vrijdag 22 januari 2016

CHOCOLA


Nog geen week geleden was ik voor mijn doen opvallend monter. Ik had veel werk te doen, en in plaats van daartegen op te zien was ik het motto indachtig dat zegt 'elke mars begint met één enkele stap' (Lao Tze, meen ik). Ik verdeelde mijn tijd eerlijk over al mijn klussen, in de overtuiging dat ze allemaal vroeg of laat wel tot een goed einde zouden komen. 'Je moet het gewoon maar doen,' zei ik tegen mijn vriendin, alsof ik daarmee een nieuwe volkswijsheid debiteerde.
Toen kreeg, schijnbaar plotseling en uit het niets, de lamlendigheid van januari me te pakken. Ik liep door de stad om een cadeau voor mijn dochter te kopen, die vandaag verjaart in het verre Londen. Ik aarzelde lang in Waterstones, pakte boek na boek uit de schappen. IJswater lekte van mijn hoed op een display van luxe uitgaven, ik hoopte maar dat de verkopers het niet zagen. Ik verliet de zaak en ging naar het American Book Centre. Ook daar talmde ik onnodig lang in het overdadige aanbod. Al die duizenden fleurige uitingen van cultuur, ieder voor zich het resultaat van jaren werk, hoe moest je daaruit kiezen? Ik pakte mezelf bijeen en liep terug naar Waterstones. Met mijn hoed in mijn hand bekeek ik nogmaals de boeken van mijn eerste keuze en hakte de knoop door. Toen ik thuis kwam had ik een cadeau waarover ik toch niet helemaal tevreden was en ik had een paar uur op nogal koortsachtige wijze verspild.
Daags daarna was ik een hele middag lang onnodig nerveus voor een voorstelling. Omdat ik geen tijd had om te eten haalde ik bij de Albert Heijn een paar sandwiches en een flesje vitaminedrank. Ik vergat chocolade. Van die omissie lag ik later wakker, want chocola op het juiste moment kan wonderen doen, als je een energiedip hebt en plotseling treurig wordt. Stom om dat te vergeten! Hoogste onprofessioneel om daarin niet te voorzien! Het werd acht uur en er waren nauwelijks mensen. Tegen het einde van de voorstelling voelde ik een spanningshoofdpijn opkomen. De muziek leek me net zo zinloos als de kleurige kaftjes van al die boeken in het ABC. Waartoe toch, al deze inspanning? Al die zenuwen, al die voorbereiding, al dat vakmanschap, al die drukte, voor een handvol toeschouwers, waar was het allemaal goed voor?
In bed probeerde ik niet te denken aan de vergeten chocola. Ik kon het niet overdoen. Ik had net gelezen dat er volgens de geleerden een spiegeluniversum moet bestaan waarin de tijd terugloopt; een troostrijke gedachte, zoals symmetrie altijd troostrijk is. Ergens in de kosmos ging ik vanuit mijn bed terug de avond in, door de kille mist, van het slotakkoord naar de ouverture, en aarzelde ik voor de schappen om uit het chocoladeaanbod de juiste keuze te doen.
Ik was net begonnen in een ambitieus dikke roman van Dickens maar koos voor dit moment een oude Maigret. De voorspelbaarheid daarvan was geruststellend en slaapverwekkend.
Vanochtend wilde ik eerst niet opstaan. Maar de lucht kleurde mooi roze en de broers Snuf en Snuitje sprongen vrolijk naar mijn tenen. Ik knipte mijn laptop aan, zocht de wekelijks column op van collega Nico van Lieshout, en las een vreemd antwoord op mijn vragen:

"Maartje Wortel memoreerde het verhaal van de man die elke dag zijn huis verliet, naar elke dag dezelfde lantaarnpaal liep om zich daarvandaan elke dag weer met de taxi naar huis te laten brengen. Daarna keek ze de overvolle zaal van Spui 25 in en zei: Dit is jullie lantaarnpaal. Ik begon het te begrijpen."

dinsdag 19 januari 2016

PRULLENBAK


Na afloop van de repetitie nam ik Leo even apart.
'Zeg, jij hebt Jaap de K. toch ook gekend?'
'Jazeker! Lange Jaap!' Leo nam een hanige pose aan - mond en schouders breed getrokken, kont naar achteren - snoof diep, en deed of hij met grote passen liep. Ik herkende de macho-manier van bewegen - Jaap speelde graag voor Mick Jagger.
'Wist je dat hij dood is?'
Leo wist het niet. Erg verbaasd was hij niet, en erg bedroefd evenmin. Hij vertelde hoe ze samen naar Noord-Spanje waren gegaan om af te kicken, cold turkey in een busje. Hoe hij ruzie met hem had gekregen - met Jaap kreeg je vroeg of laat heibel, hij was een echt haantje, altijd vooraan in de pikorde. Als hij ging paardrijden op de manege van het Geuzeneiland, dicht bij Jaaps huis, dacht hij nog wel eens: hoe zou het met hem gaan? Nou, zo dus. Dood.
Ik had net een verhaal voltooid over Jaap, voor een bundeltje dat binnenkort verschijnt. Toen ik de laatste alinea had geschreven had ik een buurjongen van vroeger gemaild die daar nog woont, in mijn oude buurt. Of hij wist hoe het nu met Jaap ging. Zo kreeg mijn verhaal een nieuw en onverwacht slot. Nu luisterde ik naar Leo's verhalen. Kritisch: ik merkte dat ik onderwijl overwoog wat ik gebruiken kon voor mijn eigen verhaal. Ik besloot dat de nieuwe informatie niets wezenlijks toevoegde, en alleen maar voor ruis zorgde die de heldere verhaallijn vertroebelde. Leo en ik lachten nog een beetje zoetzuur om die rare Jaap en namen afscheid.

De dag erna zat ik bij een huisconcert in Egmond aan Zee. Er werd goed gemusiceerd maar ik vond het moeilijk ervan te genieten. Ik voelde me leeg. Te veel geschreven, te veel gecomponeerd. Mijn genotsreceptoren waren misschien overbelast door het geconcentreerde werken aan iets dat ik mooi en de moeite waard vond. Ik zag een batterij flessen wijn opgesteld staan naast de pannen soep die de organisatrice had verzorgd. Vroeger zou ik die leegte in me wel hebben weten te vullen! Elke dag een roesje, dat was jarenlang het devies geweest. Ik nam een glas appelsap en wachtte geduldig tot mijn vriendin klaar was met haar gesprek en ik afscheid kon nemen. Buiten was het koud. We liepen nog even naar het strand, de zon ging bijna onder, een goud licht lag op de platte zee, de wolken achter de windmolens die het uitzicht bedierven waren paars. Mijn e-sigaret was bijna leeg - hoe ik ook zoog, ik kreeg nauwelijks iets binnen van de weeë vanilledamp. Toen het lampje begon te knipperen stopte ik hem berustend in mijn zak.
'Het leven hoeft niet altijd leuk te zijn,' zei ik tegen mijn vriendin.
Het was een van de belangrijkste lessen die ik in de kliniek geleerd had. Nota bene op een 'terugkomdag'. Ik had daar tegenover mijn therapeut gezeten als een hoopje ellende en mijn beklag gedaan over de zwaarte van het leven 'zonder', het droge leven buiten de muren van de instelling, dat me niet meeviel. Toen had hij die woorden gesproken. Het was een openbaring geweest, want in mijn bestaan was het lange tijd een ijzeren wet dat iedere doorstane dag gul beloond moest worden. Gewoon maar eens een dag laten schieten, voorbij laten gaan in afwachting van een betere, dat was een levenshouding die ik lang geleden achter me had gelaten. De gebruiker is ongeduldig. Behoefte moet onmiddellijk bevredigd worden. Het moet nú leuk zijn! Tot morgen wachten is ondenkbaar.
Terwijl ik langs het strand liep en dacht aan andere dagen dat ik langs het strand had gelopen en daar wél van had genoten deed ik wat ik met Leo's verhaal had gedaan. Deze dag kon ik niet gebruiken in de grote vertelling van mijn leven. In gedachten schrapte ik hem uit de kronieken. Dat luchtte op. Het was alsof ik een mislukte aanzet tot een verhaal verfrommelde en in de prullenbak wierp. Helemaal niet erg: een nieuw vel lag immers al klaar.

vrijdag 15 januari 2016

NACHTGEDACHTEN


Vannacht kroop ik over de puisterige oppervlakte van een eenzame, verwoeste planeet, met mijn vriend Karl. Geen idee wat we daar deden. We waren gewapend. Er moest nog één fabriek actief zijn, ergens in die eindeloze donkere steppe. Twee andere mensen naderden, wij verstopten ons achter een heuveltje. Met een gericht machinegeweer kwamen we tevoorschijn, ze hielden hun handen omhoog.
Ik werd wakker en opende even het gordijn. Buiten lag de straat hol en leeg en koud te wezen. Een miezerig beetje regen flutterde rondom een lantarenpaal. Ik kroop terug in bed en vroeg me af wat ik hier deed. Ik was wel erg ver van huis geraakt. De stad, zo midden in de nacht gezien, leek me vijandig. Een door anderen gemaakt stenen landschap waarin ik een plekje huurde. Rechten had ik hier nauwelijks, als ik verdween zou mijn plaats zo ingenomen worden door een ander. Maar was er ergens wel een plaats te vinden waar ik me écht thuis kon voelen? Mijn moeder was al zo lang dood. Een huisje in het bos, een hutje op de hei, een bungalowtje in Spanje, een mottige caravan in iemands achtertuin? Zou het daar wel veilig zijn?
Terwijl ik weer warm probeerde te worden hoorde ik de echo's van mijn spirituele lectuur vermanend galmen: overal op de wereld ben je thuis, je moet onafhankelijk zijn van de omstandigheden, vertrouwen op je innerlijke kracht, zelf een baken zijn in de stroom van voortdurende verandering, je adem een anker. 'Iedereen is van de wereld, de wereld is van iedereen' zong een reclamespotje daar dwars doorheen, met de zeurderige stem van wijlen Thé Lau. Ik begon een discussie in mezelf waarin ik dat gedachtegoed stevig aan de tand voelde. Bittere woorden raasden vrij ordeloos door me heen.
Maar daar schoot de warme, rustige stem van mijn yogalerares me te hulp. Een yogajuf is een soort substituutmoeder voor de duur van één sessie. Ze zei: 'Je hebt altijd de keus, die drukke en afleidende gedachten te volgen, of je aandacht weer naar je adem terug te brengen.' Ik koos voor het laatste en sliep algauw weer tamelijk vredig in. Het existentiële raadsel zou ik later wel oplossen, als het weer dag was, als ik weer thuis was.

(Illustratie: Matthias Stomer, ca 1600 - 1652)

dinsdag 12 januari 2016

EXTRAVAGANZA


Ik heb nooit zoveel met Bowie opgehad. Maar hij werd me opgedrongen - zijn wolvengehuil klonk onafgebroken uit de kamer van mijn zusje: 'Wild is the wind....' Zijn stoere nichterigheid, zijn androgyne heroïek, aangezet met zeemansooglapje of schmink, zijn 'periodes' met bijbehorende gedaanteverwisseling, zijn fixatie op de pose, op het uiterlijk - het stond allemaal haaks op dat waarin ik wilde geloven. Bovendien vond ik, een paar dingetjes daargelaten, zijn muziek niet erg boeiend.
Maar zijn dood kwam als een schok, toch. Een pilaar valt niet ongemerkt om. En het verschijnsel Bowie was een pijler van een periode, die nu voorgoed voorbij is. Een peiler van de tijdgeest ook: hij bleef met één scherp oog de veranderende populaire cultuur volgen, en slaagde erin een leidende rol te blijven spelen in de beeldvorming daarvan. Zijn betekenis als icoon is daarmee vele malen groter dan die van zijn muziek, die wel bleef veranderen en verjongen, maar zonder het imago van haar beroemde maker niet veel weerklank meer zou hebben gevonden, ben ik bang - daarvoor was het toch allemaal te magertjes wat hij sinds zijn gloriedagen op cd zette.
Rock & roll-iconen die in zichzelf gaan geloven regisseren hun leven tot in de dood: Herman Brood deed het, Bowie deed het; als het niet zo tragisch was zou ik het aanstellerig vinden, maar dat mag je niet zeggen natuurlijk. Ik zeg het toch: drama queen. Sorry, lieve vriendinnen!

Zondagavond, toen de wereld nog onbewust was van het Bowie-drama, zag ik op tv hoe Wibi Soerjadi een Bösendorfer liet opvoeren om er beter op te kunnen scheuren. In zijn eigen, nogal stuntelige woorden zei hij iets over zijn held Franz Liszt. Wibi is een raar manneke, de Michael Jackson van de klassieke muziek misschien, maar hij is ook een fantastische pianist, dus als hij iets zegt luister ik. Liszt was de eerste popster, hoorde ik. Het eerste bewust gecreëerde icoon. Maar het uiterlijk vertoon van Liszt had diepgang, zei Wibi. Onder al die klaterende watervallen van noten straalde een innerlijk licht. De diepgang van het uiterlijke, ik vond het een prachtige paradox. Normaal zou ik het als provocerende blabla hebben geclassificeerd, maar komend uit de mond van iemand die zich zo verschrikkelijk goed kan concentreren voor hij de piano aanvalt, moest er meer achter zitten. Kon het waar zijn, dat de ene extravaganza de andere niet was? Dat er iets als lege virtuositeit bestond, tegenover uiterlijk vertoon dat de weerspiegeling was van een innerlijke krachtbron? Uitgestraald innerlijk licht dat gebroken wordt en schittert in fel glinsterende kleuren? Als dat waar is geldt dat misschien ook voor David Bowie, en heb ik iets over het hoofd gezien al die tijd.

vrijdag 8 januari 2016

DAMPEN


Ik word binnenkort zestig, ik word in diezelfde maartmaand opa, en ik heb toegezegd om in het voorjaar Debussy te zingen: drie goede redenen om eindelijk eens te stoppen met roken. Het wordt de hoogste tijd om wat er over is aan conditie te preserveren en wie weet te verbeteren. Een zestigjarige grootvader kun je desnoods ook piepend, kuchend en riekend naar as zijn, maar voor Debussy is die conditieverbetering wel een voorwaarde, want mijn huidige keel is nauwelijks geschikt voor de verfijning, de souplesse en de nuances van dat repertoire - hoesten heeft de stembanden stug gemaakt.

Maar cold turkey wilde ik het niet meer doen. In oktober had ik dat geprobeerd. Ik schrok van de gevolgen. Ik had gedacht dat ik, als trouw mediteerder, wel tegen de zucht opgewassen zou zijn: die zou ik kunnen uitzitten, kunnen relativeren, verlicht kunnen weglachen. Daarin had ik gelijk. In dat geestelijke opzicht was het opvallend gemakkelijk. Maar mijn lichaam dacht er anders over, dat had moeite met de ontwenning. Ik was misselijk, voelde me raar en slap, en leed aan een merkwaardig concentratiegebrek. Mijn aandacht werd dringend elders gevraagd, maar waar? Ik speurde alle kanten op maar ontmoette slechts blanco vragen. Het was of er nog iemand in mijn hoofd woonde. Iemand die ik niet kon zien of horen, maar ik wist, ik voelde dat hij in een ander compartiment dan waarin mijn eigen bewustzijn huisde druk bezig was. Achter de blinde wand werd geschreeuwd om hulp en gegesticuleerd om mijn aandacht te trekken, maar ik kon niet helpen, stond machteloos aan de kant, blind, doof en verontrust.
Nee, dat was niet fijn geweest. Drie verloren dagen. Dit keer zou ik het anders doen, ik zou de nicotine kunstmatig toedienen en langzaam afbouwen. Geen pleisters of kauwgum, maar een e-sigaret. Mijn hookah van Zensations had ik in een hotel in Duitsland laten liggen, dus ik bestelde een nieuwe. Ruim voor één januari. In afwachting van het tabaksloze nieuwe jaar, het jaar waarin Rookzanger tot Dampzanger zou worden, vulde ik mijn mooiste pijpen met een dure tabak en verzadigde mijn verkouden bronchiën met de scherpe, kruidige rook van mijn favoriete Camel zonder filter.

Op Oudjaarsdag was er geen post. Nieuwjaarsdag had ik dus nog respijt. Ik had nog genoeg tabak en rookte die zorgeloos, als een toegift. Maar op zaterdag bleef de bezorging ook uit. De dure tabak raakte op. Met een flets gevoel van uitstel kocht ik een pakje filtersigaretten, 19 Marlboro's voor 'slechts' 5,70. Daarmee zou ik de zondag wel doorkomen, en de maandag. De post van dinsdag zou toch zeker mijn waterpijpje wel brengen - ondertussen pufte ik om te oefenen alvast wat aan mijn grote elektronische pijp, een verjaardagscadeau dat zwaar in de hand ligt en slechts kleine wolkjes afgeeft en daarmee voor de alledaagse nicotineopname minder geschikt is - je moet er rustig voor gaan zitten en geduld hebben.
Woensdagmorgen belde ik de firma. De man putte zich met een dik Brabants accent uit in verontschuldigingen: het regende klachten, er was een zending pakjes gestrand, ergens, Post.nl had er een zooitje van gemaakt. Ik dacht aan mijn eigen tijd als postbode rond de jaarwisseling en kon me dat niet zo goed voorstellen. Maar zijn volgende opmerking maakte dat ik mijn scepsis inslikte: hij zou metéén een nieuwe startersset de deur uitdoen, en om wat goed te maken, meneer van Spaendonck, doe ik er een extraatje bij. Ik hing tevreden op, veterde mijn schoenen, deed mijn jas aan, stak mijn resterende filtersigaretjes bij me en ging de deur uit, op weg naar café, koffie en krant.

Op de deurmat lag een klein wit pakje. Ik overwoog even om naar boven te rennen en de nieuwe zending te annuleren maar zag daar toch maar van af. Een mens mag toch wel eens een mazzeltje hebben.
Het tweede etuitje arriveerde stipt de volgende dag. Het bleek geen overbodige luxe, want de eerste hookah vertoonde gebreken. Die gaf slechts mondjesmaat wolkjes af, na hard aandringen van de lipspieren. Zo hadden we, de Brabantse leverancier en ik, met die alsnog gearriveerde bestelling en met mijn telefoontje toch mooi een hele fase overgeslagen, en waren we een klacht en een restitutie vóór geweest.

dinsdag 5 januari 2016

De Groot en Nijgh: de mythe van een duo


Verhalen worden achteraf gevormd. Als er genoeg tijd verstreken is en er voldoende afstand ontstaan is om te kunnen onderscheiden wat niet ter zake deed en wat de hoofdpunten waren, waaraan de vertelling moet worden opgehangen. Kortom, als, historisch gesproken, het kaf van het koren gescheiden is. Dat is de reden waarom ik biografieën of documentaires over nog levende of kortelings verscheiden personen altijd zo onevenwichtig vind, en onbevredigend. Het eerste gedeelte, over de begintijd, is als een mooi sprookje; maar het einde is rommelig, gaat alle kanten op, en laat vele eindjes open. Toch zou het niet anders kunnen, want als de maker ook het meer recente gedeelte in die sprookjesvorm zou gieten, zou hij terecht beschuldigd worden van fictionalisering. De werkelijkheid is nu eenmaal chaotisch en vol zinloze details. De zinloze details van het verleden zijn vergeten, en wie zou ze op willen rakelen om een overzichtelijke vertelling chaotisch te maken? Maar storende zaken die iedereen nog kan verifiëren opzettelijk weg te laten om tot een mooi verhaal te komen, dat behoort tot de wereld van de romancier, en is niet de taak van biograaf of documentairemaker.

Aan deze dingen moest ik denken (niet in dezelfde omslachtige woorden, maar vaag, intuïtief) toen ik met kerstmis de film over Boudewijn de Groot zag. Mooie film, en een van de mooiste momenten was - voor deze kijker - het volgende: we hadden gezien hoe Boudewijn en Lennaert Nijgh als creatief duo tot grote bloei kwamen. En dan gaat Boudewijn zijn eigen weg, hij vertrekt naar een hippiekolonie in het achterland en maakt die vreemde plaat, een hoorspel eigenlijk, Nacht en Ontij. Bij de presentatie daarvan zien we de geest van de tijd in levende lijve aanwezig: alle hippies zijn geschminkt en voeren een bizarre pantomime op. Maar Lennaert is te 'square' voor al die onzin en haakt af. De camera zoomt in en we zien zijn gezicht, bleek tussen al die vrolijke vogels. De toeschouwer, die niet begrijpt. Op het moment dat de camera zijn raadselachtige gezichtsuitdrukking naar voren heeft gehaald zwijgt de geluidsband. Een dramatisch moment, dat niet naliet me even aan te pakken. Nijgh had afgedaan! Hij was aan de kant gezet, hij spoorde niet meer met de tijdgeest. Een tijdperk was voorbij!
Goed, er gebeurt van alles in het leven van de Groot, ups en downs, de richting raakt zoek, en uiteindelijk wordt hij met Nijgh herenigd. Nijgh, die een nog veel rommeliger leven heeft geleid in de tussentijd. Ze maken weer liedjes samen, maar zoals vroeger wordt het nooit meer. Het is op en af met het duo. Een nieuwe herfst uit 1996, waarin voor het eerst in ruim twintig jaar weer sprake is van échte samenwerking, voelt als een late, rijpe reünie. Maar als Lennaert in 2002 sterft heeft die plaat nog steeds geen vervolg gehad.
Maar nu komt het: die zogenaamde rommelige natijd heeft zich over een zeer lange periode uitgestrekt. Die legendarische bloeiperiode duurde misschien twee, drie jaar. Ik vraag me dan af: was die werkelijk zo sprookjesachtig bevredigend als verhaal, klopte het echt allemaal zo mooi, of is het onze blik die het verre verleden zo ziet? Ook in de jaren van Voor de overlevenden leidden De Groot en Nijgh héél verschillende levens. En dat dramatische moment, waarop Nijgh bleekjes aan de kant staat, werd misschien gevolgd door een heel gezellige ontmoeting tussen de twee de volgende dag, wie zal het zeggen? De waarheid is, ben ik bang, dat het gehele leven lijkt op die 'natijd' van de documentaire, en dat de gloriejaren toch vooral achteraf zo glorieus waren. Wij verlangen naar mythes en maken die zodra we de kans zien. En vergeten dan graag hoe het echt is geweest.

vrijdag 25 december 2015

AFLAAT


Woensdagavond speelde ik voor Johnny Cash. We traden op in een forensische kliniek. Die lieve mevrouw met het zware Limburgse accent die de muziek zo mooi meerstemmig vond, had misschien in een psychose haar man doodgeslagen, wie zou het zeggen. Het was opeens wat kouder en een bijna volle maan scheen aan een hemel die voor winters kon doorgaan: kale bomen en kaal beton staken er scherp tegen af, de narcissen die verderop bloeiden in het nog zo groene gras zag je hier niet.

Maar gisteren waren de voortekenen voor Kerstmis heel wat minder gunstig. Een verkoudheidje kon ik nog verwelkomen als iets dat bij het seizoen hoort, bijna iets gezelligs, maar toen dat zich onmiskenbaar begon te verplaatsen naar mijn oudste, gouden kroon was er naast een zeurende pijn ook een zeurend, verwijtend stemmetje. Ik herinnerde me de woorden van de tandarts, met de nodige dramatiek gesproken: 'Wacht niet te lang met die extractie - straks zit je op vakantie of met Kerstmis opeens met zó'n dikke kop.' Terwijl ik verwoed met listerine spoelde en paracetamolletjes oploste in een glas water zag ik hem in gedachten duivels lachen en zijn handen wrijven. 'Zie je nou wel? Ik zei het toch!'
Toen ik op het punt stond naar de nachtmis te gaan werd de stilte verbroken door de telefoon. Een stem die ik niet kende. De vrouw van een overleden schoolvriend. Waarom, vroeg ze, en haar woorden waren omzwachteld door pijnlijke stiltes, had ik nooit gereageerd op zijn dood, nooit iets van me laten horen? Ik voelde me betrapt en putte me uit in verontschuldigingen: ik had de rouwkaart op de trap gevonden toen ik op weg was naar Schiphol, naar Spanje. Ik had zorgen aan mijn kop, toen, en was het na terugkomst vergeten, daarna had het te laat geleken om nog iets van me te laten horen. Ze wilde geen excuses horen, zei ze. Ze begon uiteen te zetten dat ze zo'n fan waren geweest, mijn dode vriend en zij, van La Passione, mijn duo met Vincent de Lange. Al onze optredens hadden ze gezien. Op haar sterfbed wilde ze onze muziek horen. Maar mijn laatste boekje, dat was 'geen topper' geweest.
Ik voelde me steeds ongemakkelijker, en toen het gesprek plotseling af werd gebroken liet het me met een vreemd gevoel achter. In de auto op weg naar de kerk overwoog ik, dat iemand die optreedt een verantwoordelijkheid heeft: hij kent niet iedereen die naar hem luistert, maar zij kennen hem wel, of althans datgene van hem dat in de openbaarheid komt. Schept dat een verplichting? In de ogen van de fan misschien wel. Ik kende die vrouw niet, maar voor haar was ik een levend persoon, en ze had iets terug verwacht voor alle aandacht die ze mij geschonken had. Was dat de reden waarom ze belde? Het was of ik plotseling van alle kanten bespied werd. De wereld was vol spiedende ogen. De roemzucht van de artiest wordt niet straffeloos bevredigd, besloot ik. Gestreelde ijdelheid heeft een prijs. Over de morele implicaties van een en ander moest ik nog eens goed nadenken. Om met een gerust gevoel mijn werk tegemoet te treden nam ik me voor alsnog een brief te schrijven aan de broer van de overledene, het was nooit te laat, had de vrouw gezegd. Maar was dat voornemen niet gewoon een gemakzuchtige manier om mezelf beter te voelen, een aflaat?
Door de consternatie was ik vergeten mijn pianolampje mee te nemen maar gelukkig was er in de kerk meer dan genoeg licht. En 's avonds kwam mijn oudste dochter thuis uit Engeland. Ook zij straalde, en ik straalde mee. Buiten hoorde ik de klokken aanhoudend luiden en binnen klopte mijn kies in een vermanend ritme, maar ik sloot er mijn oren voor. Nu even niet, het is Kerstmis, probeerde ik te denken.

Rookzanger wenst u allen een Zalig Kerstfeest en een Gelukkig Nieuwjaar! Voorlopig doet hij er even het zwijgen toe. Tot later, lieve lezer!