Ik had mijn vriendin op het vliegtuig gezet. Ik was alleen. Ik besloot iets te eten in de buurtpizzeria. De macaroni met gorgonzola en kipfilet smaakte nog goed. Normaal zou ik het daarbij gelaten hebben. Maar ik had honger en een overmoedig humeur dus bestelde ik als tweede gang een entrecote met groente en aardappels. Het flinterdunne lapje vlees was te herkennen als rund door wat mijn dochter de texture noemt, maar verder smaakte het vooral naar rauwe knoflook. De groente was voor het merendeel wortel, dat ik verafschuw. De aardappels waren oké. Alles werd opgediend in het prozaïsche tempo dat bij mannen alleen hoort.
Er is een nummer van Billy Joel: Scenes From An Italian Restaurant. Ik draaide dat vroeger toen ik oppaste. Zij was veertig, ik was twintig. Zij was nachtverpleegster. Ik kwam als zij naar haar werk ging. Ik moest voor de veiligheid van haar dochtertje zorgen. Dat kwam erop neer dat ik de aangelijnde hond zo veel mogelijk negeerde, die enthousiast blafte en kwijlde, en haar drankverzameling zo slim mogelijk probeerde te plunderen. Ik mixte rode martini met steeds andere sterke drank. Terwijl ik in de suizende stilte van de suburbia-nacht heerlijk roezig werd van die naamloze cocktails ging ik door haar platencollectie heen. Er was niet veel van mijn gading. Maar wat ik enigszins acceptabel vond, zoals Herman van Veen en Billy Joel, draaide ik steeds maar weer, iedere maandag en woensdag. ’s Ochtends zat ik wazig aan het vroege ontbijt met het meisje en haar moeder, die ik stiekem begeerde. Dat wil zeggen: als ik weer thuis was fantaseerde ik over haar voordat ik mijn slaap inhaalde.
vrijdag 27 april 2012
donderdag 26 april 2012
APRIL
Ik haastte me druipend nat de Albert Heijn in. Onder de overkapping van de roltrap stonden mensen te schuilen. Toen ik tien minuten later weer buiten kwam had de hemel een warmblauwe tint. Alleen wat veertjes restten nog van de donkere wolken van daarnet. In april kan dat.
Dat eenzelfde transformatie ook in de politieke atmosfeer kan plaatsvinden is veel minder gewoon. ’s Ochtends had ik nog plezier gehad om een foto in Trouw van minister De Jager die als een glunderend Jerommeke heroïsch de camera tegemoet marcheerde, gevolgd door een paar jonge vazallen met aktetassen die hem nauwelijks konden bijbenen. Mooie foto, maar, bedacht ik spijtig, het zou natuurlijk allemaal weer niks worden met dat plotselinge daadkrachtige elan daar in Den Haag. En kijk, opeens is er dat akkoord. Alsof iedereen het deprimerende gesteggel net zo strontzat was als ik, en vastbesloten was het nu eens helemaal anders te doen en de boel even doortastend als onconventioneel te regelen. Wonderlijk. Tot en met Sacha de Boer van het NOS-journaal leek iedereen verbaasd over deze wending. Is Nederland soms beter af zonder een zittend kabinet? Hebben we hier flexibele democratie aan het werk gezien, in plaats van logge particratie?
Na de verkiezingen zullen alle bereikte overeenkomsten wel weer ter discussie staan, maar voor nu is het fijn te weten dat je in een land leeft waar als het moet nog iets van de grond kan komen.
dinsdag 24 april 2012
KROLL
Een tijd lang was ik de enige. Hoe ik ook speurde op het web, geen spoor vond ik van Erwin Kroll. Niemand scheen zich net als ik te verbazen over zijn maandenlange afwezigheid. In medialand wordt elk intern conflict als wereldschokkend nieuws gepresenteerd, dus zoiets was er niet aan de hand. Ook in geval van ziekte is men doorgaans open in de communicatie. Niemand hoeft zich immers te schamen, en het publiek wil geïnformeerd worden. Dus waar was Kroll? Ik miste hem, want ik ben een grote sympathie gaan opvatten voor die man, die risico’s durft nemen en zijn persoonlijke stijl niet onder stoelen of banken steekt. Ik bedacht een eigen theorie, deels opgebouwd uit empathie (Kroll zou wel net zo iemand zijn als ik), deels uit wat ik van een vriend hoorde, die hem op wintersportvakantie had meegemaakt, laveloos bij het après-ski. Kroll leed aan een ernstige identiteitscrisis. Hij was zijn publieke imago en zijn podiumpersoonlijkheid grondig zat, had zich te lang op de been gehouden met de fles, en kwam nu bij in een kliniek. Dat zou het discrete stilzwijgen van zijn werkgevers kunnen verklaren. Over zoiets spreekt men immers niet lichtvaardig. Ik krijg het maandelijkse krantje van de kliniek ook altijd onherkenbaar in wit papier verpakt thuisgestuurd.
Inmiddels is het bijna mei, en heeft Kroll al drie seizoenswisselingen voorbij laten gaan zonder zijn kruidige commentaar. En inmiddels zijn er meer mensen zich gaan afvragen waar het ooit besnorde, theatrale weerorakel is gebleven, 'Kroll met de handjes'. Vooral satirische websites nemen hem op de korrel. Twee citaten:
‘Erwin Kroll neemt per direct ontslag als weerman van de NOS. Reden is het uitblijven van de Elfstedentocht. Ondanks het veelbelovende weer bleven concrete resultaten uit, reden voor de weerman om plaats te maken voor nieuw bloed.
De positie van Kroll stond al langer ter discussie na de tegenvallende zomer en de natte december en januari. Het journaalicoon leek jarenlang geen kwaad te kunnen doen bij de Nederlandse kijker. Rond de jaarwisseling van 1996 en 1997 haalde hij met succes de laatste grote koudegolf naar Nederland. De afgelopen jaren echter lukte het Kroll nauwelijks meer echt baanbrekende voorspellingen te doen.’ (De Speld)
‘Maar de TMG-collegaatjes van opinieweekblad Privé hebben zich in Het Geheim van Hilversum vastgebeten. Ze hebben in een parkeergarage een hoestende man van de NOS gesproken. Het schijnt dat Erwin al maanden een soort van apathisch thuis zit. Dat hij niemand wil spreken, niemand wil zien. Dat hij de hele dag uit het raam zit te staren. Noem het depressief, het wil allemaal even niet. Dan zijn er ook nog verhalen dat hij agressieve buien heeft en er op het moment moeilijk met hem te leven is. Donder & bliksems, Erwin. Da's niet best.‘ (GeenStijl)
Dat is inderdaad niet zo best. De NOS heeft ondertussen haar mysterieuze zwijgen verbroken en officieel verklaard dat Kroll het rustiger aan wil doen. Van een arbeidsconflict zou geen sprake zijn. Als Erwin Kroll werkelijk lijdt aan een burn-out of een depressie kan ik alleen maar hopen dat, ook zonder dat hij er een handje bij helpt, de lente gauw doorbreekt. Misschien dat die hem goed doet.
Inmiddels is het bijna mei, en heeft Kroll al drie seizoenswisselingen voorbij laten gaan zonder zijn kruidige commentaar. En inmiddels zijn er meer mensen zich gaan afvragen waar het ooit besnorde, theatrale weerorakel is gebleven, 'Kroll met de handjes'. Vooral satirische websites nemen hem op de korrel. Twee citaten:
‘Erwin Kroll neemt per direct ontslag als weerman van de NOS. Reden is het uitblijven van de Elfstedentocht. Ondanks het veelbelovende weer bleven concrete resultaten uit, reden voor de weerman om plaats te maken voor nieuw bloed.
De positie van Kroll stond al langer ter discussie na de tegenvallende zomer en de natte december en januari. Het journaalicoon leek jarenlang geen kwaad te kunnen doen bij de Nederlandse kijker. Rond de jaarwisseling van 1996 en 1997 haalde hij met succes de laatste grote koudegolf naar Nederland. De afgelopen jaren echter lukte het Kroll nauwelijks meer echt baanbrekende voorspellingen te doen.’ (De Speld)
‘Maar de TMG-collegaatjes van opinieweekblad Privé hebben zich in Het Geheim van Hilversum vastgebeten. Ze hebben in een parkeergarage een hoestende man van de NOS gesproken. Het schijnt dat Erwin al maanden een soort van apathisch thuis zit. Dat hij niemand wil spreken, niemand wil zien. Dat hij de hele dag uit het raam zit te staren. Noem het depressief, het wil allemaal even niet. Dan zijn er ook nog verhalen dat hij agressieve buien heeft en er op het moment moeilijk met hem te leven is. Donder & bliksems, Erwin. Da's niet best.‘ (GeenStijl)
Dat is inderdaad niet zo best. De NOS heeft ondertussen haar mysterieuze zwijgen verbroken en officieel verklaard dat Kroll het rustiger aan wil doen. Van een arbeidsconflict zou geen sprake zijn. Als Erwin Kroll werkelijk lijdt aan een burn-out of een depressie kan ik alleen maar hopen dat, ook zonder dat hij er een handje bij helpt, de lente gauw doorbreekt. Misschien dat die hem goed doet.
vrijdag 20 april 2012
BRUGGE

Zo’n soort café was King Arthur.
***
Omdat dit stukje korter is dan u van me gewend bent, doe ik er nog een portretje bij dat ik vandeweek schetste in mijn aantekenboekje:
KAFKA
Tegenover me zit een meisje. Midden twintig, sluik bruin haar dat langs haar oren weggeleid is uit haar gezicht. Ze heeft hetzelfde wijkende kinnetje dat mijn dochter had voor ze een rigoureuze beugel aangemeten kreeg. Zachte, bruine ogen, een bleke huid. Er hangt een wolk van stilte en alleen zijn om haar heen. Ze leest een boek van Kafka en noteert af en toe iets in een bloknoot. Geen laptop. Haar concentratie is anders dan die van de meeste mensen die hier zitten te werken. Minder hard, minder zelfbesloten. Als ze opkijkt van haar boek dwalen haar ogen rustig door de ruimte. Ze ziet mij en onze blikken blijven even aan elkaar vastgekleefd. Ze glimlacht vaag. Ze is een dromer, dat zie je zo. In Grand Café W. wordt niet veel gedroomd. Ik blijf langer aan de leestafel zitten dan gewoonlijk.
Labels:
Amsterdam,
drank,
portretten,
reizen,
theater
dinsdag 17 april 2012
DROMEN

vrijdag 13 april 2012
STILLEVEN
Ik had een oude vriend op bezoek. Hij bewonderde mijn nieuwe studeerkamer, de knusse cockpit van waaruit ik deze berichten de wereld in stuur. Er waren voordelen verbonden aan het volwassen worden van de kinderen, zei hij. Zelf was hij weer gaan schilderen en had de vrij gekomen kamer van zijn oudste zoon ingericht als atelier.
Vroeger, toen hij nog beeldend kunstenaar was, had hij altijd ateliers gehad. Op de zolder boven zijn huis, maar ik had hem ook zien schilderen in spookachtige fabriekshallen. Zijn bruine corduroy jasje had toen altijd onder de verf gezeten, en zelfs op zijn bril zaten spetters. Toen hij in de jaren ’90 meezwenkte met de tijdgeest en de kwast verruilde voor de muis, maakte het bevlekte ribfluweel plaats voor het snelle pak van de ICT-executive. Schilderen deed hij alleen nog op vakantie, waterverflandschapjes om de tijd tussen de maaltijden door te doden.
Inmiddels was de vaart even uit de zaak en had hij ook in het gewone leven meer tijd om handen. Hij had olieverf gekocht en zijn oude beroep weer opgepakt. Voor de lol, voorlopig. Iedere dag boog hij zich twee uur lang over het linnen en schilderde stillevens. Pruimen, druiven of uien. Of soms allemaal tegelijk. Helemaal vrijblijvend ging dat toch niet. Hij merkte dat de ambitie er steels insloop. Hij werd steeds beter. De ontwikkeling die hij ooit als student in vijf jaar had doorgemaakt doorliep hij nu in een paar maanden. Hij dacht alweer voorzichtig aan een expositie.
Ik schonk hem een bier in en trakteerde mezelf op gevitaminiseerd water met sinaasappel en calamansi. Ooit, toen we allebei nog met volle overgave een Bourgondisch leven leidden had ik hem gewaarschuwd voor zijn roekeloze drinkgedrag. Als we boven de vijftig zijn, wil ik nog wel gewoon een borrel met je kunnen drinken, had ik hem geschreven. Ik maakte me zorgen over hem, niet over mezelf. Maar hij was vanzelf matiger geworden met het klimmen der jaren, en ik was het die de spelbreker was geworden. ‘Later, als ik groot ben, wil ik weer samen met je aan de wijn zitten,’ zei ik, terwijl ik een zuinig slokje nam van mijn sportieve drankje. Hij lachte. ‘Later dan toch! Maar... een goed plan,’ zei hij grootmoedig.
Toen hij wegging zei hij dat ik gauw eens naar zijn pruimen, druiven en uien moest komen kijken. Ik beloofde dat te doen.
Vroeger, toen hij nog beeldend kunstenaar was, had hij altijd ateliers gehad. Op de zolder boven zijn huis, maar ik had hem ook zien schilderen in spookachtige fabriekshallen. Zijn bruine corduroy jasje had toen altijd onder de verf gezeten, en zelfs op zijn bril zaten spetters. Toen hij in de jaren ’90 meezwenkte met de tijdgeest en de kwast verruilde voor de muis, maakte het bevlekte ribfluweel plaats voor het snelle pak van de ICT-executive. Schilderen deed hij alleen nog op vakantie, waterverflandschapjes om de tijd tussen de maaltijden door te doden.
Inmiddels was de vaart even uit de zaak en had hij ook in het gewone leven meer tijd om handen. Hij had olieverf gekocht en zijn oude beroep weer opgepakt. Voor de lol, voorlopig. Iedere dag boog hij zich twee uur lang over het linnen en schilderde stillevens. Pruimen, druiven of uien. Of soms allemaal tegelijk. Helemaal vrijblijvend ging dat toch niet. Hij merkte dat de ambitie er steels insloop. Hij werd steeds beter. De ontwikkeling die hij ooit als student in vijf jaar had doorgemaakt doorliep hij nu in een paar maanden. Hij dacht alweer voorzichtig aan een expositie.
Ik schonk hem een bier in en trakteerde mezelf op gevitaminiseerd water met sinaasappel en calamansi. Ooit, toen we allebei nog met volle overgave een Bourgondisch leven leidden had ik hem gewaarschuwd voor zijn roekeloze drinkgedrag. Als we boven de vijftig zijn, wil ik nog wel gewoon een borrel met je kunnen drinken, had ik hem geschreven. Ik maakte me zorgen over hem, niet over mezelf. Maar hij was vanzelf matiger geworden met het klimmen der jaren, en ik was het die de spelbreker was geworden. ‘Later, als ik groot ben, wil ik weer samen met je aan de wijn zitten,’ zei ik, terwijl ik een zuinig slokje nam van mijn sportieve drankje. Hij lachte. ‘Later dan toch! Maar... een goed plan,’ zei hij grootmoedig.
Toen hij wegging zei hij dat ik gauw eens naar zijn pruimen, druiven en uien moest komen kijken. Ik beloofde dat te doen.
Labels:
beeldende kunst,
drank,
portretten
dinsdag 10 april 2012
MOPPIE

(Illustratie: Schubertiade, 1865 aus der Erinnerung gezeichnet, Moritz von Schwind)
vrijdag 6 april 2012
TAAB2

(Illustratie: The Minstrel, door Rosanne van Spaendonck)
dinsdag 3 april 2012
JOURNAAL

Vroeger aten op zondag mijn opa en oma bij ons. Mijn opa was door het leven verzuurd en door de ouderdom met stomheid geslagen. Het enige ogenblik dat hij even opleefde was tegen acht uur. Dan zei mijn moeder: ‘Vader wil graag even naar het journaal kijken.’ Wij zetten dan mopperend de tv op het eerste net. Soms weigerden we en bleven naar onze eigen dingen kijken. Daar heb ik nu spijt van.
In Voskuils roman De buurman willen de buren ’s avonds even langskomen. ‘Voor of na het journaal?’ vraagt Voskuils alter ego Maarten Koning.
Ik bedoel maar. Het is niet zomaar iets, dat achtuurjournaal.
In 1996 trad Philip Freriks aan als oppernieuwslezer. Hij bracht een nieuwe stijl mee: persoonlijker, meer op de man, met humor. Het was wel even wennen aan het bijbehorende gehakkel. Maar bij de gladde poppetjes van de commerciële concurrentie stak hij toch af als een man met gezag en persoonlijkheid.
Ook de nieuwe ‘huisstijl’, geïntroduceerd in 2005, deed de behoudzuchtige tanden knarsen, maar tastte het gezag van het achtuurjournaal niet aan. Het bleef het enige echte journaal. Iets is pas waar als het om acht uur wordt verkondigd. En nog steeds spreken die mannen en vrouwen vlekkeloos Nederlands. Te correct misschien: in hun ijver de z netjes uit te spreken schieten ze hun doel wel eens voorbij. Als die, door wat taalkundigen ‘assimilatie’ noemen, als een s moet worden uitgesproken, zoals in ‘opzij’ of ‘op zondag’, klinkt bij hen nog steeds een verzorgde z. Maar luister niet naar mij, ik ben een vakidioot. Verder geen klachten: Rob Trip en Sacha de Boer zijn geweldig. Echte huisvrienden.
Met huiver en onbegrip las ik dan ook dat vanaf volgende maand alles anders moet. Het moet vlotter en simpeler. Dichterbij de woordkeus en de emoties van de gewone mens.
Om met collega blogger De dwarse man te spreken: Waarom? Wie zegt dat? Waar staat dat dan?
In mijn ogen maken ze bij de NOS nu al een knieval voor het alledaagse sentiment, met al die aandacht voor klein-menselijke drama’s, terwijl de wereld in brand staat. Schoolmeisje zwanger? Daar is al een wakkere reporter geposteerd voor een saaie school in een nieuwbouwwijk, alsof hij in de barre landschappen van Verweggistan staat. Fraude met een pinautomaat? We zien een blauwbekkende man ter plaatse in de winkelstraat om de hoek, wachtend tot hij de vraag binnen heeft in zijn oortjes om een omstandig antwoord te geven dat met één enkele bijzin van de presentator afgedaan had kunnen worden. Ik vind dat vrij potsierlijk. En als de redactie nóg dieper door de knieën wil dan met dit gefröbel, dan houd ik mijn hart vast. Er is een adagium, toegeschreven aan Frank Zappa, dat helaas in deze populistische tijden hopeloos ouderwets is geworden, maar dat spraakmakende en voorbeeldvormende instanties als het achtuurjournaal best eens in hun oren zouden kunnen knopen: ‘Kniel nooit voor je publiek, maar til het op naar je eigen niveau'.
Ik ben bang dat de tijd nabij is, dat mensen die in volzinnen spreken en er gedachten op na houden die de directe emotie ontstegen zijn een verdachte minderheid gaan vormen. Ongewenste lastpakken die de boel onnodig ingewikkeld maken. Ze stoppen ons dan in een reservaat. Elke avond om acht uur leest de oude Fred Emmer het nieuws voor. Schijnbaar emotieloos, en zonder zich één keer te verspreken.
Abonneren op:
Posts (Atom)