vrijdag 18 september 2020

RITJE

Na het wekelijkse Zen-clubje had ik op het terras de krant gelezen. Het was mooi weer, wel wat fris. Daarna had ik een eind gewandeld, dit keer niet richting Vondelpark maar de andere kant op, via de Reijnier Vinkeleskade en de Jan van Goyenkade naar het Olympiaplein en vandaar met een wijde boog terug naar huis. Eenmaal weer boven beantwoordde ik mails en Appjes. Ik at wat zuurdesembrood met geitenkaas en tomaat en strekte me op bed uit. Eén uur, ik was al moe. Kat Snuf liet zich niet zien, maar zijn broer Snuitje sprong enthousiast naast me om in mijn oksel te gaan spitten. Ik had alleen een T-shirt aan en zijn nagels deden pijn. Ik duwde hem weg. Hij ging me van een afstandje liggen bekijken, spinnend. Zijn ogen knipperend in de zon. 

Toen ik wakker werd uit een gulzige sluimer was het kwart voor twee. Ik stond op, zette koffie en... wist het niet meer. Ik staarde met tegenzin naar toetsenbord en telefoon, sloeg een jengelend akkoord aan op de piano, zong een paar noten. Niets trok me aan, en ik moest ook niets - wat er op de agenda stond had geen enkele haast. Maar de tijdloze sfeer van de zomer lag achter me. Ik kon niet zomaar op het balkon gaan zitten lezen of niksen, er hing een zekere urgentie in de lucht.
Ik ging naar buiten maar op straat aarzelde ik. Zou ik toch niet liever gewoon weer een eind gaan wandelen? Nee, besloot ik, ik voelde me slap en had moeie voeten. Gewoon doorzetten dat plan!

Frank had me op het idee gebracht. Frank is alweer jaren dood. Hij was een gedisciplineerd alcoholist, vóór de avond viel geen druppel. Om de lege uren tot zijn eerste shagjes en glazen door te komen maakte hij vaak een ritje door de polder. Een kijker mee om vogels te bespieden. En een fles wijn, want je kon nooit zeker weten of je wel op tijd thuis was.
Ik startte de auto en reed weg. Het was druk. Een hortend ritje door de stad op een middag in de herfst is niet hetzelfde als een autotochtje door de Noord-Hollandse polder. Ik koos de minst drukke verkeersstroom en was algauw op weg naar Amstelveen. Niks bijzonders te doen of te zien daar. Maar ik had afleiding, er was beweging, gedoe, er waren mensen om op te reageren, ik moest alert zijn. Het viel me op, niet voor het eerst, hoe groot Amstelveen is. In mijn verbeelding is het een duur dorp van rood baksteen aan de grens van Amsterdam, in werkelijkheid een uitgestrekte gemeente met veel groen en hoogbouw en bijna 100.000 inwoners. Ik volgde de borden 'Stadshart'. Maar het vage plan om daar te parkeren stuitte op een intimiderende infrastructuur. In een Q-Park had ik geen zin. Via dwaaltochten kwam ik bij de Zuidas. Tijd niet gezien, groot geworden. Tussen de kantoorkolossen zag ik de zoveelste vestiging van Loetje. Om in de geest van deze dag te handelen reed ik langs een ongewone weg terug naar huis. 

Vier uur. Bij patisserie Arnold Cornelis kocht ik een ham-kaas-snack. Warm. Ik viste een boekje uit het weggeefkastje in mijn straat. Het had ooit toebehoord aan J.J. Kouwijzer, zag ik. Boven ging ik in mijn rode zetel bij het raam zitten. Misschien dat ik het nu wel kon, lezen en niksen, de middag was al goeddeels verstreken.
Somberman's actie (1985) van Remco Campert wist me eerst maar matig te bekoren maar na een tijdje werd ik meegezogen door de sobere, licht surreële stijl van de vertelling. Somberman is werkloos geworden en verzuipt in een zee van tijd. Hij besluit de deur uit te gaan en beleeft zo het een en ander. Hoe toepasselijk!

'Als hij niet blijft praten behoort hij binnenkort niet meer tot de mensen. Woorden kunnen hem redden. Maar waarvan? Ja, geef daar eens antwoord op. Zou een plant ongelukkig zijn? Er zijn mensen die beweren dat planten pijn kunnen lijden. - Er bestaan geen planten van vlees, mompelt Somberman, vooruit, opstaan, actie! Een greep op de wereld, daar gaat het om.'

Toen ik opkeek uit het vijftigste boekenweekgeschenkje kondigde de schemering zich aan, de lucht was kleurloos geworden. Ik kon met opgeheven hoofd al eten gaan koken. Daarna was ik met een dubbelaflevering van Midsomer Murders, het achtuurjournaal, de Keuringsdienst van Waarde en de rest van mijn boekje veilig onder de pannen.


dinsdag 15 september 2020

SEPTEMBER


Een van de zeldzame andere keren dat het dertig graden of meer was in september, was in 2016, hoor ik op het nieuws. Even neem ik het voor kennisgeving aan, dan flikkert een herinnering op die al gauw beeldvullend wordt.
We reden in het groene VW-busje naar het zuiden. Achterin zat Lucas met zijn saxofoons en basklarinet. Hij leunde naar voren om met mijn vriendin te praten, die aan het stuur zat. Het gesprek ging over technische zaken. Dat sommige mensen niet snapten dat het vuur onder een caffettiera niet voorbij de onderrand mocht komen was ronduit onbegrijpelijk.
Op de provinciale weg naar Oisterwijk werden we ingehaald door een lage rode sportwagen. De gitaarkoffer paste er nét in. Mijn zoon. We zwaaiden en lachten.
In de studio was een geïmproviseerde ventilator op stormkracht aan het loeien. De deuren naar de steeg stonden open. Mijn vriendin ging boodschappen doen om voor rijk belegde broodjes te kunnen zorgen en wij gingen aan de slag met het repertoire dat die morgen het eerst aan de beurt was. De kleine liederencyclus Italië voor gitaar, sopraansax en zang. 

'Wanhopig blijf ik stijlvol nippen
van zacht geparfumeerde grappa...'   

Robert, de tekstdichter, kon er niet bij zijn: die was op een Grieks eiland rakì aan het drinken.
De deur naar de steeg was dicht, de ventilator zweeg. Ik weet dat het die dag meer dan dertig graden was maar ik kan me de sensatie van hitte niet herinneren. Geen zweet, geen loomheid. Ik herinner me scherpte, koele concentratie, schemering, het veilige gevoel dat ik samenviel met wat ik deed.
's Avonds aten we buiten op een zaterdags druk plein, in rieten stoelen. 

WAT IK LATER WILDE WORDEN, cd met (klassieke) liederen op teksten van Robert Eksteen, is bij mij te bestellen. 10 euro plus verzendkosten (zelf ophalen mag ook, het distributiekantoor zetelt in Amsterdam). Zeer aanbevolen. Laat een berichtje achter (hieronder of op Facebook) of mail me: jpvanspaendonck@gmail.com.
                                                                                                           

vrijdag 11 september 2020

TABLET


De Nieuwe Orde begon met een lei. 

Dat is niet zonder symboliek. Een lei (voor de jonge lezers: een soort miniatuur schoolbord, voorloper van het schoolschrift) werd vroeger een 'tablet' genoemd. Van het Franse tablette, letterlijk: een tafeltje. En op dergelijke plakken steen had 'Gods vinger' ooit de Tien Geboden geschreven - op de tabletten of  'stenen tafelen' die Mozes van de berg Sinaï meenam na zijn onderhoud met het opperwezen. 

Mijn geboden hangen sinds kort aan de keukenmuur, op een grijze tablet in een vurenhouten lijstje, waaraan een krijtje bungelt. Drie namen staan erop, en drie taken. Als je de jou toegewezen taak hebt uitgevoerd, moet je in een derde kolom de datum noteren. Het is de bedoeling dat hetzelfde corvee een week, hoogstens twee weken later opnieuw wordt gedaan, al dan niet door dezelfde persoon. Zo heb ik eergisteren de keuken tot in de kleinste hoekjes schoongemaakt. Mijn oudste dochter was me een dag eerder voorgegaan met het schrobben van de badkamer, en mijn jongste zou een dag later de huiskamer grondig onder handen nemen. We leven op het moment dat ik dit schrijf in een blinkend huis, properder dan dit wordt het niet. Zelfs de tassen met lege bierflesjes zijn van de weeromstuit weggebracht en de kattenbak is nog nooit zo regelmatig verschoond.

Twee maanden geleden kwam mijn oudste terug uit Brighton, waar ze een jaar had gewoond, de laatste maanden in strenge lockdown. Daar waren een paar jaar Londen aan voorafgegaan. Ze wil nu voorlopig in Amsterdam blijven. Hoewel ze al sinds haar achttiende als woningzoekend staat ingeschreven is de kans klein dat ze hier snel een eigen huis vindt. Maar dat logeren in het ouderlijk huis dat ze had gedaan als ze 'tijdelijk' hier was, dat wilde ze niet meer. 

Ook ik wilde dat de dingen anders geregeld zouden worden dan in het verleden. Daar was ook een praktische aanleiding voor: door de Coronacrisis ben ik er financieel flink op achteruitgegaan. Zonder hulp kan ik de huur voorlopig niet meer opbrengen, en juist de inwoning van mijn dochters zorgt ervoor dat ik niet in aanmerking kom voor huurtoeslag. 

We besloten samen te gaan leven als huisgenoten met gelijke rechten en plichten. Niet langer als papa met zijn volwassen geworden dochters. En we zouden zo snel mogelijk een bespreking houden om over geld te praten, verdeelsleutels te maken, enz. Maar ach, hoe gaat dat? We vonden na een onwennig weekje of twee de oude routine weer, en het huishouden liep eigenlijk vanzelf. Dat wil zeggen, als de inspiratie er was. Zakte die in, dan werd alles algauw weer rommelig en vuil. En de huur kwam en sloeg een bres in mijn bankrekening. Dus op een morgen hielden we toch dat conclaaf. 

We waren er snel uit. Met z'n drieën was het goed te doen. We stelden een paar huisregels op en maakten een lijstje met voornemens en verbeterpunten. 

En zo trof ik dus op een morgen die stenen tafel aan op de keukenwand. 'JP: keuken' stond er in strenge krijtletters. Ik boog voor de wetten van het collectief en prees me gelukkig.


(Illustratie: Mozes en de tafelen der wet, Rembrandt, 1659)


dinsdag 8 september 2020

DUIZEND

Het stond in mijn agenda. Maar ik kijk tegenwoordig zelden in mijn agenda, die weinige afspraken buitenshuis weet ik zo ook wel.
Het stond boven de dagen van vorige week: "1000e blog?"
Met een vraagteken, want ik wist toen ik het schreef niet precies wanneer dit jubileumpje een feit zou zijn; ik had immers een dag kunnen overslaan in de weken die eraan voorafgingen.
Gisteren dacht ik weer aan die notitie. Ik keek op de teller van het blog, en zag dat mijn verhaaltje van afgelopen vrijdag de duizend-en-eerste post was geweest. Te laat!

Mijn vriendin fotografeert mooie kilometerstanden op haar dashboard. Meestal ziet zij ze aankomen, en heeft de telefoon in aanslag. Maar op een slechte dag kan het gebeuren dat 300.003 zomaar overgaat in 300.004 omdat ze uit moet wijken voor een slingerende vrachtwagen of een beer op de weg. Dan is het balen.

Mijn teleurstelling was in feite onzinnig. Want wat zou ik met dit gegeven, dat ik duizend stukjes op dit blog heb gezet, moeten doen? Champagne en slingers, confetti en taart? Bovendien, niet alle posts tellen écht mee. Ik heb in lauwe tijden soms alleen een gedichtje of een enkele notitie geplaatst. En ik heb ook, aan de andere kant, een aantal publicaties om praktische redenen teruggezet naar 'concept', zodat die niet meer zichtbaar zijn en dus letterlijk niet meetellen.

Toch stemt het missen van dit feestje me een beetje weemoedig.
Het is toch al zo herfstig.
Alles lijkt toch al zo kleurloos.

Zondagmiddag wandelden we door de duinen bij Groet. De rood gemarkeerde route ging over flinke toppen, vaak door mul zand, en er werd gestegen en gedaald dat het een aard had. Ik was bezig met mijn voeten goed neer te zetten, met hijgen en met het kloppen van mijn hart, en maakte me vaag zorgen over de weg: dat doorsteekje om op de rode wandeling terug te komen zonder zes kilometer langs het strand te hoeven lopen, klopte dat wel? Gingen we niet precies de verkeerde kant op nu? Ik wou eigenlijk om een uur of vier wel uitgelopen zijn om dan op een fijn terrasje, dat van uitspanning De Bokkesprong bijvoorbeeld, 'moe maar voldaan' een herfstig speciaalbier te kunnen nemen - daar verheugde ik me nu al op - helaas zonder sigaartje erbij want ik ben onlangs weer gestopt en moet het met pleisters doen.

Toen we daar zaten, niet op het terras van De Bokkesprong maar op het winderige zitje van de concurrent aan de overkant, was het nog niet zo lang na vieren. Maar het zieltogende bedrijf had dubbel noch tripel. Alleen een overgebleven La Chouffe kon ik krijgen, maar die lag niet in de koeling. Ik zei, dat is niet erg, breng hem zo maar, want ik wil geen kwartier wachten tot hij uit de vriezer komt, dan heeft mijn vriendin haar appeltaart al lang op.

Ik was gefixeerd geweest op het tijdstip van zondagmiddag 16.00 uur. Ik had daardoor te weinig van een prachtige wandeling genoten en zat als beloning voor het stevige lopen nu achter een lauw biertje omdat ik niet de flexibiliteit kon opbrengen om dan maar iets lichters, een Texels Skuumkoppe bijvoorbeeld, te bestellen.

Een mens haalt zich veel ellende op de hals door zo aan getallen, tijdstippen en scenario's te hechten.

We doen gewoon of dit de duizendste post is, goed?


vrijdag 4 september 2020

JO

Het regende onafgebroken. Na een paar uur geconcentreerd schrijven wilde ik er even uit. Ik wachtte op een gaatje in de wolken, deed een dikke hoodie aan en aarzelde of ik toch ook een paraplu zou meenemen. Ik dacht aan mijn Oom Jo.
Oom Jo had altijd een paraplu bij zich. Eerder om regen te voorkomen dan om die tegen te houden. Zijn theorie was dat het, als je een paraplu meezeulde, zelden ging regenen. Vergat je hem daarentegen, dan kreeg je prompt een bui op je kop. Zo wandelde hij elke tweede dinsdag of donderdag, dat ben ik vergeten, van Hilversum naar de Amsterdamse Rijnstraat. Hoed op, regenjas aan, paraplu ter hand. Een kleine magere man met donkere ogen in een benig gezicht. Zo op het oog leek hij wel wat op de Zwarte Zwadderneel, de onheilsprofeet uit de Bommelverhalen, maar in tegenstelling tot die zure zwartkijker was onze Oom Jo een rasoptimist die altijd lachte. Hij had een hoge giechel die permanent klaarstond om als reactie te dienen op welke opmerking dan ook. Vooral bij het schaken, wat hij steevast met mijn opa deed. Hij was de sterkste speler van de twee, maar als het misging toonde hij zich een goede verliezer. 'Hihi, Wout, daar heb je me! Deksels! Mat... Hihihi.' Mijn opa glunderde. 'Nog een sigaartje Jo?' 'Hihi Wout, waarom niet, hihi.'
Om deze en andere redenen was Jo, voluit Johannes Marinus Grabijn, gepensioneerd technisch tekenaar bij Fokker en een volle neef van mijn oma, een graag geziene gast in huize Wijnmaalen in de Rijnstraat. Een zonnig humeur en een inschikkelijk karakter. Alleen zijn vaste opmerking bij het eten: 'Nee dank je Babs, ik zit vol' namen mijn opa en oma hem niet in dank af. Dat vonden ze plat. Je moest zeggen: 'Ik ben voldaan'.
En het was oppassen bij het achtuurjournaal, als hij bij uitzondering zo lang bleef. Als het nieuws daar aanleiding toe gaf kon mijn opa flink opgewonden raken over de vuile streken van de conservatieven. Hij ontstak in onredelijke woede en schudde zijn gebalde vuist naar het scherm -  een echte rooie, sociaal-democraat van huis uit en in hart en nieren. Oom Jo sympathiseerde met de VVD en de twee mannen konden dan flink botsen, tot het verzoenende giechelen alles oploste.
Eigenlijk waren die politieke meningsverschillen de enige gelegenheden dat Jo iets van zichzelf liet zien. Hij praatte maar zo'n beetje mee, relativerend, grinnikend. Hij was op een prettige manier onpersoonlijk, een sfeer van onthechting hing als een luchtig aura om hem heen. Een ongetrouwde man die zijn leven lang bij dezelfde hospita woonde, die hij 'juffrouw' noemde. Bij een katholieke familie zou hij vast heeroom zijn geweest. Een ascetische bedelmonnik. Hij leefde sober, dronk niet, deed voor het slapen gaan ademoefeningen voor het open raam. Wandelde en wandelde, keek om zich heen, soms peinzend en in zichzelf verzonken, maar wat hij dan overdacht bleef binnenin dat benige hoofd. Misschien dacht hij aan Frans, zijn jonggestorven tweelingbroer, of aan hun beider jeugd in het weeshuis.
Toen we naar Leusden waren verhuisd en mijn opa en oma daar in een bejaardentehuis waren ondergebracht bleef hij hen regelmatig bezoeken. Meestal op zondag, als de festiviteiten zich naar ons huis verplaatsten. Hij nam trein en bus en arriveerde ruim voor theetijd, schaakte met wie maar wilde en nam alle veranderde omstandigheden vermaakt in zich op. Ook bij ons thuis was hij een welkome verschijning, die met zijn regenscherm, zijn gleufhoedje en zijn demi de geest van andere tijden de huiskamer in blies.
Toen hij stierf, vier- of vijfennegentig jaar oud, liet hij al zijn spaargeld na aan de dierenbescherming. Een niet geringe som, naar gezegd werd. Dat was het enige verdriet dat hij zijn nicht ooit deed. 'Niet voor mezelf natuurlijk. Ik heb er niks meer aan,' zei mijn oma vaak wrokkig. 'Maar Mea had het zo goed kunnen gebruiken.'


dinsdag 1 september 2020

TICKETS

Met de herfst komt de behoefte om iets met de zondag te doen. In de zomer is gras en zon algauw genoeg. Ik had voorgesteld het Westfries Museum in Hoorn maar eens te gaan bekijken. Mijn vriendin vond het een goed idee. Ik reserveerde op mijn telefoon voor een zogenaamd 'tijdslot' (meervoud 'tijdslots') en zag in mijn mail dat de reservering was doorgekomen.
Op de afgesproken tijdsgleuf stonden we voor het museum. Poortje onderdoor, op de binnenplaats voor de toegangsdeur was een houten keet geïmproviseerd waar je je moest melden. Er stond een oudere Duitse toeriste. Ze had een probleem, zoveel was duidelijk. Er werd druk op haar telefoon gewezen. De man achter het plexiglas onderbrak de moeizame transactie. 'Mag ik eerst die mevrouw en meneer soms even helpen?'
Ik zei dat we om 14.00 uur gereserveerd hadden. Van Spaendonck, met AE en CK. Ik trok zwierig mijn museumkaart tevoorschijn.
'Waar is uw ticket? Ik moet de barcode scannen.'
Welk ticket, wilde ik weten. Ik had een reservering gemaakt en zwart-op-wit gelezen dat die in orde was. Ik moest vooral de rest van de mail goed lezen waarin de veiligheidsvoorwaarden uit de doeken werden gedaan - maar dat deed ik natuurlijk niet, die zijn ons inmiddels wel ingepeperd.
'In die mail stond ook dat u de bijlage moest uitprinten en meenemen.'
Niet gezien. Ach, stom. Tickets met barcode. Net als bij een popconcert. Zoveel formaliteit had ik van een rustig, kleinsteeds museum niet verwacht. Maar ja, Corona hè?
Wat nu?, vroeg ik me hardop af. Ik heb geen mail op mijn telefoon, mailen doe ik thuis, op mijn gemak. Mijn schuld natuurlijk, dat begreep ik wel. Ik vroeg beleefd en nog zonder wantrouwen of hij dan even in hun bestanden wilde kijken. Ik had op naam gereserveerd. Dat moest makkelijk vindbaar zijn. 'Dat kan ik hier niet zien,' zei de man. Ik zei, een beetje opwarmend, dat me dat onzin leek. Alles is zichtbaar tegenwoordig en ik had een formulier ingevuld dat online verstuurd was naar hun administratie. 'Ja maar, dat kan ik hier niet doen,' zei de man. 'Mijn leidinggevende...' 'Vraagt u het dan even aan de persoon in kwestie. Ik ben speciaal uit Amsterdam gekomen, met een rechtsgeldige reservering, het moet toch mogelijk zijn om hier iets op te vinden?'
Goed, dan hielp hij eerst het oudere paar achter ons. Maar ook dat ging niet zomaar. Er was iets mis. De barcode wilde niet scannen. De man moest maar opnieuw reserveren.
De kaartjesknipper verdween even naar achteren. Wij stonden een beetje te klagen met ons vieren over het gemak van de moderne techniek. Toen hij terugkwam zwaaide hij wild met zijn armen: 'Anderhalve meter, afstand!'
Zijn collega kon niet in het bestand. Ze kon dat allemaal niet zien. Ze hadden toch echt een barcode nodig. Het enige dat erop zat, zei de langzaam zenuwachtig wordende kassier, was opnieuw reserveren, voor - eens kijken - 14.15 uur. Ja maar, probeerde ik - hier ben ik, in het echt, neemt u papier en pen, hier is mijn museumkaart, desnoods betaal ik. Desnoods stuur ik u morgen mijn bijlage met barcode op, voor uw administratie.
Nee, zo ging dat niet.
De Duitse vrouw was inmiddels weggelopen. Terug naar Duitsland, wie weet.
Er kwam een hoogbejaard stel aan, hij met een stok. Ze hadden gereserveerd voor de gleuf van 15.00 uur. Maar konden ze alvast naar binnen om koffie te drinken? Nee, dat was uitgesloten. Ik keek door het raam en zag dat er hooguit twee mensen in de restauratie zaten. Het bejaarde stel schuifelde aangedaan weg. Het begon te regenen.
Het echtpaar met barcodeproblemen was eveneens weggelopen. 'Ik moet al mijn gegevens opnieuw invullen, dat ga ik hier echt niet staan doen.'
Ik riep de site van het museum op. Die kwam, heel traag, floepte weg. Ik vroeg om de Wifi van het museum. De man spelde die, ik toetste hem in. Nu verscheen de site en kon ik zelfs doorklikken naar 'reserveren'. De gleuf van 14.15 uur was al vol. Ja, dat kon kloppen, onze virtuele alter-ego's liepen daarbinnen naar de kunstschatten uit de Gouden Eeuw te kijken. 'Doet u dan half drie,' zei de man toeschietelijk.
Ik klikte op half drie. Nog één plaats beschikbaar.
Op dat moment knapte er iets in mijn kop en ik liep zonder nog iets te zeggen weg. De zesde bejaarde in twintig minuten tijd die onverrichter zake het museum verliet. Mijn vriendin groette en zei nog iets van 'andere keer terugkomen', want die man was best aardig en kon er ook niks aan doen.
Dat was misschien waar, maar de onzichtbare collega had toch wat flexibiliteit kunnen tonen?
Techniek is er om de dingen makkelijker te maken, niet moeilijker. En hoe handig is de doelgroep van het museum met smartphone en online-transacties? Of willen ze soms af van al die grijze koppen en de jeugd binnenhalen? Haha, hier zou ik een ironisch lachend emoticon zetten als ik het kon.

In het pand naast het Westfries Museum was een expositie gaande. Hoornse schilders, thema Vrijheid. Hier mochten we zó naar binnen, graag zelfs! We bekeken de doeken van vooral gekleurde mensen. Na een kleuterschilderijtje van de buste van J.P. Coen waarop in verfletters 'Schurk!' stond, en: 'Sorry!' had ik het wel gezien.
We wandelden door de motregen langs de Hoornse Hop en aten een lekkere lunch in de voormalige gevangenis. Op de terugweg passeerden we het museum. Er zat nu een stuurse vrouw in het keetje. De leidinggevende wellicht. Het pleintje was verlaten, het restaurant was leeg. Ik schudde zachtjes mijn vuist en gromde: 'Schande!'


vrijdag 28 augustus 2020

In Memoriam Ad Kooijmans

Deze week kreeg ik het bericht dat Ad Kooijmans is overleden. Hij werd zevenentachtig. Ad was een goede vriend van mijn vader. Ze leerden elkaar kennen bij de opera, waar mijn vader pianist was en Ad in het koor zong. Omdat mijn vader aan een chronisch heimwee naar Brabant leed en Ad uit Schijndel kwam, niet ver van mijn vaders geboortestad Den Bosch, zocht hij het gezelschap van de acht jaar jongere tenor. Ad woonde met zijn vrouw en drie dochters in Geuzenveld, wij in Slotermeer, dus er kwamen over en weer bezoekjes, waar bij een glaasje sherry over zingen en de zachte g werd geboomd.
Toen we verhuisd waren naar Leusden kwam er op een gedenkwaardige dag een telefoontje. Ad zat al een tijd overspannen thuis en was in die gedwongen retraite diep in zichzelf afgedaald. En daar had hij zijn eigen stem gevonden: een bas. Kon hij langskomen om die nieuwe Ad te laten horen? Mijn vader geloofde het maar half maar toen Ad voorgezongen had, de aria's van Sarastro uit Die Zauberflöte met hun beroemde kelderdiepe noten, kon hij niet anders dan deze metamorfose aanvaarden. Ja, inderdaad, zei hij, een echte bas, geen bariton. Een lichte bas weliswaar, die restrictie maakte hij nog wel. Toen Ad naar huis was vertrokken evalueerden we het wonder, want dat was het in onze ogen en oren. Ad had twee of drie broers die eveneens beroepstenor waren, en zijn vader was de heldentenor van het dorp geweest: een Kooijmans wás dus tenor, een kwestie van familie. Ad had zich in bochten gewrongen en met kunst en vliegwerk en een handig gebruikt falset jarenlang een tenor 'nagedaan' (en met succes!), tot hoofdpijn en spanning het hem onmogelijk maakten. De altijd wat schelle tenor was tijdens zijn remake getransformeerd tot een buitengewoon krachtige bas die klonk als een klaroen. Mijn vader zat die dag nog lang na te monkelen met zijn glaasje jenever. Af en toe schudde hij het hoofd en hoorden we hem mompelen: 'Die Ad... een bas...'
Ik heb Ad in de jaren daarna meegemaakt als een fijne collega. Ik heb ook eens een lesje bij hem gehaald omdat zijn fysieke manier van zingen zo benijdenswaardig was. Hij wiegde en danste een beetje als hij zong. Als mijn vader iets te vieren had was hij van de partij. Hij was een lieve, bedachtzame man, geneigd tot het filosofische, met een rustige, naar binnen gekeerde lach die diep uit die resonerende borstkas opwelde. Ad temperde mijn vaders wilde fantasieën met een goedmoedige relativering; in zekere zin waren het tegenpolen, door de liefde voor Brabant en zingen tot elkaar gebracht.
In latere jaren ging hij schilderen. Ik ben met vriendin en broer nog naar een van zijn exposities geweest, dat moet de laatste keer zijn dat ik hem gezien heb. Bij ons thuis hing een groot bloemenschilderij van zijn hand. Toen mijn vader overleed moesten we beslissen wat we daarmee gingen doen. Onze muren waren te vol, vonden we. Ik mailde zijn dochter Monique. Ja, Ad wilde het graag terug als niemand het wilde hebben. Maar inmiddels had ik het kleurige doek een kans gegeven en ik was er onmiddellijk aan verslingerd geraakt. Het hoorde gewoon aan mijn muur en gaat daar nooit meer weg. Dus dat tochtje naar Oosthuizen om zijn schilderij aan hem terug te geven ging niet door.
Daarna waren er regelmatig voornemens om eens langs te gaan, gewoon, voor de gezelligheid. Eenmaal reden we zelfs door zijn straat en bijna was ik zover om alle deuren na te lopen tot ik het bordje "Kooijmans" zou zien, want zijn huisnummer wist ik niet.
Dat is nooit gebeurd. Zo lopen die dingen nu eenmaal vaak en ik probeer er geen wroeging over te voelen.
Maar jammer is het wel. Ik ben er stil en bedrukt van. Met Ad, zijn laatste echte vriend, is ook mijn vader weer een beetje meer gestorven.

Foto: Monique Kooijmans