dinsdag 15 maart 2011

SANDY DENNY


De dag na mijn verjaardag hoorde ik Sandy Denny weer zingen. Ik hing grieperig in een stoel en rookte een pijp die me niet smaakte, ondanks dat er een Davidoff, Sweet Mixture nr. 2 limited edition in zat. Mijn dochter die aan tafel zat te tekenen zette een cd op en van het ene moment op het andere voerde de vertrouwde en geliefde stem van de jong gestorven folkzangeres me mee naar wazige verten. De tranen schoten in mijn ogen.
Je kunt in muziek bijna alles duiden en analyseren, maar nadat de affectenleer zijn uitleg heeft gedaan en de hele trukendoos van de componist is leeggegooid en de inhoud is uitgeplozen blijft er een raadsel over. Dat raadsel heet ontroering. Als voorbeeld vergelijk ik de crooners Sinatra en Harry Connick Jr. De laatste is ambachtelijk oneindig veel beter dan zijn oude meester. Connick speelt, componeert, dirigeert en arrangeert op topniveau en zingt daarbij ook nog aardig. Sinatra kon eigenlijk niks behalve zichzelf zijn en redelijk wijs houden. Over de veelgeprezen ‘timing’ praat ik niet: dat is slechts een handvat om het ongrijpbare wonder Sinatra mee aan te pakken, want eigenlijk was zijn timing eerder slordig en lui dan iets anders.
Wat maakt dat Sinatra je ondanks dat alles roert en raakt, en Connick niet? Wat maakt dat Sandy Denny, die niet al te zuiver zingt (hoewel juist haar zuiverheid zo wordt geprezen) en maar een klein stemmetje heeft, me tot tranen toe kan roeren? Authenticiteit, waarachtigheid, het menselijk tekort, emotionele warmte, ik kan wel een paar antwoorden verzinnen, maar die schieten te kort, want zangers die aan dergelijke kwalificaties voldoen kunnen je evengoed koud laten en zelfs, door hun gebrek aan technische beheersing, behoorlijk irriteren.
Ik houd het hier maar bij: Sandy Denny zong en van het ene moment op het andere werd ik meegevoerd naar wazige verten. De wazige verten van een eeuwige lente, waarin griep, depressie, drankzucht, eenzaamheid en ouderdom niet bestaan en je pijp je altijd smaakt. Dat is de magie van de muziek die elk ambacht overstijgt en door de wetenschap niet wordt aanvaard. Ik houd me heus aanbevolen voor een rationele verklaring, maar stel me tot die verklaring komt tevreden met de koppige vaststelling dat het nu eenmaal zo is. Die wat onbeholpen, affectloze meisjesstem onthult me zonder woorden de schoonheid, de tragedie en het raadsel van het leven. En dat pakt aan.

vrijdag 11 maart 2011

SCOPA

Het was een asgrauwe middag. Ik was verkouden, had slecht geslapen en voelde me nutteloos en alleen. Om vijf uur begonnen de muren op me te drukken en ging ik naar buiten, de kou in. In het café dronk ik een espresso en probeerde zonder leesbril de Metro te ontcijferen. Het was de tijd dat mannen zich handenwrijvend een bier lieten inschenken. Ik rekende af en liep verder, naar de boekwinkel. Het boek dat ik zocht was er niet. Buiten keek ik vanaf de overkant van de straat naar het verlichte interieur van de slijter. De deur stond open. Het sterke verlangen kwam in me op om even weg te raken uit deze blues, en ik overwoog de mogelijkheid van één enkele, eenmalige uitglijder. Maar het enige wat me op de been houdt op slechte dagen als deze, besefte ik, is de trots dat ik erin slaag die zonder drank te doorstaan. Wat er ook allemaal niet lukt, dát lukt wel, en dat vind ik stoer van mezelf. Geen Gall & Gall dus. Gelaten stond ik weer voor mijn deur. Plotseling zag ik in de goot een paar vuile speelkaarten liggen. Italiaanse kaarten. Ze moesten uit de troep zijn gevallen die aan mijn gestorven buurman Gianni had toebehoord, en die door het grofvuil met grote grijpers was gekraakt en vermalen: niets was er meer over van zijn huisraad, niets dan de staande asbak die zijn vriend Angelo me had gegeven. Niets was er meer over van zijn onbeduidende, vereenzaamde leven. Zijn spel was uit en verloren. Ik raapte de kaarten op en veegde het vuil eraf. Een ruiter te paard, munten en bokalen, vier stuks. Ik opende de deur en klom met rechte rug naar driehoog. Ik zou zijn plaats aan de speeltafel innemen en mijn hand beter uitspelen dan hij had gedaan.

dinsdag 8 maart 2011

KAATJE



Hiernaast ziet u mijn overgrootmoeder, Kaatje van Zeventer. Het jongetje met de knoopjes is haar kleinzoon. Ik vond de foto toen ik op zoek was naar de familie van mijn opa Wijnmaalen, op een site van ene Saskia. Aangezien het jongetje haar vader is, en onweerlegbaar het neefje van mijn opa en de neef van mijn moeder, moet Saskia mijn achternicht zijn. Zo heb ik dus in mijn naspeuringen op het net de afgelopen week niet alleen familie verloren, maar er ook weer bij gekregen.


Omdat dit geen column is zoals u die van mij gewend bent, eerder een beetje bijpraten, een intermezzo, voeg ik hieronder nog een tweetal fragmenten toe uit mijn door één uitgever geweigerde en vervolgens in de la geëindigde boek Dorst, een leven met en zonder drank.
Overigens, u mag gerust op mijn stukjes reageren, ik stel dat erg op prijs: gewoon op ‘reacties’ drukken en uw hart uitstorten. Ik doe ook verzoeknummers. U zegt het maar: musicologische analyses van liedjes van Gerry Rafferty of Hugo Wolf, spirituele bespiegelingen, lijsten van volièrevogels en kleine, tamme zoogdieren (met behulp van mijn dochter), een lofzang op sjeik Qaboos van Oman, traktaten over alcoholische Provençaalse chansonniers of biseksuele Griekse natuurfilosofen, aforismen van de Catalaanse voetbalwijsgeer JC (1947-heden), imitaties van Jacques Roubaud (Ja, dat is duidelijk. Deze alinea, en met name deze passage tussen haakjes, is maar al te duidelijk ingegeven door het metaproza van die Franse aanhanger van de Ouvroir de Littérature Potentielle, van wie overigens de trilogie Hortense zeer de moeite waard is, we zullen daar nog wel eens een stukje aan wijden. Noot van de auteur), eenvoudig te bereiden recepten met harde deegwaren en tomaten uit blik, vertalingen of desgewenst hertalingen van de pornografische sonnetten van Aretino, algemene beknopte gebruiksaanwijzingen voor het leven, en alle mogelijke andere wijsneuzerij, zoals literatuurkritiek en moderne poëtica en gestolen gedachtegoed: zo schijnt de quantummechanische thriller een genre in opmars te zijn, waarvan we nog veel zullen horen. Maar eerst dus, omdat het zulk veelbelovend voorjaarsweer is, ondanks de kou, het volgende:

[donderdag 8 maart]

Een eerste echte lentemiddag. Alles belooft heel wat. Op het terrasje van Wildschut zitten drie twintigers met op het tafeltje tussen hen in een wijnkoeler. Een jongen, sluik slordig haar, zwierige witte bloes, zwart jasje, tilt een glinsterende champagnefles uit de emmer en schenkt de fluiten vol. De wijn fonkelt in de zon. Is dit pure decadentie, de nonchalante weelde van een verwende generatie? Of hebben ze iets heel speciaals te vieren, en pakken ze eens flink uit, terwijl ze het eigenlijk nauwelijks kunnen betalen?
Hoe dan ook, ik benijd ze. Voel een steek van afgunst. Ik zou nu ook de prikkel van het voorjaar op willen hitsen en die overmoedige lentedronk willen drinken.
En dan hoeft het niet eens champagne te zijn.
Gewone goedkope witte wijn mag ook.

[maandag 12 maart]

Wandelen. De warmte van de zon op je huid, de lauwe wind die tussen je vingers door stroomt, - links, rechts, links, rechts - je benen die lekker lopen rondom hun goed geoliede assen, je adem die moeiteloos en onbelemmerd in en uit wordt gepompt: allemaal primitieve sensorische prikkels.
Daarbij komen de subtielere stimuli van gezicht, gehoor en reuk: het zachte blauw van de lucht, het gekwetter van mooie jonge meisjes, de geuren van een Turkse bakkerij (elke paar uur vers brood). Dit alles en nog veel meer.
Als je drinkt is dit niet genoeg. Bij lange na niet. Drank is een jaloerse barmeid. Zij duldt geen andere prikkels naast zich. Ze drukt alles weg met haar dikke reet. Zonder haar geen genot of plezier. Waar zij troont is voor niets anders plaats.

(Uit: Dorst, een leven met en zonder drank, 2007)

vrijdag 4 maart 2011

GROSMANIA


Soms is het beter, niet het naadje van de kous te willen weten. Voor je het weet raak je een familielid kwijt.
De kwestie waarover ik in mijn vorige stukje schreef liet me niet los. Ik zocht verder. Uit piëteit jegens eventuele nabestaanden had ik Koos’ achternaam uit mijn stukje verwijderd en het initiaal G. gebruikt, omdat googelen op zijn volledige naam als eerste hit een zin uit mijn blog opleverde, waarin ‘fout’ en ‘NSB’ meteen in het oog sprongen. Dat vond ik nou ook weer zo wat. Stel je googelt opa, en je krijgt dát. Koos G. derhalve. Maar het heeft niks geholpen: eenmaal op het wereldwijde web geplaatst kleefde de associatie erin vast. Dus die scrupules kan ik net zo goed achterwege laten: zijn echte, volledige naam is Jacobus Grosman.
En daarop, op de doopnaam Jacobus, had ik nog niet gezocht. Ik kende hem alleen als Koos. Het leverde een stortvloed aan hits op. De man blijkt een bekend tekenaar te zijn geweest. Tot aan Italiaanse sites toe worden antiquarische exemplaren van zijn werk aangeboden. Ik vond ook een biografie. Opgeleid in Arnhem, voor de oorlog populair door zijn strip Gijsje Goochem, een geducht concurrent van Marten Toonder, gevallen voor de verkeerde partij en daarvoor gestraft, na de oorlog succesvol als illustrator. In Almere is een straat naar zijn held Gijsje Goochem genoemd. Niet echt een sherryschilder dus. Dat deed hij blijkbaar voor de aardigheid.
Ik zocht verder, verloor me in link na link. Nergens familiegegevens te vinden, hoewel ik en passant wel de familie van mijn opa tot in de zestiende eeuw kon traceren. (Ik stam af van een tamboergezel, joechee!). Hoe zat dat dan met die bloedbanden?
Ik belde mijn vader. Die moest diep in zijn geheugen tasten. Familie? Nee, Koos was geen familie. Hij was een huisvriend, kwam in de jaren vijftig iedere avond op bezoek. Goedlachs, sanguinisch type, hield van wijn en van vrouwen.
Verder had mijn vader weinig te melden. Hij was toen twintig, vijfentwintig, en met andere dingen bezig.
Maar, vroeg ik me af, als Koos geen familie was, waarom is onze familieboedel dan vergeven van de werken van de gebroeders Grosman, van bronzen klokken tot gouaches en olieverfsels? Wat bond mijn opa, moffenhater, puritein en geheelonthouder, Paroolrondbrenger en Jodenhelper, aan de Bourgondische kunstenaar van de verkeerde partij? Kenden ze elkaar via de drukkerij waarbij mijn opa zijn hele leven heeft gewerkt? Waren ze jeugdvriendjes uit Delft? Ik herinner me mijn opa alleen als een stille, verbitterde, vervaagde man. Misschien moest ik ook dat beeld bijstellen. Was hij ooit een gezelligheidsmens geweest, een onderhoudend prater, iemand met humor, opinies en karakter, die zich staande kon houden in kunstenaarsmilieus?
Mijn moeder is allang dood, Ik zal het nooit weten.
Mijn beeld van het verleden was misschien vertekend maar wel een stuk simpeler toen ik nog naar volle overtuiging kon zeggen: ‘mijn moeder had een schilderende oom.’

dinsdag 1 maart 2011

DILEMMA



Op televisie zag ik een reclame waarbij ik een onbehaaglijk gevoel kreeg. Het is een spotje voor Milner-kaas. ‘In de ideale wereld,’ stelt een voice over, ‘ziet iedereen er zo uit als boer ...’.
We zien een vitale blonde knaap, met een gezond gevormde, stralende blonde deerne, in een gul en grazig akkerland. De ideale mens. Waar doet me dit aan denken? Even later verschijnt in het kader van de verkiezingen Geert Wilders in beeld. Ook iemand met de hardnekkige overtuiging dat blond beter is dan zwart.
Een beeld vormt zich op mijn netvlies van lang geleden.
Mijn moeder had een schilderende oom. Koos G., telg van een kunstenaarsfamilie waarvan de jongste broer John, bronsgieter, de beroemdste was. Bij ons in huis hing in mijn vroege jeugd een flamboyant portret van een zigeunerin van zijn hand, dat me tegelijk aantrok en afstootte, zoals souvenirs uit Spanje dat deden. Sherryromantiek. Maar mooi geschilderd was het wel. Veel later verdween de zigeunerin van de muur omdat het doek in steeds slechtere staat was gaan verkeren. Koos G. raakte vergeten, tot op zekere dag mijn moeder uit een legaat een ander doek van hem kreeg. Dit schilderij dat tot mijn schrik opeens in mijn ouderlijk huis hing stelde een knappe, sterke Germaanse vrouw voor, met korenschoven in de weer op een vruchtbaar akker. Waarom zeg ik Germaanse, en niet blonde? Omdat de maker, wisten wij, fout was geweest in de oorlog. Hij was, zoals veel kleine kunstschilders, uit romantische motieven lid geworden van de NSB, iets wat mijn opa voor een eeuwig dilemma plaatste. Mijn opa was een rassocialist en een verbeten hater van het Duitse volk, dat hij onder de verzamelnaam ‘de mof’ op één hoop gooide. Koos heulde met het verkeerde kamp, en was dus fout. Toch was Koos een vriend, met wie het goed schaken en lachen was, en bovendien naaste familie. Mijn opa moest kiezen tussen twee loyaliteiten, en koos voor het hemd, niet voor de rok. Koos bleef een huisvriend, nadat er een aantal jaren over zijn faux pas waren heengegaan. Maar zonder een wrang trekje om de mond sprak hij nooit over de schilder, die in alles, maar vooral in zijn ruimhartige levenswijze het tegendeel was van mijn puriteinse opa.
Als ik op bezoek was bij mijn ouders en er flink in de wijn was gehapt, ging ik steevast voor het monstrueuze Germaanse schilderij staan, klakte met mijn tong en zei: ‘Mam, dit is toch echt wel een héél erg fout schilderij. Wanneer doe je het weg?’
Mijn moeder raakte dan geïrriteerd, want zij geloofde niet in het bestaan van slechte bedoelingen, had de gave in iedereen het goede te zien en was politiek totaal onbewust: ze stemde alleen PVDA omdat mijn opa dat altijd gedaan had. Wat ik in Amsterdam voor libertijnse onzin uitkraaide moest ik zelf weten, maar van familie moest ik afblijven. Mijn aanhoudende aanklacht tegen dit toonbeeld van slechte smaak, dat mijn eigen nest ontsierde, prikkelde haar bovenmate: misschien voelde ze diep in haar hart ook wel dat er iets niet deugde aan het ideologische doek van de voormalige sherrykunstenaar.
Gisteravond googelde ik mijn reeds lang gestorven familielid. Ik vond een foto van Koos. Hij rookte pijp, ziet er uit als iemand die ik wel zou willen kennen. Nu zit ik met een soortgelijk dilemma als mijn opa.

zaterdag 26 februari 2011

ONRUST

Ik was de hele morgen met woorden bezig geweest en moest eruit. Het motregende. Ogenschijnlijk niet erg, maar binnen vijf minuten was het leer van mijn jas zwart gekleurd. Een man met een camelkleurige hoed op schuilde onder de luifel van een slager en zei: ‘Goed voor uw haar.’ Dat kon inderdaad wel wat gebruiken. Ik keek naar de verduisterde ramen boven de bordelen aan de kade. Een enkel meisje zoog me als een magneet aan. In mijn hoofd klonk een plop terwijl ik me losrukte en verder liep. Op een lage tak zat een kraai. Hij zag me naderen en bewoog schichtig, niet zoals zangvogeltjes, want kraaien weten zich veilig in het luchtruim, maar toch met die abrupte reptielenbewegingen. Uit een huis klonken toonladders van een valse piano. Een autoportier zwaaide open en er kwam me een warme golf ‘Halleluja’ tegemoet. Dat herinnerde me aan de kliniek. Op woensdagmorgen hadden we muziek- en speltherapie. In een kring rond de piano zongen we dan vaak Cohen’s verzen, uit volle borst. It’s a cold and it’s a broken Halleluja! Daar in de bossen van Epen had ik nooit echt last van onrust. Hier in de stad, in wat we in de kliniek ‘het echte leven’ noemden, wel. Vaak. Je hebt twee soorten onrust, afgezien van 'de zenuwen' (al dan niet gekoppeld aan een concrete gebeurtenis): de ongedurigheid, die venijnig is en boosaardig: je wilt iets en weet niet wat, bent chagrijnig en voor geen behulpzame suggestie vatbaar, - en het verlangen: je wilt ook iets, en weet evenmin wat, maar er is het weemoedige gevoel dat er ergens soelaas moet zijn. Over het tweede soort gaan veel liedjes, ook van mij. Er wordt in die liedjes heel wat gezworven en gelopen, op weg naar een onbestemd doel. In mijn kleinood Wandelaar onder herfstmaan (als u me lief aankijkt wil ik het wel op YouTube zetten) heet het: ‘Hij weet niet wat hij denkt te vinden/is nergens in het bijzonder naar op weg/ gaat voorbij aan hel verlichte ramen/ blijft ook nergens lang voor staan.’ Beide soorten onrust, de kwaadaardige en de zachtmoedige, zijn risicofactoren voor de niet praktiserende alcoholist. Onvoldaanheid en verlangen worden gemakkelijk verward met dorst. Een Pavlov-reactie suggereert: de kriebels? Drinken! In feite lest drinken niet de dorst waar het hier om gaat, maar hitst die alleen maar op. De door de therapeuten aanbevolen alternatieven zijn vooral gericht op fysieke actie. Flink bewegen, iets eten. Dat kan helpen, maar zelf geloof ik dat de belangrijkste component van de onrust geestelijk is. Het is de fundamentele eenzaamheid die de wandelaar onder herfstmaan voortdrijft, op zoek naar voldoening. Hij wil uit zijn schedel losbreken en in contact komen met de wereld, daarin opgaan. Dáárom zoekt de hoofdpersoon van Schuberts Winterreise in de wildernis niet naar een café om zich eens lekker vol te laten lopen met Schnapps, maar naar de voetsporen van zijn geliefde en, in het laatste lied, gewoon naar een willekeurig ander mens, met wie hij samen kan reizen. En of die weg naar de dood voert of niet doet er nu even niet toe. Dáárom kende ik in de kliniek zo weinig onrust. Want nadat in de eerste weken mijn ego was gebroken lag mijn ziel kwetsbaar open, en mijn medepatiënten konden er naar hartelust in grabbelen en rondkijken. ’s Ochtends vroeg bij de eerste koffie waren gesprekken over je diepste zielenroerselen al heel gewoon, daar, zo gewoon als de sigaret of pijp die we er bij opstaken. De herinnering aan de kliniek hielp wel. Ik relativeerde. Al wandelend namen concrete verlokkingen af. Wat was er eigenlijk te vinden in die donkere krocht van een kroeg? Die flessen in de Gall & Gall, wat zouden die baten? Uiteindelijk, na een uurtje doorstappen, viel mijn verlangen alleen nog maar samen met zichzelf. Ik liep in mijn eigen voetsporen, dacht aan al die andere wandelingen die ik door de straten van de stad had gemaakt, opgejaagd door de wind, beschenen door de maan, uitglijdend in de sneeuw, getroost door de regen, verlokt door de lentezon. Ik zong, zachtjes: ‘Soms weet hij bijna waar hij naar op zoek is/dan vlucht het weer ongrijpbaar voor hem uit/is er in de stad iemand te vinden/of is dat alleen maar waan?/ Wie hij zoekt zit in hemzelf verborgen,/ wandelaar onder herfstmaan.’ En met die laatste zin had ik het dus goed mis.

woensdag 23 februari 2011

SNEEUW, vervolg

Wat vooraf ging: Van Raamsdonck is op een zondagmorgen ontwaakt in een witte wereld. Hij vecht tegen de smoezelige schaduw van zijn dromen, vermant zich, en gaat te voet op pad naar de kerk waar hij een baantje heeft gevonden als koordirigent.

"Pascal brandde staafjes wierook voor een boeddhabeeldje. Correctie, hij deed of het een boeddhabeeldje was; eigenlijk stelde het kleine, uit donker hout gesneden figuurtje een Chinese hofmuzikant voor, een harpist. Het was een erfenis van zijn vaders verblijf in de koloniën. De rechterpoot van de harp ontbrak. Boeddha of geen boeddha, in de kamers van hem en zijn Indische vriendin hing altijd een dichte wierookwalm, als je geluk had afkomstig van eerlijk sandelhout, maar vaker penetrant als goedkope zoete zeep. Zijn eerste echte seks beleefde hij in een warm hol in een galerijflat in Osdorp, warm op het broeierige af. Wierook, kaarsen, Crosby Stills Nash and Young om de gewijde stilte te maskeren en benadrukken, hoogpolig tapijt en oosterse draperieën. Hoe vaak zou hij het kunnen? Jonge meisjes zijn nieuwsgierig en gewillig: ze doen wat ze denken dat ze moeten doen. Ze trok hem zes keer af, tot zijn ballen kermden van de pijn. Achter de kamerdeur lag een heel andere, lichte en verontrustend moderne wereld, waarin hij straks aan tafel aan zou zitten, vol schaamte de oestergeur uit zijn klamme onderbroek opsnuivend, hoewel die goed paste bij de trassi en de kroepoek die ze bij de gado gado kregen. Zijn dijen kneep hij tegen elkaar. Wierook zou hem later altijd geil maken. De bedwelmend scherpe geur van bordelen is niet veel anders: de reuk van lust.
Met de katholieke kerkwierook die me nu tegemoet waaide was het anders. Geen tempel van het Indische zusje van Afrodite hier, maar een godshuis waar een heel gezin woonde, de hoeksteen van de samenleving: Vader, Moeder en Zoon. Echte kerkwierook is hars van de Ceders van Libanon. Wist u dat? Olibanum in het potjeslatijn van de priesters. Prachtige glinsterende korrels, goud en zwart, die een diep vrome geur afscheiden als ze op houtskooltjes worden gebrand: mysterieus, prikkelend en hartig, aards als het aroma van truffels, hemels als het parfum van rozen. Iets van civetkat ook, of amber. De beste soort heet basilica, en is tegenwoordig on line te bestellen bij natuurproductenwinkels. Nu ook in handige staafjes en kegeltjes!
De misdienaar had blijkbaar flink voorgewapperd met het koperen wierookvat om alvast in stemming te komen voor de celebratie van de heilige mis, want de walm die me uit de nog schaars verlichte ruimte tegemoet kwam was potent genoeg om de lucht van verse sneeuw al in de deuropening te verjagen.
Rond het altaar scharrelden de bandleden, zwijgend in de weer met snoertjes en kabels. Oudgedienden die in de jaren zestig nog de beatmis hadden begeleid, dat onhandige katholieke antwoord op de tijdgeest. Beatmis! Slungelige jongens met ponyhaar en donkere brillen die bedeesd de rebelse klanken van de Stones mochten nadoen - het hield ze in elk geval van de straat en hopelijk binnen de kerk, zal de clerus gedacht hebben. Grijze zestigers in te jonge vrijetijdskleding waren ze nu, die roomse Keith Richards van toen. Baseballpetje, gevlochten armbandje, een enkele versleten tattoo, fleecetrui van de Wibra. De zondagse Hoogmis was hun laatste wekelijkse gig. Een leven van coverbands en feesten en partijen had hun spel in elk geval geen kwaad gedaan: ze waren gepokt en gemazeld in de popliedjes waarop idealistische koorleden religieuze teksten hadden gefabriekt, en speelden veel te hard voor de oude oren van de vergrijsde parochie. De hostie lieten ze aan zich voorbijgaan. Daarvoor waren ze te veel rock ‘n’ roll."

(Schets voor een roman in wording)