vrijdag 13 september 2024

Voorheen Rookzangers Notitieblog (56)


Het overkomt me vaak als ik door het park loop. In het begin is de omgeving me genoeg. Ik kijk goed om me heen, haal diep adem, stap lekker voort. Maar na een tijd (een uur?) begint mijn eerst nog vage dagdromen zich te hechten aan een bepaald onderwerp. Meestal een herinnering. En die onschuldige evocatie van iets uit het verleden verandert al snel in een ordening. De herinnering wordt in zijn temporele verband geplaatst. Wanneer was het precies? Vervolgens ga ik lijstjes maken. Hoeveel andere, vergelijkbare ervaringen zijn er geweest? 
Een voorbeeld. Ik herinner me, door de een of andere aanleiding of associatie, een uitje met Pasen, een tweedaags verblijf in een hotel in de Limburgse heuvels. Dan ga ik tellen. Welke andere uitjes hebben we in dat jaar gemaakt? Ik roep ze een voor een op, zie ze weer voor me, en kom tot de conclusie dat het er zes waren. Ik knik tevreden. Duidelijk. Maar al verder lopend neem ik het lijstje nog eens door en tel opnieuw. Voor de zekerheid.
Vanochtend zag ik het me weer doen, ik weet niet eens meer wat het onderwerp was. Eerst genoot ik van de mooie, koele septemberdag, zonder meer. Toen was die mooie septemberdag niet meer genoeg en kwam het geheugen aanzetten met eerdere mooie septemberdagen. Vervolgens voegde zich mijn innerlijke commentator erbij. Gevolgd door de boekhouder en archivaris.
Misschien wel voor het eerst viel het me op hoe dwangmatig dit catalogiseren van mijn ervaringen is. Het is een gedachtespelletje, gespeeld met de bedoeling dat ik me lekker voel in mijn hoofd, en als zodanig onschuldig genoeg. Maar de stap naar het tellen van de stoeptegels waarover je loopt (alleen even, of alleen oneven) of andere compulsieve handelingen, is maar heel klein. Weleens een normaal mens ontmoet? En? Beviel het?

                                                                       *

Vroeger hield ik een speciaal blog bij voor mijn concertagenda. Ik had onlangs de stekker uit mijn website getrokken en dit leek me een goed alternatief. Heel veel te melden was er toen ook al niet meer, de hoogtijdagen van Voorheen Rookzanger Het Podiumbeest waren reeds lang voorbij, en wegens gebrek aan content stierf het blogje een vroege dood. Ik had immers genoeg andere gelegenheid om reclame te maken. Facebook, mijn reguliere blog. 
Het bleek prima te werken. Eens in de zoveel tijd besteed ik mijn kolommen hier niet aan literariteiten, overpeinzingen, opinies en impressies maar aan PR.

Binnenkort verschijnt alsnog mijn vertaling van Rückerts Kindertotenlieder. Jaap Schipper en zijn Statenhofpers zullen er een prachtig boekje van maken, ik houd u op de hoogte.

Het programma Wat geweest is, is geweest, een ode aan Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh, gaat dit seizoen in reprise. Dit zijn de data:

Zondagmiddag 20 oktober: Theaterkerk Wadway
Zondagmiddag 28 oktober: Stompe Toren, Spaarnwoude (uitverkocht)
Zondagmiddag 1 december: Cultuurkoepel Heiloo (uitverkocht)
Zaterdagavond 14 december: Midwinterfeest De Rijp (In 't Houten Huis, 18.00-18-30, 19.00-19.30)


zondag 8 september 2024

BIEB


Mijn vriendin heeft de folders bestudeerd en een programma uitgestippeld. In Saint-Mihiel (spreek uit misjèl), een mooi stadje aan de Maas, centrum van een verder lege en groene streek, willen we eerst de Saint-Étienne bekijken. Bijna alle kerken en kathedralen hier in Lotharingen, van Metz tot Toul, heten zo. Blijkbaar was de eerste martelaar van het christendom erg populair. Dan is de abdijkerk Saint-Michel aan de beurt. Er zijn twee mooie walnoothouten beelden (16e eeuw) van de lokale beroemdheid Ligier Richier maar verder is de kerk in belabberde staat. Er wordt met man en macht gewerkt om het verval door vochtschade te keren.

Aan de overkant van de abdij ligt onze hoofdattractie van vanmorgen, de Benedictijnse Bibliotheek. We gaan naar binnen, betalen, en horen dat er een rondleiding is die over tien minuten begint. Ondertussen mogen we een expositie over de Slag bij Saint-Mihiel van 1918 bekijken. Een paar minuten later word ik door de gids, dezelfde man die ons de kaartjes had verkocht, uit een gesimuleerde loopgraaf weggeroepen. Hij gaat ons voor, beent driftig een paar monumentale trappen op en 
brengt ons eerst naar de Antichambre, een voorvertrek van de bibliotheek, waar de monniken hun archief hadden. Na een algemene beschouwing over de zaal neemt hij alle sculpturen van het plafond een voor een door, engeltjes, een walvis, zeemeerminnen, putti, exotische dieren, en legt uit met welke allegorieën we hier te maken hebben. We zijn inmiddels een kwartier verder. Eindelijk gaat knarsend de deur naar de bibliotheek open. We vergapen ons aan een hoge, vele tientallen meters diepe zaal met wanden vol boeken. Maar helaas, er hangt een koord voor en dat gaat niet los. Het vocht van onze adem kan de kwetsbare boeken schade doen. Ik kijk om me heen. Vijf mensen. Een immense zaal. Overdreven prudentie, lijkt me. Zo staan we, in plaats van door die indrukwekkende boekenhal te dolen, in het voorportaal te luisteren naar wat de gids ons over die hal vertelt.
Het is een kleine magere man met fletse ogen achter een stalen bril en een vlassnorretje. Hij praat tot hij geen lucht meer heeft, haalt dan snel zo diep mogelijk adem en gaat meteen met verdubbelde vaart verder. De laatste woorden van elke ademtocht zijn wegens luchtgebrek onverstaanbaar. In het begin probeer ik hem te volgen maar al gauw moet ik het opgeven. Ik laat me drijven op zijn woordenstroom en staar verlangend naar het schemerige einde van de zaal. Nu en dan vang ik iets op wat me van belang schijnt, en dan kijk ik de gids even oplettend aan.
Na algemene inleidingen en beschouwingen over de geschiedenis en de betekenis van de collectie is hij aan een voorbeeld toe. Op een scherm verschijnt een incunabel. Met de muis van zijn laptop bladert hij erin. De Franse helft van zijn gehoor, twee jonge wandelaars met rugtasjes, witten kousen en sportschoenen, stelt nu en dan een vraag, wat hem brandstof oplevert voor nog meer ademloze retoriek. Na het eerste boek volgt een tweede. De sportieve Fransman is inmiddels gaan zitten op een van de stoelen die daar, blijkt nu, niet voor niets staan.
Halverwege het derde boek, we zijn inmiddels een uur verder, gaat ook mijn stoere vriendin even zitten. Het boek in kwestie is een graduale romanum, een verzameling gregoriaanse gezangen. Ik stap even uit mijn stoïcijnse bushalte-stand en neurie de noten die ik op het scherm zie. Een roep om aandacht, ik weet het, ik ben al te lang een doofstomme en anonieme toehoorder. De hoofden draaien verrast mijn kant op en ik leg kort uit wat voor werk ik doe. Lachend wordt vastgesteld dat ik de volgende keer maar een concertje moet geven. De ademloze gids kijkt op zijn telefoon. Tijd om af te ronden. Wij kijken elkaar met discrete opluchting aan. Even later staan we buiten. Mijn vriendin begint een gesprekje met de Fransen. Ongeduldig wacht ik tot het klaar is.
Het is 32 graden. Ik ga haar voor het stadje in. Op een rustig pleintje staan tafeltjes gedekt onder de platanen. We gaan zitten, we zijn de eersten, een vrouw groet ons en brengt het menu. Al snel zien we dat het hier een Bretons pannenkoekenrestaurant is. We aarzelen. In galettes hebben we geen trek maar het is zo onbeleefd om nu weg te lopen.
Maar het geduldig luisteren naar een rondleiding die eigenlijk een lezing was heeft iets rebels in me wakker gemaakt. Ik loop snel de bar in en zeg eerlijk dat we iets anders willen eten. En u heeft alleen maar pannenkoeken. Desolée, zegt de vrouw lachend. Ik zeg op mijn beurt sorry. Even goede vrienden. Aan de hoofdstraat is een brasserie. Op het beschaduwde terras wordt al flink gegeten. Er is een tafeltje vrij. Ik bestel een menu du jour en een kan koele rosé en even later is de rugpijnverwekkende lezing in onbegrepen Frans een mooie vakantieherinnering geworden. 


vrijdag 6 september 2024

ROETSJBAAN


Na een bovengemiddeld gulzige zomer was het de hoogste tijd om op de rem te trappen. Ik maakte mezelf wijs dat ik zin had in soberheid en begon afgelopen maandag aan een frisse week van net iets meer dan water en brood: een paar weken geen alcohol, mager en gerantsoeneerd eten. Want oh, de magret de canard uit Metz en de Luxemburgse Poire Williams hadden me vetgemest en geflambeerd. Ik voelde me als de gebraden zwaan uit de Carmina Burana. Er moest een nieuw regime komen. 
Meestal zijn de eerste dagen na de vakantie ondanks dit soort draconische maatregelen teleurstellend landerig. Het nieuwe elan is niet meteen gevonden. Het plotselinge gebrek aan calorieën en prikkels maakt sloom. Als die tijdspanne van terugslag eenmaal lijdzaam is doorleefd en er voorzichtig nieuwe energie ontstaat blijkt er, met wat geluk, toch een positief verschil te zijn met de periode vóór de vakantie. Het reizen heeft goed gedaan en je bekijkt de dagelijkse routine met een verruimde blik, pakt dingen nét iets anders aan, probeert eens wat nieuws. 

Of het dit jaar ook zo zal gaan weet ik op het moment van schrijven nog niet. Voor we op reis gingen had ik te kampen met een zomerse verveling. Alles werd té stil om me heen, er was te weinig te doen, en het wandelen, luieren en lezen hing me de keel uit. In groter verband heb ik al een tijd, feitelijk al sinds ik mijn AOW krijg, hoe fijn dat ook is, last van een gevoel van doelloosheid. Wat nog te doen in het leven? Stel dat ik het geluk heb om gezond te blijven, hoe voorkom ik dan dat de tijd steeds sneller en sneller gaat, nog sneller zelfs dan nu, en dat ik in een roetsjbaan op het einde afglijd? Hoe rem ik dat glijden af, hoe kan ik eindelijk eens leren me te focussen op wat ik nu heb, en niet steeds vooruit (naar het einde van de glijbaan) en achterwaarts (naar het snel uit het zicht verdwijnende beginpunt) te kijken?
Ik weet dat er maar één manier is - afgezien van de nihilistische manier van heilige heremieten en zenmeesters - om vast verankerd in het heden te leven. Dat is: volledig opgaan in iets wat je bezighoudt. Zolang je werkelijk gegrepen bent door wat je onderneemt kijk je niet verder de toekomst in dan elke volgende stap in dat project. De gapende woestenij verderop is een abstractie.
En juist daaraan schort het me. Bijna alles wat ik doe heb ik al eens, nee, al heel vaak, gedaan. Mijn laatste grote nieuwe "project" was het leren bespelen van de luit. Inmiddels is dat luitspelen tot een aangename dagelijkse bezigheid geworden, zoals wandelen, mediteren of het kijken naar de herhalingen van Flikken Maastricht. Een lauw plezier. De uitdaging is weg, want ik heb na twee jaar hard studeren bereikt wat ik wilde. Ik ben een gevorderd amateur op mijn zevenkorige renaissanceluit. Ik wil er nadrukkelijk niet de bühne mee op dus verder studeren heeft niet zoveel zin, behalve om nog wat meer plezier uit mijn dagelijkse tokkelsessies te puren.
Ik zal geduldig moeten wachten of, en wanneer, er weer nieuwe inspiratie komt. Vroeger had ik daar altijd wel vertrouwen in, mijn fascinaties volgden elkaar onvoorspelbaar qua aard en frequentie maar toch betrouwbaar op - maar gaat het ook zo als je oud wordt? Is de bron niet een keer opgedroogd?

Deze week zag ik een documentaire over Nick Schilder. Na het aangekondigde uiteenvallen van zijn duo Nick & Simon was hij met grote voortvarendheid en met koele berekening een solocarrière begonnen. In het Engels, en in een heel andere stijl dan die van zijn samenwerking met jeugdvriend Simon Keizer. Hij wilde niet in een gat vallen na al die jaren van succes maar ook niet met meer-van-hetzelfde-minus-zijn-partner aankomen. Het was een geheel nieuw traject waarin hij zich als een echte workaholic vastbeet. Terwijl de afscheidsconcerten van N & S nog in volle gang waren oriënteerde hij zich leergierig op het gebruik van elektronica in een hippe Londense studio.
Ik begreep dat allemaal met mijn verstand heel goed maar kon me er gevoelsmatig weinig bij voorstellen. Voor mij is alles wat ik doe op het gebied van de kunsten (en eigenlijk ook daarbuiten) ingegeven door liefde. Ik aarzel het uitgewrongen woord passie te gebruiken. Ik zag de sympathieke, nerveus hakkelende Nick in de weer met zijn nieuwe liedjes, met een hipsterbaard en opgeschoren slapen die niet helemaal strookten met zijn cleane Volendamse uiterlijk, en twijfelde. Moest ik soms ook, met dezelfde cerebrale calculatie, een nieuw project verzinnen? Niet wachten op wellicht uitblijvende inspiratie, en me op ongeacht wát storten, werk omwille van het werk?
Ik houd het nog even in beraad. Voor bezigheidstherapie ben ik nog iets te jong. Als de verveling blijft en te veel gaat kwellen kan ik altijd nog vrijwilliger in het Vondelpark worden. Tot die tijd hoop ik op een hernieuwd enthousiasme. De zomer loopt ten einde. De landerigheid van de eerste vier dagen hongeren lijkt voorbij. Wie weet kom ik al snel met een antwoord. 


vrijdag 16 augustus 2024

FIETSEN


Ik ben sneller door mijn territorium heen dan te voet. Wandelend moet ik kiezen. Nu verenig ik de stadsgezichten van verschillende marsen in één tochtje. Van het Vondelpark naar het Beatrixpark, van de Amstelveenseweg naar de Stadhouderskade in een mum van tijd. Volgende stap is dat ik de grenzen oprek en ook wat ik normaal per auto of OV bereis in mijn omzwervingen betrek. Waarom niet naar Nieuw-West, veel meer dan een half uur gaans zal het niet zijn?

Mijn dochters zijn met mijn auto naar Engeland. Een festival met progressieve en alternatieve rock in het graafschap Somerset, in de buurt van Bristol. Mijn oudste chauffeert. Toen ze de auto kwam ophalen liet ze haar fiets bij me achter. Ik had er niet om gevraagd, fietsen is al jaren uit mijn systeem verdwenen, maar de sleutels van kettingslot en ringslot lagen open en bloot op het gangkastje - om me een alternatief vervoermiddel te bieden, of misschien als een stille hint om mijn luie dijbenen in beweging te krijgen. 

Vroeger hadden we aan de overkant van de straat een fietsenstalling. Achterin had de fietsenmaker zijn bedrijfje. Een sympathieke, wat stille man in een stofjas, kalend. Hij werkte de hele dag aan onze fietsen. Hij onderbrak zijn werk alleen om een boterhammetje te eten uit een trommeltje. Als arbeidsvitamine stond Hilversum 4 aan. Zo begeleidden Beethoven, Bruckner en Bach het ritselend draaien van gesmeerde wielen. We betaalden een vast bedrag voor de stalling. De reparaties waren spotgoedkoop. Ik herinner me dat een band plakken een rijksdaalder (voor de jonge lezers: twee gulden en vijftig cent) kostte.
Toen de vriendelijke fietsenmaker met pensioen ging moesten we onze rijwielen op straat zetten. Fietsenrekken waren er niet of nauwelijks en het aantal bomen was zeer beperkt. Dus het duurde niet lang of mijn fiets werd gejat. Dit was Amsterdam, nietwaar. 

Mijn laatste fiets was een Napoli. Niet te verwarren met de Batavus die tegenwoordig die naam draagt. Het was bepaald geen topfiets, maar ik viel op de naam. In die jaren hing mijn zelfrespect nauw samen met het succes dat ik had met het zingen van Napolitaanse liedjes. Een fiets met die naam vond ik een vondst. Er waren betere tweedehandsjes in de fietsenwinkel bij het Amstelstation maar deze stond daar duidelijk op me te wachten.
Ik, mijn gitaar en mijn fiets... 

Toen ook Napoli werd gestolen hield ik het voor gezien. Ik had eigenlijk een hekel aan fietsen. Maar ik was Amsterdammer en een Amsterdammer is een fietser. Met dat dwingende beeld moest ik maar eens zien af te rekenen. Voortaan wandelde ik alles binnen een straal van vijf kilometer en voor verdere doelen nam ik auto, tram of bus.

Mijn dijbeenspieren beginnen te protesteren. Een naar, zeurderig soort protest, iedere keer dat ik een trapper indruk. In de stad is het druk. Ik krijg veel meer wandelende en fietsende mensen binnen dan normaal, als ik stapvoets ga. Het krioelt van de medemensen. Soms heb ik het gevoel in een film te zitten waarvan het beeld is versneld en wil ik naar huis, naar de rust van mijn balkon. 

Hiermee fietst snelheidsduivel Voorheen Rookzanger het zomerseizoen uit. U ziet hem weer op deze plek, deo volente, in de meteorologische herfst.


zaterdag 10 augustus 2024

BABYLON


Vanaf oktober doen we weer een aantal voorstellingen van Wat geweest is, is geweest, het liedjesprogramma rondom Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot. In die volgorde, want het draait vooral om Lennaert - ik lees onder meer brieffragmenten van hem voor. Over een van die voorstellingen (in het kerkje 'De Stompe Toren' van Spaarnwoude, op zondagmiddag 27 oktober) ga ik morgen iets vertellen op regionale radio.
Ik zat juist, op het balkon met een eerste koffie, te denken dat ik me maar eens moest gaan inleven in de materie toen er een mail binnenkwam. Ene Richard Ranson uit Brugge vroeg mijn mening over een anekdote die hem ter ore was gekomen. Kort samengevat gaat die als volgt: Boudewijn trad in 1967 op in de Stadsschouwburg van Brugge. Tijdens zijn verblijf daar bezocht hij het artiestencafé Babylon. Dat zou de inspiratie zijn geweest voor het gelijknamige lied op de langspeelplaat Nacht en Ontij. [U kunt HIER het gehele verhaal lezen, in de commentaren bij het blog.] De entourage van Boudewijn vond het desgevraagd een broodje aap. Wat was mijn mening?

Het was een mooie, ouderwets stille morgen. Het was bouwvak dus de gierende schuurmachines zwegen zoals het hoort op zaterdag. Ik maakte een tweede koffie, beklom een stoel om er een paar boeken bij te halen, en nam er mijn tijd voor.

Beste Richard,

Dank voor je mail, die ervoor zorgde dat ik een uurtje aangenaam doorbracht met het speuren naar historische informatie in verschillende boeken, van Boudewijn en van Lennaert.
Om met de eerste vraag te beginnen: Babylon zoals het op Nacht en Ontij staat, is op naam van Boudewijn gecrediteerd. Maar, uit Hoogtevrees in Babylon, het boek uit 2007 waarin Boudewijn commentaar geeft bij zijn liedteksten tot dan toe, leren we dat het Lennaert was die de oorspronkelijke tekst had geschreven. Boudewijn vond die evenwel niet geschikt om te zingen en herschreef de gehele tekst, met behoud van steeds de eerste twee verzen van ieder couplet. Feitelijk had Lennaert dus als co-auteur genoemd moeten worden.

Dan de anekdote. Ik weet niet wie die persoon uit Boudewijns omgeving is, maar ik kan niet anders dan hem of haar gelijk geven: Boudewijn alleen in een café? Zeer, zeer onwaarschijnlijk. Hij is een verlegen man die zich slecht op zijn gemak voelt in openbare gelegenheden. Tenzij er een dwingende reden voor was, lijkt het me niet aannemelijk dat hij de veilige ruimte van zijn kleedkamer zou hebben verlaten. 

Maar je zegt dat de toenmalige kroegbaas bekendstond als een man met een sterk geheugen en een voorliefde voor de waarheid. Mogelijk heeft zijn geheugen hem toch parten gespeeld. Of (en dat kan heel goed) hij heeft de waarheid een beetje verdraaid om haar mooier te maken.
Want wat nou als het niet Boudewijn maar Lennaert was, die in café Babylon kwam, tot tweemaal toe? Dan wordt het een ander verhaal. Lennaert was een echte kroegtijger. Nee, dat klinkt te stoer - hij voelde zich thuis in de kroeg, waar hij vooral veel zweeg en alles las wat maar leesbaar was. Een stamcafé was voor hem een tweede huis waarin hij zijn vaste plek en zijn vaste gewoontes had. In elke plaats waar hij vaak kwam had hij zo'n geliefde plek, in Amsterdam bijvoorbeeld café Schumich aan de, of zoals Amsterdammers zeggen, het Singel.
Boudewijn toerde in 1967 vaak door Vlaanderen. Of hij ook motor reed weet ik niet, dat lijkt me helemaal niks voor hem. Wat ik weet, is dat hij tijdens die reisjes de auto bestuurde waarin ook Lennaert zat, want die trad in die tijd op als zijn manager; eerder voor de gezelligheid, heb ik de indruk, dan uit talent voor het zakelijke. Over die tochten in de hevig naar wierook geurende auto van Boudewijn staat een mooie passage in Tekst en Uitleg van Lennaert (uitgeverij Conserve) - ik sluit een foto bij.

Ik kan me heel goed voorstellen dat het zó gegaan is:
Boudewijn bleef na aankomst in Brugge in de schouwburg. Voorafgaand aan een concert is er altijd genoeg te doen. Ik kan me moeilijk voorstellen dat Lennaert, áls hij al ieder optreden bijwoonde, ook bij de soundcheck bleef. Hij zal, zoals hij graag deed, door de oude stad gedwaald hebben en een café zijn binnengelopen dat hem aantrok om daar in zijn eentje aan de toog, mijmerend en observerend, een glas te drinken. Thuis in Haarlem was dat steevast Beerenburg, in Brugge zal het een lokaal bier of misschien een genever zijn geweest. Het detail dat hij bij het tweede bezoek op exact dezelfde plaats ging zitten is tekenend. Zo was Lennaert.
Hij zal daarbij niet herkend zijn, want hij bleef nogal op de achtergrond. Maar het was een stil uur, zeg je - hij kan heel goed een praatje met de kastelein hebben gemaakt, waarin hij vertelde wie hij was en waarom hij in Brugge was.
Hou me ten goede, dit is allemaal fantasie, feiten heb ik niet.
Cafébaas Ward van de "kroegste der kroegen" had nu een mooi verhaal te vertellen, ware het niet, dat weinig mensen (dat geldt nog steeds overigens) wisten wie Nijgh was. De zanger trekt de aandacht, de net zo belangrijke dichter blijft in de schaduw, de veilige schaduw van een schemerige staminee. Wat ligt meer voor de hand dan dat hij, Ward, de waarheid een klein slagje draaide, en Nijgh veranderde in zijn beroemde vriend Bo? Het verhaal blijft in essentie waar, en het spreekt meer aan. Je hoeft niet eerst uit te gaan leggen wie Lennaert Nijgh was.
En ja, het zou heel goed kunnen, als dit allemaal waar is, dat Lennaert, die een voorliefde voor het oudtestamentische had, geïnspireerd raakte door de naam van de kroeg en er zijn door Boudewijn afgekeurde tekst op baseerde, die begint met: 

Tempelgoud glanst helder
in de stralen van de zon
daar rijst de toristis Helion
advenitur laborantes
kaischwarzedis melanchton
epahebris et stalakton
mundus vocans lousytermes
decameron quasi spermes
in balantes Babylon

Een fraaie schildering van een Babylonische spraakverwarring, en, nee: dat glazuur komt er niet in voor. Dat is van de hand van Boudewijn, die erover schrijft: 'Glazuur heb ik altijd een magisch woord gevonden, als klein jongetje al. Ik heb geen idee waarom. Maar het moest een keer in een liedtekst verwerkt worden [...].' 

Meer weet ik er niet over te zeggen. Ik hoop dat ik je hiermee van dienst kon zijn.

Hartelijks,

Jan-Paul


(Illustratie Pieter Bruegel de Oude, 1563)

vrijdag 2 augustus 2024

SPROAKSTEE


Voor we later in augustus serieuzer op reis zouden gaan wilden we wat kleine excursies maken. Een paar dagen weg, even 'helemaal eruit', andere omgeving, andere taal - maar dan zonder de voorbereidingen en organisatie die een langer buitenlands verblijf vergt. De distels kunnen een dag of twee pluizen op het land van mijn vriendin, de katten hoeven mij maar kort te missen.
Onlangs bezochten we het tot dan toe verwaarloosde Aken. Deze week zouden we naar Heimbach gaan, een plek in de Eifel waar ik erg op gesteld ben geraakt. 

We vierden een tweedaags familiefeest in de tuin van mijn vriendin. Tenten opgezet in de appelboomgaard. Kinderen en kleinkinderen. Dat was enorm gezellig maar het hakte erin. Na al die Bourgondische zorgeloosheid en die vrolijke chaotische gesprekken tot diep in de nacht bij een walmende vuurkorf, begeleid door luidkeels gezang en ongeremd gitaarspel, was ik stuk. Ik vroeg om een dag respijt. Een gewone dag van wandelen en stilte. Om bij te komen van dat woeste en volle leven. 
Mijn vriendin kwam dat ook goed uit en zodoende gingen we woensdag pas weg.

Maar... we moesten onverwachts vrijdagnamiddag alweer terug zijn. Ik lag daar 's ochtends in bed over na te denken, inmiddels uitgerust. Heimbach was drieënhalf uur rijden, theoretisch. Maar de schrik zat me nog in de benen na die trage reis naar Aken. Heen en terug file op file, de A2 is haast niet meer te doen. Bovendien voorspelde de app juist voor die donderdag onweer en regen in de Eifel. 
Verandering van plannen. Flexibel zijn! Ik appte mijn vriendin om 7:15: 'Zullen we soms naar De Lutte gaan en daar de grens oversteken?'
Zij is in dat Twentse plaatsje geboren en heeft er haar eerste levensjaren doorgebracht. Ze was meteen voor. Het vooruitzicht op een meestal rustige A1 hielp ook. 


In De Sproakstee stond de tent algauw. Het was er niet zo rustig als toen we er in het eerste Corona-jaar waren. Een dozijn dure campers bewoond door stille, grijze echtparen omzoomde het iets te kort geschoren grasveld. We aten in het dorp, buiten. Om niet al te veel in herhaling te vallen bij een ander restaurant dan vier jaar geleden. We zaten nog wat voor ons tentje. De avond was zoel. Ik tekende de bomen.
De verkwikkend stille nacht op een spartaans matrasje werd abrupt kort gehouden door luid koerende houtduiven. Roekoe-koe-koekeroe-koe. Net een ander dialect dan in Noord-Holland.

In Bad Bentheim ontbeten we heerlijk bij koffiehuis en bakkerij Tietmeier. Wie daar ooit komt moet niet verzuimen een van hun zware, smaakvolle broden mee te nemen. Zulk lekker brood proef je zelden.
Mijn vriendin verleidde me tot een bezoek aan de burcht. Ik kende die alleen van gezicht. Zelf had ik ('Ik kén kastelen zo langzamerhand wel') willen volstaan met een beetje rondlopen door het stadje om eetlust op te doen maar ik had er geen spijt van.

Het evidente voordeel van toerisme is dat je te zien krijgt wat is beloofd. Dat geldt niet voor vogels kijken, bijvoorbeeld. Voor de tent had ik gemeend een grauwe klauwier te zien, maar het schuwe diertje hield zich verstopt en eer ik mijn verrekijker had gericht was het verdwenen. Onbevredigd borg ik de kijker weg, onzeker of ik de waarneming in mijn notitieboekje mocht noteren.
We kregen wat ons was beloofd en tegen de tijd dat we het grote en mooie kasteel verlaten hadden was het ook wel genoeg. De verzadiging van een toeristische attractie wordt nog eens versterkt door de bordjes met informatie en het aanschouwelijke onderwijs - het met levensgrote poppen en flakkerende lichtjes aangeklede alchemistenlaboratorium had ik kunnen missen.
De logeerkamer van koningin-regentes Emma daarentegen (Pauline van Waldeck-Pyrmont, gehuwd met Alexis van Bentheim-Steinfurt, was haar zuster en zij, Emma, kwam jaarlijks bij haar logeren om te kuren in de heilzame bronnen van Bad Bentheim) had ik best willen betreden, maar de weelderige slaapzaal was met plexiglas afgesloten.
Mijn vriendin wist nog dat het hier vroeger anders was, veel minder netjes, en zei dat ze de boel aan het verpesten waren. We verschilden even filosofisch van mening. De nieuwe Vorst van Bentheim und Steinfurt is een vooruitstrevend ondernemer. Misschien te commercieel. Maar als je niks doet vervalt de boel van charmant antiek tot een niet meer te redden zooitje. Ik dacht aan de talloze steenklompen in Engeland en Wales. Ik speelde de advocaat van de duivel. In mijn hart was ik het mijn vriendin eens. Ik kon dat plexiglas en die informatieborden missen als kiespijn.

We lunchten buiten in een Biergarten. Net over de grens en meteen krijg je twee schnitzels in plaats van één, voor dezelfde prijs, vergezeld van een overvloed aan heerlijke, 'op grootmoeders wijze' gebakken aardappels.
We deden inkopen in een supermarkt. De lucht was betrokken. Terug in Nederland was er een niet voorspelde regen begonnen die voorlopig niet van ophouden leek te weten. Het nadeel van primitief kamperen manifesteerde zich. We zochten ons heil aan een picknicktafel onder het afdakje van het sanitair. Daar aten we een avondmaal van meloen en ham, broodjes tonijn en lokale kruidenkaas, begeleid door een fles Schwarzriesling. Een beetje bevreemd bekeken door de keurige camperbewoners die ons passeerden om hun borden en pannen af te wassen. Daarna zat er niets anders op dan vroeg te gaan slapen met een boek. 
Die mooie wandeling over het loabultpad maakten we de volgende morgen, heerlijk uitgerust.


vrijdag 26 juli 2024

AANSPRAAK


Ik word de laatste tijd vaak aangesproken, geen idee hoe dat komt. En dan bedoel ik niet dat ze me aanspreken om mij, blijkbaar duidelijk 'van hier', de weg in Amsterdam te vragen.

Het deed me goed om deze week een op en top Italiaans stel te kunnen helpen. Ze zochten een restaurant met typisch Hollands eten - tipicamente Olandese. 
Hé, atypische Italianen, dacht ik meteen. Meestal willen hun landgenoten overal ter wereld pasta eten om vervolgens de helft te laten staan en met een lang gezicht te klagen dat het thuis beter is.
Daarna stond ik te stuntelen en hardop te denken in een moeizaam komend Italiaans. Waar eet je nog vlees, groenten en aardappelen? Want dat was de culinaire wens van dit knappe jonge stel. Ik kon ze moeilijk naar de gaarkeuken van het buurthuis sturen en betreurde het dat La Falote Corona niet had overleefd: in dat eethuisje serveerden ze voor een zacht prijsje een daghap van bijvoorbeeld sudderlapjes, rode kool en dampende piepers. Soepje vooraf, vla toe. Hollandser kon het niet.
Net toen ik vreesde het op te moeten geven schoot mijn geheugen me te hulp. Loetje, fluisterde het in mijn oor.
Natuurlijk! Biefstuk met jus en wittebrood, Amsterdams zaterdagavondkostje... Ik wees de Italianen opgelucht via de Ruysdaelstraat naar het Johannes Vermeerplein en hoop maar dat de beroemde ossenhaas van Ludwig 'Loetje' Klinkhamer ze heeft gesmaakt.

Maar wat ik bedoel is dat ik steeds vaker word aangesproken zonder praktisch doel maar gewoon, om een praatje te maken. Ik beschouw het maar als een teken dat het goed met me gaat, dat ik benaderbaarheid en innerlijke rust uitstraal?
Vanmiddag zat ik in het park na een onvoorziene vertaalsessie. Mijn vriend Robert had me een vertaalde songtekst toegestuurd en voor ik het wist was ik, aanvankelijk tegenstribbelend en met een zekere weerzin, maar algauw met de oude bedwelmende fascinatie, ondergedompeld in een twee jaar geleden begonnen project, de vertaling van A Passion Play, het cryptische en pretentieuze conceptalbum uit 1973 van Jethro Tull. 
Op het bankje tegenover de ooievaars draaide ik als een gebedsmolen een kwatrijntje uit The Flight from Lucifer (Vierde Acte) rond. 

Everyone's saved, we're in the grave.
See you there for afternoon tea.
Time for awaking the tea lady's making
a brew-up and baking new bread.

Over een eerdere vertaling was ik ontevreden, vandaar dat gebedsmolentje. Er moest toch iets beters te bedenken zijn dan mijn wel héél vrije parafrase?

'Is er nog maar één?'
Ik keek opzij. Een man die ik al jaren door het park zie lopen, rondje na rondje, steentjes schoppend en nauwelijks om zich heen kijkend. Aan de drank, in de war, dakloos, ontslagen en door en door verveeld? Geen idee. Stroblond piekhaar om een roze gezicht. Uitdrukkingloze ogen achter een ronde plastic bril. Sandalen, driekwartbroek. We kennen elkaar van gezicht, we horen bij de habitués, maar doen net of we elkaar niet zien bij onze rondjes. Tot nu dus.
'Nee,' antwoordde ik. 'Ze zijn er allebei nog, maar een van de twee is een eindje vliegen.'
'Er waren er eerst toch drie?'
'Ja, maar één is te vroeg uit het nest gesprongen. Hij ging fladderend ten onder. Hij verblijft nu in de opvang. Het gaat goed met hem (of haar), binnenkort zal-ie wel losgelaten worden.'
'Ze moeten eerst wel een beetje met die vleugels oefenen, toch?' meende de stroblonde man. 'Is dat een van de jongen of een van de ouders?'
'Een jong. Dat zie je aan de zwarte snavel. Die van de ouders zijn rood. Nu worden ze nog gevoerd door de ouders maar ze zullen binnenkort wel uitvliegen.'
'Het wordt tijd ook,' grinnikte hij en slofte verder, de blik op zijn bestofte sandalen gericht. 

Het kostte me even om mijn gedachten te verzamelen. De habitués, de parklanterfanters, spraken me één voor één aan de laatste tijd, alsof het zo afgesproken was. Ik zou niet langer anoniem door het groen kunnen wandelen, Im Walde mompelend als er een wolk voor de zon schoof en de schaduwen van de bladerrijke bomen diep en donker waren. Ik werd in de gaten gehouden. 
Maar daar was het passiespel weer. Het molentje draaide, eerst stroef, daarna lekker ratelend.

De druk is eraf, we zijn in ‘t graf.
'k Zie je daar, zo tegen theetijd.
Nu maar eens opstaan, vers brood zal erin gaan,
de theejuffrouw schenkt nog eens in.