Volgens een van mijn therapeuten in de kliniek moet je elke opkomende ergernis meteen wegnemen voor die uitgroeit tot een obstakel waar alleen de fles tegenop kan. Vooruit dan maar.
Ik ging er vanmorgen op uit. Knisperende sneeuw, prikkelende lucht, 'mooi artillerieweertje' zoals Kees Snel graag zei. Mijn pijp smaakte me uitstekend.
In Wildschut dronk ik een koffie verkeerd aan de leestafel. Mijn oog viel op een stukje over Bennie Jolink. De Achterhoekse zanger had een loflied op de jacht gemaakt. Stoer, vond ik. De man was me al sympathiek en dit paste bij zijn rulle imago. Een conceptalbum nog wel, Hubertus en Diana geheten. Ik las en een schaduw trof mijn serene humeur. 'Mensen die denken dat jagers plezier hebben in het doden van dieren snappen er niks van,' zegt Jolink zo ongeveer. 'Jagers doen aan natuurbehoud. We schieten de zwakke dieren af. Geen groter kick dan er samen op uit trekken en weten dat je aan natuurbehoud doet.'
Dat wil ik geloven. Lekker schieten voor het goede doel. Zou Jolink net zo'n kick krijgen als hij in alle vroegte met een maat het bos introk om een veenpoeltje sneeuwvrij te maken? Bah, wat een vuile leugens.
In dezelfde krant (De Telegraaf) las ik dat het jongerencombo Franz Ferdinand de bij zijn leven al legendarische Captain Beefheart als inspiratiebron noemt. Als je zelf helemaal niks bent kun je je altijd nog op grote voorbeelden beroepen.
(In de kliniek hadden we ook een jager: Frits de Paardenboer. Die was heel wat eerlijker over zijn liefhebberij. Lees het prachtige portret dat Nathalie Cox van deze natuurmens schetste: derde reactie op het stukje 'Sprinkhaan')
maandag 20 december 2010
zaterdag 18 december 2010
OSDORP
Dit kon het parklandschap tussen Osdorp en Sloten niet zijn! Ik reed door een lange laan, omzoomd door bomen die hun omvang ruim verdubbeld hadden door er een wit negatief op te plakken: elke tak droeg meer dan zijn evenbeeld in sneeuw. Een sprookjesbos, waarvoor ik tevergeefs in mijn geheugen zocht naar parallellen. In feite had ik zoiets nooit in werkelijkheid gezien. In de fantasiefilm Narnya naar het boek van C.S. Lewis, boezemvriend van Tolkien maar als schrijver verre zijn mindere, kwam een dergelijk landschap voor, met dank aan de afdeling special effects.
Als ik dacht dat ik Osdorp kende had ik buiten het weeralarm van de KNMI gerekend. Huizen waren verborgen achter het onbekende witte woud, straatnaamborden onleesbaar. Een stoet schuifelende auto’s kwam me tegemoet op de andere rijstrook. Raampjes open, waaruit de rook van sigaretten kringelde. Iedereen deed het rustig aan, haast had geen zin, afspraken waren toch al gemist.
De mijne ook. In het westelijk havengebied was niets wat het leek, of leek niets wat het was, liever gezegd: ik moet het gebouw van de ARBO gepasseerd zijn, voor ik op busbanen rond station Sloterdijk de weg kwijt raakte, maar in het donker heb ik geen herkenningspunten gezien. De rand van de rijweg ging over in de stoep, opritten waren er niet meer. De ruitenwissers konden de sneeuw nauwelijks aan.
Vanaf de busbaan zag ik in de verte de Haarlemmerweg liggen, een onafgebroken snoer van rokende auto’s. Daar moest ik in elk geval niet naartoe. Maar keren kon ik niet, alles was eenrichtingsverkeer, hoewel niet iedereen zich daarvan bewust was: nu en dan glibberde me een auto tegemoet. Ik kwam aan de rand van de bebouwing, stiet op de binnenweg naar IJmuiden. Ook niet nemen! Hoewel het idee, asiel te vragen in de morsige kunstenaarskolonie Ruigoord me een ogenblik aanlokte. Ik volgde een vrachtwagen tot die in de industriële rimboe verdween en besloot voortaan bordjes te volgen, waarheen ze me ook leidden. Voor alles wilde ik weten waar ik was. Kaarten hadden hun betekenis verloren, een tomtom bezit ik niet.
Alle schaarse borden wezen naar de N200. Op weg naar Haarlem dan maar, alles beter dan nergens te zijn. In Halfweg verliet ik de autoweg. Ik zag mensen kleumen in bushokjes. Lichten van cafés beloofden veiligheid. Zou ik deze dag eindigen tussen vreemde mensen, met een geleende tandenborstel? Zwanenburg. Een prachtige naam voor een onduidelijk plaatsje. Halfweg en Zwanenburg vormen een smoezelig niemandsland tussen twee steden in. Plaatsen die je passeerde, die nooit een doel op zich waren. In Zwanenburg vond ik een kanaal. Als ik dat maar volgde moest ik uiteindelijk ergens bij Amsterdam terechtkomen, geloofde ik. Ergens bij Amsterdam: hoe fijn schetsmatig wordt alles als het uurwerk van de wereld van slag is. Thuiskomen, hoe en wanneer dan ook, al het andere blijkt onnodig geprecisieerd.
Het kanaal verliet het dorp en de weg strekte zich in een lege verte uit. Een paar honderd meter verderop reed een bestelbusje, verder was ik alleen. Als het goed was, en ik niet de verkeerde kant op reed, moest ik zo in Lijnden komen, een lintdorp onder de rook van de stad waarover nooit iets wordt vernomen. Het bestaan ervan, zo vlakbij, had ik nog niet zo lang geleden ontdekt toen Paulien, die veel avontuurlijker is dan ik, een alternatieve route naar Ruigoord had willen vinden.
Huizen, eindelijk. Maar geen mensen. De geparkeerde auto’s langs de vaart hadden een dikke sneeuwkap. Het bestelbusje voor me stopte. Een politieagent in een zuurtjesgroen jasje praatte met de bestuurder, wees naar een viaduct verderop. Ik sloot aan en draaide mijn raampje open. ‘Onder de brug zijn kuilen. Hou scherp links aan, maar pas op de betonnen rand, anders gaat uw spoiler eraan.’
‘Ik ben verdwaald. Ik moet naar Amsterdam.’
‘Volg het water. Op een gegeven moment ziet u een brug. Die gaat u over, dan komt u vanzelf in Osdorp.’
Osdorp! Wat kan een woord door de omstandigheden van klank veranderen! De op zijn gunstigst neutrale naam van die kale buitenwijk vibreerde plotseling van associaties met zijn herkomst. Een warm dorp uit vervlogen tijden, waar wel een herberg zou zijn, waar ze mijn taal spraken, waar ze mijn naam kenden.
De boogbrug kwam in zicht. Ruim een uur later was ik thuis.
Als ik dacht dat ik Osdorp kende had ik buiten het weeralarm van de KNMI gerekend. Huizen waren verborgen achter het onbekende witte woud, straatnaamborden onleesbaar. Een stoet schuifelende auto’s kwam me tegemoet op de andere rijstrook. Raampjes open, waaruit de rook van sigaretten kringelde. Iedereen deed het rustig aan, haast had geen zin, afspraken waren toch al gemist.
De mijne ook. In het westelijk havengebied was niets wat het leek, of leek niets wat het was, liever gezegd: ik moet het gebouw van de ARBO gepasseerd zijn, voor ik op busbanen rond station Sloterdijk de weg kwijt raakte, maar in het donker heb ik geen herkenningspunten gezien. De rand van de rijweg ging over in de stoep, opritten waren er niet meer. De ruitenwissers konden de sneeuw nauwelijks aan.
Vanaf de busbaan zag ik in de verte de Haarlemmerweg liggen, een onafgebroken snoer van rokende auto’s. Daar moest ik in elk geval niet naartoe. Maar keren kon ik niet, alles was eenrichtingsverkeer, hoewel niet iedereen zich daarvan bewust was: nu en dan glibberde me een auto tegemoet. Ik kwam aan de rand van de bebouwing, stiet op de binnenweg naar IJmuiden. Ook niet nemen! Hoewel het idee, asiel te vragen in de morsige kunstenaarskolonie Ruigoord me een ogenblik aanlokte. Ik volgde een vrachtwagen tot die in de industriële rimboe verdween en besloot voortaan bordjes te volgen, waarheen ze me ook leidden. Voor alles wilde ik weten waar ik was. Kaarten hadden hun betekenis verloren, een tomtom bezit ik niet.
Alle schaarse borden wezen naar de N200. Op weg naar Haarlem dan maar, alles beter dan nergens te zijn. In Halfweg verliet ik de autoweg. Ik zag mensen kleumen in bushokjes. Lichten van cafés beloofden veiligheid. Zou ik deze dag eindigen tussen vreemde mensen, met een geleende tandenborstel? Zwanenburg. Een prachtige naam voor een onduidelijk plaatsje. Halfweg en Zwanenburg vormen een smoezelig niemandsland tussen twee steden in. Plaatsen die je passeerde, die nooit een doel op zich waren. In Zwanenburg vond ik een kanaal. Als ik dat maar volgde moest ik uiteindelijk ergens bij Amsterdam terechtkomen, geloofde ik. Ergens bij Amsterdam: hoe fijn schetsmatig wordt alles als het uurwerk van de wereld van slag is. Thuiskomen, hoe en wanneer dan ook, al het andere blijkt onnodig geprecisieerd.
Het kanaal verliet het dorp en de weg strekte zich in een lege verte uit. Een paar honderd meter verderop reed een bestelbusje, verder was ik alleen. Als het goed was, en ik niet de verkeerde kant op reed, moest ik zo in Lijnden komen, een lintdorp onder de rook van de stad waarover nooit iets wordt vernomen. Het bestaan ervan, zo vlakbij, had ik nog niet zo lang geleden ontdekt toen Paulien, die veel avontuurlijker is dan ik, een alternatieve route naar Ruigoord had willen vinden.
Huizen, eindelijk. Maar geen mensen. De geparkeerde auto’s langs de vaart hadden een dikke sneeuwkap. Het bestelbusje voor me stopte. Een politieagent in een zuurtjesgroen jasje praatte met de bestuurder, wees naar een viaduct verderop. Ik sloot aan en draaide mijn raampje open. ‘Onder de brug zijn kuilen. Hou scherp links aan, maar pas op de betonnen rand, anders gaat uw spoiler eraan.’
‘Ik ben verdwaald. Ik moet naar Amsterdam.’
‘Volg het water. Op een gegeven moment ziet u een brug. Die gaat u over, dan komt u vanzelf in Osdorp.’
Osdorp! Wat kan een woord door de omstandigheden van klank veranderen! De op zijn gunstigst neutrale naam van die kale buitenwijk vibreerde plotseling van associaties met zijn herkomst. Een warm dorp uit vervlogen tijden, waar wel een herberg zou zijn, waar ze mijn taal spraken, waar ze mijn naam kenden.
De boogbrug kwam in zicht. Ruim een uur later was ik thuis.
woensdag 15 december 2010
MYTHE
Schimmen namen vaste vorm aan, kregen
Kleur en spraken weer met klare stem.
Wat Odysseus niet vermocht en Orfeus
Moest bezuren kon ik straffeloos.
O, hoe sterk was mijn rentree! Ik lachte
Schamper om die arme schapen die aan
Kirkè's voeten blaatten om haar aandacht!
Zelf was ik van slavendiensten vrij:
Bier en wijn en medicijnen waren
Nu toch echt voltooid verleden tijd.
Orfeus' harpspel kon niet tippen aan de
Klanken die ik uit de vleugel sloeg,
Verdi's marsen van triomf verbleekten...
Zo ging het niet.
Ik had me in de behaaglijke warmte van mijn hotelkamer, dezelfde waar ik twee maanden eerder mijn laatste glas Calvados had gedronken, van alles voorgesteld. Een vrolijk weerzien, een thuiskomst zou het worden. De reiziger door de barre buitenwereld keerde even terug om verslag te doen van het leven buiten de poort, men hing aan zijn lippen.
De werkelijkheid was anders. Het gebouw was nog hetzelfde, maar in het leven daarbinnen was ik nu al een vreemde. Vertrouwde ijkpunten ontbraken. Fritzl de paardenboer was terug naar de polder. Sprinkhaan was weg, niet meer te houden. De sfeer was veranderd, de gesprekken klonken anders. Er was een nieuwe pijproker. Ik bleek een soort mythe in het leven te hebben geroepen, want deze nietsvermoedende man werd bestookt met onverwachte vragen: hoeveel pijpen heb je bij je? Negen? Vroeger was er hier iemand, JP, die er vijfentwintig bij zich had!
Met de paar mensen die ik nog goed had gekend had ik even een onderonsje, voor ze zich weer in het dwingende patroon van hun 'proces' begaven.
Met de andere mensen die voor een dag een opfriscursus volgden vormde ik een nieuwe groep. De meesten kende ik niet. De therapeut sprak van het doorsnijden van een navelstreng en zei ons dat wij een stap verder waren. Met andere woorden: we hoorden hier niet meer.
Mijn Duitse verslavingsarts keek me ontspannen lachend aan, niet langer bezorgd. We keuvelden wat over endorfine en Jung. Even werden zijn vrolijk blauwe ogen weer beroepsmatig uitdrukkingloos, toen hij zich voorover boog en ernstig zei: 'Je moet scherp blijven, jong. Sjjerp!'
Om vijf uur stapte ik in de auto om via beijsde landweggetjes de A67 te zoeken. Ik hapte in een broodje brie dat ik van het lunchbuffet had meegenomen, luisterde naar Berlioz en Rob de Nijs.
Het dolhuis was ingelijfd in de dagelijkse werkelijkheid.
zaterdag 11 december 2010
EXOTEN
In het begin vond ik ze wel grappig; het losgelaten paartje dat de winter had overleefd en voor nageslacht had gezorgd paste mooi in de hoopvolle ontwikkeling die in de vogelstand was ingetreden. In mijn jeugd zag je in de stad vooral veel mussen, spreeuwen, meeuwen en een enkele merel, nu waren de mussen weliswaar geheimzinnigerwijze uitgestorven, maar hun plek was ingenomen door een bonte stroom van vogels waarvoor je vroeger naar de bossen of naar het Naardermeer moest: in de winter krioelden de stadstuinen van de meesjes, vinkjes, eksters, Vlaamse gaaien en winterkoninkjes; futen voerden hun sierlijke paardansen uit in de grachten en zelfs een enkele aalscholver op doorreis werd gezien, nagestaard door de hordes mottige reigers aan de waterkant; ooievaars nestelden in de Watergraafsmeer.
Dus waarom geen halsbandparkieten?
Maar al gauw werden de Australische exoten een plaag. Je kon geen park inlopen of je eigen gedachten werden bijkans overstemd door de krijsende zwermen gifgroene vogels, die in duikvlucht van boom tot boom gingen. Ze vraten de eitjes van de kleine vogeltjes, ze voerden felle strijd met inheemse krachtpatsers als kraaien en gaaien. Binnen tien jaar hadden de nazaten van dat ene paartje de gehele Randstad veroverd.
Afschieten die klerebeesten! Ik vond ze allang niet grappig meer.
Gisteren stond ik voor het raam. In de enorme boom die de binnentuinen domineert zat een bonte specht te hameren. Een bonte specht! Gewoon in de stad!
Plotseling verscheen er een groen licht in mijn ooghoek. De specht vloog weg, een halsbandparkiet streek neer op zijn plaats. Mijn zuiver gefocuste aandacht richtte zich nog vóór een vooroordeel op kon komen op het papegaaitje. Zo los van de zwerm waren ze eigenlijk wel erg mooi: de snavel was karmijnrood, de veren hadden de groene glans van een gedroomde lente. Zijn rechterpoot had de vogel als een gebalde vuist omhoog gestoken. In zijn knuistje zat een tak, minstens zo groot als de parkiet zelf. Hij bracht hem naar zijn bek en begon er aandachtig aan te kluiven. Zijn kraaloogjes hielden ondertussen de omgeving in de gaten. Een soortgenoot dook op van over de huizen aan de overkant, uit de richting van het Vondelpark, hun park van herkomst. Hij zette zich op dezelfde tak neer en wandelde naar de kluivende vogel, blazend als een kat, met wijd opengesperde snavel. De eerste vogel keek verstoord op van zijn lunch, vloog op en zette koers naar een boom verderop, waarbij hij de tak als een trotse speer in zijn vuist geklemd hield. De indringer nam genoegen met het schors van de boom. Even later keerde de bonte specht terug. Twee eksters kwetterden een verdieping lager.
Dus waarom geen halsbandparkieten?
Maar al gauw werden de Australische exoten een plaag. Je kon geen park inlopen of je eigen gedachten werden bijkans overstemd door de krijsende zwermen gifgroene vogels, die in duikvlucht van boom tot boom gingen. Ze vraten de eitjes van de kleine vogeltjes, ze voerden felle strijd met inheemse krachtpatsers als kraaien en gaaien. Binnen tien jaar hadden de nazaten van dat ene paartje de gehele Randstad veroverd.
Afschieten die klerebeesten! Ik vond ze allang niet grappig meer.
Gisteren stond ik voor het raam. In de enorme boom die de binnentuinen domineert zat een bonte specht te hameren. Een bonte specht! Gewoon in de stad!
Plotseling verscheen er een groen licht in mijn ooghoek. De specht vloog weg, een halsbandparkiet streek neer op zijn plaats. Mijn zuiver gefocuste aandacht richtte zich nog vóór een vooroordeel op kon komen op het papegaaitje. Zo los van de zwerm waren ze eigenlijk wel erg mooi: de snavel was karmijnrood, de veren hadden de groene glans van een gedroomde lente. Zijn rechterpoot had de vogel als een gebalde vuist omhoog gestoken. In zijn knuistje zat een tak, minstens zo groot als de parkiet zelf. Hij bracht hem naar zijn bek en begon er aandachtig aan te kluiven. Zijn kraaloogjes hielden ondertussen de omgeving in de gaten. Een soortgenoot dook op van over de huizen aan de overkant, uit de richting van het Vondelpark, hun park van herkomst. Hij zette zich op dezelfde tak neer en wandelde naar de kluivende vogel, blazend als een kat, met wijd opengesperde snavel. De eerste vogel keek verstoord op van zijn lunch, vloog op en zette koers naar een boom verderop, waarbij hij de tak als een trotse speer in zijn vuist geklemd hield. De indringer nam genoegen met het schors van de boom. Even later keerde de bonte specht terug. Twee eksters kwetterden een verdieping lager.
woensdag 8 december 2010
SNEEUW
"Dat het die nacht gesneeuwd had, wist ik al voor ik de gordijnen had geopend. Ik was wakker geworden met een stijve. Daartussen, tussen eerste sneeuw en een spontane erectie (een echte, geen waterstijfje) is een verband, welk weet ik niet. Misschien dat een van mijn geleerde vrienden het me kan uitleggen. Mijn stijve bleef ook toen ik uit bed stapte om mijn vriendin uit te laten, die na een snelle douche en een haastig schrobben van haar tanden naar haar werk ging, recht overeind. Drieënvijftig en nog geen viagra nodig, dacht ik. Maar mijn vriendin was al bijna de deur uit. Jas al aan. En de hand aan jezelf slaan op die leeftijd is minder heroïsch. Ik ben toch geen zestien meer zoals Pascal. Mijn vriendin gaf me een tikje op mijn pik, wenste me veel plezier, en verdween. Ik keek naar de besneeuwde auto's beneden en kroop weer in bed.
Toen ik weer opstond, na de gewone nare dromen, bleek Amsterdam veranderd te zijn in een winters genrestukje uit de Gouden Eeuw.
Wat zou Pascal gelukkig zijn geweest! Die had niet zoveel nodig. Een gezellige ochtendmist, net tot motregen verwaterend, of een prille septembermorgen met weemoedig gouden licht, zoals op een oude meester, en zijn dag kon niet meer stuk. Dat weemoedig gouden licht moeten we begrijpen als geschiedvervalsing: na de restauratie van die genrestukjes is al dat mooie bruingoud steevast opgefrist tot een banale helle glans, die de maker ongetwijfeld bedoeld heeft, maar die hem evenzeer ontmaskert als de carrièremaker die elke kunstenaar in zijn tijd natuurlijk óók is - de geschiedenis en de tijd schenken het patina dat meesterwerken kenmerkt.
Ik dwaal af. Waar was ik? Ach ja. Ik ging de deur uit.
De stad was een wintersprookje. Door Anton Pieck of Bob Ross. De wind blies koude dwarrelsneeuw in mijn gezicht. Pascal, zei ik, zou gelukkig zijn geweest, gewoon door de toestand waarin de wereld verkeerde. Ik niet. Ik was bloednerveus en somber, de schaduw van mijn dromen hing over me en kon zelfs door dat glanslicht van de sneeuw niet worden verdreven. Ik moest me vermannen. Waar ging ik naar toe? Naar de kerk. Ik heb geloof ik al verteld dat ik een baantje als koordirigent heb aangenomen, toen ik mijn rekeningen niet meer kon betalen. Gelovig ben ik nooit geweest. Maar ik heb vroeger in het kerkkoor van mijn vader de baritonsolo's gezongen, elke zondag, gevolgd door nazit in de kroeg, en voelde me meer dan competent om te solliciteren.
Ik liep door een dik pak ouderwets knisperende sneeuw de Linnaeusstraat af, de trams reden natuurlijk niet, en was net op tijd voor het inzingen.
De Martelaren van Gorkum, officieel de Hofkerk, is een imposant gebouw. Het idiote toeval wil dat mijn vader er ooit organist blijkt te zijn geweest, een blauwe maandag, of moet ik zeggen zondag, in een ver verleden. Ook ongewild treed ik in zijn voetsporen. Het Linnaeushof, waarvan de Hofkerk het middelpunt is, werd ontworpen door een in een latere oorlog foute katholieke architect, maar die mensen konden wel wat! De omliggende huizen en het godsgebouw harmoniëren. Warm rood steen, een net niet kitscherige mix van modernisme en romantiek. Kom daar maar eens om bij de huidige bouwmeesters: die schijnen er een eer in te stellen de nieuw te bouwen of te restaureren gebouwen zoveel mogelijk te laten vloeken met de omgeving. Hier vloekte alleen ik, en dan nog binnensmonds, terwijl ik mijn gezicht in een sociale plooi trok en de zware eiken deur van de kerk openduwde."
(Wordt vervolgd)
Toen ik weer opstond, na de gewone nare dromen, bleek Amsterdam veranderd te zijn in een winters genrestukje uit de Gouden Eeuw.
Wat zou Pascal gelukkig zijn geweest! Die had niet zoveel nodig. Een gezellige ochtendmist, net tot motregen verwaterend, of een prille septembermorgen met weemoedig gouden licht, zoals op een oude meester, en zijn dag kon niet meer stuk. Dat weemoedig gouden licht moeten we begrijpen als geschiedvervalsing: na de restauratie van die genrestukjes is al dat mooie bruingoud steevast opgefrist tot een banale helle glans, die de maker ongetwijfeld bedoeld heeft, maar die hem evenzeer ontmaskert als de carrièremaker die elke kunstenaar in zijn tijd natuurlijk óók is - de geschiedenis en de tijd schenken het patina dat meesterwerken kenmerkt.
Ik dwaal af. Waar was ik? Ach ja. Ik ging de deur uit.
De stad was een wintersprookje. Door Anton Pieck of Bob Ross. De wind blies koude dwarrelsneeuw in mijn gezicht. Pascal, zei ik, zou gelukkig zijn geweest, gewoon door de toestand waarin de wereld verkeerde. Ik niet. Ik was bloednerveus en somber, de schaduw van mijn dromen hing over me en kon zelfs door dat glanslicht van de sneeuw niet worden verdreven. Ik moest me vermannen. Waar ging ik naar toe? Naar de kerk. Ik heb geloof ik al verteld dat ik een baantje als koordirigent heb aangenomen, toen ik mijn rekeningen niet meer kon betalen. Gelovig ben ik nooit geweest. Maar ik heb vroeger in het kerkkoor van mijn vader de baritonsolo's gezongen, elke zondag, gevolgd door nazit in de kroeg, en voelde me meer dan competent om te solliciteren.
Ik liep door een dik pak ouderwets knisperende sneeuw de Linnaeusstraat af, de trams reden natuurlijk niet, en was net op tijd voor het inzingen.
De Martelaren van Gorkum, officieel de Hofkerk, is een imposant gebouw. Het idiote toeval wil dat mijn vader er ooit organist blijkt te zijn geweest, een blauwe maandag, of moet ik zeggen zondag, in een ver verleden. Ook ongewild treed ik in zijn voetsporen. Het Linnaeushof, waarvan de Hofkerk het middelpunt is, werd ontworpen door een in een latere oorlog foute katholieke architect, maar die mensen konden wel wat! De omliggende huizen en het godsgebouw harmoniëren. Warm rood steen, een net niet kitscherige mix van modernisme en romantiek. Kom daar maar eens om bij de huidige bouwmeesters: die schijnen er een eer in te stellen de nieuw te bouwen of te restaureren gebouwen zoveel mogelijk te laten vloeken met de omgeving. Hier vloekte alleen ik, en dan nog binnensmonds, terwijl ik mijn gezicht in een sociale plooi trok en de zware eiken deur van de kerk openduwde."
(Wordt vervolgd)
zaterdag 4 december 2010
SPRINKHAAN
We noemden hem Sprinkhaan. Een klein, goed gebouwd kereltje, wiens lichaam van pure energie uit zijn voegen leek te barsten, als stond het telkens op het punt een centimeter of vijftig langer te worden, in een explosieve groeispurt. Als hij 's ochtends vroeg de deur naar het terras open gooide nam hij zijn podium in. Slaperig rokend in ons verdomhoekje zagen we hem verschijnen met een brede grijns op zijn zonnebankgebruinde kop, de ogen twinkelend, de haren met gel omhoog prikkend. Een breed armgebaar, als Pavarotti die applaus in ontvangst neemt, omhelsde de wereld. De eerste paar snelle grappen lieten dan niet lang op zich wachten.
Zijn hersenen werkten op topsnelheid: ik probeerde me voor te stellen hoe de geest eruitzag van iemand die al voor een zin helemaal uitgesproken was een bliksemsnelle Witz terugketste. Om moe van te worden. 'ADHD: sneller dan ADSL,' was zijn uitleg als we weer eens verbijsterd lachten om zijn buitelende associaties.
Moe was hij ook, hij was niet voor niets in de kliniek. Zijn alle kanten op spattende gedachten hadden zijn aanvankelijk succesvolle zaak in de soep gedraaid, net als zijn privéleven. Rust vond hij alleen nog als hij vol cocaine of GHB stuiterde op dance-feesten, alleen dan was zijn hoofd leeg. Hij vond zichzelf uiteindelijk terug op de overloop van een hoge flat, met een zuigende diepte beneden zich die eeuwige rust beloofde.
Met mij had hij iets. Misschien misleidde en verleidde mijn bedachtzame uiterlijk hem: hij toonde oprecht interesse in mijn pijpen en strooide al gauw met termen als 'eboniet', 'sandblast' en 'bruyère' ('dat is het hout van de heideboomwortel, erica eh... arbo...rea') Toen ik eens een witte handdoek uit mijn kamer had meegenomen tegen de kou was het: 'mooie shawl, man!' En iedere volgende ontmoeting verliep een tijd lang volgens die formule: 'Hé, JP! Waar is je shawl?' Daar werd ik ook wel een beetje moe van: we kwamen elkaar tussen de sessies door om de minuut tegen.
Sprinkhaan was de enige met een mobiel. Die had hij nodig omdat de wekker hem moest herinneren aan de tijden van zijn medicatie, hij slikte nogal wat pillen. Dat hij het ding vooral gebruikte om house, trance en dance op af te spelen wist de verpleging niet. Zo kon het gebeuren dat we op een mooie avond in oktober met zijn tweeën naar de sterren zaten te kijken. Hij wilde me zijn lievelingsnummer laten horen. Ik had van alles verwacht, maar niet de door merg en been gaande, even sobere als schitterende uitvoering van Caruso door de Belgische zangeres Lara Fabian. Ik was er stil van, en Sprinkhaan was in tranen. Die avond kwam er geen grap meer over zijn lippen.
Tegen dat ik wegging was de ritalin eindelijk goed ingesteld en begon hij rustiger te worden. Bij het afscheid was het nog één keer, met een weemoedige ondertoon: 'Hé, JP! Waar is je shawl?' 'Die heb ik in de gym laten liggen.'
We omhelsden elkaar hartelijk.
woensdag 1 december 2010
TERUGKOMST
Op het moment dat ik naar buiten liep leken de mensen achter de poort zich al van me te verwijderen. Gezichten die me anderhalve maand lang vertrouwder waren geweest dan mijn eigen familie vervaagden en weken terug in een mist, werden veraf en onbereikbaar door de paar luttele stappen naar de parkeerplaats.
Als ik dacht linea recta naar Amsterdam teruggevoerd te worden kende ik mijn vriendin niet. Het Onderste Bos was te mooi in de pas gevallen sneeuw, en er was die Belgische grenspaal uit de negentiende eeuw die we nog moesten vinden. Tegenover de weg naar Schweiberg parkeerden we het gedeukte gele bestelwagentje. We liepen het bos in, dat roerloos en stil was; de felle noordoostenwind die zou gaan waaien lag nog in ketens. Na een honderd meter zag ik aan de rand van een akker waarachter België zich moest bevinden een puntige obelisk, met een kapje van sneeuw. We verlieten het pad, ploeterend over bevroren boomwortels, en zagen in het verweerde graniet een jaartal: 1843, met daarnaast het wapen van de buurstaat en het nummer van de mijlpaal: nr. 16. Zestien was ook het nummer van mijn kamer geweest.
De hele rit naar het Noorden was ik aangenaam bedachtzaam en kalm gestemd. De sneeuw lag voorbij Den Bosch wel wat dunner op de velden, maar de kater van thuiskomst was minder dan verwacht: ook in Amsterdam had het gesneeuwd.
We sjouwden mijn bagage drie trappen op. Veel te veel boeken, op drie Simenons, een boekje van Louis Ferron en een bundeltje Rutger Kopland na ongelezen. Achter de deur brandde licht, mijn dochters wachtten me op. De geur van Bolognese-saus hing vertrouwd in het huis.
Het viel me op hoe klein alles was, ik had zes weken in zalen geleefd.
Maar vooral viel me op hoe vol alles was. Het hele appartement was volgestouwd met sleetse residuën van wat me als een vorig leven voorkwam. Veel te veel troep, te veel nooit meer te herlezen boeken, nooit meer af te spelen cd's, zinloze voorwerpen, stoffige snuisterijen en ordeloze paperassen, en waartoe bezit een mens ruim honderd pijpen? De vijfentwintig die me de afgelopen tijd trouw hadden gediend waren meer dan genoeg.
Het weerzien met mijn kinderen was warm. De katten beseften luid mauwend wie ze gemist hadden. Mijn eigen bed was heerlijk breed en vertrouwd.
's Nachts liet Aeolos de Noord-Ooster de vrije teugel. Rook dreef horizontaal door de ijskoude hemel, onder de sikkel van de nieuwe maan.
En nu, Rookzanger? Houdt wat je geleerd hebt ook hier stand? Een seizoen heb je zien komen en zien gaan in het bezinningscentrum in Limburg, van de gloed van een late nazomer tot de eerste sneeuw. In je geboorteplaats is het winter geworden in die tijd, maar is er verder niets veranderd. De trams en de taxi's reden al die tijd gewoon door.
Ben je er klaar voor?
Ik stel me de vraag en antwoord 'ja', vol goede moed.
Abonneren op:
Posts (Atom)