dinsdag 13 november 2012
DE WEG VAN DE NAP
Dat ik aan alcohol verslaafd was werd genadeloos aangetoond toen ik, zoals ik al eerder had gedaan, een tijd droog wilde gaan staan, en dat niet meer lukte. Proefondervindelijk vastgesteld, heet dat. Ik kon me met de beste wil van de wereld niet meer losbreken uit de dagelijkse routine van het drinken.
Na een paar chaotische maanden van halfhartige en tot mislukken gedoemde pogingen zocht ik hulp. Zo brak een periode aan die achteraf gezien een zeker ritme en een zekere logica bezat. Ik werd een weekje drooggelegd en gehersenspoeld in de detox van de Jellinekkliniek, was dan een tijdje vol goede moed, bezweek weer en viel geleidelijk terug in mijn oude patroon. Als dat weer een alarmerende fase bereikte klopte ik opnieuw aan bij de hulpverleners.
Zo ging dat vier keer. Maar elke keer werden de terugvallen dieper: in de zekerheid dat er écht een einde moest komen aan dat drinken haalde ik ‘nog even’ het onderste uit de kan. Ik gaf me helemaal over aan mijn zwakte, verklaarde mezelf ziek, en werd schaamteloos in mijn omgang met mensen. Niet verwonderlijk dat die me gingen mijden: behalve dat een altijd aangeschoten en nogal manische man geen goed gezelschap is (communiceren is eenrichtingsverkeer met zo iemand) is de verloedering pijnlijk en verontrustend om aan te zien.
Op het laatst maakte die schaamteloosheid plaats voor een diepe wanhoop. Dit was uitzichtloos. Hardere maatregelen moesten worden getroffen. Ik liet me opnemen in een kliniek; enfin, dat verhaal kent u.
Omziend in spijt probeer ik soms lichtpuntjes te zien in die duistere periode. Helder straalt natuurlijk het baken van het U-Center, waar ik veel meer leerde dan stoppen met drinken, en waar ik anders nooit beland zou zijn. Verder is er niet veel. Ik hield me op de been met schrijven. Vanuit mijn kluizenaarshol stuurde ik, met een liter wijn naast het toetsenbord, lange mails de wereld in. En ja, soms leverde dat wel eens iets op dat de moeite waard was.
In de zomer van 2009, toen ik voor het eerst te maken kreeg met het circuit van de hulpverleners, gebeurde het (de aanleiding weet ik niet meer) dat ik met mijn vriend Robert Eksteen een correspondentie begon in de vorm van haiku’s. Een tijdje amuseerde dat ons, en onder het mom van literaire verstrooiing werden er wel degelijk rake dingen gezegd, die we in een normaal gesprek, van man tot man, blijkbaar niet dorsten zeggen.
Die correspondentie (en dat is de reden voor deze terugblik op een periode waarop ik niet graag terugkijk) is nu gebundeld en uitgegeven en te koop. Boris Rousseeuw maakte er voor zijn Carbolineum Pers onder de titel De weg van de nap een bibliofiel boekje van. Geheel in de geest van de haiku een zorgvuldig en elegant miniatuurtje: mooi papier, mooie letter, met de hand gezet, geïllustreerd met pentekeningen door mijn dochter Rosanne, verpakt in een schuifdoosje.
Dit exclusieve werkje, uitgebracht in kleine, genummerde en gesigneerde oplage, kunt u voor slechts 30 euro bestellen bij Boris Rousseeuw. Zolang de voorraad strekt.
ILLUSIE
Mijn therapeute:
korenbloemblauwe ogen
maken me weerloos.
Eén gesprek met haar
en ik zweer grif de drank af,
het uur veel te kort.
Hoe zou het zijn als
zij mijn vriendin was? Bleef ze
dan die toverfee?
(Jan-Paul)
OUR HOUSE
Je roert de pasta,
je geliefde komt eraan.
Lelies in een vaas.
Ze neemt een glas wijn.
“Nee,” zegt ze, “jij niet, Jan-Paul,
denk aan onze deal.”
Zij gaat in de tuin
haar rapporten doornemen.
Jij blijft maar roeren.
(Robert)
Labels:
drank,
kliniek,
literatuur,
poëzie,
schrijven
vrijdag 9 november 2012
MAESTRO
Toegegeven, mijn humeur was, laten we zeggen ‘herfstig’. Maar als ik had gehoopt dat ik op zou knappen van het nieuwe programma Maestro dat gisteren op de buis verscheen kwam ik bedrogen uit. Het publiek lachte zich rot, was vertederd of enthousiast, maar ik werd er alleen maar treuriger van.
In Maestro worden bekende tv-mensen geconfronteerd met een symfonieorkest. Een uurtje tevoren krijgen ze een partituur en een cd van het stuk dat ze live voor publiek moeten gaan ‘dirigeren’. Dit leidt tot machteloos gezwaai en grote hilariteit. En dat is natuurlijk precies de bedoeling van de show. Vervolgens worden ze door een vakjury afgekraakt. De BN’ers namen dat meestal sportief op; ze wisten waar ze aan begonnen. Maar sommigen van hen waren niettemin zichtbaar geprikkeld of teleurgesteld door hun ingecalculeerde afgang. Stiekem hadden ze misschien gehoopt er toch iets van te bakken. Hun flair redde hen niet uit deze netelige situatie, die ze zelf hadden opgezocht.
Mijn gevoelens waren aanvankelijk nog gemengd bij het gadeslaan van zoveel gestuntel. Want er zit ook een educatief tintje aan. Veel mensen geloven niet dat dirigeren een vak is. Een beetje zwaaien voor zo’n orkest, dat uit zichzelf ook wel speelt, dat kan toch iedereen? Niet dus.
Nou moet ik er wel bij zeggen dat de situatie in dit programma wel een beetje gechargeerd is. Het overkomt heel wat orkesten dat ze in de provincie, tijdens begeleidingen van de plaatselijke oratoriumvereniging, onder incapabele dirigenten moeten werken. Ondanks het afleidende gestuntel van de lokale maestro op de bok redden ze zich er dan toch wel uit: de orkestmeester (de eerste violist) kan met hoofdknikjes wonderen verrichten, en als de orkestleden het stuk een beetje kennen, op elkaar ingespeeld zijn én van goede wil zijn, komt er dan heus wel een samenhangend geheel uit.
Hier was van een samenhangend geheel geen sprake. Blijkbaar was de nadrukkelijke opdracht aan de muzikanten in Maestro om, ongeacht wat hun eigen kompas zei, op de aanwijzingen van de ‘beroemde’ roerganger te varen. En dan krijg je gekke dingen. Want dirigeren is, het werd vaak gezegd in het programma, moeilijk. Dat werd vooral duidelijk door het onvermogen van de proefkonijnen om het orkest gelijk te laten beginnen, of om het überhaupt te laten beginnen. En toch is juist dat, het geven van die opmaat die de boel in gang zet, voor iedereen die een beetje muzikaal gevoel heeft en tot drie of vier kan tellen leerbaar. Het feit dat de dirigenten gisteren zo helemaal in onwetendheid waren gelaten omtrent dit meest fundamentele aspect van het vak maakt duidelijk waar het in de eerste aflevering van Maestro om ging: plat vermaak onder het mom van educatie en popularisering van de klassieke muziek.
En denkt u dat zo’n orkest dat leuk vindt? Ik zag er verschillende musici onder die ik ken. Ernstige, hardwerkende mensen met veel talent. Nu moesten ze de pias uithangen. Sommigen van hen hadden daar misschien wel schik in, maar de meesten, verzeker ik u, lachten zuur, als ze al, op verzoek van de regisseur ongetwijfeld, lachten. Waren ze hiervoor de muziek ingegaan, om een paar overbekende klassieke hits en plein public de soep in te draaien? Dat stond hun vast niet voor ogen toen ze zich dagelijks vele uren lang zwetend over de hals van hun cello bogen of het weerbarstige hout van hun hobo soepel probeerden te blazen.
En het wrangste is nog dat uitgerekend dit orkest, het Holland Symfonia, onlangs wegbezuinigd is. Op de vooravond van hun ontslag mochten de onfortuinlijke leden ervan nog even vrolijk meedoen met dezelfde populistische cultuur die hen om zeep heeft geholpen.
In Maestro worden bekende tv-mensen geconfronteerd met een symfonieorkest. Een uurtje tevoren krijgen ze een partituur en een cd van het stuk dat ze live voor publiek moeten gaan ‘dirigeren’. Dit leidt tot machteloos gezwaai en grote hilariteit. En dat is natuurlijk precies de bedoeling van de show. Vervolgens worden ze door een vakjury afgekraakt. De BN’ers namen dat meestal sportief op; ze wisten waar ze aan begonnen. Maar sommigen van hen waren niettemin zichtbaar geprikkeld of teleurgesteld door hun ingecalculeerde afgang. Stiekem hadden ze misschien gehoopt er toch iets van te bakken. Hun flair redde hen niet uit deze netelige situatie, die ze zelf hadden opgezocht.
Mijn gevoelens waren aanvankelijk nog gemengd bij het gadeslaan van zoveel gestuntel. Want er zit ook een educatief tintje aan. Veel mensen geloven niet dat dirigeren een vak is. Een beetje zwaaien voor zo’n orkest, dat uit zichzelf ook wel speelt, dat kan toch iedereen? Niet dus.
Nou moet ik er wel bij zeggen dat de situatie in dit programma wel een beetje gechargeerd is. Het overkomt heel wat orkesten dat ze in de provincie, tijdens begeleidingen van de plaatselijke oratoriumvereniging, onder incapabele dirigenten moeten werken. Ondanks het afleidende gestuntel van de lokale maestro op de bok redden ze zich er dan toch wel uit: de orkestmeester (de eerste violist) kan met hoofdknikjes wonderen verrichten, en als de orkestleden het stuk een beetje kennen, op elkaar ingespeeld zijn én van goede wil zijn, komt er dan heus wel een samenhangend geheel uit.
Hier was van een samenhangend geheel geen sprake. Blijkbaar was de nadrukkelijke opdracht aan de muzikanten in Maestro om, ongeacht wat hun eigen kompas zei, op de aanwijzingen van de ‘beroemde’ roerganger te varen. En dan krijg je gekke dingen. Want dirigeren is, het werd vaak gezegd in het programma, moeilijk. Dat werd vooral duidelijk door het onvermogen van de proefkonijnen om het orkest gelijk te laten beginnen, of om het überhaupt te laten beginnen. En toch is juist dat, het geven van die opmaat die de boel in gang zet, voor iedereen die een beetje muzikaal gevoel heeft en tot drie of vier kan tellen leerbaar. Het feit dat de dirigenten gisteren zo helemaal in onwetendheid waren gelaten omtrent dit meest fundamentele aspect van het vak maakt duidelijk waar het in de eerste aflevering van Maestro om ging: plat vermaak onder het mom van educatie en popularisering van de klassieke muziek.
En denkt u dat zo’n orkest dat leuk vindt? Ik zag er verschillende musici onder die ik ken. Ernstige, hardwerkende mensen met veel talent. Nu moesten ze de pias uithangen. Sommigen van hen hadden daar misschien wel schik in, maar de meesten, verzeker ik u, lachten zuur, als ze al, op verzoek van de regisseur ongetwijfeld, lachten. Waren ze hiervoor de muziek ingegaan, om een paar overbekende klassieke hits en plein public de soep in te draaien? Dat stond hun vast niet voor ogen toen ze zich dagelijks vele uren lang zwetend over de hals van hun cello bogen of het weerbarstige hout van hun hobo soepel probeerden te blazen.
En het wrangste is nog dat uitgerekend dit orkest, het Holland Symfonia, onlangs wegbezuinigd is. Op de vooravond van hun ontslag mochten de onfortuinlijke leden ervan nog even vrolijk meedoen met dezelfde populistische cultuur die hen om zeep heeft geholpen.
dinsdag 6 november 2012
BEDLECTUUR
Ik schrijf te weinig over Simenon. Deze Luikse veelschrijver was een raadselachtige man die me aantrekt en afstoot. Ik kan soms avonden lang gefascineerd in zijn autobiografisch werk lezen om het dan opeens verzadigd en bijna walgend weg te leggen. Over zijn sympathieke held Maigret heb ik ook slechts hier en daar iets geschreven. Het onderwerp is te belangrijk voor me en te veelomvattend om zo maar af te doen met een aardig stukje. Als ik me er ooit aan waag moet het een heuse studie worden, vind ik; en daarvoor heb ik tot nu toe noch de inspiratie noch de werkkracht gevonden.
De laatste dagen verkeer ik in een zeldzame toestand van geluk dat me zomaar in de schoot is geworpen. Ik heb de Maigret-serie compleet: het laatste ontbrekende deeltje bestelde ik een tijd geleden via internet. Dat voelde een beetje als vals spelen, maar hoe ik ook zocht in antiquariaten en op vrijmarkten, De vriend van Maigret lag nooit tussen de oude pocketjes. Toen ik het in huis had en begon te lezen was dat in het weemoedige besef dat er hierna nooit meer een nieuwe episode van de sage zou komen. Maigrets zijn voor het merendeel goed herleesbaar omdat de plot eigenlijk niet zo belangrijk is, maar het is toch niet helemaal hetzelfde. Het leesplezier is lauwer. De eerste hoofdstukken zijn altijd fijn, maar gaandeweg komen eerst de grote lijn en dan de details van de afwikkeling in de herinnering terug, en dan moet zo’n boekje wel goed geschreven zijn, wil ik het uitlezen. En dat zijn ze lang niet altijd.
Met Maigret en de geschaduwde schoolmeester ging het anders. Ik was al in het derde of vierde hoofdstuk, had glimlachend vastgesteld dat er in dit deel wel uitzónderlijk veel gedronken werd en dat het dus wel uit Simenons alcoholische middenperiode moest stammen, maar nog steeds zei het verhaal me niets. Noch aan de locatie, noch aan de personen of de intrige had ik enige herinnering. Langzaam warmde mijn leesplezier op, en gisteravond ging ik naar bed in de handenwrijvende zekerheid, dat ik hier een nieuwe Maigret in handen had: blijkbaar had ik het boekje ooit aangeschaft in een periode dat Simenon me tegenstond en was het ongelezen tussen de chronologisch geordende deeltjes gezet.
U denkt nu misschien: een kinderhand is gauw gevuld. Maar ik kan u verzekeren dat er meer mensen zijn zoals ik, voor wie de lezing en herlezing van Simenons psychologische politieromans een gekoesterd ritueel is.
Zaterdag bezocht ik de expositie Mijn buurt in galerie Retort aan de Aalsmeerweg. Kunstenaar Wietze Dorsman heeft zeven maanden lang de Hoofddorppleinbuurt geportretteerd. Elke dag, weer of geen weer, trok hij erop uit, stelde zijn schildersezel op en legde vast wat hij zag. Winkels, verkeersborden, een straatmuzikant, een boom, een fiets, een bloemenstal. Ik bekeek de zeventig kleurige schilderijen met plezier. Maar één in het bijzonder beviel me. Een avondtafereel. Kunstlicht weerspiegelt zich in het water van de Schinkel. Een donkere tram doemt op, op weg naar de remise. Ik zei tegen de kunstenaar dat het doek me deed denken aan de boeken van Simenon. Daarin wordt veel in treinen gereden die door donkere regenachtige landschappen rijden: de commissaris staart dan soezerig pijp rokend naar de opdoemende lichtjes van eenzame huizen en vraagt zich af welk leven zich daar afspeelt.
Dorsman knikte glimlachend. Hij bleek ook een liefhebber. Hij leest de serie in het Frans en heeft ze nog niet compleet, maar ook bij hem geldt dat het verhaal er eigenlijk niet zoveel toe doet. Elke avond leest hij een paar bladzijden in een willekeurige Maigret totdat hij slaperig wordt. Slaapverwekkend saai dus, die Simenon, hoor ik u zeggen. Maar zo is het niet. De wereld van Maigret is een donkere maar veilige wereld; zondig maar tegelijk kinderlijk onschuldig, ondanks alle moorden, ondanks al het schuim der aarde dat er overvloedig in optreedt. Een voorgoed verdwenen wereld vol dagelijkse pekelzonden en onbeduidende rituelen. Een wereld waarin schurken een hart hebben en brave burgermensen rotte plekken. Waarin iedereen in wezen zwak en daarmee sympathiek is. Waarin mensen zonder er veel aan te kunnen doen hun lot vervullen in een omgeving die alcoholisme, hoererij en hypocrisie schouderophalend accepteert. In het warme en smoezelige Frankrijk van Simenon wordt veel, zo niet alles vergeven. En dat maakt geruststellende bedlectuur.
(Illustratie: 'Tramremise', Wietze Dorsman)
Labels:
Amsterdam,
beeldende kunst,
literatuur,
Maigret,
Simenon
vrijdag 2 november 2012
ALLERZIELEN
Gisteravond zag ik een prachtige documentaire op Canvas. Ik vergeet u nooit van Kat Steppe. Centraal daarin staat het kerkhof van het West-Vlaamse Menen, dat eerstdaags geruimd zal worden. De film toont ons het leven op de dodenakker. Dat wil zeggen de vaste bezoekers. En daarmee ontstaat een indringend portret van een omgangsvorm met de dood die aan het verdwijnen is.
We zagen grijze mannen en vrouwen die bedachtzaam naar graven staarden en vertelden over hun dierbaren, kort of lang geleden gestorven, dat was om het even. We zagen een zee van leistenen gedenktekens onder een grauwe wolkenlucht. Een groepje lokale toeristen werd rondgeleid door een gids. Vooral oudere vrouwen, die giechelden en vrolijk babbelden in onverstaanbaar West-Vlaams maar niettemin gefascineerd waren door de gebruiken rond hun voorland. De gids bleek spoken te zien: zijn grootmoeder en zijn nonkel hielden hem thuis gezelschap. Een schizofreen? In de grote stad zouden we hem onder behandeling stellen, maar hier leefde hij in pais en vree met zijn wanen. Verontschuldigend en verlegen lachend vertelde hij aan de buiten beeld blijvende interviewster dat nonkel op dat moment pal naast haar zat.
We zagen ook een man die een ronde maakte langs alle graven in de omgeving waar familie en bekenden van hem lagen. Dat deed hij elk jaar op 1 november.
Die datum verbaasde me. De eerste november is het Allerheiligen. Vandaag, 2 november, wordt door alle katholieken het feest van Allerzielen gevierd. In zuidelijke landen verandert het kerkhof dan in een picknickplaats. En famille etend en drinkend tussen de chrysanten gedenkt men de gestorvenen.
Ik googelde de katholieke feestdag en belandde in een verwarrend web van tradities. De cultus van de doden die op Allerzielen wordt gevierd is net als Sinterklaas en Kerstmis een mooi voorbeeld van de kerstening van heidense hoogtijdagen. Samhain, het Keltische nieuwe jaar, begon ergens rond de overgang van oktober naar november, al naar gelang de volle maan. In die nacht vervaagden de grenzen tussen de mensenwereld en het elfenrijk. Men zette schoteltjes eten voor de deur om de fairies gunstig te stemmen en de doden waarden op aarde rond. Allerzielen speelde handig in op dat laatste aspect: op deze dag wordt er in het bijzonder gebeden voor de doden die de overgang naar het rijk Gods nog niet hebben gemaakt en knarsetandend in het vagevuur verblijven.
Maar heidense tradities zijn hardnekkig en laten zich niet zo gemakkelijk in een kerkelijk keurslijf dwingen. De Oudejaarsavond van de Kelten werd ondanks de instelling van Allerheiligen en Allerzielen nog steeds uitbundig gevierd. Omdat die op de vooravond viel van Allerheiligen heet hij All Hallows’ Eve, ofwel Halloween. Ierse immigranten brachten het feest naar Amerika en via Hollywood kwam het met een omweg weer thuis in het oude Europa. De populaire Halloweenfeestjes van nu en de oude mensen op het gedoemde kerkhof van Menen: ze stoelen op dezelfde voorchristelijke traditie. De zomer is voorbij, de oogst is binnen, de winter begint, en de doden zijn onder ons.
(Illustratie: William-Adolphe Bouguereau)
We zagen grijze mannen en vrouwen die bedachtzaam naar graven staarden en vertelden over hun dierbaren, kort of lang geleden gestorven, dat was om het even. We zagen een zee van leistenen gedenktekens onder een grauwe wolkenlucht. Een groepje lokale toeristen werd rondgeleid door een gids. Vooral oudere vrouwen, die giechelden en vrolijk babbelden in onverstaanbaar West-Vlaams maar niettemin gefascineerd waren door de gebruiken rond hun voorland. De gids bleek spoken te zien: zijn grootmoeder en zijn nonkel hielden hem thuis gezelschap. Een schizofreen? In de grote stad zouden we hem onder behandeling stellen, maar hier leefde hij in pais en vree met zijn wanen. Verontschuldigend en verlegen lachend vertelde hij aan de buiten beeld blijvende interviewster dat nonkel op dat moment pal naast haar zat.
We zagen ook een man die een ronde maakte langs alle graven in de omgeving waar familie en bekenden van hem lagen. Dat deed hij elk jaar op 1 november.
Die datum verbaasde me. De eerste november is het Allerheiligen. Vandaag, 2 november, wordt door alle katholieken het feest van Allerzielen gevierd. In zuidelijke landen verandert het kerkhof dan in een picknickplaats. En famille etend en drinkend tussen de chrysanten gedenkt men de gestorvenen.
Ik googelde de katholieke feestdag en belandde in een verwarrend web van tradities. De cultus van de doden die op Allerzielen wordt gevierd is net als Sinterklaas en Kerstmis een mooi voorbeeld van de kerstening van heidense hoogtijdagen. Samhain, het Keltische nieuwe jaar, begon ergens rond de overgang van oktober naar november, al naar gelang de volle maan. In die nacht vervaagden de grenzen tussen de mensenwereld en het elfenrijk. Men zette schoteltjes eten voor de deur om de fairies gunstig te stemmen en de doden waarden op aarde rond. Allerzielen speelde handig in op dat laatste aspect: op deze dag wordt er in het bijzonder gebeden voor de doden die de overgang naar het rijk Gods nog niet hebben gemaakt en knarsetandend in het vagevuur verblijven.
Maar heidense tradities zijn hardnekkig en laten zich niet zo gemakkelijk in een kerkelijk keurslijf dwingen. De Oudejaarsavond van de Kelten werd ondanks de instelling van Allerheiligen en Allerzielen nog steeds uitbundig gevierd. Omdat die op de vooravond viel van Allerheiligen heet hij All Hallows’ Eve, ofwel Halloween. Ierse immigranten brachten het feest naar Amerika en via Hollywood kwam het met een omweg weer thuis in het oude Europa. De populaire Halloweenfeestjes van nu en de oude mensen op het gedoemde kerkhof van Menen: ze stoelen op dezelfde voorchristelijke traditie. De zomer is voorbij, de oogst is binnen, de winter begint, en de doden zijn onder ons.
(Illustratie: William-Adolphe Bouguereau)
dinsdag 30 oktober 2012
BERNLEF
Gisteren stierf Henk Marsman, oftewel Bernlef.
Zijn werk ben ik eigenlijk pas de laatste jaren op waarde gaan schatten, maar de mens Bernlef was me al langer sympathiek. Dat kwam door zijn jas.
Diezelfde zandkleurige Hugo Boss heb ik ook. Ik kreeg hem ooit van een tante van mijn vrouw die in een luxe modezaak werkte; hij had een weeffout en werd afgeschreven. Dragen deed ik hem eigenlijk alleen bij gelegenheid, als ik op chic moest voor een concert bijvoorbeeld. Omdat ik niet bepaald een sharp dressed man ben misstond de opvallende, ruime jas met de brede schouders en de tot beneden de knieën vallende panden me, vond ik. Een vlag op een modderschuit. Hoewel hij in die tijd (de jaren negentig) een veel gezien kledingstuk was in Oud-Zuid, mijn buurt, voelde ik me er kwetsbaar in. Hij trok de aandacht, door zijn incongruentie, naar mijn slordige lange haar, mijn afgetrapte schoenen en mijn vale spijkerbroek van een goedkoop merk.
Bernlef had daar geen last van. Hoewel de jas bij hem nog scherper contrasteerde dan bij mij (want hij bedekte zijn hoofd ’s winters met een zwartwollen ijsmuts en in zijn verweerde gezicht stak steevast een peuk) wist hij hem te dragen. Op een vreemde manier accentueerde de dure jas zijn bescheidenheid en zijn gewoonheid. Hij had weliswaar kennis genomen van de snobistische uitstraling ervan, stel ik me zo voor, maar tegelijkertijd vastgesteld, met zijn praktische en opmerkzame geest, dat de jas uitstekend voor zijn doel ontworpen was. De pure wol valt soepel en licht om je heen en houdt je warm van boven tot beneden, mits je er een shawl onder draagt.
Zo droeg Bernlef zijn Hugo Boss zoals een ander een oude zelfgebreide trui. Hij woonde erin. Hij drapeerde hem losjes om zich heen of hij dook erin weg, al naar gelang het jaargetijde. Wie het niet wist zou nooit zeggen dat het een ding van zo’n duizend gulden was dat Bernlef daar droeg.
Zijn werk ben ik eigenlijk pas de laatste jaren op waarde gaan schatten, maar de mens Bernlef was me al langer sympathiek. Dat kwam door zijn jas.
Diezelfde zandkleurige Hugo Boss heb ik ook. Ik kreeg hem ooit van een tante van mijn vrouw die in een luxe modezaak werkte; hij had een weeffout en werd afgeschreven. Dragen deed ik hem eigenlijk alleen bij gelegenheid, als ik op chic moest voor een concert bijvoorbeeld. Omdat ik niet bepaald een sharp dressed man ben misstond de opvallende, ruime jas met de brede schouders en de tot beneden de knieën vallende panden me, vond ik. Een vlag op een modderschuit. Hoewel hij in die tijd (de jaren negentig) een veel gezien kledingstuk was in Oud-Zuid, mijn buurt, voelde ik me er kwetsbaar in. Hij trok de aandacht, door zijn incongruentie, naar mijn slordige lange haar, mijn afgetrapte schoenen en mijn vale spijkerbroek van een goedkoop merk.
Bernlef had daar geen last van. Hoewel de jas bij hem nog scherper contrasteerde dan bij mij (want hij bedekte zijn hoofd ’s winters met een zwartwollen ijsmuts en in zijn verweerde gezicht stak steevast een peuk) wist hij hem te dragen. Op een vreemde manier accentueerde de dure jas zijn bescheidenheid en zijn gewoonheid. Hij had weliswaar kennis genomen van de snobistische uitstraling ervan, stel ik me zo voor, maar tegelijkertijd vastgesteld, met zijn praktische en opmerkzame geest, dat de jas uitstekend voor zijn doel ontworpen was. De pure wol valt soepel en licht om je heen en houdt je warm van boven tot beneden, mits je er een shawl onder draagt.
Zo droeg Bernlef zijn Hugo Boss zoals een ander een oude zelfgebreide trui. Hij woonde erin. Hij drapeerde hem losjes om zich heen of hij dook erin weg, al naar gelang het jaargetijde. Wie het niet wist zou nooit zeggen dat het een ding van zo’n duizend gulden was dat Bernlef daar droeg.
Labels:
in memoriam,
literatuur,
portretten
TAAL
En daar stonden ze dan, Samsom en Rutte, glunderend in postuur en in pak, klaar om het volk de uitkomst van hun wekenlange onderhandelingen te onthullen. Het eerste wat me opviel was dat Samsom een beetje op Rutte was gaan lijken: hij was qua houding en uitstraling wat naar zijn liberale mattie toegetrokken; de onbewuste aanpassing van de pleaser. Het tweede wat onmiddellijk mijn oor trof was zijn openingszin.
‘Ik besef me…’
Ik liet alle hoop varen.
Natuurlijk, besef ik me, is het nonsens om inhoudelijke consequenties te verbinden aan fout taalgebruik. Een gebrek aan filologisch talent hoeft niet per se op een gebrek aan politiek vakmanschap te duiden. Maar, als Samsom op een gebied waar ik toevallig kijk op heb zo opvallend te kort schiet, zou hij dat dan ook niet doen op andere, voor mij verborgen terreinen?
Vertrouwen wekt het bepaald niet, de op een na machtigste man van Nederland die zulke taalblunders maakt. En vertrouwen is het wat de heren proberen uit te stralen. Kosten noch moeite worden gespaard om ze in het juiste, vertrouwenwekkende pak te hijsen. Samsom, hoorden we in Pauw & Witteman, had een mannetje in Leiden, waarover hij erg tevreden was, Rutte een leverancier in Den Haag. Maar een mannetje dat de zo belangrijke statement over het zo belangrijke regeerakkoord in de juiste woorden moest hijsen (want Samsom las van een papiertje) was blijkbaar niet te vinden.
Er wordt veel gezondigd tegen spelling en grammatica. Nog onlangs zagen we bij het journaal de officiële verklaring van National Geographic naar aanleiding van hun faux pas inzake de dood verklaarde prins in beeld, in koeienletters: ‘National Geographic betuigd zijn spijt…’ Rob Trip zei er niks van. Hij sprak van een ‘technische fout’ bij de omroep, maar die gold het bericht dat de wereld was ingestuurd, niet de formulering van hun spijtbetuiging.
De schuld voor het tegenwoordige slechte spellen wordt meestal op het onderwijs geschoven. De partij van Samsom zou dat in de afgelopen decennia grondig hebben verziekt. Ik denk echter dat er meer aan de hand is. Er is een onverschilligheid ontstaan tegenover de ooit gekoesterde orthografie. Vroeger was immers het gesproken woord de voornaamste communicatievorm. Als je iets opschreef, wat niet zo vaak voorkwam, lette je toch een beetje op je woorden. Tegenwoordig hebben chatten, mailen en sms’sen het overgenomen van gesproken taal in de vluchtige, dagelijkse communicatie. En wie maalt om een misspelling in een snel neergetikte facebookreactie? Of om een ten onrechte wederkerig gebruikt werkwoord? Niemand kijkt toch meer op van een mededeling als ‘ik irriteer me’? En als niemand meer opkijkt houdt ook het rode potlood op te krassen. En als je dagelijks gewend bent slordig te schrijven zal je dat ook doen als je iets belangrijkers te schrijven hebt. Het statement van een partijvoorzitter bijvoorbeeld.
Heel ernstig was mijn ergernis in het geval Samsom dan ook niet; het was meer een lauwe schok, de bevestiging van iets wat ik al vreesde. Ik heb toch al niet zo’n hoge dunk van politici. Erger vond ik het volgende.
Ik kreeg een aankondiging van Huize Frankendael voor een boekpresentatie van Johannes van Dam. Zijn Koken op Bommelstein zou in stijl ten doop worden gehouden. Geïnteresseerden konden een 5-gangen diner reserveren in het voormalige landhuis aan de Middenweg. Het ‘Ollie B. Bommelwaardige’ menu werd geadverteerd met luxe drukwerk: een prachtige gekleurde tekening van Dick Matena waarop we de Amsterdamse eetpaus zien dineren met Bommel en Tom Poes sierde de voorkant.
En wat stond er in vette letters onder de uitnodiging?
‘Ontvangst zoals het een heer betaamd vanaf 19 uur.’
Marten Toonder zou zich omdraaien in zijn graf.
‘Ik besef me…’
Ik liet alle hoop varen.
Natuurlijk, besef ik me, is het nonsens om inhoudelijke consequenties te verbinden aan fout taalgebruik. Een gebrek aan filologisch talent hoeft niet per se op een gebrek aan politiek vakmanschap te duiden. Maar, als Samsom op een gebied waar ik toevallig kijk op heb zo opvallend te kort schiet, zou hij dat dan ook niet doen op andere, voor mij verborgen terreinen?
Vertrouwen wekt het bepaald niet, de op een na machtigste man van Nederland die zulke taalblunders maakt. En vertrouwen is het wat de heren proberen uit te stralen. Kosten noch moeite worden gespaard om ze in het juiste, vertrouwenwekkende pak te hijsen. Samsom, hoorden we in Pauw & Witteman, had een mannetje in Leiden, waarover hij erg tevreden was, Rutte een leverancier in Den Haag. Maar een mannetje dat de zo belangrijke statement over het zo belangrijke regeerakkoord in de juiste woorden moest hijsen (want Samsom las van een papiertje) was blijkbaar niet te vinden.
Er wordt veel gezondigd tegen spelling en grammatica. Nog onlangs zagen we bij het journaal de officiële verklaring van National Geographic naar aanleiding van hun faux pas inzake de dood verklaarde prins in beeld, in koeienletters: ‘National Geographic betuigd zijn spijt…’ Rob Trip zei er niks van. Hij sprak van een ‘technische fout’ bij de omroep, maar die gold het bericht dat de wereld was ingestuurd, niet de formulering van hun spijtbetuiging.
De schuld voor het tegenwoordige slechte spellen wordt meestal op het onderwijs geschoven. De partij van Samsom zou dat in de afgelopen decennia grondig hebben verziekt. Ik denk echter dat er meer aan de hand is. Er is een onverschilligheid ontstaan tegenover de ooit gekoesterde orthografie. Vroeger was immers het gesproken woord de voornaamste communicatievorm. Als je iets opschreef, wat niet zo vaak voorkwam, lette je toch een beetje op je woorden. Tegenwoordig hebben chatten, mailen en sms’sen het overgenomen van gesproken taal in de vluchtige, dagelijkse communicatie. En wie maalt om een misspelling in een snel neergetikte facebookreactie? Of om een ten onrechte wederkerig gebruikt werkwoord? Niemand kijkt toch meer op van een mededeling als ‘ik irriteer me’? En als niemand meer opkijkt houdt ook het rode potlood op te krassen. En als je dagelijks gewend bent slordig te schrijven zal je dat ook doen als je iets belangrijkers te schrijven hebt. Het statement van een partijvoorzitter bijvoorbeeld.
Heel ernstig was mijn ergernis in het geval Samsom dan ook niet; het was meer een lauwe schok, de bevestiging van iets wat ik al vreesde. Ik heb toch al niet zo’n hoge dunk van politici. Erger vond ik het volgende.
Ik kreeg een aankondiging van Huize Frankendael voor een boekpresentatie van Johannes van Dam. Zijn Koken op Bommelstein zou in stijl ten doop worden gehouden. Geïnteresseerden konden een 5-gangen diner reserveren in het voormalige landhuis aan de Middenweg. Het ‘Ollie B. Bommelwaardige’ menu werd geadverteerd met luxe drukwerk: een prachtige gekleurde tekening van Dick Matena waarop we de Amsterdamse eetpaus zien dineren met Bommel en Tom Poes sierde de voorkant.
En wat stond er in vette letters onder de uitnodiging?
‘Ontvangst zoals het een heer betaamd vanaf 19 uur.’
Marten Toonder zou zich omdraaien in zijn graf.
vrijdag 26 oktober 2012
STOKKERMANS
Ik ben een Hamelaar.
Voor de jongeren onder u: dat zijn mensen die ooit, in de jaren ’70, gegrepen zijn door de tv-serie ‘Kunt U mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?’ en uit die greep nooit meer helemaal zijn losgekomen.
Van de oer-Hamelaars, de vele acteurs die de serie met kleurrijke types bevolkten, staat alleen Rob de Nijs nog fier overeind. Ab Hofstee, Martin Brozius, Wil van Selst, Henk van Ulsen, Lex Goudsmit, Leen Jongewaard, Luc Lutz, Andrea Domburg, Paul Meijer en al die andere bewoners van het kneuterige plaatsje Hamelen en van de Andere Wereld die er vlakbij begon: allen stierven ze, werden oud of raakten in vergetelheid. Van de makers leeft nu alleen tekstschrijver Harry Geelen nog. Joop Stokkermans, de componist van de geniale liedjes die zo’n belangrijke rol in de serie speelden, stierf afgelopen woensdag.
Stokkermans behoorde tot een generatie van hoogopgeleide alleskunners. Handige en creatieve jongens die de toenmalige ‘lichte muziek’ met trefzekere hand voorzagen van een degelijke onderbouw en een zwierige finishing touch. Klaargestoomd tot concertpianist, leerling van de virtuoos Robert Casadesus, winnaar van de Prix d’Excellence, belandde hij in de wereld van de amusementsmuziek en merkte dat hij het er naar zijn zin had. In plaats van de zoveelste vertolker te worden van de overbekende pianoconcerten kon hij er een scheppende rol spelen. In de lichte muziek van die dagen bestond een enorme honger naar kwaliteit. De kloof tussen de nieuwe generatie die fris maar barbaars te werk ging en de oude garde die partituren kon schrijven maar niet bepaald swingde was groot: Stokkermans vulde die slim en vakkundig op. Net als zijn beroemde Britse collega George Martin (die de Beatles mogelijk maakte) en de Vlaming Bert Paige (eigenlijk: Albert Lepage, geen wikipediapagina: schande!) die Boudewijn de Groots beste platen van prachtige arrangementen voorzag, bracht Stokkermans zijn kennis van de klassieken in om de lichte muziek dat ietsje meer te geven wat we cachet noemen.
Ik heb des te meer begrip en waardering voor deze werkwijze omdat ikzelf op een veel bescheidener niveau ook zo’n overgekwalificeerde liedjessmid ben. Ik schep er een duivels genoegen in om in een op het eerste gehoor simpel liedje kleine verwijzingen aan te brengen naar de klassieken, hoe onwaarschijnlijker hoe beter. Een pianist met wie ik ooit werkte verwonderde zich over een bepaalde ongebruikelijke samenklank in een verder nogal gelikte ballad. ‘Dat is het Mystieke Akkoord van Skrjábin,’ zei ik veelbetekenend. Hij keek me aan of hij water zag branden. ‘Die is gek,’ moet hij gedacht hebben. Maar het akkoord vond hij ‘tof’.
Maar nu even niet over mezelf, en terug naar het onderwerp. De liedjes van Hamelen zijn prachtig! Vergeet nu eens even die overbekende leader, die natuurlijk ook weer in het journaal te horen was, en luister naar een verzamel-cd: dankzij de inspanningen van trouwe fans is de muziek van de serie grotendeels gered en op cd verkrijgbaar, als u enige moeite doet. Schitterend gecomponeerde liedjes, vol weemoed en speelse fantasie, vooral door Rob de Nijs en Loeki Knol bloedstollend mooi, melancholiek en zwoel gezongen.
Dat Stokkermans ook de muziek van Oebele, Q & Q en Barbapapa (andere iconische series uit die tijd) had gemaakt wist ik natuurlijk wel. Dat kon je horen, als Hamelenfan. Maar van het overzicht van zijn werk dat het journaal zo tussen neus en lippen door gaf schrok ik toch wel. Songfestival- en musicalliedjes, reclametunes die iedereen van mijn generatie kent, Ti-ta-tovenaar, Okkie Trooy, Citroentje met suiker, Peppi en Kokki, Rikkie en Slingertje: het Nederlandse muzikale tv-landschap van de vorige eeuw blijkt, overal waar geen 'Harry Bannink' bij staat, door Stokkermans te zijn ontworpen.
Liever Venz hagelslag dan gewone hagelslag!
Maar reclame is het laatste wat in mijn hoofd opkomt als ik op deze mooie herfstmorgen aan Joop Stokkermans denk. Ik luister naar de Hamelen-klassieker ‘Er is een lied dat komt en dat gaat’ en ben weer geroerd door de geacheveerde, orenschijnlijk simpele melodie, met dat onmiskenbare Franse tintje dat me aan Ravel doet denken. En ik zing zachtjes mee, als hommage aan een muzikale duizendpoot:
‘Ik ben de speelman dankbaar, dat ik het lied ken…’
(Een lezer attendeerde me erop dat Loeki Knol nog steeds zingt, net als Rob de Nijs. Dat klopt. In 2004 zag ik haar nog stralen in 'Hamelen, de musical' als de ouder geworden Lidwina Walg, die haar dochter de avonturen van de Hamelaars vertelt, en ook nu nog is ze actief. Maar al deze terzijdes pasten niet zo goed bij de dramatiek van de zin in kwestie, waarvoor excuus aan de vrouw met de mooiste omfloerste stem van Nederland.)
Voor de jongeren onder u: dat zijn mensen die ooit, in de jaren ’70, gegrepen zijn door de tv-serie ‘Kunt U mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?’ en uit die greep nooit meer helemaal zijn losgekomen.
Van de oer-Hamelaars, de vele acteurs die de serie met kleurrijke types bevolkten, staat alleen Rob de Nijs nog fier overeind. Ab Hofstee, Martin Brozius, Wil van Selst, Henk van Ulsen, Lex Goudsmit, Leen Jongewaard, Luc Lutz, Andrea Domburg, Paul Meijer en al die andere bewoners van het kneuterige plaatsje Hamelen en van de Andere Wereld die er vlakbij begon: allen stierven ze, werden oud of raakten in vergetelheid. Van de makers leeft nu alleen tekstschrijver Harry Geelen nog. Joop Stokkermans, de componist van de geniale liedjes die zo’n belangrijke rol in de serie speelden, stierf afgelopen woensdag.
Stokkermans behoorde tot een generatie van hoogopgeleide alleskunners. Handige en creatieve jongens die de toenmalige ‘lichte muziek’ met trefzekere hand voorzagen van een degelijke onderbouw en een zwierige finishing touch. Klaargestoomd tot concertpianist, leerling van de virtuoos Robert Casadesus, winnaar van de Prix d’Excellence, belandde hij in de wereld van de amusementsmuziek en merkte dat hij het er naar zijn zin had. In plaats van de zoveelste vertolker te worden van de overbekende pianoconcerten kon hij er een scheppende rol spelen. In de lichte muziek van die dagen bestond een enorme honger naar kwaliteit. De kloof tussen de nieuwe generatie die fris maar barbaars te werk ging en de oude garde die partituren kon schrijven maar niet bepaald swingde was groot: Stokkermans vulde die slim en vakkundig op. Net als zijn beroemde Britse collega George Martin (die de Beatles mogelijk maakte) en de Vlaming Bert Paige (eigenlijk: Albert Lepage, geen wikipediapagina: schande!) die Boudewijn de Groots beste platen van prachtige arrangementen voorzag, bracht Stokkermans zijn kennis van de klassieken in om de lichte muziek dat ietsje meer te geven wat we cachet noemen.
Ik heb des te meer begrip en waardering voor deze werkwijze omdat ikzelf op een veel bescheidener niveau ook zo’n overgekwalificeerde liedjessmid ben. Ik schep er een duivels genoegen in om in een op het eerste gehoor simpel liedje kleine verwijzingen aan te brengen naar de klassieken, hoe onwaarschijnlijker hoe beter. Een pianist met wie ik ooit werkte verwonderde zich over een bepaalde ongebruikelijke samenklank in een verder nogal gelikte ballad. ‘Dat is het Mystieke Akkoord van Skrjábin,’ zei ik veelbetekenend. Hij keek me aan of hij water zag branden. ‘Die is gek,’ moet hij gedacht hebben. Maar het akkoord vond hij ‘tof’.
Maar nu even niet over mezelf, en terug naar het onderwerp. De liedjes van Hamelen zijn prachtig! Vergeet nu eens even die overbekende leader, die natuurlijk ook weer in het journaal te horen was, en luister naar een verzamel-cd: dankzij de inspanningen van trouwe fans is de muziek van de serie grotendeels gered en op cd verkrijgbaar, als u enige moeite doet. Schitterend gecomponeerde liedjes, vol weemoed en speelse fantasie, vooral door Rob de Nijs en Loeki Knol bloedstollend mooi, melancholiek en zwoel gezongen.
Dat Stokkermans ook de muziek van Oebele, Q & Q en Barbapapa (andere iconische series uit die tijd) had gemaakt wist ik natuurlijk wel. Dat kon je horen, als Hamelenfan. Maar van het overzicht van zijn werk dat het journaal zo tussen neus en lippen door gaf schrok ik toch wel. Songfestival- en musicalliedjes, reclametunes die iedereen van mijn generatie kent, Ti-ta-tovenaar, Okkie Trooy, Citroentje met suiker, Peppi en Kokki, Rikkie en Slingertje: het Nederlandse muzikale tv-landschap van de vorige eeuw blijkt, overal waar geen 'Harry Bannink' bij staat, door Stokkermans te zijn ontworpen.
Liever Venz hagelslag dan gewone hagelslag!
Maar reclame is het laatste wat in mijn hoofd opkomt als ik op deze mooie herfstmorgen aan Joop Stokkermans denk. Ik luister naar de Hamelen-klassieker ‘Er is een lied dat komt en dat gaat’ en ben weer geroerd door de geacheveerde, orenschijnlijk simpele melodie, met dat onmiskenbare Franse tintje dat me aan Ravel doet denken. En ik zing zachtjes mee, als hommage aan een muzikale duizendpoot:
‘Ik ben de speelman dankbaar, dat ik het lied ken…’
(Een lezer attendeerde me erop dat Loeki Knol nog steeds zingt, net als Rob de Nijs. Dat klopt. In 2004 zag ik haar nog stralen in 'Hamelen, de musical' als de ouder geworden Lidwina Walg, die haar dochter de avonturen van de Hamelaars vertelt, en ook nu nog is ze actief. Maar al deze terzijdes pasten niet zo goed bij de dramatiek van de zin in kwestie, waarvoor excuus aan de vrouw met de mooiste omfloerste stem van Nederland.)
Abonneren op:
Posts (Atom)






