woensdag 10 november 2010

TREURIGHEID

Wat gisteren nog gloeide, 
is nu de dood gewijd, 
bloesems na bloesems vallen 
van de Boom der Treurigheid. 

Ik zie ze langzaam zinken 
als sneeuw op koude grond, 
geen stappen meer weerklinken, 
het lange zwijgen komt. 

De nacht verloor haar sterren, 
het hart is leeg en koud, 
grijs en stil de verten, 
de wereld arm en oud. 

Wie kan zijn hart behoeden 
in deze boze tijd? 
Bloesems na bloesems vallen 
van de Boom der Treurigheid. 

(Traurigkeit, Hermann Hesse, november 1944) 

Wie een betere oplossing weet voor het (overigens wel vrij Hesse-achtige) kreupelrijm: grond/komt, krijgt van mij een cd naar keuze met eigen werk. Voor de puzzelaars, - het origineel luidt: 

Die mir noch gestern glühten, 
Sind heut dem Tod geweiht, 
Blüten fallen um Blüten 
Vom Baum der Traurigkeit. 

Ich seh sie fallen, fallen 
Wie Schnee auf meinem Pfad, 
Die Schritte nicht mehr hallen, 
Das lange Schweigen naht. 

Der Himmel hat nicht Sterne, 
Das Herz nicht Liebe mehr. 
Es schweigt die graue Ferne, 
Die Welt ward alt und leer. 

Wer kann sein Herz behüten 
In dieser bösen Zeit? 
Es fallen Blüten um Blüten 
Vom Baum der Traurigkeit.

zaterdag 6 november 2010

GSM

Op het verder verlaten terras van Grand Café W. zat tegenover me een man in zichzelf te praten.
Althans, zo leek het.
Een kleine, artistiek ogende man, met warrig zwart haar met een flinke scheut grijs erdoorheen. Grijze sweater, vale spijkerbroek. Hippe sportschoenen. Expressieve bruine ogen, beweeglijke, zuidelijke handen. Vast een collega, die ook de weg kwijtgeraakt was, scheen me toe. Vóór hem op het tafeltje stonden twee glazen Calvados, waarvan de ene nog niet leeg. Twee wél lege koppen koffie, een vol glas water.
Was dit iemand die zich het romantische 'dubbelgangersmotief', middels een magisch alcoholisme, tot werkelijkheid had gemaakt? Had hij een rendez-vous met een verzonnen vriend? Ik begon het bijna te geloven, tot ik besefte dat tegenwoordig veel mensen zo’n mobieltje hebben, dat in één van hun oren is ingeplugd, zodat het net lijkt of ze in zichzelf praten. Hands free.

Het gesprek met zichzelf of met een verzonnen ander eindigde, dat kon ik duidelijk horen ondanks de voorbij razende trams, in felle verwijten en grove beledigingen. De deal met de galeriehouder of concertorganisator was slecht verlopen. Ze hadden hem belazerd.
Hij sloeg zijn bodempje Calvados naar binnen en stond driftig op. ‘Fuck the fucking bastard’, riep hij gefrustreerd, in het niets, met woeste blik.
Ik zag nu zijn andere, eerst van mij afgewende oor. Geen oordopje. Dus toch een schizofreen?
Zo leek het wel. Ik prees mijn mensenkennis.
Maar toen pakte hij, imiddels gekalmeerd, zijn gsm uit zijn colbertje, tikte een nummer in, en begon in vloeiend Frans een vloeiend gesprek. Elegant, vleiend, suave, welbespraakt, en met een toon die het volledig tegenovergestelde was van het agressieve fortissimo waarmee hij zojuist nog had gesproken.

Het onderwerp was zonder twijfel hetzelfde. Maar de eraan verbonden ergernis had hij vóór het gesprek van zich af gemompeld en geschreeuwd.

donderdag 4 november 2010

LENTEZON

Dronken van voorjaarslicht 
tuimelt een gele vlinder. 
Grijsaard aan ‘t vensterzicht 
sluimert, hij ziet steeds minder. 

Zingend door heg en steg 
ging hij ooit, opgetogen. 
Stof van menige weg 
is in zijn haar gevlogen. 

Wel zijn bloeiende boom 
en de vlinder, die gouden, 
als een dierbare droom 
onveranderd behouden. 

Maar traag is nu vlindervlucht, 
geuren zijn dunner en lichter. 
Koeler het licht en de lucht 
zwaarder te ademen en dichter. 

Lente zoemt als een bij, 
liedjes, zo lief, zo geurig. 
Hemel is blauw en vrij, 
vlinder ontvouwt zich kleurig. 

 (Märzsonne, Hermann Hesse, maart 1948)

vrijdag 29 oktober 2010

ZWEMMEN

We zouden gaan zwemmen. Fatima, Wouter en ik. In de kliniek hadden we, gemotiveerd door alle nadruk die de behandelaars legden op sport, beweging en een geregeld leven, afgesproken elkaar na onze vrijlating iedere dinsdagnamiddag te treffen bij het Zuiderbad. Vrij zwemmen voor cliënten van Huize J. op dat uur, dus dat scheelde weer in de portemonnee. Er kwam een kink in de kabel. Het Zuiderbad was met zomerreces. Het water was moe. Toen de herfst flink had ingezet kreeg ik onverwacht een sms'je van Fatima. Ik had de onderneming al opgegeven. Aanstaande dinsdag half zes? Met haar ging het goed. Afgezien van een of twee blowtjes was ze clean gebleven. Ze was vol goede moed. Met mij ging het minder, maar dat hield ik maar voor mezelf. Die dinsdag stond ik al om kwart over vijf voor de ingang van het zwembad. Met een Albert Heijntas waarin een handdoek, een haarborstel, shampoo en een van mijn zoon geleende zwembroek. Vaders laadden hun kindjes in bakfietsen, of joegen ze de trap op, nog een laatste gehaaste deal regelend via hun mobiel. Mijn mobiel had ik thuisgelaten. Ik probeer namelijk los te komen van die dwangmatige zucht naar 24-uurscontact, of het nu mail, mobiel of Facebook is. Werkelijk contact, live, van aangezicht tot aangezicht, daar gaat het om! Zo kwam het dat ik een half uur later nog steeds voor de entree van het Zuiderbad stond. Ik luisterde naar de ratelende herfstwind in de bomen, keek naar het vale licht van de ondergaande zon boven het Rijksmuseum, en had het niet slecht. Alleen had ik spijt dat ik geen pijp had meegenomen. Eigenlijk, dit strict onder ons, was ik opgelucht dat Fatima niet op kwam dagen. Ik had mijn best gedaan, maar hoefde niet. Ik zou nu een venijnige opmerking kunnen maken over onbetrouwbare junks, maar geef vooral mezelf de schuld. Het is een lieve meid. Er is vast iets tussen gekomen en ze heeft me ongetwijfeld proberen te bellen. En je mobieltje thuis laten, dat is in deze tijd volstrekt ondenkbaar. Zo niet verboden.

vrijdag 22 oktober 2010

NAJAAR

Najaar, door mist omfloerst het wrange vergezicht,
Het donker valt al snel, het ochtendlicht is vaal,
Ik zie de dagen snellen als de stroom die schicht,
Gedrenkt in weemoed, vluchtig, kaal.

Gedachten, meegevoerd in 't kielzog van mijn spijt,
Alsof we ooit een tweede kans mochten verwachten!
Verwijlen dromend in het landschap van de tijd
Waar eens mijn jeugd betoverd lachte!

In 't zonlicht der herinnering, die triomfeert,
Ruik ik opnieuw ragfijne rozen, opgebloeid;
Het huilen was 'k als twintigjarige verleerd;
Nu welt een hete traan op, vloeit!

(Automne, Armand Silvestre, 1837-1901)

maandag 18 oktober 2010

OP REIS

Als je op reis gaat voor langere tijd heb je grofweg twee keuzes: je reist licht, met een tandenborstel en een kam en een pinpas, of je zeult je hele hebben en houwen mee.
De eerste optie vind ik erg aantrekkelijk. Je laat immers je huis en je gewone leven achter, en begint een nieuw. Je koopt op je reisdoel wat je nodig blijkt te hebben, en maakt een frisse start. In ‘Maigret op reis’ stapt de commissaris wegens een onderzoek gehaast in een vliegtuig. Aangekomen in Lausanne blijkt hij maar één pijp bij zich te hebben. Dat kan natuurljk niet. Hij loopt een tabakszaak binnen en koopt een fijne nieuwe pijp, en wat tabak van een merk dat in Parijs onbekend is.
Ik heb 23 pijpen bij me, dus ik ben een reiziger van het tweede soort, de meezeulers. Nu moet ik er wel bij vertellen dat mijn reis geen vacantie-uitje is. Liever zou ik niet gaan, en ik zie op tegen de anonimiteit van mijn monnikencel, ben bang voor heimwee. Het is daarom dat ik gisterenmiddag een enorme tas tot de rand toe met favoriete boeken heb gevuld, waarvan ik er waarschijnlijk nog geen twee zal lezen. Ook een portret van mijn kinderen en mijn vriendin ging in de koffer, meer moleskine-schriftjes dan ik in een jaar kan vullen, en een gloednieuwe cavaquinho.
Je zult zien dat ik ginds geen muziek mag maken, zelfs niet op dit bescheiden miniatuurgitaartje, omdat ik los moet weken van mijn huidige leven, en mijn beroep rust moet gunnen. En wat ik nu al verschrikkelijk zeker weet, is dat al dit hamsteren niets zal baten. Zonder twijfel heb ik die ene pijp waar ik zin in heb juist niet bij me, en ga ik naar boeken verlangen die tweehonderd onoverbrugbare kilometers verderop staan.


(Dit blog is nog voor enige weken voorgeprogrammeerd, dus leest u gerust verder en weest mij welgezind!)

(Op de valreep toch nog twee Simenons en twee pijpen in mijn tas gegooid.)

vrijdag 15 oktober 2010

FLIKKEN, BESLUIT

Flikken was vanavond errug slecht. 
De clou was knullig, en het spel onecht. 
Was dus mijn enthousiasme onterecht? 
 Zelfs de fiere held Victor Reinier 
kwam niet los van 't dood gedrukt papier: 
de moordzaak interesseerde hem geen zier, 
 hij las zijn teksten zonder verve op, 
en moest het hebben van zijn mooie kop. 
Nog voor het einde drukte ik op de knop. 
 Is mijn liefde dan alweer voorbij? 
Ben ik vrijdagavond tv-vrij? 
 Of was ik uit mijn doen, lag het aan mij?