dinsdag 28 april 2015

In The Court Of The Crimson King


We hadden een impasse bereikt. Een patstelling. Ik voelde me log, ik kon geen kant op. Besluiteloos wisselden we opties uit, formuleerden bezwaren en verdedigden alternatieven.
‘Ik heb nu al een uur de krant zitten lezen, als we nog langer wachten komt er niks meer van.’
‘Maar ik heb al vier uur geslenterd. En ik voel me niet zo lekker.’
Mijn vriendin forceerde uiteindelijk een doorbraak: ‘Ik ga nu weg. Het zou goed voor je zijn om mee te gaan. Beter dan hier binnen zitten kniezen.’
Ik ging een beetje slachtofferig met haar mee, voor de derde keer de koude maar blauwe Koningsdag in. We liepen het hele eind naar haar auto die in de Stadionbuurt stond. Onderweg kocht ze bij een vermoeide stalhouder een reeks glazen; ze hield een cd’tje omhoog.
‘Ha, In The Court Of The Crimson King,’ zei ik. Vijftig cent wisselde van eigenaar.
In stadsdeel Westerpark zaten we een uurtje bij onze vrienden. We aten en dronken wat en besloten toen nog even het park in te gaan. Minder dagjesmensen daar dan in Zuid. Een gemêleerd publiek van hip tot volks. Een bandje speelde iets wat op The Doors leek. We stonden er een tijdje op veilige afstand bij voor de honger ons verdreef. We namen afscheid van onze vrienden en liepen naar het Van Limburg Stirumplein.
Bij een Griek aten we spiesjes met sla en friet. Geen pin – we telden ons contante geld en moesten het toetje laten voor wat het was. Inmiddels was ik blij dat ik me uit mijn benarde positie had laten manoeuvreren. In had in een hoekje gestaan, weggedrukt en onder vuur genomen door mijn eigen botsende verlangens. Nu was het weer gemakkelijk om door de wereld te bewegen.
We reden naar de polder, kwamen thuis. Mijn vriendin wees me op de wilde bloemen die hoog opschoten rond haar huis op de dijk.
‘Zet dat plaatje eens op,’ zei ik toen we binnen waren.
Even later voerden de mellotrons me terug naar een andere tijd, toen Koninginnedag nog nauwelijks gevierd werd: alleen wat kinderhandel, en vuurwerk toe aan de Sloterplas. Ik kon de teksten nog zo meezingen. ‘Call her moonchild,’ croonde ik met zachte tenor. De trommels van Michael Giles waren precies zo tegendraads virtuoos als ik me herinnerde. Wel was mijn waardering veranderd. Wat ik vroeger het mooiste vond, het titelnummer, trof me nu als nogal vet en kitscherig. De heroïek ervan was meer iets voor romantische adolescenten dan voor bedaagde mannen die braaf achter hun vriendin aan hadden geslenterd langs de uitpuilende uitstallingen van de jaarlijkse vrijmarkt. Maar de psychedelica die ik destijds lijdzaam had uitgezeten vond ik veel interessanter dan gedacht. En de jazzy hard rock van 21st Century Schizoid Man was voor alle leeftijden, van alle tijden. Ik telde stil de breaks uit en deed met wilde gebaren de invallende drums na, net als vroeger. Mijn vriendin keek lachend toe. Aan het hof van de Karmozijnen Koning was het nog steeds goed toeven.

Geen opmerkingen: