb ik niet naar de songfestivalvoorrondes gekeken, maar ik kon toch niet voorkomen dat ik gisteren een samenvatting van de optredens zag. Het jaarlijkse cultuurpessimisme dat daar het gevolg van is verspreidde zich meteen als een dodelijke vloeistof door mijn ziel. Ook zag ik een flits van hoe het heel vroeger toeging, toen het nog geen bizar circus van travestie en vuurspuwende gitaren was maar een serieuze wedstrijd om het beste liedje. Toen er nog echte orkesten in de bak zaten en de arrangeurs hun vak op het conservatorium hadden geleerd. Toen het heel gewoon was dat een man als Ennio Morricone de Italiaanse inzending schreef.
Ik ging naar bed en dacht allerlei boze, trieste en malicieuze dingen over de stand van zaken in onze muziekcultuur, die ik besloot voor mezelf te houden. Zoals: maak het beroep van producer bij de wet strafbaar, verbied het gebruik van de alles tot een uniforme drab nivellerende synthesizer, leg Armin van Buuren een straatverbod op binnen een straal 500 meter rondom het Concertgebouw, kort klassieke ensembles die meewerken aan populaire tv-programma’s flink in hun subsidie, geef taakstraffen aan volkszangers of acteurs die de Mattheus proberen te zingen. Sluit de grenzen tussen hoge en lage cultuur weer hermetisch. Mannen met herdershonden bij de tolpoort. Maak popmuziek weer rebels. Laat de jongens met gitaren weer tegen schenen trappen en het wiel opnieuw uitvinden, telkens weer, zonder de vette vaderlijke hand van de muziekproducenten op hun schouder; laat de orkesten, onbespied door zich amuserende pottenkijkers en meedraaiende camera’s hun ernstige en mooie werk doen. Ze hoeven er niet eens bij te lachen. Geef de burger niet langer het gevoel dat hij al genoeg aan cultuur doet door te zappen van hilarische masterclass naar muzikale reality tv. Wie culturele honger heeft en haute cuisine wil koopt maar een kaartje voor het Concertgebouw, waar Armin van Buuren pal op de vijfhonderdmetergrens hunkerend naar de gevel staat te kijken, zijn hoofd barstensvol beats die hij zo graag aan Beethovens Vijfde zou willen toevoegen. Wie een aardsere smaak heeft bezoeke rokerige poptempels en alternatieve muziekspelonken. Wie plat vermaak wil om uit te buiken na een copieus etentje gaat maar naar een musical van Joop van den Ende, de wijze oude man wiens verpletterende motto is: het publiek heeft altijd gelijk.
Omdat ik niet wil zeuren en een positief mens wil zijn, zou ik dit alles niet opschrijven en voor me houden.
Maar hier zit ik achter mijn pc, en staar naar de grijze meimorgen, die een floers van motregen over de weelderig groene bomen heeft gelegd. Niets wil me te binnen schieten. Ik heb zojuist voor het eerst de kat Obi, de vader van de vorige week ontslapen Dikkie, een injectie gegeven. Hij heeft suikerziekte, constateerde mijn neef de dierenarts. Mijn dochter instrueerde me hoe ik de naald moest inbrengen, en als ik ‘plop’ voelde de insuline in zijn nekvel moest spuiten. Daarna aaien en voeren. Het ging verrassend gemakkelijk.
Onze cultuur heeft ook suikerziekte. We zien het nog niet, want het vetter worden heeft zijn verzadigingspunt nog niet bereikt, maar binnenkort zal de culturele obesitas leiden tot een uitvallende alvleesklier, en de rondgierende stroom geraffineerde suiker zal ons doodziek maken. Het is mij nog niet duidelijk wie dan de reddende injectie zal geven. En eenvoudig zal dat niet zijn.

dinsdag 14 mei 2013

WE ARE BACK


De krakers zijn terug.
Toen ik zondagmiddag thuiskwam werd me de weg versperd door een oploopje. Een groep in het zwart geklede jonge mensen stond in feestelijke stemming bijeen. Twee ervan waren midden op de weg met de politie in gesprek. Oom agent stond met zijn rug naar me toe tegen de open deur van zijn wagen geleund. De meisjes zagen me stapvoets naderen en wilden ruimte maken zodat ik kon passeren maar hij bleef staan waar hij stond. Een zwaar symbolisch obstakel, onverzettelijk. Het gezag dat zijn functie ook bij niet handelen uitstraalde hield ons in een patstelling waaraan pas een einde kwam toe hij zei: ‘Als jullie rustig aan doen, gaan jullie je gang maar. Succes.’
Hij sloot zijn portier, trok op, en ik volgde hem. De meisjes keken even glimlachend mijn auto in voor ze zich weer onder het stoepfeestje mengden.
Boven keek ik neer op de menigte. De meesten zaten in kleermakerszit op de stoep. Ik begreep voor het eerst waarom het Engelse woord voor kraken to squat is. Het was strikt genomen dan wel geen hurken wat hier beoefend werd, maar het kwam er wel dichtbij. Een vrolijk babbelend yogaclubje op een uitstapje in de buitenlucht. Straks zouden ze de ogen sluiten en in meditatie gaan, het ‘oohm’ zou de straat doen gonzen. Die gedachte werd doorkruist door het inzicht dat ik zojuist getuige was geweest van de lokale uitvoeringspraktijk van het uit 2010 daterende kraakverbod. Amsterdam had toen stoer aangekondigd het verbod niet te zullen handhaven, en het had woord gehouden.
Ik bekeek de groep wat nauwkeuriger. Er waren ongure types bij, met manische ogen en monden waaruit tanden misten, maar ook heel gewone, zelfs keurige meisjes. Mijn oudste dochter, die een alternatieve smaak van uitgaan heeft, zei dat ze een meisje kende van de Cave. Had je ook rangen en standen bij krakers? Een paar verkenners waren inmiddels het bij vorige ontruimingen totaal verwoeste pand binnengegaan, een mijnwerkerslampje op het voorhoofd. Jongens met bezems volgden. Daarna was het de beurt aan een gereedschapsbrigade. Op een handkar lagen trays met halveliterblikken van het allergoedkoopste bier, al gauw een liter of dertig, veertig bij elkaar. Een Spaanse jongen kwam druk gebarend naar buiten, rukte er een uit het plastic, opende het en wierp een eerste schuimende slok op de grond, als een plengoffer aan een onbekende heidense god. Diep drinkend verdween hij weer in het gat dat was gezaagd in de barricades. Even later wapperden de eerste banieren van de gevel, “WE ARE BACK”.
Ik vroeg me af waarover al die mensen toch zo druk aan het praten waren, in zoveel verschillende talen door elkaar, Slavische, Germaanse en Romaanse. Gaven ze lucht aan hun opwinding, zeiden ze maar wat, of hadden ze echt iets te bespreken? Waarover praten krakers? Ik besefte dat ik van deze alweer vijftig jaar bestaande tegencultuur niets wist, behalve wat ik uit films en boeken had opgedaan.
Het verlangen kwam in me op om eens een kijkje te gaan nemen aan de overkant. Ik wilde dat spookhuis wel eens van binnen zien. Ik zou me als journalist kunnen voordoen, of gewoon als nieuwsgierige blogger. Wie weet was er wel een leuk meisje dat een goed gesprek met een grijze heer met Sean Connery-wenkbrauwen interessant vond. Ik verwierp het idee glimlachend. Meer dan de breedte van mijn straat scheidde me van wat daar aan de overkant gebeurde.
Toen ik ’s avonds laat de gordijnen opende keek ik niet langer in het holle zwarte oog van een dood pand. Een zee van vlammetjes deinde er, waxinelichtjes, die vriendelijk flakkerden. Er doorheen bewogen zich zwarte silhouetten in een mysterieus schimmenspel.

vrijdag 10 mei 2013

DIKKIE


Dinsdag hebben we onze kat Dikkie moeten laten inslapen. Blaasgruis, verstopping en nierfalen zijn hem fataal geworden. Mijn neef de dierenarts heeft er alles aan gedaan om het tij te keren maar kon de optredende complicaties niet meer de baas.
Dikkie, bijgenaamd de Dikke, werd geboren op 11 juli 2000. Van het oorspronkelijke nest van vier overleefden twee het niet: een zwart-wit scharminkeltje met als werknaam Napoleon werd door moeder Tijger doodgeplet en door ons aan de Reinier Vinkeleskade begraven; een schildpadkatje met een waterhoofd en lodderoogjes brak zijn nek toen hij van een stoel viel. Wij waren op vakantie en hoorden het van de kattenoppas.
Toen de keus ging tussen de twee overgebleven kittens kozen we voor de grovere Dikkie in plaats van voor zijn elegante zusje, omdat we dachten dat Tijger een mannetje makkelijker naast zich zou dulden. Zusje ging naar een vriendje van mijn zoon en leeft bij mijn weten nog. Minous heet ze. Een krengetje geworden, dus onze keus was de juiste.
Dikkie was het verzamelpunt van alle gezonde genen van zijn klassiek cyperse moeder en zijn oranje vader. Groot en sterk, breed van borst, lang van staart, glanzend van vacht, met een mooie heraldische tekening van symmetrische zwarte strepen. Helaas erfde hij van vaderskant een beperkte intelligentie. Waar die dikhoofdigheid bij zijn verwekker niet opviel omdat die zich stil hield, zo ver mogelijk uit de buurt van zijn eenmalige sekspartner die na de paring een diep wantrouwen tegen hem was gaan koesteren, trad die in Dikkie opvallend naar voren. Hij leerde traag. Na veel, heel veel afkijken deed hij zijn moeder na, zonder echter de redenen van haar gedrag te begrijpen. Tijger schoof met het waterbakje om ons te waarschuwen dat het leeg was. Dikkie klepperde ermee als hij honger had, of zomaar, uit onvrede. Het water klotste er overheen. Tijger is kieskeurig en heeft een gevoelig ingewand. Als zij een ongewoon merk brokjes uitkotste deed hij dat ook, met volle overtuiging, hoewel hij een maag als een ijzeren pot had.
Omdat we in zijn vormende weken, toen het nest rond begon te scharrelen, buitenslands waren en er alleen eenmaal daags een meisje langskwam om te voederen en te verschonen, was Dikkie schuw voor mensen. Hij richtte zich op vader en moeder en negeerde ons zoveel mogelijk. Daardoor leek hij nogal karakterloos: karakter in een dier ervaren we door het contact dat we ermee hebben, het is toch vooral een menselijke projectie, een menselijk concept.
Dikkie was bang voor ons en voor alles wat ongewoon was. Niet alleen bij onweer, maar ook bij een fikse regenbui, zelfs bij sneeuwval schoot hij onder het bed. Na Oud en Nieuw zag je hem minstens een dag niet. Als Tijger de nacht op mijn bed doorbracht zwierf hij verloren door het huis en riep als een oversized baby om zijn moeder. Mrauw, mrauw! Die spitste dan geïrriteerd haar oren.
Maar langzaam, heel langzaam, naarmate hij ouder werd, overwon hij zijn schichtigheid en zijn distantie. Ook daarin besloot hij zijn moeder te imiteren. Die is praatgraag. Hij begon net als Tijger terug te miauwen als je hem toesprak. Toen hij een welgedane heer op leeftijd was geworden had hij voldoende moed verzameld en begon hij aarzelend te experimenteren met affectie. Als je hem aaide schoot hij niet meer weg maar reageerde eerst welwillend, dan zelfs enthousiast. Met de juiste vorm wist hij zich alleen nog geen raad. In plaats van de streling rustig en fier te ondergaan zakte hij slaafs door zijn rug. Later verloor hij dat laffe hondjesachtige, maar keerde uit pure opwinding uitnodigend zijn kont naar je toe, keer op keer, terwijl het toch de kop was waarop we het gemunt hadden.
Ik mocht hem graag plagen. Hij was het ideale slachtoffer van hilarische spelletjes, in zijn klunzige argeloosheid. ’s Ochtends miauwden de katten in koor voor mijn slaapkamerdeur, als mijn ontwaken ze te lang duurde. Opende ik de deur, dan schoot Dikkie met een gespierde boog mijn kamer in. De deur te sluiten terwijl ik veinsde de anderen te gaan voeren was dan erg verleidelijk. Liet ik hem na een paar angstige tellen vrij, dan rende hij in blinde paniek naar de voederplek, om verbijsterd te ontdekken dat de bakjes nog leeg waren. Zijn impulsen moesten onmiddellijk bevredigd worden, daarin leek hij wel wat op zijn baas, toen die nog dronk. Als ik het pak brokjes boven zijn bakje hield duwde hij het met een ongeduldige kopstoot opzij, waardoor hijzelf en de vloer onder het neerstromende kattenbrood kwamen te zitten.
In al zijn stunteligheid en aandoenlijke onvolmaaktheid was hij er toch het bewijs van dat dieren bij kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen, karakter kunnen vormen waar dat eerst ontbrak. Een echte schootkat is Dikkie nooit geworden maar een lieve huisgenoot wel. Eentje die goeiig met zich liet sollen, en behalve als hij honger, dorst of pijn had tevreden en lui lag te slapen, alleen even met zijn snor ritselde als je zijn naam noemde.
Het is stiller in huis, we zullen hem missen, de Dikke.

dinsdag 7 mei 2013

ZONNE-DYADE


\
Mijn vriendin kondigde aan dat ze nog even zou wachten met maaien tot na mijn bezoek. Want de paardebloemen stonden er zo mooi bij.
Inderdaad, toen ik aan kwam rijden over de dijk was het weiland bevlekt met spetters geel. Geen gezonder, vitaler, warmer en stralender geel dan dat van de paardebloem. Zelfs de zonnebloem kan daar niet tegenop.
Ik was blij dat ze me gewaarschuwd had. Vroeger toen ik klein was stond de bloeiperiode van de paardebloem voor een heel tijdperk, een onbestemd interregnum van eindeloos en doelloos in het malse gras liggen, praten, lachen, vrijen en dromen, vervuld van de belofte van eeuwigheid die de eerste zomerse dagen ons influisterden. Nu gaan er jaren voorbij dat ik ze alleen in mijn ooghoek langs zie schieten. Als ik omkijk zijn ze alweer uitgebloeid.
Terwijl ik keek hoe de schapen van mijn vriendin op hun wandeling naar een andere wei de sappige bloemen gulzig uitrukten bedacht ik dat het vreemd gesteld is met de paardebloem.
Hij heeft iets ordinairs, alsof hij te snel en te goedkoop geproduceerd is; de stelen zijn dik maar voos, holle buizen die een brutaal schreeuwende kleurexplosie moeten ondersteunen. Maar hij heeft ook iets onmiskenbaar poëtisch. De gezamenlijke inspanning van alle bloemen kleurt de wereld vrolijk en uitbundig geel; kinderen maken er bloemenkransen van, je mag een wens doen als je de pluisjes wegblaast.
Die dubbelzinnige status van de plant vind je ook terug in de naamgeving.
Sommige dingen vallen precies samen met hun naam. Andere zijn te groot of juist te klein voor hun naam. Bij de paardebloem zou ik zeggen dat het tweede het geval is: ze zijn een betere benaming waard. De Engelsen hebben dat goed begrepen en de gele bloempjes de dichterlijke naam dandelion gegeven.

Veilig weer thuis uit de natuur en achter mijn laptop gezeten googelde ik wat informatie op. Ik kwam een hoop interessants te weten. Vooral de internationale aarzeling in de naamgeving (dichterlijk, of toch ordinair?) trof me. De Fransen kennen naast het mooie dent de lion (waarvan dat Engelse dandelion een verbastering is) het boertige pissenlit, ‘pis in bed’; de Duitsers hebben vele namen, maar naast Hunde- en Kuhblume valt ook hier die majestueuze leeuw op in het heraldisch klinkende Löwenzahn. Ook het Spaans kent diente de leone, en het Italiaans, naast soffione (‘grote blazer’) en radicchio di campo (‘veldwortel’) eveneens: dente di leone.
Bij ons, leerde ik tot mijn verrassing, is de naam ‘paardebloem’ een twintigste eeuws bedenksel. Er waren zoveel lokale benamingen, van pisbloem tot hondsbloem, dat een commissie van botanici in 1906 de knoop doorhakte en voor het algemene ‘paardebloem’ koos, waarvan de betekenis waarschijnlijk ‘nutteloze of waardeloze bloem’ is, naar analogie van ‘paardekastagne’ (oneetbaar, dus zinloos).
De paardebloem, waardeloos? Ik liep van mijn computer naar mijn boekenkast en haalde Tom Poes en de toornviolen tevoorschijn. Daarin staat namelijk de ware aard van de paardebloem beschreven.
Ik fris uw geheugen even op: Heer Bommel wil op een bloemententoonstelling goede sier maken met een heel bijzonder exemplaar. De dwergen Kweetal en Pee Pastinakel hebben een tip voor hem. Ze weten een plek in het bos waar een bijzonder fraaie zonne-dyade staat. Bommel is gecharmeerd van die exotische naam en volgt de twee hoopvol. Bij een open plek in het woud aangekomen roept Pee trots: ‘Kijk, hier groeit de dyade! Een héél mooi soort met een kleine schrompel en een sterke pippeling.’
Teleurgesteld ziet Bommel een gewone paardebloem.
De mannetjes begrijpen zijn minachting niet. En Pee Pastinakel vraagt: ‘Waarom moet iets zeldzaam zijn om mooi te wezen?



(Illustratie uit: 'Tom Poes en de toornviolen', Marten Toonder, 1960)

vrijdag 3 mei 2013

MEI


U hebt mij horen klagen over de somberheid van de herfst, over de verschrikkingen van de lange winter, u hebt mijn smachtend verlangen naar de lente aangehoord. Maar was die eenmaal in zicht, dan was er weer de voorjaarsmoeheid of de angstige onrust van maart om over te zeuren. En niet te vergeten de nationale hysterie die rond Koningsdag ons land in bezit neemt. Is het dan nooit goed?
Ja, toch wel. In mei. Het is ook dan wel even doorbijten, want er is eerst nog een reeks oorlogsherdenkingen waar we doorheen moeten, met halfstokke vlaggen en deprimerende documentaires, maar dan is het dan toch eindelijk zover. Het nieuwe jaar is begonnen.
Het komt hierop neer, volgens de kalender van Rookzanger, die een andere is dan die van Gregorius XIII of van de Maya’s: de lente speelt, ieder jaar opnieuw, een wreed spel met de mens. Althans met de mens die ik ben. Ik verlang er zo naar dat hij alleen maar kan tegenvallen. De winter heeft mijn verwachtingen te heftig opgehitst. Een nieuw begin moet het zijn, de lente, een soort mythische wedergeboorte, maar ik kan het punt waarop die renaissance precies plaatsvindt nooit goed vaststellen, en schuif het in gedachten steeds vooruit. Vandaag is nog niet alles optimaal, maar morgen misschien? De kalender gaat verder, blad na blad sla ik om. En uiteindelijk komt er een dag waarop ik teleurgesteld moet aanvaarden dat het ook dit jaar weer niks geworden is met die magische nieuwe lente; dat alles bij het onvolmaakte, rommelige oude gebleven is. Aan de geuren van gras en bloesems ben ik inmiddels gewend, het zingen van de merel hoor ik al niet meer, dat het ooit koud was ben ik vergeten. Ik haal mijn schouders op en leg mijn heilsverwachtingen terug in de la bij de andere kinderwensen. Hiermee moeten we het doen.
En op dat precieze moment, juist als je het niet verwacht, als je integendeel de hoop hebt laten varen, dan kan het toeslaan. Dan, en alleen dan, is het plotseling Rokjesdag. De eerste echte bewust beleefde dag van de lente, de eerste echte dag van het nieuwe jaar.
Het overkwam mij afgelopen woensdag. Ik stond laat op en ging naar buiten. Ik moest de auto gaan halen die ik de vorige dag ergens heel ver weg had moeten parkeren. Het was prachtig weer, het was stil op straat. En vredig! Het leek of alle chaos en gekte van kroning en vrijmarkt nooit hadden plaatsgevonden. De gemeentelijke reinigingsdienst had zijn werk uitstekend gedaan, als in een niet al te democratische republiek. Maar niet alleen de straten waren schoon, ook de ziel van de mensen leek gepurificeerd. Alle spanning leek verdampt. Niemand zeulde meer met kratten bier, niemand droeg meer oranje. De stemmen waren een terts gezakt, het spreektempo gehalveerd.
Ik bedacht dat dit nog het meeste leek op zo’n morgen in mijn kindertijd waarop de eerste sneeuw was gevallen en de wereld stil, betoverd en rein, en vooral nieuw was. Een morgen als vers wittebrood.
Maar die vergelijking kwam slechts vluchtig in me op en riep geen nostalgie of ander onrustig verlangen naar iets anders dan dit ene moment in me wakker. Want voor het eerst dit jaar was alles precies goed zoals het was.
Ik reed neuriënd terug naar huis en besloot die lang uitgestelde voorjaarsschoonmaak maar eens te gaan beginnen.


Illustratie: “Der Mai is gekommen”, Georg Mühlberg (1863-1925)